09-08-17

Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer, Linn Ullmann, P. L. Travers, Pierre Klossowski, Daniel Keyes, Leonid Andreyev

 

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

De monniken van Sénanque

Zij stierven er snel en stil
en zonder overtollige reutel spoedden zij zich heen
van sterfplaats naar sterfplaats,
jaren ouder van jaren verlangen.

Als zonderlinge geliefden woonden zij in het landschap,
aan alle wensen der weelde ontwend,
zachtmoedig als wat niet meer wordt gevreesd.
Zij kenden geen verhuizen meer.

En wij, gekomen uit de oorden
van het roekeloos woekerend woord,
wisten tussen stof en steen en stilte
de ampere galm van hun stappen nog bewaard,

en zwegen, als voorgoed ontheemd,
in de leerzaamheid van zeldzame minnaars.
En van jaren verlangen
werden wij jaren en jaren ouder.

 

 

Album

Een klas met veel te hoge ramen.
De aarde hangt er zomaar aan de wand.
En tweeëndertig stijve meisjesrompen
zijn rij aan rij, in melkwit licht,
aan banken vastgeklonken.

De toekomst in hun ogen moet voorbij.
Men geeuwt er al verleden uit.
Maar één van hen, de mooiste, jij,
nog niet verlegen met haar leven,
is met de aarde iets van plan.

Ik wil haar schooljaar overdoen:
haar smoezen, fratsen, onvoldoendes,
haar appelflauwtes om een niets,
de droesem in een oude droom.
Wat onder ede werd verzwegen,
daar luistert nu geen mens meer naar.

 

 

Pronkstuk

's Nachts mompelen juwelen in hun slaap.
Zij fonkelen tot in hun dromen,
proberen zo vermaard te glanzen
als de tranen van een dame.

Dat komt, zij zijn soms zeer alleen,
gekluisterd in hun kist van nacht.
Zij willen jubelen in zilver,
in goud, briljant of diamant,

maar pralen slechts met wat zij missen:
een hals, een pols, een simpele pink.
O, ziek van heimwee naar knap vlees.
De nacht is lang. Wordt het ooit dag?

 

 
Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

Lees meer...

09-08-16

Dolce far niente, Jürgen Becker, Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer

 

Dolce far niente

 

 
Zomerbui op de Singel (Amsterdam) door Thomas Schmall, 2010

 

 

Sommerregen. Schwarzer Abend…
In memoriam Donald Barthelme
 
Sommerregen. Schwarzer Abend. An den Rand
einer Todesmeldung gekritzelt die verfügbaren Daten,
die das Interview in Gang setzen, die Erinnerung
an entrückte Begegnungen, von denen
wir uns mehr Zukunft versprochen hatten.
 
Der neue New Yorker bleibt offen liegen.
Was heißt Zukunft, wenn sich das letzte Gespräch
per Bandschleife endlos wiederholen läßt
und ein Nachruf zehn Jahre liegt im Archiv.
Trockener Sommer. Der Abend ist hell.
 
Eine Reise ist vorzubereiten. Man muß
durch eine Nebelfront, deren Weiß so weiß
wie chinesische Trauer ist. Bitte keine Zitate.
Thema vom Tisch. Die Gerstenfelder sind leer,
und man liest, kompliziert sind die Städte.

 

 
Jürgen Becker (Keulen, 10 juli 1932)
Keulen in de regen. Jürgen Becker werd geboren in Keulen

Lees meer...

09-08-15

Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer, Linn Ullmann

 

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

De feestelijke verliezer

Ik had het fijnste gaas van het verlangen lief
zoals een zachte bries het lichaam van de baadster
en waar ik mij begaf, omgaf er mij een waas
van angstaanjagend aangenaam verwelken.
En een seizoen lang werd het avond.

En toen - het hart hoog op de wind -
verlangen zich bezeerde aan begeerte,
hoe lief had ik dan niet dat feestelijk verlies,
alsof een hartstocht mij verloren blies,
al werd ternauwernood gezoend

de monstrans van één enkele mond.
En elke avond werd het herfst.

En telkens als de sierlijkste der herfsten
mij in de wind een onderkomen bood,
vond ik in ruisen en in beven
een huis om dakloos in te zijn.

 

 

Oma's memo

zij ruimt de rommel op die niet meer dient:
een fotolijst, een hoornen bril,
verlovingsjurk van anno dertig,
de prullenkraam van een bestaan
dat eens vol meesterwerken was.

haar mooiste meesterwerk ben ik,
haar mausoleum voor een dochter,
de hare, die mij baarde en toch stierf,
de missing link die ons verbindt,
gemis dat vlees werd, stof en as.

uit alles blijkt dat zij zich traint in blijven,
in voortbestaan, inpakken van wat was.
en met een stem vol moederschap
laat zij een opdracht aan de planten na:
wees daar, eis water, als ik niet meer ben.

alles wat weerloos is en eindigt
verdient een voortbestaan. geen ding.
zo eindigt ook haar kunstgebit
met gouden stift, dat nu nog elke avond
in een glaasje gaat, straks in een kist.

 

 

Kanker I

God, herstel deze vrouw. zij is nog niet
voltooid. zij moet mij nog ten grave dragen.
o, leg haar straks, al stijf van ouderdom,
met beide borsten in een kist.

ik weet dat u soms voorkomt in het wild
naast aasgier, lynx en tijgerkat:
fouileer haar niet tot op het bot
of daar nog ergens kanker zat.

ook ik lijd honger aan haar lijf.
wees niet bekommerd om uw maal:
ik wil een ander kwijt in ruil voor haar.
ik wil een ander kwijt, of minstens mij.

 

 
Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

Lees meer...

09-08-14

Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer, Linn Ullmann

 

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

Moedermuseum

Ik heb mijn moeder naar een museum gebracht,
suppoost vooruitbetaald om over haar te waken.
Zij zat voortdurend aan zichzelf te knagen
tot enkel kraakbeen van haar overbleef.

Er kwam een firma langs om haar te stutten,
om lichaamsdeel na lichaamsdeel te restaureren
tot zij weer sexy presentabel voor de wereld was.
Onder woonachtigheid ging zij gebukt,

onder herinnering waaraan zij vast bleef kleven
en onder wijdverspreide wankelmoedigheid,
die grotendeels uit zwangerzucht bestaat.

Ik heb mijn moeder naar een museum gebracht
waar zij door tallozen zo mateloos bewonderd wordt
dat zij haar soms met zoutzuur naar het leven staan.

 

 

Trappen

Er zijn er naar beneden en naar boven.
Ze lijken zo verdomd goed op elkaar
dat men ze meestal met elkaar verwart.
Wel gaat het altijd sneller naar beneden.

Tussen muffe kelders en fier firmament
is waar ik woon, waar het hedendaagse
ondermaanse mij meedogenloos voorbijziet
of mij - trap op, trap af - juist breeduit salueert,

misschien zelfs rakelings langs een Vermeer
of langs licht loensende, zeegroene ogen.
'Er heerst hier veel te veel beneden,' mokt de een.

'O, al dat loze boven,' zucht een ander. En ook: 'Waar
gaat toch alles wat verdwijnen moet naartoe? Naar boven?
Naar beneden? En zijn daar dan voldoende trappen voor?

 

 

Het Winkeltje

Ik heb nog een antiquariaatje
van geel verkleurde dromen
op de oever van groot failliet.
Veel komen er niet, maar die er komen,
kopen met tweedehands verdriet.

 

 

 
Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

Lees meer...

09-08-11

Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer

 

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2007en ook mijn blog van 9 augustus 2008 en ook mijn blog van 9 augustus 2009 en ook mijn blog van 9 augustus 2010.

 

 

Mutter Courage

 

Aan elke heer die bellen blies
in haar hoofd van waspoeder en zeep
bood zij haar mond van eeuwen aan,
haar hele ziel in ondergoed,

opdat zij niet voorbij zou gaan.
Maar debuterend in de malle troost
van kinderneuzen vol met snot,
heeft zij voor eeuwigheid geen tijd.

