16-08-17

Dolce far niente, Willen van Toorn, Charles Bukowski, Reiner Kunze, Moritz Rinke, Ferenc Juhász, Justus van Maurik

 

Dolce far niente

 

 
Mercatorplein, Amsterdam

 

Uit: De rivier

“Onze weg liep dood op een soort half plein, waaraan de enorme bakstenen katholieke kerk lag met zijn pastorie en zusterhuis, en daartegenover het broederhuis en een jongens- en meisjesschool, omsloten door hoge muren. De Hoofdweg, een brede weg met bomen die onze weg kruiste, eindigde zowel links als rechts in een plein. Rechts lag het Mercatorplein, links het Surinameplein. Het Mercatorplein was het mooiste plein van de wereld; het had twee vierkante, bakstenen torens met bogen eronder, in het midden een plantsoen met een opgewekt tramhuisje en winkels onder galerijen. Het veel grotere Surinameplein was maar half af; aan de ene kant had je dezelfde galerijen als op het Mercatorplein; ertegenover lag net zo'n tramhuisje middenin een open zandvlakte, onder een groepje populieren. Je vergat nooit dat je aan de rand van de stad woonde. Alle straten die parallel liepen aan onze weg eindigden op een kade van een brede vaart; daarachter lag 'de polder', een gebied van kwekerijtjes met kassen, verbonden door smalle looppaden. Je kon de polder alleen in over hoge, houten bruggetjes die 's nachts met een hek werden afgesloten. Het land van de kwekers lag meters lager dan de stad. Het mooist kon je de ontmoeting tussen stad en polder zien bij de overhaal achter de katholieke kerk; het was een enorme ijzeren installatie, die de roeibootjes waarin de kwekers hun groente naar de stad brachten uit de lage poldervaart tilde en knarsend neerliet in het kanaal dat naar de Centrale Markt leidde. De meeste kwekers waren katholiek, en ze gebruikten hun bootjes niet alleen om hun waren naar de markt te brengen maar, omdat er in de polder geen ander vervoer mogelijk was, ook om voor plechtigheden naar de kerk te gaan. Mijn broers en ik stonden aan de kade en keken hoe complete bruidsstoeten, of een bootje met een doodskist en volgboten vol familieleden in het zwart, of feestelijk geklede families met een huilende dopeling door het ijzeren toestel de stad in werden getild. De Centrale Markt kenden we vanwege de groentewinkel. Af en toe mochten we in de vakantie mee om te kijken. Vaak liepen we erheen, een wandeling van een halfuur door de nog slapende, donkere stad. Mijn vader en Henk waren dan allang op de fiets gegaan. Je kwam op de markt door een hek dat door twee politiemannen werd bewaakt. Wij zeiden dat we voor Hiemstra kwamen en dan mochten we doorlopen. Hiemstra was de man van wie mijn vader de winkel had overgenomen; veel grossiers dachten dat mijn vader een broer van die Hiemstra was en spraken hem zo aan.”

 


Willem van Toorn (Amsterdam, 4 november 1935)
Amsterdam, Postjesweg. Aan deze weg werd Willem van Toorn geboren.

Lees meer...

15-08-17

Dolce far niente, Nescio, Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter, Leonie Ossowski, Daan Zonderland, Jan Campert

 

Dolce far niente

 

 
Gezicht op het IJ voor Amsterdam, met de overkapping van het Centraal Station door Hobbe Smith, 1913.

 

Uit: Boven het dal

“We zaten in den avond op ’t terras van ’t Tolhuis en keken over ’t IJ naar de stad. De electrische lampen aan de spoorbaan brandden lila in de hoogte tegen een donkerblauwe lucht. ’t Weerlichtte wat boven de drie spitse torens van de kerk aan de Haarlemmerstraat, onder de kap van ’t Centraalstation hijgde een locomotief, de tram reed brommend over de De Ruyterkade, ’t water golfde verlaten koudblauw met nerveuze, korte en onnoozele golfjes, maakte een zwak geluidje tegen den steenen rand van ’t terras en riekte zwakjes naar dood water. Dicht bij lag, heel stil, het scheepje van visschers, de mast, zonder zeil, stak schraaltjes naar boven tegen de donkere stad, met de punt in een licht stuk licht. ‘k Zag dat ’t scheepje van voren hoog was en van achteren laag en vond ’t aardig, er zoo naar te kijken.
’t Was stillig, er waren weinig menschen. Er was wat geluid van glazen en kopjes, nu en dan, de stad aan den overkant ademde zwakjes en onschuldig en weerkaatste zijn lila engele lichten, die zigzagden in ’t IJ.”

