22-02-18

Arnon Grunberg, Rob Schouten, Ruben van Gogh, Paul van Ostaijen, Hugo Ball, Danilo Kis, Sean O'Faolain, Ishmael Reed, Edna St. Vincent Millay

 

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg werd geboren in Amsterdam op 22 februari 1971. Zie ook alle tags voor Arnon Grunberg op dit blog.

Uit:Aan nederlagen geen gebrek

„Aan Jan Ritsema Amsterdam, 25 februari 1991
Geachte heer Jan Ritsema,
Ons gesprek van verleden week in Scheltema heeft mij met de neus op de feiten gedrukt, of was althans de katalysator daarvoor. Dat mijn tekstjes emotionele interrupties zouden zijn gaat nog niet ver genoeg, afscheidingen van een zieke zijn het. En was die ziekte nog maar iets verhevens, maar het is de meest triviale, banale ziekte die een mens zich kan indenken. Als tussen de mieren de handen waren, die mij langdurig zouden verdoven, die mij uiteen zouden rijten, geloof me, ik zou dat armzalige geploeter laten voor wat het is en tussen de mieren gaan wonen. Hierbij een kort tekstje van mij, niet naar jou gestuurd in enige functie of hoedanigheid. Meer om als wij elkaar weer eens ontmoeten in smoezelige cafés, braakliggende etablissementen, wij naast de belangrijke dingen van het leven 't een en ander de revue kunnen laten passeren. Intussen hoop ik dat de helse depressiviteit, die zo ik weet, ook jouw megalomane stemmingen met een satanisch genoegen afbreekt en doet omslaan in walging en nog eens walging, uit is gebleven.
Morgen reis ik weer af naar Rotterdam en 's avonds zal ik in café Scheltema Johanna ter Steegem treffen. Of ik daar dan werkelijk gewichtig moet doen over een of andere monoloog die ik nog moet gaan schrijven of bij gebrek aan iets beters Baudelaire zal citeren (dronken moet je zijn, dronken van de poëzie, het leven, de liefde, maar dronken moet je zijn) weet ik nog niet. Het zal wel weer bij een hoop grote woorden blijven.
Ik houd je op de hoogte, een groet en sterkte,
Arnon

 

 
Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)
Cover

Lees meer...

22-02-17

Arnon Grunberg, Rob Schouten, Ruben van Gogh, Paul van Ostaijen, Hugo Ball, Danilo Kis, Sean O'Faolain, Ishmael Reed, Edna St. Vincent Millay

 

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg werd geboren in Amsterdam op 22 februari 1971. Zie ook alle tags voor Arnon Grunberg op dit blog.

Uit: Moedervlekken

“Kadoke wil aanbellen, maar het gras doet hem aarzelen. Hij pakt de tuinslang en begint de voortuin water te geven, de bomen, de planten, het gazon. De zoon die, zoals dat van hem werd verwacht, psychiater is geworden verzorgt de tuin. Vroeger speelde hij weleens badminton met zijn vader in de voortuin. Die tijd is voorbij, er wordt nu voornamelijk naar het gras gekeken als naar een vertrouwd en toch nog altijd mooi schilderij. Het heeft al bijna tien dagen niet geregend, op het gras zijn gele plekken ontstaan. Jarenlang is het hier goed onderhouden, met liefde is aan deze tuin gewerkt, in elk geval met een volharding en een verantwoordelijkheidsgevoel die niet van liefde te onderscheiden zijn. Doorzettingsvermogen is ook liefde – de weigering om op te geven, de weerzin om te verliezen, om te sterven, allemaal vormen van liefde. Tragisch dat een korte periode van droogte zo’n ravage aanricht.
Het is vroeg in de ochtend maar nu al warm. Een buurvrouw staart naar hem, maar Kadoke doet alsof hij haar niet ziet. Er is niets merkwaardigs aan dit tafereel: de zoon geeft de verdorde tuin water, de goede zoon, de zich om alles en nog wat bekommerende zoon, de zoon die leeft opdat anderen niet hoeven te sterven.
Maar hij kan zich nu juist niet om alles bekommeren, of beter gezegd: zijn zorg leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Dát is het probleem. Hij heeft de meisjes instructies gegeven, sommige heeft hij in het Engels opgeschreven en in de keuken op een kast gehangen en terwijl hij het gras water geeft, begint hij zich af te vragen waarom zijn simpele instructies niet zijn opgevolgd. ‘Please, water the garden when the lawn is dry’; zo moeilijk is dat toch niet te begrijpen? De jonge vrouwen die zijn moeder verzorgen kunnen best tussendoor de tuin besproeien. Zo intensief hoeft moeder ook weer niet in de gaten te worden gehouden, dat er geen tijd meer is voor het gras.
Kadoke weet wie hij is: Otto Kadoke, kalm, toegewijd maar niet té empathisch, dat is slecht voor de kalmte, slecht voor de behandeling, de arts moet niet te nabij komen. De nadruk ligt op de derde lettergreep, het is Kadoké, maar als mensen zijn naam verkeerd uitspreken corrigeert hij hen niet. Wat is een naam? Hooguit een geschiedenis waartoe je je moet verhouden. Ze mogen hem ook ‘dokter’ noemen. Officiële papieren ondertekent hij met O. Kadoke.”

