John Coetzee, Thomas Bernhard, Kees Verheul, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Herman Pieter de Boer, Alice Walker, Jacques Schreurs, Maurits Sabbe


De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.

Uit: The Schooldays of Jesus

“He was expecting Estrella to be bigger. On the map it shows up as a dot of the same size as Novilla. But whereas Novilla was a city, Estrella is no more than a sprawling provincial town set in a countryside of hills and fields and orchards, with a sluggish river meandering through it. Will a new life be possible in Estrella? In Novilla he had been able to rely on the Office of Relocations to arrange accommoda-tion. Will lie and Ines and the boy be able to find a home here? The Office of Relocations is beneficent, it is the very embodiment of beneficence of an impersonal variety; but will its beneficence extend to fugitives from the law? Juan, the hitchhiker who joined them on the road to Estrella, has suggested that they find work on one of the farms. Farmers always need farmhands, he says.The larger farms even have dor-mitories for seasonal workers. If it isn't orange season it is apple season; if it isn't apple season it is grape season. Estrella and its surrounds are a veritable cornucopia. He can direct them, if they wish, to a farm where friends of his once worked. He exchanges looks with Ines. Should they follow Juan's advice? Money is not a consideration, he has plenty of money in his pocket, they could easily stay at a hotel. But if the authorities from Novilla are really pursuing them, then perhaps they would be better off among the nameless transients. 'Yes,' says Ines:Let us go to this farm.We have been cooped up in the car long enough. Bolivar needs a run: 'I feel the same way,' says he, SimOn.'However, a farm is not a holiday camp. Are you ready, Ines, to spend all day picking fruit under a hot sun?' 'I will do my share, says Ines:Neither less nor more.' 'Can I pick fruit too?' asks the boy 'Unfortunately no, not you, says Juan.'That would be against the law.That would be child labour: 'I don't mind being child labour, says the boy. 'I am sure the farmer will let you pick fruit, says he, Simon. 'But not too much. Not enough to turn it into labour: They drive through Estrella, following the main street. Juan points out the marketplace, the administrative buildings, the mod-est museum and art gallery. They cross a bridge, leave the town behind, and follow the course of the river until they come in sight of an imposing house on the hillside. 'That is the farm I had in mind, says uan.`That is where my friends found work.The refugio is at the back. It looks dreary, but it's actually quite comfortable. The trfitgio is made up of two long galvanized-iron sheds linked by a covered passage; to one side is an ablution block. He parks the car. No one emerges to greet them save a grizzled, stiff-legged / dog who, from the limit of his chain, growls at them, baring yel-lowed fangs.”


John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

Lees meer...


John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Herman Pieter de Boer, Alice Walker, Jacques Schreurs, Amy Lowell, Maurits Sabbe


De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.

Uit: De kinderjaren van Jezus (Vertaald door Peter Bergsma)

“De man bij de poort wijst hen op een laag, vormeloos gebouw halverwege. ‘Als jullie haast maken,’ zegt hij, ‘kunnen jullie je melden voordat ze hun deuren voor de rest van de dag sluiten.’
Ze maken haast. ‘Centro de Reubicación Novilla’ staat er op het bord. Reubicación: wat betekent dat? Geen woord dat hij heeft geleerd.
Het kantoor is groot en leeg. Warm ook – nog warmer dan buiten. Aan de andere kant strekt een houten balie zich uit over de hele breedte van het vertrek, opgedeeld door matglazen ruiten. Tegen de muur een rij archiefladen van gelakt hout.
Boven een van de hokjes tussen glas hangt een bord: Recién Llegados, zwart gesjabloneerde woorden op een rechthoekig stuk karton. De baliebediende, een jonge vrouw, begroet hem met een glimlach.
‘Goedendag,’ zegt hij. ‘Wij zijn nieuwkomers.’ Hij spreekt de woorden langzaam uit, in het Spaans dat hij met moeite onder de knie heeft gekregen. ‘Ik ben op zoek naar werk, ook naar een plek om te wonen.’ Hij pakt de jongen onder zijn oksels en tilt hem op zodat ze hem goed kan zien. ‘Ik heb een kind bij me.’
Het meisje pakt de hand van de jongen. ‘Hallo, jongeman!’ zegt ze. ‘Is hij uw kleinzoon?’
‘Niet mijn kleinzoon, niet mijn zoon, maar ik ben verantwoordelijk voor hem.’
‘Een plek om te wonen.’ Ze werpt een blik op haar papieren. ‘We hebben een kamer vrij hier in het Centrum die u kunt gebruiken terwijl u naar iets beters zoekt. Luxe is het niet, maar dat vindt u misschien niet erg. Wat werk betreft, laten we daar morgenochtend naar kijken – u ziet er moe uit, u wilt vast wel uitrusten. Komt u van ver?’
‘We zijn de hele week onderweg geweest. We komen uit Belstar, uit het kamp. Bent u bekend met Belstar?’
‘Ja, ik ken Belstar goed. Ik ben zelf via Belstar gekomen. Heeft u daar uw Spaans geleerd?’
‘We hebben zes weken lang elke dag les gehad.’
‘Zes weken? Dan boft u. Ik was drie maanden in Belstar. Ik ging er bijna dood van verveling. Het enige wat me op de been hield waren de Spaanse lessen. Had u toevallig les van señora Piñera?’
‘Nee, wij hadden les van een man.’ Hij aarzelt. ‘Mag ik iets anders te berde brengen? Mijn jongen’ – hij werpt een blik op het kind – ‘voelt zich niet goed. Dat komt deels doordat hij van streek is, van streek en in de war, en niet goed gegeten heeft. Hij vond het eten in het kamp vreemd, niet lekker. Kunnen we ergens een fatsoenlijke maaltijd krijgen?’


John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

Lees meer...


John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Herman Pieter de Boer, Alice Walker


De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.

Uit:Die Kindheit Jesu (Vertaald door Reinhild Böhnke)

„Der Mann am Tor zeigt auf ein niedriges, langgestrecktes Gebäude in einiger Entfernung. »Wenn ihr euch beeilt«, sagt er, »könnt ihr euch noch anmelden, bevor sie für heute schließen.«
Sie beeilen sich.
Centro de Reubicación Novilla steht auf dem Schild.Reubicación – was bedeutet das? Das Wort hat er nicht gelernt.
Das Büro ist groß und leer. Auch heiß – noch heißer als draußen. Ganz hinten nimmt ein hölzerner Schalter die gesamte Raumbreite ein, unterteilt durch Milchglasscheiben. An der Wand steht eine Reihe niedriger Aktenschränke aus lackiertem Holz.
Über einem der Abteile hängt ein Schild: Recién Llegados, die Wörter wurden mittels einer Schablone schwarz auf ein Papprechteck gemalt. Die Beamtin hinter dem Schalter, eine junge Frau, begrüßt ihn mit einem Lächeln.
»Guten Tag«, sagt er. »Wir sind Neuankömmlinge.« Er spricht die Worte langsam aus, in dem Spanisch, das er sich mühevoll angeeignet hat. »Ich suche Arbeit, auch eine Unterkunft.« Er fasst den Jungen unter den Achseln und hebt ihn hoch, damit sie ihn richtig sehen kann. »Ich habe ein Kind dabei.«
Die junge Frau streckt dem Jungen die Hand hin.
»Hallo, junger Mann!«, sagt sie. »Ihr Enkel?«
»Nicht mein Enkel, auch nicht mein Sohn, aber ich bin für ihn verantwortlich.«
»Eine Unterkunft.« Sie schaut in ihre Unterlagen. »Wir haben hier im Zentrum ein freies Zimmer, das Sie nutzen können, während Sie sich nach etwas Besserem umsehen.
Es wird nicht besonders komfortabel sein, aber vielleicht macht Ihnen das nichts aus. Was eine Arbeit angeht, lassen Sie uns das morgen früh erkunden – Sie sehen müde aus, sicher wollen Sie sich ausruhen. Sind Sie weit gereist?«
»Wir sind die ganze Woche unterwegs gewesen. Wir kommen aus Belstar, aus dem Lager. Kennen Sie Belstar?«
»Ja, ich kenne Belstar gut. Ich bin selbst über Belstar hergekommen. Haben Sie dort Spanisch gelernt?«


John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

Lees meer...


John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Herman Pieter de Boer, Alice Walker


De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.

Uit: Youth

“Foyles, the bookshop whose name is known as far away as Cape Town, has proved a disappointment. The boast that Foyles stocks every book in print is clearly a lie, and anyway the assistants, most of them younger than himself, don't know where to find things. He prefers Dillons, haphazard though the shelving at Dillons may be. He tries to call in there once a week to see what is new.
Among the magazines he comes across in Dillons is The African Communist. He has heard about The African Communist but not actually seen it hitherto, since it is banned in South Africa. Of the contributors, some, to his surprise, turn out to be contemporaries of his from Cape Town - fellow students of the kind who slept all day and went to parties in the evenings, got drunk, sponged on their parents, failed examinations, took five years over their three-year degrees. Yet here they are writing authoritative-sounding articles about the economics of migratory labour or uprisings in rural Transkei. Where, amid all the dancing and drinking and debauchery, did they find the time to learn about such things?
What he really comes to Dillons for, however, are the poetry magazines. There is a careless stack of them on the floor behind the front door: Ambit and Agenda and Pawn; cyclostyled leaflets from out-of-the-way places like Keele; odd numbers, long of date, of reviews from America. He buys one of each and takes the pile back to his room, where he pores over them, trying to work out who is writing what, where he would fit in if he too were to try to publish.”


John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

Lees meer...


John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Jacques Schreurs, Rainer Maria Gerhardt


De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.

Uit: Summertime

“Well, cast your mind back to the books he wrote. What is the one theme that keeps recurring from book to book? It is that the woman doesn’t fall in love with the man. The man may or may not love the woman; but the woman never loves the man. What do you think that theme reflects? My guess, my highly informed guess, is that it reflects his life experience. Women didn’t fall for him—not women in their right senses. They inspected him, maybe they even tried him our. Then they moved on.”

“The path that leads through Latin and algebra is not the path to material success. But it may suggest much more: that understanding things is a waste of time; that if you want to succeed in the world and have a happy family and a nice home and a BMW you should not try to understand things but just add up the numbers or press the buttons or do whatever else it is that marketers are so richly rewarded for doing”

“What I call my philosophy of teaching is in fact a philosophy of learning. It comes out of Plato, modified. Before true learning can occur, I believe, there must be in the student's heart a certain yearning for the truth, a certain fire. The true student burns to know. In the teacher she recognizes, or apprehends, the one who has come closer than herself to the truth. So much does she desire the truth embodied in the teacher that she is prepared to burn her old self up to attain it. For his part, the teacher recognizes and encourages the fire in the student, and responds to it by burning with an intenser light. Thus together the two of them rise to a higher realm. So to speak.”


John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

Lees meer...


John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Jacques Schreurs, Rainer Maria Gerhardt


De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.


Uit: Youth


It is three o'clock on a Saturday afternoon. He has been in the Reading Room since opening time, reading Ford's Mr Humpty Dumpty, a novel so tedious that he has to fight to stay awake. In a short while the Reading Room will close for the day, the whole great Museum will close. On Sundays the Reading Room does not open; between now and next Saturday, reading will be a matter of an hour snatched here and there of an evening. Should he soldier on until closing time, though he is racked with yawns? What is the point of this enterprise anyway?

What is the good to a computer programmer, if computer programming is to be his life, to have an MA in English literature? And where are the unrecognised masterpieces that he was going to uncover? Mr Humpty Dumpty is certainly not one of them. He shuts the book, packs up.

Outside the daylight is already waning. Along Great Russell Street he trudges to Tottenham Court Road, then south toward Charing Cross. Of the throng on the sidewalks, most are young people. Strictly speaking he is their contemporary, but he does not feel like that. He feels middle-aged, prematurely middle-aged: one of those bloodless, high-domed, exhausted scholars whose skin flakes at the merest touch. Deeper than that he is still a child ignorant of his place in the world, frightened, indecisive. What is he doing in this huge, cold city where merely to stay alive means holding tight all the time, trying not to fall?

The bookshops on Charing Cross Road stay open until six. Until six he has somewhere to go. After that he will be adrift amid the Saturday-night fun-seekers. For a while he can follow the flow, pretending he too is seeking fun, pretending he has somewhere to go, someone to meet; but in the end he will have to give up and catch the train back to Archway station and the solitude of his room.”



John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

Lees meer...


John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Jacques Schreurs, Rainer Maria Gerhardt,


De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.


