19-04-17

Martin Michael Driessen, Marjoleine de Vos, Manuel Bandeira, n. c. kaser, Veniamin Kaverin, Louis Amédée Achard, Pierre-Jean de Béranger, Gudrun Reinboth, Werner Rohner

 

De Nederlandse schrijver, vertaler en regisseur Martin Michael Driessen werd geboren op 19 april 1954 in Bloemendaal. Zie ook alle tags voor Martin Michael Driessen op dit blog.

Uit: Rivieren

“De kade stond onder water en er was maar nauwelijks genoeg ruimte om onder de eerste brug door te varen. Hij duwde af. Op deze zondagochtend was Sainte-Menehould even slaperig als hij. Er was niemand te bekennen. Hij stuurde de kano naar het midden van de stroom en bukte onder de middelste boog van de brug. Toen hij aan de andere kant het licht in voer en zich weer oprichtte, gingen er in een huis aan de linkeroever roestige vensterluiken open. Drie donkere, kroesharige kleine meisjes doken op en wuifden hem opgewonden toe. Hij zwaaide terug.
De kano stuurde goed, alleen stak de punt te veel omhoog, hoewel hij alle bagage voorin had gestouwd. Het was een lange aluminium Canadees, eigenlijk te groot voor een man alleen. Hij had hem aan zijn zoon cadeau gedaan op diens zestiende verjaardag. Ze waren er die zomer samen de Loire mee afgevaren, een groot stuk althans, langs Chambord en de andere beroemde kastelen. Dat was na de veelbelovende beginrepetities voor Don Carlos geweest. Later was hij zijn rol kwijtgeraakt omdat hij de regieassistente had geslagen. Waar hij tot op de dag van vandaag geen spijt van kon hebben. Wie geen respect heeft, begrijpt niets van theater. De rivier stroomde nu tussen overhangende bomen en struiken, zoals het nog tientallen kilometers zou doorgaan, althans volgens de vooroorlogse kanogids die hij de avond tevoren had geraadpleegd. ‘De Aisne,’ had hij gelezen, ‘is een gemoedelijke rivier, die zich in tallooze meanders door het lieflijke Noord-Fransche landschap slingert. Behalve incidenteele boomhindernissen zijn er tot aan de groote barrage van Autry generlei bijzondere problemen te verwachten.’ Des te beter, dacht hij, bijzondere problemen heb ik al genoeg aan boord.
Het was stil. De bomen met hun bollen van maretakken staken af tegen de parelgrijze morgenhemel. Bisamratten plonsden in het water en doken onder, als ze door het verschijnen van zijn kano verrast werden. Zwaluwen stortten zich uit hun nestgaten in de hoge, afgekalfde lemen oevers in de buitenbochten van de stroom en zochten een veilig heenkomen. La France Profonde, dacht hij terwijl hij met rustige peddelslagen koers hield, wat wil je meer.”

 

 
Martin Michael Driessen (Bloemendaal, 19 april 1954)

Lees meer...

19-04-16

Marjoleine de Vos, Manuel Bandeira, n. c. kaser, Veniamin Kaverin, Louis Amédée Achard, Werner Rohner

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marjoleine de Vos werd geboren in Oosterbeek op 19 april 1957. Zie ook alle tags voor Marjoleine de Vos op dit blog.

 

Ruimtevrees

Achter eilanden, daar weer achter
dijken, zee en Zweden. Waar zou je heen?
De blik verliest je met zichzelf in ruimte
waar aankomst ver en ver te zoeken is.
Niet voor de woerd die plotseling en onbedaarlijk
groen het zonlicht en je oog inzwemt.
Kijk bij je voet, maant hij, waar speenkruid
bloeit, de lucht gespiegeld blauw is in het diep.
Voel warmte op je neus, zie 't vroege blad
van vlier.
Je keek te ver. Wat je zoekt is hier.

 

 

Kooklust

Met gretige borsten staat begeerte aan het aanrecht
zoent het zaad uit tomaten, kijkt naar het zwellen
van beslag onder vochtige doek. Haar hand liefkoost
de haas van een jonge stier, zijn zoekende tong
is gemaakt voor de hare, verzaligd streelt ze
zijn ballen de pan in. Hartstocht
is een keukenprinses met aanraakbare huid,
donzig als deeg, geurig als boter, een weerloze
van bot bevrijde eend die naakt wil zijn
als een olijf in olie, een perzik op sap.
Ze wil zich ontleden op het hakblok, betast worden
door gulzige vingers en gloeiend verslonden.
Een vis zijn, zwemmend in roomsaus
gewiegd, gekend, begeerd, genoten.

