21-06-17

Summer Solstice (Stacie Cassarino), Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Adam Zagajewski

 

Dolce far niente

 

 
Soleil couchant door Pierre Bonnard, 1913

 

 

Summer Solstice

I wanted to see where beauty comes from
without you in the world, hauling my heart
across sixty acres of northeast meadow,
my pockets filling with flowers.
Then I remembered,
it’s you I miss in the brightness
and body of every living name:
rattlebox, yarrow, wild vetch.
You are the green wonder of June,
root and quasar, the thirst for salt.
When I finally understand that people fail
at love, what is left but cinquefoil, thistle,
the paper wings of the dragonfly
aeroplaning the soul with a sudden blue hilarity?
If I get the story right, desire is continuous,
equatorial. There is still so much
I want to know: what you believe
can never be removed from us,
what you dreamed on Walnut Street
in the unanswerable dark of your childhood,
learning pleasure on your own.
Tell me our story: are we impetuous,
are we kind to each other, do we surrender
to what the mind cannot think past?
Where is the evidence I will learn
to be good at loving?
The black dog orbits the horseshoe pond
for treefrogs in their plangent emergencies.
There are violet hills,
there is the covenant of duskbirds.
The moon comes over the mountain
like a big peach, and I want to tell you
what I couldn’t say the night we rushed
North, how I love the seriousness of your fingers
and the way you go into yourself,
calling my half-name like a secret.
I stand between taproot and treespire.
Here is the compass rose
to help me live through this.
Here are twelve ways of knowing
what blooms even in the blindness
of such longing. Yellow oxeye,
viper’s bugloss with its set of pink arms
pleading do not forget me.
We hunger for eloquence.
We measure the isopleths.
I am visiting my life with reckless plenitude.
The air is fragrant with tiny strawberries.
Fireflies turn on their electric wills:
an effulgence. Let me come back
whole, let me remember how to touch you
before it is too late.

 

 
Stacie Cassarino (Hartford, 15 februari 1975)
Hartford.

Lees meer...

21-06-16

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Anne Carson, Adam Zagajewski, Ian McEwan, Alon Hilu, Jean-Paul Sartre

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ed Leeflang op dit blog.

 

De driesteenstrandloper

De zee kan het niet helpen,
in weeën komt haar drift;
voor haar opwelling wijkt hij,
haar bedenking beent hij na.

Van zijn bestaan verschijnt
het vluchtig spijkerschrift,
in scheve aanloopregels,
bijna kwatrijnen.

En door haar plompverloren dweilen
worden zij weggewist.

Ieder spoor van zijn gedribbel
moet verdwijnen, of hij zich in
de drang om voort te leven
zonder nadruk had vergist.

 

 

Blauw

Met kalmte van een nuttig mens
keek ik naar wolken en vertrapte haast
de stralend blauwe pol, de ereprijs
waar je die niet vermoedt, tegen
het stenen trapje aan de voet
van een nog kale winderige dijk.

Ik mocht je zo, de zin
die ik aan mijn verleden geef
hangt af van energie en van
toevalligs dat ik zie.

En daar grijpt midden op de dag
een blauw mij aan, als wij het niet
meer kunnen vinden, in een late schrik.
Ik had het vroeger voor je moeten stelen,
tegen je wil, tot elke prijs, ergens vandaan.

 

 

Magische bescherming

Spijker op je voordeur het bleke
houten masker tegen het kwaad.
De giftige blikken staren
dood en verderf tegemoet.
Al wat het op je voorzien heeft
draait zich om en druipt af
de holle ogen dwingen.
Slaap in en geloof dat ze
elk onheil buiten sluiten.

Dan is het zover en kom je
je eigen huis niet meer binnen.

 

 
Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

Lees meer...

21-06-14

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Anne Carson, Adam Zagajewski, Ian McEwan, Alon Hilu, Robert Menasse

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ed Leeflang op dit blog.

 

Ze is zo groot

Ze is zo groot, zo warm, zo zonnig.
Ze haalt haar wijsheid uit een land
waar vuilnisbakken zijn beverfd met bloemen;
's zomers zeilt zij op haar houten ledikant.