 

 
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)
Reguliersbreestraat vanaf Rembrandtplein door Henk Alleman. Nescio werd geboren in de Reguliersbreestraat.

Lees meer...

14-08-17

Dolce far niente, Kees Fens, Wolf Wondratschek, Danielle Steel, Erwin Strittmatter, Sir Walter Scott, Thusnelda Küh

 

Dolce far niente

 

 
De Baarsjesweg in Amsterdam

 

 

Uit: Slatuinenweg (Column)

'Slatuinen' - het is al halflandelijk. Ik meen dat heel lang geleden de hele buurt eromheen de 'Slatuintjes' heette. Er moeten tuinders hebben gewoond; die werden bij de uitbreiding van Amsterdam naar het westen steeds verder weggeschoven. Het is minder dan een halve eeuw geleden dat niet ver voorbij het onlangs helemaal gerestaureerde Mercatorplein, waarvan de curieuze poortgebouwen verbeeld zijn in Hermans' novelle Dokter Klondyke, de tuinderijen begonnen. Een lappendeken van kleine veldjes, doorsneden met slootjes. En die wereld, die zich alleen soms op de schaats liet verkennen, liep door tot het dorp Sloten.Met kleine bootjes, roeiboten vaak, kwamen de tuinders over hun slootjes en de Kostverlorenvaart naar de Centrale Markt-hallen, een lange en zware tocht voor weinig winst. Voor mij was het een groot buitengebied waar het altijd koud was en alleen boerenkool, die er verstijfd bijstond, werd verbouwd. De kerk van Sloten had als patroon Sint Pancratius, en dat is een van de ijsheiligen. (Het dorp Sint-Pancras, in Noord-Holland, leek mij ook een heel koude plek).De Slatuinenweg loopt van de Admiraal de Ruyterweg naar de Baarsjesweg, die aan het water ligt. Rechts van de toegang lag het einde van een huizenblok. Op de begane grond van die hoek was een café-restaurant gevestigd, dat op mij als jongen een zeer wereldse en vooral ook dure indruk maakte. Aan de linkerzijde lag het geheimzinnigste gebouw uit mijn buurt. 'Dirk Schnabel' stond erop. Je zag er nooit iemand, maar uit alle ramen kwamen vreemde geuren, die mij zeer bekoorden: ik bleef er wel staan om te snuiven. Schnabel was, wist ik later, een clichéfabriek. Tussen die twee daalde je af in de Slatuinenweg (sommigen zeiden 'Slatuinenpad', maar ik hield die naam voor een piepklein steegje dat het straatje ook nog kende). Ik was nog nooit in een dorp geweest - Sloterdijk uitgezonderd - maar zo stelde ik mij een dorpsstraat voor. Je kon er recht doorheen kijken, en dat is zeer bekoorlijk. Links en rechts heel kleine huisjes, een benedenverdieping en een zolderachtige bovenverdieping. Er leken mij alleen maar achtergeblevenen te wonen, de laatste tuinders, zonder tuin.”

 

 
Kees Fens (18 oktober 1929 - 14 juni 2008)
De Chassékerk en de Chasséstraat in Amsterdam. Kees Fens groeide op in deze straat.

Lees meer...

13-08-17

Dolce far niente, Adriaan Roland Holst, antoine de kom, Atte Jongstra, Amélie Nothomb, Nikolaus Lenau, Tom Perrotta

 

Dolce far niente

 
Het voormalige huis van A. Roland Holst aan de Nesdijk in Bergen

 

Wereld en droom

Dwazen, die duur van aardsch geluk bedongen,
dat zingend op geen sterven zich bezint:
Waar het nu ritselt, daar werd eens bemind -
Waar nu de raaf krast werd eenmaal gezongen.

Wij bouwen tot het woord ons wordt ontwrongen:
De steden staan op graven in den wind -
En als vergeefschheid zich bevestigd vindt
moet nog de dood ons worden opgedrongen.

Maar wat dan van den droom? duizenden zwerven
voorbij de wegen naar de bronzen poorten
van gindschen steilen, nooit ontsloten tempel -

Maar daar ook waait de wind en heerscht het sterven,
en harten, eenmaal ruischend van geboorten,
ritselen schuw daar over duistren drempel.

 

 
Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976)
Interieur van het huis van A. Roland Holst aan de Nesdijk in Bergen

Lees meer...

