03-10-16

100 jaar James Herriot, Peter Terrin, Gore Vidal, Stijn Streuvels, Alain-Fournier, Sergej Jesenin, Bernard Cooper, Louis Aragon

 

De Engelse schrijver en dierenarts James Herriot (pseudoniem van James Alfred Wight) werd geboren op 3 oktober 1916 in Sunderland. Dat is vandaag precies 100 jaar geleden. Zie ook alle tags voor James Herriot op dit blog en ook mijn blog van 3 oktober 2010

Uit: All Things Wise and Wonderful

‘She won’t go anywhere without Emmeline,’ the lady explained.
‘Emmeline?’
‘The doll.’ She held up the rubber toy. ‘Since this trouble started Lucy has become devoted to her.’
‘I see. And what trouble is that?’
‘Well, it’s been going on for about two weeks now. She’s so listless and strange, and she hardly eats anything.’
I reached behind me to the trolley for the thermometer. ‘Right, we’ll have a look at her. There’s something wrong when a dog won’t eat.’
The temperature was normal. I went over her chest thoroughly with my stethoscope without finding any unusual sounds. The heart thudded steadily in my ears. Careful palpation of the abdomen revealed nothing out of the way.

 


Christopher Timothy (James) en Robert Hardy (Siegfried) in de tv-serie "All Creatures Great And Small" (1978 – 1990)

 

The lady stroked Lucy’s curly poll and the little animal looked up at her with sorrowful liquid eyes. ‘I’m getting really worried about her. She doesn’t want to go walks. In fact we can’t even entice her from the house without Emmeline.’
‘Eh?’
‘I say she won’t take a step outside unless we squeak Emmeline at her, and then they both go out together. Even then she just trails along like an old dog, and she’s only three after all. You know how lively she is norrnally.’
I nodded. I did know. This little poodle was a bundle of energy. I had seen her racing around the fields down by the river, jumping to enormous heights as she chased a ball. She must be suffering from something pretty severe, but so far I was baffled.

And I wished the lady wouldn’t keep on about Emmeline and the squeaking. I shot a side glance at David. I had been holding forth to him, telling him how ours was a scientific profession and that he would have to be really hot at physics, chemistry and biology to gain entrance to a veterinary school, and it didn’t fit in with all this."

 


James Herriot (3 oktober 1916 - 23 februari 1995)

Lees meer...

03-10-15

Peter Terrin, Gore Vidal, Stijn Streuvels, Alain-Fournier, Sergej Jesenin, Bernard Cooper

 

De Vlaamse schrijver Peter Terrin werd geboren in Tielt op 3 oktober 1968. Zie ook alle tags voor Peter Terrin op dit blog.

Uit: Blanco

“Het restaurant bevond zich midden in een rij bescheiden herenhuizen.
De gevel was onopvallend; behalve een hoge plant in een terracotta pot naast de voordeur wees niets erop dat hier een zaak werd uitgebaat.
Viktor kon zich moeilijk van de indruk ontdoen dat men de glimmende plant speciaal voor deze dag gehuurd had.
De ontvangst was onpersoonlijk en de eetkamer ademde een sfeer van verouderde plechtstatigheid. De moeder van Helena, die het restaurant had gekozen, posteerde zich als enige van het gezelschap met de handen op de rug voor de vergeelde jachttaferelen en het schamele wandtapijt.
De gerechten werden opgediend onder stolpen. Toen alle borden op tafel stonden, kwam de vrouw des huizes erbij om samen met de kelners gelijktijdig de maaltijd te onthullen, maar het spektakel was weinig indrukwekkend en het eten kon warmer. Bij een blozend nichtje aan het einde van de tafel ontbrak de gratin dauphinois; de aard van dit samenzijn indachtig vond niemand het nodig er ophef van te maken, behalve Viktor. Het nichtje kreeg tranen in de ogen van schaamte toen de vrouw des huizes haar bord wegnam.
Het duurde een paar glazen rode wijn voor er verspreid gesprekken ontstonden. Links van Viktor zat Eveline, rechts Igor. Zijn zoon had de eend nauwelijks aangeraakt, alleen het bundeltje prinsessen was verdwenen.
Viktor nam zijn hand.
De jongen keek op met een bleek en vermoeid gezicht. Hij legde zijn hoofd tegen de arm van zijn vader en vroeg stil wanneer ze naar huis gingen.
Na het dessert steeg de kakofonie van kletsende mensen tot een niveau dat bij degenen die er geen deel aan namen slaap verwekte.”

 

 
Peter Terrin (Tielt, 3 oktober 1968)

Lees meer...

03-10-14

Peter Terrin, Gore Vidal, Stijn Streuvels, Alain-Fournier, Sergej Jesenin, Bernard Cooper

 

De Vlaamse schrijver Peter Terrin werd geboren in Tielt op 3 oktober 1968. Zie ook alle tags voor Peter Terrin op dit blog.

Uit: Monte Carlo

“De naam van de man is Jack Preston.
Zijn vader, zachtaardig, gesneuveld voor het vaderland, wou hem Adam noemen, maar zijn moeder vond Adam te deftig, niet passen bij hun soort eenvoudige mensen. Hem Adam noemen, dacht ze, achteroverleunend in de opgeklopte kussens, terwijl haar pasgeboren zoon de lippen om haar zeer gevoelige linkertepel sloot en daarbij een zacht kermen voortbracht, als van een overrompelend geluk na het doorstane leed, een geluk zo groot dat het niet helemaal in zijn lijfje paste, waardoor het overschot met opeenvolgende trillingen van de stembanden afgevoerd moest worden, hem Adam noemen, dacht ze, zou verkeerde verwachtingen scheppen en hem voorbestemmen voor een leven verziekt door ontgoocheling.
Jack. Naar haar doodgeboren broertje dat de voorbije maanden geen seconde uit haar gedachten was geweest en haar de nacht tevoren in een droom had bezocht, haar als een volwassen man de hand had geschud op een manier die in de droom niet de minste twijfel liet bestaan over zijn ware identiteit.
Adam, dacht zijn vader elf jaar later. De gedachte viel samen met het inslaan van een kogel vlak bij zijn gezicht. Nu hij hier op dit vreemde strand lag, getroffen in de borst, de pijn ver voorbij, nu hij geen deel meer nam aan het tumult, ebde zijn angst weg. Het mortiervuur, de schorre kreten, de fluitende kogels, de zee, alles vervaagde. Op het ogenblik dat de inslaande kogel het zand deed opspatten en een kuiltje maakte, precies in zijn blikveld, kwam de naam Adam als een warme herinnering, een onverwacht geschenk, de zoon die zijn zoon ook was. Het stille, exclusieve genoegen van een geheim verbond, besloten in één woord. Adam. Hij fluisterde, hij voelde zijn lippen bewegen, en hij stierf.”

 

 
Peter Terrin (Tielt, 3 oktober 1968)

Lees meer...

03-10-13

Peter Terrin, Gore Vidal, Stijn Streuvels, Alain-Fournier, Sergej Jesenin

 

De Vlaamse schrijver Peter Terrin werd geboren in Tielt op 3 oktober 1968. Zie ook alle tags voor Peter Terrin op dit blog.

 

Uit: Post Mortem

 

“Als een blinde zocht hij met gestrekte armen naar de handdoek. Zijn ogen openen zou het prikken erger maken.
Hoe lang was het geleden dat hij shampoo in zijn ogen had gekregen? Hij kon het zich niet herinneren. In zijn kindertijd, allicht. Misschien had hij wel vaker shampoo in zijn ogen, betere shampoo, die niet prikte. Of was dit ouder worden, kleinzerig? Zou hij straks de shampoo van Renée moeten gebruiken, geurend naar aardbei?
Je bent veertig, dacht Emiel Steegman. Veertig is niet oud.
Tot overmaat van ramp hing niet één handdoek aan het verchroomde rekje boven de radiator, binnen bereik. Steeds probeerde hij anderen, door het goede voorbeeld te geven, door handdoeken op te hangen aan het rekje, duidelijk te maken hoe zij hem met eenvoudige dingen een plezier konden doen. Hij faalde.
Zijn boodschap was niet duidelijk. Ze meenden dat hij steeds hún een plezier deed. Op den duur vonden zij het normaal.
Wat zou Otto Richter hiertegen beginnen? De beroemde, bestverkopende schrijver genoot vanzelfsprekend de voordelen van zijn gezegende leeftijd, wat echter toen hij veertig was? Had hij dan al een jongere, onderdanige vrouw, die nauw op dingen als handdoeken lette? Wat als het humeur van Richter door een handdoek danig werd verstoord, dat de woorden hem de rest van de dag in de steek lieten? Het was simpelweg ondenkbaar. Hij had een huishoudster in dienst. Net zoals de weidse etage die hij toentertijd betrok in het rijkste kwartier van de hoofdstad, maakte het niet uit of hij zich een huishoudster kon veroorloven. Een schrijver, dat was toch iemand die de wereld naar zijn hand zette?

Een flits van Tereza, zijn eigen vrouw, ze had een met kant afgezette voorschoot om, een kapje op het hoofd, meer niet; ze kwam niet voor de handdoek.
Hij wimpelde zijn gedachte af, er was geen tijd, maar hij voelde zich al minder door haar nalatigheid ontzet dan voordien.”

 

 

 

Peter Terrin (Tielt, 3 oktober 1968)

Lees meer...

03-10-12

Gore Vidal, Stijn Streuvels, Alain-Fournier

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925 in West Point, New York. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Gore Vidal op dit blog.

 

Uit: Point to Point Navigation: A Memoir

 

“At first, I thought that the Boners were just that—white skeletons like those jointed cardboard ones displayed at Halloween. Bony figures filled my nightmares until it was explained to me that these Boners were not from slaughterhouses but from poorhouses. My grandfather was against granting them a bonus. A onetime fiery populist from the Mississippi up-country, and a contributor to the only socialist constitution of the fifty states, he had come to the conclusion that “if there was any race other than the human race, I’d go join it.” He was a genuine populist; but he did not like people very much. He always said no to anyone who wanted government aid. On one memorable occasion, the blind senator was denounced to his face by a blind suppliant for federal aid. On the other hand, he believed in justice—due process, anyway—for all, equally.