Uit: Dierenleven (Vertaald door Joop van Helmond en Frans van der Wiel)


“Hij staat bij de uitgang te wachten als haar vlucht binnenkomt. Er zijn twee jaar verstreken sinds hij zijn moeder voor het laatst heeft gezien: onwillekeurig schrikt hij dat ze zo oud is geworden. Haar haar, waarin grijze pieken zaten, is nu helemaal wit; haar schouders zijn gekromd; haar vlees is slap geworden. Ze zijn nooit een uitbundige familie geweest.
Een omarming, een paar gemompelde woorden en de begroeting is afgehandeld. Zwijgend volgen ze de stroom reizigers naar de bagagehal, halen haar koffer op en vangen de anderhalf uur durende autorit aan.
‘Een lange vlucht,’ merkt hij op. ‘Je zult wel doodmoe zijn.’
‘Ik zou zo kunnen slapen,’ zegt ze, en inderdaad valt ze onderweg even in slaap, met haar hoofd tegen het raam gezakt.
Om zes uur, bij invallend donker, stoppen ze voor zijn huis in de voorstad Waltham. Zijn vrouw Norma en de kinderen verschijnen op de veranda. In een demonstratie van genegenheid, die haar grote moeite moet kosten, spreidt Norma haar armen uit en zegt: ‘Elizabeth!’ De twee vrouwen omhelzen elkaar; daarna volgen de kinderen haar voorbeeld, welopgevoed, meer ingehouden.

Elizabeth Costello de romanschrijfster zal tijdens haar driedaagse bezoek aan de universiteit van Appleton bij hen logeren. Hij ziet tegen die paar dagen op. Zijn vrouw en zijn moeder kunnen niet met elkaar overweg. Het zou beter zijn als ze in een hotel logeerde, maar hij kan zich er niet toe brengen dat voor te stellen. De vijandelijkheden worden bijna onmiddellijk hervat. Norma heeft een licht avondmaal klaargemaakt. Zijn moeder ziet dat er maar voor drie is gedekt.”




John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

Lees meer...


John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Jacques Schreurs, Rainer Maria Gerhardt


De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007 en ook mijn blog van 9 februari 2008 en ook mijn blog van 9 februari 2009 en ook mijn blog van 9 februari 2010.


Uit: IJzeren tijd  (Vertaald door Peter Bergsma)


„Opzij van de garage loopt een steegje, misschien weet je het nog, jij en je vriendinnetjes speelden er weleens. Nu ligt het er doods bij, braak, nutteloos, met alleen nog hopen verwaaide, rottende bladeren.
Gisteren stuitte ik aan het eind van dat steegje op een huis van kartonnen dozen en lappen plastic, waarin met opgetrokken knieën een man lag, een man die ik wel kende van de straat: lang, mager, met een verweerde huid en lange, aangevreten tanden, gekleed in een grijs slobberpak en een hoed met een slappe rand. Ook nu, terwijl hij lag te slapen, had hij die hoed op, de rand onder zijn oor gevouwen. Een zwerver, een van de zwervers die op de parkeerterreinen langs de Molenstraat rondhangen om geld te bietsen bij het winkelpubliek, te drinken onder het viaduct en uit vuilnisbakken te eten. Een van de daklozen voor wie augustus, de regenmaand, de ergste maand is. Slapend in zijn doos, zijn benen gestrekt als die van een marionet, zijn mond wijd open. Hij verspreidde een onaangename geur: urine, zoete wijn, schimmelige kleren, en ook nog iets anders. Vies.
Ik bleef een poosje bij hem staan staren, staren en ruiken. Een bezoeker die mij uitgerekend op deze dag met zijn bezoek opscheepte.

Het was de dag dat ik de tijding van dokter Syfret kreeg. Het was geen goede tijding, maar het was de mijne, voor mij, alleen voor mij, weigeren was er niet bij. Ik moest haar in mijn armen nemen en aan mijn borst drukken en mee naar huis nemen, zonder hoofdschudden, zonder tranen.” 




John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)


Lees meer...


John Coetzee, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Rainer Maria Gerhardt, Amy Lowell, Thomas Bernhard

De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007 en ook mijn blog van 9 februari 2008 en ook mijn blog van 9 februari 2009.


Uit: Langzame man (Vertaald door Peter Bergsma)


De klap komt van rechts, hard en verrassend en pijnlijk, als een stroomstoot, en tilt hem van de fiets. Ontspan! zegt hij tegen zichzelf terwijl hij door de lucht vliegt (met het grootste gemak door de lucht vliegt!) en hij voelt zijn ledematen inderdaad gehoorzaam verslappen. Als een kat, zegt hij tegen zichzelf: omrollen, dan overeind springen, klaar voor wat komen gaat. Ook het ongebruikelijke woord soepel of souple is aan de horizon.
   Maar zo pakt het niet helemaal uit. Of het nu komt omdat zijn benen hem niet gehoorzamen of omdat hij een ogenblik verdoofd is (hij hoort de klap van zijn schedel op het asfalt meer dan dat hij hem voelt, een ver, houten geluid, als een dreun met een houten hamer), hij springt helemaal niet overeind, maar glijdt door, meter na meter, steeds maar verder totdat hij helemaal slaperig wordt van het glijden.
   Hij ligt languit, tot rust gekomen. Het is een schitterende ochtend. De zon voelt prettig. Er zijn ergere dingen dan je helemaal slap laten worden en wachten tot je kracht terugkeert. Er zijn misschien zelfs wel ergere dingen dan even gauw een dutje doen. Hij doet zijn ogen dicht; de wereld kantelt onder hem, draait; hij raakt weg.
   Eenmaal komt hij bij, heel even. Het lichaam dat zo licht door de lucht vloog is zwaar geworden, zo zwaar dat hij met geen mogelijkheid zelfs maar een vinger kan optillen. En er staat iemand over hem heen gebogen, die hem de adem beneemt, een jongeman met weerbarstig haar en puistjes langs zijn haarlijn. 'Mijn fiets,' zegt hij tegen de jongen, de korte woorden met moeite uitsprekend. Hij wil vragen hoe het met zijn fiets is, of iemand ervoor zorgt, want fietsen kunnen zoals bekend zomaar verdwijnen; maar voordat die woorden willen komen is hij alweer weggezakt.”




John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)





De Ierse dichter en schrijver Brendan Behan werd geboren op 9 februari 1923 in Dublin. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007 en ook mijn blog van 9 februari 2008 en ook mijn blog van 9 februari 2009.


Uit: The Hostage


OFFICER: Now your rent books, please, or a list of the tenants.

PAT. I can give you that easy. There's Bobo, Ropeen, Colette, the Mouse, Pigseye, Mulleady, Princess Grace, Rio Rita, Meg, the new girl, and myself.

OFFICER. [PAT fetches his notebook] I'll tell you the truth, if it was my doings there'd be no such thing as us coming here. I'd have nothing to do with the place, and the bad reputation it has all over the city.

PAT. Isn't it good enough for your prisoner?

OFFICER. It's not good enough for the Irish Republican Army.

PAT. Isn't it now?

OFFICER. Patrick Pearse said "To serve a cause which is splendid and holy, men must themselves be splendid and holy."

PAT. Are you splendid, or just holy? Haven't I seen you somewhere before? It couldn't be you that was after coming here one Saturday night ...

OFFICER. It could not.

PAT. It could have been your brother, for he was the spitting image of you.

OFFICER. If any of us were caught here now or at any time, it's shamed before the world we'd be. Still, I see their reasons for choosing it too.

PAT. The place is so hot, it's cold.

OFFICERE. The police wouldn't believe we'd touch it.

PAT. If we're all caught here, it's not the opinion of the world or the police will be upsetting us, but the opinion of the Military Court. But then I suppose it's all the same to you; you'll be a hero, will you not?

OFFICER. I hope that I could never betray my trust.

PAT. Ah yes, of course, you've not yet been in Mountjoy or the Curragh glasshouse.

OFFICER. I have not.

PAT. That's easily seen in you.

OFFICER. I assure you, my friend, I'm not afraid of Redcaps.

PAT. Take it from me, they're not the worst [to audience] though they're bastards anywhere and everywhere. No, your real trouble when you go to prison as a patriot, do you know what it will be?

OFFICER. The loss of liberty.“





Brendan Behan (9 februari 1923 – 20 maart 1964)





De Nederlandse dichter en schrijver Jacques Schreurs werd geboren in Sittard op 9 februari 1893. Hij is vooral bekend geworden is vanwege zijn boek "Kroniek Eener Parochie" waarop de beroemde televisieserie uit de jaren zeventig "Dagboek van een herdershond" is gebaseerd. Schreurs woonde in het klooster van Stein, vlak bij Geleen, waar de grootste steenkoolmijn van Europa, de Staatsmijn Maurits, tussen 1914 en 1926 ontstond. De 3-delige roman "Kroniek Eener Parochie" is geschreven tussen 1941 en 1948 en gaat over de eigen ervaringen van Schreurs als kapelaan in de mijnstreek van Limburg. Jacques Schreurs is in Stein begraven.





I  Adam.


Tusschen woekerplanten en nachtschade,

een donkere gestalte aan den horizont,

staat Adam tegen avond op zijn spade

en proeft voor 't eerst de aarde van zijn mond.


En ziet de vrouw, die zwaar en blond,

in haar gewaad van vale bladen,

kreunend de armen strekt naar een genade

die zij ten halve niet verstond.


Besef en zorg, arbeid en zure wind

hebben hun aanschijn ruw versneden;

maar van hun beider ziel en leden

bloeit tusschen beiden nu de bloem: het kind

en lachen stil en droef en hebben vrede.





Zij was onder de bloemen schoon; zelf bloem

en pril genot en louter leven

heeft zij, door te naïeven lust gedreven,

haar sidderende hand geheven

en plukkende ook geproefd den doem

en is sindsdien, maar zonder roem

een droeve bloem gebleven.




Jacques Schreurs (9 februari 1893 – 31 januari 1966)





De Nederlandse dichter, essayist, historicus en politicus Geerten Gossaert (eig. Frederik Carel Gerretson) werd geboren in Kralingen op 9 februari 1884. Zie ook mijn blog van 9 februari 2009.



Een ding heb ik begeerd


Een ding heb ik begeerd; een ding heb ik ontvangen:
Dat, zo de dood mijn leden zou omvaen,
Ik voor Uw aangezicht, o Bron van mijn Verlangen,
Niet ledig zoude staan!

Want, als op 't strand geslagen door de drift der branding
Een kinkhoorn, draagt mijn ziel uit dit mijn leven mee
De ene onzegbre vreugd, die Gij mij hebt gegeven:
Het Ruisen van de Wind: het Rythme van de Zee!

Een ding heb ik begeerd; een ding heb ik ontvangen:
Dat, zo de dood mijn leden zou omvaen,
Ik voor Uw aangezicht, o Bron van mijn Verlangen,
Niet ledig zoude staan!





Longe Exul


-O vreemdling met uw bruin gelaat,


-Van 't westen, van 't gebergte!

-Die weg is zwaar!

Wees welkom... ach,

Wat is uw ros bestuifd, bezweet!

-Maar o mijn land...

Eer dat ik ú vergeet'!


-O vreemdling met uw zacht gelaat,


-De bergen over, naar de zee!

-Gij zijt alléen,

De nacht begint,

Er dreigt gevaar, dat gij niet weet!

-Maar o mijn land...

Eer dat ik ú vergeet'!


-O vreemdling met uw droef gelaat,


-Een sterk verlangen... vraag mij niet!

-Gij zijt zo moe!

Blíjf dezen nacht,

Reeds is u peul en maal gereed...

-Maar o mijn land, mijn land, mijn land...

Eer dat ik ú vergeet'!





Geerten Gossaert (9 februari 1884 - 27 oktober 1958)

Portret door Karel van Veen





De Duitse dichter, schrijver, vertaler en uitgever Rainer Maria Gerhardt werd geboren op 9 februari 1927 in Karlsruhe. Zie ook mijn blog van 9 februari 2009.



Uit: Lieder der Liebe



Die Nacht naht still und leise,

dumpf rauschend steht der Wald,

aus Sternen tönt die Weise

der Welt so schwer und alt.


Und dämmernd in der Ferne

der letzte Abendschein –

schon läuten alle Sterne

uns in die Nacht hinein




Und dunkel rauscht es nieder,

entblättert Nacht um Nacht:

Dein gutes Lächeln (Flieder,

aus Tau und Tag erwacht).


Umströmt in wehen Tönen

mein wachsendes Gesicht

und treibt uns tief im Schönen,

in Welle, Weh´n und Licht.




