04-03-16

Khaled Hosseini, Kristof Magnusson, Robert Kleindienst, Irina Ratushinskaya, Alan Sillitoe, Ryszard Kapuściński

 

De Afghaanse schrijver Khaled Hosseini werd geboren op 4 maart 1965 in Kabul. Zie ook alle tags voor Khaled Hosseini op dit blog.

Uit: De vliegeraar van Kabul (Vertaald door Miebeth van Horn)

“Op mijn twaalfde ben ik geworden wat ik nu ben, op een kille bewolkte dag in de winter van 1975.   Ik  herinner  me  nog  precies  het  moment,  weggekropen  achter  een afbrokkelende lemen muur, de steeg bij de bevroren beek in turend. Dat is lang geleden, maar ik heb geleerd dat het niet waar is wat ze over het verleden zeggen, dat je het kunt begraven. Als ik nu terugkijk, besef ik dat ik de afgelopen zesentwintig jaar die steeg in ben blijven gluren. Op een dag afgelopen zomer belde mijn vriend Rahim Khan me uit Pakistan. Hij vroeg of ik hem kwam opzoeken. Staand in de keuken, met de hoorn tegen mijn oor, wist ik dat het niet zomaar Rahim Khan was die ik aan de lijn had. Het was mijn verleden van onbestrafte zonden. Toen ik had opgehangen ging ik op pad om een wandeling te maken langs het Spreckelsmeer aan de noordkant van het Golden Gatepark. De vroege middagzon glinsterde op het water, waar miniatuurbootjes zeilden, voortgestuwd door een stevige bries. Toen keek ik omhoog en zag een paar vliegers, rood met een lange blauwe staart, hoog in de lucht. Ze dansten ver boven de bomen aan de westrand van het park, boven de molens, zij aan zij zwevend als een stel ogen die neerkeken op San Francisco, de stad die ik nu als mijn thuishaven beschouw. En plotseling fluisterde Hassans stem in mijn hoofd: Voor u doe ik alles. Hassan, de vliegeraar met de hazenlip.
Ik ging op een bank zitten bij een wilg. Ik dacht na over iets wat Rahim Khan vlak voor hij ophing had gezegd, alsof het hem net te binnen was geschoten. Er is een manier om het goed te maken. Ik keek omhoog naar die twee vliegers. Ik dacht aan Hassan. Aan Baba. Ali. Kabul. Ik dacht aan het leven dat ik geleid had tot de winter van 1975 was ingevallen en alles anders had gemaakt. En mij gemaakt had tot wat ik nu ben.”

 

 
Khaled Hosseini (Kabul, 4 maart 1965)

Lees meer...

04-03-15

Khaled Hosseini, Robert Kleindienst, Kristof Magnusson, Irina Ratushinskaya, Alan Sillitoe, Ryszard Kapuściński

 

De Afghaanse schrijver Khaled Hosseini werd geboren op 4 maart 1965 in Kabul. Zie ook alle tags voor Khaled Hosseini op dit blog.

Uit: En uit de bergen kwam de echo (Vertaald door W. Hansen)