As the summer grew hotter and the Depression deepened, and Congress debated whether or not to give the veterans a bonus, rumors spread: they had attacked the White House; they had fired on the Capitol; and, most horribly, they were looting the Piggly Wiggly grocery stores. I dreamed of skeletons on the march; of Boris Karloff, too—all bones and linen wrapping.

On June 17, 1932, the Senate met to vote on the Bonus Bill. I drove with my grandfather to the Capitol, sitting beside him. Davis, his black driver and general factotum, was at the wheel. I stared out the open window, looking for Boners. Instead, I saw only shabby-looking men holding up signs and shouting at occasional cars. At the Senate side of the Capitol there was a line of policemen. Before we could pass through the line, Senator Gore was recognized. There were shouts; then a stone came through the open window of the car and landed with a crash on the floor between us. My grandfather’s memorable words were: “Shut the window,” which I did.

Shortly after, the Boners were dispersed by the army, headed by General MacArthur and his aide Major Eisenhower. Guns were fired; there were deaths. The following Sunday, my father and I flew low over what had been the Boners’ encampment at the Anacostia Flats. There were still smoking fires where the shanties had been. The place looked like a garbage dump, which in a sense it had been, a human one.”

 

 

Gore Vidal (3 oktober 1925 – 31 juli 2012)

Lees meer...

03-10-11

Bernard Cooper, Gore Vidal, Stijn Streuvels, Sergej Jesenin, Alain-Fournier

 

De Amerikaanse schrijver Bernard Cooper werd geboren op 3 oktober 1951 in Hollywood, California. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2009 en ook mijn blog van 3 oktober 2010.

 

Uit: The Bill from My Father

 

“He leaned close. "Let me ask you something."

I wanted to be as frank as possible. If there was a medical ordeal ahead, maybe we'd have a last chance at attachment. I looked into his eyes. "Ask me anything you want."

"Why...," he said, then hesitated.

"Go on." I urged him.

"Why are you reading the Ladies' Home Journal?"

"What?"

"Why did you pick that magazine out of all the magazines in the waiting room? There must be I don't know how many others to chose from and you picked that."

The March issue had been lying on my lap, opened to a double-page photo of the creamiest seafood bisque I've ever seen, a kind of culinary centerfold. I thought I'd cook it for Brian and was about to rip out the recipe. Even in a time of crisis, Dad found a way to goad me like a pro. "Nobody here cares if I'm reading a men's magazine or a women's magazine!" I glanced around the waiting room to see if I could spot a man reading Today's Bride or a woman reading Popular Mechanics, but where is proof when you really need it? "Ideas about masculinity and femininity are different now than they were in your day." I thought back to the hot afternoon I'd been cinched into my father's jumpsuit, drunk on rum punch and basted in my own perspiration, staggering through a backyard filled with dykes disguised as housewives who were really machines. "People today are more...flexible."

"I'll bet," he said.

The man in the wheelchair wasn't even pretending not to listen. His eyes met mine and glistened with interest. His posture improved.

I said, "You were trying to change the subject is what you were trying to do. Then we wouldn't have to talk about why you're here. Well, it's not going to work." But it had, of course, worked like a charm. Conversation between us ceased. We folded our arms and glowered straight ahead.

"Dad," I said, "I hate that one of us always has to be right."

"I'm not the one who always has to be right. You are."

 

 

Bernard Cooper (Hollywood, 3 oktober 1951)

 

Lees meer...

03-10-10

Bernard Cooper, Gore Vidal, Stijn Streuvels, Sergej Jesenin, Alain-Fournier, Louis Aragon, Thomas Wolfe, James Herriot, Wolf Klaußner, Johann Peter Uz

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 3e oktober mijn blog bij seniorennet.be

Bernard Cooper, Gore Vidal, Stijn Streuvels, Sergej Jesenin, Alain-Fournier

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 3e oktober ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Louis Aragon, Thomas Wolfe, James Herriot, Wolf Klaußner, Johann Peter Uz

 

03-10-09

Alain-Fournier, Stijn Streuvels, Peter Terrin, Bernard Cooper, Sergej Jesenin, Gore Vidal, Louis Aragon, James Herriot, Thomas Wolfe, Wolf Klaußner, Johann Peter Uz


De Franse schrijver Henri Alain--Fournier werd geboren op 3 oktober 1886 in Épineuil-le-Fleuriel (Cher). Zie ook mijn blog van 3 oktober 2008.

 

Uit: Le Grand Meaulnes

 

„On aborda devant un bois de sapins. Sur le débarcadère, les passagers durent attendre un instant, serrés les uns contre les autres, qu’un des bateliers eût ouvert le cadenas de la barrière... Avec quel émoi Meaulnes se rappelait dans la suite cette minute où, sur le bord de l’étang, il avait eu très près du sien le visage désormais perdu de la jeune fille ! Il avait regardé ce profil si pur, de tous ses yeux, jusqu’à ce qu’ils fussent près de s’emplir de larmes. Et il se rappelait avoir vu, comme un secret délicat qu’elle lui eût confié, un peu de poudre restée sur sa joue...

À terre, tout s’arrangea comme dans un rêve. Tandis que les enfants couraient avec des cris de joie, que des groupes se formaient et s’éparpillaient à travers bois, Meaulnes s’avança dans une allée, où, dix pas devant lui, marchait la jeune fille. Il se trouva près d’elle sans avoir eu le temps de réfléchir :

« Vous êtes belle », dit-il simplement.

Mais elle hâta le pas et, sans répondre, prit une allée transversale. D’autres promeneurs couraient, jouaient à travers les avenues, chacun errant à sa guise, conduit seulement par sa libre fantaisie. Le jeune homme se reprocha vivement ce qu’il appelait sa balourdise, sa grossièreté, sa sottise. Il errait au hasard, persuadé qu’il ne reverrait plus cette gracieuse créature, lorsqu’il l’aperçut soudain venant à sa rencontre et forcée de passer près de lui dans l’étroit sentier. Elle écartait de ses deux mains nues les plis de son grand manteau. Elle avait des souliers noirs très découverts. Ses chevilles étaient si fines qu’elles pliaient par instants et qu’on craignait de les voir se briser.

Cette fois, le jeune homme salua, en disant très bas :

« Voulez-vous me pardonner ?

— Je vous pardonne, dit-elle gravement. Mais il faut que je rejoigne les enfants, puisqu’ils sont les maîtres aujourd’hui. Adieu. »

Augustin la supplia de rester un instant encore. Il lui parlait avec gaucherie, mais d’un ton si troublé, si plein de désarroi, qu’elle marcha plus lentement et l’écouta.

« Je ne sais même pas qui vous êtes », dit-elle enfin.

Elle prononçait chaque mot d’un ton uniforme, en appuyant de la même façon sur chacun, mais en disant plus doucement le dernier... Ensuite elle reprenait son visage immobile, sa bouche un peu mordue, et ses yeux bleus regardaient fixement au loin.

« Je ne sais pas non plus votre nom », répondit Meaulnes.

Ils suivaient maintenant un chemin découvert, et l’on voyait à quelque distance les invités se presser autour d’une maison isolée dans la pleine campagne.

« Voici la “maison de Frantz”, dit la jeune fille ; il faut que je vous quitte... »

Elle hésita, le regarda un instant en souriant et dit :

« Mon nom ?... Je suis mademoiselle Yvonne de Galais... »

Et elle s’échappa.“

 

 

 

 

fournier
Alain-Fournier
(3 oktober 1886 - 22 september 1914)

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver Stijn Streuvels, pseudoniem voor Frank Lateur werd geboren in Heule op 3 oktober 1871. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006 en ook mijn blog van 3 oktober 2008.

Uit: De Vlasschaard

 

“Alzoo sleepte de lange winter voort, zonder een krimmeltje klaarte, in blijvende eentonigheid. Het voorjaar was al ingezet aan den tijd, maar alles bleef gesloten, toegedekt met duisternis van lange nachten en dagen daartusschen die geen dagen waren. Hoe het te noemen 't schemeren dat van al onder uit de wolken zimperde, doodgedaan door dikken smoor, de dofheid, die zonder blos van morgen- of gloei van avondstond, een korte spanne tijds de nachten vaneen scheidde en de wereld van de eene duisternis in de andere dompelde.

De lucht was vol nattigheid; mist en waterstof zweefde in slunsen en drendels vóor den wind weg en daarin draaiden en wentelwiekten de kraaien als doodzonden zoo zwart en ze schreeuwden de eenbaarlijke triestheid in wilde kreten over 't land.

Vermeulen stond dat te bezien door 't venster.

- Springtijd! spotte de boer ingrimmig, 't gelijkt beter aan de donkere zes-weken! Eene onbenamelijke verveling teisterde hem. Hij draaide rond in doelloosheid, wrokkig tegen 't almachtige element dat hij niet bemeesteren kon en dat hem opgesloten hield in die groote, dompige keuken waar hij omdoolde met de vuisten in de broekzakken, als een noodsche winterbeer, van het venster naar 't vuur en van 't vuur weer naar 't venster. Elke dag bracht den boer een nieuwe ontgoocheling. 's Morgens kwam hij met weerzin uit den warmen polk, moe van 't liggen en kwaad omdat hij daar in de doezeling van den slaap, de komst van 't open weer niet kon afwachten.

Dat het 's winters wintert vier maanden lang, dat verdroeg Vermeulen best; dat waren zijn kweekmaanden om te belijven na de lastigheid van ]'t zomerwerk; maar dat er na die vier maanden nog geen opening of schof en kwan in de lucht en geen zierken troost of leven te speuren viel als de tijd er was, de zaaitijd en 't werk van de voorjaarsche dricht begon te dwingen, als 't boerenjaar anders beginnen moest en 't altijd voort slegge en zeever bleef en altijd nieuwe vrachten nattigheid in de lucht kwamen bijgemeerd... en dat er niets aan te beteren en alle vloeken machteloos bleef en de spijt moest verkropt worden:

- Zoo eens eigen herte te moeten opfretten! 't land ligt doorgrinseld als een zompe, 't wordt allangs om natter, - de grachten spoelen sleekvol en die smodderige misten... Verleden jaar was de dricht al vergeten en hadden we kweekende weer: het vlas stond al uit!”