 

 
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)

Lees meer...

19-04-15

Marjoleine de Vos, Manuel Bandeira, n. c. kaser, Veniamin Kaverin

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marjoleine de Vos werd geboren in Oosterbeek op 19 april 1957. Zie ook alle tags voor Marjoleine de Vos op dit blog.

 

Heimwee naar de toekomst

Het is al lang geleden maar ze weet nog
hoe, niet op een dag maar sluipend,
haar dromen zijn ontvreemd. Of gaf ze zelf
verlangen mee aan morgenster en vuilnisman?
Hoe ook - het meubilair verdween van wat
toekomstig huis wou zijn in haar: geen
kamer meer met zon en zang, geen
schaapjes die op het behang een kindje
tellen zou, geen toegekend belang aan elk
gebaar tot aan de afwas toe die neuriënd
van simpel stil geluk en liefde voor elkaar,
ach laat ook maar, die aandacht voor elk ding.

 

 

Wer jetzt kein Haus hat

Begraven worden ergens, nu vooruit
ik weet wel waar het fluitekruid met luchtig kant
het voorjaar vult. Maar hoe te sterven eerst
hoe weten waar het oog graag rust
waar alles zo dat je besluiten kunt
om weg te gaan.

Is dat je leven fout geleefd werd
af te zien aan geen vertrouwde plaats
die voorbestemd lijkt voor vaarwel?
Als je een huis gebouwd had, dan wist je 't wel.

 

 
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)

Lees meer...

19-04-14

Marjoleine de Vos, Manuel Bandeira, n. c. kaser, Veniamin Kaverin

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marjoleine de Vos werd geboren in Oosterbeek op 19 april 1957. Zie ook alle tags voor Marjoleine de Vos op dit blog.

 

Zie de Lente

Barst plots in de sneeuw de helleborus open
trompettert leven en knalt geel forsythia.
Guur waait de lente weg de stille winter
dun hoog licht verdrijft behaaglijk vuur.
Ineens moet alles uit zijn grond of tak
in bermen joelen paardebloemen
de kromme wilg rilt in zijn lichte groen.
Daar staan wij ook, naakt en koud met bloesem
in grijzig haar en willen warm en wild
en dat we houden van die schrille kleuren
van elkaar.

 

 

De ziel, een kudde schapen

Brave witten, zoet klingelen, lief eten.
Paar zwarten, tuintje leeg vreten
rennen waar geen schaap nog ging.
En die slome die niet merkt dat
brroemmm! de jonge herder op zijn brommer.

Leuke ziel met krullen wol en suffe kop,
veelstemmig omlaag stromend naar zee.
Dan weer verplicht de bergen op.
Valt het onze jongens niet mee
in het doel van hun missie te geloven.

 

 
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)

Lees meer...

19-04-13

Manuel Bandeira, n. c. kaser, Veniamin Kaverin, Pierre-Jean de Béranger, Louis Amédée Achard, Werner Rohner

 

De Braziliaanse dichter, schrijver en vertaler Manuel Carneiro de Souza Bandeira Filho werd geboren op 19 april 1886 in Recife. Zie ook alle tags voor Manuel Bandeira op dit blog.

 

 

English Sonnet No. 1

 

When death close my blank eyes --
Hard from so much vain torment,
What thoughts will fill your young bosom
Of all my sad moments?

I see you now distracted and distant:
More than distant - withdrawn. And I predict,
already now I predict, the exact moment
When your desire will no longer turn to another man

For you will have nothing, but your loneliness,
Left, abandoned! One day I shall leave
I shall sleep the ultimate sleep.
On that day you will cry… What matters? Cry.

Then I will feel much closer
To me, your uncertain heart.

 

 

 

Vertaald door Mariza G Goes

 

 

 

Naked

 

When you are dressed,
Nobody imagines
The worlds hidden
Under your clothes.

(Thus, in the day light,
We do not have notion
Of the stars that shine
In the deep sky.

But naked is the night
And naked in the night,
Vibrate your worlds
And the worlds of the night.

Your knees shine.
Your navel shines,
Shines all your
Abdominal lyre.