12-08-17

Dolce far niente, Justus van Maurik, Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Marcellus Emants, Naoki Higashida

 

Dolce far niente

 

 
Amsterdam, Gemeentearchief vanaf de Weesperzijde

 

Uit: Amsterdam bij dag en nacht

“Evenals 't licht zich 't allereerst aan den uitersten rand van den gezichteinder vertoont, zóó ontwaakt ook ‘het leven’, de bedrijvigheid het eerst aan den zoom der stad.'t Is nog donker op den Sloter- en Amstelveenschen weg en de Weesper- en Utrechtsche zijden dommelen in grauw en nevelig duister. Op Y en Amstel glinstert 't maanlicht nog over 't ijs of spiegelt in de wakken, maar van alle kanten komen reeds ‘de boeren’ naar Amsterdam; zij brengen voedsel naar de slapende stad; voor hen is 't reeds dag en werktijd.
Ziet! daar naderen ze van Sloten, uit de polders, van Ouwerkerk en van Amstelveen. Met wagens en karren komen ze aangereden, - de groenteboeren het eerst; zij brengen kool, wortelen, rapen en meer andere wintergroenten voor de groenmarkt en lokken de negotianten uit het warme bed, naar de Prinsengracht. Dáár komen de kinderen Israëls hun te gemoet; zij hebben den naam van ‘vroeg op te staan’ - maar ze doen 't ook in werkelijkheid. Als er wat te verdienen is zijn zij, met loffelijken ijver, bij de hand, vóór anderen; zij duwen hun handkar voort en - moeder de vrouw zit er in! Waarom zou ze niet rijden? 't Kost niets meer en straks zal ze nog genoeg moeten loopen, als ze haar groenten gaat uitventen, want ‘moeder’ loopt even hard met de savooie kool of rapen, als ‘vader’ met Hoornsche wortelen en uien.
Na de groenten, de melk.
De melkboeren komen iets later naar stad, maar toch zijn ze van vijf uur af al op weg, omdat tusschen vijf en zes uur de ‘tollen’ open zijn. Achter en naast elkander rijden ze voort tot aan het ‘Stuivertje,’ op den hoek van de Vondel- en Stadhouderskade; dáár wordt 's morgens vroeg en ook tegen den avond, de melkmarkt gehouden. Alles en iedereen is daar druk in de weer; vóór de klok zes uur heeft geslagen wordt in ‘het Stuivertje’ reeds geloofd en geboden, gebitterd en gegeten, gekibbeld en weer vrede gemaakt.
De opkoopers wachten in die herberg de boeren af en voorzien zich van de noodige hoeveelheid melk die zij, op hunne beurt weer, aan de ‘slijters’ over doen. Veel buiten-boeren gaan zelf met hun wagens de stad in en enkelen onder hen bedienen zelfs particulieren, die liever niet van de Amsterdamsche melk-inrichtingen koopen, omdat ‘hun boer’ geen duinwater in zijn melk doet. - Gelukkig dat de kikkersloten niet klappen!”

 

 
Justus van Maurik (16 augustus 1846 - 18 november 1904)
Amsterdam, Overtoom. Vanaf de Stadhouderskade tot ongeveer bij de Anna Vondelstraat werd de Overtoom tot oktober 1901 de Vondelkade genoemd. Justus van Maurik werd geboren in Amsterdam.

Lees meer...

11-08-17

Dolce far niente, Remco Campert, Hugh MacDiarmid, Ernst Stadler, Yoshikawa Eiji, Fernando Arrabal, Andre Dubus

 

Dolce far niente

 

 
Het Weteringcircuit in Amsterdam

 

Uit: De zwerftocht van Remco Campert (Ons Amsterdam, redactie Jojanneke Claassen en Jochem Brouwer)