Dein Gesicht ist gut,

ohne Schatten und Wind,

still und ausgeruht

wie ein lächelndes Kind.


Deine Güte wohnt

unter Deinem Gesicht

wie ein Märchenmond,

der uns Träume verspricht.


Nacht, die leise geht:

unsrer Liebe Gestalt,

und ein Lächeln weht

um uns: balde, ja bald ….






Rainer Maria Gerhardt (9 februari 1927 – 27 juli 1954)

Hier met zijn gezin





De Amerikaanse dichteres Amy Lowell werd geboren op 9 februari 1874 in Brookline, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 9 februari 2009.




A Winter Ride 


Who shall declare the joy of the running!

Who shall tell of the pleasures of flight!

Springing and spurning the tufts of wild heather,

Sweeping, wide-winged, through the blue dome of light.

Everything mortal has moments immortal,

Swift and God-gifted, immeasurably bright.


So with the stretch of the white road before me,

Shining snowcrystals rainbowed by the sun,

Fields that are white, stained with long, cool, blue shadows,

Strong with the strength of my horse as we run.

Joy in the touch of the wind and the sunlight!

Joy! With the vigorous earth I am one.




To a Friend 


I ask but one thing of you, only one,

That always you will be my dream of you;

That never shall I wake to find untrue

All this I have believed and rested on,

Forever vanished, like a vision gone

Out into the night. Alas, how few

There are who strike in us a chord we knew

Existed, but so seldom heard its tone

We tremble at the half-forgotten sound.

The world is full of rude awakenings

And heaven-born castles shattered to the ground,

Yet still our human longing vainly clings

To a belief in beauty through all wrongs.

O stay your hand, and leave my heart its songs!







'T is you that are the music, not your song.

The song is but a door which, opening wide,

Lets forth the pent-up melody inside,

Your spirit's harmony, which clear and strong

Sings but of you. Throughout your whole life long

Your songs, your thoughts, your doings, each divide

This perfect beauty; waves within a tide,

Or single notes amid a glorious throng.

The song of earth has many different chords;

Ocean has many moods and many tones

Yet always ocean. In the damp Spring woods

The painted trillium smiles, while crisp pine cones

Autumn alone can ripen. So is this

One music with a thousand cadences.






Amy Lowell (9 februari 1874 - 12 mei 1925)





De Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard werd geboren op 9 februari 1931 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007 en ook mijn blog van 9 februari 2008 en ook mijn blog van 9 februari 2009.


Uit: Die Ursache


„Die Stadt ist, von zwei Menschenkategorien bevölkert, von Geschäftemachern und ihren Opfern, dem Lernenden und Studierenden nur auf die schmerzhafte, eine jede Natur störende, mit der Zeit verstörende und zerstörende, sehr oft nur auf die heimtückisch-tödliche Weise bewohnbar. Die extremen, den in ihr lebenden Menschen fortwährend irritierenden und enervierenden und in jedem

Falle immer krankmachenden Wetterverhältnisse einerseits und die in diesen Wetterverhältnissen sich immer verheerender auf die Verfassung dieser Menschen auswirkende Salzburger Architektur andererseits, das allen diesen Erbarmungswürdigen bewußt oder unbewußt, aber im medizinischen

Sinne immer schädliche, folgerichtig auf Kopf und Körper und auf das ganze diesen Naturverhältnissen ja vollkommen ausgelieferte Wesen drückende, mit unglaublicher Rücksichtslosigkeit immer wieder solche irritierende und enervierende und krankmachende und erniedrigende und beleidigende und mit großer Gemeinheit und Niederträchtigkeit begabte Einwohner produzierende Voralpenklima erzeugen immer wieder solche geborene oder hereingezogene Salzburger, die zwischen den, von dem Lernenden und Studierenden, der ich vor dreißig Jahren in dieser Stadt gewesen bin, aus Vorliebe geliebten, aber aus Erfahrung gehaßten kalten und nassen Mauern ihren bornierten Eigensinnigkeiten, Unsinnigkeiten, Stumpfsinnigkeiten, brutalen Geschäften und Melancholien nachgehen und eine unerschöpfliche Einnahmequelle für alle möglichen und unmöglichen Ärzte und Leichenbestattungsunternehmer sind. Der in dieser Stadt nach dem Wunsche seiner Erziehungsberechtigten, aber gegen seinen eigenen Willen Aufgewachsene und von frühester Kindheit an mit der größten Gefühlsund Verstandesbereitschaft für diese Stadt einerseits in den Schauprozeß ihrer Weltberühmtheit wie in eine perverse Geld- und Widergeld produzierende

Schönheits- als Verlogenheitsmaschine, andererseits in die Mittel- und Hilflosigkeit seiner von allen Seiten ungeschützten Kindheit und Jugend wie in eine Angst- und Schreckensfestung Eingeschlossene, zu dieser Stadt als zu seiner Charakter- und Geistesentwicklungsstadt Verurteilte, hat eine, weder zu grob, noch zu leichtfertig ausgesprochen,...




Thomas Bernhard (9  februari 1931 — 12 februari 1989)

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e februari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.


Joseph Brodsky, Michael Chabon, Rainald Goetz, Kamiel Vanhole, Henri Michaux, Bob Dylan, Arnold Wesker, William Trevor, George Tabori, Louis Fürnberg, Michail Sjolochov, Jean de La Varende, Arthur Wing Pinero

De Russisch-Amerikaanse dichter Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.  Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook mijn blog van 24 mei 2008 en ook mijn blog van 24 mei 2007 en mijn blog van 24 mei 2006.



Belfast Tune


Here's a girl from a dangerous town

She crops her dark hair short

so that less of her has to frown

when someone gets hurt.


She folds her memories like a parachute.

Dropped, she collects the peat

and cooks her veggies at home: they shoot

here where they eat.


Ah, there's more sky in these parts than, say,

ground. Hence her voice's pitch,

and her stare stains your retina like a gray

bulb when you switch


hemispheres, and her knee-length quilt

skirt's cut to catch the squall,

I dream of her either loved or killed

because the town's too small.







Darling, you think it's love, it's just a midnight journey.

Best are the dales and rivers removed by force,

as from the next compartment throttles "Oh, stop it, Bernie,"

yet the rhythm of those paroxysms is exactly yours.

Hook to the meat! Brush to the red-brick dentures,

alias cigars, smokeless like a driven nail!

Here the works are fewer than monkey wrenches,

and the phones are whining, dwarfed by to-no-avail.

Bark, then, with joy at Clancy, Fitzgibbon, Miller.

Dogs and block letters care how misfortune spells.

Still, you can tell yourself in the john by the spat-at mirror,

slamming the flush and emerging with clean lapels.

Only the liquid furniture cradles the dwindling figure.

Man shouldn't grow in size once he's been portrayed.

Look: what's been left behind is about as meager

as what remains ahead. Hence the horizon's blade.








'k Werd wakker en ontdeed me van de deken.

Liep naar het raam. De lichten in de ruit

beëindigden een zin, in slaap geuit,

maar brachten, net als een beletselteken,

mij geen vertroosting, gingen langzaam uit.


Ik droomde dat je zwanger was en, gek,

na zoveel jaar van jou te zijn gescheiden,

bekroop me toch een schuldgevoel. Mijn beide

handen die net nog blij jouw ronde buik

betastten, graaiden naar mijn broek en reikten


omhoog naar 't knopje van het licht. Ik stond

bij 't raam en wist dat jij je daar bevond,

in 't donker, in de droom alleen gebleven.

Je wachtte tot ik terugkwam, uit je mond

klonk geen verwijt, je wilde me vergeven.


Want zolang jij daar in dat donker wacht

duurt voort wat door het licht wordt afgesneden.

Daar blijven we verbonden in de echt,

en kinderen zijn het excuus, de reden

dat wij er naakt, tweeruggig zijn verhecht.


Eens op een nacht zal jij opnieuw voor mij

verschijnen, dodelijk vermoeid en mager.

Ik heb er dan een zoon of dochter bij,

een baby nog. Ik zal het dan niet wagen

de lamp weer aan te doen: ik ben niet vrij,


heb niet het recht jullie alleen te laten,

als opgeslotenen in dat domein

van stomme schimmen, sprakeloos en klein

voor de hoog opgetrokken haag der dagen

die mij zo onbenaderbaar doet zijn.





Vertaald door Peter Zeeman






Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)






De Amerikaanse schrijver Michael Chabon werd geboren op 24 mei 1963 in Washington. Chabon had zijn eerste stripwinkeltje op zijn tiende. Tijdens zijn studie speelt hij in het punkbandje 'The Brats' en op zijn vierentwintigste debuteerde hij met de roman 'The Mysteries of Pittsburgh', dat door de kritiek de hemel in geprezen werd.  Voor zijn roman 'The Amazing Adventures of Kavalier & Clay' (2000), ontving hij in 2001 de Pulitzer Prize voor fictie. Naast romans, schrijft Chabon hier en daar scripts voor tekenfilms.


Uit: The Amazing Adventures of Kavalier & Clay


„It was a caterpillar scheme--a dream of fabulous escape--that had ultimately carried Josef Kavalier across Asia and the Pacific to his cousin's narrow bed on Ocean Avenue.

As soon as the German army occupied Prague, talk began, in certain quarters, of sending the city's famous Golem, Rabbi Loew's miraculous automaton, into the safety of exile. The coming of the Nazis was attended by rumors of confiscation, expropriation, and plunder, in particular of Jewish artifacts and sacred objects. The great fear of its secret keepers was that the Golem would be packed up and shipped off to ornament some institut or private collection in Berlin or Munich. Already a pair of soft-spoken, keen-eyed young Germans carrying notebooks had spent the better part of two days nosing around the Old-New Synagogue, in whose eaves legend had secreted the long-slumbering champion of the ghetto. The two young Germans had claimed to be merely interested scholars without official ties to the Reichsprotektorat, but this was disbelieved. Rumor had it that certain high-ranking party members in Berlin were avid students of theosophy and the so-called occult. It seemed only a matter of time before the Golem was discovered, in its giant pine casket, in its dreamless sleep, and seized.“




Michael Chabon (Washington, 24 mei 1963)






De Duitse schrijver Rainald Maria Goetz werd geboren op 24 mei 1954 in München. Zie ook mijn blog van 24 mei 2007 ook mijn blog van 24 mei 2008


Uit: Über Thomas Bernhard: "Die Kälte"


“Thomas Bernhard lesen und in seine abgründige Ekel-Welt gerissen sein: das ist eins, nahezu unausweichlich. Auch der vierte Teil seiner Jugenderinnerungen entwickelt diesen längst bekannten Sog. Von den ersten Sätzen an wird das Arsenal der Schreckensworte in der üblichen Bernhardschen Virtuosität zu den üblichen Bedrückungsbildern arrangiert.

Hat der Leser nicht nach wenigen Seiten, gelangweilt vom immer-gleichen Elend, das Buch weggelegt, hat er weitergelesen, ist er schon verloren. Das Unbedingte und Monomane dieser Prosa verschlingt ihn. Seit Bernhard schreibt, ist das so.

Gibt es also nichts Neues zu berichten von Thomas Bernhard? Zunächst: Die biographische Katastrophe, wir notieren es ohne Erstaunen, nimmt wie unweigerlich ihren Fortgang. "Die Kälte. Eine Isolation" schildert die Patientenkarriere des 18jährigen Bernhard in der Lungenheilstätte Grafenhof. Was diese Krankengeschichte an Ungeheuerlichkeiten bereithält, wirkt wie erfunden.

Bei seiner Einweisung in das von der Außenwelt streng isolierte Sanatorium ist der junge Mann zwar lungenkrank, leidet jedoch nicht, wie alle anderen, an Tuberkulose. Die Ansteckung ist freilich nur eine Frage der Zeit. Als der immer routinierter produzierte Auswurf vom Labor endlich als positiv klassifiziert wird, breitet sich unter den Mitpatienten und Ärzten Zufriedenheit aus: Der bislang vergleichsweise Gesunde, als Außenseiter argwöhnisch beobachtet, kann jetzt vereinnahmt werden von der Kranken- und Todesgemeinschaft.”





