10-08-17

Kees van Kooten, Alfred Döblin, Moses Isegawa, Mark Doty, Jerzy Pilch, Elvis Peeters, Michail Zostsjenko, Piet Bakker, René Crevel

 

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: Leve het welwezen

“De volgende dag vertrok onze familie, want in Nederland gingen de scholen alweer bijna beginnen. Mijn vrouw en ik zouden nog een dag of tien hier blijven. Daar blijven, bedoel ik. Ik zwom iedere dag mijn vaste kwartiertje, maar begon al na een paar schoolslagen van die rare zware armen en schouders te krijgen. Dus gestopt met zwemmen, maar de borstpijn bleef zeuren. En nog iets nieuws: lopend van het huis naar de schuur en weer terug moest ik regelmatig halt houden om op adem te komen. Thuis natuurlijk niks zeggen. Sterke aandrang om een paar maal per dag in het geniep te gaan liggen slapen. Dit nog niet eerder meegemaakt.
Ik belde onze huisarts in Amsterdam en vroeg of hij op maandag 25 augustus even vijf minuten naar mij zou willen luisteren. Afgesproken. Tien uur ’s ochtends. Wij vingen onze terugtocht aan op de vrijdagmiddag hieraan voorafgaand.
Het autorijden viel mee: in zittende positie had ik nauwelijks pijn. En we reden om beurten. Twee keer overnacht. Maar toen ik ’s avonds voor het hotel onze twee weekendtassen uit de auto tilde moest ik ze onderweg naar de kamer vier à vijf keer neerzetten.
Zondagavond rond middernacht weer thuis in Amsterdam. Tot een uur of drie als een bezetene gegraven in de opgehoopte kubieke meter post, kranten en bladen. Ik lag tien nummers van het Amerikaanse weekblad The New Yorker achter. Ik ben (was) abonnee sinds 1972. Hier kom ik nog op terug.
Tegen drieën naar bed. Wekker op zeven uur gezet, want ik wilde mijn twee kleinkinderen verrassen. Na deze nerveuze hazenslaap schoot ik haastig dezelfde kleren aan die ik vier uur terug had uitgetrokken, zette ondersteboven een gekke zonnebril op, trok de loze shoebag uit mijn reistas als een kaboutermuts over mijn hoofd en stak met een literpot Franse pindakaas, waar broer (10) en zus (6) zo gek op zijn, de nog slapende straat over. Zij wonen namelijk, handig, tweehonderdvijftig meter bij ons vandaan.
Gedurende dit kippeneindje moest ik vijf keer stoppen en al mijn kracht en adem bij elkaar schrapen om verder te kunnen lopen.
Maar ik hield de omgekeerde bril en de kaboutermuts dapper op, ondanks de verbaasd gapende passagiers van de passerende tramlijn 16, en tikte ten slotte met de pot pindakaas op het raam van de benedenwoning.”

 

 
Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)
Cover

Lees meer...

10-08-14

Piet Bakker, Michail Zosjtsjenko, Philipp Nicolai, Joseph Bialot

 

De Nederlandse journalist en schrijver Piet Bakker werd geboren in Rotterdam op 10 augustus 1897. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2007 en ook alle tags voor Piet Bakker op dit blog.

Uit: Ciske de Rat

‘De volgende dag gaf ik Aardrijkskunde en wij kregen het natuurlijk over de sluizen en pieren van IJmuiden. Wij schoolmeesters moeten de kinderen nou eenmaal altijd wat leren. Een soort aanwensel. Stel je voor, dat de jongens en meisjes alleen maar gingen pootjebaaien en ranja met een rietje drinken en hun kousen en schoenen vol zand halen. En dat ze eens niets leerden. Ik weet uit ervaring, dat er op zo'n dag zelf niets van terecht komt. Dan kun je kletsen over sluizen en vuurtorens en vissershavens wat je wil, maar je kunt het voor hetzelfde geld in het Sanskriet zeggen. Ze hebben alleen maar aandacht voor zure balletjes, hun natte onderbroek en voor een ijsco, die met zijn belletje de leergierigheid belaagt. Om mijn schoolmeestersgeweten niet in opstand te brengen heb ik de theorie maar vooruit gegeven en zelfs nu vielen er douwen, omdat ze er de kop niet bij hadden. Ik kan mij dat eigenlijk zo goed voorstellen. De gewone lessen aanvaarden de kinderen, zoals ze mazelen en natte voeten krijgen. 't Hoort er nou eenmaal bij, al weet je niet waar dat allemaal goed voor is. Maar om de lol door het leren te bederven, dat vinden ze in wezen ongepast. Pret moet pret blijven en je gaat niet naar IJmuiden om nou eens precies te weten hoe een pier in elkaar zit’.

 

 
Piet Bakker (10 augustus 1897 - 1 april 1960)
Scene uit de film met Danny de Munk, 1984

Lees meer...