Your exiguous bosoms
- As two small fruits
in the firmness
Of your firm torso

- Your bosom shines)
Ah! Your hard nipples!
Your back!
Your flanks!
Ah, your shoulders!

When naked, your eyes
Become naked also:
Your gaze lingers longer,
Slower, more liquid.

Then, within those eyes,
I float, swim, jump,
Lower in a perpendicular
Diving!

I dive to the depths
Of your being, there where
Your soul smiles at me,
Naked, naked, naked.

 

 

 

 

Manuel Bandeira (19 april 1886 – 13 oktober 1968)

Lees meer...

19-04-12

Manuel Bandeira, n. c. kaser, Veniamin Kaverin, Pierre-Jean de Béranger, Louis Amédée Achard, Werner Rohner

 

De Braziliaanse dichter, schrijver en vertaler Manuel Carneiro de Souza Bandeira Filho werd geboren op 19 april 1886 in Recife. Zie ook alle tags voor Manuel Bandeira op dit blog.

 

 

Absolute Death

To die.
To die body and soul.
Completely.

To die without leaving the sad remains of flesh,
Without leaving the bloodless mask of wax,
Surrounded by flowers,
Which will rot away — so happy! — one day,
Bathed in tears
Born less from grief than from the shock of death.

To die without leaving perhaps even a pilgrim soul…
On the way to heaven?
But what heaven can fulfill your dream of heaven?

To die without leaving a furrow, a trace, a shadow,
Without leaving even the remembrance of a shadow
In any human heart, in any human thought,
In any human skin.

To die so completely
That one day when somebody sees your name on a page
He will ask: “Who was he?...”

To die still more completely:
Without leaving even this name.

 

 

 

Apple

From one angle I see you just like a dried-up breast
From another just like a belly from whose navel still hangs the
umbilical cord

You are red as the divine love

Inside you in the little seeds
Palpitates a prodigious life
Infinitely

And you remain so simple
Beside a knife
In a poor hotel room.

 

 


Vertaald door John Nist

 

 

 


Manuel Bandeira (19 april 1886 – 13 oktober 1968)

Portret door Cândido Portinari

Lees meer...

19-04-11

Veniamin Kaverin, Pierre-Jean de Béranger, Louis Amédée Achard, Katharina Hartwell

 

De Russische schrijver Veniamin Kaverin werd geboren op 19 april 1902 in Pskov. Zie ook mijn blog van 18 april 2009 en ook mijn blog van 19 april 2010.

 

Uit: Two captains (Vertaald door Bernard Isaacs)

 

„It must have been on one  such cheerless  evening,  as I lay  beside my father, that  I  first became aware of  my  surroundings. The squalid little room With its low ceiling, its walls pasted over with newspapers, and  a big crack under the  window through which drew  cold air  and  the  tang of  the

river-such was our  home. The dark, beautiful woman with her hair let  down, sleeping on the  floor on  two sacks filled with  straw, was my  mother. The little  feet sticking out  from  under  the patchwork  quilt belonged  to my sister.  The dark skinny boy in the outsize trousers who crept shivering out

of bed and stole into the yard was me.

     A likely spot had  been selected long ago, string had been prepared and even  dry twigs piled up at the Gap; all I  needed now to  go out  after the blue  crabs  was  a piece of  rotting meat. The bed  of  our  river was  all different colours, and so were  the crabs in  it-black, green,  and  yellow.

These were baited with frogs and lured with a bonfire. But the blue crab, as all  of  us boys firmly believed, could only be taken with rotting meat. The day  before I had had a stroke of luck  at  last: I  had managed to steal  a piece of  meat from Mother and  kept it in  the  sun all  day. It was putrid

now-one did not have to take it into one's hand to find that out.

     I  ran down to the Gap along the river bank:  here brushwood  had  been

piled  up for a fire. In the  distance one  could see the towers,  Pokrovsky Tower on  one  bank, Spassky  on the other. When the war broke out they were used  as  army leather goods depots.  Pyotr Sko-vorodnikov used  to say that devils  once  dwelt  in Spassky Tower and that he had actually  seen  them ferrying over to our side, after which they had scuttled their boat and made their home Pokrovsky Tower.”

 

 

Veniamin Kaverin (19 april 1902 – 4 mei 1989)

 

 

Lees meer...