“Ten slotte, toen de zon net over zijn hoogste punt heen was, bleef vader weer staan. Hij draaide zich in de richting van Abdullah, leek even na te denken en maakte toen een beweging met zijn hand.
‘Je geeft het toch niet op,’ zei hij.
Vanaf de kar gleed Pari’s hand snel in die van Abdullah. Ze keek naar hem met vochtige ogen, en met haar uiteenstaande tanden glimlachte ze alsof haar nooit iets slechts zou kunnen overkomen zolang hij aan haar zijde was. Hij sloot zijn vingers om haar hand zoals hij elke nacht deed als hij en zijn zusje in hun bed lagen, hun hoofden tegen elkaar, hun benen verstrengeld.
‘Je had eigenlijk thuis moeten blijven,’ zei vader. ‘Bij je moeder en Iqbal. Dat heb ik je gezegd.’
Abdullah dacht: het is jouw vrouw. Mijn moeder hebben we begraven. Maar hij wist die woorden in te slikken voor hij ze uitsprak.
‘Nou goed dan. Kom maar mee,’ zei vader. ‘Maar we gaan niet huilen. Begrepen?’
‘Ja.’
‘Ik waarschuw je. Dat zal ik niet dulden.’
Pari glimlachte breed naar Abdullah, hij keek naar haar bleke ogen en ronde roze wangen en glimlachte terug.
Vanaf dat ogenblik liep hij naast de kar die over de woestijngrond vol kuilen en gaten hotste, en hij hield Pari’s hand vast. Ze wisselden gelukkige steelse blikken, broer en zus, maar ze zeiden niet veel, uit angst vaders stemming te bederven en hun geluk te verspelen. Heel vaak waren ze alleen, zij met hun drieën, niemand in de verste verte te zien, alleen de roodkoperen bergketens en de grote zandstenen rotsen. De woestijn strekte zich voor hen uit, open en weids, alsof die voor hen was geschapen, alleen voor hen, de lucht roerloos en snikheet, de hemel hoog en blauw. Rotsblokken schitterden op de gebarsten grond. De enige geluiden die Abdullah hoorde waren zijn eigen ademhaling en het ritmisch gepiep van de wielen, terwijl vader de rode kar trok, in noordelijke richting.”

 

 
Khaled Hosseini (Kabul, 4 maart 1965)

Lees meer...

04-03-14

Khaled Hosseini, Robert Kleindienst, Kristof Magnusson, Irina Ratushinskaya, Alan Sillitoe, Ryszard Kapuściński

 

De Afghaanse schrijver Khaled Hosseini werd geboren op 4 maart 1965 in Kabul. Zie ook alle tags voor Khaled Hosseini op dit blog.

Uit: En uit de bergen kwam de echo (Vertaald door W. Hansen)

“Najaar 1952
Vader had Abdullah nooit eerder geslagen. Dus toen hij het wel deed, toen hij de zijkant van Abdullahs hoofd raakte, vlak boven het oor, hard en onverhoeds en met de vlakke hand, sprongen er tranen van verbazing in Abdullahs ogen.
Hij knipperde ze snel weg.
‘Naar huis,’ zei vader knarsetandend.
Abdullah hoorde boven zich Pari in snikken uitbarsten.
Toen sloeg vader hem opnieuw, harder, ditmaal op zijn linkerwang. Abdullahs hoofd kantelde opzij. Zijn gezicht schroeide, en er kwamen meer tranen. Zijn linkeroor suisde. Vader bukte zich zo ver voorover dat zijn donkere, gerimpelde gezicht de woestijn en de bergen en de lucht helemaal verduisterde.
‘Ik zei je dat je naar huis moest gaan, jongen,’ zei hij met een gepijnigde blik.
Abdullah gaf geen kik. Hij slikte luid en gluurde naar zijn vader, terwijl hij met zijn ogen knipperde achter de hand die de zon afschermde.
Vanaf de kleine, rode kar gilde Pari zijn naam, terwijl ze beefde van angst. ‘Abollah!’
Vader hield hem met een strenge blik op afstand en sjokte terug naar de kar. Op de bodem ervan strekte Pari haar handen uit naar Abdullah. Abdullah gaf hun een voorsprong.
Toen veegde hij zijn ogen af met de muis van zijn hand en volgde hen.
Even later gooide vader een steen naar hem, zoals kinderen in Shadbagh stenen gooiden naar Shuja, de hond van Pari – zij het dat de kinderen Shuja wilden raken om hem pijn te doen. De steen van vader kwam een meter van Abdullah op de grond terecht, machteloos. Hij wachtte, en toen vader en Pari zich weer in beweging zetten, ging Abdullah opnieuw achter hen aan.”

 

 
Khaled Hosseini (Kabul, 4 maart 1965)

Lees meer...

04-03-12

Ryszard Kapuściński, Léon-Paul Fargue, Kito Lorenc, Jacques Dupin, Thomas S. Stribling

 

De Poolse schrijver dichter en journalist Ryszard Kapuściński werd geboren in Pinsk, Polen (thans Wit-Rusland), op 4 maart 1932. Zie ook alle tags voor Ryszard Kapuściński op dit blog.