 

 
Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)

Lees meer...

22-02-16

Arnon Grunberg, Ruben van Gogh, Paul van Ostaijen, Hugo Ball, Danilo Ki¨, Sean O'Faolain, Ishmael Reed, Edna St. Vincent Millay

 

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg werd geboren in Amsterdam op 22 februari 1971. Zie ook alle tags voor Arnon Grunberg op dit blog.

Uit: De asielzoeker

“In minder dan een kwartier staan ze weer op straat. De vrouwelijke getuige deelt nog wat amandelcake uit die Beck, vooral uit beleefdheid, staand op het trottoir opeet. Dan moet ze weg. Ze heeft haast. Ook bij het afscheid kan hij haar naam niet verstaan. Hij kijkt haar na, met in zijn hand een tot een propje zilverpapier.
'Misschien wilt u even met ons meekomen voor een kopje thee?' zegt Beck tegen de asielzoeker. 'Dan kunt u zien hoe we wonen.'
'Graag,' zegt de asielzoeker, 'maar niet te lang.'
Beck duwt de rolstoel, de asielzoeker loopt ernaast. Af en toe, als hij stilstaat bij een stoplicht, stopt Beck zijn neus in de hals van zijn vrouw om haar te ruiken. Meer dan zijn vrouw ruikt hij ziekenhuis.
Bij hun woning aangekomen helpt Beck zijn vrouw uit de rolstoel. Ze moeten twee trappen op. Dat kan ze net.
'Ik draag haar wel,' zegt de asielzoeker. Hij neemt Becks vrouw op zijn rug, ze klampt zich aan hem vast en Beck klapt de rolstoel in.
'Gaat het?' vraagt Beck voor de zekerheid.
'Ja,' zegt zijn vrouw, 'het gaat, dit gaat uitstekend.' Ze heeft zich met al haar kracht aan de nek van de asielzoeker geklampt.
Beck vindt het een grappig, misschien zelfs ontroerend gezicht, al is hij even bang dat ze zullen vallen. Het herinnert hem aan iets, hoe zijn vrouw daar hangt, maar hij weet niet waaraan. Voor ze aan de beklimming beginnen knijpt hij haar zachtjes en vriendschappelijk in de billen. Ze gaan de twee trappen naar boven, de asielzoeker met Becks vrouw, Beck zelf met haar rolstoel.
Even later zitten ze in de woonkamer, alleen Beck blijft staan.
'Dat ben ik door de drukte helemaal vergeten,' zegt hij, 'ik heb jullie nog niet gefeliciteerd.' Hij geeft de asielzoeker een hand en kust zijn vrouw. Hij blijft bij haar staan en zegt: 'Willen jullie wat drinken? Er is niet veel, maar wat er is kunnen we opmaken. Dit is een mooie dag, vinden jullie niet? Dit moet wel een mooie dag zijn.'
 