19-04-10

Veniamin Kaverin, Pierre-Jean de Béranger, Louis Amédée Achard, Katharina Hartwell


De Russische schrijver Veniamin Kaverin werd geboren op 19 april 1902 in Pskov. Zie ook mijn blog van 18 april 2009.

 

Uit: Two captains (Vertaald door Bernard Isaacs)

 

Although I have survived, I have little reason to rejoice, as I shall soon be undergoing an operation, after which I can only trust in God's mercy, for God alone knows how I'm going to live without feet. What I have to tell you is this.

The St. Maria became icebound in the Kara Sea and since October 1912 has been drifting steadily north with the Arctic icefields. When we left the schooner she was in latitude 82° 55'. She is standing in the middle of an icefield, or rather that was where she was from the autumn of 1912 until the day I left her. She may be free of the ice this year, but I think this is more likely to happen next year, when she will be round about the spot where the Fram broke free. The men who have remained in her have enough victuals to last until October or November of next year. In any case, I hasten to assure you that we did not leave the ship because she was in a hopeless plight. I had to carry out Captain's orders, of course, but I must admit that they fell in with my own wishes. When I was leaving the ship with the thirteen men, Ivan Lvovich gave me a packet addressed to the Head of the Hydrographical Board—who has since died-and a letter for you. I dare not risk mailing them, because, being the only survivor, I am anxious to preserve all evidence of my honourable conduct. I therefore ask you to send for them or come to Archangel yourself, as I shall be spending at least three months in hospital.

"Awaiting your reply, I remain your obedient servant.

"I. Klimov, Navigating Officer."

The address had been washed away, but had obviously been written in the same bold upright hand on the thick yellowed envelope.

This letter must have become for me something in the nature of a prayer, for I used to repeat it every evening while waiting for my father to come home.

He used to come in late from the wharf. The steamers arrived now every day and took on cargoes, not of flax and grain as they used to do, but of heavy cases containing cartridges and gun parts. Burly, thickset and moustached, he used to come in wearing a cloth cap and tarpaulin trousers. Mother would talk and talk, while he ate in silence, once in a while clearing his throat or wiping his moustache. Then he would take us children-my sister and me—and lie down to sleep. He smelt of hemp, sometimes of apples or grain, and sometimes of rancid machine-oil, and I remember what a depressing effect that smell had on me.“

 

 

 

Kaverin

Veniamin Kaverin (19 april 1902 – 4 mei 1989)

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver van liedteksten Pierre-Jean de Béranger werd geboren op 19 april 1780 in Parijs. Zie ook mijn blog van 19 april 2007 en ook mijn blog van 18 april 2009.

 

 

Air des Trois couleurs

 

Toujours prophète, en mon saint ministère,
Sur l'avenir j'ose interroger Dieu.
Pour châtier les princes de la terre,
Dans l'ancien monde un déluge aura lieu.
Déjà, près d'eux, l'Océan sur ses grèves
Mugit, se gonfle: il vient, maîtres, voyez !
Voyez, leur dis-je. Ils répondent: Tu rêves.
Ces pauvres rois (bis), ils seront tous noyés.

Que vous ont fait, mon Dieu, ces bons monarques !
Il en est tant dont on bénit les lois.
Des jougs trop lourds si nous portons les marques,
C'est qu'en oubli le peuple a mis ses droits.
Pourtant les flots précipitent leur marche
Contre ces chefs jadis si bien choyés.
Faute d'esprit pour se construire une arche,
Ces pauvres rois (bis), ils seront tous noyés.

Qui parle aux flots ? un despote d'Afrique,
Noir fils de Cham, qui règne les pieds nus.
Soumis, dit-il, à mon fétiche antique,
Flots qui grondez, doublez mes revenus.
Et ce bon roi, prélevant un gros lucre
Sur les forbans à la traite employés,
Vend ses sujets pour nous faire du sucre.
Ces pauvres rois (bis), ils seront tous noyés.

Accourez tous ! crie un sultan d'Asie:
Femmes, vizirs, eunuques, icoglans.
Je veux des flots, domptant la frénésie,
Faire une digue avec vos corps sanglants.
Dans son sérail tout parfumé de fêtes,
D'où vont s'enfuir ses gardes effrayés,
Il fume, il baîlle, il fait voler des têtes.
Ces pauvres rois (bis), ils seront tous noyés.