Het regent, maar zij blijft gezond,
gezond zoals een moeder moet
- een trage, weldoorvoede kloek,
voorgoed begraven in haar kroost.

Zo leert zij leven van recepten
en van remedies tegen zeer
dat, eer het komt, genezen wordt.
En eeuwigheid is kinderspel.

 

 

 

Lamento voor Juul

 

Juul heeft de allertraagste fiets,
bestemd om nergens aan te komen.
Hij loopt ernaast als naast een ouwe ezel
bepakt met ouwe ezelsdromen.
Maar nu is Juul plots dood.
Plots foetsie naar een beter niets?
Juul had zelf ook een ezelskop.
Waarschijnlijk van Henri Matisse.
Het is de vraag hoezeer hij niet meer is,
want niemand, niemand die hem mist.
Al is dit altijd zo geweest, het blijft baldadig triest
in alle straten waar hij loopt noch fietst.

 

 

 

Hoevenzavel

 

Men opent een raam en zegt Ziehier de wereld.
Men bootst het wonen na in tal van talen.
En het dorp wordt een stad en de stad
de wereld, als ging de hele wereld in een straat.
Soms staat men voor een horizon als voor een hek,
maar de straat wordt een dorp en de stad de wereld

die ruikt naar sjasliek, shish kebab en moussaká,
naar al dat elders van te ver en van te velen.
En men verlaat zijn straat, op zoek naar een dorp.
Men droomt van grootse liefdes in betere steden
en men kijkt uit het raam in een huis in een dorp.
En het dorp wordt een stad en de stad de wereld.

 

 

 

 

Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

Lees meer...

09-08-10

Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer, Linn Ullmann, P. L. Travers, Pierre Klossowski, Daniel Keyes, Leonid Andreyev, John Oldham, Izaak Walton

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 9e augustus mijn blog bij seniorennet.be

  

Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer, Linn Ullmann

 

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 9e augustus ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

P. L. Travers, Pierre Klossowski, Daniel Keyes, Leonid Andreyev, John Oldham, Izaak Walton

 

09-08-09

Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer, Linn Ullmann, Pierre Klossowski, Daniel Keyes, P. L. Travers, Leonid Andreyev, John Oldham, Izaak Walton


De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2007 en ook mijn blog van 9 augustus 2008.

 

 

Esthetica

 

Het sierlijkste is niet de zwaan, maar het water

waar de zwaan zich spoorloos in weerspiegelt,

een rimpeling van vriendelijke huiver.

 

Het sierlijkste is niet je lichaam, maar de spiegel

waarin het lichaam licht bezeerd weerspiegeld wordt,

terwijl een hand verschuift over je huid

en ook een streling dan, omhelzing van zichzelf,

op je lichaam liggen gaat.

 

Terwijl mijn blik die dat niet blijvend

vangen kan, gevangen blijft, en onomhelsd,

zoals wie ééns genodigd tot genot,

daarna voorgoed gegijzeld blijft in pijn.

 

 

 

 

Gebruiksaanwijzing

 

Wie in zee begraven wordt, gaat nooit verloren.

De zee is spaarzaam als een dichter.

En ik was aan zee en ik was op een berg:

twee eeuwenoude makkers.

 

Wie op een berg wordt bijgezet,

wil nog jongleren met de sterren,

snakt nog belachelijk naar lucht

met al de roofzucht van zijn lijk.

 

Wanneer men mij per se begraven wil,

dan liefst niet al te ver van zee,

deemoedig bij een koeienvlaai

of ergens bij een ezelsdrol.

 

Ik bleef zo lang gezond, zo lang in leven,

doordat ik steeds beleefd bleef voor de dood,

voor hem boog en hem fêteerde

als een hoogverheven heer.

 

 

 

 

 

Biografie

 

Het lichaam is een eenzaam ding

met plasma, beendermerg en smeer

en kleine holtes vol geheim

en drie, vier klieren voor plezier.

 

Het kreeg twee handen voor iets liefs,

maar zelfs twee handen zijn alleen

gehoorzaam aan het protocol

van een of ander kolderdier.

 

Een koningsvaren heeft nooit last

van blinde onderdanigheid,

maar halzen willen weerloos zijn,

 

zij die zo teer geschapen zijn.

Een lichaam is een eenzaam ding

en niemand wil dat het geneest.

 

 

 

 

 

gruwez
Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2006 en ook mijn blog van 9 augustus 2007 en ook mijn blog van 9 augustus 2008.

 

 

High Windows

 

When I see a couple of kids

And guess he's fucking her and she's

Taking pills or wearing a diaphragm,

I know this is paradise.

 

Everyone old has dreamed of all their lives ?

Bonds and gestures pushed to one side

Like an outdated combine harvester

And everyone young going down the long slide

 

To happiness, endlessly. I wonder if

Anyone looked at me, forty years back,

And thought, That'll be the life;

No God any more, or sweating in the dark;

 

About hell and that, or having to hide;

What you think of the priest. He

And his lot will all go down the long slide

Like free bloody birds. And immediately

Rather than words comes the thought of high windows:

The sun-comprehending glass,

And beyond it, the deep blue air, that shows

Nothing, and is nowhere, and is endless.

 

 

 

 

 

Next, Please

 

Always too eager for the future,

Pick up bad habits of expectancy.

Something is always approaching, every day

Till then we say,

 

Watching from a bluff the tiny, clear,

Sparkling armada of promises draw near.

How slow they are!

And how much time they waste,

Refusing to make haste!

 

Yet still they leave us holding wretched stalks

Of disappointment, for, though nothing balks

Each big approach, leaning with brasswork prinked,

Each rope distinct,

 

Flagged, and the figurehead with golden tits

Arching our way, it never anchors; it's

No sooner present than it turns to past.

Right to the last

 

We think each one will heave to and unload

All good into our lives, all we are owed

For waiting so devoutly and so long.

But we are wrong:

 

Only one ship is seeking us, a black-

Sailed unfamiliar, towing at her back

A huge and birdless silence. In her wake

No waters breed or break.

 

 

 

 

 

Breadfruit

 

Boys dream of native girls who bring breadfruit,

Whatever they are,

As bribes to teach them how to execute

Sixteen sexual positions on the sand;

This makes them join (the boys) the tennis club,

Jive at the Mecca, use deodorants, and

On Saturdays squire ex-schoolgirls to the pub

By private car.

 

Such uncorrected visions end in church

Or registrar:

A mortgaged semi- with a silver birch;

Nippers; the widowed mum; having to scheme

With money; illness; age. So absolute

Maturity falls, when old men sit and dream

Of naked native girls who bring breadfruit

Whatever they are.

 

 

 

 

 

larkin
Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Gerrit Kouwenaar werd op 9 augustus 1923 in Amsterdam geboren. Hij is vandaag dus 85 jaar geworden. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2006 en ook mijn blog van 9 augustus 2007 en ook mijn blog van 9 augustus 2008.