 
Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)

Lees meer...

22-02-15

Arnon Grunberg, Paul van Ostaijen, Hugo Ball, Danilo Ki¨, Sean O'Faolain, Jane Bowles, Ishmael Reed

 

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg werd geboren in Amsterdam op 22 februari 1971. Zie ook alle tags voor Arnon Grunberg op dit blog.

Uit: Apocalyps

“Als kind heb ik veel in de zon gezeten. Mijn vader runde een vakantiepark (met bungalows, zwembad, restaurant en disco) aan het Gardameer. De zomers bracht ik door bij het zwembad. Toen ik oud genoeg was werkte ik in de keuken of ik hielp mee ijs te verkopen aan de bar naast het zwembad, waar we ook cocktails verkochten en snacks, maar ijs scheppen vond ik het leukst. Ik ontdekte al vroeg mijn commerciële talenten, de verkoop lag mij. Mijn ouders stimuleerden mijn commerciële talenten, zij het op speelse wijze. Er lag geen grote druk op mij. Als ik veel ijs had verkocht kreeg ik een cadeautje, een autootje, een voetbal, of ik mocht extra lang opblijven. Ik heb veel geknikkerd.
Vooral mijn vader was gelovig, hij was een fanatieke kerkganger, maar toen ik hem vertelde dat ik echt geen misdienaar meer wilde zijn knikte hij, verder zei hij niets. Ik heb een jongere broer. Met hem had ik weinig contact, hij hield niet van de zon, hij zat veel binnen. We gingen elkaar uit de weg.
Ik werd naar een internationale school gestuurd. In feite ben ik drietalig opgevoed: Nederlands, de taal van mijn ouders, Engels, de taal die op de internationale school werd gesproken, en Italiaans, de taal van het land waar ik mijn jeugd doorbracht en waar ik mijn commerciële talenten heb kunnen ontwikkelen.
Voor zover een jeugd zorgeloos kan zijn was de mijne zorgeloos. Mijn moeder overleed vrij jong, op mijn zestiende, toen was mijn jeugd feitelijk al voorbij.
Het lag voor de hand dat ik mijn commerciële talenten zou uitbuiten en in de verkoop zou gaan, maar ik besloot fysiotherapeut te worden. Het werken met lichamen trok me uiteindelijk meer dan de verkoop. Mijn halve jeugd heb ik halfnaakte mensen gezien, ik heb de mens leren kennen in zwemkleding. De scheiding tussen lichaam en ziel ervaar ik als iets onnatuurlijks, het lichaam ís de ziel. De fysiotherapie leek mij een natuurlijk vervolg op mijn jeugd aan het Gardameer. Stiekem was ik altijd al fysiotherapeut geweest.
In de winter ging het vakantiepark dicht, mijn vader richtte zich dan op het exporteren van Italiaanse olijfolie en wijnen naar Nederland. Ook hij had commerciële aanleg. Om van je naaste te kunnen houden als van jezelf moest je volgens mijn vader voldoende geld op je bankrekening hebben staan. Voor mij waren de winters een wachtkamer. Het leven begon pas weer als ik in mijn zwembroek langs de badgasten kon paraderen en als ik ze hoorde fluisteren: ‘Dat is de zoon van de eigenaar,’ dan was ik gelukkig.”

 

 
Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)

Lees meer...

22-02-14

Arnon Grunberg, Paul van Ostaijen, Hugo Ball, Danilo Kiš, Sean O'Faolain, Jane Bowles, Ishmael Reed

 

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg werd geboren in Amsterdam op 22 februari 1971. Zie ook alle tags voor Arnon Grunberg op dit blog.