Rainald Goetz (München, 24 mei 1954)





De Vlaamse schrijver Kamiel Vanhole werd geboren in Etterbeek op 24 mei 1954. Hij bracht zijn jeugd door in de Vlaams-Brabantse gemeente Sterrebeek. Hij studeerde Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij woonde in Kessel-Lo bij Leuven. Na zijn burgerdienst ging hij als scenarist bij de Brusselse tekenfilmstudio Graphoui werken. Vanhole debuteerde in 1990 met de reisverhalen "Een demon in Brussel". Hij schreef verscheidene romans en toneelstukken, en vertaalde verhalen en essays van onder andere Vladimir Nabokov, John Berger, Marguerite Duras, John Updike en Charles Simic. Vanhole heeft veel gereisd. Hij was politiek geëngageerd. Zo was hij een van de initiatiefnemers van het "Bomspotting"-project, dat België kernwapenvrij wilde maken. Samen met Charles Ducal schreef hij in 1993 Over de voorrang van rechts, waarin hij de opkomst van het uiterst rechtse Vlaams Blok (het huidige Vlaams Belang) hekelde.


Kent u de Verminkte Vovniks, lezer?

In Argentinië gaat de fabel dat de mensheid altijd zesendertig rechtvaardigen telt, die de Verminkte Vovniks worden genoemd. Ze kennen elkaar niet, ze zijn zelfs van elkaars bestaan niet op de hoogte, maar met z'n allen tillen ze de last van het heelal. In het geheim. En niemand die weet wie ze zijn of waar ze wonen.

Wie de literaire Vovniks van de volgende eeuw zullen zijn, is al evenzeer een raadsel. Toch zijn ze reeds onder ons. Ze grijpen ons aan. Ze krijgen ons aan 't lachen en besmetten ons met hun waarheden.

En ach, ze zien er niet uit. Als honden draaien ze om een bot heen. Ze knagen het stuk en zuigen er het merg uit. Het merg van de wereld, zeggen ze. En daarover zingen ze, daarvan willen ze leven.

Wij likken er de vingers bij af.

We knikken en huiveren en lachen.

Lezer, u die wilt vernemen wie de Vovniks van de toekomst zijn, ik zal u moeten teleurstellen: mijn koffiedik is voor de mesthoop. En ‘men moet soms voorzichtig wezen, (...) ik mocht eens wegens voortijdige overmaat van klassicismus verraderlyk ontmand worden tot letterprofessor.’

Daarom zeg ik u: weg met de pantoffelparade!

Iedereen zijn eigen Vovniks!

Leve de doden.





Kamiel Vanhole (24 mei 1954 - 12 juni 2008)






De Franse schrijver, dichter  en schilder Henri Michaux werd geboren op 24 mei 1899 in Namur in België. Zie ook mijn blog van 24 mei 2007 ook mijn blog van 24 mei 2008



La jeune fille de Budapest


Dans la brume tiède d'une haleine de jeune fille, j'ai pris place

Je me suis retiré, je n'ai pas quitté ma place.

Ses bras ne pèsent rien. On les rencontre comme l'eau.

Ce qui est fané disparaît devant elle. Il ne reste que ses yeux.

Longues belles herbes, longues belles fleurs croissaient dans notre champ.

Obstacle si léger sur ma poitrine, comme tu t'appuies maintenant.

Tu t'appuies tellement, maintenant que tu n'es plus.





Je vis un arbre dans un oiseau


Celui-ci le réfléchissait tout entier et une brise infiniment légère en assouplissait seulement l’extrême bord des feuilles.

L’oiseau était immobile et grave.

C’était un matin clair, sans soleil, un matin qui ne dévoile rien encore de la journée à venir, ou très peu.

 Moi aussi, j’étais calme.

 L’oiseau et moi, nous nous entendions, mais à distance, comme il convient à des êtres d’espèce animale, ayant eu, sans retour possible, une évolution parfaitement divergente.





Henri Michaux (24 mei 1899 – 19 oktober 1984)






De Amerikaanse zanger, songwriter en dichter Bob Dylan werd geboren als Robert Allen Zimmerman op 24 mei 1941 in Duluth, Minnesota. In september 2008 werden twee gedichten van hem gepubliceerd in The New Yorker. Ze werden geschreven voor het boek Hollywood Foto-Rhetoric:The Lost Manuscript, met teksten van Bob Dylan en foto’s van Barry Feinstein. Zie ook mijn blog van 24 mei 2006.





after crashin the sportscar

into the chandelier

i ran out the phone booth

made a call t my wife. she wasnt home.

i panicked. i called up my best friend

but the line was busy

then i went t a party but couldnt find a chair

somebody wiped their feet on me

so i decided t leave

i felt awful. my mouth was puckered.

arms were stickin thru my neck

my stomach was stuffed an bloated

dogs licked my face

people stared at me an said

“what’s wrong with you?”

passin two successful friends of mine

i stopped t talk.

they knew i was feelin bad

an gave me some pills

i went home an began writin

a suicide note

it was then that i saw

that crowd comin down

the street

i really have nothing


marlon brando






Bob Dylan (24 mei 1941)



De Britse schrijver Arnold Wesker werd geboren op 24 mei 1932 in Londen. Voordat hij met schrijven begon werkte hij in de jaren vijftig als timmerman, kok en oogstarbeider. Jonge toneelschrijvers als John Osborne moedigden hem aan om voor het toneel te gaan schrijven. De doorbraak kwam al snel met werken als The Kitchen, 1957, Chicken Soup with Barley, 1958, Roots, 1958, en I'm talking about Jerusalem, 1958. Later volgden ook proza, gedichten, hoorspelen en draaiboeken voor films.


Uit: Roots


„"Do you think we really count? You don' wanna take any notice of what them ole papers say about the workers bein' all-important these days - that's all squit! 'Cos we aren't. Do you think when the really talented people in the country get to work they get to work for us? Hell if they do? Do you think they don't know we 'ont make the effort? The writers don't write thinkin' we can understand, nor the painters don't paint expectin' us to be interested - that they don't, nor don't the composers give out music thinkin' we can appreciate it. 'Blust,' they say, 'the masses is too stupid for us to come down to them. Blust,' they say, 'if they don't make no effort why should we bother?'' So you know who come along? The slop singers and the pop writers and the film makers and the women's magazines and the tabloid papers and the picture-strip love stories - thaas who come along, and you don't hev to make no effort for them, it come easy… The whole stinkin' commercial world insults us and we don't care a damn. Well Ronnie's right - it's our own bloody fault. We want the third-rate - we got it!"





Arnold Wesker (Londen, 24 mei 1932)






De Ierse schrijver William Trevor werd geboren op 24 mei 1928 in Mitchelstown, County Cork. Hij studeerde geschiedenis aan het Trinity College in Dublin en werkte daarna als leraar. Al vroeg maakte hij naam als beeldhouwer. In 1952 trok hij naar Engeland om als kunstdocent te werken. In 1958 verscheen zijn eerste roman Trinity College in Dublin. Trevor won vele literaire prijzen en ontving enkele jaren geleden de twee hoogste Britse onderscheidingen: de eretitel Commander of the British Empire en de David Cohen British Literature Prize. In 2003 verscheen bij Meulenhoff zijn roman Het verhaal van Lucy Gault, die was genomineerd voor de ManBooker Prize en de Whitbread Award. Van al zijn boeken is Felicia’s reis zijn bekendste roman. Het boek werd verfilmd door Atom Egoyan.


Uit: The Story of Lucy Gault


“Captain Everard Gault wounded the boy in the right shoulder on the night of June the twenty-first, nineteen twenty-one. Aiming above the trespassers' heads in the darkness, he fired the single shot from an upstairs window and then watched the three figures scuttling off, the wounded one assisted by his companions.

They had come to fire the house, their visit expected because they had been before. On that occasion they had come later, in the early morning, just after one. The sheepdogs had seen them off, but within a week the dogs lay poisoned in the yard and Captain Gault knew that the intruders would be back. 'We're stretched at the barracks, sir,' Sergeant Talty had said when he came out from Enniseala. 'Oh, stretched shocking, Captain.' Lahardane wasn't the only house under threat; every week somewhere went up, no matter how the constabulary were spread. 'Please God, there'll be an end to it,' Sergeant Talty said, and went away. Martial law prevailed, since the country was in a state of unrest, one that amounted to war. No action was taken about the poisoning of the dogs.

When daylight came on the morning after the shooting, blood could be seen on the sea pebbles of the turn-around in front of the house. Two petrol tins were found behind a tree. The pebbles were raked, a couple of bucketfuls that had been discoloured in the accident taken away.”





William Trevor (Mitchelstown, 24 mei 1928)






De van oorsprong Duits-Hongaarse, maar Engelstalig schrijver en dramaturg George (György) Tabori  werd geboren in Boedapest op 24 mei 1914. Hij was de tweede zoon van een joodse journalist. Na de machtsovername van de nazi's week hij uit en emigreerde in 1936 naar Londen waar hij journalist werd en oorlogscorrespondent voor de BBC. In 1941 werd hij Brits staatsburger. Het merendeel van zijn familie werd uitgemoord in Auschwitz. In 1947 vertrok hij naar de VS, waar hij scenario's ging schrijven en samenwerkte met Joseph Losey en Alfred Hitchcock, en waar hij onder meer Bertolt Brecht ontmoette. Met Brecht werkte hij aan een Engelse versie van Leben des Galileï. Onder diens invloed begon hij te schrijven voor het theater en werd tevens regisseur. In 1969 keerde hij terug naar Europa, eerst Londen, daarna Bremen, waar hij een eigen gezelschap stichtte. Vanaf 1978 werkte hij in München, na 1986 in Wenen, waar hij ging samenwerken met de beroemde regisseur Claus Peymann. Pas hier kwam zijn carrière werkelijk tot ontplooiing, en ontstonden zijn beroemdste stukken. In 1992 ontving hij de Georg-Büchner-Preis. In 1999 vertrok hij wederom naar Berlijn. Het eerste eigen stuk waarmee hij doorbrak was Die Kannibalen (1968). In Nederland is Tabori bekend sinds de opvoering van Mein Kampf door Toneelgroep Amsterdam (1988).


Uit: Der Zauberberg und das Hollywoodschnitzel


Das dritte Mal, im wunderschönen Monat Mai, begegneten wir uns vor meinem Geburtstag bei mir zu Hause. Thomas und Katja Mann kamen zum Abendessen. Meine damalige deutsche Ehefrau war so aufgeregt, dass das Essen ungefähr zwei Stunden verspätet fertig wurde (Hollywoodschnitzel und Bratkartoffeln). Thomas Mann, an dessen Lippen mir die weiße Spur eines Magenpulvers aufgefallen war, beklagte sich nicht über die Verspätung. Er nutzte die Zeit, um einen Witz zu erzählen, worauf die Gäste mit freundlich gebleckten Zähnen reagierten und die Schauspielerin Greta Garbo gleich und leichtsinnig mit einem prachtvollen Witz antwortete. Wir brüllten alle. Thomas Mann war so beleidigt, dass er in seinem Tagebuch alle Gäste, auch die Garbo, ignorierte und stattdessen eintrug: „Zum Abendessen bei Taboris hoch über Hollywood. Kleine ungarisch schwedisch englische Gesellschaft ... Lange Sitzerei vorm Dinner.“

Ich hatte damals ein paar Monate am Drehbuch für eine Verfilmung des „Zauberberg“ geschrieben. Thomas Mann hoffte auf Hollywood und hatte sich schon damit abgefunden, dass nicht alle seiner vielen „Zauberberg“-Figuren in einer anderthalbstündigen Kinoversion vorkommen könnten. In den Anmerkungen zu den von Inge Jens herausgegebenen Tagebüchern Thomas Manns (1946–48) steht dazu: „Dramatisierung des ,Zauberberg ’(...): Ein Treatment lag vor, und auch die Hauptdarsteller, auf die sich Tabori mit seinem Freund Zoltán Korda, dem Bruder des Rechtsinhabers Sir Alexander Korda, einigen konnte, standen bereits fest: Greta Garbo als Claudia Chauchat und Montgomery Clift als Hans Castorp. Der Plan wurde niemals realisiert.“

Um das etwas genauer zu berichten: Mein Agent Harry Tatterbaum weigerte sich, den „Zauberberg“ an die Studios zu geben. „Bist du wahnsinnig“, sagte er mir ganz freundlich, „ein Script über eine Lungenheilanstalt? Du willst in Amerika einen Film über lauter Kranke und Moribunde machen?“ Das war das Ende von Thomas Manns und meinem „Zauberberg“ in der neuen heilen Welt.”