10-08-11

Robin Pilcher, Jorge Amado, René Crevel, Blanca Varela, Barbara Erskine, Michail Zosjtsjenko, Philipp Nicolai, Joseph Bialot, Piet Bakker

 

De Britse schrijver Robin Pilcher werd geboren op 10 augustus 1950 in Dundee. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2009 en ook mijn blog van 10 augustus 2010

 

Uit: The Long Way Home

 

Alloa, Scotland‚December 1988

As she left the driveway and ran down the narrow lane leading to the farm, the silence of that cold winter morning was absolute, save for the crunch of breaking ice as her Doc Martens stamped through the puddles that ran ribbon-like along the rutted track. Tears glistened on her rosy cheeks, but the broad smile on her face showed that they were due to the frigid air nipping at her brown eyes rather than from any feeling of unhappiness. In fact, Claire Barclay could not have been happier. The cold that penetrated her padded jacket and bit at her ears through the woolly hat she wore pulled over her short hennaed hair was counteracted by a tingling warmth flooding from deep within.

Because Claire Barclay was most definitely in love.

Actually, she had been in love with Jonas Fairweather, expert motor mechanic and budding champion rally driver, ever since she had first come to Scotland at the age of eleven, but even though she had spent nearly every day of the next seven years in his company, she had never told him. And he had never said anything to her. They had never even kissed.

So the question that had arisen on so many occasions in Claire's mind was when to broach this subject, and take their friendship from its present stage into one of deep and everlasting affection.

Today was the day, the time was right. She had finished with school and now had nine months to spend with Jonas before she went on to university at St. Andrews. And it was Christmas, the season of glad tidings. The previous evening, they had been together in the workshop, and they had talked and laughed while he worked on his car until well after eleven o'clock. When she left, his farewell had not been the usual muffled goodbye called out from the depths of the car engine. He had walked with her to the door and stood close, spinning a spanner in his hand, catching her eye and smiling at her. She had sensed then that something was going to happen, but he had just slipped the spanner into the pocket of his coveralls, pushed the door open and said, "See you tomorrow then."

 

 

 

Robin Pilcher (Dundee, 10 augustus 1950)

 

Lees meer...

10-08-10

Kees van Kooten, Alfred Döblin, Moses Isegawa, Mark Doty, Jerzy Pilch, Robin Pilcher, Jorge Amado, René Crevel, Piet Bakker, Blanca Varela, Barbara Erskine

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 10e augustus mijn blog bij seniorennet.be

  

Kees van Kooten, Alfred Döblin, Moses Isegawa, Mark Doty, Jerzy Pilch

 

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 10e augustus ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Robin Pilcher, Jorge Amado, René Crevel, Piet Bakker, Blanca Varela, Barbara Erskine

 

 

10-08-09

Robin Pilcher, Jorge Amado, René Crevel, Blanca Varela, Barbara Erskine, Piet Bakker


De Britse schrijver Robin Pilcher werd geboren op 10 augustus 1950 in Dundee. Hij is een zoon van de bestsellerauteur Rosamunde Pilcher. Pilcher werkte o.a. als camaraman en farmer voordat hij in 1999 debuteerde met An Ocean apart. Ondertussen is zijn werk in meerdere talen vertaald.

 

Uit: Wie ein Stern am Horizont (Starbust, vertaald door Regina Schneider)

 

„Das mit dem Konfetti war ein echtes Phänomen. Die Hoch­zeit war nun zwei Wochen her, aber noch immer tauchten die kleinen, bunten Flocken überall in der Wohnung auf. Mal erschienen sie in geballten Massen unter dem nagelneuen Kingsize-Bett, mal wehten sie zu kleinen Haufen hinter dem Fernseher im Wohnzimmer zusammen; dann wieder schweb­te eine einzelne Flocke sanft auf einer Wärmewelle um den Toaster in der Küche herum. Und auch wenn Tess sich genötigt sah, jeden Tag durch sämtliche Zimmer zu saugen, hat­ten die bunten Schnipsel sie anfangs mit einem Gefühl der Wonne erfüllt, denn mit ihnen kehrten die Erinnerungen an den schönsten Tag ihres Lebens wieder. Doch nun, als sie das Polohemd vom obersten Schrankregal nahm und ein neuer Konfettiregen auf die blank polierten Bodendielen des Schlaf­zimmers rieselte – wie Schnee, der endlos vor sich hin taute –, war sie es langsam leid.
Tess hatte den leisen Verdacht, dass Allan dahintersteckte. Sie malte sich aus, wie er auf Zehenspitzen durch die Woh­nung schlich und die bunten Papierblütenschnipsel wie Lie­besstaub verstreute, um den Zauber ihres Hochzeitstages lebendig zu erhalten. Doch als sie ihn tags zuvor darauf an­gesprochen hatte – er stand gerade splitterfasernackt vor dem Ganzkörperspiegel im Badezimmer und rasierte sich –, war sie fast ein wenig enttäuscht, dass er es nicht gewesen sein wollte.“

 

 

 

 

Pilcher
Robin Pilcher (Dundee, 10 augustus 1950)

 

 

 

 

De Braziliaanse schrijver Jorge Amado de Faria werd op 10 augustus 1912 geboren in Ferradas, in de gemeente Itabuna. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2007 en ook mijn blog van 10 augustus 2008.