 

 

Toen wij nog jong waren

 

Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud was

en wij in een ver land op hoge bergen stonden

en in het dal diep beneden een lange roerloze

roestige trein zagen, onbestaanbaar alleen

 

in het oog van een hevige leegte, riep jij

terwijl je de hemel een kushand toewierp

ik ben een reisgids kinderen

leer mij lezen

 

en 's avonds op het plein onder kwijnende palmen

waren er wijn en olijven en een ritselend zwijgen

uit klagende kelen en het donker was week

op het scherp van de snede, en jij

jij kocht het ondraaglijke lot van een blinde

en riep het oor drinkt

 

nu is het dus later, een avond na jaren, de dood

stille trein is vertrokken, de tijd van het lot

is verstreken, je reisgids ligt open

 

onder eendere oudere bomen drink ik

de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte -

 

 

 

 

 

tijden

 

Als men terugkomt is men een ander

denkt men terwijl men het huis sluit

het licht ingepakt de zomer verzegelt

het tuinhek prijst om zijn ijzer

 

deze slak op de drempel zal er nog zijn

de ijskast zal blaffen de hitte blaten

de hond zal zuchten en zijn sterven

hervatten als men terugkomt denkt men

 

 

 

 

 

 

Dus vredig de avond

 

Terwijl het laatste gedicht het tijdstip verteert

staat de maker geledigd op van zijn tafel

hij reinigt zijn vleesmes en kijkt uit het raam

 

op de sierbestrating zieltogen de bladeren

verlost van hun zomer, de windengel hurkt

in het eeuwige onkruid en wacht tot er tijd is

 

dus vredig de avond vol afscheid en oorlog

wereld waarheid en liefde behelzen onkwetsbaar

hun ijzeren letters

 

nu nog iets eetbaars, bloedbeuling witbrood

dan eindelijk slapen, zwart is de mode

 

 

 

 

Kouwenaar
Gerrit Kouwenaar (Amsterdam, 9 augustus 1923)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver en taalkundige Henk Romijn Meijer (eig. Henk Meijer werd geboren in Zwolle op 9 augustus 1929.  Aan de Universiteit van Amsterdam studeerde hij Engels. In 1956 debuteerde hij met Consternatie dat in 1954 bekroond was met de Reina Prinsen Geerligsprijs. Uit die tijd stamt ook zijn pseudoniem. Gerard van het Reve, destijds redacteur van Tirade, vond de naam van Henk Meijer te kaal. "Hoe heet je moeder?", vroeg Reve. "Romijn", antwoordde Henk. Zo werd het dus Henk Romijn Meijer. Naast zijn schrijverschap ontplooide Romijn Meijer tal van andere activiteiten. Zo doceerde hij eerst Frans in Australië, keerde terug naar Nederland en werkte van 1959 tot 1987 bij het Engels Seminarium aan de Universiteit van Amsterdam, meestentijds als wetenschappelijk hoofdmedewerker Engelse en Amerikaanse literatuur, slechts onderbroken van 1963 tot 1964 toen hij studeerde in de Verenigde Staten en van 1979 tot 1981 toen hij lesgaf aan de Universiteit van Minnesota. Op zijn vakgebied schreef hij een groot aantal artikelen. Verder was hij als redacteur verbonden aan Literair Paspoort (1978-1982) en aan Maatstaf (vanaf 1982), alsook gastredacteur van Propria Cures (1983-1984). In 2004 ontving hij de Max Pam Award voor zijn bundel Alle verhalen tot nu toe.

 

Uit: Toen Reve nog Van het Reve was

 

“Ik had Gerard voor het eerst ontmoet op het doctoraalfeest van een psychiater, in 1950 of 1951, de tijd, in ieder geval, toen De avonden nog mijn lijfboek was. Ik kende het uit mijn hoofd en mijn ogen rolden uit hun kassen toen ik iemand zo in het openbaar hoorde spreken, geheel in de trant van het boek. De auteur stelde zich voor in een virtuoze reeks schuttingwoorden en mengde zich daarna in een gesprek. Twee doktoren bespraken vakkundig een hartkwaal en Gerard ging op de leuning van een van hun stoelen zitten. Hij mengde zich in de discussie. ‘Komt van het trappenlopen,’ zei hij, ‘alsmaar de trap op en af, dat wordt te veel, dat is slecht...’ Het gesprek was verziekt en Gerard begaf zich naar de bar.

Zo'n twee weken daarna zag ik ze weer in Kriterion, Gerard en Hannie. Hij herkende me niet. Hannie herinnerde hem een paar keer aan het feest, toen schoot ik hem weer te binnen. Ik leerde ze kennen en bezocht ze af en toe in het huis aan de oude Galerij. Een enkele keer bleef ik eten. Vóór het maal gaf Gerard instructies hoe de gast zich aan tafel diende te gedragen. Belangrijk was onder meer dat hij zijn bord niet te dichtbij de rand van de tafel zou plaatsen, want de katten moesten tijdens het eten een zo vrij mogelijke doorgang behouden. Gerard hield van harde bokking en maakte de vis vóór het broodmaal zelf zo toegewijd schoon dat de poes er krols van werd. Hij kookte een Turks gerecht waarvan je ging boeren en demonstreerde de juiste manier waarop je die boeren moest laten: de rechterarm opgeheven, de vuist gebald. Hij bestudeerde de rode plek in mijn hals die ik aan het vioolspelen dankte. ‘Heb je nou een of andere geslachtsziekte opgelopen, kerel?’ wilde hij weten en vroeg of mijn migraines ‘spychologisch’ waren. ‘Heb je niet een of andere menstruatiepil?’ vroeg hij Hannie. Hij wist iets beters, een natuurlijk geneesmiddel tegen de kwaal: ‘Aftrekken, minstens vijf maal per dag.’ ‘Van aftrekken krijg je juist hoofdpijn,’ zei ik en Hannie zei: ‘Dat zegt Hermans ook.’ Waarop Gerard beloofde dat hij een vrouw voor me zou zoeken.”

 

 

 

 

RomijnMeijer
Henk Romijn Meijer (9 augustus 1929 – 23 februari 2008)

 

 

 

 

 

 

De Noorse schrijfster Linn Karin Beate Ullmann werd geboren op 9 augustus 1966 in Oslo. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2007 en ook mijn blog van 9 augustus 2008.

 

Uit: Stella Descending (Vertaald door Barbara Haveland)

 

“The other night on the streetcar, I spotted a man I thought I knew. He was sitting very still, a few seats in front of me, gazing out the window. There wasn't much to see out there; the streets were deserted and it was dark and miserable, just the odd car swishing by. No one in the street, just flurries of snow chased by rain, and the wet white light of the streetlamps.

I saw him first from the back. He was wearing a brown leather jacket, his hair was thick and black--a handsome man, I thought, a man who walks tall and never stumbles. Just for a second I thought I saw a little girl dressed in red on the seat next to him, but then I gave my head a shake. What was I thinking? There was no child there. As if there would be, in such weather and at that time of night. There was no one on the streetcar but him and me--and the driver, of course. The man stood up and headed for the door at the front. We were approaching a stop.

"Martin Vold," I called out softly. "Is that you?"

The man turned around. His face was not familiar. I noticed two beady green eyes and a scar on his chin.

"You must be mistaken," he said, as the doors opened. "That's not me."

"No," I said, "that's not you. But good night, anyway, and watch your step out there. The pavement's slippery."

"Thanks, you too," said the man. "Good night."

It hasn't even been six months since the last time I had anything to do with him. That was at the beginning of September last year. The evening before Stella's funeral I called on him at home in Hamborgveien, up by the Lady Falls. We sat down at the large dark-brown dining table, and there we passed the night. He asked me to keep my voice down, so as not to wake the children. He did most of the talking. I asked questions.”

 

 

 

 

 

Linn_Ullmann
Linn Ullmann (Oslo, 9 augustus 1966)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver, vertaler en schilder Pierre Klossowski werd geboren op 9 augustus 1905 in Parijs. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2007.