Haar lach vliegt zeer omslachtig
als een fazant bijvoorbeeld door het lokaal,
zo kleurig ook; zij houdt van allemaal
en niemand is alleen gelaten.
Ze kan niet haten.

Op het bord zij waaren en hij hete;
ze is er voor het zijn, niet voor het weten,
naar kennis heeft ze nooit gedorst.
Ze is zo groot, zo warm, zo zonnig;
ze geeft straks heel de klas de borst.

 

 

Werkcoupé

Besneeuwde velden zijn de wereld zelf.
De zware hekken sluiten niets meer af.
Tot suikerbeesten eten paarden zich
waarna de bakker ze komt halen.
O palmen van de boerenkool.
Magere haas, golfplaat van eterniet,
contour die slingert, sierend niets
voorbijschiet en ontroert.
De reigers vasten, maraboes
mijn stiltes trouw gebleven
in menselijk teveel. Tellen
houdt op. Roestende emmer, halfbedoelven
steekt schuins zijn hengsel uit
naar het gewapend riet.
Houwdegens posten in de leegte
het liefste bij verdriet.

 

 

Kortenhoef

De avond komt over de kleine binnenplas.
Ik peddel niet meer, licht zuchtend loopt
de kano vast in de plompeblaren. Nog een
kleine opmerking van de wind
achter mij in het riet. De watermunt
geurt me met kracht achterna van het
licht aanvaren.

Een fuut komt haastig nog door de ban,
met watervrees zwemmend, alsof het zo weer
spertijd is, weer jeugd en oorlog worden kan.

Een bel ontploft zacht aan het oppervlak;
heeft ook het ongeborene al ontzetting?

Wat heb je toch met de stilte,
steeds minder beangste, verouderde man?
Je leven heb je onder de leden
en je wil toch niemand meer laten delen
in die besmetting?

 

 
Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

Lees meer...

21-10-13

In Memoriam Thomas Blondeau

 

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Thomas Blondeau is afgelopen zondag op 35-jarige leeftijd overleden. Thomas Blondeau werd geboren in Poperinge op 21 juni 1978. Zie ook alle tags voor Thomas Blondeau op dit blog.

 

Uit: eX

 

“Steek een goudvis in een kom en zolang hij lucht en voedsel heeft, zal zijn belevingswereld niet veel anders zijn dan die van een goudvis in een meer. Plaats een olifant alleen op een omwald stukje veld en na verloop van tijd gaat hij met zijn hoofd zachtjes heen en weer slingeren. Zijn slurf trekt strepen in het zand. Die schudbewegingen maken endomorfine aan. Ze schudden zich langzaam naar een high om dat godvergeten stukje veld bestrooid met gigantische knikkers stront aan te kunnen.

Om een mens in diezelfde toestand te krijgen zijn er sterkere maatregelen nodig. Neem hem zijn besef van tijd en ruimte af, hul hem in duisternis en geef hem onzekerheid over zijn lot. Een naamloos leven in een niet al te grote gemeenschap bereikt aardig die omstandigheden. Omdat hoop het laatste is wat sterft, gaat de mens radeloos op zoek naar methodes om de gekte op een afstand te houden. Daarom gaan gijzelaars schaken, besteden ze dagelijks meer uren aan hun zelfgekauwde pionnen en lopers dan wat voor grootmeester dan ook. Of ze gaan opdrukken en doen buikspieroefeningen met een zelfdiscipline die ze in vrijheid nooit zouden kunnen opbrengen. Herlezen die slecht geschreven detective in een taal die ze amper machtig zijn totdat ze als korangeleerden het hele ding kunnen reciteren. Desnoods achterstevoren.
Davids rituelen tegen de waanzin die gestaag op zijn hoofd druppelde, waren de impromptu scenario’s waarin hij de hoofdrol speelde. Zag hij de getraliede ramen van een geldtransportwagen, dan vertraagde zijn stap. Haalde zijn zonnebril boven, deed alsof hij een mobiele telefoon naar zijn oor bracht en ging bedachtzaam een sigaret roken, hopend dat een beveiligingsbeambte hem opmerkte. Wat nooit gebeurde.
Als hij een gloeiende sigarettenpeuk in het rioolgat mikte, hoopte hij stiekem op een steekvlam of een ontploffing. Ging hij naar een winkel, dan keek hij recht de beveiligingscamera’s aan. En in zijn borst altijd die onuitgesproken hoop dat er iets zou gebeuren. Dat hij opgemerkt zou worden, per abuis gearresteerd, dit is schandalig, sorry meneer, een gerechtelijke dwaling, een gerechtelijke dwaling zegt u, dat was een jaar van mijn leven, als u maar weet dat ik het hier niet bij laat. Hij was de uitgelezen ramptoerist bij zijn eigen catastrofe.”

