20-03-17

David Malouf, Friedrich Hölderlin, Katharina Hartwell, Ralph Giordano, Ricus van de Coevering, Jens Petersen, Benoît Duteurtre, Gerard Malanga, Henrik Johan Ibsen

 

De Australische schrijver David Malouf werd geboren op 20 maart 1934 in Brisbane. Zie alle tags voor David Malouf op dit blog.

 

From a Plague Year

A sign first in the sky, then other tokens,
but plainer, on the flesh. June’s thirty suns
flared and we were tinder. Flies appeared
and bubbled in pools, their green gaze multiplied
the dead. But we, the elected, all that term
kept house, kept shop, kept silence, knowing no harm
would come to us. We paid our taxes, served
on juries, saw men punished or reprieved
from death under the law. God’s eye
was on us. Like a red-hot cautery
it pricked and burned. Who keep His just commandments
shall live. No terror can afflict the saints.

But still each week the numbers swell, the needle
glows. In a devil’s covenant, through all
the colours of the rainbow, pale flesh bruises
black, then stinks and softens. We stop our noses,
the death-cloud blooms. We find its dark seeds scattered
like sunshine, everywhere.
And so we board
our houses up, burn pitch, read in the Book
and choke. By day no footfall, no wheel’s creak
in the cobbled square. At night the town’s aswarm
with cries, a fearful traffic. Dung-carts climb
to where, in moonlit fields, whole families meet
at the real it’s edge, new nameless suburbs greet
new citizens; they seethe like privy holes.

Some say the plague’s a rat, soft-bellied squeals
in the rushes underfoot, a red-eyed fever
that glares. Or blame the Jews. Or claim the air
itself turns poisonous; where warm breath clouds
a glass invisible armies spawn, one word’s
enough to quell a city. It is death
we suck on now. The plague in our mouth.

No help!
Gender of spiders on the tongue
that preaches, curses, pleads, God’s judgment wrung
in black sweat from our limbs. Are we in Bedlam
or is it Hell that rocks us with its flame?
The sickness in this month is grown so general
no man can judge. It comes to this: we kill
our neighbours with the very prayers we sigh
to Heaven. O my Lord, spare me, spare me.

 

 
David Malouf (Brisbane, 20 maart 1934)

Lees meer...

20-03-16

Ricus van de Coevering, Ovidius, Christoph Ransmayr, Henrik Ibsen, Alicia Kozameh

 

De Nederlandse schrijver Ricus van de Coevering werd op 20 maart 1974 in Asten geboren. Zie ook alle tags voor Ricus van de Coevering op dit blog.

Uit: Noordgeest

"Het schip helde naar bakboord, voelde Willem, en iets dat onder zijn bed lag, schoof over de vloer; zijn agenda misschien, die hij al dagen kwijt was.
Zijn rug was klam van het zweet, voelde hij toen hij  geschrokken  overeind  kwam.  Hij  vroeg zich af waarom het schip zo overhelde. In de decennia dat hij op zee geweest was, had hij dit nog nooit meegemaakt. Toen hij het alarm in de gang hoorde  huilen,  voelde  hij  de  sensatie  van  angst  en opwinding weer, die hij ook gevoeld had toen hij ’s avonds naar het dreigende kielzog getuurd had en overwogen had om te springen. Een ramp, schoot door zijn hoofd – een prachtige ramp zal me bevrijden.
[...]

Er klonk schreeuwen op de gangen. Hij schreeuwde terug en reikte naar de klink, maar kon er niet bij, omdat zijn rechterknie tussen de stalen spijlen van zijn  nest  klemde.  Hij  trok  aan  zijn  been, steeds harder, totdat er een felle pijn door zijn knie sneed, alsof iemand er een mes in stak. Alles begon te trillen en te schudden. De containers beginnen te schuiven, schoot door zijn hoofd. Maar dan was er geen houden meer aan. Toen hoorde hij lucht door de gangen suizen en glas uiteenspatten en ging zelfs het noodlicht uit.
Al  snel  kwam  het  koude  water, van zijn tenen naar zijn enkels en hoger. Dit was het dan, dacht hij, dit is het einde – en hij werd overrompeld door herinneringen. De keuzes die zijn brein met hinkstapsprongen door de tijd heen scheen te maken, verraste hem. Hoe een Dakota laag over de kerktoren scheerde en de mensen uit de buurt van blijdschap de straten op renden en elkaar in de armen vlogen. Zijn joodse buurmeisje dat hij jaren niet gezien had, was ook naar buiten gekomen. Ze lachte naar hem met een bleek en mager gezicht. Hoe hij de kades afspeurde op zoek naar moois voor zijn museumpje thuis. Hoe zijn vader een krijsende big slachtte. Het hulpeloos trappelen van het beest. De dompige lokalen van de scheepvaartschool, zijn eerste vaart over het kanaal naar de sluizen.”