Uit: Huid en haar

'Waar wacht je op?' vraagt Lea.
Ze draagt een zwarte wollen jas met een bontkraag, tweedehands gekocht. Ze kan zich zulke jassen niet nieuw permitteren. Lea reist lichtbepakt. Een rugzak, meer heeft ze niet nodig voor vijf dagen. Met een föhn krijg je de meeste kreukels uit je kleren.
Op haar knie ligt een hand. Maar een hand op een knie is nog geen intimiteit.
'Waarvan bent u precies een kenner?' had een professor haar die avond tijdens een staande receptie gevraagd terwijl hij schijnbaar terloops haar bovenarm aanraakte. Ze had het onprettig gevonden. De vraag en de aanraking.
Een uur daarvoor had ze haar jurk in de badkamer opgehangen aan de rail waaraan ook het douchegordijn was bevestigd en hem met de föhn behandeld. De kreukels gingen er minder goed uit dan ze had gehoopt. Morgenochtend gaat ze naar huis, dan kan ze haar jurk laten stomen.
Kenner. Een belachelijk woord. Je kunt het eigenlijk alleen ontkennend gebruiken, als in: 'Ik ben geen kenner van porseleinwerk.' Ze is een kenner van Rudolf Höss, dat moest ze toegeven.
'Höss,' had ze geantwoord. Vervolgens had ze zich geëxcuseerd met de woorden: 'Even kijken of hier nog meer mensen zijn die ik ken.'
In de verte, ingeklemd tussen een pilaar en een gesticule- rende man met een baard, had ze Roland Oberstein zien staan. Ze had de behoefte gevoeld om op hem af te stappen en zonder verdere plichtplegingen tegen hem te zeggen: 'Red mij.'
Pathetisch natuurlijk. Maar is hoop op redding niet per definitie pathetisch? Hebben we leren leven zonder hoop? Als we al redding zoeken, mogen we dan alleen diep in onszelf graven?
Ze weigert dit te aanvaarden.
De professor was achter haar aangelopen. 'Höss,' had hij gezegd, 'de commandant van Auschwitz. Boeiend. Had hij niet een verhouding met een gevangene in het kamp?”

 

 
Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)

Lees meer...

22-02-13

Danilo Kiš, Sean O'Faolain, Jane Bowles, Ishmael Reed

 

De Servische schrijver Danilo Kiš werd geboren op 22 febrari 1935 in Subotica. Zie ook alle tags voor Danilo Kiš op dit blog.

 

Uit: Garden, Ashes (Vertaald door William J. Hannaher)

 

“The little jars and glasses were just samples, specimens of the new lands at which the foolish barge of our days would be putting ashore on those summer mornings. Fresh water glistened in the glass, and we would drink it down expertly, in tiny sips, clucking like experienced tasters. We would sometimes express dissatisfaction by grimacing and coughing: the water was tasteless, greasy like rainwater, and full of autumnal sediment, while the honey had lost its color and turned thick and turbid, showing the first signs of crystallization. On rainy days, cloudy and gloomy, our fingerprints would stay on the teaspoon handle. Then, sad and disappointed, hating to get up, we would back under the covers to sleep through a day that had started out badly.

The branches of the wild chestnut trees on our street reached out to touch each other. Vault overgrown with ivylike leafage thrust in between these tall arcades. On ordinary windless days, this whole architectural structure would stand motionless, solid in its daring. From time to time the sun would hurtle its futile rays through the dense leafage. Once they had penetrated the slanting, intertwined branches, these rays would quiver for a while before melting and dripping onto the Turkish cobblestones like liquid silver. We pass underneath these solemn arches, grave and deserted, and hurry down the arteries of the city. Silence is everywhere, the dignified solemnity of a holiday morning. The postmen and salesclerks are still asleep behind the closed, dusty shutters.s we move along past the low one-story houses, we glance at each other and smile, filled with respect: the wheezings of the last sleepers are audible through the dark swaying curtains and accordion shutters. The great ships of sleep are sailing the dark Styx. At times it seems as though the engines will run down, that we are on the verge of a catastrophic failure. One engine starts to rattle, to lose its cadence, to falter, as if the ship has run aground on some underwater reef. But the damage has apparently been repaired, or possibly there had never been any damage at all. We are sailing downstream, at thirty knots.”

 

 

Danilo Kiš (22 februari 1935 – 15 oktober 1989)

Lees meer...

22-02-12

Danilo Kiš, Sean O'Faolain, Ishmael Reed

 

De Servische schrijver Danilo Kiš werd geboren op 22 febrari 1935 in Subotica. Zie ook alle tags voor Danilo Kiš op dit blog.