 

 

 

Thomas Blondeau (21 juni 1978 – 20 oktober 2013)

 

21-06-13

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Anne Carson, Adam Zagajewski, Ian McEwan, Alon Hilu

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ed Leeflang op dit blog.

 

 

Hij is prins

 

Hij is prins, hij wil geen onderdanen,
want zij zullen allen in elk geval prinsen zijn:
prins verkoper, prins bloemist,
prins huisvrouw en prins dode.

Zijn wenkbrouw spreekt,
zijn ogen vragen en op
zijn tafel staan de staatsgeheimen
van de dagen.

Kwetsbare prinsen onder elkaar
- met moeders als een tv-serie
zo benauwend vasthoudend -
iedereen wordt een wezen.

Er is geen vrouwlijkheid in deze klas,
er is slechts hoffelijkheid en hoogheid
en hevigheid van schrijven en van lezen.
Wie 's morgens binnenkomt is
een vereerde gast.

 

 

 

 

Botlopen

 

We zetten zwinnen in de zandplaat af
met warnetten en joegen stapvoets bot
en schol op, vingen emmers vol.

De kotter op de drooggevallen vlakte
hing scheef, de eerste stilte scheen
te dalen uit de zon, een oever was
er niet.

Uit water waren wij getild, samen
met gesloten schelpen, om tenminste
één keer haast te weten hoe het is: te
zijn gestrand en toch te overleven.

Twee of drie uur zou de eb ons hier
nog dulden. Dan niet meer.
Genoeg om te onthouden dat wij het
onbetwiste midden waren van de ruimte,
die wij opgelucht en nietsontziend
bevisten.

 

 

 

 

Duinen

 

Zoals altijd is er een dierenspoor.
Er staan gewone brem, slangenkruid,
ossetong en koekoeksbloemen. Sommige
konijnen begonnen een hol, maar
groeven niet door.

In de spaarbekkens hangt het water;
je zou er munten in kunnen gooien
als in het bassin van een fontein.

Bast is van jonge bomen afgeknaagd.
Zie toch hoe de dag werkelijk wentelt
en er van alles uit de tijd valt, ritselend,
hoe schelpen gaan, knerpend, hoe niemand
meer opraapt, hoe niemand meer ergens
naar vraagt, hoe de wind heengaat:
zonder geest te zijn wat hij afrukt
verwerpend.

 

 

 

 

Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

Lees meer...

21-06-12

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Anne Carson, Adam Zagajewski, Georg Lentz

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ed Leeflang op dit blog.

 

 

Dronk op de tuin

 

Van god los maar om de kikkers
en alle kweepeer begaan, de merel
te hulp met de appels, het huis
met cement, de woelrat vol van genade
naar het leven staand, te verschrikter
gezegend als het peren regent of
pruimen, goed voor de wesp, wreed
voor de wespen, aan de kant van
de egel, de muizen, de uilen,
in twijfel om wat het leed, het gras,
het kroos, het woord. Drinken wij uit.
Vriendin, wij hoeven niet altijd voort.

 

 

 

Donor

 

Er zit al iemand in de file
die mijn organen nodig heeft
mijn netvlies of mijn nieren,
wie ik mijn hart gun,
die dan weer slapen kan,
een ander in de ogen zien.

 

Die rijdt nu tussen achterlichten
met iedereen de avond in
en voegt zich in het menuet

turend op het asfalt
neuriënd achter het stuur
afslaand naar mijn nieuw adres.