 

 

 

 

Stijn_Streuvels
Stijn Streuvels (3 oktober 1871 – 15 augustus 1969)

Portret door Gerard Vekeman

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver Peter Terrin werd op 3 oktober 1968 geboren in Tielt. Hij studeerde aan de universiteit van Gent. Terrin schrijft romans, verhalen en beschouwingen. Vrouwen en kinderen eerst (2004) werd genomineerd voor de BNG Literatuurprijs. Zowel Blanco (2003) als de verhalenbundel De bijeneters (2006) haalde de longlist van de AKO Literatuurprijs. Voor De bijeneters kreeg hij de Prijs Letterkunde van de Provincie West-Vlaanderen.  Hij werd door critici geprezen als een literair buitenbeentje, een onmodieus, klassiek schrijver. Peter Terrin schrijft een blog voor Knack.be.

 

Uit: De bewaker

 

‘Hij is halverwege de kelder aanbeland. Ik acht het ogenblik rijp om langzaam mijn Flock te richten, om geleidelijk, met de indringer nog op afstand, mijn houding te veranderen. Meteen trillen mijn gestrekte armen onder hun eigen gewicht, niet van vermoeidheid echter, ik zal lang volhouden, zo lang als het nodig is. Ik gok erop dat hij rechtshandig is, ik mik rechts van het licht, en iets hoger, naar de borst. Hij loop [sic] recht in onze val, we hoeven niets te doen. Dan houdt hij halt en laat de zaklamp onbeweeglijk voor onze voeten schijnen. De lichtkegel reikt tot een paar meter van onze schoentippen. Het is duidelijk dat hij iets heeft opgemerkt. Mijn wijsvinger heeft de trekker zo goed als overgehaald. ‘Hallo? Zijn jullie daar?’ Een zware bas, die het beeld van een grote man oproept. Harry zwijgt, ik ook. Nog één stap in onze richting en hij sterft. Maar de man blijft waar hij staat. ‘Zijn jullie daar?’ Boven het licht heb ik een witte blikkering gezien, tanden. Ik richt de Flock een fractie hoger. ‘Ik ben het,’ zegt hij. ‘De bewaker.’

 

 

 

terrin

Peter Terrin (Tielt, 3 oktober 1968) 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Bernard Cooper werd geboren op 3 oktober 1951 in Hollywood, California. Hij groeide als jonge homosexueel op in het Los Angeles van de jaren vijftig en zesrig. Sexualiteit, familierelaties, verlies en aids zijn dan ook terugkerende thema’s in zijn werk. Hij scdhreef twee bundels met memoires Truth Serum en Maps to Anywhere, een bundel met korte verhalen Guess Again en een roman A Year of Rhymes.

 

Uit: The Bill from My Father

 

A week later, my father sat beside me in the east wing of Saint Joseph's Hospital, in Oxnard, waiting for an appointment with a geriatric specialist, less than pleased to be there. He wouldn't have come at all if Brian hadn't known Dr. Montrose personally and vouched for her reputation. Despite Dad's mistrust for people in the medical profession, and whatever his misgivings about two men living together, he was proud that his son had snagged himself a doctor. Brian had a degree in psychology, not medicine, but a doctor was a doctor in my father's book, and he couldn't care less if an M. or Ph. preceded the D.

He turned to face me, his glasses flashing. "I don't want you to watch me grow old."

"Believe me," I said, "there are plenty of things worse than growing old."

"Such as?"

"Such as not growing old."

For a moment we were allied in silence, remembering Bob and Gary and Ron. Their deaths were done, but their dying survived them.

"Look at it this way," I said. "We're growing old together."

"It's happening faster to me."

"No, Dad. You and I are aging at the same rate."

"Time goes faster when you're older."

"It only seems to go faster. It can't go faster for you than it does for me." No sooner had I said this than I realized that Einstein had, in fact, proven time's relativity. I forged ahead anyway. "I know this is hard for you, but there may be a medical reason for your confusion..."

"Who's confused?"

"Well, I am, for one. I've been confused by several things you've done recently. Especially your trip into the city last week. Things I've chalked up to...your temperament."

"Well, I am, for one. I've been confused by several things you've done recently. Especially your trip into the city last week. Things I've chalked up to...your temperament."

"I got news for you: having a temperament doesn't make me a bad person."

A bedraggled man in a wheelchair rolled himself into the waiting room. A thin blue tube snaked from his nostrils to a portable oxygen tank.

"Your behavior may have a physiological cause," I continued. "It could be treatable. There's no harm in talking to Dr. Montrose."

"She sure as hell won't tell me anything I couldn't tell myself."

"She might be able to suggest a new medication or changes in your regimen." I didn't mention Alzheimer's or geriatric dementia, though these possibilities must have occurred to my father, too.”

 

 

 

 

cooper
Bernard Cooper (Hollywood, 3 oktober 1951)

 

 

 

 

 

De Russische dichter Sergej Aleksandrovitsj Jesenin werd geboren op 3 oktober 1878 in het dorpje Konstantinovo, bij Rjazan. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2008.

 

 

Saufen hier wieder, prügeln sich…

 

Saufen hier wieder, prügeln sich, jammern,

Wo die Harmonika spielt, gelben Frust.

Hinterbliebenes hat sich versammelt

Im Angedenken der Moskauer Rus'.

 

Auch ich selber, gesenkten Hauptes,

Spül mir die Augen mit Weinflaschen aus;

Um dies Verhängnis nicht länger zu schauen,

Dass durch das Hirn mal was anderes saust.

 

Jedem scheint etwas auf immer verloren.

Mein hellblauer Juni! Schwarzblauer Mai!

Riecht es nicht deshalb nach Aas und Vergornem

Im haltlosen Abgrund der Zecherei.

 

Den Russen spült's heute so fröhlich die Blase:

Spiritus rinnt selbstgebrannt im Kanal.

Der Musiker mit eingefallener Nase

Singt von der Wolga und von der Tscheka.

 

Irgendwas Böses in glasigen Blicken,

Unduldsames im lauten Gegröl.

Leid tun ihnen die unreifen Böcke,

Die blühendes Leben so hitzig zerstört.

 

Wo sind wohl jene, die weit fort entfleuchten?

Ob unser Licht diese Weiten durchdringt?

Der Musikant heilt mit Sprit jene Seuche,

Die er sich einst in Kirgisien fing.

 

Nein! Solche sind nicht zu Boden zu treten.

Solcher Abschaum Sorgen nicht kennt.

Du, mein Rassenland, du mein Rass … sä … land...

Mein asiatischer Kontinent!

 

 

 

 

Haine nackt, gemähte Felder

 

Haine nackt, gemähte Felder,
Wasserlauf bringt Nebelwolken.
Als ein Rad die stille Sonne
Hinter blaue Berge rollte.

Weg hat's Träumen angefangen,
Den man neu geebnet grade:
Er muss nicht mehr, nicht mehr lange
Auf den grauen Winter warten.

Ach, ich sah im Nebel gestern
Durch das klangerfüllte Dickicht:
Roter Mond hat sich als Füllen
Eingespannt vor unsern Schlitten.

 

 

 

 

Vertaald door Eric Boerner

 

 

 

 

jesenin
Sergej Jesenin
(3 oktober 1878 - 28 december 1925)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925 in West Point, New York. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006 en ook mijn blog van 3 oktober 2007 en ook mijn blog van 3 oktober 2008.

 

Uit: The Golden Age

 

“Attendants parked cars in front and to the side of the mock-Georgian facade of the house of what would have been his brother-in-law, Blaise Delacroix Sanford, had Timothy and Blaise's half sister, Caroline Sanford, ever had time to get married in those busy years when, together, they had created a film studio that, for a time, nearly changed movie history until . . . What was the name, he wondered, of Olivia De Havilland's sister? The one who was now the lead in Rebecca.

Timothy parked at the front door. He could almost hear what's-her-name's voice over the screen: "Last night I dreamed I had gone back to Manderley"--or whatever the line was. Purest junk, of course. Timothy preferred his own "true to life" Hometown series of movies, but the public was supposed to be more at home with beautiful houses and beautiful people and a dark mystery at the heart of it all; not to mention a great fire that reveals a terrible secret. Even so, he had wanted desperately to direct Rebecca: something un-Farrellesque in every way.

The butler was since his time. "Sir?"

Timothy gave his name. Then: "Is my film crew here?"

The butler was now all attention. "Oh, yes, Mr. Farrell! This is an honor, sir. To meet you. Your camera people are setting up in the library." The drawing room was full of Washington grandees, some elected; some born in place, like Alice Roosevelt Longworth, wearing for once the wrong blue; some newly arrived from abroad now that England and France were at war with Germany. Nevertheless, for an average American like the butler, the defining, the immortalizing presence of The Movies took precedence over everything else. "Shall I show you into the library, sir?"

"No, not yet. I must say hello. . . ."

Timothy had forgotten the rapid lizardlike Washington gaze when someone new enters an important drawing room. Conversations never drop a beat and all attention remains fixed on one's group and yet the newcomer is quickly registered and placed and then set to one side, until needed. The Hollywood stare was far more honest, more like that of the doe frozen in a predator's sight line. Fortunately, Timothy's face was not absolutely familiar to anyone except Frederika Sanford, Blaise's wife, who now moved swiftly through her room filled with guests, many in military uniform, some drably American, some exotically foreign, like the embassy attaches. War or peace?”

 

 

 

 

 

GoreVidalcirca1949
Gore Vidal (West Point, 3 oktober 1925)

Rond 1949 

 

 

 

 

 

De Franse dichter, schrijver en essayist Louis Aragon werd geboren in 1897 in Parijs. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2007 en ook mijn blog van 3 oktober 2008.