 

Uit: Roberte, ce soir (Vertaald door Walter Van der Star)

 

Mijn oom Octave, vooraanstaand hoogleraar in de scholastiek aan de Universiteit van…, leed onder zijn huwelijksgeluk alsof het een ziekte was en hij meende dat hij pas zou genezen als hij er anderen mee kon besmetten. Mijn tante Roberte was van het soort strenge schoonheid waarachter een wonderlijke neiging tot lichtzinnigheid schuil kon gaan; wie daar eenmaal achter is gekomen voelt zich tekort gedaan en heeft er spijt van dat hij niet doortastender is geweest. Merkwaardig genoeg beschouwde mijn oom zichzelf als het eerste slachtoffer van die dubbelzinnigheid; toen mijn tante dat merkte, nam ze een starre houding aan die nog afwerender was tegen al zijn ideeën. Hoe meer ze in die houding volhardde, des te raadselachtiger werd ze in de ogen van mijn oom; om van zijn verwarring verlost te zijn wist hij niets beters te verzinnen dan hun levens te onderwerpen aan een bepaalde wet van de gastvrijheid die binnen onze traditie onfatsoenlijk wordt gevonden. Mijn tante gold als een ‘geëmancipeerde’ vrouw, maar ook daarin vergiste mijn oom zich; zeker is dat ze deze nieuwigheid afkeurde; maar vast staat ook dat ze zich meer dan eens aan dit gebruik heeft moeten onderwerpen. Dat verklaart nu voor mij de sfeer in het huis waar ik een zo veelbewogen puberteit heb doorgebracht. Mijn tante ging met me om als een broer en de professor had mij tot zijn favoriete leerling gemaakt. Vreemd was vooral dat ik als voorwendsel diende voor het uitoefenen van de gastvrijheid waarvan mijn tante het slachtoffer was.
Ik was dertien toen ik door de Octaves werd geadopteerd. Mijn oom vond dat ik een huisonderwijzer moest hebben. Ik kreeg er achtereenvolgens drie, stuk voor stuk gekozen uit de naaste entourage van de Octaves. Ze ontvingen vaak gezelschap in hun zomerverblijf. Daaruit werd dan onverwachts een willekeurige gast verantwoordelijk gemaakt voor mijn opvoeding, en na een paar maanden of soms na een paar weken verdween hij weer.
Ik kan niet ontkennen dat mijn tante Roberte bij mij hevige hartstochtelijke gevoelens had gewekt. Maar mijn oom had mijn emotionele verwarring doorzien en maakte daar op verraderlijke wijze gebruik van om zijn eigen perversiteit in mij te observeren. Zoals bij alle jongeren van mijn leeftijd was de hartstocht die ik voelde natuurlijk volkomen platonisch.”

 

 

 

 

KLOSSOWSKI
Pierre Klossowski (9 augustus 1905 – 12 augustus 2001)

 

 

 


 

De Amerikaanse schrijver Daniel Keyes werd geboren in Brooklyn, New York op 9 augustus 1927. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2007.

 

Uit: Flowers for Algernon

 

I tolld Burt I saw ink spilld on a wite card. Burt said yes and he smild and that maid me feel good. He kept terning all the cards and I tolld him somebody spilld ink on all of them red and black. I thot that was a easy test but when I got up to go Burt stoppd me and said now sit down Charlie we are not thru yet. Theres more we got to do with these cards. I dint understand about it but I remembir Dr Strauss said do anything the testor telld me even if it dont make no sense because thats testing.

I dont remembir so good what Burt said but I remembir he wantid me to say what was in the ink. I dint see nothing in the ink but Burt sed there was picturs there. I coudnt see no picturs. I reely tryed to see. I holded the card up close and then far away. Then I said if I had my eye glassis I coud probaly see better I usully only ware my eyeglassis in the movies or to watch TV but I sed maybe they will help me see the picturs in the ink. I put them on and I said now let me see the card agan I bet I find it now.

I tryed hard but I still coudnt find the picturs I only saw the ink. I tolld Burt mabey I need new glassis. He rote somthing down on a paper and I got skared of faling the test. So I tolld him it was a very nice pictur of ink with pritty points all around the eges but he shaked his head so that wasnt it neither. I asked him if other pepul saw things in the ink and he sed yes they imagen picturs in the inkblot. He tolld me the ink on the card was calld inkblot.

Burt is very nice and he talks slow like Miss Kinnian dose in her class where I go to lern reeding for slow adults. He explaned me it was a raw shok test. He sed pepul see things in the ink. I said show me where. He dint show me he just kept saying think imagen theres something on the card. I tolld him I imaggen a inkblot. He shaked his head so that wasnt rite eather. He said what does it remind you of pretend its something. I closd my eyes for a long time to pretend and then I said I pretend a bottel of ink spilld all over a wite card. And thats when the point on his pencel broke and then we got up and went out.”

 

 

 

 

keyes
Daniel Keyes (New York, 9 augustus 1927)

 

 

 

 

De Australische schrijfster Pamela Lyndon Travers werd als Helen Lyndon Goff op 9 augustus 1899 geboren in Maryborough in Australië. Samen met haar twee zusjes groeide ze op op een suikerplantage. Ze was pas een tiener toen ze al ze gedichten publiceerde en als actrice met een toneelgezelschap door Australië en Nieuw-Zeeland reisde.
In 1924 verhuisde ze naar Engeland, waar ze zich onder het pseudoniem P.L. Travers helemaal op een schrijfcarrière stortte. Af en toe werd er een gedicht van haar gepubliceerd, maar het echte succes kwam pas tien jaar later, toen Mary Poppins uitkwam. Travers schreef nog vijf leesboeken over de beroemde kinderjuffrouw, naast andere romans, dichtbundels en informatieve boeken. In 1964 kwam de Disneyfilm Mary Poppins uit.

 

Uit: Mary Poppins

 

“If you want to find Cherry­-­Tree Lane all you have to do is ask the Policeman at the cross­-­roads. He will push his helmet slightly to one side, scratch his head thoughtfully, and then he will point his huge white­-­gloved finger and say: “First to your right, second to your left, sharp right again, and you’re there. Good­-­morning.”

And sure enough, if you follow his directions exactly, you will be there—right in the middle of Cherry­-­Tree Lane, where the houses run down one side and the Park runs down the other and the cherry­-­trees go dancing right down the ­middle.

If you are looking for Number Seventeen—and it is more than likely that you will be, for this book is all about that particular house—you will very soon find it. To begin with, it is the smallest house in the Lane. And besides that, it is the only one that is rather dilapidated and needs a coat of paint. But Mr. Banks, who owns it, said to Mrs. Banks that she could have either a nice, clean, comfortable house or four children. But not both, for he couldn’t afford ­it.

And after Mrs. Banks had given the matter some consideration she came to the conclusion that she would rather have Jane, who was the eldest, and Michael, who came next, and John and Barbara, who were Twins and came last of all. So it was settled, and that was how the Banks family came to live at Number Seventeen, with Mrs. Brill to cook for them, and Ellen to lay the tables, and Robertson Ay to cut the lawn and clean the knives and polish the shoes and, as Mr. Banks always said, “to waste his time and my ­money.”

 

 

 

 

Travers
P. L. Travers (9 augustus 1899 – 23 april 1996)

 

 

 

 

 

De russische schrijver Leonid Andreyev werd geboren op 9 augustus 1871 in Orjol. Na zijn studie rechten werkte hij korte tijd als advocaat. Later was hij werkzaam als journalist en feuilletonist. Hij sympathiseerder aanvankelijk met de revolutie, maar na het mislukken ervan werd hij conservatief. Ook de dood van zijn vrouw droeg bij aan een pessimistische geesteshouding, evenals de invloed van schrijvers als Schopenhauer, Tolstoi en Dostojevski. Zijn belangrijkste toneelstuk K swjosdam (Hinauf zu den Sternen) voltooide hij in 1905.

 

Uit: Hinauf zu den Sternen (Vertaald door Frank Jankowski)

 

Eine Sternwarte in den Bergen. Später Abend. Die Bühne stellt zwei Zimmer dar; das erste eine Art großes Speisezimmer mit weißen, dicken Wänden; an den Fenstern, hinter denen etwas Weißes herumwirbelt, sehr breite Fensterbretter; ein riesiger Kamin, in dem Holzscheite brennen. Schlichte, strenge Einrichtung, in der Polstermöbel und Vorhänge fehlen. Einige Stiche: Portraits von Astronomen. Eine Treppe, die zur Bibliothek und zum Arbeitszimmer Ternovskijs hinaufführt. Das hintere Zimmer ist ein geräumiges Arbeitszimmer, das im Großen und Ganzen dem ersten gleicht, nur ohne Kamin. Einige Tische. Fotos von Sternen und von der Mondoberfläche, einige höchst einfache Geräte. Pollak, ein Assistent Ternovskijs, sitzt an seiner Arbeit. Im vorderen Zimmer unterhalten sich Inna Alexandrovna und Zhitov miteinander; Petja liest; Luntz geht auf und ab. Am Herd kocht die deutsche Köchin einen Kaffee. Hinter den Fenstern das Pfeifen und Heulen eines Gebirgs-Schneesturms. Im Kamin knackt das Holz. In regelmäßigen Abständen läutet die Glocke, die den im Wald Verirrten zur Orientierung dient.