“De AJP- puddingfabriek in de Huidekoperstraat, een van die twee straatjes langs Alhambra en uitkomend op de Nicolaas Witsenkade, lag tegenover ons huis op nummer 23. Als ik op mijn twaalfde, denk ik, tussen de middag uit school kwam, zaten de meisjes uit de fabriek altijd op onze stoep te zonnen. Van die brutale meiden met witte mutsjes en witte jassen. En daar moest ik dan tussendoor stappen. Voor de hoek was ik al bang en kwam ik de hoek om, dan zag ik… ja hoor. Mijn moeder had een engagement in Amsterdam en in verband daarmee verliet ik Den Haag, waar ik op 28 juli 1929 ben geboren. We woonden boven een oude paardenstal, die als fietsenstalling werd gebruikt en waar de NSB eenmaal per week liederen kwam zingen, maar het was een fijn buurtje. Schaatsen op de Nicolaas Witsenkade – daar heb ik nog een gedicht over gemaakt; dat ik samen met mijn vriendje een briefje van ƒ 25 op het ijs vind. En dan had je de resten van het Paleis van Volksvlijt op het Frederiksplein, waar de prachtige galerij nog van over was.
Ik heb even op het Frederiksplein op school gezeten, maar dat was echt heel kort. Daarna kwam het Amsterdams Lyceum op het Valeriusplein. Over de Weteringschans liep ik naar lijn 16 op het Weteringcircuit, die me keurig voor school afzette – áls ik instapte. Ik spijbelde nogal. Dan liep ik over de Weteringschans, twijfelend of ik wel of niet. Vaak sloeg ik resoluut rechtsaf, richting binnenstad.
Vooral de laatste maanden ging ik nauwelijks meer. Ik vond die school verschrikkelijk, helemaal toen ze me een klas terugzetten. Ik had er goeie vrienden, zoals Rudy Kousbroek, met wie ik in het Lyceum Café (op de hoek Okeghemstraat, het is nu een restaurant) rondhing. Niet voor pils of zo, want daar waren we nog niet aan toe. Voor de schoolkrant Halo, waar we aan meewerkten. Maar dat hele onderwijs… ik heb het examen niet eens gedaan. Ik heb me op school nooit op mijn gemak gevoeld”

 

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)
Remco Campert met zijn moeder in het Haagse Bos

Lees meer...

10-08-17

Kees van Kooten, Alfred Döblin, Moses Isegawa, Mark Doty, Jerzy Pilch, Elvis Peeters, Michail Zostsjenko, Piet Bakker, René Crevel

 

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: Leve het welwezen

“De volgende dag vertrok onze familie, want in Nederland gingen de scholen alweer bijna beginnen. Mijn vrouw en ik zouden nog een dag of tien hier blijven. Daar blijven, bedoel ik. Ik zwom iedere dag mijn vaste kwartiertje, maar begon al na een paar schoolslagen van die rare zware armen en schouders te krijgen. Dus gestopt met zwemmen, maar de borstpijn bleef zeuren. En nog iets nieuws: lopend van het huis naar de schuur en weer terug moest ik regelmatig halt houden om op adem te komen. Thuis natuurlijk niks zeggen. Sterke aandrang om een paar maal per dag in het geniep te gaan liggen slapen. Dit nog niet eerder meegemaakt.
Ik belde onze huisarts in Amsterdam en vroeg of hij op maandag 25 augustus even vijf minuten naar mij zou willen luisteren. Afgesproken. Tien uur ’s ochtends. Wij vingen onze terugtocht aan op de vrijdagmiddag hieraan voorafgaand.
Het autorijden viel mee: in zittende positie had ik nauwelijks pijn. En we reden om beurten. Twee keer overnacht. Maar toen ik ’s avonds voor het hotel onze twee weekendtassen uit de auto tilde moest ik ze onderweg naar de kamer vier à vijf keer neerzetten.
Zondagavond rond middernacht weer thuis in Amsterdam. Tot een uur of drie als een bezetene gegraven in de opgehoopte kubieke meter post, kranten en bladen. Ik lag tien nummers van het Amerikaanse weekblad The New Yorker achter. Ik ben (was) abonnee sinds 1972. Hier kom ik nog op terug.
Tegen drieën naar bed. Wekker op zeven uur gezet, want ik wilde mijn twee kleinkinderen verrassen. Na deze nerveuze hazenslaap schoot ik haastig dezelfde kleren aan die ik vier uur terug had uitgetrokken, zette ondersteboven een gekke zonnebril op, trok de loze shoebag uit mijn reistas als een kaboutermuts over mijn hoofd en stak met een literpot Franse pindakaas, waar broer (10) en zus (6) zo gek op zijn, de nog slapende straat over. Zij wonen namelijk, handig, tweehonderdvijftig meter bij ons vandaan.
Gedurende dit kippeneindje moest ik vijf keer stoppen en al mijn kracht en adem bij elkaar schrapen om verder te kunnen lopen.
Maar ik hield de omgekeerde bril en de kaboutermuts dapper op, ondanks de verbaasd gapende passagiers van de passerende tramlijn 16, en tikte ten slotte met de pot pindakaas op het raam van de benedenwoning.”

 

 
Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)
Cover

Lees meer...

09-08-17

Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer, Linn Ullmann, P. L. Travers, Pierre Klossowski, Daniel Keyes, Leonid Andreyev

 

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

De monniken van Sénanque

Zij stierven er snel en stil
en zonder overtollige reutel spoedden zij zich heen
van sterfplaats naar sterfplaats,
jaren ouder van jaren verlangen.