 

 

Nous dormirons ensemble

 

Que ce soit dimanche ou lundi

Soir ou matin minuit midi

Dans l'enfer ou le paradis

Les amours aux amours ressemblent

C'était hier que je t'ai dit

Nous dormirons ensembles

C'était hier et c'est demain

Je n'ai plus que toi de chemin

J'ai mis mon cœur entre tes mains

Avec le tien comme il va l'amble

Tout ce qu'il a de temps humain

Nous dormirons ensemble

Mon amour ce qui fut sera

Le ciel est sur nous comme un drap

J'ai refermé sur toi mes bras

Et tant je t'aime que j'en tremble

Aussi longtemps que tu voudras

Nous dormirons ensemble

 

 

 

 

Les Lilas Et Les Roses 

 

O mois des floraisons mois des métamorphoses

Mai qui fut sans nuage et Juin poignardé

Je n'oublierai jamais les lilas ni les roses

Ni ceux que le printemps dans les plis a gardés

 

Je n'oublierai jamais l'illusion tragique

Le cortège les cris la foule et le soleil

Les chars chargés d'amour les dons de la Belgique

L'air qui tremble et la route à ce bourdon d'abeilles

Le triomphe imprudent qui prime la querelle

Le sang que préfigure en carmin le baiser

Et ceux qui vont mourir debout dans les tourelles

Entourés de lilas par un peuple grisé

 

Je n'oublierai jamais les jardins de la France

Semblables aux missels des siècles disparus

Ni le trouble des soirs l'énigme du silence

Les roses tout le long du chemin parcouru

Le démenti des fleurs au vent de la panique

Aux soldats qui passaient sur l'aile de la peur

Aux vélos délirants aux canons ironiques

Au pitoyable accoutrement des faux campeurs

 

Mais je ne sais pourquoi ce tourbillon d'images

Me ramène toujours au même point d'arrêt

A Sainte-Marthe Un général De noirs ramages

Une villa normande au bord de la forêt

Tout se tait L'ennemi dans l'ombre se repose

On nous a dit ce soir que Paris s'est rendu

Je n'oublierai jamais les lilas ni les roses

Et ni les deux amours que nous avons perdus

 

Bouquets du premier jour lilas lilas des Flandres

Douceur de l'ombre dont la mort farde les joues

Et vous bouquets de la retraite roses tendres

Couleur de l'incendie au loin roses d'Anjou

 

 

 

 

 

aragon
Louis Aragon (3 oktober 1897 – 24 december 1982)

 

 

 

 

De  Engelse schrijver en dierenarts James Herriot (pseudoniem van James Alfred Wight) werd geboren op 3 oktober 1916 in Sunderland. Alf Wight was de zoon van een lasser op een scheepswerf. Als jongeman woonde hij in Glasgow, waar hij in 1939 afstudeerde als dierenarts aan het Glasgow Veterinary College. In datzelfde jaar trok hij naar Engeland, waar hij werk vond als assistent in Thirsk, in Yorkshire. Wight noemde het echter in zijn boeken Darrowby. Hij bleef de rest van zijn loopbaan op hetzelfde adres, Kirkgate 23, werken. De praktijk is gerestaureerd en is nu een museum. Hij werkte samen met Donald Sinclair, die van Wight de fictieve naam Siegried Farnon meekreeg, en Donalds jongere broer Brian, die bekend zou worden als Tristan. In 1941 trouwde hij met Joan. 's Avonds vertelde Wight steeds verhalen over de gebeurtenissen van de afgelopen dag. Zijn vrouw zette hem aan die op te schrijven. In 1970 verscheen dan eindelijk zijn eerste boek, If Only They Could Talk, onder het pseudoniem James Herriot.  In 1978 was zijn succes enorm. De BBC besloot een televisieserie te maken met de titel All Creatures Great and Small. Uiteindelijk werden 91 afleveringen gemaakt in 7 series, verspreid over dertien jaar (1978-1990). Ook werden er 3 zogenaamde specials van 90 minuten opgenomen (1983-1985-1990). Zijn boeken werden vertaald in veertig talen en kenden een oplage van miljoenen.

 

Uit: The Real James Herriot

 

„23 February 1995 was a beautiful day in my part of North Yorkshire. From the top of Sutton Bank on the western edge of the North York Moors National Park, it was possible to see right across the Vale of York to the Yorkshire Dales over thirty miles away. The sun shone brightly out of a cloudless winter sky and I could clearly see the familiar bulk of Pen Hill, standing majestically over the entrance to Wensleydale -- the fresh whiteness of its snow-dusted slopes in vivid contrast to the dark green dale below. It was a cold, crisp, perfect winter's day, one that normally would have had me longing to walk for mile after mile in the clean air. It was a day when I should have felt glad to be alive.
The timeless magic of the Dales has always thrilled me but, on that brilliant February day, my mood was one of emptiness, as I knew that I would never again gaze across at those distant hills without a feeling of nostalgia and regret. On that day a great friend had did. His name was James Alfred Wight, a father in whose company I had spent countless happy hours. A man I shall never forget.
I was not alone in my sorrow. On that same day, others all over the world were also mourning the loss of a friend. His name was James Herriot, the country practitioner whose skill as a writer had elevated him to the statue of the world's most famous and best-loved veterinary surgeon. This incredibly successful storyteller, who sold more than 60 million books which had been translated into over twenty languages, wrote with such warmth, humour and sincerity that he was regarded as a friend by all who read him.“

 

 

 

 

alf_wight
James Herriot (3 oktober 1916 - 23 februari 1995)

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe werd geboren op 3 oktober 1900 in Asheville, North Carolina. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006 en ook mijn blog van 3 oktober 2008.

 

Uit: Look Homeward, Angel

 

This is a moment:

An Englishman named Gilbert Gaunt, which he later changed to Gant (a concession probably to Yankee phonetics), having come to Baltimore from Bristol in 1837 on a sailing vessel, soon let the

profits of a public house which he had purchased roll down his improvident gullet.  He wandered westward into Pennsylvania, eking out a dangerous living by matching fighting cocks against the

champions of country barnyards, and often escaping after a night spent in a village jail, with his champion dead on the field of battle, without the clink of a coin in his pocket, and sometimes

with the print of a farmer's big knuckles on his reckless face.

But he always escaped, and coming at length among the Dutch at harvest time he was so touched by the plenty of their land that he cast out his anchors there.  Within a year he married a rugged young widow with a tidy farm who like all the other Dutch had been charmed by his air of travel, and his grandiose speech, particularly when he did Hamlet in the manner of the great Edmund Kean.  Every one said he should have been an actor.

The Englishman begot children--a daughter and four sons—lived easily and carelessly, and bore patiently the weight of his wife's harsh but honest tongue.  The years passed, his bright somewhat

staring eyes grew dull and bagged, the tall Englishman walked with a gouty shuffle: one morning when she came to nag him out of sleep she found him dead of an apoplexy.  He left five children, a mortgage and--in his strange dark eyes which now stared bright and open--something that had not died: a passionate and obscure hunger for voyages.

So, with this legacy, we leave this Englishman and are concerned hereafter with the heir to whom he bequeathed it, his second son, a boy named Oliver.  How this boy stood by the roadside near his

mother's farm, and saw the dusty Rebels march past on their way to Gettysburg, how his cold eyes darkened when he heard the great name of Virginia, and how the year the war had ended, when he was still fifteen, he had walked along a street in Baltimore, and seen within a little shop smooth granite slabs of death, carved lambs and cherubim, and an angel poised upon cold phthisic feet, with a smile

of soft stone idiocy--this is a longer tale.

 

 

 

 

Thomases_Wolf
Thomas Wolfe (3 oktober 1900 - 15 september 1938)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Wolf Klaußner werd geboren op 3 oktober 1930 in Lichtenau. Hij bezocht het gymnasium in Ansbach en Neurenberg en studeerde daarna Engels in Erlangen en München. Na zijn studie werkte hij als docent en als vertaler. Met schrijven begon hij toen hij achttien was. Een van zijn belangrijkste thema’s was het ontstaan van het fascisme op het platteland.

 

Uit: Lebensläufe

 

Trotz aller scheinbaren Leichtigkeit hatte Loy sein Leben nie als Via Triumphalis gesehen, sich eher furchtsam gewundert, daß ihm Schwierigkeiten erspart blieben, die anderen schwer zu schaffen machten. Es waren gewaltige Brocken auf seinem Weg gelegen und er hatte sie umgehen können, mit Disziplin und Überlegung. Er hatte öfters die Zähne zusammengebissen als es zum Beispiel Johannes Schmidtkunz scheinen mochte, der ihn für ein Glückskind hielt und es ihm gönnte, doch dieser Status ist nicht dauerhaft. Wie schnell das geht, sieht man am ,,Zerrissenen" oder an mir, sagte er an der Hochzeit Violandes im September 1947.

— Bei deinem Schwiegersohn wirst du ganz schön aufpassen müssen, ein sauberer Windhund.

— Ein Knabe, sagte Konrad, — den schick ich nach England, daß er was Gescheites lernt.

— Bist du des Teufels, Konrad? Die Kinder sind glücklich, du hast Geld genug, böse Winde von ihnen abzuhalten. Ich beneide dich, schau doch hinüber (das junge Paar stand auf der Terrasse und blickte in den Abendhimmel), da willst du mit deinem ewigen Leistungszwang (— Was? Ich? Leistungszwang, lachhaft) denen ihr, weiß wie kurzes, Glück (und ob Leistungszwang: Warum hast du denn sonst promoviert? Und steuerst jetzt ...)

— Ich weiß nicht. Mich hat auf einmal Dumpfheit befallen und Angst. Ich bin ein anderer geworden, seit der Conte die Verlobung ankündigte, eine Frechheit obendrein: ICH hätte doch sagen müssen, beehre mich die Verlobung meiner Tochter usw. Dieser windige Conte.