 

INNA: Ständig dieses Geläute - und dabei so sinnlos. Wenn wenigstens jemand käme. Seit vier Tagen keine Nachricht! Man sitzt die ganze Zeit da und fragt sich, ob da draußen noch Menschen leben.

PETJA: (sich vom Buch losreißend) Wer soll denn kommen? Wer kommt denn schon hierher?

INNA: Vielleicht jemand vom Tal...

PETJA: Die haben bestimmt was Besseres zu tun, als hier in den Bergen rumzukraxeln.

ZHITOV: Ja, ein etwas schwieriges Unterfangen. Es gibt ja nicht mal einen Weg... wie in einer belagerten Stadt - man kommt nicht hierher und man kommt nicht von hier weg.

INNA: Und wir haben kaum noch etwas zu essen im Haus.

Zhitov: Dann müssen wir eben ein bißchen kürzer treten.

INNA: Sie haben gut reden, Vassilij Vassilitsch, Sie sind wie ein Bär und werden eine Woche lang von Ihrem eigenen Fett satt, - aber was ich mit Sergej Nikolajitsch machen?

Zhitov: Legen Sie ihm doch auch ein kleines Polster an - so wie wir Bären es machen. Luntz, he Luntz, warum setzen Sie sich nicht hin?

Luntz antwortet nicht, geht umher.

INNA: Was für eine Gegend! Halt, still, da hat doch jemand geklopft. Seid doch mal ruhig! (horcht) Nein, doch nicht. Ein Schneesturm! Sowas gibt es ja nicht mal bei uns in Rußland!“

 

 

 

 

 

Andreyev_by_Repin
Leonid Andreyev
(9 augustus 1871 – 12 september 1919)

Portret door Ilja Repin

 

 

 

 

De Engelse dichter en vertaler John Oldham werd geboren in Shipton Moyne (Gloucestershire) op 9 augustus 1653. Hij bezocht het gymnasium Tetbury Grammar School en behaalde zijn B.A. aan de Universiteit van Oxford in 1674. Vervolgens verdiende hij de kost als leraar. Oldham imiteerde onder meer de klassieke satires van Juvenalis. Tot zijn bekendste werken behoren A Satyr upon a Woman, who by her Falsehood and Scorn was the Death of My Friend (1678), A Satyr against Vertue (1679), Satyrs upon the Jesuists (1681) en de ode Upon the Works of Ben Jonson. Zijn vertalingen van Juvenalis verschenen na zijn dood. John Oldham overleed op 30-jarige leeftijd aan pokken.

 

 

A Quiet Soul 

 

Thy soul within such silent pomp did keep,

As if humanity were lull'd asleep;

So gentle was thy pilgrimage beneath,

Time's unheard feet scarce make less noise,

Or the soft journey which a planet goes:

Life seem'd all calm as its last breath.

A still tranquillity so hush'd thy breast,

As if some Halcyon were its guest,

And there had built her nest;

It hardly now enjoys a greater rest.

 

 

 

 

 

Oldham-John
John Oldham (9 augustus 1653 - 9 december 1683)

 

 

 

 

De Engelse schrijver Izaak Walton werd geboren in Stafford op 9 augustus 1593. Er staan slechts enkele werken op zijn naam: een aantal biografieën en het zeer populair geworden boek The Compleat Angler, over zijn hobby, het vissen. Het boek werd voor het eerst gepubliceerd in 1653 en vervolgens steeds aangevuld en bewerkt in vijf volgende edities. Walton raakte bevriend met de dichter en geestelijke John Donne en maakte spoedig daarna kennis met George Herbert, bisschop Sanderson en Sir Henry Wotton. Deze laatste was bezig met de voorbereiding van een biografie van Donne en, wetend dat Walton in zijn vrije tijd wel eens iets schreef, vroeg hij hem te helpen met het verzamelen van materiaal. Wotton overleed echter in 1639, waarop Walton de biografie zelf voltooide (1640). Een biografie van Wotton verscheen in 1651, die van George Herbert in 1670 en van bisschop Sanderson in 1678. Hij vulde deze Lives voortdurend aan. De biografieën waren vriendelijk en welwillend van aard, enkele van de beschrevenen deelden zijn passie voor de vissport.

 

Uit: The Compleat Angler

 

Take your Trout, wash, and dry him with a clean napkin; then open hime, and, having taken out his guts, and all the blood, wipe him very clean within, but wash him not.; and give him three scotches with a knife to the bone, on one side only. After which take a clean kettle, and put in as much hard stale beer (but it must not be dead), vinegar, and a little white wine, as will cover the fish you intend to boil; then throw into the liquor a good quantity of salt, the rind of a lemon, a handful of sliced horse-radish root with a handsome fagot of rosemary, thyme, and winter-savory. Then set your kettle upon a quick fire of wood, and let your liquor boil up to the height before you put in your fish; and then, if there be many, put them in one by one, that they may not so cool the liquor, as to make it fall. And whilst your fish is boiling, beat up the butter for your sauce with a ladleful or two of the liquor it is boiling in. And, being boiled enough, immediately pour the liquor from the fish; and, being laid in a dish, pour your butter upon it; and strewing it plentifully over with shaved horse-radish, and a little pounded ginger, garnish your sides of your dish, and the fish itself with a sliced lemon or two, and serve it up.”

 

 

 

 

 

walton
Izaak Walton (9 augustus 1593 - 15 december 1683)

 

09-08-08

Gerrit Kouwenaar 85 jaar! Luuk Gruwez, Philip Larkin, Linn Ullmann, Pierre Klossowski, Daniel Keyes


De Nederlandse dichter Gerrit Kouwenaar werd op 9 augustus 1923 in Amsterdam geboren. Hij is vandaag dus 85 jaar geworden. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2006 en ook mijn blog van 9 augustus 2007.

 

 

Ik heb nooit

 

Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

 

ondertussen beet de kou mij
was de zon een dag vol wespen
was het brood zout of zoet
en de nacht zwart naar behoren
of wit van onwetendheid

 

soms verwarde ik mij met mijn schaduw
zoals men het woord met het woord kan verwarren
het karkas met het lichaam
vaak waren de dag en de nacht eender gekleurd
en zonder tranen, en doof

 

maar nooit iets anders dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

 

het regent ik drink ik heb dorst.

 

 

 

 

Dat is alles

 

Er is geen mens
er zijn mensen
er is poëzie geen gedicht
poëzie over langzaam voorbijgaan
geen gedicht over onbekenden

 

er zijn mensen en als ik zeg
ik bemin ze dan lieg ik
en als ik lieg ik bemin ze
dan spreek ik de waarheid
over één mens

 

en ik zeg zij alleen
maken steen steen
zij alleen maken water water

 

ik bedoel zij maken een wereld
die hun werd onthouden
door hem te bevolken
en dat is dubbel gezegd

 

zo leggen de feiten zich neer
dubbelzinnig en links
als de mensen

 

ik heb hen niet lief maar
ik sta hen bij als mijzelf
dat is alles.

 

 

 

 

 

Zo helder is het werkelijk zelden

 

Zo helder is het werkelijk zelden, men ziet
het riet wit voor de verte staan

 

iemand klopt aan, vraagt water, het is
een verdwaalde jager

 

het antwoord is drinkbaar, zijn kromme weg
uitlegbaar in taal

 

in zijn weitas een bloedplas, het water
verspreekt zich al pratend in wijn

 

kijk, zegt hij, omstreeks het riet wijzend bij wijze
van afscheid, dit is een rouwmantel

 

later staat zijn glas daar nog, men ziet
het riet en eet wat -

 

 

 

 

 

Kouwenaar

Gerrit Kouwenaar (Amsterdam, 9 augustus 1923)

 

 

 

 

 

 

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2007.