Als zonderlinge geliefden woonden zij in het landschap,
aan alle wensen der weelde ontwend,
zachtmoedig als wat niet meer wordt gevreesd.
Zij kenden geen verhuizen meer.

En wij, gekomen uit de oorden
van het roekeloos woekerend woord,
wisten tussen stof en steen en stilte
de ampere galm van hun stappen nog bewaard,

en zwegen, als voorgoed ontheemd,
in de leerzaamheid van zeldzame minnaars.
En van jaren verlangen
werden wij jaren en jaren ouder.

 

 

Album

Een klas met veel te hoge ramen.
De aarde hangt er zomaar aan de wand.
En tweeëndertig stijve meisjesrompen
zijn rij aan rij, in melkwit licht,
aan banken vastgeklonken.

De toekomst in hun ogen moet voorbij.
Men geeuwt er al verleden uit.
Maar één van hen, de mooiste, jij,
nog niet verlegen met haar leven,
is met de aarde iets van plan.

Ik wil haar schooljaar overdoen:
haar smoezen, fratsen, onvoldoendes,
haar appelflauwtes om een niets,
de droesem in een oude droom.
Wat onder ede werd verzwegen,
daar luistert nu geen mens meer naar.

 

 

Pronkstuk

's Nachts mompelen juwelen in hun slaap.
Zij fonkelen tot in hun dromen,
proberen zo vermaard te glanzen
als de tranen van een dame.

Dat komt, zij zijn soms zeer alleen,
gekluisterd in hun kist van nacht.
Zij willen jubelen in zilver,
in goud, briljant of diamant,

maar pralen slechts met wat zij missen:
een hals, een pols, een simpele pink.
O, ziek van heimwee naar knap vlees.
De nacht is lang. Wordt het ooit dag?

 

 
Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

Lees meer...

08-08-17

Jostein Gaarder, Klaus Ebner, Birgit Vanderbeke, Gernot Wolfram, Hieronymus van Alphen, André Demedts, Sara Teasdale, Donald Davidson, Lotte Lentes

 

De Noorse schrijver Jostein Gaarder werd geboren op 8 augustus 1952 in Oslo. Zie ook alle tags voor Jostein Gaarder op dit blog.

Uit: Ein treuer Freund (Vertaald door Gabriele Haefs)

„Gotland, Mai 2013
Liebe Agnes, erinnerst du dich: Ich hatte versprochen, dir zu schreiben. Jedenfalls wollte ich es versuchen.
Ich sitze hier auf einer Insel in der Ostsee, und auf einem kleinen Schreibtisch vor mir steht mein Laptop. In einer Zigarrenkiste daneben befindet sich alles, was ich an Gedächtnisstützen brauche.
Mein Hotelzimmer besitzt einen Boden aus Kieferndielen, und ich brauche neun Schritte, um es zu durchqueren, was ich mehrmals getan habe, bis ich wusste, wie ich meinen Bericht beginnen soll. Mitten im Raum steht eine Sitzgruppe aus zwei roten Sesseln, einem roten Sofa und einem Teakholztisch, und ich musste jedes Mal durch einen der zwei schmalen Korridore zwischen Tischkante und Polstermöbel hindurch.
Ich habe ein Eckzimmer und kann in zwei Richtungen aus dem Fenster schauen. Vom einen Fenster, dem nach Norden, sehe ich von oben auf die typische gepflasterte Straße einer alten Hansestadt, aus dem anderen, das nach Westen geht, blicke ich über Almedalen und weit hinaus aufs Meer. Es ist warm, und ich habe beide Fenster geöffnet.
Ich stand eine halbe Stunde am Fenster und beobachtete die Menschen, die unter mir durch die Straße gingen, die meisten in Röcken oder kurzen Hosen und lockeren, kurzärmeligen Blusen oder Hemden. Pfingsttouristen. Viele von ihnen sind paarweise unterwegs, oft Hand in Hand, manche auch in großen, lärmenden Gruppen.
Es ist ein Märchen, dass Jugendliche meh Krach machen als Leute meines Alters. Treten sie im Rudel auf und haben womöglich noch getrunken, können Menschen in mittleren Jahren ebenso laut sein wie Teenager. Man könnte auch sagen, ebenso menschlich.
Seht mich an! Hört mir zu! Amüsieren wir uns nicht königlich?
Wir wachsen aus unserer menschlichen Natur nicht heraus.
Wir wachsen mit ihr mit. Und wir wachsen in sie hinein.“

 

 
Jostein Gaarder (Oslo, 8 augustus 1952)
Cover

Lees meer...