 

 

 

 

Hij is nieuwsgierig naar de richting

 

Hij is nieuwsgierig naar de richting
van de wind, het afval bij de vuilnisbakken,

de blues, hij heeft plectrums, stukken

kwarts, een kompas, vuursteen en adressen

van ballonvaarders in zijn zakken.

 

Hij kent de Wadden, drijft op vlotten,
leidt kampen en maakt zonnewijzers,

vindt de begraven potten en hij

kan eenzaam lezen.

 

Hij heeft voor alles tijd,
kan niet slapen van nieuwsgierigheid

en komt tussen de vakanties langs

om te vertellen van vreemde breuken,

het nodige delen, het begrip verzameling;

op zijn gitaar laat hij horen

hoe een driekwartsmaat verschilt

van andere maten.

 

En hun verbazing over dit bestaan
- zij gaan naar school als gaan ze emigreren -

wil wegens hem niet overgaan:

van wat hij leeft willen ze

als voor het eerst geestdriftig

leren leven.

 

 

Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

Lees meer...

21-06-11

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Anne Carson, Adam Zagajewski, Georg Lentz

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 21 juni 2007, mijn blog van 21 maart 2008en ook mijn blog van 21 juni 2008 en ook mijn blog van 21 uni 2009.

 

 

Museum

 

Het kinderjurkje dat al is geweven

voor er romaans gedacht werd of gebouwd

bestaat. Het slaapt niet ver in een vitrine.

Veel nachtblauw heeft de stof bewaard.

 

De mouwen liggen uitgespreid,

zodat het nog gedachten kan omhelzen,

die in dat leven niet zijn uitgesproken

en van dat sterven niet zijn afgeleid.

 

 

 

Inscriptie

 

Een wereldbeeld ontsnapte ons

toen wij een halfrond vergden

om er alleen te zijn,

het andere bleven bewenen.

 

Wij legden achter ons leven

een tuin aan, ook een register

van allen met wie wij nog zouden

bijpraten, staren, verhelen.

 

Wij meden de liefde

en lieten de tastzin,

schreven hooghartig

de toekomst af.

 

Zoek ons niet meer,

wij eisten voor alles verzekerd

een eigen piramide; daarin

een sober onvindbaar graf

 

 

 

Asiel

 

Je zou niet denken dat ze spelen,

viool, harmonica en tambourijn,

voor vijf verwaaiden op dit groot terras

en stoelen bij elkaar op schoot gezeten.

 

Hoor dan ons kaal en puur applaus

of wij al lang begrepen hebben

dat wij de schuld zijn van hun kou

en wat er meer lijkt op verdriet.

 

Zij spelen het gedreven of wij van

de wind hier op dit lege plein

voortaan wel hadden kunnen leven

als zij blijven konden, anders niet.

 

 

 

Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

Foto: Chris van Houts

Lees meer...

21-06-09

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Anne Carson, Adam Zagajewski, Georg Lentz, Mary McCarthy, Aleksandr Tvardovsky, Fyodor Gladkov, Henry S. Taylor, Frans Joseph de Cort

 

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 21 juni 2007,  mijn blog van 21 maart 2008 en ook mijn blog van 21 juni 2008.

 

 

Ballade van de jaren

 

De meest onmogelijke jaren
verstreken waar wij zelf niet waren.

Waar lang en hardop werd geschoten
woonden alleen de tijdgenoten.

Je hoofd in maanlicht - van opzij
een broos en teerbeschilderd ei -

is hoezo hier en heel gebleven,
in slaap en moe van overleven.

Lees in stations de gebiedende wijzen,
de zucht te genezen, de drang te prijzen:

vrij veilig, drink minder, niet lozen, behoud
de grutto, gireer, red het regenwoud,

laat van je horen, vermager en blijf
van de verte, de stilte, de bomen, mijn lijf.

Gewaarschuwd, gesmeekt, bezworen, geboden
worden wij weggejaagd bij de doden,

de vaders en moeders aan zee, in het koren,
de dagjesmensen bij wie wij toch horen.

Zoals wij daar liepen bij poelen en vennen,
zo argeloos willen wij nog zien en kennen.

Wij willen hun vogels, hun blindheid, hun fruit,
hun gras. Wij willen hun tijd niet uit.