Dans notre Europe, où naît ce grand déluge,
Unis en vain pour se prêter secours,
Tous ont crié: Dieu, soyez notre juge.
Dieu leur répond: Nagez, nagez toujours.
Dans l'Océan ces augustes personnes
Vont s'engloutir; leurs trônes sont broyés;
On bat monnaie avec l'or des couronnes.
Ces pauvres rois (bis), ils seront tous noyés.

Cet Océan, quel est-il, ô prophète ?
Peuples, c'est nous, affranchis de la faim,
Nous, plus instruits, consommant la défaite
De tant de rois inutiles enfin.
Dieu fait passer sur ces fils indociles
Nos flots mouvants si longtemps fourvoyés.
Puis, le ciel brille et les flots sont tranquilles.
Ces pauvres rois (bis), ils seront tous noyés.

 

 

 

 

Béranger
Pierre-Jean de Béranger (19 april 1780 – 16 juli 1857)

Sculptuur in de facade van het Hôtel de ville in Parijs

 

 

 

 

De Franse schrijver Louis Amédée Achard werd geboren op 19 april 1814 in Marseille. Zie ook mijn blog van 18 april 2009.

 

Uit: Recits d'un soldat

 

Au mois de juillet 1870, j'achevais la troisième année de mes études à l'École centrale des arts et manufactures. C'était le moment où la guerre, qui allait être déclarée, remplissait Paris de tumulte et de bruit. Dans nos théâtres, tout un peuple fouetté par les excitations d'une partie de la presse, écoutait debout, en le couvrant d'applaudissements frénétiques, le refrain terrible de cette

_Marseillaise_ qui devait nous mener à tant de désastres. Des régiments passaient sur les boulevards, accompagnés par les clameurs de milliers d'oisifs qui croyaient qu'on gagnait des batailles avec des cris. La ritournelle de la chanson des _Girondins_ se promenait par les rues, psalmodiée par la voix des gavroches. Cette agitation factice pouvait faire supposer à un observateur inattentif que la grande ville désirait, appelait la guerre; le gouvernement, qui voulait être trompé, s'y trompa.

Un décret appela au service la garde mobile de l'Empire, cette même garde mobile que le mauvais vouloir des soldats qui la composaient, ajouté à l'opposition aveugle et tenace de la gauche, semblaient condamner à un éternel repos. En un jour elle passa du sommeil des cartons à la vie agitée des camps. L'École centrale se hâta de fermer ses portes et d'expédier les diplômes à ceux des concurrents désignés par leur numéro d'ordre. Ingénieur civil depuis quelques heures,

j'étais soldat et faisais partie du bataillon de Passy portant le no 13. La garde mobile de la Seine n'était pas encore organisée, qu'il était facile déjà de reconnaître le mauvais esprit qui l'animait. Elle poussait l'amour de l'indiscipline jusqu'à l'absurde. Qui ne se rappelle encore ces départs bruyants qui remplissaient la rue Lafayette de voitures de toute sorte conduisant à la gare du chemin de fer de l'Est des bataillons composés d'éléments de toute nature? Quelles attitudes! quel tapage! quels cris! A la vue de ces bandes qui partaient en fiacre après boire, il était aisé de pressentir quel triste exemple elles donneraient.

 

ACHARD_louis

Louis Amédée Achard (19 april 1814 – 24 maart 1875)

Bij zijn graf op Le Père-Lachaise in Parijs

 

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Duitse schrijfster Katharina Hartwell werd geboren in 1984 in Keulen. Vanaf 2003 studeerde zij van Engels en American Studies in Frankfurt am Main. Sinds 2007 volgde zij aanvullend interdisciplinaire genderstudies. Zij publiceerde in bloemlezingen en tijdschriften, waaronder Der Literaturbote, Zeichen und Wunder, Verstärker. In 2006 was zij de winnares van de wedstrijd "Jonge Literatuur Hessen-Thüringen" van het Hessische Ministerie voor Wetenschappen en Kunsten. Katherine Hartwell won in 2009 de MDR-korte verhaal prijs.

 

Uit: Die nächste Runde

 

Punkt zwölf.

Sagst du, wirst du da sein.

Ich weiß: da sein wirst du vielleicht, sicher nicht um zwölf. Seitdem wir uns kennen, wir kennen uns lange, lässt du mich warten, magst gerne, zu wissen: irgendwo hänge ich in der Luft, komme nicht zu Boden

ohne dich.