 

 

 

 

Franken_Lichtenau_Feste
Wolf Klaußner (3 oktober 1930 – 3 april 2005)

Vesting Lichtenau (Geen portret beschikbaar) 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Peter Uz werd geboren op 3 oktober 1720 in Ansbach. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Halle en maakte daar keniis met de dichters Johann Gleim en Johann Nikolaus Götz, met wie hij de oden van Anakreon vertaalde. Hij volgde een loopbaan binnen het justitiële apparaat en werd in 1790 benoemd tot rechter. Uz wordt gezien als een vertegenwoordiger van de burgerlijke Rococo-cultuur.

 

 

An Amor

 

Amor, Vater süsser Lieder,

Du mein Phöbus, kehre wieder!

Kehre wieder in mein Herze!

Komm, doch mit dem schlauen Scherze.

Komm und laß zugleich Lyäen,

Dir zur Seite lachend gehen.

Komm mit einem holden Kinde,

Das mein träges Herz entzünde,

Und durch feuervolle Küsse

Zum Horaz mich küssen müsse.

Willst du, Gott der Zärtlichkeiten!

Laß auch Schmerzen dich begleiten:

Ich will lieber deine Schmerzen,

Als nicht küssen und nicht scherzen.

 

 

 

 

 

johann-peter-uz
Johann Peter Uz (3 oktober 1720 – 12 mei 1796)

Kopie door Johann Michael Schwabeda naar een origineel van
Georg Oswald May

 

03-10-08

Alain-Fournier, Sergej Jesenin, Gore Vidal, Louis Aragon, Thomas Wolfe, Stijn Streuvels


De Franse schrijver Alain-Fournier werd geboren op 3 oktober 1886 in Épineuil-le-Fleuriel (Cher). Fournier stamde uit een onderwijzersgezin en kreeg les van zijn vader in het dorpsschooltje van Épineuil-le-Fleuriel. Zijn plan om zeeman te worden ging niet in vervulling en ook in het onderwijs raakte hij, bij gebrek aan diploma, niet aan de slag. Als 18-jarige schoot hij in vuur en vlam voor de mooie Yvonne Quiévrecourt die hem echter afwees. Die ervaring zou hem zijn verdere leven blijven obsederen en werd de basis voor zijn boek Le Grand Meaulnes (1913), waarin hij een droom- en kinderwereld oproept die definitief verloren zijn. Het is een monument in de Franse literatuur en één van de weinig succesvolle boeken binnen de stroming van het symbolisme. Het boek werd als een meesterwerk onthaald en miste op een haar na de prestigieuze Prix Goncourt. In 2006 werd het boek verfilmd door Jean-Daniel Verhaeghe.

Afgezien van een aantal gedichten, essays en verhalen, die werden verzameld in de postuum verschenen bundel Miracles (1924), was dit het enige werk dat hij zou voltooien. Opgeroepen als luitenant van het 288ste infanterieregiment, stierf Alain-Fournier tijdens één van de eerste gevechten van de Eerste Wereldoorlog nabij Verdun. Hij verdween in een massagraf. Na een 14-jarige zoektocht werd zijn lichaam in 1991 geïdentificeerd en bijgezet op het kerkhof van Saint-Remy-la-Calonne.

 

Uit: Le Grand Meaulnes

 

« Dès qu’ils eurent disparu, l’écolier sortit de sa cachette. Il avait les pieds glacés, les articulations raides ; mais il était reposé et son genou paraissait guéri.

"Descendre au dîner, pensa-t-il, je ne manquerai pas de le faire. Je serai simplement un invité dont tout le monde a oublié le nom. D’ailleurs, je ne suis pas un intrus ici. Il est hors de doute que M. Maloyau et son compagnon m’attendaient..."

Au sortir de l’obscurité totale de l’alcôve, il put y voir assez distinctement dans la chambre éclairée par les lanternes vertes.

Le bohémien l’avait "garnie". Des manteaux étaient accrochés aux patères. Sur une lourde table à toilette, au marbre brisé, on avait disposé de quoi transformer en muscadin tel garçon qui eût passé la nuit précédente dans une bergerie abandonnée. Il y avait, sur la cheminée, des allumettes auprès d’un grand flambeau. Mais on avait omis de cirer le parquet ; et Meaulnes sentit rouler sous ses souliers du sable et des gravats. De nouveau il eut l’impression d’être dans une maison depuis longtemps abandonnée... En allant vers la cheminée, il faillit buter contre une pile de grands cartons et de petites boîtes : il étendit le bras alluma la bougie, puis souleva les couvercles et se pencha pour regarder.

C’étaient des costumes de jeunes gens d’il y a longtemps, des redingotes à hauts cols de velours, de fins gilets très ouverts, d’interminables cravates blanches et des souliers vernis du début de ce siècle. Il n’osait rien toucher du bout du doigt, mais après s’être nettoyé en frissonnant, il endossa sur sa blouse d’écolier un des grands manteaux dont il releva le collet plissé, remplaça ses souliers ferrés par de fins escarpins vernis et se prépara à descendre nu-tête.

Il arriva, sans rencontrer personne, au bas d’un escalier de bois, dans un recoin de cour obscur. L’haleine glacée de la nuit vint lui souffler au visage et soulever un pan de son manteau.

Il fit quelques pas et, grâce à la vague clarté du ciel, il put se rendre compte aussitôt de la configuration des lieux. Il était dans une petite cour formée par des bâtiments des dépendances. Tout y paraissait vieux et ruiné. Les ouvertures au bas des escaliers étaient béantes, car les portes depuis longtemps avaient été enlevées ; on n’avait pas non plus remplacé les carreaux des fenêtres qui faisaient des trous noirs dans les murs. Et pourtant toutes ces bâtisses avaient un mystérieux air de fête. Une sorte de reflet coloré flottait dans les chambres basses où l’on avait dû allumer aussi, du côté de la campagne, des lanternes. La terre était balayée, on avait arraché l’herbe envahissante. Enfin, en prêtant l’oreille, Meaulnes crut entendre comme un chant, comme des voix d’enfants et de jeunes filles, là-bas, vers les bâtiments confus où le vent secouait des branches devant les ouvertures roses, vertes et bleues des fenêtres.

Il était là, dans son grand manteau, comme un chasseur, à demi penché, prêtant l’oreille, lorsqu’un extraordinaire petit jeune homme sortit du bâtiment voisin, qu’on aurait cru désert.

Il avait un chapeau haut de forme très cintré qui brillait dans la nuit comme s’il eût été d’argent ; un habit dont le col lui montait dans les cheveux, un gilet très ouvert, un pantalon à sous-pieds... Cet élégant, qui pouvait avoir quinze ans, marchait sur la pointe des pieds comme s’il eût été soulevé par les élastiques de son pantalon, mais avec une rapidité extraordinaire. Il salua Meaulnes au passage sans s’arrêter, profondément, automatiquement, et disparut dans l’obscurité, vers le bâtiment central, ferme, château ou abbaye, dont la tourelle avait guidé l’écolier au début de l’après-midi.

Après un instant d’hésitation, notre héros emboîta le pas au curieux petit personnage. Ils traversèrent une sorte de grande cour-jardin, passèrent entre des massifs, contournèrent un vivier enclos de palissades, un puits, et se trouvèrent enfin au seuil de la demeure centrale.

Une lourde porte de bois, arrondie dans le haut et cloutée comme une porte de presbytère, était à demi ouverte. L’élégant s’y engouffra. Meaulnes le suivit, et, dès ses premiers pas dans le corridor, il se trouva, sans voir personne, entouré de rires, de chants, d’appels et de poursuites.

Tout au bout de celui-ci passait un couloir transversal. Meaulnes hésitait s’il allait pousser jusqu’au fond ou bien ouvrir une des portes derrière lesquelles il entendait un bruit de voix, lorsqu’il vit passer dans le fond deux fillettes qui se poursuivaient. Il courut pour les voir et les rattraper, à pas de loup, sur ses escarpins. Un bruit de portes qui s’ouvrent, deux visages de quinze ans que la fraîcheur du soir et la poursuite ont rendus tout roses, sous de grands cabriolets à brides, et tout va disparaître dans un brusque éclat de lumière.

Une seconde, elles tournent sur elles-mêmes, par jeu ; leurs amples jupes légères se soulèvent et se gonflent ; on aperçoit la dentelle de leurs longs, amusants pantalons ; puis, ensemble, après cette pirouette, elles bondissent dans la pièce et referment la porte. » 

 

 

 

 

Alain_Fournier
Alain-Fournier
(3 oktober 1886 - 22 september 1914)

 

 

 

 

 

 

De Russische dichter Sergej Aleksandrovitsj Jesenin werd geboren op 3 oktober 1878 in het dorpje Konstantinovo, bij Rjazan. Hij begon op zijn negende met schrijven. In 1912, op zijn zeventiende, verhuisde Jesenin naar Moskou, waar hij een baantje als proeflezer bij een uitgeverij had om in zijn onderhoud te voorzien. Ook studeerde hij anderhalf jaar aan de Staatsuniversiteit van Moskou.

In 1915 verhuisde hij naar Sint-Petersburg, alwaar hij in aanraking kwam met dichters als Aleksandr Blok, Sergej Gorodetski, Nikolaj Kljoejev en Andrej Bely. Met name Blok was hem zeer behulpzaam in het begin van zijn carrière. Jesenin zei dat hij van Bely de betekenis van vorm had geleerd en van Blok en Kljoejev de lyriek. In 1915 publiceerde hij zijn eerste bundel, Radoenitsa, snel gevolgd door Ritueel voor de Doden. Zijn liefdesgedichten en gedichten over het alledaagse leven waren geliefd en zijn faam groeide snel.