 

 

 

leeflang
Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

 

 

 

 

 

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Thomas Blondeau werd geboren in Poperinge op 21 juni 1978. Hij studeerde aan de Katholieke Universiteit Leuven en aan de Universiteit Leiden (literatuurwetenschappen). Hij schreef voor onder andere Mare, Deng, De Revisor en Dif. Na vele succesvolle poëzievoordrachten en gepubliceerde korte verhalen, verscheen in 2006 zijn debuutroman "eX", die met name in België goed ontvangen werd.

 

Uit: eX

 

“‘Wat is dit?’ Het café ging op maandag na vijven dicht en toen David na schooltijd door het café naar het woongedeelte van het huis liep, hield zijn vader hem staande en zwaaide op een paar centimeter van Davids neus met de nieuwe, witte wc-borstel. Er zaten een paar lichtbruine vlekken op de onderste haren.
‘Een tennisracket.’
‘Kluchtigaard. Hier!’ Hij wees op de haren.
David was weliswaar geschrokken van de roodaangelopen kop van zijn pa maar had uitgekeken naar een confrontatie met zijn anders haast subcomateuze vader. Die middag had Oscar Maegdt, een vaste klant een lacherige opmerking gemaakt over een kleverige vloer in de mannen-wc.
‘Michel, ge hebt wel rare manieren van uw klanten te laten plakken. De tegels onder het urinoir hingen bijna aan mijn zolen.’
Michel Quispel noemde Oscar altijd meester omdat hij advocaat was en daarmee een uitzondering onder zijn stamgasten. Hij vond de aanwezigheid van Oscar het café een bijzonder cachet geven. Dat Oscar door zijn frequent cafébezoek alleen zijn populariteit als gemeenteraadslid wou verhogen, was iets waar Michel verkoos niet over na te denken. Davids vader zei dat de schoonmaakster ziek was, verontschuldigde zich en voelde een oude schaamte opsteken.
Toen Oscar naar het volgende café op zijn ronde ging, schopte Michel Quispel hard tegen een krat dat onder de spoelbak stond. En trok de handschoenen aan om schoon te maken.
‘Dat is roest.’
‘Inox roest niet.’ Hij hield de borstel nu vlak voor Davids neus. Met een zwaaibeweging wou hij de borstel wegslaan. De vader was hem voor en duwde hem nu nog dichter bij de kop van zijn aartsluie zoon.
‘Ik weet niet wat het is.’ David sloeg de borstel weer weg. De vader zag het weer aankomen, David miste en de nylon haren streken even over zijn kin. David klemde zijn rechtervuist dicht.
‘Zeg wat het is, jongen. Zeg wat het is dat ge te lui zijt om af te krabben.’


 

Blondeau
Thomas Blondeau (Poperinge, 21 juni 1978)

 

 

 

 

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook mijn blog van 21 juni 2007 en ook mijn blog van 21 juni 2008.

 

Uit: Eros: the Bittersweet

 

The Greek word eros denotes "want," "lack," "desire for that which is missing." The lover wants what he does not have. It is by definition impossible for him to have what he wants if, as soon as it is had, it is no longer wanting. This is more than wordplay. There is a dilemma within eros that has been thought crucial by thinkers from Sappho to the present day. Plato turns and returns to it. Four of his dialogues explore what it means to say that desire can only be for what is lacking, not at hand, not present, not in one's posession nor in one's being: eros entails endeia. As Diotima puts it in the Symposium, Eros is a bastard got by Wealth on Poverty and ever at home in a life of want. Hunger is the analog chosen by Simone Weil for this conundrum:

'All our desires are contradictory, like the desire for food. I want the person I love to love me. If he is, however, totally devoted to me he does not exist any longer and I cease to love him. And as long as he is not totally devoted to me he does not love me enough. Hunger and repletion."

Emily Dickinson puts the case more pertly in "I Had Been Hungry":

So I found

that hunger was a way

of persons outside windows

that entering takes away.

Petrarch interprets the problem in terms of the ancient physiology of fire and ice:

I know to follow while I flee my fire

I freeze when present; when absent, hot is my desire. ("Trionfo d'Amore")

Sartre has less patience with the contradictory ideal of desire, this "dupery." He sees in erotic relations a system of infinite reflections, a deceiving mirror-game that carries within itself its own frusteration.”