Da bin ich trotzdem schon, nicht erst um zwölf, früher noch, eine halbe Stunde, länger vielleicht.

Ich warte so gerne auf dich.

Über den Sommer im Jahr davor will ich sagen: Das war der heißeste seit langem. Dann kommt zurück zu mir: Der Sommer war nicht heiß; lauwarme Enttäuschungen, jeden Tag eine. Der Sommer, das war: Nasenbluten so oft, warten auf die Hitze, die nicht kommt. Einmal fuhren wir an den See, weil du das so wolltest. Vorher hatte ich gesagt:

Lass uns zu Hause bleiben. Es regnet bestimmt.

Wir stritten. Oder vielleicht strittest du und ich hielt aus, am Ende fuhren wir doch. Als es anfing zu regnen, wollte ich aufstehen, dachte, wir packen, fahren zurück und reden nicht mehr darüber. Aber wir mussten bleiben. Die einzigen am See, im Regen sitzend, weil du nicht aushalten kannst, wenn ich Recht habe und du nicht.“

 

 

 

Hartwell
Katharina Hartwell (Keulen, 1984
)

 

19-04-09

Manuel Bandeira, Gudrun Reinboth, Stefan Schütz, n. c. kaser, Veniamin Kaverin, Pierre-Jean de Béranger, Louis Amédée Achard


De Braziliaanse dichter, schrijver en vertaler Manuel Carneiro de Souza Bandeira Filho werd geboren op 19 april 1886 in Recife. Zie ook mijn blog van 19 april 2007 en ook mijn blog van 19 april 2008.

 

 

Avondmaal

Wanneer de Onverbeide der mensen daar zal zijn
(Hetzij grimmig hetzij liefdevol),
Misschien ben ik dan bang.
Misschien ook glimlach ik, of zeg ik:
                                                   'Welkom, onontkoombare!
Mijn dag was goed, de nacht mag vallen.
(De nacht met zijn betovering.)
De akker is geploegd, het huis aan kant,
De tafel is gedekt,
Met alle dingen op hun plaats.'

 

 

 

 

Vertaald door August Willemsen

 

 

 

 

Mijn geboortestad

Ik was een kind toen ik mijn geboortestad verliet.
Dertig jaar heb ik ver van haar doorgebracht.
Zo nu en dan zeiden ze me:
Je stad is compleet veranderd,
Zij heeft brede lanen en wolkenkrabbers...
Het is nu een mooie stad!

De angst sloeg mij om het hart.

Uiteindelijk heb ik mijn Recife weergezien
Zij is – inderdaad – compleet veranderd.
Zij heeft brede lanen en wolkenkrabbers.
Het is nu een mooie stad!

Degenen die mijn geboortestad zo mooi gemaakt hebben... de Duivel hale hen!

 

 

Vertaald door Jef van Egmond

 

 

 

 

 

My Last Poem

 

I would like my last poem thus

 

That it be gentle saying the simplest and least intended things

That it be ardent like a tearless sob

That it have the beauty of almost scentless flowers

The purity of the flame in which the most limpid diamonds are consumed

The passion of suicides who kill themselves without explanation.

 

 

 

Vertaald door Elizabeth Bishop

 

 

 

 

 

 

Bandeira_Recife
Manuel Bandeira (19 april 1886 – 13 oktober 1968)

Circuito da Poesia, Recife, Brazilië

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Gudrun Reinboth werd geboren op 19 april 1943 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 19 april 2007 en ook mijn blog van 19 april 2008.

 

 

Antigenesis

 

Siebenter Tag:

Am Anfang jener Zeit

hatte der Mensch

die höchste Vollendung

zu denken, zu erkennen,

zum Leben zu führen

endgültig erreicht.

 

Die ihm untertane Erde

hielt den Atem an. –

 

Doch er nützte den Tag nicht,

den letzten, der ihm

gegeben war.

Nichts wirklich Böses

geschah: nur kindlich

löste er die Vernichtung aus,

einfach, weil sie möglich war.

 

Sechster Tag:

Da verschwand jedes

menschliche Leben.

Viele verglühten

ahnungslos sofort,

beneidet von allen,

die einen schleichenden Tod

nach ihnen starben.

 

 

Fünfter Tag:

Hier und da

rührte sich noch

zählebiges Getier,

aus Felsen und Höhlen

schwerfällig kriechend,

zerfetzte Haut nachschleifend

und verendend in Qualen.