 

Uit: Garden, Ashes (Vertaald door William J. Hannaher)

 

Late in the morning on summer days, my mother would come into the room softly, carrying that tray of hers. The tray was beginning to lose its thin nickelized glaze. Along the edges where its level surface bent upward slightly to form a raised rim, traces of its former splendor were still present in flaky patches of nickel that looked like tin foil pressed out under the fingernails. The narrow, flat rim ended in an oval trough that bent downward and was banged in and misshapen. Tiny decorative protuberances – a whole chain of little metallic grapes – had been impressed on the upper edge of the rim. Anyone holding the tray (usually my mother) was bound to feel at least three or four of these semicylindrical protuberances, like Braille letters, under the flesh of the thumb. Right there, around those grapes, ringlike layers of grease had collected, barely visible, like shadows cast by little cupolas. These small rings, the color of dirt under fingernails were the remnants of coffee grounds, cod-liver oil, honey sherbet. Thin crescents on the smooth, shiny surface of the tray showed where glasses had just been removed. Without opening my eyes, I knew from the crystal tinkling of teaspoons against glasses that my mother had set down the tray for a moment and was moving toward the window, the picture of determination, to push the dark curtain aside. Then the room would come aglow in the dazzling light of the morning, and I would shut my eyes tightly as the spectrum alternated from yellow to blue to red. On her tray, with her jar of honey and her bottle of cod-liver oil, my mother carried to us the amber hues of sunny days, thick concentrates full of intoxicating aromas.“

 

 

Danilo Kiš (22 februari 1935 – 15 oktober 1989)

Lees meer...

22-02-11

Wayne C. Booth, Morley Callaghan, Jules Renard, James Russell Lowell, Edna St. Vincent Millay, Ottilie Wildermuth, Sean O'Faolain

 

De Amerikaanse letterkundige en literatuurwetenschapper Wayne Clayton Booth werd geboren op 22 februari 1921 in American Fork, Utah. Zie ook mijn blog van 22 februari 2010.

 

Uit: The Essential Wayne Booth

 

„Put even in its simplest terms, the problem Shakespeare gave himself in Macbeth was a tremendous one. Take a good man, a noble man, a man admired by all who know him-and destroy him, not only physically and emotionally, as the Greeks destroyed their heroes, but also morally and intellectually. As if this were not difficult enough as a dramatic hurdle, while you are transforming him into one of the most despicable mortals conceivable, maintain him as a tragic hero-that is, keep him so sympathetic that, when he comes to his death, the audience will pity rather than detest him; they must feel relieved to see him out of his misery rather than pleased to see him destroyed. Put in Shakespeare's own terms: take a "noble" man, full of "conscience" and "the milk of human kindness," and make of him a "dead butcher," yet keep him an object of pity rather than hatred.

If we thus artificially reconstruct the problem as it might have existed before the play was written, we see that, in choosing these "terminal points" and these terminal intentions, Shakespeare makes almost impossible demands on his dramatic skill, although at the same time he insures that, if he succeeds at all, he will succeed magnificently. If the trick can be turned, it will inevitably be a great one.

One need only consider the many relative failures in attempts at similar "plots" and effects to realize the difficulties involved. When dramatists or novelists attempt the sympathetic-degenerative plot, almost always one or another of the following failures or transformations occurs:

1. The feeling of abhorrence for the protagonist becomes so strong that all sympathy is lost, and the play or novel becomes "punitive"-that is, the reader's or spectator's chief pleasure depends on his satisfaction in revenge or punishment.

2. The protagonist is never really made very wicked, after all; he only seems wicked by conventional (and, by implication, unsound) standards and is really a highly admirable reform-candidate.

3. The protagonist reforms in the end and avoids his proper punishment.“

4. The book or play itself becomes a "wicked" work; that is, either deliberately or unconsciously the artist makes us side with his degenerated hero against "morality."

 

 

 

Wayne C. Booth (22 februari 1921 – 9 oktober 2005)

 

 

Lees meer...