07-08-17

John Birmingham, Cees Buddingh’, Diana Ozon, Vladimir Sorokin, Michael Roes, Joachim Ringelnatz, Garrison Keillor, Dieter Schlesak, Othon III de Grandson

 

De Australische schrijver John Birmingham werd geboren op 7 augustus 1964 in Liverpool, Engeland. Zie ook mijn blog van 7 augustus 2010 en eveneens alle tags voor John Birmingham op dit blog.

Uit: Weapons of Choice

“He unwrapped the banana leaves from around a small rice cake, thanking Allah for the generosity of his masters. They had included a little dried fish in his rations for today, a rare treat.
Sometimes, when the sun climbed directly overhead and beat down with a slow fury, Adil's thoughts wandered. He cursed his weakness and begged God for the strength to carry out his duty, but it was hard. He had fallen asleep more than once. Nothing ever seemed to happen. There was plenty of movement down in Dili, which was infested with crusader forces from all over the Christian world, but Dili wasn't his concern. His sole responsibility was to watch those ships that were hiding in the shimmering haze on the far horizon.
Still, Adil mused, it would be nice to know he had some real purpose here; that he had not been staked out like a goat on the side of a hill. Perhaps he was to be part of some elaborate strike on the Christians in town. Perhaps tonight the darkness would be torn asunder by holy fire as some martyr blew up one of their filthy taverns. But then, why leave him here on the side of this stupid hill, covered in monkey shit and tormented by ants?
This wasn't how he had imagined jihad would be when he had graduated from the Madrasa in Bandung.
USS Kandahar, 1014 Hours, 15 January 2021
The marines wouldn't have been surprised at all to discover that someone like Adil was watching over them. In fact, they assumed there were more than two hundred million pairs of eyes turned their way as they prepared to deploy into the Indonesian Archipelago.
Nobody called it the Caliphate. Officially the United States still recognized it as the sovereign territory of Indonesia, seventeen thousand islands stretching from Banda Aceh, three hundred kilometers off the coast of Thailand, down to Timor, just north of Australia.
The sea-lanes passing through those islands carried a third of the world's maritime trade, and officially they remained open to all traffic. The Indonesian government-in-exile said so-from the safety of the Grand Hyatt in Geneva where they had fled, three weeks earlier, after losing control of Jakarta. »

 

 
John Birmingham (Liverpool, 7 augustus 1964)

Lees meer...

06-08-17

Dolce far niente, Jason O. Gilbert, Alfred Tennyson

 

My Computer Ate My Homework 3, Dolce far niente

 

 
Computer Graphic Painting, 2001, door Alexander Peverett

 

 

The Internet from A to Z

A is for Actually,
And that mansplaining tone;
B is the Block button —
They can mansplain alone.

C is for Clickbait
And things you won’t believe in;
D is for the dogs
And the cats who can’t even.

E is for your emails
Stacked 8,000 tall.
F is for “Fuck it!
I’m deleting them all!”

G is for Gamergaters,
May they fall off a cliff;
H is for Hard G
(That’s the sound that starts “GIF.”)

I is for IRL,
And a nice, real-life chat;
J is for JK,
Because who wants to do that?

K is for killing it,
Which all startups do.
L is for losing money
(They do a lot of that, too).

M is for monocles
Tiaras, and deviled eggs.
N is for Normcore:
Now THAT’S a fake trend with legs.

O is for #OBAMA,
And #BENGHAZI, and #MICHAELMOORE,
P is for pointing out
What the Caps Lock is for.

Q is for quitting
Your time-wasting apps.
R is for your inevitable
And shame-filled Relapse.

S is for Snapchat
And the unpleasant dick pics,
T is for Tinder
And when you unpleasantly pick dicks.

U is for Uber,
And its attempts to make nice;
V is for Vox
(CORRECTION: It’s for Vice).

W is for Wow,
Or Whoa, or WTF,
(It’s what you say about a longread
You haven’t read yet.)

X is for XD,
And ¯_(ツ)_/¯, and all good emoji,
Y is for Yo
As in “Please never Yo me.”

Z is for zero,
The fucks you should give
When facing your critics:
”I was feeling my look! Can I live?!?!”

That was the Internet
From A until Z.
And if you disagree
Well, that’s fine with me:
Just lay off the Caps Lock,
And hit me with your best block,

And for my sake,
And your sake,

Let’s let each other be.