Zuletzt noch schleppten

Käfer mit Taumeln

ihren Chitinpanzer

über die Asche.

Ihr Tod dauerte lang ...

 

 



Reinboth
Gudrun Reinboth (Berlijn, 19 april 1943)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Stefan Schütz werd geboren op 19 april 1944 in Memel. Zie ook mijn blog van 19 april 2007.

 

Uit: Der vierte Dienst

 

"Wir konnten uns den Planeten nicht aussuchen, auf dem unsere alte Schatulle notlandete, aber dafür, daß wir der intergalaktischen Polizei, der wir den Umstand zu verdanken haben, uns bis in diesen Teil des Universums verfolgt zu haben, entkommen sind, können wir doch ganz zufrieden sein mit unserem Unterschlupf."

(…)

"Mir wird's langsam zu bunt mit dir", herrschte ich die schwarze Schatulle an, "wenn du dich nicht bald erklärst, bringe ich dich dahin zurück, wo ich dich gekauft habe." Sie aber zeigte keine Regung und schien nur auf eine neuerliche Gelegenheit zu warten, mich anzuzapfen”.

 

 

 

 

Stefan_Schuetz
Stefan Schütz (Memel 19 april 1944)

 

 

 

 

 

De Zuidtiroolse dichter norbert c. kaser werd geboren op 19 april 1947 in Brixen. Zie ook mijn blog van 19 april 2007 en ook mijn blog van 19 april 2008.

 

 

Uit: N. C. Kaser elementar

 

“es lebt sich. ohne zeitung ohne radio eine gehstunde von der zivilisation entfernt .. straße gibt es keine. wie hinter zehn bergen liegt meran wo christian hausen wuerde & ladurner ... meran das bundesdeutsche altersheim 12 km entfernt oder nichteinmal das.
ich gehe nie ins tal.
ich werde der landschaft nicht muede.
meine mutter ja die hab ich begraben.
das gasthaus genuegt mir. sie lieben mich im dorf. ich bin einer der ihren geworden: verträumt verschlagen & hinterhältig. (...)
der rhythmus ist ein anderer geworden .. ich habe nichts mehr zu verlieren & zu versaeumen. die tage sind schoen & das blau meines himmels noch ungemalt.”

 

 

 

 

 

Kaser
n. c. kaser
(19 april 1947 – 21 augustus 1978)

 

 

 

 

 

De Russische schrijver Veniamin Kaverin werd geboren op 19 april 1902 in Pskov. Hij was de zoon van een dirigent en begon op het gymnasium met het schrijven van gedichten. In Sint Petersburg (Petrograd) studeerde hij vanaf 1920 Oosterse en Arabische talen. Samen met o.a. Michail Zostsjenko richte hij de literaire groep de Serapiosbroeders op. In 1922 publiceerde hij in een almanak van de groep het verhaal  “Kroniek van de stad Leipzig in het jaar 18”. Zijn eerste werk stond onder invloed van E. T. A. Hoffmann en Edgar Allan Poe. In 1929 verscheen zijn eerste roman De onruststoker. Bijzonder populair werd hij door zijn jeugdroman Twee Kapiteins die in delen verscheen tussen 1938 en 1944. In 1946 ontving hij er de Stalinprijs voor.

 

Uit: Two captains (Vertaald door Bernard Isaacs)

 

I remember  the  big dirty  yard and the  squat little houses with  the fence round them.  The  yard stood on  the edge  of the  river, and  in  the spring, when the flood-water subsided, it was littered with bits of wood and shells, and sometimes with things far more interesting. On one occasion, for

instance,  we  found  a postman's  bag full of letters,  and afterwards  the waters brought  down the postman himself and deposited him carefully  on the bank. He was lying on his back, quite a young man, fair-haired, in postman's uniform with shining buttons; he  must have  polished them up before setting out on this last round.