George Tabori (24 mei 1914 - 23 juli 2007)






De Duitse dichter en componist Louis Fürnberg werd geboren op 24 mei 1909 in Iglau.Hij studeerde vanaf 1927 aan de Praagse handelsacademie en stichtte daar de Agitprop-Gruppe 'Echo von links'. Een uitgesproken communistisch geïnspireerd literair blad. Toen de nazi's in maart 1939 Praag binnenmarcheerden werd Fürnberg gearresteerd, gefolterd en later, door zijn vrouw, terug vrijgekocht. Na zijn vrijlating vluchtte de dichter-componist naar Palestina. In 1946 keerde Fürnberg terug naar Tsjechoslowakije om zich in 1954 met wat van zijn familie over was in Weimar te vestigen. In 1957 overleed hij aan een hartstilstand. Fürnberg  was de schrijver van het gedicht 'Lied der Partei' dat door de staatspartij SED als dé DDR-hymne werd geadopteerd.





Die Äpfel an den Bäumen,

die wiegt ein leiser Wind,

die letzten Rosen träumen,

der Sommerfaden spinnt.


Es färbt mit abenzarten

Pastellen Zaun und Haus

die Sonne hinterm Garten.

Die Wiese atmet aus.


Leis raschelt's in den Bäumen.

Die Taube gurrt im Schlag.

Wir sitzen und wir träumen.

Es war ein guter Tag.






Alt möcht ich werden


Alt möcht ich werden wie ein alter Baum, 

mit Jahresringen, längst nicht mehr zu zählen, 

mit Rinden, die sich immer wieder schälen, 

mit Wurzeln tief, daß sie kein Spaten sticht. 


In dieser Zeit, wo alles neu beginnt, 

und wo die Saaten alter Träume reifen, 

mag wer da will den Tod begreifen - - 

ich nicht! 


Alt möcht ich werden wie ein alter Baum, 

zu dem die sommerfrohen Wandrer fänden, 

mit meiner Krone Schutz und Schatten spenden 

in dieser Zeit, wo alles neu beginnt.


Aus sagenhaften Zeiten möcht ich ragen, 

durch die der Schmerz hinging, ein böser Traum, 

in eine Zeit, von der die Menschen sagen: 

Wie ist sie schön! O wie wir glücklich sind! 







Louis Fürnberg (24 mei 1909 – 23 juni 1957)

Buste in het Ilmpark in Weimar






De Russische schrijver Michail Aleksandrovitsj Sjolochov werd geboren in Kroesjilin op 24 mei 1905.  Zijn vader behoorde tot de lagere middenklasse, werkzaam als boer, veehandelaar en molenaar. Sjolochovs moeder was van Oekraïense afkomst en was weduwe van een kozak. Sjolochow was een leerling op scholen in Kargin, Moskou, Bogoetsjar en Vesjenskaja tot 1918. Toen hij 13 jaar was werd hij lid van de revolutionairen in de Russische Burgeroorlog. Hij begon met schrijven op de leeftijd van 17 jaar. Zijn eerste boek, Het Geboortemerk, verscheen toen hij 19 jaar was. In 1922 verhuisde Sjolochov naar Moskou om journalist te worden, maar hij moest allerlei baantjes aannemen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij was dokwerker, beeldhouwer en accountant van 1922 tot 1924, maar hij nam ook deel aan - met tussenpozen - seminaries. Zijn eerste (op grote schaal) gedrukte werk was het satirische artikel Een test (1922). Sjolochov won in 1965 de Nobelprijs voor de Literatuur.


Uit: Der stille Don (Vertaald door Erich Müller)


"Die Jelansker und Wjoschensker haben sich erhoben. Fomin und die ganze Obrigkeit sind aus Wjoschki und Tokingeflohen. Vielleicht sind auch Kasanskaja, Schumilinskaja und Migulinskaja im Aufstand. Begreifst du, wonach dasriecht?" Die Adern an Grigoris Stirn und Hals schwollen an, grünliche Fünkchen blitzten in seinen Augen. Er konnte seine Freude nicht verbergen, seine Stimme bebte, ziellos glitten seine schwarzen Finger über die Knopflöcher des Mantels. "Und bei euch ... im Chutor? Was? Wie?" "Nichts zu hören. Ich hab den Vorsitzenden gesehen, der lacht. ‚Mir ist’s gleich’, sagt er, ‚zu welchem Gott ich bete, Hauptsache, ein Gott ist da.’ So kriech schon raus aus deinem Loch!" Sie gingen ins Haus. Grigori machte Riesenschritte, neben ihm tippelte der Hausherr und erzählte: "Im JelanskerBezirk hat sich als erster der Chutor Krasnojarski erhoben. Vorgestern waren zwanzig Kommunisten aus Jelanskajanach Kriwskoi und Pleschakow ausgezogen, um dort Kosaken zu verhaften. Aber die Krasnojarsker hatten Wind von der Sache bekommen. Sie versammelten sich und beschlossen: ,Wie lange wollen wir das noch dulden? Jetzt greifen sie nach unsern Vätern, dann kommen wir dran. Sattelt die Pferde, befreien wir die Verhafteten!’ An die fünfzehn Mann hatten sich zusammengefunden, lauter junge Draufgänger ... So begann der Tanz. Aus ist’s mit der Sowjetmacht, zum Teufel mit ihr!" ...Das Gespräch war eben in Fluß gekommen – einer der Kosaken hatte zu erzählen begonnen, wie die Reschetowsker, Dubrowsker und Tschernowsker Fomin aus Wjoschenskaja vertrieben hatten –, als am Ende der Straße, die auf einen weißen, breitstirnigen Hang zuführte, zwei Reiter erschienen. Sie jagten die Straße herauf, hielten bei jeder Gruppe an, rissen ihre Pferde herum, fuchtelten mit den Armen und schrien etwas. Grigori erwartete ungeduldig ihr Kommen.“




Michail Sjolochov (24 mei 1905 - 21 februari 1984)






De Franse schrijver Jean de La Varende werd geboren op 24 mei 1887 op het kasteel van Bonneville à Chamblac (Eure). Zijn eerste boek Nez-de-Cuir verscheen in 1936. Een jaar later werd de roman opnieuw uitgegeven door Les éditions Plon. Het werd een succes. In 1942 werd hij gekozen als lid van de Académie Goncourt. Normandië en de zee speelden altijd een grote rol in zijn oeuvre.


Uit: Mademoiselle de La Vallière


„Elle est particulièrement touchante et connue. C’est qu’elle fut bonne et d’une vraie tendresse, et qu’elle diminua son péché de toute sa faiblesse ardente et de tout son remords, elle qui aurait tant voulu ne jamais faire de mal. Au centre des impérieuses, des vaniteuses, elle apparaît dégagée de tout orgueil, uniquement soucieuse de l’Amour. Elle est comme égarée dans une situation fausse. On se souvient qu’elle sut expier ses pâles bonheurs par une longue retraite de pénitence, et, si l’on prend conscience des époques et des dates, ce sentiment d’affectueuse pitié s’accroît et l’absout plus encore.

Vie amoureuse de treize ans ; vie repentante qui dura trente-six années. Mieux informé d’elle, quel malaise d’imaginer que ce fin visage subit les stigmates de l’orde vieillesse, dans son serre-tête et sa guimpe ; que ces traits allongés et souples, si mobiles, se durcirent sous l’émaciement de l’âge et des sacrifices, et que la duchesse de La Vallière, soeur Louise-de-la-Miséricorde, mourut au Carmel, à soixante-six ans !“





Jean de La Varende (24 mei 1887 – 8 juni 1959)






De Britse schrijver Arthur Wing Pinero werd geboren in Londen op 24 mei 1855. Hij werd oorspronkelijk voor een kantoorbaan opgeleid, maar die hield hij al vroeg voor gezien. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot het toneel, waarop hij in 1874 in het Theatre Royal in Edinburgh debuteerde. Zijn eerste optreden op het Londense toneel, in het Globe Theatre, dateert van 15 april 1876. Hij vervulde al spoedig grote rollen in het klassieke en moderne repertoire, en vooral zijn Shakespeare-vertolkingen trokken de aandacht. Kort na zijn eerste toneelstappen begon hij ook te schrijven, en werd zijn eerste werk opgevoerd. Het was de éénacter £200 a Year. Na het succes dat dit werkje verkreeg, ontwikkelde hij zich tot een der bekendste dramaturgen van zijn tijd, waarbij hij een grote productiviteit aan de dag legde. Jaarlijks werden wel een of twee nieuwe werken van zijn hand vertoond.


Uit: The 'Mind the Paint' Girl



[Nodding to ROPER and then coming forward and addressing MRS. UPJOHN.] I-- er-- I think I'll go for a little walk and come back later on, if I may.


[Contentedly.] Oh, jest as you like.


[Moving towards the door.] In about a quarter-of-an-hour.


If we don't see you again, I'll tell Lil you've been 'ere.


[At the door.] Oh, but you will; you will see me again.


Well, please yourself and you please your dearest friend, as Lil's dad used to say.


Thank you-- thank you very much.

[He disappears, closing the door after him.


[To ROPER, looking up.] I b'lieve you gave that young man the 'int to go, Uncle.


I did; told him I wanted to talk business with you.“





Arthur Wing Pinero (24 mei 1855 - 23 november 1934)




John Coetzee, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Rainer Maria Gerhardt, Amy Lowell, Thomas Bernhard, Alice Walker, Alina Reyes

De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007 en ook mijn blog van 9 februari 2008.


Uit: Elizabeth Costello


„We skip. They have reached Williamstown and have been conveyed to their hotel, a surprisingly large building for a small city, a tall hexagon, all dark marble outside and crystal and mirrors inside. In her room a dialogue takes place.
'Will you be comfortable?' asks the son.
'I am sure I will she replies. The room is on the twelfth floor, with a prospect over a golf course and, beyond that, over wooded hills.
'Then why not have a rest? They are fetching us at six thirty I'll give you a call a few minutes beforehand.'
He is about to leave. She speaks.
'John, what exactly do they want from me?'
'Tonight? Nothing. It's just a dinner with members of the jury. We won't let it turn into a long evening. I'll remind them you are tired.'
'And tomorrow?'
'Tomorrow is a different story. You'll have to gird your loins for tomorrow, I am afraid.'
'I have forgotten why I agreed to come. It seems a great ordeal to put oneself through, for no good reason. I should have asked them to forget the ceremony and send the cheque in the mail.'
After the long flight, she is looking her age. She has never taken care of her appearance; she used to be able to get away with it; now it shows. Old and tired. 'It doesn't work that way, I am afraid, Mother. If you accept the money, you must go through with the show.'
She shakes her head. She is still wearing the old blue raincoat she wore from the airport. Her hair has a greasy, lifeless look. She has made no move to unpack. If he leaves her now, what will she do? Lie down in her raincoat and shoes?“




John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)





De Ierse dichter en schrijver Brendan Behan werd geboren op 9 februari 1923 in Dublin. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007 en ook mijn blog van 9 februari 2008.



The Dead March Past


Behind the files of Easter Week

And rank, battalioned tread of twenty-one

Close behind the lime-stained dead of twenty-two

Sean Russell* at their head they come.


The two that swung in Birmingham, with ordered step

from off the gallows floor,

Now march beside McGrath and Harte, and the boys blown up at Castlefin,

Its fiery roar lights the wasted flesh of D'Arcy and McNeela,

Kelly, Reynolds, McCafferty made whole again to join in strict array

this dead march past on Easter Day.


Come now the lonely ones, all solitary they pass,

Maurice O'Neill, Dick Goss, George Plant, young Williams, Casey, Glynn, O'Callaghan,

On Jackey Griffith's right, comes Paddy Dermody,

So quick avenged by one as dear to us - tho' not as yet departed to the Columns of the Night.

'Rocky' Burns rises up from Chapel Lane, Charlie Kerins lives, and laughs again.

Perry and Malone from Parkhurst come to march beside McCaughey and greet the Easter dawn.


Behind the files of Easter Week,

And all the gallant dead of yesteryear they come,

Their step a hope, a dread salute

To you who march their way,

And pledge your word this Easter Day. 