 

Uit: Gabriela, Clove and Cinnamon

 

„The Languor of OFENÍSIA

(whose importance must not be judged by the brevity of her appearance)

"In this year of headlong progress . . ." (FROM AN ILHÉUS NEWSPAPER OF 1925)

OF THE SUN AND THE RAIN AND A SMALL MIRACLE

IN THAT YEAR of 1925, when the idyll of the mulatto girl Gabriela and Nacib the Arab began, the rains continued long beyond the proper and necessary season. Whenever two planters met in the street, they would ask each other, with fear in their eyes and voices:

"How long can this keep up?"

Never had they seen so much rain. It fell day and night, almost without pause.

"One more week and we may lose everything."

"The entire crop . . ."

"God help us!"

The crop gave promise of being the biggest in history. With cacao prices constantly rising, this would mean greater wealth, prosperity, abundance. It would mean the most expensive schools in the big cities for the colonels' sons, homes in the town's new residential sections, luxurious furniture from Rio, grand pianos for the parlors, more and better-stocked stores, a business boom, liquor flowing in the cabarets, more women arriving in the ships, lots of gambling in the bars and hotels--in short, progress, more of the civilization everyone was talking about.

But this unending downpour might ruin everything. And to think that only a few months earlier the colonels were anxiously scanning the sky for clouds, hoping and praying for rain. All through southern Bahia the cacao trees had been shedding their flower, replacing it with the newly born fruit.Without rain this fruit would have soon perished.

The procession on St. George's Day had taken on the aspect of a desperate mass appeal to the town's patron saint. The gold-embroidered litter bearing the image of the saint was carried on the shoulders of the town's most important citizens, the owners of the largest plantations, dressed in the red gowns of the lay brotherhood. This was significant, for the cacao colonels ordinarily avoided religious functions. Attendance at Mass or confession they considered a sign of moral weakness. Church-going, they maintained, was for women“.

 

 

 

 

JorgeAmado
Jorge Amado
(10 augustus 1912 – 6 augustus 2001)

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver René Crevel werd geboren op 10 augustus 1900 in Parijs. Hij groeide op in een kleinbrgerlijke familie. Zijn vader pleegde zelfmoord toen hij veertien was. Crevel rebelleerde zijn hele leven tegen de bourgeoisie. Van 1918 tot 1922 studeerde hij literatuurwetenschappen aan de Sorbonne. Daar kwam hij in contact met dadaisten als Louis Aragon en André Breton. Vanaf 1925 begon hij te lijden aan tbc. In 1926 maakte hij kennis met Klaus Mann. Hij zette zich in voor het surrealisme, vanaf 1927 engageerde hij zich ook voor het marxisme. In 1935 pleegde hij zelfmoord.

 

Uit: Mon corps et moi

 

« D'un suicide auquel il me fut donné d'assister, et dont l'auteur-acteur était l'être, alors, le plus cher et le plus secourable à mon cœur (son père), de ce suicide qui – pour ma formation et ma déformation – fit plus que tout essai postérieur d'amour ou de haine, dès la fin de mon enfance j'ai senti que l'homme qui facilite sa mort est l'instrument d'une force majuscule (appelez-la Dieu ou Nature) qui, nous ayant mis au sein des médiocrités terrestres, emporte dans sa trajectoire, plus loin que ce globe d'attente, les seuls courageux.

La vérité. Dès qu'un homme, dans une assemblée, parle de Dieu ou ce qui revient au même de la Vérité, avec un V majuscule et absolu, ses voisins de rire. Mais, interrogez chacun de ses voisins et ils vous avoueront leur effroi devant de tels mots. C'est que les uns ont renoncé (sans parvenir à n'y plus penser) aux problèmes essentiels –, c'est que les autres ont essayé d'un arrangement provisoire (mettons humain) qui ne saurait les satisfaire. Je pense à cette phrase qu'un homme anxieux écrivit, réponse à des remarques désespérées : "Il y a beaucoup de grandeur dans un peu de vérité."

Beaucoup de grandeur dans un peu de vérité ?

Pourquoi ? Si j'ai rêvé d'une solitude telle que je ne serais pas tenté, le soir venu, de chercher le contact illusoire d'une chaleur humaine c'est bien que ce « un peu de vérité », au cours de toutes mes tentatives quotidiennes, ne m'a jamais contenté. C'est lui au contraire qui a permis au mensonge (le mien et celui des autres) de tenir debout, car si la vérité n'est susceptible d'aucun alliage et, par conséquent, apparaît étrangère à un monde où tout est fusion, le mensonge ne saurait être conçu à l'état pur, je veux dire sans ce "un peu de vérité" dont se contente notre aimable faiblesse. Ainsi, je ne vois point la possibilité d'un mensonge absolu non plus que d'une vérité relative. »

 

 

 

 

 

Crevel
René Crevel (10 augustus 1900 – 18 juni 1935)

 

 

 

 

De Peruaanse dichteres Blanca Leonor Varela Gonzáles werd geboren in Lima op 10 augustus 1926. Varela studeerde aan de "Nationale Universiteit van San Marcos" waar zij andere toekomstige schrijvers zou ontmoeten, zoaals Sebastián Salazar Bondy, Javier Sologuren, Jorge Eduardo Eielson en haar latere echtgenoot, de beeldhouwer Fernando de Szyszlo. In 1949 ging zij naar Parijs. Daar leerde zij Octavio Paz kennen, die een sleutelfiguur in haar leven zou worden. Hij introduceerde de jonge Varela bij de kunstenaars en intellectuelen aldaar, zoals André Breton, Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Henri Michaux, Alberto Giacometti en Fernand Léger en met Latijns-Amerikaanse schrijvers die toen in Frankrijk woonden als Carlos Martínez Rivas. Paz was het ook die haar overtuigde om haar gedichten te publiceren en een voorwoord schreef bij haar eerste bundel Ese puerto existe (1959). In 1962 keerde zij terug naar Lima en reisde nadien nog regelmatig naar de Verenigde Staten, Spanje en Frankrijk.