In 1916 en 1917 vervulde hij zijn militaire dienstplicht, maar hij heeft nooit hoeven vechten, aangezien Rusland zich na de Oktoberrevolutie terugtrok uit de oorlog. Aanvankelijk toonde hij zich een voorstander van de Revolutie, maar al snel raakte hij gedesillusioneerd. Een gedicht uit de tijd luidde "De gure Oktober heeft mij bedrogen".Ondertussen hield Jesenin er een turbulent liefdesleven op na. In 1913 was hij al getrouwd met een medewerkster van de uitgeverij, van wie hij al snel scheidde. In augustus 1917 trouwde hij met actrice Zinaida Raich, met wie hij twee kinderen zou krijgen. In 1918 richtte hij zijn eigen uitgeverij op: 'Het arbeidersbedrijf van artiesten van het woord'. Hij maakte enkele jaren deel van uit de imaginistische beweging. In de herfst van 1921 ontmoette hij de beroemde danseres Isadora Duncan, die 18 jaar ouder was en geen Russisch sprak, terwijl Jesenin op zijn beurt geen vreemde talen sprak. Ze trouwden in mei 1922. Jesenin vergezelde zijn vrouw op tournee door Europa en de Verenigde Staten. Jesenin had altijd al een zwak voor alcohol gehad, maar in deze periode van zijn leven werd zijn verslaving alleen maar erger. Hij sloeg zijn vrouw, vernielde hotelkamers en maakte scènes in restaurants. De internationale pers besteedde hier veel aandacht aan. Het huwelijk hield de facto slechts een jaar stand; in mei 1923 keerde hij terug naar Moskou. In de laatste twee jaar van zijn leven was Jesenin vrijwel elke dag dronken. In 1925 trouwde hij Sofia Tolstaja, een kleindochter van Tolstoj. Zij probeerde hem tevergeefs van zijn drankverslaving af te helpen. Na een geestelijke instorting werd hij voor een maand opgenomen in een psychiatrische inrichting. Twee dagen nadat hij tijdelijk vrij was gelaten in verband met Kerst, sneed hij zijn polsen door en schreef hij met zijn bloed zijn afscheidsgedicht. Een dag later hing hij zichzelf op aan een verwarmingsbuis in een hotel.

 

 

 

Den See befährt das Abendrot

 

Den See befährt das Abendrot mit glühenden Kähnen.
Im Tann das klagende Gebalz von Auerhähnen.

 

Und ein Pirol schluchzt an verborgnem Quell.
Nur ich klag nicht, in meiner Seele ist es hell.

 

Ich weiß, du kommst dorthin, wo sich der Weg verläuft:
Zur Nachbarscheune, wo das frische Heu gehäuft.

 

Ich küß dich, bis du außer dir bist, ich zerdrück
Dich Blume, tollgeworden, außer mir vor Glück.

 

Du selber wirfst das Seidentuch ab, wachgekost.
Ich trag dich hin zum Strauch, bis uns der Tag umtost.

 

Ob auch die Auerhähne klagend schrein im Tann -
Für uns bricht mit dem Abendrot die Freude an.

 

 

 

Vertaald door  Hans Baumann

 

 

 

 

Des Abends Brauen sind eingesunken,
Fremde Pferde stehn unten vorm Haus.
Hab' ich gestern die Jugend vertrunken?
War die Liebe zu dir gestern aus?

 

Knarre doch nicht, du verspäteter Wagen!
Wie unser Leben so spurlos verfliegt!
Morgen ist es das Krankenhauslager,
Das dann vielleicht auf immer mich wiegt.

 

Morgen vielleicht, ein anderer wieder,
Geh' ich geheilt die Straße voran,
Höre die Blätter, des Regens Lieder -
Davon erblühen die Kräfte im Mann.

 

Dann vergeß ich die Nacht und die Lüge,
Alles, was quälend mich fast zerbricht.
Antlitz, liebendes! Trauteste Züge!
Dich alleine vergesse ich nicht.

 

Mag ich mir auch eine andre erwählen,
Will ich doch ihr, zu der ich entbrannt,
Auch von dir, Geliebte, erzählen,
Die ich einstmals Liebste genannt.

 

Wie unser Leben, das nie verflossen,
Hinfloß, erzähl ich ihr später bei Nacht ...
Du mein Kopf, voller Streiche und Possen,
Wozu hast du mich wieder gebracht?

 

 

 

Vertaald door Heinrich Stammler

 

 

 

 

Sergej_Esenin
Sergej Jesenin
(3 oktober 1878 - 28 december 1925)

 

 

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925 in West Point, New York. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006 en ook mijn blog van 3 oktober 2007.

 

Uit: Inventing a Nation

 

On September 5, 1774, forty-five of the weightiest colonial men formed the First Continental Congress at Philadelphia. The weightiest of the lot was the Boston lawyer John Adams, known as the best-read man in Boston. Short, fat, given to bouts of vanity that alternated with its first cousin self-pity, he was thirty-nine years old when he joined the Massachusetts delegation to the Congress. He was married to Abigail Smith, a marriage somewhat similar to that of his father, John the farmer, to Susanna Boylston. Each Adams had seemed instinctively to be obeying an old law of new societies, by marrying above his social station: farmer John to a Boylston, while Abigail’s mother was a storied Quincy.

 

The one who moves up is known as a hypergamist and, not too surprisingly, such marriages tend to be happier than classic love matches between like-stationed couples. Certainly, Abigail and John were the most interesting couple among the founders of the embryo nation, and their letters to each other are still a joy to read; nor were they alone in their marital adventurousness; even the protocolossus, Washington, had condescended to marry a grand fortune.

 

If Adams was the loftiest of the scholars at the Continental Congress of 1775, Thomas Jefferson was the most intricate character, gifted as writer, architect, farmer—and, in a corrupt moment, he allowed his cook to give birth to that unique dessert later known as Baked Alaska. Like Adams, he had tried his hand at constitution making in the spring of 1776. He sent A Summary

 

View of the Rights of British America to Patrick Henry, the orator and professional Virginia politician, but got no answer. Henry reputedly had a problem with laudanum, the drug of the day. Jefferson was not pleased with this rebuff: "Whether Mr. Henry disapproved the ground taken," he later wrote, "or was too lazy to read it (for he was the laziest man in reading I ever knew) I never learned but he communicated it to nobody."

 

 

 

 

 

Vidal

Gore Vidal (West Point, 3 oktober 1925)

 

 

 

 

De Franse dichter, schrijver en essayist Louis Aragon werd geboren in 1897 in Parijs. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2007.

 

 

 

J'arrive où je suis étranger 

 

Rien comme être n'est passager

C'est un peu fondre comme le givre

Et pour le vent être léger

J'arrive où je suis étranger

Un jour tu passes la frontière

D'où viens-tu mais où vas-tu donc

Demain qu'importe et qu'importe hier

Le coeur change avec le chardon

Tout est sans rime ni pardon

Passe ton doigt là sur ta tempe

Touche l'enfance de tes yeux

Mieux vaut laisser basses les lampes

La nuit plus longtemps nous va mieux

C'est le grand jour qui se fait vieux

Les arbres sont beaux en automne

Mais l'enfant qu'est-il devenu

Je me regarde et je m'étonne

De ce voyageur inconnu

De son visage et ses pieds nus

Peu a peu tu te fais silence

Mais pas assez vite pourtant

Pour ne sentir ta dissemblance

Et sur le toi-même d'antan

Tomber la poussière du temps

C'est long vieillir au bout du compte

Le sable en fuit entre nos doigts

C'est comme une eau froide qui monte

C'est comme une honte qui croît

Un cuir à crier qu'on corroie

C'est long d'être un homme une chose

C'est long de renoncer à tout

Et sens-tu les métamorphoses

Qui se font au-dedans de nous

Lentement plier nos genoux

O mer amère ô mer profonde

Quelle est l'heure de tes marées

Combien faut-il d'années-secondes

A l'homme pour l'homme abjurer

Pourquoi pourquoi ces simagrées

Rien n'est précaire comme vivre

Rien comme être n'est passager

C'est un peu fondre comme le givre

Et pour le vent être léger

J'arrive où je suis étranger

 

 

 

 

 

 

Les Yeux d'Elsa

 

Tes yeux sont si profonds qu'en me penchant pour boire

J'ai vu tous les soleils y venir se mirer

S'y jeter à mourir tous les désespérés

Tes yeux sont si profonds que j'y perds la mémoire

À l'ombre des oiseaux c'est l'océan troublé

Puis le beau temps soudain se lève et tes yeux changent

L'été taille la nue au tablier des anges

Le ciel n'est jamais bleu comme il l'est sur les blés

Les vents chassent en vain les chagrins de l'azur

Tes yeux plus clairs que lui lorsqu'une larme y luit

Tes yeux rendent jaloux le ciel d'après la pluie

Le verre n'est jamais si bleu qu'à sa brisure

Mère des Sept douleurs ô lumière mouillée

Sept glaives ont percé le prisme des couleurs

Le jour est plus poignant qui point entre les pleurs

L'iris troué de moir plus bleu d'être endeuillé

Tes yeux dans le malheur ouvrent la double brèche

Par où se reproduit le miracle des Rois

Lorsque le coeur battant ils virent tous les trois

Le manteau de Marie accroché dans la crèche

Une bouche suffit au mois de Mai des mots

Pour toutes les chansons et pour tous les hélas

Trop peu d'un firmament pour des millions d'astres

Il leur fallait tes yeux et leurs secrets gémeaux

L'enfant accaparé par les belles images

Écarquille les siens moins démesurément

Quand tu fais les grands yeux je ne sais si tu mens

On dirait que l'averse ouvre des fleurs sauvages

Cachent-ils des éclairs dans cette lavande où

Des insectes défont leurs amours violentes

Je suis pris au filet des étoiles filantes

Comme un marin qui meurt en mer en plein mois d'août

J'ai retiré ce radium de la pechblende

Et j'ai brûlé mes doigts à ce feu défendu

Ô paradis cent fois retrouvé reperdu

Tes yeux sont mon Pérou ma Golconde mes Indes

Il advint qu'un beau soir l'univers se brisa

Sur des récifs que les naufrageurs enflammèrent

Moi je voyais briller au-dessus de la mer

Les yeux d'Elsa les yeux d'Elsa les yeux d'Elsa

 

 

 

 

 

Aragon
Louis Aragon (3 oktober 1897 – 24 december 1982)

 

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe werd geboren op 3 oktober 1900 in Asheville, North Carolina. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006.