 

 
Ricus van de Coevering (Asten, 20 maart, 1974)

Lees meer...

20-03-11

Ricus van de Coevering, Christoph Ransmayr, Henrik Ibsen, Henning Heske, Peter Berling

 

De Nederlandse schrijver Ricus van de Coevering werd op 20 maart 1974 in Asten geboren. Zie ook mijn blog van 20 maart 2010.

 

Uit: Sneeuweieren 

 

„Nadat Olga de muziekstandaard opzij had gezet en de voordeur voor het eerst sinds weken had geopend – een tochtvlaag gleed de hal in, vellen bladmuziek waaiden over de tegels –, liep ze over het grindpaadje tussen de stokrozen door naar de weg.

‘David?’ riep ze. ‘Daaa-vid!’

Het meer in de verte weerspiegelde de grijze wolken. Vroeger, als schoolmeisje, ging ze er wel met de klas schaatsen. Op een keer bleef ze met een paar vriendinnen achter. Toen het begon te schemeren, kon ze rond het meer blauwachtige schimmen zien rondwaren. Ze wist wel dat het fosfor was, maar toch vond ze het akelig. Ze moest denken aan het lijk dat eens in een turfgat was gevonden. Uit onderzoek bleek dat de man veertienhonderd jaar in het zuurstofarme veen bewaard was gebleven. Er was een artikel over hem in de krant verschenen. Hij was een zendeling uit het zuiden geweest met een kruisje aan een ketting rond zijn hals. Op zijn reis had hij wat zinken pannen meegenomen om onderweg te verkopen en ondertussen te vertellen over Gods paradijs. De primitieve, zelfvoorzienende boeren in deze streek hadden hem vermoedelijk niet geloofd. Ze hadden hier hun eigen goden, heksen en demonen. Misschien moesten ze eerst om hem lachen, maar werden ze bang toen hij volhield. Hadden ze hem ’s nachts het moeras in gejaagd? Olga kon zich voorstellen hoe het gerinkel van zijn pannen in de duisternis moest zijn weggestorven. Tweehonderd jaar later verschenen de eerste houten kerktorens in de dorpjes.

Inmiddels lag de zendeling in een glazen kistje in het museumpje van Ampel opgebaard. Olga was eens met David gaan kijken. David had gefascineerd naar het lijk van de man gestaard, waarvan de huid verschrompeld en gedroogd was als de afgeworpen huid van een slang. David zei dat hij niet begreep waarom de man zijn geloof was blijven verdedigen. Waarom had hij niet gezegd dat God niet bestond? En dat het verhaal over de hemel een grap was? Dan had hij de volgende ochtend naar een dorp verderop kunnen lopen om te zien of ze hem daar wél geloofden.“

 

 

 

Ricus van de Coevering (Asten, 20 maart, 1974)

 

Lees meer...

20-03-10

Ricus van de Coevering, Christoph Ransmayr, Henrik Ibsen, Henning Heske, Peter Berling


De Nederlandse schrijver Ricus van de Coevering werd op 20 maart 1974 in Asten geboren. Hij bezocht er met veel plezier de lagere school maar werd enkele jaren later van de middelbare school verwijderd omdat hij tegendraadse antwoorden gaf. Uiteindelijk behaalde hij zijn diploma aan het Peelland College in Deurne. Zijn ervaringen op de middelbare school motiveerden hem om de lerarenopleiding te volgen – zoals jongeren die van het ene ziekenhuis naar het andere worden doorverwezen vaak arts willen worden. Hij koos voor de studierichting economie en ging studeren aan de hogeschool van Arnhem en Nijmegen en aan de University of Brighton. Tijdens zijn verblijf in Engeland begon hij brieven te schrijven aan zijn vriendin. Deze brieven kregen al snel een magisch-realistisch karakter. Hij werkte ze uit tot verhalen die kort na zijn afstuderen werden gepubliceerd in literaire tijdschriften en bloemlezingen, onder andere bij uitgeverij Prometheus. In de avonduren gaf hij economieles. Zijn eerste roman, Sneeuweieren, verscheen in het najaar van 2007.