     A policeman took  the bag, but  Aunt Dasha kept the  letters-they  were soaking wet  and of no further use  to anybody. Not  all of them were soaked though. The bag  had been a new one, made of leather, and was closed  tight. Every evening Aunt Dasha used to read one of the letters  out, sometimes  to me alone, sometimes to the whole yard. It was so  interesting  that even the old women, who used to go to Skovorodnikov's  to play cards, would drop  the game and join  us. There was  one letter which Aunt Dasha  used to read more often  than  any  other, so often, in fact,  that I  soon got to  know it by heart. Many years have passed  since then, but I can still remember  it from the first word to the last. "Dear Maria Vasilievna,

     "I hasten to  inform  you that Ivan Lvovich  is  alive  and well.  Four months ago, on  his orders, I left the  schooner  along with thirteen of the crew.  I hope to see you soon, so I shall not describe our difficult journey across the pack-ice to Franz Josef Land. We suffered  terrible hardships and privations. I will only say that  I  was the only one of  our party to reach Cape Flora safely (not counting a pair of frostbitten feet). I was picked up by the St. Phocas, of Lieutenant Sedov's Expedition, and taken to Archangel.“

 

 

 

kaverin
Veniamin Kaverin (19 april 1902 – 4 mei 1989)

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver van liedteksten Pierre-Jean de Béranger werd geboren op 19 april 1780 in Parijs. Zie ook mijn blog van 19 april 2007.

 

 

 

LE PRINTEMPS ET L'AUTOMNE

 

Deux saisons règlent toutes choses,

Pour qui sait vivre en s'amusant:

Au printemps nous devons les roses,

À l'automne un jus bienfaisant.

Les jours croissent; le coeur s'éveille:

On fait le vin quand ils sont courts.

Au printemps, adieu la bouteille!

En automne, adieu les amours!

Mieux il vaudrait unir sans doute

Ces deux penchants faits pour charmer;

Mais pour ma santé je redoute

De trop boire et de trop aimer.

Or, la sagesse me conseille

De partager ainsi mes jours:

 

Au printemps, adieu la bouteille!

Au mois de mai j'ai vu Rosette,

Et mon coeur a subi ses lois.

Que de caprices la coquette

M'a fait essuyer en six mois!

Pour lui rendre enfin la pareille,

J'appelle octobre à mon secours.

Au printemps, adieu la bouteille!

Je prends, quitte, et reprends Adèle,

Sans façon comme sans regrets.

Au revoir, un jour me dit-elle.

Elle revint long-temps après;

J'étais à chanter sous la treille:

Ah! Dis-je, l'année a son cours.

Au printemps, adieu la bouteille!

Mais il est une enchanteresse

Qui change à son gré mes plaisirs.

 

Du vin elle excite l'ivresse,

Et maîtrise jusqu'aux desirs.

Pour elle ce n'est pas merveille

De troubler l'ordre de mes jours,

Au printemps avec la bouteille,

En automne avec les amours.

 

 

 

 

Pierre-JeanBeranger
Pierre-Jean de Béranger (19 april 1780 – 16 juli 1857)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Louis Amédée Achard werd geboren op 19 april 1814 in Marseille. Hij werkte er als journalist en trok later naar Parijs. Daar werkte hij voor bladen als Vert-Vert, Entracte, Charivari, l’Époque. Achard was een zeer produktief schrijver. Naast zijn journalistieke werk schreef hij ongeveer dertig toneelstukken en veertig boeken.

 

Uit: Belle-Rose

 

Il y avait, vers l'an 1663, à quelques centaines de pas de Saint-Omer, une maisonnette assez bien bâtie, dont la porte s'ouvrait sur le grand chemin de Paris. Une haie vive d'aubépine et de sureau entourait un jardin où l'on voyait pêle-mêle des fleurs, des chèvres et des enfants. Une demi-douzaine de poules avec leurs poussins caquetaient dans un coin entre les choux et les fraisiers; deux ou trois ruches, groupées sous des pêchers, tournaient vers le soleil leurs cônes odorants, tout bourdonnants d'abeilles, et çà et là, sur les branches de gros poiriers chargés de fruits, roucoulait quelque beau ramier qui battait de l'aile autour de sa compagne.

La maisonnette avait un aspect frais et souriant qui réjouissait le coeur; la vigne vierge et le houblon tapissaient ses murs; sept ou huit fenêtres percées irrégulièrement, et toutes grandes ouvertes au midi, semblaient regarder la campagne avec bonhomie; un mince filet de fumée tremblait au bout de la cheminée, où pendaient les tiges flexibles des pariétaires, et à quelque heure du jour que l'on passât devant la maisonnette, on y entendait des cris joyeux d'enfants mêlés au chant du coq.

 

 

 

 

Achard
Louis Amédée Achard (19 april 1814 – 24 maart 1875)