Varela kreeg de Medalla de Honor van het Nationaal Instituut voor de Peruviaanse Cultuur, de Premio Octavio Paz de Poesía y Ensayo, de Premio Internacional de Poesía Ciudad de Granada Federico García Lorca (2006, eerste vrouw ooit) en de Premio Reina Sofía de Poesía Iberoamericana (2007).

Haar werk werd vertaald in het Engels, Duits, Italiaans, Portugees, Russisch en Tsjechisch. Zij overleed op 12 maart van dit jaar.

 

 

 

Family Secret

 

I dreamed of a dog

a skinned dog

its body sang its red body whistled

I asked the other one

the one who turns out the light the butcher

what has happened

why are we in the dark

 

this is a dream you are alone

there is no one else

light does not exist

you are the dog you are the flower which barks

sharpen your tongue sweetly

your sweet black four-legged tongue

 

dreams scorch the skin of man

human skin burns disappears

only the mutt's red pulp is clean

the true light dwells in the crust of its eyes

you are the dog

you are the skinned mongrel every night

dream of yourself and let that be enough

 

 

 

I Go Bodiless

 

I go bodiless from the sun to the shady

water music of living shadow

through the narrowing vagina

which guides me from blindness to light

 

under the high echoing dome

in this colossal semblance of a nest

I touch the sea belly with my belly

I inspect my body meticulously

poke at my feelings

I am alive

 

 

 

 

 

blanca_varela
Blanca Varela (10 augustus 1926 - 12 maart 2009)

 

 

 

 

 

De Britse schrijfster Barbara Erskine (eig. Barbara Hope-Lewis) werd geboren op 19 augustus 1944 in Nottingham. Zij studeerde middeleeuwse geschiedenis en schreef talrijke romans die al in twintig talen zijn vertaald. Veel van haar boeken werden bestsellers. Zij schrijft vaak een mix van hedendaagse en historische romans.

 

Uit: House of Echoes

 

“Pulling into the long broad main street in Aldeburgh she sat still for a moment peering through the windscreen at the shops and houses. It was an attractive place, bright, neat and at the moment very quiet. Clutching her piece of paper she climbed out of the car and approached a man who was standing staring into the window of an antique shop. At his feet a Jack Russell terrier strained at the leash anxious to get to the beach. He glanced at her piece of paper. ‘Crag Path? Through there. Overlooking the sea.’ He smiled. ‘A friend of Edgar Gower’s are you? Delightful man. Delightful.’ Unexpectedly he gave a shout of laughter as he strode away.”

 

 

 

 

erskine
Barbara Erskine (Nottingham, 10 augustus 1944)

 

 

 

 

De Nederlandse journalist en schrijver Piet Bakker werd geboren in Rotterdam op 10 augustus 1897. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2007.

 

Uit: Jeugd in de Pijp

 

,Een figuur, waarvoor ik nooit een verklaring heb kunnen vinden, was de schandaalcolporteur. Die verscheen met het nijdasserige gezicht van den aarts-roddelaar plotseling in de straat en riep: “Koopt en leest het schandaal, dat zich heden heeft afgespeeld tusschen een welbekend heer uit de Van Ostadestraat en zijn dienstmaagd!” Hij droeg een pakje pamfletten onder den arm en keek de omstanders aan met oogen van: “Ik weet m’n weetje”. En die omstanders keken terug met ernstige gelaten, waarop te lezen viel: “Ja man, hou er van op, dr is zoo wat gemeenigheid in de wereld,” maar ze dachten er niet aan om zoo’n papiertje te koopen.

Een straat verder galmde de colporteur, dat de menschen het schandaal moesten koopen en lezen van een welbekend heer uit de Rustenburgerstraat, hetgeen journalistiek verantwoord was, want de menschen interesseeren zich nu eenmaal het meest voor schandalen, die zich in hun onmiddellijke nabijheid zouden hebben afgespeeld. Wat er in zoo’n pamflet stond, ben ik nooit te weten gekomen. Was het stiekeme chantage? Ik weet het niet. Maar als om de paar maanden die sombere grafstem door de Van Ostade klonk, was ik altijd diep doordrongen van de zondigheid der menschen.’’

 

 

 

 

Bakker
Piet Bakker (10 augustus 1897 - 1 april 1960)

 

10-08-08

Moses Isegawa, Alfred Döblin, Kees van Kooten, Jorge Amado, Piet Bakker


De Oegandese schrijver Moses Isegawa (pseudoniem van Sey Wava) werd geboren op 10 augustus 1963 in Kawempe in Oeganda.

Hij werkte daar als leraar op een middelbare school. In 1990 kwam hij op uitnodiging van een redacteur naar Nederland en vestigde zich in Beverwijk. Isegawa leert Nederlands en haalt een diploma boekhouden. Zijn debuutroman 'Abessijnse kronieken' werd een groot succes en in negen landen uitgebracht. Na zijn naturalisatie tot Nederlander, keerde hij in 2006 terug naar Oeganda. Opvallend is dat hij zijn boeken in het Engels schrijft, waarna er een Nederlandse vertaling van gemaakt wordt.

 

Uit: Abyssinian Chronicles

 

1971: Village Days
Three final images flashed across Serenity's mind as he disappeared into the jaws of the colossal crocodile: a rotting buffalo with rivers of maggots and armies of flies emanating from its cavities; the aunt of his missing wife, who was also his longtime lover; and the mysterious woman who had cured his childhood obsession with tall women. The few survivors of my father's childhood years remembered that up until the age of seven, he would run up to every tall woman he saw passing by and, in a gentle voice trembling with unspeakable expectation, say, "Welcome home, Ma. You were gone so long I was afraid you would never return." Taken by surprise, the woman would smile, pat him on the head, and watch him wring his hands before letting him know that he had once again made a mistake. The women in his father's homestead, assisted by some of the villagers, tried to frighten him into quitting by saying that one day he would run into a ghost disguised as a tall woman, which would take him away and hide him in a very deep hole in the ground. They could have tried milking water from a stone with better results. Serenity, a wooden expression on his face, just carried on running up to tall women and getting disappointed by them.
Until one hot afternoon in 1940 when he ran up to a woman who neither smiled nor patted him on the head; without even looking at him, she took him by the shoulders and pushed him away. This mysterious curer of his obsession won herself an eternal place in his heart. He never ran up to tall women again, and he would not talk about it, not even when Grandma, his only paternal aunt, promised to buy him sweets. He coiled into his inner cocoon, from whose depths he rejected all efforts at consolation. A smooth, self-contained indifference descended on his face so totally that he won himself the name Serenity, shortened to "Sere."
Serenity's mother, the woman who in his mind had metamorphosed into all those strange tall women, had abandoned him when he was three, ostensibly to go to the distant shops beyond Mpande Hill where big purchases were made. She never returned. She also left behind two girls, both older than Serenity, who adjusted to her absence with great equanimity and could not bear his obsession with tall women.
In an ideal situation, Serenity should have come first--everyone wanted a son for the up-and-coming subcounty chief Grandpa was at the time--but girls kept arriving, two dying soon after birth in circumstances reeking of maternal desperation. By the time Serenity was born, his mother had decided to leave. Everyone expected her to have another son as a backup, for an only son was a candle in a storm. The pressure reached a new peak when it became known that she was pregnant again. Speculation was rife: Would it be a boy or a girl, would it live or die, was it Grandpa's or did it belong to the man she was deeply in love with? Before anybody could find out the truth, she left. But her luck did not hold--three months into her new life, her uterus burst, and she bled to death on the way to the hospital, her life emptying into the backseat of a rotten Morris Minor.
As time passed, Serenity crawled deeper into his cocoon, avoiding his aunts, his cousins, and his mother's replacements, who he felt hated him for being the heir apparent to his father's estate and the miles of fertile clan land it included. The birth of Uncle Kawayida, his half-brother by a Muslim woman his father was seeing on the side, did not lessen Serenity's estrangement. Kawayida, due to the circumstances of his birth, posed little threat to Serenity's position, and thus attitudes remained unchanged. To escape the phantoms which galloped in his head and the contaminated air in his father's compound, Serenity roamed the surrounding villages. He spent a lot of time at the home of the Fiddler, a man with large feet, a large laugh and sharp onion breath who serenaded Grandpa on the weekends when he was home”.

 

 

 

Isegawa

Moses Isegawa (Kawempe, 10 augustus 1963)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Alfred Döblin werd op 10 augustus 1878 geboren in Stettin. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2006 en ook mijn blog van 10 augustus 2007.

 

Uit: Berlin Alexanderplatz

 

Er wanderte die Rosenthaler Straße am Warenhaus Wertheim  vorbei, nach rechts bog er ein in die schmale Sophienstraße. Er dachte, diese Straße ist dunkler, wo es dunkel ist, wird es besser sein. Die Gefangenen werden in Einzelhaft, Zellenhaft und Gemein­schaftshaft untergebracht. Bei Einzelhaft wird der Gefangene bei Tag und Nacht unausgesetzt von andern Gefangenen gesondert ge­halten. Bei Zellenhaft wird der Gefangene in einer Zelle unterge­bracht, jedoch bei Bewegung im Freien, beim Unterricht, Gottes­dienst mit andern zusammengebracht. Die Wagen tobten und klin­gelten weiter, es rann Häuserfront neben Häuserfront ohne Aufhö­ren hin. Und Dächer waren auf den Häusern, die schwebten auf den Häusern, seine Augen irrten nach oben: wenn die Dächer nur nicht abrutschten, aber die Häuser standen grade. Wo soll ick armer Dei­bel hin, er latschte an der Häuserwand lang, es nahm kein Ende damit. Ich bin ein ganz großer Dussel, man wird sich hier doch noch durchschlängeln können, fünf Minuten, zehn Minuten, dann trinkt man einen Kognak und setzt sich. Auf entsprechendes Glockenzei­chen ist sofort mit der Arbeit zu beginnen. Sie darf nur unterbro­chen werden in der zum Essen, Spaziergang, Unterricht bestimm­ten Zeit. Beim Spaziergang haben die Gefangenen die Arme ausge­streckt zu halten und sie vor- und rückwärts zu bewegen.

Da war ein Haus, er nahm den Blick weg von dem Pflaster, eine Haustür stieß er auf, und aus seiner Brust kam ein trauriges brum­mendes oh, oh. Er schlug die Arme umeinander, so mein Junge, hier frierst du nicht. Die Hoftür öffnete sich, einer schlürfte2 an ihm vor­bei, stellte sich hinter ihn. Er ächzte jetzt, ihm tat wohl zu ächzen. Er hatte in der ersten Einzelhaft immer so geächzt und sich gefreut, daß er seine Stimme hörte, da hat man was, es ist noch nicht alles vorbei. Das taten viele in den Zellen, einige am Anfang, andere später, wenn sie sich einsam fühlten. Dann fingen sie damit an, das war noch was Menschliches, es tröstete sie. So stand der Mann in dem Hausflur, hörte das schreckliche Lärmen von der Straße nicht, die irrsinnigen Häuser waren nicht da. Mit gespitztem Munde grunzte er und er­mutigte sich, die Hände in den Taschen geballt. Seine Schultern im gelben Sommermantel waren zusammengezogen zur Abwehr.“

 

 

 

 

doeblin
Alfred Döblin (10 augustus 1878 – 26 juni 1957)

 

 

 

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2006 en ook mijn blog van 10 augustus 2007.

 

 

I Wanna Fuck You

 

I will fuck you in the morning
Fuck you late at night
Fuck you while the moon
Or the sun is shining bright
I wanna fuck you
Yes, I wanna fuck you
I wanna fuck you baby
But your door is closed

I will fuck you at the backseat
Of my newest car
I will fuck you in the toilet
Of a well distuingished bar

I wanna fuck you
Yes, I wanna fuck you
I wanna fuck you baby
But your door is closed
I'm sorry babe

Yeah
O yeah
One more time

Oh!

I will fuck you in the kitchen
Fuck you in the woods
Fuck you as you like it
As wild and hard I'd could

I wanna fuck you
Yeah, I wanna fuck you
I wanna fuck you baby
But your little door is closed!

Yeaaaaaaaaaaaaaah, yeah

 

 

 

(Songtekst van Kees van Kooten en Wim de Bie)

 

 

 

Kees_van_Kooten

Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

 

 

 

 

De Braziliaanse schrijver Jorge Amado de Faria werd op 10 augustus 1912 geboren in Ferradas, in de gemeente Itabuna. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2007.

 

Uit: Dona Flor and Her Two Husbands

 

Vadinho, Dona Flor's first husband, died one Sunday of Carnival, in the morning, when, dressed up like a Bahian woman, he was dancing the samba, with the greatest enthusiasm, in the Dois de Julho Square, not far from his house. He did not belong to the group--he had just joined it, in the company of four of his friends, all masquerading as bahianas, and they had come from a bar on Cabeca, where the whiskey flowed like water at the expense of one Moyses Alves, a cacao planter, rich and open-handed.

The group was accompanied by a small, well-rehearsed orchestra of guitars and flutes; the four-string guitar was played by Carlinhos Mascarenhas, a tall, skinny character famous in the whorehouses--ah, a divine player. The men were got up as Gypsies and the girls as Hungarian or Romanian peasants; never, however, had a Hungarian or Romanian, or even a Bulgarian or Slovak, swung her hips the way they did, those brown girls in the flower of their youth and coquetry.

When Vadinho, the liveliest of the lot, saw the group come around the corner and heard the skeleton-like Mascarenhas strumming his sublime four-string guitar, he hurried forward, and chose as his partner a heavily rouged Romanian, a big one, as monumental as a church--the Church of St. Francis, for she was a mass of golden sequins--and announced:

"Here I come, my Russian from Tororo."

 

 

 

 

 

Amado

Jorge Amado (10 augustus 1912 – 6 augustus 2001)

 

 

 

 

 

Voor onderstaande schrijver zie ook mijn blog van 10 augustus 2007.

 

De Nederlandse journalist en schrijver Piet Bakker werd geboren in Rotterdam op 10 augustus 1897.

 

 

 

10-08-07

Kees van Kooten, Alfred Döblin, Piet Bakker, Jorge Amado


De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2006.

 

 

Ballen in me buik

 

Heb u daar nou geen last van

 

Een eitje wat te zacht is en je pelt 't open
En dan komt het warme geel zo langs de rand gedropen
Kippen bij poelieren liggen naakt ondersteboven
En 's winters lekker spelen, met je eige lippen kloven
Reclamefoto's in de krant, van sexuele meisjes
Een mevrouw die even zachtjes schudt, zo met een bos radijsjes

 

O, dan krijg ik ballen in me buik
Grote warme, natte, lekke ballen
O, dan krijg ik ballen in me buik
Van die dingen krijg ik ballen in me buik

 

Ken ik niets aan doen. Gaat gewoon vanzelf

 

Een damesetalagepop, met nog geen kleren aan
Dat de bovenste helft d'r af is, d'r alleen twee benen staan
En die dingen die ze smeren uit de neuzen aan hun stoelen
En een pakkie melk wat zuur is, dat lekker bol gaat voelen
Kapotte vuilniszak, waaraan is gegeten
Of een bankie in 't park, nog warm van wie er heb gezeten

 

O, dan krijg ik ballen in me buik
Grote warme, natte, lekke ballen
O, dan krijg ik ballen in me buik
Van die dingen krijg ik ballen in me buik

 

Al twee keer mee langs het ziekenhuis gelopen. 't Heb niks geholpen

 

Een heel gezin die allemaal hamburgers lopen eten
Twee hebben d'r in de poep getrapt, dat ze 't nog niet weten
En zo, met hun hoofd voorover, tegen ketsjup op hun goed
En hoe de koningin soms kijkt, onder vandaan haar hoed
Maar ook vaak bij een ingooi, dat hun broekie zo omhoog gaat
Of dat je recht moet plassen, maar dat ie in een boog gaat

 

O, dan krijg ik ballen in me buik
Grote warme, natte, lekke ballen
O, dan krijg ik ballen in me buik
Van die dingen krijg ik ballen in me buik

 

D'r gaat geen dag voorbij zonder ballen in me buik

 

En wat je vaak ziet kleven onder hun autobanden
Of wat je dan ziet drijven, zo langs de wallekanten
Soms haal ik bij het postkantoor wat giro-enveloppen
Hoewel ik momenteel dus niks heb om d'r in te stoppen
Maar die zijn gratis meenemen, dus dat is geen pikken
En dan heb ik mooi voor niks 'es wat om lekker aan te likken

 

O, dan krijg ik ballen in me buik
Grote warme, natte, lekke ballen
O, dan krijg ik ballen in me buik
Van die dingen krijg ik ballen in me buik

 

Nou zijn dit lekkere ballen. Maar dan heb je ook nog van die enge ballen

 

Zo van nagels in 't bad en washandjes in bed
Een zadel, maar dan nat, een gebarsten vleeskroket
Zoals autobanden piepen op 't randje van de stoep
En soms is het papier op, aan 't rolletje zit poep
Of een schoteltje dat plakt en niet van 't koppie gaat
En een pen, die na 't schrijven, in een ander doppie gaat

 

O, dan krijg ik ballen in me buik
Grote warme, natte, lekke ballen
O, dan krijg ik ballen in me buik
Van die dingen krijg ik ballen in me buik

 

Eigenaardig. Eigenaardig maar niet vies toch, hè?

 

 

 

 

Kees-Van-Kooten
Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

De Duitse schrijver Alfred Döblin werd op 10 augustus 1878 geboren in Stettin. Zie ook mijn blog van 10 augustus 2006.  

 

Uit: Berlin Alexanderplatz

 

Mit der 41 in die Stadt

 

Er stand vor dem Tor des Tegeler Gefängnisses und war frei. Gestern hatte er noch hinten auf den Äckern Kartoffeln geharkt mit den andern, in Sträflingskleidung, jetzt ging er im gelben Sommermantel, sie harkten hinten, er war frei. Er ließ Elektrische auf Elektrische vorbeifahren, drückte den Rücken an die rote Mauer und ging nicht. Der Aufseher am Tor spazierte einige Male an ihm vorbei, zeigte ihm seine Bahn, er ging nicht. Der schreckliche Augenblick war gekommen [schrecklich, Franze, warum schrecklich?], die vier Jahre waren um. Die schwarzen eisernen Torflügel, die er seit einem Jahre mit wachsendem Widerwillen betrachtet hatte [Widerwillen, warum Widerwillen], waren hinter ihm geschlossen. Man setzte ihn wieder aus. Drin saßen die andern, tischlerten, lackierten, sortier Haltestelle.

Die Strafe beginnt.

Er schüttelte sich, schluckte. Er trat sich auf den Fuß. Dann nahm er einen Anlauf und saß in der Elektrischen. Mitten unter den Leuten. Los. Das war zuerst, als wenn man beim Zahnarzt sitzt, der eine Wurzel mit der Zange gepackt hat und zieht, der Schmerz wächst, der Kopf will platzen. Er drehte den Kopf zurück nach der roten Mauer, aber die Elektrische sauste mit ihm auf den Schienen weg, dann stand nur noch sein Kopf in der Richtung des Gefängnisses. Der Wagen machte eine Biegung, Bäume, Häuser traten dazwischen. Lebhafte Straßen tauchten auf, die Seestraße, Leute stiegen ein und aus. In ihm schrie es entsetzt: Achtung, Achtung, es geht los.”

 

 

 

Doeblin
Alfred Döblin (10 augustus 1878 – 26 juni 1957)

 

De Nederlandse journalist en schrijver Piet Bakker werd geboren in Rotterdam op 10 augustus 1897.Hij behaalde zijn onderwijzersakte in 1917 en werd benoemd tot onderwijzer in de gemeente Haarlemmermeer.Twee jaar lang werkte hij daar op een dorpsschooltje tussen Sloten en de Nieuwe Meer. Het werk beviel hem niet echt en via een tip van corrector bij het dagblad De Telegraaf kwam Bakker in de krantenwereld terecht. Bij de Telegraaf schreef hij enige cursiefjes over een “Kwekeling met akte”. Uitgeverij Elsevier vroeg hem deze tot een roman om te werken. Die roman krijgt als titel ‘Ciske de Rat’ en verschijnt in 1942. Het boek was direct een succes en er werden 50.000 exemplaren van verkocht. Het vervolg: ‘Ciske groeit op’ verscheen in 1945. De trilogie werd in 1946 voltooid met ‘Cis de man’. Na de oorlog publiceerde Bakker nog in Het Vrije Volk, maar koos later definitief voor Elseviers Weekblad. Voor dit blad maakte hij veel reisreportages, vaak in gezelschap van de tekenaars Jo Spier, Eppo Doeve en Cees Bantzinger. Hij bleef tot aan zijn onverwachte dood - hij overleed aan een hartaanval in zijn auto - aan Elseviers Weekblad verbonden.

 

Uit: Ciske de Rat (De film met Danny de Munk)

 

Ik voel me zo verdomd alleen

Krijg toch allemaal de klere
Val voor mijn part allemaal dood
Ik heb geen zin om braaf te leren
Ik eindig toch wel in de goot
Kinderen willen niet met me spelen
Noemen me Rat, en wijzen me na
De enige die me wat kan schelen
Die is er nooit, dat is m'n pa
M'n moeder kan me niet verdragen
Nooit doe ik iets voor haar goed
Om liefde hoef ik ook al niet te vragen
Schelden is alles wat ze doet
Geen wonder dat m'n pa is gaan varen
Ik mocht niet mee, ik ben te klein
Ik moet het in m'n eentje klaren
Tot-ie ooit weer terug zal zijn

Refrein:
Had ik maar iemand om van te houden
Twee zachte armen om me heen
Die mij altijd beschermen zouden
Ik voel me zo verdomd alleen

Misschien als vader schipper is
Als-ie weer terug is van de zee
Zegt-ie nog eens: luister Cis
Waarom ga je niet met me mee
Ik ben toch ook nog maar een kind
Kan het niet helemaal alleen
Misschien dat ik ooit het geluk nog vind
Maar hoe dat is een groot probleem

 

 

 

 

bakker-p
Piet Bakker (10 augustus 1897 - 1 april 1960)

 

De Braziliaanse schrijver Jorge Amado de Faria werd op 10 augustus 1912 geboren in Ferradas, in de gemeente Itabuna in het binnenland van Bahia. Amado heeft de veranderingen die de Braziliaanse maatschappij in die tijd onderging, van dichtbij meegemaakt. In die periode leefden de plantagearbeiders in omstandigheden die doen denken aan de slavernij. Hun lijden en hun strijd zouden belangrijke thema's worden in zijn boeken, bijvoorbeeld in Terras do sem fim.

Toen hij een jaar oud was, brak er een pokkenepidemie uit. Hierdoor waren zijn ouders gedwongen hun boerderij te verlaten, waarop ze zich in Ilhéus vestigden. Deze stad zou later een rol spelen in veel van Amado's romans.

Op tienjarige leeftijd ging hij naar school in de stad Salvador op een internaat van de Jezuïeten. Zij zagen in hem de roeping tot novice. In 1925 ontvluchtte Amado echter een mis, en verklaarde zich atheïst en bolsjewiek. In deze periode begon hij een andere roeping te volgen, die van schrijver. In Salvador werkte hij mee aan verschillende literaire tijdschriften. Ook was hij een van de oprichters van de modernistische schrijversgroep "Academie van de Rebellen" (Academia dos Rebeldes).

 

Uit: Gabriela, Clove and Cinnamon

 

“The crop gave promise of being the biggest in history. With cacao prices constantly rising, this would mean greater wealth, prosperity, abundance. It would mean the most expensive schools in the big cities for the colonels' sons, homes in the town's new residential sections, luxurious furniture from Rio, grand pianos for the parlors, more and better-stocked stores, a business boom, liquor flowing in the cabarets, more women arriving in the ships, lots of gambling in the bars and hotels--in short, progress, more of the civilization everyone was talking about.

But this unending downpour might ruin everything. And to think that only a few months earlier the colonels were anxiously scanning the sky for clouds, hoping and praying for rain. All through southern Bahia the cacao trees had been shedding their flower, replacing it with the newly born fruit. Without rain this fruit would have soon perished.

The procession on St. George's Day had taken on the aspect of a desperate mass appeal to the town's patron saint. The gold-embroidered litter bearing the image of the saint was carried on the shoulders of the town's most important citizens, the owners of the largest plantations, dressed in the red gowns of the lay brotherhood. This was significant, for the cacao colonels ordinarily avoided religious functions. Attendance at Mass or confession they considered a sign of moral weakness. Church-going, they maintained, was for women.”

 

 

 

jorge-amado
Jorge Amado
(10 augustus 1912 – 6 augustus 2001)