 

 

 

carson
Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

 

 

 

 

De Poolse dichter en essayist Adam Zagajewski werd geboren op 21 juni 1945 in Lwów, het huidige Lviv. Zie ook mijn blog van 21 juni 2007  en ook mijn blog van 21 juni 2008.

 

 

Self-Portrait

 

Between the computer, a pencil, and a typewriter

half my day passes. One day it will be half a century.

I live in strange cities and sometimes talk

with strangers about matters strange to me.

I listen to music a lot: Bach, Mahler, Chopin, Shostakovich.

I see three elements in music: weakness, power, and pain.

The fourth has no name.

I read poets, living and dead, who teach me

tenacity, faith, and pride. I try to understand

the great philosophers--but usually catch just

scraps of their precious thoughts.

I like to take long walks on Paris streets

and watch my fellow creatures, quickened by envy,

anger, desire; to trace a silver coin

passing from hand to hand as it slowly

loses its round shape (the emperor's profile is erased).

Beside me trees expressing nothing

but a green, indifferent perfection.

Black birds pace the fields,

waiting patiently like Spanish widows.

I'm no longer young, but someone else is always older.

I like deep sleep, when I cease to exist,

and fast bike rides on country roads when poplars and houses

dissolve like cumuli on sunny days.

Sometimes in museums the paintings speak to me

and irony suddenly vanishes.

I love gazing at my wife's face.

Every Sunday I call my father.

Every other week I meet with friends,

thus proving my fidelity.

My country freed itself from one evil. I wish

another liberation would follow.

Could I help in this? I don't know.

I'm truly not a child of the ocean,

as Antonio Machado wrote about himself,

but a child of air, mint and cello

and not all the ways of the high world

cross paths with the life that--so far--

belongs to me.

 

 

 

Vertaald door Clare Cavanagh

 

 

 

 

zagajewski
Adam Zagajewski (Lwów, 21 juni 1945)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijer en uitgever Georg Lentz werd geboren in Blankenhagen op 21 juni 1928. Hij groeide op in Berlijn. Hij studeerde voor uitgever en kwam terecht in de uitgeverswereld en de kunsthandel. In 1952 richtte hij in Stuttgart het "Georg-Lentz-Verlag" op, gespecialiseerd in prenten- en kinderboeken. Lentz stond tot 1964 aan het hoofd van de uitgeverij en was nadien actief in de uitgeverswereld in Zürich en Wenen. Georg Lentz publiceerde vanaf 1976 een succesrijke autobiografische romantrilogie (met de delen „Muckefuck“, „Molle mit Korn“ en „Weiße mit Schuß“), die zich afspeelde in Berlijn in de periode tussen 1933 en 1959. Op basis van zijn boeken „Muckefuck“ en „Molle mit Korn“ werd in 1988 de 10-delige TV-serie „Molle mit Korn“ gemaakt. Lentz overleed op 18 januari van dit jaar.

 

Uit: Molle mit Korn

 

„... "Schnüffelpaule", riefen wir! "Schnüffelpaule!"
Der Lastwagen hielt an. Schnüffelpaule sprang vom Trittbrett. Er trug wieder seinen alten Mantel. Oder einen, der genauso aussah. Und auch die Schiebermütze klebte ihm auf dem Kopf. "Nee", rief er, "det is nich möglich. Det kann ja nich sind! Ick krieje mir nich mehr ein! Ach du liebet bisschen! Komm in Paules Arme!" Wir begrüßten einander, tanzten wie die Indianer. Sternchen Siegel hatte schon die Schnapsgläser gefüllt. "Prost!" Sie machten sich alle miteinander bekannt.
Ein Polizist kam, der Lastwagen sollte weiterfahren. "Momang", sagte Paule, "kommt mal mit." Er astete einen Karton aus dem Führerhaus. "Für euch", sagte er. "Hat Paule mitgebracht. Freude!"
"Was ist denn drin?" fragte Gigi. Paule legte einen Finger auf die Lippen. "Wird nich verraten!"
Ein großer Karton! Schnüffelpaule stieg wieder ein. Langsam rollte der Lastzug an. "Bis morgen!" rief Paule.
Sternchen Siegel rief: "Bitteschön, derf ich fragen wat hamse jeladen?"
Paule rief zurück: "Vierzigtausend Büchsen Thunfisch!"
Im Karton waren zweihundert Büchsen Thunfisch....“