 

 

Het troostconcours

 

Er werd een wedstrijd in troosten gehouden.

Eén bracht een zondag mee met gregoriaans,

een worgengel, een zoon van God

en drie heel knappe jonge priesters.

Een schip naar Paramaribo.

Gezoen achter een sleutelgat

dat haast versleten van het gluren was.

    - Men geeuwde zeer voornaam en hij verloor.

 

Eén bracht er mee: een kindertijd

met voetzoekers en knalbonbons,

de boenwas van zijn oude oma,

de geur van jute en van terpentijn.

Zijn lang bewaarde eerste kies

en al zijn nederlagen in de liefde.

De mooiste ziektes, roem, de beste graven.

    - Het kon de jury niet bekoren.

 

O wat het allemaal niet deed:

een doedelzak, een hangbuikzwijn,

een heroïnehoer van vijftien jaar,

het hoofd van een gestorven meisje

met nog confetti in het haar.

Een wiegedruk uit 1510.

En het plezier van obers voor hun dienblad

om zowat vijf voor middernacht.

 

Een laatste bracht er tranen mee en groot applaus,

een spraakgebrek, wat kippevel, zichzelf.

Hij won, maar niemand weet waarom,

hij won en weende. Levenslang.

 

 

 

 

Assemblage

 

Er is maar één vrouw die mij liever is:

de rosse oksel van een fröbeljuf,

schrammen op een meisjesknie,

een loense blik, een dikke bril,

een damesdot die niemand wil.

Dit alles samen in één nacht.

 

Maar één nacht die mij liever is.

Toledo 's nachts, Naoussa 's nachts,

een nacht van straks als ik plots weet:

Ziehier helaas mijn laatste liefdesnacht.

Kom toch, mijn dood, heb mededogen

en sta daar niet te bazelen.

Doe alles dicht in slechts twee ogen.

 

Ik telde net zo vaak tot één

tot er van jou maar één meer bleef:

van alle duizend die je was

die één die, zelf niet meer in tel,

die één die domweg kanker kreeg.

 

 

 

 

 

Gruwez

Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

 

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2006 en ook mijn blog van 9 augustus 2007.

.

 

Best Society

 

When I was a child, I thought,
Casually, that solitude
Never needed to be sought.
Something everybody had,
Like nakedness, it lay at hand,
Not specially right or specially wrong,
A plentiful and obvious thing
Not at all hard to understand.

Then, after twenty, it became
At once more difficult to get
And more desired - though all the same
More undesirable; for what
You are alone has, to achieve
The rank of fact, to be expressed
In terms of others, or it's just
A compensating make-believe.

Much better stay in company!
To love you must have someone else,
Giving requires a legatee,
Good neighbours need whole parishfuls
Of folk to do it on - in short,
Our virtues are all social; if,
Deprived of solitude, you chafe,
It's clear you're not the virtuous sort.

Viciously, then, I lock my door.
The gas-fire breathes. The wind outside
Ushers in evening rain. Once more
Uncontradicting solitude
Supports me on its giant palm;
And like a sea-anemone
Or simple snail, there cautiously
Unfolds, emerges, what I am.

 

 

 

 

I Have Started to Say

 

I have started to say
"A quarter of a century"
Or "thirty years back"
About my own life.

It makes me breathless
It's like falling and recovering
In huge gesturing loops
Through an empty sky.

All that's left to happen
Is some deaths (my own included).
Their order, and their manner,
Remain to be learnt.

 

 

 

 

 

Is It For Now Or For Always

 

Is it for now or for always,
The world hangs on a stalk?
Is it a trick or a trysting-place,
The woods we have found to walk?

Is it a mirage or miracle,
Your lips that lift at mine:
And the suns like a juggler's juggling-balls,
Are they a sham or a sign?

Shine out, my sudden angel,
Break fear with breast and brow,
I take you now and for always,
For always is always now.

 

 

 

 

Larkin
Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

 

 

 

 

 

De Noorse schrijfster Linn Karin Beate Ullmann werd geboren op 9 augustus 1966 in Oslo. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2007.

 

Uit: Grace (Vertaald door Barbara Haveland)

 

When, after an awkward pause, the young doctor delivered the latest diagnosis and began somewhat perfunctorily to describe the various treatment options, never really attempting to hide his certainty that this miserable thing would ultimately kill my friend Johan Sletten, Johan closed his eyes and thought of Mai's hair.

The doctor was a fair-haired young man and could scarcely help it if his violet eyes would have looked better on a woman. He never spoke the word death. The word he used was alarming.

"Johan!" the doctor said, trying to get Johan's attention. "Are you listening?"

Johan resented being addressed so familiarly. Not to mention the doctor's shrill voice--you would think it had never finished breaking, or perhaps he'd been castrated by parents hopeful of some future for him as a eunuch. Johan had a good mind to make a point about first names and surnames, especially in light of the difference in their ages. The doctor was younger than Johan's son, to whom he hadn't spoken for eight years. But it wasn't just a question of etiquette. It wasn't just that young people should refrain from addressing their elders familiarly as a matter of course. Johan had always been mindful of proper distances. Any intimacy between virtual strangers--like the dreadful custom of exchanging little kisses, not so much kisses as grazings of cheeks--struck him as embarrassing, even downright disrespectful.

To tell the truth, he preferred anyone to whom he was not married to address him as Mr. Sletten. He ached to tell the doctor so but didn't dare; it seemed unwise to create ill will between them at this point. The conversation might take a different tack, and the doctor might start saying unmentionable things about Johan's illness simply in retaliation for having been lectured on matters of etiquette.

"These aren't the results I was hoping for," the doctor went on.

"Hm," Johan said, mustering a smile. "But I'm feeling a lot better."

"Sometimes the body deceives us," the doctor whispered, wondering as he did whether the idea of a "deceitful" body might not be a bit much.

"Hm," Johan said again.

"Yes, well . . . ," the doctor said, turning to his computer screen, "as I said, Johan, there is some cause for alarm."

The doctor delivered a brief monologue explaining the test results and their consequences: Johan would have to undergo a new course of treatment, possibly even another operation.”

 

 

 

 

ullmann

Linn Ullmann (Oslo, 9 augustus 1966)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 9 augustus 2007.

 

De Franse schrijver, vertaler en schilder Pierre Klossowski werd geboren op 9 augustus 1905 in Parijs.

 
De Amerikaanse schrijver Daniel Keyes werd geboren in Brooklyn, New York op 9 augustus 1927.

 

 

09-08-07

Luuk Gruwez, Gerrit Kouwenaar, Philip Larkin, Linn Ullmann, Pierre Klossowski, Daniel Keyes


De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Hij volgde het middelbaar onderwijs in het Damiaancollege en Germaanse filologie aan de KULAK, telkens te Kortrijk. Hij werd licentiaat in de Germaanse talen aan de K.U.Leuven.

In 1976 verruilde hij het West-Vlaamse Kortrijk voor Hasselt. Daar verdient hij als leraar de kost tot aan zijn loopbaanonderbreking in 1995 naar aanleiding van het verwerven van een schrijversbeurs. Hij is nu als fulltime schrijver werkzaam met dichtbundels en proza en daarnaast columns, eerst wekelijks in De Standaard, vanaf 2001 tot 2003 maandelijks in De Morgen. In 1973 debuteerde hij met de poëziebundel Stofzuigergedichten. In 1996 verscheen Bandeloze gedichten, een ruime bloemlezing van herziene gedichten uit de periode voor 1994.Pas sinds 1992 publiceert hij ook min of meer autobiografisch proza, eerst nog samen met Eriek Verpale, Onder vier ogen, Siamees dagboek, later solo met Het bal van opa Bing (1994).

 

 

HET GESLACHT

 

                          Voor Herman de Coninck

 

In mannen is het koud en vaak december.

In vrouwen is het meestal mei.

Zij willen glimmen, levenslang,

vermommen zich van top tot teen

om niet voortijdig te verschrompelen.

Zij blijven bezig met verblijven.