 

 
Jason O. Gilbert
Gilberts profielfoto op Twitter

 

Het werk van de humoristische schrijver Jason O. Gilbert verscheen in The New York Times, McSweeney's, Slate, GQ, Esquire, Above Average, Paste etc.. Hij heeft ook gewerkt als journalist voor The Huffington Post en als badmeester voor veel zwembaden in Georgië. Hij woont in Brooklyn.

 

 

De Engelse dichter Alfred, Lord Tennyson werd geboren op 6 augustus 1809 in Somersby, Lincolnshire, England. Zie ook mijn blog van 6 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Alfred Tennyson op dit blog.

 

A Farewell

Flow down, cold rivulet, to the sea,
Thy tribute wave deliver:
No more by thee my steps shall be,
For ever and for ever.

Flow, softly flow, by lawn and lea,
A rivulet then a river:
Nowhere by thee my steps shall be
For ever and for ever.

But here will sigh thine alder tree
And here thine aspen shiver;
And here by thee will hum the bee,
For ever and for ever.

A thousand suns will stream on thee,
A thousand moons will quiver;
But not by thee my steps shall be,
For ever and for ever.

 

 

In The Garden At Swainston

Nightingales warbled without,
Within was weeping for thee:
Shadows of three dead men
Walk'd in the walks with me:
Shadows of three dead men, and thou wast one of the three.

Nightingales sang in the woods:
The Master was far away:
Nightingales warbled and sang
Of a passion that lasts but a day;
Still in the house in his coffin the Prince of courtesy lay.

Two dead men have I known
In courtesy like to thee:
Two dead men have I loved
With a love that ever will be:
Three dead men have I loved, and thou art last of the three.

 

 

Requiescat

Fair is her cottage in its place,
Where yon broad water sweetly slowly glides.
It sees itself from thatch to base
Dream in the sliding tides.

And fairer she, but ah how soon to die!
Her quiet dream of life this hour may cease.
Her peaceful being slowly passes by
To some more perfect peace.

 

 
Alfred Tennyson (6 augustus 1809 – 6 oktober 1892) 
Cover

 

Zie voor de schrijvers van de 6e augustus ook mijn blog van 6 augustus 2015 en ook mijn blog van 6 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

05-08-17

Dolce far niente,Tom Lanoye, Cees van der Pluijm, Pier Paolo Pasolini, Martin Piekar

 

Dolce far niente – Canal Parade

 

 
Canal Parade in een voorgaand jaar, Amsterdam

 

 

In the mood

Daarnet, twee uur in de nacht alweer,
floepte de TV aan en daar stond ik,
in Madison Square Garden, tien jaar
jonger en goochelend als geeneen.

Door een onzichtbare massa opgezweept,
cirkelzaagde ik mijn assistente rats
in twee, de wekker die ik stuksloeg
werd niet heel en de konijnen vluchtten
naar de concurrentie. Het werd ze allemaal
teveel.

'Kop op, ouwe jongen!' Mijn hoofd
schoot door het scherm. 'Zo zie je maar:
tien jaar geleden ging je ook al naar
de kloten. Encore, mijn beste, het kan er
alleen maar op verbeteren. Encore!'

Showmuziek werd ingezet, warm applaus, en
goedgebouwde vrienden die ik lang vergeten was,
dansten en swingden on the floor, als gek.

'Welcome back, crazy Jack.
Welcome back.'

 

 
Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)
Dansers in Beyond @ Fire, Londen, 2017

 

 

L'EXODE

Il était un rêve de mille resplendissants garçons
Sur des chevaux blancs qui de nuit cavalaient
Recouverts de la soie la plus légère

Ils tenaient toute la vie entre leurs mains
Faisaient tourner la terre à chaque galop
Et où ils passaient, l'obscurité restait à jamais

Leur beauté ne pouvait être exorcisée
Que par le rituel magique d'un poème:
Il était un rêve de mille resplendissants garçons

Mais nul ne parvinrent à sortir ces mots
Car un simple regard, vous statufie sur place

Vertaald door Benjamin De Glimme

 

 
Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)
Daniel Radcliffe in Equus, 2007

 

 

Uit: Seven Poems for Ninetto

6/
When you have been in pain for so long
and for so many months it has been the same, you resist it,
but it remains a reality in which you are caught.
It is a reality that wants only to see me dead.
And yet I do not die. I am like someone who is nauseous
and does not vomit, who does not surrender
despite the pressure of Authority. Yet, Sir,
I, like the entire world, agree with you.
It is better that we are kept at a far distance.
Instead of dying I will write to you.
In this way, I preserve intact my critique
of your hypocritical way of life,
which has been my sole joy in the world.