 

 

 

lentz
Georg Lentz (21 juni 1928 - 18 januari 2009)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster en feministe Mary McCarthy werd geboren op 21 juni 1912 in Seattle. Toen zij zes jaar was verloor zij haar ouders. Door haar voogden werd zij zowel protestants als katholiek als ook joods opgevoed. Bekend werd zij door haar vriendschap met Hannah Arendt. Hun correspondentie werd wereldberoemd. Haar reportages Vietnam-Report (1967) en Hanoi 1968 (1968) worden gerekend tot het beste wat over de oorlog in Viëtnam geschreven is.

 

Uit: The Group

 

„Outside, on Stuyvesant Square, the trees were in full leaf, and the wedding guests arriving by twos and threes in taxis heard the voices of children playing round the statue of Peter Stuyvesant in the park. Paying the driver, smoothing out their gloves, the pairs and trios of young women, Kay's classmates, stared about them curiously, as though they were in a foreign city. They were in the throes of discovering New York, imagine it, when some of them had actually lived here all their lives, in tiresome Georgian houses full of waste space in the Eighties or Park Avenue apartment buildings, and they delighted in such out-of-the-way corners as this, with its greenery and Quaker meeting-house in red brick, polished brass, and white trim next to the wine-purple Episcopal church—on Sundays, they walked with their beaux across Brooklyn Bridge and poked into the sleepy Heights section of Brooklyn; they explored residential Murray Hill and quaint MacDougal Alley and Patchin Place and Washington Mews with all the artists' studios; they loved the Plaza Hotel and the fountain there and the green mansarding of the Savoy Plaza and the row of horsedrawn hacks and elderly coachmen, waiting, as in a French place, to tempt them to a twilight right through Central Park.“

 

 

 

marymccarthy
Mary McCarthy (21 juni 1912 – 25 oktober 1989)

 

 

 

 

 

De Russische dichter Aleksandr Tvardovsky werd geboren in Oblast Smolensk  op 21 juni 1910. In de periodes 1950-1954, 1958-1970 was hij hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Novy Mir. Zijn populaire gedicht ВасилийТёркин (Vasili Tyorkin) geldt als voorbeeld van de voorstellingen over dichtkunst die men er in de Sovjet Unie van die tijd op na hield. In 1971 ontving hij de Staatsprijs voor Literatuur.

 

 

Tyorkin wounded


On the mounds of graves, on ditches,
On half-rusted barbed-wire stretches,
On the hills, on open patches
Of the mangled countryside,
In the marshy woods, on bushes--
See the snows of wintertide.

And the ground-wind swathes the meadows
In a white, impervious shroud;
Blizzards boom in gutted chimneys
Down along the empty road.

Locked in snowdrifts quite impassable,
These once quiet and peaceful lands
All this winter unforgettable
Reeked of smoke from guns innumerable,
Not of smoke from ingle brands.

And in dug-outs with no heating,
In the woods, on icy snows,
By their tanks and field-guns waiting
While the patient horses froze,
Soldiers learnt the tedious wartime
Count of endless nights and days.

 

 

 

Vertaald door Alex Miller

 

 

 

 

Tvardovsky
Aleksandr Tvardovsky (21 juni 1910—18 december 1971)

 

 

 

 

De Russische schrijver Fyodor Gladkov werd geboren op 21 juni 1883 in Chernavka. In 1904 sloot hij zich aan bij een comunistische groep. In 1905 ging hij naar Tblisi waar hij wegens revolutionaire activiteiten gearresteerd werd. Hij werkte later o.a. als secretaris van het literaire tijdschrift"Novy Mir", als correspondent van de krant "Izvestiya" en als directeur van het Maxim Gorky Instituut. Hij was een vertegenwooriger van het klassieke sociale realisme in de literatuur.