 

In mannen is het koud en houdt het op.

Mijn God, hoe dol zijn zij op eindigen.

Want mannen rammelen zich klaar

en zwaargewapend met zichzelf,

besteden zij hun dagen aan verstijven.

 

In vrouwen heerst een soepeler geslacht

waarin iets bloesemt, iets ontboezemt,

en waar zij tederheid bewaren

of heimwee naar een meer in Zwitserland.

Zij houden van beginnen en behouden.

 

In mannen is het oorlog, niets dan oorlog.

In vrouwen wordt geboren, totterdood.

Zij knipperen een poosje met hun ogen,

zij fonkelen, zij woelen even

en daar ontstaat een dapper nageslacht.

Eén man volstaat en het wordt afgeslacht.

 

In mannen is het koud en vaak december,

in vrouwen is het altijd mei.

 

 

 

SAMENHORIG

 

Er moet een wereld van verloren dingen zijn

waarin een handschoen, inderhaast vergeten,

het aanlegt met een oude krant,

een sjaal, een zakdoek of een kam.

 

De handschoen mist de hand niet meer,

de zakdoek hoeft geen jammernis,

en zelfs de sjaal taalt niet naar warmte

van kindermeiden en van moeders.

 

A1 wat verloren is, is samenhorig.

Maar tederheid die overbodig werd,

het kippenvel dat blijven wou,

de eerste natte droom, het domste lief,

 

het speelgoed van een kind dat stierf.

En doen alsof men alles kan vergeten,

ofschoon men, plompverloren als een mens,

alleen in het heelal moet zijn.

 

 

 

gruwez
Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

 

De Nederlandse dichter Gerrit Kouwenaar werd op 9 augustus 1923 in Amsterdam geboren. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2006.

 

 

het is grijs en het valt uit de hemel

het is grijs en het valt uit de hemel
men raadt dit terwijl het schemert
over het steenveld waar niets zich bezit

 

in de late hitte tussen onheil en vrede
terwijl men klimt naar gretiger leegte
kruist een oneindige slang van twee meter
het inzicht, volledig, zonder betekenis

 

in de regel huiswaarts begint het te misten
men staat stil op de rand van een stilte, bestaat
wat begint te ontbinden, men moet zich
bevatten, ontmonden, tot op de seconde -

 

 

 

De zomer is grijs deze zomer

 

De zomer is grijs deze zomer
helder maar grijzer, doorzichtig maar zwaarder
alsof er een haarfijne as daalt over het eten

 

alsof men een eender lichaam geleden
kijkt naar zijn vader die beige en levend
het gazon van het paradijs maait

 

de zomer is grijs als melk in een beker
als brood in een oorlog, men hoort
het donker onder de stenen

 

 

 

 

 

altijd alsof alsof altijd de vogel

 

(altijd alsof alsof altijd de vogel
de hemel doorgrondt, de honger het eten

 

waar men ook kijkt kijkt het oog
door een keel die keelt bij het leven

 

waar men ook hoort heeft de mond
het goud van de kever verguld

 

en altijd het woord dat zijn echo verbetert
altijd de foto van wat is geweest)

 

 

 

 

kouwenaar
Gerrit Kouwenaar (Amsterdam, 9 augustus 1923)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2006.

 

 

First Sight

 

Lambs that learn to walk in snow

When their bleating clouds the air

Meet a vast unwelcome, know

Nothing but a sunless glare.

Newly stumbling to and fro

All they find, outside the fold,

Is a wretched width of cold.

 

As they wait beside the ewe,

Her fleeces wetly caked, there lies

Hidden round them, waiting too,

Earth's immeasureable surprise.

They could not grasp it if they knew,

What so soon will wake and grow

Utterly unlike the snow.

 

 

 

Ignorance

 

Strange to know nothing, never to be sure

Of what is true or right or real,

But forced to qualify or so I feel,

Or Well, it does seem so:

Someone must know.

 

Strange to be ignorant of the way things work:

Their skill at finding what they need,

Their sense of shape, and punctual spread of seed,

And willingness to change;

Yes, it is strange,

 

Even to wear such knowledge - for our flesh

Surrounds us with its own decisions -

And yet spend all our life on imprecisions,

That when we start to die

Have no idea why.

 

 

 

Love Again

 

Love again: wanking at ten past three

(Surely he's taken her home by now?),

The bedroom hot as a bakery,

The drink gone dead, without showing how

To meet tomorrow, and afterwards,

And the usual pain, like dysentery.

 

Someone else feeling her breasts and cunt,

Someone else drowned in that lash-wide stare,

And me supposed to be ignorant,

Or find it funny, or not to care,

Even ... but why put it into words?

Isolate rather this element

 

That spreads through other lives like a tree

And sways them on in a sort of sense

And say why it never worked for me.

Something to do with violence

A long way back, and wrong rewards,

And arrogant eternity.

 

 

 

 

 

larkin
Philp Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

De Noorse schrijfster Linn Karin Beate Ullmann werd geboren op 9 augustus 1966 in Oslo. Zij is de dochter van Liv Ullmann en Ingmar Bergmann die ook kleine rollen speelde in de films van haar moeder. Zij debuteerde in 1998 als schrijfster met Før du sovner (Engels, Before you sleep). Zij woont in Oslo en werkt daar als cultuurjournaliste voor de krant Dagbladet. Zij is getrouwd met de dichter en schrijver Niels Fredrik Dahl.

 

Uit: Ein gesegnetes Kind (Et Velsignet Barn)

 

“Molly wurde gegen Isaks Willen im Sommer 1974 geboren. Als Mollys Mutter, die Ruth hieß, in einem Krankenhaus in Oslo niederkam, drohte Rosa damit, Isak zu verlassen. Sie packte zwei Koffer, bestellte ein Taxi vom Festland, nahm Laura an die Hand und sagte: »Solange du mit allem, was einen Rock hat, ins Bett steigst und dabei Kinder zeugst, habe ich in deinem Leben nichts mehr zu suchen. Oder in diesem Haus. Ich gehe jetzt, und unsere Tochter nehme ich mit.«

Das war im Juli 1974, nur zwei Wochen vor der Premiere des alljährlichen Laienschauspiels auf Hammarsö, geschrieben und inszeniert von Palle Quist. Das Hammarsöschauspiel war auf der Insel Tradition, Touristen und Inselbewohner trugen auf verschiedene Weise dazu bei, und die Aufführungen waren mehrmals in der Lokalzeitung besprochen worden, wenn auch nicht immer in lobenden Tönen.

Bei Rosas Wutausbruch, dem einzigen, den sie in Erikas Erinnerung jemals gehabt hatte, weinte Laura und sagte, sie wolle hier nicht weg. Erika weinte auch, weil sie vor Augen hatte, wie sie die restlichen Sommerferien allein mit dem Vater in dem Haus verbrachte, und dieser war so groß und stark, dass sie nicht für ihn kochen und ihn auch nicht allein trösten konnte.

Ruth rief zweimal an. Das erste Mal, um mitzuteilen, dass die Abstände zwischen den Wehen fünf Minuten betrugen. Zweiunddreißig Stunden später rief sie an, um zu sagen, sie habe eine Tochter geboren. Sie habe sofort gewusst, dass das Mädchen Molly heißen müsse. Das würde Isak wohl auf jeden Fall wissen wollen, dachte sie. (Nicht? Dann zur Hölle mit ihm.)”

 

 

 

Linn_Ullmann
Linn Ullmann (Oslo, 9 augustus 1966)

 

De Franse schrijver, vertaler en schilder Pierre Klossowski werd geboren op 9 augustus 1905 in Parijs. Hij schreef o.a. uitvoerige studies over Marquis de Sade en Friedrich Nietzsche, verschillende essays over literaire en filosofische onderwerpen en verhalen. Hij vertaalde Vergilius, Wittgenstein, Heidegger, Kafka en Hölderlin. Hij werkte mee aan films en illustreerde als schilder talrijke werken. In de late jaren dertig droeg hij bij aan de meeste uitgaven  van Acéphale, het tijdschrift van Georges Bataille.