 

Uit: Sneeuweieren

 

"Hij rustte even uit, steunde met zijn ellebogen op tafel en staarde naar de verjaardagskalender aan de muur waarop de foto van een zwangere vrouw te zien was. Ze droeg een gele trui, tot boven haar bolle buik opgestroopt.
Olga had de kalender gekocht toen ze zwanger was. Omdat ze de foto's na de doodgeboorte te confronterend vond, had Harm hem in de schuur opgehangen.[...] Het was inmiddels vijftien jaar geleden. Harm vermoedde dat Olga er zelden nog maar aan dacht. Sinds David er was, hadden ze er niet meer over gesproken."

(...)

 

"Alles wat Harm leuk vond, scheen David koud te laten. Vanmorgen had hij David voor de zoveelste keer proberen te interesseren voor het bedrijf. Ze hadden samen in de ren de eieren geraapt die niet op de band waren gerold. [...]
'Hoe zou de wereld er in de toekomst uitzien, David? Hoe zou het leven hier zijn? Alles wordt steeds efficiënter. Ik zou 's avonds geen rugpijn en geen hoofdpijn hebben, ik zou me niet druk hoeven te maken over de leg...'
'Misschien vergaat de wereld.' zei David en slenterde de schuur uit."

 

Ricus van de Coevering

Ricus van de Coevering (Asten, 20 maart, 1974)

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Christoph Ransmayr werd geboren op 20 maart 1954 in Wels. Zie ook  mijn blog van 20 maart 2007 en ook mijn blog van 20 maart 2008 en ook mijn blog van 20 maart 2009.

 

Uit: Der Weg nach Surabay

 

„Es war ein dünner, panischer Gesang. Wenn das Gebirge leiser wurde, schwächer die Windstöße über den Geröllhalden und Felsabstürzen und eine emporrauchende Nebelwand auch das Getöse der Großbaustelle Limberg zu einem fernen Dröhnen dämpfte, dann hörte man diesen Gesang. Es war das Todesgeschrei der Ratten. Naß, zerzaust, in schwarzen Scharen waren die Ratten aus den Ruinen des Arbeiterlagers am Wasserfallboden gekrochen, aus den ins Gestein gesprengten Latrinen, Abfallgruben und Stollen, und hatten sich vor der Flut zu retten versucht. Wochenlang, heißt es, hielten sie einen Felskegel besetzt, eine täglich kleiner werdende Insel, und pfiffen und schrien ihr Entsetzen gegen das schon unerreichbare Ufer, kletterten immer höher, kämpften um jeden Halt ihrer verschwindenden Zuflucht, fielen schließlich übereinander her. Langsam und trübe stieg die Flut ihnen nach. Das Gletscherwasser füllte alle Gruben und Hohlräume aus, drängte in jede Falte des Hochtales, hob liegengebliebenes Bauholz, Balken, Gerüstteile auf und schloß sich über allem, was sich nicht heben ließ. Der Spiegel des Limbergstausees, hoch über Kaprun und sechzehnhundert Meter über dem Meer, stieg ruhig, träge, stieg, überspülte schließlich die Zuflucht der Ratten und wusch den Stein leer.

Gewiß, dieser Untergang ist nur ein marginales Bild aus der Baugeschichte der drei großen Staumauern von Kaprun, eine Beiläufigkeit aus der Zeit des ersten Anstaus zu Limberg 1949 und 1950, und ist nichts gegen die Tragödien und Triumphe, die man in den Jahren der Errichtung der weit in die Hohen Tauern verstreuten Anlagen des Speicherkraftwerkes Glockner-Kaprun beklagt und gefeiert hat. Dennoch fehlt die Erinnerung an den Untergang der Ratten in kaum einem Bericht und keiner Zeugenaussage derer, die damals an den Mauern geplant und gelitten haben. Einmal hämisch ausgeschmückt und dann wieder als karge, apokalyptische Parabel erschien dieser Untergang immer wieder in der Überlieferung.“

 

 

 

ChristophRansmayr
Christoph Ransmayr
(Wels, 20 maart 1954)

 

 

 

 

De Noorse toneelschrijver en dichter Henrik Johan Ibsen werd geboren op 20 maart 1828. Zie ook  mijn blog van 20 maart 2007 en ook mijn blog van 20 maart 2008 en ook mijn blog van 20 maart 2009.

 

 

Lied des Dichters

(Uit de »Komedie der Liefde«)

 

Freunde, die ihr diesen Garten

Jubelnd und entzückt durchstreift,

Wollet nicht vom Herbst erwarten,

Daß er jede Knospe reift!

Weiße Blüten, lichte Blätter

Breiten über euch ihr Zelt, –

Mag sie morgen Schlossenwetter

Fegen bis ans End' der Welt!

 

Müßt ihr schon nach Früchten fragen

Im noch kaum erblühten Hag?