 

Uit: Zement (Vertaald door Olga Halpern)

 

“Wie vor drei Jahren wogte auch an diesem frühen Morgen Anfang März hinter den Dächern der Mietskasernen und den Arkaden der Fabrik das Meer; in der Sonne glitzernd, lag zwischen den Bergen am Ausgang der Bucht der gleiche leuchtende Glanz in der Luft, rot wie Wein. Die bläulichen Schlote, die Werkgebäude aus Eisenbeton, die Arbeiterhäuschen der „Gemütlichen Kolonie" und die kupferrot leuchtenden Berggrate hatten in der Sonne ihre Konturen eingebüßt und waren durchsichtig wie Eis.

Nichts hatte sich in diesen drei Jahren verändert. Das dunstige Gebirge mit seinen Spalten, Klüften, Steinbrüchen und Felsen war dasselbe wie in der Kindheit. Von weitem schon sah man die altbekannten Abbaustellen an den Bergwänden, sah die Bremsberge zwischen Geröll und Gestrüpp und in engen Schluchten die Brücken und Aufzüge. Auch das Werk unten war dasselbe geblieben — eine ganze Stadt aus Kuppeln, Türmen, Tonnendächern —, und über alledem, am Bergabhang, die „Gemütliche Kolonie" mit ihren verkümmerten Akazien und den fünf Quadratmetern Hof vor jedem Häuschen.

Ging man durch das Loch in der Betonmauer, die Fabrikgelände und Vorstadt voneinander trennte (ehedem war das Loch eine Pforte gewesen), so gelangte man zu Glebs Wohnung in der zweiten Mietskaserne.”

 

 

 

 

Fyodor Gladkov
Fyodor Gladkov (21 juni 1883 – 20 december 1958)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Henry S. Taylor werd geboren op 21 juni 1942 in Loudoun County, Virginia. Hij studeerde aan de University of Virginia. Hij doceerde literatuur en creatief schrijven aan de American University van 1971 tot 2003. Taylor  heeft vijftien bundels op zijn naam staan.In 1986 ontving hij de Pulitzer prijs voor zijn bundel The Flying Change.

 

 

RISING A ONE-EYED HORSE

 

One side of his world is always missing.

You may give it a casual wave of the hand

or rub it with your shoulder as you pass,

but nothing on his blind side ever happens.

 

Hundreds of trees slip past him into darkness,

drifting into a hollow hemisphere

whose sounds you will have to try to explain.

Your legs will tell him not to be afraid

 

if you learn never to lie. Do not forget

to turn his head and let what comes come seen:

he will jump the fences he has to if you swing

toward them from the side that he can see

 

and hold his good eye straight. The heavy dark

will stay beside you always; let him learn

to lean against it. It will steady him

and see you safely through diminished fields.

 

 

 

Taylot_Loudoun_County
Henry S. Taylor (Loudoun County, 21 juni 1942)

Gerechtsgebouw in Loudoun County (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

 

De Vlaamse dichter Frans Joseph de Cort werd geboren in Antwerpen op 21 juni 1834. Hij werkte als secretaris van de auditeur-generaal bij de militaire rechtbank. Van 1861 tot 1875 was hij hoofdredacteur van De Toekomst, tijdschrift voor opvoeding en onderwijs. Hij was een bekend liberaal-Vlaams volksdichter van liederen in de trant van Van Ryswyck en later van gevoelvolle huiselijke genrestukjes (bijvoorbeeld Moeder en kind).

 

 

Moeder en kind

 

Wanneer ik weeldedronken

mijn rozig kind beschouw

en die ‘t mij heeft geschonken,

mijn aangebeden vrouw,

zo vraag niet wie van beiden

mijn hart het meest bemint…

Mijn hart en kan niet scheiden

de moeder van het kind.

 

 

Ik doe mijn armen open

en sluit ze er in bijeen,

en vreugdetranen lopen

mij langs de wangen heen…

Ach, wist gij, spreek ik stille,

hoe zeer gij wordt bemind,

gij, kind, om moeders wille,

gij, moeder, om uw kind!

 

 

De_Cort_Frans
Frans Joseph de Cort (21 juni 1834 – 18 januari 1878)