Brendan Behan (9 februari 1923 – 20 maart 1964)

Standbeeld in Dublin





De Nederlandse dichter, essayist, historicus en politicus Geerten Gossaert (eig. Frederik Carel Gerretson) werd geboren in Kralingen op 9 februari 1884. Gerretson studeerde sinds september 1906 te Utrecht. Hij volgde er colleges wijsbegeerte. In Utrecht leerde hij P.H. Ritter jr. kennen, met wie hij een levenslange vriendschap zou onderhouden, en Marcellus Emants, met wie hij overwoog samen een roman te schrijven. Van december 1906 tot oktober 1907 verbleef hij in de Verenigde Staten en Mexico, waar hij rondzwierf en lessen Latijn gaf op een Public High School te El Paso (Texas). Na terugkeer naar Europa in oktober 1907 vestigde hij zich te Brussel voor de studie sociologie aan het Institut Solvay.Gerretson reisde in 1919 voor de BPM naar Nederlands-Indië, China, Korea, Japan, Venezuela, Mexico en de Nederlandse Antillen. In 1925 werd hij aan de Rijksuniversiteit Utrecht benoemd tot bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van Nederlandsch-Indië, vergelijkende koloniale geschiedenis en volkenkunde van Nederlandsch-Indië en van 1938 tot 1954 ook als buitengewoon hoogleraar in de constitutionele geschiedenis van het Koninkrijk.Hij behoorde, samen met P.N. van Eyck en Pieter Geyl, tot de redactie van het tijdschrift Leiding (1930-1931). Daarnaast werkte hij mee aan Ons Tijdschrift (1911-1914) en Dietsche Stemmen (1915-1917). Verder was hij in de loop der tijd medewerker van De Beweging, Polemios, Roeping en De Groene Amsterdammer. Als dichter werd hij bekend onder het pseudoniem Geerten Gossaert met het gedicht "De moeder" uit de bundel Experimenten van 1911.



De Moeder


Hij sprak en zeide
In 't zaêl zich wendend:
Vaarwel, o moeder,
Nooit keer ik weer...
En door de lanen
Zag zij hem gaan en
Sprak geen vervloeking maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking...
Doch, bijna blijde,
Beval de maagden:
Laat immermeer
De zetels staan en
De lampen aan en
De poort geopend, de slotbrug neer.

En toen, na jaren,
Melaats, een zwerver
Ter poorte klaagde:
Uw zóon keert weer...
Zag zij hem aan en
Vond gene tranen,
Voor zoveel vréugde geen tranen meer.






De bloeiende amandeltak


Ik sluimerde in den bloemenhof, in 't malsche gras gelegen;

Toen wekte mij een zwoele geur de heuchnis van weleer...

En op mijn' moeden wenkbrauwboog voelde ik, vertroostend, wegen

Een wichtelooze vrouwehand, zacht streelend, héén en wéér.


En 'k stamelde in mijn droom: Waarom? Gunt gij dan geen vergéten?

Dit weinige, o liefste mijn, is àl wat ik begeer:

Eén uur van ongestoorden slaap uw goedheid niet te wéten,

Eén stonde niet van ú te zijn, o liefde wreed en teer!


Maar als ik mijnen blik ontlook ontwaarde ik slechts een venkel

Bezwangrend met zijn zwoelen geur de broeiende atmosfeer,

En over mijne leedverwoeste trekken wiegelde enkel

Een bloeiende amandeltak zijn schaduw, héén en wéér.





Geerten Gossaert
(9 februari 1884 - 27 oktober 1958)





De Duitse dichter, schrijver, vertaler en uitgever Rainer Maria Gerhardt werd geboren op 9 februari 1927 in Karlsruhe. Hij volgde een opleiding bij een verzekeringsbedrijf. Na bij een bombardement in 1942 zijn huis verloren te hebben zette hij de opleiding voort in Wenen. In 1947 bezocht hij lezingen over filosofie aan de universiteit van Freiburg en probeerde hij aansluiting te vinden bij de moderne Amerikaanse poëzie  (Ezra Pound, William Carlos Williams, Charles Olson en Robert Creeley). Samen met zijn vrouw vertaalde hij hun werk ook en publiceerde het in door hem uitgegeven tijdschrift „fragmente“ en in zijn gelijknamige uitgeverij. Hij kreeg wel waardering voor zijn werk: in Duitsland van Ernst Robert Curtius, Alfred Andersch und Hans Magnus Enzensberger, internationaal van William Carlos Williams, André Breton, Max Ernst en Jean Arp, maar niet bij een breder publiek. Dat dreef hem er toe in 1954 een einde aan zijn leven te maken. Naar aanleiding van zijn 80e geboortedag werd in 2007 zijn verzameld werk uitgegeven onder de titel »Umkreisung«.



für renate


der wind bricht auf diese nacht
quirrt weint
habe die nacht gesehen
kann nicht schlafen
der bruder ist fortgegangen
ich höre
die tür hat geknarrt
nun ist sie verschlossen
ich habe fusstapfen gesehen
in frischer erde
keine kraft
wenn nicht diese: eine geschichte von dir und mir
keine kraft wenn nicht diese
von dir und mir
hat kein auge sich aufgetan
hat kein vogel berichtet
hat der wind nicht geschrien
keine kraft
wenn nicht du und ich
eine passage
metaphysik oder liebe
pauper amavi





1. satz: ausfahrt



Keinem ist hauch gegeben.

Es schwingen, fallen tauben ins gebreite.

Vergilbter neben kräuselt welke weite,

Und schwarze stümpfe stossen ins gewölk.

Der wunde wald stürzt dunkel hin zum bache,

Und schreiend wälzen sich zur falben flache

Purpurne himmel über rot gebälk.

Die feste stadt streckt kalte schattenarme

zur erzesader und zum vogelschwarme.

Die Fischer aus den faulen flächen fliehn.

Und häuser neben häusern auferstehen

Und fallen nieder und die winde wehen.

Es treibt der blauen tauben flug dahin.






Rainer Maria Gerhardt (9 februari 1927 – 27 juli 1954)






De Amerikaanse dichteres Amy Lowell werd geboren op 9 februari 1874 in Brookline, Massachusetts.  Zij stamde uit een voorname familie uit Boston. Haar broer Percival Lowell werd een beroemde astronoom en een andere broer Abbott Lawrence Lowell werd president van Harvard. Zelf studeerde zij niet, maar ontikkelde zij zich door ontzettend veel te lezen. In 1910 werden haar eerste gedichten gepubliceerd in de Atlantic Monthly en in 1912 verscheen haar eerste bundel A Dome of Many-Coloured Glass die tot haar grote teleurstelling maar een bescheiden succes kende. Voor haar bundel What's O'Clock kreeg zij postuum de Pulitzer Prijs. In 1912 leerde Lowell haar levenspartner da Russell kennen, met wie zij tot aan haar dood samen bleef.




As I would free the white almond from the green husk
So I would strip your trappings off,
And fingering the smooth and polished kernel
I should see that in my hands glittered a gem beyond counting.





The Matrix


Goaded and harassed in the factory

That tears our life up into bits of days

Ticked off upon a clock which never stays,

Shredding our portion of Eternity,

We break away at last, and steal the key

Which hides a world empty of hours; ways

Of space unroll, and Heaven overlays

The leafy, sun-lit earth of Fantasy.

Beyond the ilex shadow glares the sun,

Scorching against the blue flame of the sky.

Brown lily-pads lie heavy and supine

Within a granite basin, under one

The bronze-gold glimmer of a carp; and I

Reach out my hand and pluck a nectarine.






The Taxi


When I go away from you
The world beats dead
Like a slackened drum.
I call out for you against the jutted stars
And shout into the ridges of the wind.
Streets coming fast,
One after the other,
Wedge you away from me,
And the lamps of the city prick my eyes
So that I can no longer see your face.
Why should I leave you,
To wound myself upon the sharp edges of the night?





Amy Lowell (9 februari 1874 - 12 mei 1925)






De Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard werd geboren op 9 februari 1931 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007 en ook mijn blog van 9 februari 2008.


Uit: Meine Preise


„Zur Verleihung des Grillparzerpreises der Akademie der Wissenschaften in Wien mußte ich mir einen Anzug kaufen, denn ich hatte plötzlich zwei Stunden vor dem Festakt eingesehen, daß ich zu dieser zweifellos außerordentlichen Zeremonie nicht in Hose und Pullover erscheinen könne und so hatte ich tatsächlich auf dem sogenannten Graben den Entschluß gefaßt, auf den Kohlmarkt zu gehen und mich entsprechend feierlich einzukleiden, zu diesem Zwecke suchte ich das mir von mehreren Sockeneinkäufen her bestens bekannte Herrengeschäft mit dem bezeichnenden Titel Sir Anthony

auf, wenn ich mich recht erinnere, war es Dreiviertelzehn, als ich den Salon des Sir Anthony betrat, die Verleihung des Grillparzerpreises sollte um elf stattfinden, ich hatte also noch eine Menge Zeit. Ich hatte die Absicht, mir, wenn schon von der Stange, so doch den besten Reinwollanzug in Anthrazit anzuschaffen, dazu die passenden Socken, eine Krawatte und einHemd von Arrow, ganz fein, graublau gestreift. Die Schwierigkeit, sich in den sogenannten feineren Geschäften gleich verständlich zu machen, ist bekannt, auch wenn der Kunde sofort und auf die präziseste Weise sagt, was er will, wird er zuerst einmal ungläubig angestarrt, bis er seinen Wunsch wiederholt hat. Aber natürlich hat der

angesprochene Verkäufer auch dann noch nicht begriffen”.




Thomas Bernhard (9  februari 1931 — 12 februari 1989)






De Amerikaanse schrijfster en feministe Alice Malsenior Walker werd geboren op 9 februari 1944 in Eatonton, Georgia. Zie ook mijn blog van 9 februari 2008.


Uit: By the Light of My Father's Smile


“I am a man you can trust, is how my customers view me. Or at least, I'm guessing it is. Why else would they hand me their house keys before they leave for vacation? Why else would they depend on me to clear their attics for them, heave their air conditioners into their windows every spring, lug their excess furniture to their basements? "Mind your step, young fellow; that's Hepplewhite," Mrs. Rodney says, and then she goes into her kitchen to brew a pot of tea. I could get up to anything in that basement. I could unlock the outside door so as to slip back in overnight and rummage through all she owns--her Hepplewhite desk and her Japanese lacquer jewelry box and the six potbellied drawers of her dining-room buffet. Not that I would. But she doesn't know that. She just assumes it. She takes it for granted that I'm a good person.
Come to think of it, I am the one who doesn't take it for granted.
On the very last day of a bad old year, I was leaning against a pillar in the Baltimore railroad station, waiting to catch the 10:10 a.m. to Philadelphia. Philadelphia's where my little girl lives. Her mother married a lawyer there after we split up.

Ordinarily I'd have driven, but my car was in the shop and so I'd had to fork over the money for a train ticket.“




Alice Walker (Eatonton, 9 februari 1944)





De Franse schrijfster Alina Reyes (pseudoniem van Aline Patricia Nardone) werd geboren op 9 februari 1956 in Bruges. Zie ook mijn blog van 9 februari 2008.


Uit: La Dameuse


C'est le caméraman qui est venu la chercher. Il lui a dit que Gilles voulait la voir, que c'était très important, qu'il fallait venir tout de suite car ils reprenaient la route aussitôt après, qu'il n'y en avait que pour quelques minutes. Elle l'a suivi, ils ont pris la petite rue derrière l'église, ils sont descendus au bord du torrent, à l'abri des regards. Personne n'a vu l'homme qui l'attendait la prendre dans ses bras, personne n'a vu la petite Marie se dégager de son étreinte, personne ne l'a entendue crier : Qu'est-ce que c'est que cette histoire ? Personne ne l'a vue envoyer une gifle à cette vedette de télévision locale, personne n'a vu cet homme policé se saisir violemment de la jeune fille, par peur qu'elle n'attire l'attention lui bâillonner la bouche avec sa main, l'entraîner dans la neige“.




Alina Reyes (Bruges, 9 februari 1956)



Zie voor nog meer schrijvers van de 9e februari ook mijn andere blog van vandaag.



Alice Walker, Alina Reyes, John Maxwell Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Herman Pieter de Boer, Maurits Sabbe

De Amerikaanse schrijfster en feministe Alice Malsenior Walker werd geboren op 9 februari 1944 in Eatonton, Georgia. Haar familie stamde uit Cherokee, Schotland en Ierland. Na de middelbare school ging ze naar het Spelman College in Atlanta en kreeg haar diploma in 1965 van het Sarah Lawrence College in Yonkers. Gedurende haar eerste jaar op de school ging ze naar Oeganda als uitwisselingsstudent. Walker won de Pulitzer-prijs voor fictie voor het boek The Color Purple.


Uit: The Color Purple


“You better not never tell nobody but God. It'd kill your mammy.

Dear God,

I am fourteen years old. I am I have always been a good girl. Maybe you can give me a sign letting me know what is happening to me.

Last spring after little Lucious come I heard them fussing. He was pulling on her arm. She say It too soon, Fonso, I ain't well. Finally he leave her alone. A week go by, he pulling on her arm again. She say Naw, I ain't gonna. Can't you see I'm already half dead, an all of these chilren.