 

Uit: The Shadow of the Sun (Vertaald door Klara Glowczewska)

 

„It is the smell of a sweating body and drying fish, of spoiling meat and roasting cassava, of fresh flowers and putrid algae--in short, of everything that is at once pleasant and irritating, that attracts and repels, seduces and disgusts. This odor will reach us from nearby palm groves, will escape from the hot soil, will waft above stagnant city sewers. It will not leave us; it is integral to the tropics.
And finally, the most important discovery--the people. The locals. How they fit this landscape, this light, these smells. How they are as one with them. How man and environment are bound in an indissoluble, complementary, and harmonious whole. I am struck by how firmly each race is grounded in the terrain in which it lives, in its climate. We shape our landscape, and it, in turn, molds our physiognomy. Among these palm trees and vines, in this bush and jungle, the white man is a sort of outlandish and unseemly intruder. Pale, weak, his shirt drenched with sweat, his hair pasted down on his head, he is continually tormented by thirst, and feels impotent, melancholic. He is ever afraid: of mosquitoes, amoebas, scorpions, snakes--everything that moves fills him with fear, terror, panic.
With their strength, grace, and endurance, the indiginous move about naturally, freely, at a tempo determined by climate and tradition, somewhat languid, unhurried, knowing one can never achieve everything in life anyway, and besides, if one did, what would be left over for others?
I've been here for a week. I am trying to get to know Accra. It is like an overgrown small town that has reproduced itself many times over, crawled out of the bush, out of the jungle, and come to a halt at the shores of the Gulf of Guinea. Accra is flat, single-storied, humble, though there are some buildings with two or more floors. No sophisticated architecture, no excess or pomp. Ordinary plaster, pastel-colored walls--pale yellow, pale green. The walls have numerous water stains. Fresh ones. After the rainy season, entire constellations of stains appear, collages, mosaics, fantastical maps, flowery flourishes. The downtown is densely built-up. Traffic, crowds, bustle--life takes place out in the street.“

 

 

Ryszard Kapuściński (4 maart 1932 - 23 januari 2007)

Lees meer...

04-03-11

Ryszard Kapuściński, Léon-Paul Fargue, Kito Lorenc, Jacques Dupin, Thomas S. Stribling

 

De Poolse schrijver dichter en journalist Ryszard Kapuściński werd geboren in Pinsk, Polen (thans Wit-Rusland), op 4 maart 1932. Zie ook mijn blog van 4 maart 2009 en ook mijn blog van 4 maart 2010.

 

Uit: The Shadow of the Sun (Vertaald door Klara Glowczewska) 

 

„People of the North. Have we sufficiently considered the fact that northerners constitute a distinct minority on our planet? Canadians and Poles, Lithuanians and Scandinavians, some Americans and Germans, Russians and Scots, Laplanders and Eskimos, Evenkis and Yakuts--the list is not very long. It may amount to no more than 500 million people: less than 10 percent of the earth's population. The overwhelming majority live in hot climates, their days spent in the warmth of the sun. Mankind first came into being in the sun; the oldest traces of his existence have been found in warm climes. What was the weather like in the biblical paradise? It was eternally warm, hot even, so that Adam and Eve could go about naked and not feel chilled even in the shade of a tree.

Something else strikes the new arrival even as he descends the steps of the airplane: the smell of the tropics. Perhaps he's had intimations of it. It is the scent that permeated Mr. Kanzman's little shop, Colonial and Other Goods, on Perec Street in my hometown of Pinsk. Almonds, cloves, dates, and cocoa. Vanilla and laurel leaves, oranges and bananas, cardamom and saffron. And Drohobych. The interiors of Bruno Schulz's cinammon shops? Didn't their "dimly lit, dark, and solemn interiors" smell intensely of paints, lacquer, incense, the aroma of faraway countries and rare substances? Yet the actual smell of the tropics is somewhat different. We instantly recognize its weight, its sticky materiality. The smell makes us at once aware that we are at that point on earth where an exuberant and indefatigable nature labors, incessantly reproducing itself, spreading and blooming, even as it sickens, disintegrates, festers, and decays.“

 

 

 

Ryszard Kapuściński (4 maart 1932 - 23 januari 2007)

 

Lees meer...