 

Uit: Joanne Marshall Mauldin: Thomas Wolfe, When Do the Atrocities Begin?

 

“Throughout 1937, Thomas Wolfe’s penultimate year on earth, he was boneweary.

He was in desperate need of a quiet place to rejuvenate in order to continue composing his self-saga. “I am not just pretending I am tired—” he wrote his brother Fred, “I am, actually, honestly and genuinely—nervously, physically and mentally.”

There had been few lulls in Wolfe’s life. Every year was chaotic and frenzied. During this period of unusual weariness, he concluded it was time to cut loose from the web—Maxwell Perkins, his best friend and editor—and from the rock—New York, his residence for fourteen years—and head south.

He had not ventured home for over seven and a half years—not since his first book, Look Homeward, Angel, blew the lid off every coffin in the cemetery and the door off every closet in Asheville. Pockets of resentment still seethed beneath the surface. Although his exile was self-imposed, in truth, he would

be welcomed more because he was at the height of his fame than because his literary indiscretions were forgiven.

Wolfe’s first venture into the South was a weeklong stopover in New Orleans, where, fêted until he dropped, he managed, finally, on 10 January to mail a twelve-thousand-word letter informing Perkins he was leaving Charles Scribner’s Sons—probably—after nine years and four books. He also mentioned his mixed feelings about plans to visit Asheville. It will be strange to be back home again. I had but recently met you when I was there last. I was unknown then, but within a few weeks after my visit home a storm of calumny and abuse broke out that made me long for my former oblivion. Now that storm has apparently died down. They are willing to have me come back. So much has happened in those seven years. I’ve seen so many people that I know go down to ruin, others have died, others have grown up, some have lost everything, some have recovered something. People I knew well I no longer see.“

 

 

 

wolfe
Thomas Wolfe (3 oktober 1900 - 15 september 1938)

 

 

 

De Vlaamse schrijver Stijn Streuvels, pseudoniem voor Frank Lateur werd geboren in Heule op 3 oktober 1871. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006.

Uit: Het Leven en de Dood in den Ast

De schuur met de dubbele poortluiken breed open, gelijkt een tooneel waar, in de gapende diepte, door havelooze mannen, in haastig tempo, een spel wordt opgevoerd. Het gebouw staat er eenzaam op de verlatene vlakte; het tooneel zonder toeschouwers, en de spelers doende achter een sluier van watermist, die 't al omdoezeld houdt. De mannen vervullen elk zijne aangewezen rol, - handeling welke ineensluit als een geordend werktuig dat in 't ijle draait - een schouwspel dat in 't tijd- en ruimtelooze afspint.

Van de torenhoogen stapel, bezijds, schept de man met den ruifel, altijd maar wortelen in den draagbak, die effen aan door twee anderen opgenomen, weggedragen, in den open trechter van het snijpeerd omgekanteld en ledig teruggebracht, bij den hoop neervalt om weer gevuld te worden. De vierde man draait de vrange waar het messenwiel de wortelen opvangt, die knarzelend dooreen wentelen en in stukken gesneden, langs de geul uitstroomen. Een forsige kerel schept de gemalen boonen met groote ruifelgrepen op, en gooit ze met machtigen zwaai in de diepte tegen den donkeren achterwand der schuur, waar de hoop gestadig aangroeit.

 

Zonder toeven of verpoozen, ononderbroken, gehaast, vordert het werk in eenbaarlijk herhalen derzelfde beweging, het een door 't ander in gang gehouden, voortgestuwd, zonder zichtbaar doel of uitkomst, oneindig, streng en onmeedoogend gelijk de wanhopig gispende regen, 't lijfelijk blazen van den wind, de onafzienbare grauwheid der wolkenvracht die loodzwaar over de wereld weegt. Aan 't derve gelaat van den dag is de gang der uren niet te onderscheiden, - alle dagen der week zijn eender van uitzicht, vervuld met 't zelfde weerkeerend werk.

In hun hoofd hebben de mannen geen flauw besef meer van den naam der dagen, - van 't leven en de doening der menschen op 't dorp weten ze minder dan niets, onverschillig zijn ze geworden aan alles wat ginder gebeurt. Ze leven hier met hun vijven, afgezonderd, buiten alle gemeenschap met de wereld, - als op een schip in volle zee, dag en nacht aan 't porren en wroeten om den torenhoogen stapel wortelen - die van ver aangebracht, altijd maar hooger wordt - af te voeren, door den snijmolen te draaien, op den ast te laden, waar de boonen gekeerd en gewend, boven de vuren gedroogd, in zakken gevuld, weer de wereld ingaan. Hetgeen zij hier uitrichten is het voortdurend herhalen en herdoen, het wentelen in zotten kring, het vullen van een vat zonder bodem, het trappelen ter plaats, arbeiden ten ondomme, waar niemand het eind of 't begin, het doel of het nut van bespeuren kan...

Op een stom teeken van den opperdroger vallen de schoppen neer, het knarzen van het snijpeerd houdt stil - een bedrijf is afgespeeld, en zonder tusschenpoos begint het volgend: de mannen trekken hun natte bovenkleeren uit, klimmen den steiger op, duwen de zoldervalle naar omhoog, gooien de luiken der dakvensters open en, onzichtbaar in den dikken damp, doorroefelen zij de droge boonen.“

 

 

 

Streuvels
Stijn Streuvels (3 oktober 1871 – 15 augustus 1969)

 

 

 

03-10-07

Louis Aragon, Gore Vidal, Thomas Wolfe, Stijn Streuvels


De Franse dichter, schrijver en essayist Louis Aragon werd geboren in 1897 in Parijs als zoon van Louis Andrieux, een oud-politieprefect en ambassadeur, en Marguerite Toucas-Massillon. Zijn familie liet hem echter doorgaan voor de adoptiezoon van zijn grootmoeder Claire Toucas, omdat Louis het product was van een buitenhuwelijkse relatie. Zijn moeder was dus verondersteld zijn zus te zijn en zijn vader trad op als peter en voogd. De ware toedracht werd voor de jonge Aragon geheim gehouden. In maart 1919 verscheen het eerste nummer van het tijdschrift Littérature, dat Aragon samen met André Breton en Philippe Soupault uitgaf. Het tijdschrift begon als een dadaïstische spreekbuis, maar evolueerde al vrij vlug in de richting van het surrealisme. Hij werd ook uit het leger ontslagen en hervatte zijn geneeskundestudies, die hij in 1922 zou opgeven. In 1920 verscheen Aragons eerste gedichtenbundel Feu de joie. Het volgende jaar verscheen Aragons eerste roman: Anicet ou le panorama. In de jaren twintig nam Aragon ook steeds meer deel aan de surrealistische beweging: hij schreef voor het tijdschrift Littérature, hielp mee bij het organiseren van tentoonstellingen (vb. die van Max Ernst in 1921), woonde verscheidene vergaderingen bij en werkte mee aan het Bureau de recherches surréalistes. In 1924 verscheen zijn surrealistisch manifest, Une Vague de rêves, in het tijdschrift Commerce en ook zijn bundel Le libertinage.

 

 

Le vieil homme

 

Moi qui n'ai jamais pu me faire à mon visage

Que m'importe traîner dans la clarté des cieux

Les coutures les traits et les taches de l'âge

 

Mais lire les journaux demande d'autres yeux

Comment courir avec ce cœur qui bat trop vite

Que s'est-il donc passé La vie et je suis vieux

 

Tout pèse L'ombre augmente aux gestes qu'elle imite

Le monde extérieur se fait plus exigeant

Chaque jour autrement je connais mes limites

 

Je me sens étranger toujours parmi les gens

J'entends mal je perds intérêt à tant de choses

Le jour n'a plus pour moi ses doux effets changeants

 

Le printemps qui revient est sans métamorphoses

Il ne m'apporte plus la lourdeur des lilas

Je crois me souvenir lorsque je sens les roses

 

Je ne tiens plus jamais jamais entre mes bras

La mer qui se ruait et me roulait d'écume

Jusqu'à ce qu'à la fin tous les deux fussions las

 

Voici déjà beau temps que je n'ai plus coutume

De défier la neige et gravir les sommets

Dans l'éblouissement du soleil et des brumes

 

Même comme autrefois je ne puis plus jamais

Partir dans les chemins devant moi pour des heures

Sans calculer ce que revenir me permet

 

 

Du Poète à son Parti


Mon parti m'a rendu mes yeux et ma mémoire
Je ne savais plus rien de ce qu'un enfant sait
Que mon sang fût si rouge et mon coeur fût français
Je savais seulement que la nuit était noire
Mon parti m'a rendu mes yeux et ma mémoire


Mon parti m'a rendu le sens de l'épopée
Je vois Jeanne filer Roland sonne le cor
C'est le temps des héros qui renaît au Vercors
Les plus simples des mots font le bruit des épées
Mon parti m'a rendu le sens de l'épopée


Mon parti m'a rendu les couleurs de la France
Mon parti mon parti merci de tes leçons
Et depuis ce temps-là tout me vient en chansons
La colère et l'amour la joie et la souffrance
Mon parti m'a rendu les couleurs de la France

 

 

 

aragon
Louis Aragon (3 oktober 1897 – 24 december 1982)

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925 in West Point, New York. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006.

 

Uit: Perpetual War for Perpetual Peace

 

“The telephone keeps ringing. In summer I live south of Naples, Italy. Italian newspapers, TV, radio want comment. So do I. I have written lately about Pearl Harbor. Now I get the same question over and over: Isn't this exactly like Sunday morning, December 7, 1941? No, it's not, I say. As far as we now know, we had no warning of Tuesday's attack. Of course, our government has many, many secrets that our enemies always seem to know about in advance but our people are not told of until years later, if at all. President Roosevelt provoked the Japanese to attack us at Pearl Harbor. I describe the various steps he took in a book, The Golden Age. We now know what was on his mind: coming to England's aid against Japan's ally, Hitler, a virtuous plot that ended triumphantly for the human race. But what was—is—on bin Laden's mind?

    For several decades there has been an unrelenting demonization of the Muslim world in the American media. Since I am a loyal American, I am not supposed to tell you why this has taken place, but then it is not usual for us to examine why anything happens; we simply accuse others of motiveless malignity. "We are good," G.W. proclaims, "They are evil," which wraps that one up in a neat package. Later, Bush himself put, as it were, the bow on the package in an address to a joint session of Congress where he shared with them—as well as with the rest of us somewhere over the Beltway—his profound knowledge of Islam's wiles and ways: "They hate what they see right here in this Chamber." I suspect a million Americans nodded sadly in front of their TV sets. "Their leaders are self-appointed. They hate our freedoms, our freedom of religion, our freedom of speech, our freedom to vote and assemble and disagree with each other." At this plangent moment what American's gorge did not rise like a Florida chad to the bait?

    Should the forty-four-year-old Saudi Arabian, bin Laden, prove to be the prime mover, we still know surprisingly little about him. The six-foot seven-inch Osama enters history in 1979 as a guerrilla warrior working alongside the CIA to defend Afghanistan against the invading Soviets. Was he anticommunist? Irrelevant question. He wants no infidels of any sort in the Islamic world. Described as fabulously wealthy, Osama is worth "only" a few million dollars, according to a relative. It was his father who created a fabulous fortune with a construction company that specialized in building palaces for the Saudi royal family. That company is now worth several billion dollars, presumably shared by Osama's fifty-four brothers and sisters. Although he speaks perfect English, he was educated entirely at Jiddah. He has never traveled outside the Arabian Peninsula. Several siblings lived in the Boston area and have given large sums to Harvard. We are told that much of his family appears to have disowned him and many of his assets in the Saudi kingdom have been frozen.”

 

 

 

Vidal
Gore Vidal (West Point, 3 oktober 1925)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers mijn blog van 3 oktober 2006.

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe werd geboren op 3 oktober 1900 in Asheville, North Carolina.

 

De Vlaamse schrijver Stijn Streuvels, pseudoniem voor Frank Lateur werd geboren in Heule op 3 oktober 1871

 

 

03-10-06

Stijn Streuvels, Gore Vidal, Thomas Wolfe


Stijn Streuvels, pseudoniem voor Frank Lateur werd geboren in Heule op 3 oktober 1871. Hij werd geboren als derde levende kind van Kamiel Lateur en Marie-Louise Gezelle, een jongere zuster van priester-dichter Guido Gezelle. Vader Streuvels was kleermaker. Nadat hij school had gelopen bij de zusters en in de plaatselijke nonnenschool, stuurden zijn ouders hem in 1883 naar het St.-Jan-Berchmanspensionaat in Avelgem, waar zijn letterkundige begaafdheid voor het eerst tot uiting kwam. Van 1886 tot 1887 leerde hij de bakkersstiel in Avelgem, Kortrijk en Heule. In mei 1887 namen Streuvels' ouders te Avelgem de bakkerij van Kamiel Lateurs ongehuwde broers over en ver­huisde heel het gezin naar de gemeente aan de Schelde. Zijn eerste schetsen en gedichten verschenen in 1895 in De Jonge Vlaming en in Vlaamsch en Vrij. In 1899 verscheen zijn eerste verhalenbundel Lenteleven. Veertig jaar lang zou Streuvels ieder jaar minstens één werk publiceren. In zijn laatste periode hield hij zich voornamelijk bezig met het schrijven van memoires. In 1962 werd hem voor zijn hele oeuvre de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend nadat hij reeds de vijfjaarlijkse staatsprijs (1906 en 1911), de grote Staatsprijs voor letterkunde (1935) en de prijs Scriptores Catholici (1950) had gekregen. Streuvels werd doctor honoris causa aan de universiteiten van Leuven, Münster en Pretoria.

Drie van zijn boeken werden verfilmd: De teleurgang van de waterhoek onder de titel Mira, De Vlaschaard en De blijde dag.

 

Uit: De Vlasschaard

De zaaidhede.

“De zware, grijze lucht bleef wegen over de wereld. Eendikte opgestapelde mist, van beneden tot in de opperste luchtlagen drukte die zware last als een onverroerbare weedom, een treurnis zonder einde of uitzicht. Dagen lang bleef alles dof en donker. Dan kwam de wind onverwachts losgelaten en zweepte wolken regenstof die rakelings langs den grond schoeren en de landen begispten en begeeselden. Het vlakke land lag er afgebakend in zijn nauwen einder, overwaterd met mist, onnuttig, zoppenat, eenzaam aan de onmeedoogenheid van de wreede elementen overgelaten, als een woestenij in den aanvang van den jongsten dag.

Alzoo sleepte de lange winter voort, zonder een krimmeltje klaarte, in blijvende eentonigheid. Het voorjaar was al ingezet aan den tijd, maar alles bleef gesloten, toegedekt met duisternis van lange nachten en dagen daartusschen die geen dagen waren. Hoe het te noemen 't schemeren dat van al onder uit “

 

 

 

 

Streuvels
Stijn Streuvels (3 oktober 1871 – 15 augustus 1969)

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925  in West Point, New York waar zijn vader Eugene les gaf in de luchtvaartkunde bij de United States Military Acadeyy.. Zijn opa was Thomas Gore, een Democratisch Senator. Vidal zelf groeide ook op in de omgeving van Washington D.C., en hielp daar zijn blinde opa met het voorlezen en als gids, en was dus al op jonge leeftijd bekend met het machtige Capitool.

In 1943, na zijn middelbare school, liet Vidal zich inschrijven als reserve bij de United States Army. Na de oorlog koos hij voor het schrijveverschap. In 1960 zou hij een huis betrekken in Italië (Ravello) dat hij tot 2004 zou bezitten - de rest van de tijd spendeert hij in Los Angeles.

Werk: o.a.: The City and the Pillar (1948), Julian (1964), Lincoln (1984), Live from Golgotha: the Gospel according to Gore Vidal (1992), The Golden Age (2000)

 

 

 

Uit: The City and the Pillar

 

They stood on the edge of the cliff and looked down at the brown river, muddy from spring rains and loud where it broke up on the black rocks in midstream. Below them, the cliff dropped steeply to the river, a wall of stone, dark green with laurel and wild grapevines.

    "Must be a flood upstream. That old river looks mean," said Bob.

    "Maybe we'll see a house come floating down."

    Bob chuckled. "Or a privy." Jim sat on a rock and plucked a piece of long grass and chewed on the white sweet-tasting stem. Bob squatted beside him. Together they listened to the roar of the river and the noise of tree frogs and the rustle of bright new leaves in the wind.

    "How was Sally?"

    Bob growled. "Prick-teaser, like all the rest. Leads you on so you think, now I can lay her and then, just as you get all hot, she gets scared: Oh, what're you doing to me? Oh, stop! You stop that now!" Bob sighed with disgust. "I tell you it makes a man so horny he could lay a mule, if it would just stand still." Bob contemplated mules. Then: "Why didn't you come to the dance last night? Lots of girls asked for you."

    "I don't know. Don't like dancing, I guess. I don't know."

    "You're too bashful."

    Bob rolled up a trouser leg and removed a large black ant, which was crawling up his calf. Jim noticed how white Bob's skin was, like marble, even in the sun.

    Then, to break the silence, they threw stones over the edge of the cliff. The sound of rock hitting rock was entirely satisfying. Finally Bob shouted, "Come on!" And they crawled over the edge of the cliff and cautiously worked their way downward, holding on to bushes, finding toeholds in the rock.

    The hot sun shone in a pale sky. Hawks circled while small birds flashed between trees. Snakes, lizards, rabbits all scuttled for cover as the boys made their noisy descent. At last they reached the river's muddy bank. Tall black rocks jutted from brown sand. Happily, they leapt from rock to rock, never once touching earth, stepping only on the relics of a glacier age.

 

 

 

 

vidal
Gore Vidal (West Point, 3 oktober 1925)

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe werd geboren op 3 oktober 1900 in Asheville, North Carolina. Wolfe kwam uit een grote familie in North Carolina. Hij studeerde Engelse literatuur en werkte als docent aan de universiteit van New York van 1924 tot 1929. Na het succes van zijn eerste roman, kon hij zich vestigen als zelfstandig schrijver en ondernam hij meerdere reizen naar Europa. Hij stierf aan een tuberculose-infectie een paar weken voor zijn 38ste verjaardag.

Wolfe's literair werk, waarin zijn romans ("Look homewards, angel!", 1929; "Of time and the river", 1935; "The web and the rock", 1939; "You can't go home again", 1940) centraal staan, is een poging om de eigen geschiedenis met de geschiedenis van zijn tijd te versmelten. In het middelpunt staat Eugene Gant, een alter ego van de auteur, en in diens ervaringen weerspiegelen zich de gebeurtenissen (wereldoorlog, economische wereldcrisis, hitler-fascisme) van de eerste drie decennia van de 20ste eeuw. De poëtiek van Wolfe's werk wordt verduidelijkt in het boek dat twee jaar voor zijn dood verscheen: "The story of a novel" (1936).

Uit: Look Homeward, Angel

      A destiny that leads the English to the Dutch is strange enough; but one that leads from Epsom into Pennsylvania, and thence into the hills that shut in Altamont over the proud coral cry of the cock, and the soft stone smile of an angel, is touched by that dark miracle of chance which makes new magic in a dusty world.

Each of us is all the sums he has not counted: subtract us into nakedness and night again, and you shall see begin in Crete four thousand years ago the love that ended yesterday in Texas.

The seed of our destruction will blossom in the desert, the alexin of our cure grows by a mountain rock, and our lives are haunted by a Georgia slattern, because a London cutpurse went unhung. Each moment is the fruit of forty thousand years. The minute-winning days, like flies, buzz home to death, and every moment is a window on all time. “

 

wolfetho
Thomas Wolfe (3 oktober 1900 - 15 september 1938)

 

20:38 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: stijn streuvels, gore vidal, thomas wolfe |  Facebook |