Sorgend, seufzend überschlagen,

Was sein Herbst euch bringen mag?

Müssen Vogelklappern schrecken

Tag und Nacht die muntre Brut?

Finkenschlag in Baum und Hecken,

Brüder, gibt doch bessern Mut!

 

Müßt das Völklein nicht verfemen

Aus der süßen, grünen Pracht!

Mag es seinen Lohn sich nehmen,

Ob es euch auch ärmer macht.

Nehmt den Tausch an! Seid nicht bänglich;

Denn für Frucht wird euch Gesang!

Denkt dran: »Alles ist vergänglich«;

Lenz und Liebe währt nicht lang!

 

Leben will ich, will genießen,

Bis der letzte Strauch verdorrt;

Wenig soll's mein Herz verdrießen,

Fegt ihr all den Staat dann fort.

Tor auf! Schaffe sich die Herde

Dann noch einen satten Tag!

Brach nur ich die Blüten, werde

Mit dem toten Rest, was mag!

 

 

 

 

 

Ibsen_sculpture_Nationaltheatret
Henrik Johan Ibsen (20 maart 1828 – 23 mei 1906)

Beeld van Stephan Sinding bij het Nationale Theater in Oslo

 

 

 

 

De Duitse dichter en essayist Henning Heske werd geboren op 20 maart 1960 in Düsseldorf. . Zie ook  mijn blog van 20 maart 2007 en ook mijn blog van 20 maart 2008 en ook mijn blog van 20 maart 2009.

 

 

LANDMARKE I

 

Die Pyramide des Ruhrgebiets ist dreiseitig
und hohl. Nachts leuchtet sie
als Lichtskulptur. Die beiden Grabkammern:
Aussichtsplattformen zwischen Stahlrohren.
Ein extraterrestrischer Tetraeder über 90 Meter
Heimaterde, dem Monte Schlacko. Der Horizont,
ein Panorama des Strukturwandels:
stillgelegte Hochöfen und ehemalige Zechen,
Gartenstadtsiedlungen und Technologieparks.
Geschichte auf Halde oder
die Halde als (historisches) Ereignis?

 

 

 

 

Heske
Henning Heske (Düsseldorf,  20 maart 1960)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, filmproducent en acteur Peter Berling werd geboren op 20 maart 1934 in Meseritz-Obrawalde. Zie ook mijn blog van 20 maart 2009.

 

Uit: Ritter zum Heiligen Grab

 

»Ich nehme die Wette an!«, sprach er laut und vernehmlich. »Ihr dürft mich fesseln, wie es Euch beliebt!« Der Ziride tat so, als würde er Bert el-Caz erst jetzt entdecken, und befahl ihn herrisch zu sich. »Es geht mir nicht um Geld!« Er haute seinen prallgefüllten Beutel vor Astair auf das Tischlein, auf dem dessen Arbeitsutensilien lagen. »Wenn ich gewinne, gehört er Euch, lieber Meister!« Astairs Pupillen verengten sich nur kurz zu einem frohlockenden Schlitz, Yussuf hatte es bemerkt. »Wenn ich

jedoch schneller frei bin als Eure Prinzessin, dann – gehört sie mir!«

In die atemlose Stille hinein sagte Elgaine: »Wunderbar!« Ihre Augen blitzten Yussuf an. Astair zögerte nicht lang.

»Und jetzt werde ich den berühmten Yussuf den Ziriden an den Pfahl der Bewährung fesseln!«, verkündete Astair, gefolgt von einer einladenden Geste zu dem selbstsicheren Sklavenhändler hin. Das Publikum johlte, als Astair begann, den Strick um den mächtigen Mann zu schlingen. Astair verknotete das Tau mit geübten Griffen, vor allem die Hände schnürte er mit größter Sorgfalt. »Und nun zu Euch, Prinzessin!«, rief er laut Elgaine zu, die schon brav an den ihr zugedachten Pfosten getreten war.

»Halt! Nicht Ihr!«, knurrte Yussuf. »Das übernimmt gefälligst ein Mann meines Vertrauens!« Er wies mit dem Kinn auf Bert el-Caz. Der folgte gehorsam, nahm den Strick in Empfang und fesselte Elgaine nach allen Regeln der Kunst. Er wieselte geschäftig um den Pfahl, zerrte und zog sichtbar für alle, vor allem für seinen Herrn und Meister, an dem Strick, während er ihr zuzischte: »Wir warten drüben in der Taverne ›Zum letzten Anker‹!« Dann trat er vor den gefesselten Ziriden.“

 

 

 

Berling
Peter Berling (Meseritz-Obrawalde, 20 maart 1934)