She went to visit her sister doctor over Macon. Left me to see after the others. He never had a kine word to say to me. Just say You gonna do what your mammy wouldn't. First he put his thing up gainst my hip and sort of wiggle it around. Then he grab hold my titties. Then he push his thing inside my pussy. When that hurt, I cry. He start to choke me, saying You better shut up and git used to it.

But I don't never git used to it. And now I feels sick every time I be the one to cook. My mama she fuss at me an look at me. She happy, cause he good to her now. But too sick to last long.





Alice Walker (Eatonton, 9 februari 1944)




De Franse schrijfster Alina Reyes (pseudoniem van Aline Patricia Nardone) werd geboren op 9 februari 1956 in Bruges. Zij werd beroemd met haar internationale bestseller Le Boucher. Zij volgde een opleiding aan het Lycée de Royan tot 1974. Zij studeerde o.a. Grieks, moderne literatuur en journalistiek. Kenmerkend voor haar werk is de speelse, geestrijke en moedige omgang met hedendaagse sexualiteit.


Uit: Satisfaction


“Quand les corps de Bobby Smith et de Babe Wesson pénétrèrent dans les fours du crématorium de World Village, l'infernale chaleur qui fusa dans l'instant autour de leurs cercueils les extirpa des torpeurs de la mort pour les propulser en des rêves brûlants, ultimes fantaisies de leur morne existence.

Bobby, qui sa vie durant avait fantasmé sur les corps sculptés en série des filles qui posaient cuisses ouvertes dans les magazines de charme, ou livraient à tout va, en des vidéos ressassantes, leurs appâts siliconés à la mâlitude voyeuse de ces temps, Bobby en une fulgurante rétractation-dilatation du Temps, accéda une dernière fois aux jouissances terrestres grâce à la grasse, vulgaire et plus très fraîche Shirley Gordon, sa voisine.

Le décor de son rêve d'incinéré était en tous points semblable à celui de la zone pavillonnaire où Babe et lui avaient acheté, quelques années plus tôt, la maison de leurs rêves. À tel point qu'il est permis de douter que cette illusion lui fut bel et bien inspirée par les feux de la malemort. Après tout, le fantasme qui ce jour-là s'échappa en grésillant de son cadavre n'était peut-être qu'une vieille élucubration, forgée au cours de l'infini chapelet de nuits où il avait dû, pour pallier à ses frustrations conjugales, s'autostimuler dans le secret, le poignet ardent, afin de pouvoir ensuite rejoindre dans le sommeil sa tendre et froide moitié.”





Alina Reyes (Bruges, 9 februari 1956)





De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007.


Uit: Disgrace


“FOR A MAN of his age, fifty-two, divorced, he has, to his mind, solved the problem of sex rather well. On Thursday afternoons he drives to Green Point. Punctually at two p.m. he presses the buzzer at the entrance to Windsor Mansions, speaks his name, and enters. Waiting for him at the door of No. 113 is Soraya. He goes straight through to the bedroom, which is pleasant-smelling and softly lit, and undresses. Soraya emerges from the bathroom, drops her robe, slides into bed beside him. 'Have you missed me?' she asks. 'I miss you all the time,' he replies. He strokes her honey-brown body, unmarked by the sun; he stretches her out, kisses her breasts; they make love.

Soraya is tall and slim, with long black hair and dark, liquid eyes. Technically he is old enough to be her father; but then, technically, one can be a father at twelve. He has been on her books for over a year; he finds her entirely satisfactory. In the desert of the week Thursday has become an oasis of luxe et volupté.

In bed Soraya is not effusive. Her temperament is in fact rather quiet, quiet and docile. In her general opinions she is surprisingly moralistic. She is offended by tourists who bare their breasts ('udders', she calls them) on public beaches; she thinks vagabonds should be rounded up and put to work sweeping the streets. How she reconciles her opinions with her line of business he does not ask.

Because he takes pleasure in her, because his pleasure is unfailing, an affection has grown up in him for her. To some degree, he believes, this affection is reciprocated. Affection may not be love, but it is at least its cousin. Given their unpromising beginnings, they have been lucky, the two of them: he to have found her, she to have found him.

His sentiments are, he is aware, complacent, even uxorious. Nevertheless he does not cease to hold to them.”




John Maxwell Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)





De Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard werd geboren op 9 februari 1931 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007.


Uit: Ein Kind


““Wenn ich nur sterben könnte!” war mein ununterbrochener Gedanke. Wenn ich an Seekirchen zurückdachte, schüttelte es mich vor Weinen. Ich heulte laut aus mir heraus, wenn ich sicher war, daß mich niemand hörte. Ich ging auf den Dachboden und schaute auf den Taubenmarkt hinunter, senkrecht. zum erstenmal hatte ich den Gedanken, mich umzubringen. Immer wieder streckte ich den Kopf durch die Dachbodenluke, aber ich zog ihn immer wieder ein, ich war ein Feigling. Die Vorstellung, ein Klumpen Fleisch auf der Straße zu sein, vor welchem jedem ekelte, war absolut gegen meine Absicht. Ich mußte weiterleben, obwohl es mir unmöglich erschien. “Vielleicht ist der Wäschestrick die Rettung?” dachte ich. Ich klügelte eine Konstruktion mit den am Dachbalken festgebundenen Strick aus, ich ließ mich geschickt in die Schlinge fallen. Der Strick riß ab, und ich stürzte die Dachbodenstiege hinunter in den 3. Stock. Vor ein Auto oder den Kopf auf das Bahngeleise. Ich hatte überhaupt keinen Ausweg.”




Thomas Bernhard (9  februari 1931 — 12 februari 1989)





De Ierse dichter en schrijver Brendan Behan werd geboren op 9 februari 1923 in Dublin. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007.





It was on an August morning, all in the moring hours,
I went to take the warming air all in the month of flowers,
And there I saw a maiden and heard her mournful cry,
Oh, what will mend my broken heart, I’ve lost my Laughing Boy.
So strong, so wide, so brave he was, I’ll mourn his loss too sore
When thinking that we’ll hear the laugh or springing step no more.
Ah, curse the time, and sad the loss my heart to crucify,
Than an Irish son, with a rebel gun, shot down my Laughing Boy.
Oh, had he died by Pearse’s side, or in the G.P.O.,
Killed by an English bullet from the rifle of the foe,
Or forcibly fed while Ashe lay dead in the dungeons of Mountjoy,
I’d have cried with pride at the way he died, my own dear Laughing Boy.
My princely love, can ageless love do more than tell to you
Go raibh mile maith Agath, for all you tried to do,
For all you did and would have done, my enemies to destroy,
I’ll prize your name and guard your fame, my own dear Laughing Boy.






Brendan Behan (9 februari 1923 – 20 maart 1964)





De Nederlandse dichter en schrijver Herman Pieter de Boer werd geboren op 9 februari 1928 in Rotterdam. Zie ook mijn blog van 9 februari 2007.





Zij droeg een jurk, lang uit de mode,
en was zo mager als een lat,

een rare stokvis, maar ze had

zo'n zeldzaam mooie lesmethode,


voor die tijd eigenlijk verboden:
het scheen, ze praatte zomaar wat,

alsof je in haar kamer zat

te kletsen om de tijd te doden.


Het leek gezellig en verkeerd,
maar was, dat blijft, geraffineerd:

ik ben in aardrijkskunde thuis.


Wat heb ik veel van haar geleerd,
ik had haar lief, mijn versje eert

mejuffrouw Schelts van Kloosterhuis.






Herman Pieter de Boer (Rotterdam, 9 februari 1928)







Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 9 februari 2007.

De Vlaamse schrijver Maurits Sabbe werd op 9 februari 1873 te Brugge.




John Maxwell Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Herman Pieter de Boer, Maurits Sabbe

John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad als John Michael Coetzee (hij veranderde later zijn doopnaam). Coetzee studeerde wiskunde en Engels aan de universiteit van Kaapstad. Begin jaren zestig verhuisde hij naar Groot-Brittannië, waar hij werkte als computerprogrammeur. Zijn ervaringen werden later verwerkt in het boek Youth (2002). Daarna studeerde hij literatuur aan de University of Texas en vervolgens doceerde hij tot 1983 Engels aan de State University of New York. In 1984 keerde Coetzee terug naar Zuid-Afrika. Hij werd hoogleraar Engels aan de universiteit van Kaapstad en ging daar in 2002 met pensioen. Vervolgens verhuisde hij naar Adelaide (Australië), waar hij een ereaanstelling kreeg als onderzoeker aan de faculteit Engels van de University of Adelaide. Sinds 2002 is hij eveneens professor aan de University of Chicago. Coetzee schreef diverse romans, waarin steeds het thema terugkeert van de eenling die zich staande moet zien te houden binnen een groep. Daarnaast werkte hij als vertaler en heeft hij een aantal kritieken gepubliceerd. In 1976 vertaalde Coetzee de roman Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants in het Engels. Hij was de eerste schrijver die tweemaal de Booker Prize won, voor The Life and Times of Michael K in 1983 en voor Disgrace in 1999. Omdat hij de publiciteit omtrent de prijs wilde mijden is hij de prijzen niet op komen halen.


Uit: Die jungen Jahre (“Youth”, vertaald door Reinhild Böhnke)


„In England beachten ihn die Mädchen nicht, vielleicht weil seiner Person immer noch eine gewisse koloniale Ungeschliffenheit anhaftet, vielleicht nur weil er nicht die richtigen Klamotten anhat. Wenn er nicht in einem seiner IBM-Anzüge steckt, hat er nur seine grauen Flanellhosen und das gründe Sakko, seine aus Kapstadt mitgebrachten Sachen. Die jungen Männer, die er in der U-Bahn und auf den Straßen sieht, tragen dagegen enge schwarze Hosen, spitze Schuhe, knapp sitzende Kastenjacken mit vielen Knöpfen. Sie tragen auch ihr Haar lang, in die Stirn und über die Ohren hängend, während er immer noch die im Nacken und an den Seiten kurz geschnittene Frisur mit dem ordentlichen Scheitel hat, die ihm in der Kindheit von kleinstädtischen Friseuren verpasst wurde und die von IBM gutgeheißen wird. In den Zügen gleiten die Blicke der Mädchen über ihn weg oder werden stumpf vor Verachtung.
     Das ist misslich und irgendwie unfair: er würde sich beschweren, wenn er nur wüsste, wo und bei wem. Welche Jobs haben denn seine Rivalen, dass sie sich kleiden können, wie es ihnen passt? Und warum sollte er gezwungen sein, der Mode zu folgen? Zählen innere Qualitäten denn gar nichts?
     Das Vernünftigste wäre, er würde sich eine Kluft wie die ihre zulegen und sie an den Wochenenden tragen. Aber wenn er sich vorstellt, dass er solche Sachen anziehen soll, Sachen, die ihm nicht nur wesensfremd vorkommen, sondern auch eher südländisch als englisch, fühlt er, wie sich sein Widerstand verhärtet. Er kann es einfach nicht: es wäre, als lasse er sich auf einen Mummenschanz, eine Verkleidung ein.
     London ist voller schöner Mädchen. Sie kommen aus der ganzen Welt: als Au-pair-Mädchen, als Sprachschülerinnen, einfach als Touristinnen. In Bögen schwingen sich ihre Haare zu beiden Seiten ins Gesicht; ihre Augen sind mit dunklen Lidschatten versehen; sie haben etwas sanft Geheimnisvolles an sich. Am schönsten sind die hoch gewachsenen Schwedinnen mit dem Honigteint; aber die Italienerinnen, mandeläugig und zierlich, haben ihren eigenen Reiz. Die Liebe auf Italienisch stellt er sich scharf und heiß vor, ganz anders als die schwedische Liebe, die lächelnd und verträumt sein muss. Aber ob er jemals eine Chance bekommt, das selbst herauszufinden? Wenn er den Mut aufbringen könnte, eine dieser schönen Fremden anzusprechen, was würde er sagen? Wäre es eine Lüge, wenn er sich als Mathematiker vorstellte statt nur als Programmierer? Würden die Aufmerksamkeiten eines Mathematikers ein europäisches Mädchen beeindrucken, oder wäre es besser, ihr zu erzählen, er sei trotz seines langweiligen Äußeren ein Dichter?“


John Maxwell Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)


De Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard werd geboren op 9 februari 1931 in Heerlen. Bernhard had een zwakke gezondheid. In zijn vroege jeugd werd hij door zijn grootouders opgevoed, en in 1942 te Salzburg op pensionaat gestopt, waar hij boekhoudkunde volgde. Tussen 1951 en 1954 studeerde hij musicologie in Wenen, en volgde daarna in Salzburg les aan het Mozarteum. Ondertussen werkte hij als gerechtelijk verslaggever, en in 1957 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel, Auf der Erde und in der Hölle. Het zijn sombere, evocatieve gedichten met een surrealistische inslag. Bernhard studeerde vervolgens dramaturgie te Salzburg, en ging in het dorpje Ohlsdorf wonen. In 1965 won Bernhard de Bremer Literaturpreis. Hij werd vooral actief als toneelauteur, en schreef theaterstukken aan de lopende band. Stuk voor stuk zijn het verbolgen, verbitterde en duistere schilderingen van de eenzaamheid, vijandelijkheid en stompzinnigheid van de mens, die denkt te kunnen liefhebben, maar in feite op lange termijn alleen nog maar kan haten en verafschuwen. Meer nog, die haat is noodzakelijk, want walging is wat mensen in beweging houdt. Hiermee profileerde Bernhard zich als een uitgesproken cultuurpessimist, met bovendien bijzonder veel zwarte humor en sarcasme. Ein Fest für Boris leverde hem in 1970 de Georg Büchner-Preis op. Zijn voortdurende afwijzing van Oostenrijk en zijn bewoners vonden hoofdzakelijk in intellectuele kringen resonantie. De excentrieke Bernhard dreef het nihilisme van zijn generatie tot het uiterste; ook zelfmoord is een courant thema in zijn werk. Een jaar vóór zijn dood ontketende Bernhard een schandaal met zijn toneelstuk Heldenplatz; hij beweerde dat het Oostenrijk van die tijd nog niets veranderd was ten opzichte van de tijd van het fascisme. Hij had echter ook verdedigers, die hem meer dan ooit loofden. Bernhard werd gehuldigd als een van de grootste auteurs van Oostenrijk. Hij wreekte zich op het land door middel van zijn testament, waarin hij stipuleerde dat, tot vijftig jaar na zijn dood, geen enkel van zijn toneelstukken op Oostenrijkse bodem mocht worden opgevoerd, wat inhoudt dat Bernhard tot 2039 niet in Oostenrijk gespeeld mag worden. Deze wil wordt gerespecteerd.


Uit: Der Untergeher

“.. denn die Fensterscheiben waren schwarz vor Schmutz. In dieser schmutzigen Küche wird gekocht, dachte ich, aus dieser schmutzigen Küche wird den Gästen das Essen in das Gastzimmer herausgetragen, dachte ich. Die österreichischen Gasthäuser sind alle verschmutzt und sind unappetitlich, dachte ich, kaum dass man in einem dieser Gasthäuser ein sauberes Tuch auf den Tisch bekommt, ganz zu schweigen von einer Stoffserviette, in der Schweiz beispielsweise eine Selbstverständlichkeit. Auch im kleinsten Gasthaus in der Schweiz ist es sauber und appetitlich, selbst in unseren österreichischen Hotels ist es schmutzig und unappetitlich. Und erst in den Zimmern! dachte ich. Oft überbügeln sie die schon gebrauchte Bettwäsche nur einmal für den nächsten Gast und es kommt nicht selten vor, dass in den Waschbecken noch die Haarbüschel des letzten liegen. Vor den österreichischen Gasthäusern hat es mich immer geekelt, dachte ich. Das Geschirr ist nicht sauber und bei näherer Betrachtung ist das Besteck fast immer schmutzig."



Thomas Bernhard (9  februari 1931 — 12 februari 1989)


De Ierse dichter en schrijver Brendan Behan werd geboren op 9 februari 1923 in Dublin. In 1937 verhuisde de familie naar een nieuwe wijk in Crumlin. Hier werd Behan lid van Fianna Eireann, de jeugdbeweging van de IRA, en hij publiceerde zijn eerste gedichten en proza in het blad van de partij, Fianna: the voice of Young Ireland. In 1939 werd hij gearresteerd in Liverpool in bezit van explosieven die bedoeld waren voor een IRA campagne. Hij kreeg 3 jaar in de gevangenis van Borstal (Kent) en keerde pas in 1941 terug naar Ierland. In 1942 werd hij vervolgd voor de aanslag op twee politieofficieren, en kreeg veertien jaar. Hij werd naar Mountjoy Prison gestuurd, en later naar het Curragh Internment Camp. Hij werd in 1946 vrijgelaten in een algemene amnestie actie voor Republikeinse gevangenen. In 1947 zat hij korte tijd in de gevangenis in Manchester voor de hulp die hij een mederepublikein had gegeven bij diens ontsnapping uit de gevangenis. Behan's ervaringen met het gevangenislevel staan centraal in zijn carrière als schrijver. In Mountjoy schreef hij zijn eerste toneelstuk, The Landlady, en schreef korte verhalen en andere stukken. Wat van zijn werk werd gepubliceerd in The Bell, het leidend Ierse literaire blad van die tijd. Hij leerde ook Iers in de gevangenis, en na zijn vrijlating in 1946 verbleef hij tijdlang in de Gaeltacht in Galway en Kerry, waar hij gedichten begon te schrijven in het Iers. Aan het begin van de 50er jaren werkte hij als schrijver voor radio en kranten, en had een reputatie gekregen als something of a character in de straten en literaire kringen van Dublin. Zijn grote doorbraak kwam in 1954 toen zijn toneelstuk The Quare Fellow, dat gebaseerd was op zijn ervaringen in de gevangenis, werd opgevoerd in het Pike theater in Dublin. Het toneelstuk stond 6 maanden op de planken. In mei 1956 opende het stuk in het Theatre Royal in Stratford, en bracht de schrijver internationale faam. In 1957 werd zijn Ierse stuk An Giall (De gijzelaar) opgevoerd in het Damer Theatre en werd zijn autobiografische boek The Borstal Boy uitgebracht.


Open the window softly

Open the door softly,
Shut it-keep out the draught,
For years and years, I’ve shed millions of tears,
And never but once have I laughed.
It was the time the holy picture fell,
And knocked me old Granny cold,
While she knitted and sang an old Irish song,
It was by traitors poor old Ulster was sold.
So open the window softly,
For Jaysus’ sake, hang an old latch,
Come in and lie down, and afterwards
You can ask me what’s the catch.
Before these foreign-born bastards, dear,
See you don’t let yourself down,
We’ll be the Lion and Unicorn,
My Rose unto your Crown.

I remember in september

I remember in September,
When the final stumps were drawn,
And the shouts of crowds now silent
And the boys to tea were gone.
Let us, oh Lord above us,
Still remember simple things,
When all are dead who love us,
Oh the Captains and the Kings,
When all are dead who love us,
Oh the Captains and the Kings.
Far away in dear old Cyprus,
Or in Kenya’s dusty land,
Where all bear the white man’s burden
In many a strange land.
As we look across our shoulder
In West Belfast the school bell rings,
And we sigh for dear old England,
And the Captains and the Kings.
I wandered in a nightmare
All around Great Windsor Park,
And what did you think I found there
As I stumbled in the dark?
It was an apple half-bitten,
And sweetest of all things,
Five baby teeth had written
Of the Captains and the Kings.



Brendan Behan (9 februari 1923 – 20 maart 1964)


De Nederlandse schrijver Herman Pieter de Boer werd geboren op 9 februari 1928 in Rotterdam. Hij richtte in 1954 samen met Dimitri Frenkel Frank en Hans Ferrée een Amsterdams reclame- en ideeënbureau op. In 1956 viel dit driemanschap uit elkaar. Later werd hij een vast medewerker van het weekblad De Tijd waarvoor hij verhalen en columns schreef. Naast verhalenbundels schreef hij ook (mee) aan gedichten, cabaretprogramma's, radio en televisie.


Uit: De caissière

“Het waren snikhete dagen, dus slecht bioscoopweer, maar de directie van Cinema City had een Amerikaanse zaalkoeling laten installeren - een bord met ijspegelletters deed daar kond van bij de ingang. Bedrijfsleider Leupen was nieuwsgierig naar het resultaat en ging eens horen bij de kassa, hoe het met de matineeverkoop stond. Hij deed de deur van het hokje open en zei: 'Wat nu!'

Juffrouw Mitzi, de nieuwe middag-caissière, keek verwonderd op. 'Hoe bedoelt u?'

'Wat stelt dat voor?' Hij wees naar beneden, waar haar blote benen in een teiltje staken.

'Dat ziet u toch? Ik neem een voetbad. Heerlijk met die warmte.' Ze pakte de glastube die naast haar stempelkussen stond, en las voor:'... twaalf heilzame mineralen en zouten bruisen sprankelend als champagne om uw voeten en tussen uw tenen. Verkwikkend! U voelt u weldra als herboren!'

Het siste en bubbelde gezellig om haar enkels.

'Ik heb er vier tabletten in gedaan,' lichtte ze knus toe, 'lekker veel, mm.'

'Ja maar, dat is toch wel een beetje raar tijdens uw werk,' meende de chef.

'Ach meneer Leupen, niemand ziet het immers?'

Daar had ze gelijk in. Nochtans zei Leupen: 'Ik heb het liever niet.'

Op dat moment echter kwamen er klanten aan, en in een mum stond er een heel rijtje, dus juffrouw Mitzi had mooi respijt. Mopperend verdween de chef.

De volgende middag kwam hij weer in het kassahokje kijken. Hij moest zich van schrik vasthouden aan de deurpost. De blonde caissière genoot nu niet alleen een voetbad, maar had bovendien haar rok tot het middel opgeschort en zat in haar charmeuse onderbroekje op de stoel. Meneer Leupen z'n mond viel open maar tot enige uitspraak kwam het niet, want er dromden al men­sen bij de kassa, verlangend om het gekoelde theater te betreden.

'Warm, hè?' zei juffrouw Mitzi, opkijkend naar Leupen. Ze had een schelmse tinteling in haar ogen, ook dat nog. Hij smeet de deur dicht en begaf zich naar zijn kantoor.”




Herman Pieter de Boer (Rotterdam, 9 februari 1928)


De Vlaamse schrijver Maurits Sabbe werd op 9 februari 1873 te Brugge geboren als zoon van de liberale voorman en schrijver Julius Sabbe. Hij was de oudste van zeven kinderen. Hij studeerde filosofie en letteren aan de Genste universiteit. Eerst was hij leraar Nederlands aan het Koninklijk Atheneum te Brugge. In 1903 werd hij leraar te Mechelen. Vanaf 1907 gaf hij ook les in de toneelklas van het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen. Vervolgens werd hij in 1919 conservator aan het Plantijnmuseum te Antwerpen en vanaf 1923 was hij hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit te Brussel. Van zijn hand verschenen romans, verhalen, gelegenheidsgedichten, cantates, liederen, toneelstukken, bundels letterkundige kritiek, studies over litteratuurgeschiedenis,  muziek, drukkunst en de ontwikkeling van het nationaal bewustzijn in Vlaanderen. Zijn scheppend werk is zeer traditioneel en romantisch-realistisch en vertoont geen neiging tot het nochtans in die tijd opkomend naturalism. Het is eerder impressionistisch.


Uit: Antwerpen's Boekenmarkt ten tijde van Keizer Karel


“Antwerpen die reeds op het einde van de 15e eeuw de belangrijkste havenstad der Nederlanden was, zag ten gevolge van Brugge's volledig verval, en vooral na de ontdekking van de nieuwe wereld haar economische macht en haar hegemonie over onze gewesten steeds groeien. Zij was de natuurlijke stapelplaats van den Spaanschen en Portugeeschen groothandel in het Noorden, het natuurlijke middelpunt waar de nieuwe wereldverkeerswegen elkander ontmoetten, en door haar gulle inschikkelijkheid tegenover de vreemdelingen, door het onbevangen afbreken met de traditie der verouderde privilegies, waaraan Brugge zich bleef vastklampen, door het onbewimpeld huldigen van de ruimste vrijheid op het gebied van den handel en door het capitalisme te erkennen als een van de nieuwe grootmachten der maatschappij, vereenigde zij binnen haar muren naast de Spanjaarden en de Portugeezen de groote geldmagnaten van Zuid - Duitschland, de Hochstetters, de Fuggers, de Welzers, e.a., de Italiaansche bankiers, de Engelsche lakenhandelaars, de Fransche kooplieden en een uitgelezen schare wilskrachtige, ondernemende mannen uit de Nederlandsche gewesten zelf, zoo Waalsche als Dietsche, die in deze stad hun fortuin wilden beproeven”.



Maurits Sabbe
(9 februari 1873 – 12 februari 1938)