 

Uit: Lebendes Geld

 

„Man stelle sich für einen Augenblick einen offensichtlich unmöglichen Rückschritt vor: nämlich eine industrielle Phase, wo die Produzenten die Möglichkeit hätten, von seiten der Konsumenten Gefühlsobjekte als Zahlungsmittel zu fordern. Diese Objekte sind lebende Wesen.

In diesem Tauschhandelsbeispiel kommen Produzenten und Konsumenten überein, Kollektionen

von »Personen« zu konstituieren, die vorgeblich für das Vergnügen, das Gefühl und die Sensation bestimmt sind. Wie aber kann die menschliche »Person« die Funktion des Geldes erfüllen? Wie würden die Produzenten, anstatt sich Frauen »zu leisten«, sich jemals »in Frauen« bezahlen lassen? Wie würden die Unternehmer, die Industriellen ihre Ingenieure und Arbeiter bezahlen? »In Frauen.« Wer würde dieses lebende Geld unterhalten?

Andere Frauen. Was das Gegenteil nahelegt: daß die berufstätigen Frauen sich »in Männern« bezahlen lassen würden. Wer unterhielte, oder anders gesagt: wer hielte dieses virile Geld bei Kräften? Jene, die über das weibliche Geld verfügten. Was wir hier vorbringen, existiert wirklich. Denn auch wenn man nicht in einen buchstäblichen Tauschhandel zurückfällt, basiert die ganze

moderne Industrie auf einem durch das unbewegte Geldzeichen vermittelten Tauschhandel,

welcher die Natur der ausgetauschten Objekte neutralisiert – das heißt: auf einem Simulakrum des Tauschhandels, einem Simulakrum in Form von Arbeitskräfte-Ressourcen, schlußendlich einem lebendigen Geld, das als solches zwar uneingestanden, aber bereits existent ist.“

 

 

 

klossowski
Pierre Klossowski (9 augustus 1905 – 12 augustus 2001)

 

De Amerikaanse schrijver Daniel Keyes werd geboren in Brooklyn, New York op 9 augustus 1927. Na een periode op zee als purser, een redacteurschap en werk in de modefotografie ging Keyes lesgeven in Engels aan scholen in New York City. Dit was een drukke tijd: overdag gaf hij les, in de weekends schreef hij en 's avonds studeerde hij Engels en Amerikaanse literatuur. Na te zijn afgestudeerd doceerde Keyes creatief schrijverschap aan Wayne State University. In 1966 werd hij professor aan de universiteit van Ohio.

In 1960 won Keyes de Hugo Award voor het korte verhaal Flowers for Algernon. Hij herschreef het verhaal tot een roman en verdiende daarmee in 1966 de Nebula Award. Het boek is twee keer verfilmd als Charly. Met The Minds of Billy Milligan, schreef Keyes een roman over de eerste persoon die is vrijgesproken vanwege dissociatieve identiteitsstoornis.

 

Uit: Flowers for Algernon

 

“progris riport 2-martch 4

I had a test today. I think I faled it and I think mabye now they wont use me. What happind is I went to Prof Nemurs office on my lunch time like they said and his secertery took me to a place that said psych dept on the door with a long hall and alot of littel rooms with onley a desk and chares. And a nice man was in one of the rooms and he had some wite cards with ink spilld all over them. He sed sit down Charlie and make yourself cunfortible and rilax. He had a wite coat like a docter but I dont think he was no docter because he dint tell me to opin my mouth and say ah. All he had was those wite cards. His name is Burt. I fergot his last name because I dont remembir so good.

I dint know what he was gonna do and I was holding on tite to the chair like sometimes when I go to a dentist onley Burt aint no dentist neither but he kept telling me to rilax and that gets me skared because it always means its gonna hert.

So Burt sed Charlie what do you see on this card. I saw the spilld ink and I was very skared even tho I got my rabits foot in my pockit because when I was a kid I always faled tests in school and I spilld ink to.”

 

 

 

daniel_keyes1
Daniel Keyes (New York, 9 augustus 1927)

 

 

09-08-06

Gerrit Kouwenaar en Philip Larkin


Gerrit Kouwenaar werd op 9 augustus 1923 in Amsterdam geboren als zoon van Jeltje Bloksma en David Kouwenaar. Zijn vader was een bekend journalist. Kouwenaar wordt sinds de jaren vijftig tot de belangrijkste dichters uit het Nederlandse taalgebied gerekend. Hij debuteerde in 1953 met de bundel Achter een woord, najaar 2002 verscheen zijn meest recente bundel Totaal witte kamer. Zijn inleiding op de bloemlezing Vijf 5-tigers zorgde ervoor dat hij lange tijd met die stroming werd geassocieerd, maar de laatste decennia wordt zijn poëtisch werk vooral vanwege het volstrekt eigen idioom en de authentieke syntaxis geroemd.  

 

Men moet

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winters nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet zijn zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge

                              * 

Vrienden, hoe wij die zomer daar zaten
op die eivolle berg tussen lege graven


hoe wij daar zaten bevroren in hitte
één blauwe seconde, ontvreemd voor een later


en hoe de cicaden de goden voorspraken
tienduizend vleugels alsof zij er waren


en hoe de dingen eenzelviger werden
goden en doden eischalen scherven


en hoe het nu herfst is en wij daar maar zitten
ook als wij elders in scherven liggen –
                          

                          *  

Elke zomer komt dit woord om eten
als de maan vol is, de tijd leegstaat


zit men aan tafel met zijn taal, goden
zouden willen bestaan, deze dood even


dit maal is een grafmaal, scherven van bekers
afgeknaagd afval, oneetbare lepels


men lepelt dat men leeft, dat de tomaat
rood is, het brood vlees, dat wat onschrijfbaar


zich inslikt en om honger bedelt, klem
zit in tweelicht witslag gedachtestreepje
   

 

Gerrit Kouwenaar (Amsterdam, 9 augustus 1923)

 

Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren als enige zoon van Sydney Larkin, een schatbewaarder in Coventry. Hij ging naar school in het City's King Henry VIII School in Coventry, daarna ging hij naar St. John's College in Oxford. Hij kon hier met enig geluk zijn diploma behalen. De oorlog was immers al begonnen en Larkin werd opgeroepen door het Britse leger maar werd afgekeurd doordat hij slecht zag. In 1955 werd zijn bundel The Less Deceived gepubliceerd. Deze bundel geldt als zijn belangrijkste bundel. Enkele jaren later begon Larkin met het schrijven van jazz-recensies voor The Daily Telegraph; dit bleef hij doen tot in 1971. Later werden deze recensies gebundeld in 'All what Jazz'. Ondertussen had hij in 1964 een nieuwe gedichtenbundel, The Whitsun Weddings, uitgebracht, waarvoor hij enkele prijzen ontving. Zijn laatste gedichtenbundel High Windows dateert van 1974.  

 

Annus Mirabilis

 

Sexual intercourse began

In nineteen sixty-three

(which was rather late for me) -

Between the end of the Chatterley ban

And the Beatles' first LP. 

 

Up to then there'd only been

A sort of bargaining,

A wrangle for the ring,

A shame that started at sixteen

And spread to everything. 

 

Then all at once the quarrel sank:

Everyone felt the same,

]And every life became

A brilliant breaking of the bank,

A quite unlosable game. 

 

So life was never better than

In nineteen sixty-three

(Though just too late for me) -

Between the end of the Chatterley ban

And the Beatles' first LP.  

 

 

This be the verse

 They fuck you up, your mum and dad.
    They may not mean to, but they do.
They fill you with the faults they had
    And add some extra, just for you.

But they were fucked up in their turn
    By fools in old-style hats and coats,
Who half the time were soppy-stern
    And half at one another's throats.

Man hands on misery on man.
    It deepens like a coastal shelf.
Get out as early as you can,
    And don't have any kids yourself.

 


Philp Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)
 

21:43 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gerrit kouwenaar, philip larkin |  Facebook |