 

 
Pier Paolo Pasolini (5 maart 1922 – 2 november 1975)
Ninetto Davoli in Decamerone, 1971

 

 

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

Hauptbahnhof
              Frankfurt am Main

I
Meine Perspektiven enden dort
Die Mutter meiner Bahnhöfe
Was hier keimte, kam immer zurück
Zu oder mit mir (immer hat
Eine blinde Quote, aber eine Quote)
A million faces, each a million lies
Schrieb ich im ICE, dann kommen
Die Brücken, die Boote, ich glaube
Sie fahren immer im Kreis – nicht
Im geometrischen – Ich schwöre
Bei all meinen Fetischen: Frankfurt
Spiegelt sich nicht im Main
Der Fluss spiegelt sicht hier in der Stadt
Hier
Dort
Wartet immer eine Frau – nein
Nicht mehr Mutter – eine Frau,
Die meinen Kopf
Zu halten
Versteht.

 

 
Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 5e augustus ook mijn blog van 5 augustus 2016 deel 1 en deel 2.

04-08-17

Hendrik Marsman, Rutger Kopland, Rudi van Dantzig, Percy Bysshe Shelley, Liao Yiwu, Pierre Jarawan

 

Dolce far niente

 


De Prinsengracht, Amsterdam door Hermann Heinrichs, z.j.

 

Amsterdam

De maan verft een gevaar over de gracht.
ik schuifel elke nacht na middernacht,
in een verloren echolozen stap,
ruggelings schuivend langs de hemelschuinte,
de treden der verlaten wenteltrap
van de ontstelde ruimte—

 

 
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)
Het Rond in Zeist. Hendrik Marsman werd geboren in Zeist.

Lees meer...

03-08-17

Jan Campert, Rupert Brooke, Radek Knapp, P. D. James, Marica Bodrozic, Mirko Wenig

 

Dolce far niente

 

 
Amstel Hotel en Hoge Sluis, Amsterdam door Titus Meeuws, 2012

 

 

Het lied van Amsterdam

Verlaat ’t Centraal en zie de stad,
die zich voor de stad ontvouwt
gelijk een waaier, baan naast baan,
van parelgrijs en goud.
Het parelgrijs der morgenlucht,
die over de Amstel stijgt,
het goud van zon en herfstseizoen,
dat al ten einde neigt.

Welk oord gij ook om haar verliet,
zij komt u tegemoet
met kaden, Damrak en de bBeurs
en schepen onder ’t roet,
met torens rank breed en sterk van steen
en rank van makelij
en, als ge goede oren hebt,
met roepen over ’t Y.

Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd
met vensters waar al ’t licht door stroomt,
dat van den Amstel slaat,
wanneer de winter ’t water stremt
en ’t volk te schaatsen gaat.

Wie ’s avonds voor die vensters staat
hij ziet den warmen gloed,
die boven Leidsche en Rembrandtplein
de wolken walmen doet doet;
hij ziet, wanneer hij oogen heeft,
de onbewogen wacht
van Heerengracht en Keizersgracht
bij ’t ingaan van de nacht.

Die, trouwloos van aard als ik,
eens Amsterdam verried,
hij vindt geen rust aleer zijn schuld
gedelgd is met een lied
en waar hij zwerft en wat hij zoekt
vindt hij ter wereld niet,
voordat hij weer de duiven rond
den Westertoren ziet.

En niet aleer zijn voetstap weer
de oude stad hervindt,
de Wallen, ’t Kolkje, de Zeedijk,
of voordat hij de wind
bij Schreierstoren heeft gevoeld
te waaien door zijn haar,
niet eer houdt Amsterdam voor hem
haar liefste vreugde klaar.

Want die het diepste wordt bemind
zij toeft in Amsterdam,
zoo brandt, in edel goud gevat,
‘t juweel gelijk een vlam,
en waar het hart slaat van mijn land
slaat ook haar franke hart
rood is haar mond, o Amsterdam,
en zie haar haren zwart.

Nu dit beeld mij niet meer verlaat,
bij dag niet noch bij nacht
weet ik dat ieder sterveling
wel eens wordt thuisgebracht.
Hij neemt zijn staf, hij schoeit den voet
en keert vanwaar hij kwam;
hij delgt zijn schuld en dicht een lied
voor haar en Amsterdam.

 

 
Jan Campert (15 augustus 1902 - 12 januari 1943)
Spijkenisse, Korenmolen Nooit Gedacht. Jan Campert werd geboren in Spijkenisse.

Lees meer...

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende