11-07-15

Jhumpa Lahiri, Pai Hsien-yung, Herman de Man, Helmut Krausser, Giuseppe Bonaviri, Kurt Klinger, Henri Coulonges

 

De Amerikaanse schrijfster Jhumpa Lahiri Vourvoulias werd geboren op 11 juli 1967 in Londen. Zie ook alle tags voor Jhumpa Lahiri op dit blog.

Uit: The Lowland

“Normally she stayed on the balcony, reading, or kept to an adjacent room as her brother and Udayan studied and smoked and drank cups of tea. Manash had befriended him at Calcutta University, where they were both graduate students in the physics department. Much of the time their books on the behaviors of liquids and gases would sit ignored as they talked about the repercussions of Naxalbari, and commented on the day’s events.
The discussions strayed to the insurgencies in Indochina and in Latin American countries. In the case of Cuba it wasn’t even a mass movement, Udayan pointed out. Just a small group, attacking the right targets.
All over the world students were gaining momentum, standing up to exploitative systems. It was another example of Newton’s second law of motion, he joked. Force equals mass times acceleration.
Manash was skeptical. What could they, urban students, claim to know about peasant life?
Nothing, Udayan said. We need to learn from them.
Through an open doorway she saw him. Tall but slight of build, twenty-three but looking a bit older. His clothing hung on him loosely. He wore kurtas but also European-style shirts, irreverently, the top portion unbuttoned, the bottom untucked, the sleeves rolled back past the elbow.
He sat in the room where they listened to the radio. On the bed that served as a sofa where, at night, Gauri slept. His arms were lean, his fingers too long for the small porcelain cups of tea her family served him, which he drained in just a few gulps. His hair was wavy, the brows thick, the eyes languid and dark.
His hands seemed an extension of his voice, always in motion, embellishing the things he said. Even as he argued he smiled easily. His upper teeth overlapped slightly, as if there were one too many of them. From the beginning, the attraction was there.”

 

 
Jhumpa Lahiri (Londen, 11 juli 1967)

Lees meer...

11-07-14

Willie Verhegghe, Pai Hsien-yung, Herman de Man, Helmut Krausser

 

 

Bij de Tour de France

 

 

 
             François Faber                                Octave Lapize                             Lucien Petit-Breton

 

 

Les vrais héros du Tour

Ze zijn met velen, de helden van de Tour
die nu al honderd maal dit gezegend heidens land
van bloedrode wijnen en vrouwelijke wellust
met hun overvloedig rennerszweet besprenkelen,
zout wijwater uit kervend fietslabeur geboren.
Ik groet hen nederig, doe mijn petje voor hen af en
schrijf hun namen sierlijk in een goudgeel boek.
Maar zij die in Parijs ooit de ultieme lauwerkrans
om hun scherpgekoerste kop hebben gevoeld en
daarna in de Grote Oorlog met kogels en schrapnels
uit het rijk van de waanzin werden weggestuurd
zijn mij lief als waren ze mijn vaders.
De gesneuvelde klanken van hun namen stijgen op
uit verlaten graven waar geen bloemenkrans op rust,
heel even nog buigen Alpen- en Pyreneeëncols
hun stenen hoofd en daarna niets meer, vanaf 1919
ging alle Tourgeweld opnieuw zijn gewone gang
van vallen en weer opstaan en creëerden kranten
elk jaar ondoordacht en nonchalant hun nieuwe helden.
Ik denk hier piëteitsvol aan piloot Octave Lapize
die als een fazant uit de lucht geschoten werd,
aan Lucien Petit-Breton die met een legerauto
in een laatste dodenrit over stukgeschoten Franse wegen reed.
Maar de Reus van Colombes, Francois Faber, blijft
met zijn geronnen bloed en een kogelgat in het hoofd
het scherpst op mijn gescheurd netvlies gevangen:
toen hij een gekwetste makker wou ontzetten
werd hij barbaars met de heldendood beloond,
de uitgedroogde en verwelkte zegebloemen van Parijs
liggen kleurloos op zijn groot en stilgevallen hart.

 

 
Willie Verhegghe (Denderleeuw, 22 juni 1947)

 

Lees meer...

11-07-13

Jean Nelissen, Jan Siebelink, Pai Hsien-yung, Herman de Man

 

Bij de Tour de France

 

 

 

Luis Ocaña, na een val in de Tour van 1971

 

 

 

Uit: De Bijbel Van De Tour De France (door Jean Nelissen)

 

“Een ronde waarin sommige renners tot idolen worden verheven, wier faam zelfs hun dood overleeft. Zoals Fausto Coppi, die op een bergtop in het gehucht Castellania ligt begraven, omringd door aarde van de beruchte col Izoard. Een Tour waarvan de geschiedenis is doordrenkt met dramatiek van de relatief talrijke winnaars die vermoord werden of zelfde dood zochten, zoals René Pottier, Ottavio Bottecchia, Henri Palissier, Hugo Koblet en Luis Ocana. Van oorsprong eenvoudige mannen met een aanvankelijk bescheiden verwachtingspatroon, die echter door hun sportieve successen in een andere wereld werden gekatapulteerd en er hun geestelijk evenwicht verloren. Dat is een van de gevaren van deelname aan de Tour. De verleiding om een sportheld te worden, de massa te ontstijgen, roem en rijkdom te vergaren, zal echter altijd sterker blijven.”

 

 

 

Jean Nelissen (2 juni 1936 - 1 september 2010)

 

 

 

Uit: Pijn is genot (door Jan Siebelink)

 

Jean Nelissen. Le vélo, c’est la vie.

 

“Grote hitte. De renner pakt zijn bidon. Drinkt. In die situatie zal Jean Nelissen als een literair motief altijd dezelfde woorden uitspreken: “Wie bij deze temperaturen niet drinkt, beste mensen…. Een lichaam kan niet zonder water…Weet je nog Mart, het was op 12 juli 1978, op het heetste van de dag, en Bernard Thévenet, die dat jaar de Tour zou winnen, stapte af bij een bergwand waarlangs water droop. Mensen, hij likte het op metr zij tong. Hij wilde het water er wel uitwringen. Zonder water begint een levend organisme niets…”

Het tere blauw van de ochtend, het waas over de Maasvallei, de van dauw doordrenkte velden, het wisselende spel van de wolken daarboven. Ik glimlachte in mijzelf, was al bezig met de pittoreske details waarom wielercommentator Jean Nelissen zo vermaard is, de wereld om mij heen te beschrijven. Ik was op weg naar zijn woonplaats Maastricht, en verkeerde in een lichte koortsachtige stemming. Er ligt voor mij altijd grote bekoring aan te komen op een onbekende plek. Nu kwam daar nog bij dat ik naar een man ging wiens stem mij zo vertrouwd voorkwam dat ik die uit duizenden zou herkennen, maar hoe zag die man eruit die bij die stem hoorde?

Die vraag had ik mij nooit eerder gesteld. Je kende zijn gezicht niet, in tegenstelling tot dat van zijn kompaan Smeets. Je wilde het ook niet weten. Zijn rustige, innemende, licht meridionale stem was voldoende. In die zijn heeft hij voor mij altijd tot het radiotijdperk gehoord.”

 

 

 

 

Jan Siebelink (Velp, 13 februari 1938)

Lees meer...

11-07-11

Pai Hsien-yung, Helmut Krausser, Giuseppe Bonaviri, Herman de Man, Kurt Klinger, Henri Coulonges

 

De Taiwanees-Amerikaanse schrijver Pai Hsien-yung werd geboren op 11 juli 1937 in Guilin, Guangxi in China. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007 en ook mijn blog van 11 juli 2009 en ook mijn blog van 11 juli 2010.

 

Uit: Crystal Boys (Vertaald door Howard Goldblatt)

 

„Little Jade, Mousey, and Wu Min were sitting around the table eating and arguing about something. The sight of the food reminded me that I was hungry. Might as well eat something before going to the hospital.When Little Jade saw me he pointed and laughed:

“Here comes another one! What’ll we call him? How about a carp fairy!”

Mousey and Wu Min laughed.

“What the hell is that supposed to mean?” I sat down and slid Little Jade’s bowl and chopsticks over. I quickly shoveled some rice into my mouth. “I think you’re a fox fairy!”

Mousey jumped up and pointed at Little Jade.

“See there, Wu Min and I said you were a fox fairy, but you didn’t believe us. Now it’s unanimous!”

“Okay, okay, then I’m a fox fairy,” Little Jade said as he thumped his chest. “You’re a rat fairy.

And you,” he pointed at Wu Min, “you’re a rabbit fairy.” Then he turned to me. “You’re a carp fairy, the chief’s an old tortoise fairy, and A-xiong’s a gorilla fairy . . . so our ‘den of fairies’ has one of every kind.

Tonight if people come over to gawk at the fairies, we’ll sell tickets at a hundred yuan apiece. If they look too long it’ll be another hundred. That way we won’t have to sell booze to stay in business.” Little Jade snatched Mousey’s chopsticks out of his hand, banged them against the side of his bowl, and sang the children’s song “Two Little Tigers” with new words:

 

Four little fairies

Four little fairies

 

All the same height

All the same height

 

This one has no pecker

That one has no nuts

 

Isn’t that wonderful

Isn’t that wonderful

 

We laughed like crazy and joined in the next chorus of our “Fairy Song.”

 

 

 


Pai Hsien-yung (Guilin, 11 juli 1937)

Lees meer...

11-07-09

Pai Hsien-yung, Helmut Krausser, Giuseppe Bonaviri, Herman de Man, Kurt Klinger, Henri Coulonges, Luis de Argote y Góngora, Léon Bloy, Marjan Berk, Johanna Schouten-Elsenhout, Richard Beer-Hofmann, Jean-François Marmontel


De Taiwanees-Amerikaanse schrijver Pai Hsien-yung werd geboren op 11 juli 1937 in Guilin, Guangxi in China. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007.

 

Uit: Jongens van glas (Vertaald door Mark Leenhouts)

 

Ik moest weg zijn voor hij thuiskwam, om een confrontatie te vermijden. Voor ik ging liep ik nog even door de kamer van Broertje en mij. Zijn beddengoed was weg, er stond alleen een leeg bamboe bed. Het mijne was nog opgemaakt, met matje en kussen. Op het kussen lag zelfs nog mijn schooluniform, netjes opgevouwen. Mijn kleren, schoenen, sokken, boeken en schrijfgerei, alles lag nog op zijn plaats, alleen was de hele kamer bedolven onder een dikke laag stof, alsof er al maanden niet was schoongemaakt. Ik nam niets mee, deed de kamerdeur dicht en verliet het huis. Buiten sloegen zwiepende regenvlagen in mijn gezicht, dat tintelde van de pijn. Tegen de wind in liep ik de steeg uit, sneller en sneller, tot ik begon te rennen, net als toen. Aan het einde van de steeg keek ik om, opeens voelde ik mijn neus prikken en ten slotte begonnen de tranen te stromen. Dit keer ervoer ik pas echt hoe vreselijk het was om van huis weg te lopen.“

 

 

 

 

Pai_Hsien-yung
Pai Hsien-yung (Guilin, 11 juli 1937)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Helmut Krausser werd geboren op 11 juli 1964 in Esslingen am Neckar. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007 en ook mijn blog van 11 juli 2008.

 

 

 

 

Das Leben ist nur einen Traum weit weg.

Ich müßte träumen, daß ich träume, um

in ihren Armen zu erwachen, ohne

Angst, ein Lidschlag könne das beenden.

Sie redet, wie ein Blatt vom Baum zur Erde

schaukelt. Lacht, als suchten Stürme unter

allen Blättern das, worauf ein Gott sich

den Sinn des Suchens überhaupt notiert

und weggeworfen hat. Es gibt nichts mehr

zu suchen, sie ist hier und sagt: Vergiß,

was nichts zur Sache tut, die Namen, in den

Stamm geritzte Wunden. Alles heilt, sei

stolz auf mich und halt mich fest, erzähl

uns nicht, die Worte sind noch ungeboren.

Triff mich im Unendlichen und schweig.

Dann komm ich dir so nah wie nichts zuvor.

 

 

 

 

Wiedergutmachung

 

Grabräuber gaben zu Protokoll,

sie hätten die Pharaonengrüfte

geplündert in einer einzigen Nacht,

Edelsteine aus den Geschmeiden

mit Messern gestemmt, das Gold

im Uferfeuer geschmolzen,

hölzerne Sarkophage in

Brand gesteckt und brennend

den Nil nordwärts treiben lassen.

Sei sehr schön gewesen, das.

 

 

 

 

 

 

Helmut_Krausser
Helmut Krausser (Esslingen am Neckar, 11 juli 1964)

Foto: Lutz Hagestedt

 

 

 

 

 

De Italiaanse dichter en schrijver Giuseppe Bonaviri werd geboren in Mineo op 11 juli 1924. Bonaviri studeerde in Catania geneeskunde en werkte als cardioloog in Frosinone bij Rome. Zijn eerste roman, Il sarto della stradalunga, werd in 1954 gepubliceerd. In 2000 werd hij genomineerd voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Hij publiceerde 9 romans en vele gedichten- en verhalenbundels. Hij kreeg diverse onderscheidingen, w.o. de Premio Elio Vittorini. Giuseppe Bonaviri overleed op 21 maart van dit jaar.

 

 

Uit: Die blaue Gasse (Vertaald door  Annette Kopetzki)

 

“In jenen Tagen tauchte in unserem Viertel ein alter Mann auf, den wir Mastro Ciccio Pisciacane nannten. Er trug eine zerrissene Jacke und Schuhe mit löchrigen Sohlen, lebte von Almosen oder vom Verkauf selbstgebundener Kränze und schlief unter den Brücken, die manche Straßen im Ort miteinander verbanden. Oder er wurde in einem catoio beherbergt und durfte neben dem Esel schlafen, wenn draußen der Wind pfiff, der aus Schluchten, Abgründen und Gräben aufstieg.

Da keiner genau wußte, woher er kam, wer er war und ob er womöglich übers Meer gefahren war, um nach Sizilien zu gelangen, hatten sich Legenden um ihn gebildet.

Linuccia Osario mit den sehr lebhaften Augen sagte zum Beispiel, daß der Alte ein Heiliger sei. Er wolle die Menschen erretten, die sich dem Verfall und der Sünde ergeben hätten. Da er über neunzig Jahre alt war, vergaß er manchmal, wer er war, und fragte uns: «Heda, ihr kleinen Wichte, wißt ihr, wer ich bin? Erinnert ihr euch daran?» Er hatte nur noch zwei Eckzähne und wenige, gräßlich schwarze Backenzähne, er trug einen kleinen, gelben Hut und sehr schmutzige weiße Handschuhe.

Zu der Zeit hatte ich mir vorgenommen, eine Quelle zu suchen, die sich meiner Meinung nach in der Gegend des Trezzito oder auf dem Querceto befinden mußte und wahrscheinlich kühl und frisch in einer Höhle entsprang. Ich war überzeugt, dieses Wasser würde uns, wenn wir es auffingen und über unser Glied strömen ließen, mit seinem unablässigen Aufschäumen einen immensen sinnlichen Genuß bereiten. Pino Lauria jedoch entgegnete, dies sei das Wasser, aus dessen winzigen hervorquellenden Wellen Gott entstehe.

«Du denkst immer nur an die körperlichen Freuden», fügte er hinzu.

Egal – gemeinsam hatten wir, Turi Simili, Nico Giostra, Santo Cunsolo, Kòlovoz und auch Pino Lauria, der zum Zeichen der Trauer am linken Jackenärmel eine schwarze Stoffbinde trug, beschlossen, in die Wälder von Trezzito zu gehen. Doch die Anwesenheit des Alten weckte unsere Neugierde und lenkte uns von dem Vorhaben ab. Don Ciccio war ein sonderbarer alter Mann, recht schrullig. Wenn er zum Beispiel Wasser lassen mußte, ging er zu einem Hund und bespritzte ihn mit seinem Urin. Darum wurde er Pisciacane, «Hundepisser», genannt.

Ein plötzlicher trüber Aufruhr in seinen Gedanken trieb ihn, stillende Mütter zu fragen, ob sie ihn ihre Milch saugen lassen würden.

Er würde ihnen dafür Kränze aus Lorbeerzweigen, aus biegsamem Olivenlaub oder den dichten Blättern der Myrte, aber auch Fächer aus Schilfrohr und Flußbinsen geben. Er machte sogar welche aus den winzigen Blüten der Feige.”

 

 

 

 

bonaviri
Giuseppe Bonaviri (11 juli 1924 - 21 maart 2009)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Herman de Man (eig. Salomon Herman (Sal) Hamburger) werd geboren in Woerden op 11 juli 1898. Hij groeide op in de Lopikerwaard en omgeving. Zijn ouderlijk gezin woonde achtereenvolgens in Woerden, Benschop, Oudewater en Gouda. Veel van zijn latere romans zijn gesitueerd in de plaatsen, waar hij opgroeide. Ook zijn roman Het wassende water, waarvan de dertigste druk in 1991 verscheen, is gesitueerd in de Lopikerwaard. Het boek verkreeg mede doordat de NCRV er in 1986 een achtdelige TV-serie van maakte, ruime bekendheid: zes miljoen kijkers bekeken in dat jaar deze serie. De serie werd daarna meerdere malen herhaald, voor het laatst in 2009.

 

Uit: Weideweelde

 

“De woeste wind hield de regen hoog. Soms vielen enkele verwaaide droppen die lekker over hun wangen striemden, maar 't mocht geen naam van regen hebben. Ze zagen nog juist dat het Vechtwater hoog tegen de wallen opdeinde, ze vlogen langs een vernielde roeiboot die half op 't droge lag geslingerd, maar wijderop boog de rivier links af, want ze reden recht op Nederhorst den Berg aan. Daggelderswijven langs den dijk, de rokken stijf tegen de beenen gesloten, hadden allerlei dingen buiten te doen. Ze wilden natuurlijk in den zomerwind zijn, ze gilden naar elkander en grepen zich vast aan hekken en palen; haren woeien uit en petten woeien weg, rokken klepperden, takken zweepten. Rrang, daar woei de gek van een dak en kletterde op de steenen. De wind greep in de brokkelige rietdaken en wierp bossen vol groengeweerd dakriet neer, sleepte blanke lappen onderriet mee, die eerst nog rukkend weerstand boden om dan wijduitwaaierend neer te dalen, draalend, en duiklend al naar believen van den moedwilligen zomerstorm. Al het etgras lag plat tegen de wereld, zelfs de bonte blommen in de voortuintjes bij de boeren hadden kwaaie zaak met dien wind. En een regen, neen een bekogeling van appels en peren en ander fruit geschiedde in de boogerden waar ze langs reden. Ze zagen het niet. Ze zagen trouwens niets meer dan wind. De wind zat in àl hun zintuigen; ze roken, hoorden, zagen en proefden en voelden den wind...”

 

 

 

 

deMan
Herman de Man (11 juli 1898 - 14 november 1946)

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en criticus Kurt Klinger werd geboren op 11 juli 1928 in Linz. Vanaf 1953 studeerde hij germanistiek en filosofie in Wenen. Daarna werkte hij meer dan twintig jaar als dramaturg. Vanaf eind jaren zeventig was hij zelfstandig schrijver. Hij werkte bovendien als uitgever en redacteur van het tijdschrift Literatur und Kritik. Behalve gedichten en romans schreef hij ook hoorspelen en toneelstukken. Ook schreef hij voor film en televisie.

 

 

Vita

Aus einem Land, in dem ich nicht leben kann
in ein Land, in dem ich nicht leben möchte
in ein Land, in dem man das Leben nicht liebt.
Über drei Grenzen hinweg, einen Wall und über ein Weltmeer
in ein Land, in dem das Leben nicht lohnt
in ein Land, in dem niemand sein Leben begreift
in ein Land, in dem man sein Leben vergeudet
in ein Land, in dem Leben gefährlich ist.
Weiter zu großen und weiter zu kleineren Inseln
eingeschifft, verfrachtet, auf Kais abgestellt,
auf Handelsstraßen unter kriegerischen Flaggen
in ein Land, in dem man zu leben vergißt
in ein Land, in dem man das Leben nimmt
in ein Land, in dem man sein Leben verbüßt
in ein Land, das erst morgen zu leben beginnt.
Über drei Grenzen hinweg, einen Wall und über ein Weltmeer
zurück in das Land, in dem ich nicht leben kann
in das Land, in dem ich nicht leben will.

 

 

 

 

 

linz1
Kurt Klinger (11 juli 1928 – 23 april 2003)

Linz (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Henri Coulonges werd geboren op 11 juli 1936 in Deauville. Hij publiceerde in 1975 zijn eerste roman Les Rives de l'Irrawaddy, waarmee hij meteen succes oogste. Voor zijn tweede boek L'Adieu à la femme sauvage uit 1979 ontving hij de Grand Prix du roman de l'Académie française.

 

Uit: Six oies cendrées

 

Vous conviendrez, dom Mauro, qu'à votre âge on ne pouvait tout de même plus vous laisser grimper seul sur ces escabeaux glissants et instables... dit le père prieur en évitant de regarder son interlocuteur.

- Mais quoi ? répliqua avec indignation le vieux bibliothécaire. Je vous semble soudain si podagre ? Si impotent ? Si diminué ?

- Vous oubliez que vous venez d'avoir quatre-vingts ans, père ! Vous pourriez glisser et vous rompre les os au pied de ces rayonnages... Personne ne vous entendrait.

- Et alors, dom Gaetano ? Il y a pire mausolée que des murs tapissés de livres ! Cela me permettrait peut-être de continuer à étudier, là-haut... »

Un mince sourire vint éclairer le visage du père prieur.

« Sachez que nous tenons à vous garder encore longtemps parmi nous, dom Mauro ! répliqua-t-il avec élan. Ce que je vous demande en revanche, ajouta-t-il à voix plus basse tout en s'approchant de lui, c'est de ne pas trop morigéner le jeune frère Corrado. Vous risquez de le décourager, si ce n'est pas déjà fait... Nous voulions juste que vous ayez à votre disposition un jeune novice qui puisse vous soulager des tâches les plus astreignantes. »

Le vieux religieux se retourna avec vivacité.

« A ma disposition ! répéta-t-il sur un ton d'irritation. Mais justement, je ne veux disposer de personne, dom Gaetano... La vérité c'est que le père abbé m'a imposé ce jeune vaurien. Je vous fiche mon billet que ce n'est pas de la bonne graine de bénédictin.

 

 

 

 

HenriCoulonges
Henri Coulonges (Deauville, 11 juli 1936)

 

 

 

 

 

De Spaanse dichter Luis de Góngora y Argote werd geboren op 11 juli 1561 in Cordoba. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007 en ook mijn blog van 11 juli 2008.

 

 

Wil ik van de sterren leren

 

Wil ik van de sterren leren

waar gij, Tijd, gebleven zijt,

blijkt dat gij met hen verglijdt

zonder met hen terug te keren.

hoe kan ik uw loop traceren,

niemand houdt u immers bij?

Maar ach, wat verbeeld ik mij

dat gij telkens zijt vervlogen;

zij blijft, Tijd, steeds onbewogen

en slechts ik, ik ga voorbij.

 

 

 

Vertaald door G. J. Schoute

 

 

 

 

 

Tijd

 

Wil ik van de stenen leren

Waar gij, Tijd, gebleven zijt,

Blijkt dat gij met hen verglijdt

Zonder met hen terug te keren.

Hoe kan ik uw loop traceren,

Niemand houdt u immers bij?

Maar ach, wat verbeeld ik mij

Dat gij telkens zijt vervlogen;

Gij blijft, tijd, steeds onbewogen

En slechts ik ga voorbij.

 

 

 

Vertaald door Jean-Pierre Rawie

 

 

 

 

 

 

Gongora
Luis de Argote y Góngora (11 juli 1561 – 24 mei 1627)

Portret door Diego Velázquez

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Léon Marie Bloy werd geboren op 11 juli 1846 in Périgueux. Zie ook mijn blog van 11 juli 2006. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007 en ook mijn blog van 11 juli 2008.

 

Uit: Journal

 

« 1896, fevrier, 1er.

Si Zola était écrivain, -- ce que Dieu, j'en conviens, aurait pu permettre -- une ou deux pages lui eussent amplement suffi, depuis longtemps, pour empiler toute sa sécrétion intellectuelle. La petite couillonnade positiviste dont il s'est fait le Gaudissart n'est vraiment pas une Somme philosophique très-encombrante et peut aisément s'abriter sous n'importe quoi. Les quatre cents lignes nauséeuses que le Figaro nous étala, se réduisent en fin de compte à la trouvaille peu transcendante, à la truffe modeste que voici : Tout écrivain qui ne gagne pas d'argent est un raté. Je défie qu'on trouve autre chose.

Pauvre Verlaine au tombeau ! Dire pourtant que c'est lui qui nous a valu cette cacade ! Pauvre grand poète évadé enfin de sa guenille de tribulation et de péché, c'est lui que le répugnant auteur des Rougon-Macquart, enragé de se sentir conchié des jeunes, a voulu choisir pour se l'opposer démonstrativement à lui même, afin qu'éclatassent les supériorités infinies du sale négoce de la vacherie littéraire sur la Poésie des Séraphins. Il a tenu à piaffer, à promener toute sa sonnaille de brute autour du cercueil de cet indigent qui avait crié merci dans les plus beaux vers du monde

« -- Te voilà donc une bonne fois enterré ! semble-t-il dire. Ce n'est vraiment pas trop tôt. A côté de toi, je ressemblais à un vidangeur et mes vingt volumes tombaient des mains des adolescents lorsqu'ils entendaient tes vers. Mais, à cette heure, je triomphe. Je suis de fer, moi, je suis de granit, je ne me soûle jamais, je gagne quatre cent mille francs par an, et je me fous des pauvres. Qu'on le sache bien, que tous les peuples en soient informés, je me fous absolument des pauvres et c'est très-bien fait qu'ils crèvent dans l'ignominie. La force, la justice, la gloire solide, la vraie noblesse, l'indépassable grandeur, c'est d'être riche. Alors seulement on est un maître et on a le droit d'être admiré. Vive mon argent, vivent mes tripes et bran pour la Poésie ! Je suis le plus adorable génie des siècles ».

 

 

 

 

bloy
Léon Bloy (11 juli 1846
- 3 november 1917)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster en coumniste Marjan Berk werd geboren op 11 juli 1932 in Zeist als Marie-Janne van Baaren. Zie ook mijn blog van 11 juli 2008. en ook mijn blog van 11 juli 2007.en ook mijn blog van 11 juli 2006.

 

Uit: Boek voor Belle

 

“Ik beleefde dolle jaren in Zeist, ik heb flink gestapt, van alles geproefd en gegeten. Tot het op was. Veel geld, weinig geld: ik heb het allemaal meegemaakt. De talenten waren overboord gezet, ik ontmoette geen musici meer, alleen nog jongens waar ik mee ging stappen. Dan sla je geen noot meer raak. Het bracht me nergens en steeds weer op m’n kamertje terug.”

(…)

“Omdat zij zelf helemaal ging voor het wonder van de genezing, hadden we nooit over de dood gesproken. Ze had me wel beloofd dat ze zou aangeven wanneer het zover zou zijn.We hebben maar kort de tijd gehad de dingen te bespreken… “

 

 

 

 

 

Berk
Marjan Berk (Zeist, 11 juli 1932)

 

 

 

 

 

De Surinaamse dichteres Johanna Isidoro Eugenia Schouten-Elsenhout werd geboren in Paramaribo op 11 juli 1910. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007.

 

 

 

Tears

 

Look!

Smoke comes

from my thin mosquito net.

Whence comes the fire?

A soft smile

is hidden

there where my blood

to water turns

to heat up my innermost.

Fix your eyes to the middle

of the fast-flowing stream:

my long, long tears

send out a message

to those of mine

far across on the other side,

that my breath

is almost stilled.

Not even a scribble is returned,

never.

Stay well then, my soft smile.

Fare thee well,

my long, long tears.

 

 

 

 

Schouten
Johanna Schouten-Elsenhout  (11 juli 1910 - 23 juli 1992)

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Richard Beer-Hofmann werd geboren op 11 juli 1866 in Wenen. Hij bezocht het gymnasium in Wenen en studeerde er daarna rechten. In 1890 maakte hij kennis met de schrijvers Hugo von Hofmannsthal, Hermann Bahr en Arthur Schnitzler met wie hij een leven lang bevriend zou blijven. Beer-Hofmann was vermogend genoeg om zich geheel aan het schrijven te kunnen wijden. In 1893 verscheen een bundel novellen (Das Kind, Camelias), gedichten volgden. In 1900 publiceerde hij de romanl Der Tod Georgs en in 1904 het drama Der Graf von Charolais.

 

 

Schlaflied für Mirjam

 

Schlaf mein Kind, schlaf, es ist spät -

Sieh wie die Sonne zur Ruhe dort geht.

Hinter den Bergen stirbt sie in Rot.

Du, weißt nicht von Sonne und Tod.

Wendest die Augen zum Licht und zum Schein.

Schlaf, es sind so viel Sonnen noch dein.

Schlaf mein Kind, mein Kind schlaf ein.

 

Schlaf mein Kind, der Abendwind weht.

Weiß man woher er kommt, wohin er geht?

Dunkel verborgen die Wege hier sind

Dir und auch mir und uns allen mein Kind.

Blinde so gehn wir und gehen allein.

Keiner kann keinem Gefährte hier sein.

Schlaf mein Kind, mein Kind schlaf ein.

 

Schlaf mein Kind, und horch nicht auf mich.

Sinn hats für mich nur und Schall ists für dich.

Schall nur wie Windes wehn, Wassergerinn,

Worte vielleicht eines Lebens Gewinn!

Was ich gewonnen gräbt man mit mir ein.

Keiner kann Keinem ein Erbe hier sein.

Schlaf mein Kind, mein Kind schlaf ein.

 

Schläfst du Mirjam, Mirjam mein Kind?

Ufer nur sind wir und tief in uns rinnt

Blut von Gewesnen, zu Kommenden rollts.

Blut unsrer Väter voll Unruh und Stolz.

In uns sind alle, wer fühlt sich allein?

Du bist ihr Leben, ihr Leben ist dein.

Mirjam mein Leben, mein Kind, schlaf ein.

 

 

 

 

 

 

beer-hofmann
Richard Beer-Hofmann (11 juli 1866 – 26 september 1945)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Jean-François Marmontel werd geboren op 11 juli 1723 in Bort-les-Orgues. Hij behoorde tot de encyclopedisten en was bevriend met Voltaire. In zijn wijsgerige roman Bélisaire uit 1767 verdedigde hij de ‘natuurlijke godsdienst’ en de verdraagzaamheid; het boek werd door de Sorbonne veroordeeld. Een ander beroemd werk van Marmontel, Les Incas uit 1777, de geschiedenis der Inca's in Peru, was wederom een pleidooi tegen vervolging van andersdenkenden.

 

Uit: Mémoires

 

„14 Juillet 1789. La Prise de la Bastille.

Dès que le grand pont fut baissé ( et il le fut sans qu'on ait su par quelle main ), le peuple se jeta dans la cour du château, et, plein de furie, il se saisit de la troupe des invalides. Les Suisses, qui n'étaient vêtus que de sarraux de toile, s'échappèrent parmi la foule; tout le reste fut arrêté. Élie et les honnêtes gens qui étaient entrés les premiers avec lui firent tous leurs efforts pour arracher des mains du peuple les victimes qu'eux-mêmes ils lui avaient livrées; mais sa férocité se tint obstinément attachée à sa proie.

Plusieurs de ces soldats, à qui on avait promis la vie, furent assassinés, d'autres furent traînés dans Paris comme des esclaves. Vingt-deux furent amenés à la Grève, et, après des humiliations et des traitements inhumains, ils eurent la douleur de voir pendre deux de leurs camarades. Présentés à l'Hôtel-de-Ville, un forcené leur dit : "Vous avez fait feu sur vos concitoyens; vous méritez d'être pendus, et vous le serez sur-le-champ." Heureusement les gardes françaises demandèrent grâce pour eux; et le peuple se laissa fléchir; mais il fut sans pitié pour les officiers de la place. De Launay, arraché des bras de ceux qui voulaient le sauver, eut la tête tranchée sous les murs de l'Hôtel-de-Ville. Au milieu de ses assassins, il défendit sa vie avec le courage du désespoir; mais il succomba sous le nombre. Delorme-Salbrai, son major, fut égorgé de même. L'aide-major, Mirai, l'avait été près de la Bastille. Pernon, vieux lieutenant des invalides, fut assassiné sur le port Saint-Paul, comme il retournait à l'hôtel. Un autre lieutenant, Caron, fut couvert de blessures. La tête du marquis de Launay fut promenée dans Paris par cette même populace qu'il aurait foudroyée s'il n'en avait pas eu pitié.

Tels furent les exploits de ceux qu'on a depuis appelés les héros et les vainqueurs de la Bastille. Le 14 juillet 1789, vers les onze heures du matin, le peuple s'y était assemblé; à quatre heures quarante minutes, elle s'était rendue. A six heures et demie on portait la tête du gouverneur en triomphe au Palais-Royal. Au nombre des vainqueurs qu'on a fait monter à huit cents, ont été mis des gens qui n'avaient pas même approché de la place.“

 

 

 

 

Marmontel_Roslin
Jean-François Marmontel (11 juli 1723 – 31 december 1799)

Portret door Alexandre Roslin

 

 

11-07-08

Helmut Krausser, Luis de Góngora, Léon Bloy, Marjan Berk, Pai Hsien-yung, Johanna Schouten-Elsenhout


De Duitse dichter en schrijver Helmut Krausser werd geboren op 11 juli 1964 in Esslingen am Neckar. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007.

 

Uit: März. April

 

„Gestern Fußgängerzone, vorm Oviesse-Kaufhaus. Zwei Männer wälzen sich auf dem Boden, ringen, Leute drum herum, rufen: «Greif doch ma einer ein!», keiner greift ein. Die Männer ringen, schlagen einander nicht, beißen weder, noch kratzen sie. Keine Minute später sind zwei Polizisten da, wie aus dem Nichts, reißen die beiden auseinander.

Einer der Auseinandergerissenen stellt sich als Kaufhausdetektiv vor, den anderen nennt er Dieb. «Ich bin der Gute», sagt er, «und der ist der Dieb.» Und die Polizisten: «Jaja, den kennen wir doch. Nicht?» Sie wenden

sich zum Dieb: «Wir kennen uns doch? Nicht?» Dieb: «Ach Kotze, Scheiße, Pisse, Mann!» Hatte was Familiäres.

Handschellen klickten. Erste live miterlebte Verhaftung in meinem Leben. Ich wunderte mich, wie schnell die Streife kam, aber die Fugäzo ist selbstverständlich vollständig videoüberwacht. Fugäzo klingt blöd und gesucht. Ich hatte bloß keine Lust, das Wort an einem Tag zweimal auszuschreiben.

Vor ein paar Tagen hatte Lederfresse Nordamerika-Premiere in Downtown LA. Zehn Jahre hats gedauert. Haltestelle Geister wird in Moskau aufgeführt werden. Unser Lied nächsten November in Cottbus. Die sollen dort ein sehr schönes Sezessionisten-Jugendstiltheater haben. Ich hätte die UA auch nach Heidelberg geben können, aber Cottbus ist von Berlin aus viel schneller zu erreichen als Heidelberg von München, und ich will bei den Proben dabei sein. Das gab den Ausschlag. Heute stellt Beatrice endlich ihre selbstprogrammierten Lara-Croft-Level ins Netz.

Sie saß praktisch die letzten drei Monate nur am Computer. Ergebnis sollte ich mir mal ansehen, vergesse es immer wieder, völlig gedanken- und taktlos.

_

2002/2003: mein bestes Stück, mein bester Roman, mein bester Gedichtband. Nun gehts bergab, das wird lustig.

Ich sage zu jeder Lesung ja, ist gut, wird gemacht. Geld muß her. Steuerprüfer waren da. Die Verfilmung von Könige ist im letzten Moment gekippt. UC wird wenig einbringen.

Bittere Lebenszwischenbilanz: Ich werde alt und brauche das Geld.

 

lieber sklave im alten rom als kaiser in frankfurt am main es muß sich was ändern. entspanntere haltung. mehr überraschungseier. warum verzweifeln?

 

 

 

           

krausser

Helmut Krausser (Esslingen am Neckar, 11 juli 1964)

 

 

 

 

 

De Spaanse dichter Luis de Góngora y Argote werd geboren op 11 juli 1561 in Cordoba. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007.

 

 

NOT ALL SWEET NIGHTINGALES

 

THEY are not all sweet nightingales

That fill with songs the flowery vales;

But they are little silver bells,

Touched by the winds in the smiling dells;

Magic bells of gold in the grove,

Forming a chorus for her I love.

 

Think not the voices in the air

Are from the wingéd Sirens fair,

Playing among the dewy trees

Chanting their morning mysteries;

Oh! if you listen, delighted there,

To their music scattered o'er the dales,

They are not all sweet nightingales

That fill with songs the flowery vales;

But they are little silver bells,

Touched by the winds in the smiling dells;

Magic bells of gold in the grove,

Forming a chorus for her I love.

 

Oh! 'twas a lovely song -- of art

To charm -- of nature to touch the heart;

Sure 'twas some shepherd's pipe, which played

By passion fills the forest shade;

No! 'tis music's diviner part

Which o'er the yielding spirit prevails.

They are not all sweet nightingales

That fill with songs the flowery vales;

But they are little silver bells,

Touched by the winds in the smiling dells;

Magic bells of gold in the grove,

Forming a chorus for her I love.

 

In the eye of love, which all things sees,

The fragrance-breathing jasmine trees--

And the golden flowers -- and the sloping hill--

And the ever melancholy rill--

Are full of holiest sympathies,

And tell of love a thousand tales.

They are not all sweet nightingales,

That fill with songs the cheerful vales;

But they are little silver bells,

Touched by the wind in the smiling dells,

Bells of gold in the secret grove,

Making music for her I love.

Till I too shared thy heavenly rest.

 

 

 

Vertaald door John Bowring

 

 

 

Gongora

Luis de Argote y Góngora (11 juli 1561 – 24 mei 1627)

 

 

 

 

De Franse schrijver Léon Marie Bloy werd geboren op 11 juli 1846 in Périgueux. Zie ook mijn blog van 11 juli 2006. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007.

 

Uit: Journal

 

Lisant dans l’épître du jour que saint Étienne devant le tribunal des Juifs vit la gloire de Dieu, ayant plein l’esprit des magnificences de Marie d’Agréda qui raconte qu’à ce moment, la Sainte Vierge en personne vint assister le protomartyr, il me revient avec précision cette idée, autrefois si familière, que la Gloire de Dieu, c’est Marie. Alors je songe amoureusement que la fonction de Marie est un mystère de force et de splendeur dont rien ne peut donner l’idée, qu’aucune image même ne pourrait faire pressentir; que Marie est un être absolument indevinable, inconcevable et que la plus vague, la plus imprécise prénotion de ce gouffre d’éblouissements nous ferait mourir. Il faut remarquer cette parole de Marie d’Agréda extrêmement digne d’attention et dite plusieurs fois, de diverses manières, que le Saint-Esprit n’a pas manifesté les mystères de Marie aux premiers chrétiens parce que la Sagesse divine s’y opposait, le moment n’étant pas venu.

 

Journal, 26 décembre 1899.

 

***

Je n’ai jamais cessé de l’écrire depuis vingt ans. Jamais il n’y eut rien d’aussi odieux, d’aussi complètement exécrable que le monde catholique contemporain – au moins en France et en Belgique – et je renonce à me demander ce qui pourrait plus sûrement appeler le Feu du Ciel. [À un ami inconnu.]

 

Journal, 6 janvier 1900.

 

 

 

Bloy

                Léon Bloy (11 juli 1846 - 3 november 1917)

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Marjan Berk werd geboren op 11 juli 1932 in Zeist als Marie-Janne van Baaren. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007. Zie ook mijn blog van 11 juli 2006.

 

Uit:The answer is blowing in the wind.        

 

‘Had ze een badkamer of een douche?’

‘Een bad én een douche.’

‘In één vertrek?’

‘Ja, de douche in de hoek.’

Stilte.

De vrouw lag met gesloten ogen languit op het grote bed. De man strikte zijn das voor de spiegel.

‘Was het fysiek té gek?’

‘Té gek.’

Stilte.

‘Was het body and soul?’

‘Dat is een liedje.’

‘Natuurlijk weet ik dat. Je weet best wat ik bedoel.’

‘Het was fysiek.’

‘En te gek?’

‘En te gek.’

De vrouw kwam nu half overeind. Ze keek naar de man, die zichzelf bekeek, zijn haar, iets te lang van achteren.

‘We moeten weg.’

Hij hielp haar in haar jas. Ze gaven laatste instructies aan kinderen over honden uitlaten en vuilnis buiten zetten. Zij zette de telefoon op het antwoordapparaat, de kinderen haatten het om boodschappen op te schrijven, vergaten altijd de helft. Ze vertrokken per auto.

Het diner was geanimeerd, iedereen was in beste stemming, zoals gewoonlijk aten en dronken ze te veel. OM één uur lagen ze in bed. De man had zich net omgedraaid om te gaan slapen.

‘Was ze mooi?’

‘Op een bepaalde manier.’ Hij schoot uit zijn doezeligheid wakker.

‘Maar ze had toch lelijke benen? En spataderen?’

‘Dat was het enige waaraan ik me wel eens stoorde.’

‘En ze had geen borsten?’

‘Weinig. Maar dat weet je toch allemaal? Mag ik nu gaan slapen?’

IN haar borstkas woedde de veenbrand. Alles was uitgesproken, uitgeplozen, behandeld, doorgenomen, van alle kanten besnuffeld, herkauwd.

Het zou nu over moeten zijn. Het was vergeven, uitgehuild, goedgemaakt. Hij had zijn keus gemaakt. Alle vragen waren beantwoord. Hij hield van haar. Hield hij van haar?

De veenbrand woedde ondergronds verder. Soms leek het vuur geheel gedoofd, geblust, alleen zwartgeblakerde plekken verrieden de schade die was aangericht. Daar zou voorlopig niets willen groeien, maar later, ja later, zou juist daar weelderig groen opschieten. As was immers net zo goed als mest?

De vragen.

Net of de antwoorden nooit afdoende waren. Alsof er nog een andere waarheid was, die niet werd gezegd. Daardoor kwamen de vragen steeds opnieuw.

De man was uiterst geduldig. Bleef antwoorden.

Soms waren zijn uitspraken afwijkend. De vrouw maakte hem ogenblikkelijk attent op tegenstrijdigheden. Ze vergat niets. Niets. Haastig maakte de man zijn vergissingen weer goed. Natuurlijk, ja sorry, hij had nou eenmaal niet zo,n ijzeren geheugen als zijn vrouw.

 

De vrouw lag wakker. De man snurkte.

Hield zij van hem?

Ja.

Of minder?

Waarom moest ze blijven vragen? Onzekerheid over het waarheidsgehalte van zijn uitspraken? Hij was toch instaat geweest haar langdurig en volledig te bedriegen? Waarom zou hij nu de waarheid spreken? Wat was er dan bij hem veranderd, dat hij niet meer wilde liegen?

Vragen, de vragen waren de zuurstof die de veenbrand intact hield. De vragen waren de zuurstof die de veenbrand intact hield. De vragen zorgden voor onverwacht uitslaande vlammen en veel rook.

 

 

 

 

marjan_berk

Marjan Berk (Zeist, 11 juli 1932)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 11 juli 2007.

 

De Taiwanees-Amerikaanse schrijver Pai Hsien-yung werd geboren op 11 juli 1937 in Guilin, Guangxi in China.

 

De Surinaamse dichteres Johanna Isidoro Eugenia Schouten-Elsenhout werd geboren in Paramaribo op 11 juli 1910.

 

 

 

11-07-07

Luis de Góngora, Pai Hsien-yung, Johanna Schouten-Elsenhout, Léon Bloy, Marjan Berk, Helmut Krausser


De Spaanse dichter Luis de Góngora y Argote werd geboren op 11 juli 1561 in Cordoba. Hij studeerde aan de universiteit van Salamanca. In 1613 ging hij naar Madrid en werd er kapelaan van de koning. Zijn reputatie als dichter vestigde hij al in 1600 met de publicatie van de Romancero General. In zijn latere werk ontwikkelde hij de stijl die in Italië als maniërisme bekend staat en in Frankrijk als Preciosité. Zo kwam het in Spanje tot de school van het Gongorisme die de Spaanse literatuur generaties lang zou beïnvloeden.

 

 

ROMANCE

 

The loveliest girl in all our country-side,

To-day forsaken, yesterday a bride,

Seeing her love ride forth to join the wars,

With breaking heart and trembling lip implores:

"My hope is dead, my tears are blinding me,

Oh let me walk alone where breaks the sea!

 

"You told me, Mother, what too well I know,

How grief is long, and joy is quick to go,

But you have given him my heart that he

Might hold it captive with love's bitter key,--

My hope is dead, my tears are blinding me.

 

"My eyes are dim, that once were full of grace,

And ever bright with gazing on his face,

But now the tears come hot and never cease,

Since he is gone in whom my heart found peace,

My hope is dead, my tears are blinding me.

 

"Then do not seek to stay my grief, nor yet

To blame a sin my heart must needs forget;

For though blame were spoken in good part,

Yet speak it not, lest you should break my heart.

My hope is dead, my tears are blinding me.

 

"Sweet Mother mine, who would not weep to see

The glad years of my youth so quickly flee,

Although his heart were flint, his breast a stone?

Yet here I stand, forsaken and alone,

My hope is dead, my tears are blinding me.

 

"And still may night avoid my lonely bed,

Now that my eyes are dull, my soul is dead.

Since he is gone for whom they vigil keep,

Too long is night, my tears are blinding me,

Oh let me walk alone where breaks the sea!"

 

 

Vertaald door John Pierrepont Rice

 

 

Gongora
Luis de Argote y Góngora (11 juli 1561 – 24 mei 1627)

Portret door
Velázquez

 

De Taiwanees-Amerikaanse schrijver Pai Hsien-yung werd geboren op 11 juli 1937 in Guilin, Guangxi in China. Hij woont sinds 1963 in de Verenigde Staten, waar hij hoogleraar in de Chinese letterkunde was tot aan zijn pensioen in 1994. Hij geldt als de beroemdste Chineestalige prozaschrijver van Taiwan. Zijn belangrijkste werk is de roman Jongens van glas, de eerste homo-erotische roman uit Azië, die een ware cultstatus heeft verworven. De roman werd verfilmd met als titel The Outcasts. Verder publiceerde Pai de verhalenbundel Mensen uit Taipei, die beschouwd wordt als de Chinese Dubliners.

 

Uit: Glory's by Blossom Bridge

 

“The next day I ran into Mr. Lu and Spring Maid on the street. They were coming right at me, with the woman in the lead. She had her head stuck way up in the air and that big bust of hers sticking out. She was wearing real flashy clothes, had a big splash of bright red rouge on each cheek - even her toenails were painted. She went strutting down the street in full sail, her wooden clogs pounding clippety-clop. Mr. Lu followed along behind her, carrying a shopping basket. When he got close to me I did a double-take. AT first I thought he was wearing a black hat, but now I saw he'd dyed his hair jet black. Hadn't done a good job, either; it was coarse and stuck out from his head like wires. His face was so chalky white he must have had cold cream on; his eyes were sunken, the sockets so dark his face was nothing but two black caves in a spooky ground of white. I don't know why, but suddenly I though of an old actor named White Jade from the days when I used to go to the opera in Kweilin, a man well over fifty who kept on singing young romantic leads. Once I saw him in a piece from The Dream of the Red Chamber called "Pao Yu Wails by Black Jade's Coffin." I was sitting in the front row. He'd absolutely caked himself in white powder for the role, but when he came to the wailing part every wrinkle on his aged face showed through; when he opened his mouth to sing, all you saw was a mouthful of black tobacco-stained teeth. Just to look at him made me feel sick at heart; imagine that part of the young and handsome Pao Yu being played like that! Mr. Lu brushed past me; he turned his head the other way, pretending not to know me, and just walked away behind that Taiwanese wench.”

 

 

pai_portrait
Pai Hsien-yung (Guilin, 11 juli 1937)

 

De Surinaamse dichteres Johanna Isidoro Eugenia Schouten-Elsenhout werd geboren in Paramaribo op 11 juli 1910. Zij debuteerde in 1962 in het tijdschrift Soela en kwam daarna met twee poëziebundels in het Sranan: Tide ete (Vandaag nog, 1964) en Awese (Begeesterd, 1965). Van een aantal gedichten bezorgde Jan Voorhoeve een Nederlandse vertaling in Surinaamse gedichten (1973), andere gedichten verschenen in vertaling in 1995 in de Spiegel van de Surinaamse poëzie.

 

 

Arwepi

 

It's almost impossible

to believe.

The time has come, man.

Breakers cut up

the huge waves.

My head is given to a dizziness

amidst the clouds.

The open mouth of the prow

tips and lets in water on all sides.

My soul

sinks amidst a floral sea of hope

where I beg for my daily bread

and get only inanities in return.

Amidst an ominous moon

syphilitic my heart becomes,

then takes another turn

midst the excitement of Stondansi,

where my life ebbs away

amidst

the hungry bellies

strewn under the sun

 

 

 

Man of action

 

I will no heart

without a soul,

I want a living spirit.

 

I wear no shoes

which do not fit,

I wear my very own clogs.

 

I do not look

at another's face,

but in my very own mirror.

 

 

 

schouten
Johanna Schouten-Elsenhout  (11 juli 1910 - 23 juli 1992)

 

De Franse schrijver Léon Marie Bloy werd geboren op 11 juli 1846 in Périgueux. Zie ook mijn blog van 11 juli 2006.

 

Uit: Celle qui pleure

 

Le Paradis est tellement et de tant de manières au seuil du Miracle de la Salette, qu’il est aussi impossible de n’en pas parler que d’en dire un valable mot. Ce paradis, sans doute, c’est la Belle Dame elle-même, mais cela c’est trop facile. Autant proclamer l’identité de Dieu avec l’un ou l’autre de ses attributs. Le fond du Paradis ou de l’idée de Paradis, c’est l’union à Dieu dès la vie présente, c’est-à-dire la Détresse infinie du cœur de l’homme, et l’union à Dieu dans la Vie future, c’est-à-dire la Béatitude. Le mode en est infiniment inconnu et indevinable, mais on peut, jusqu’à un certain point, contenter l’esprit par l’hypothèse fort plausible d’une ascension éternelle, ascension sans fin dans la Foi, dans l’Espérance, dans l’Amour.

Contradiction ineffable ! On croira de plus en plus, sachant qu’on ne comprendra jamais ; on espérera de plus en plus, assuré de ne jamais atteindre ; on aimera de plus en plus ce qui ne peut jamais être possédé.

Il est bien entendu que je m’exprime comme un impuissant. Secundum hominem dico. L’union à Dieu est certainement réalisée par les Saints dès la vie présente, et parfaitement consommée, aussitôt après leur naissance à l’autre Vie, mais cela ne leur suffit pas et cela ne suffit pas à Dieu. L’union la plus intime n’est pas assez, il faut l’identification qui ne sera elle-même jamais assez, en sorte que la Béatitude ne peut être conçue ou imaginée que comme une ascension toujours plus vive, plus impétueuse, plus foudroyante, non pas vers Dieu, mais en Dieu, en l’essence même de l’Incirconscrit. Ouragan théologal sans fin ni trêve que l’Église parlant à des hommes est forcée de nommer Requies aeterna !

La foule déchaînée des Saints est comparable à une immense armée de tempêtes, se ruant à Dieu avec une véhémence capable de déraciner les nébuleuses, et cela pendant toute l’éternité.»

 

 

 

bloy1
Léon Bloy (11 juli 1846 -
3 november 1917)

 

De Nederlandse schrijfster Marjan Berk werd geboren op 11 juli 1932 in Zeist als Marie-Janne van Baaren. Deze juli maand waren niet alleen de Muzen, maar ook vrouwe Fortuna haar uitzonderlijk goed gezind. Zij won 1 miljoen in de Lotto. Zie ook mijn blog van 11 juli 2006.

 

 

De Hollandse taal


Holland, ze zeggen, je koeien zijn rond
Maar vierkant je taal, vooral in de mond
Ze zeggen, 't klinkt in het Engels veel beter
veel voller, veel warmer
Vooral ook veel heter
En dus heel muzikaal

 

De Hollandse taal, die kan je niet zingen
De Hollandse taal, die wil maar niet swingen
De Hollandse taal maakt alleen maar kabaal
Klinkt knarsend en kaal
Vooral erg banaal
En niet muzikaal

 

Ze zeggen zoveel dus we laten ze zwammen
Intussen gaan wij door met ijverig drammen
Zing je moerstaal, swing je moerstaal
Is wel gutturaal
Maar heel muzikaal

 

Neem zo'n woord als ossenlap, horrelvoet, achterlicht, kachelpijp, haringvangst of eierstok
Naaigerei, arbeidsplaats, tulpenbol, zwijnenstal, zeggenschap, tafelheer, kleuterklas, rassenhaat, maandverband, tropenhelm, etterbuil, hanenbalk.
Rollenspel, kersenpit, gijzelaar, slank-a-mel, balgebak, onderjurk, negenoog, penisnijd, scheepsbeschuit, snottebel, keukenrol.
Inlegvel, mosselbed, witte vloed, brouwersgracht, kattendrol, mantelpak, hoerenjong, zonnescherm, wolvega, balkenbrij, wikkelrok, troskompas.
Knopendoos, klerezooi, modderpoel, boerenstulp, damesbroek, havenhoofd.

 

De Hollandse taal, oh de Hollandse taal
Is zo gespierd en vitaal
Woorden van staal
en heel muzikaal

 

 

 

Berk
Marjan Berk (Zeist, 11 juli 1932)

 

De Duitse dichter en schrijver Helmut Krausser werd geboren op 11 juli 1964 in Esslingen am Neckar. Tegenwoordig woont hij afwisselend in München en Berlijn. In 1993 kreeg hij voor Melodien deTukan-Preis van de stad München.

 

Werk o.a.: Könige über dem Ozean, 1989, Melodien oder Nachträge zum quecksilbernen Zeitalter, 1993, Der große Bagarozy, 1997, UC (Ultrachronos), 2003.

 

Uit: Eros (2006)

 

“Stellen Sie sich eine kurzgeschorene, sehr gepflegte Wiese vor. Darauf ein Pavillon im pseudochinesischen Stil, darunter eine sehr gepflegte deutsche Familie im Sonntagsstaat: Der Vater, die Mutter, ich, etwa dreizehn Jahre alt, und meine Schwestern, die Zwillinge, drei Jahre jünger.
Dahinter ein großes Haus, eine große weiße Villa im Sonnenlicht. Es ist hell, eine fast gleißende Helle umgibt jene Menschen. Man sitzt um einen runden zartgrünen Marmortisch. Darauf stehen sechs Eisbecher mit Zitroneneis. Es sind sechs Stück, weil Keferloher zu Gast ist.
Keferloher war es, der in dieser Sekunde unserer Allacher Villa, der riesigen weißen Jugendstilvilla im Norden Münchens den Namen Eispalast gab, scherzhaft, an jenem Augustnachmittag, an dem er mit meinen Eltern im Gartenpavillon Zitroneneis zu sich nahm und die Farbe dessen, was er aß, verglich mit der Farbe dessen, was er in der Sonne leuchten sah.
Eispalast! rief ich, trunken von dem schönen Wort, und meine schwesterlichen Papageien griffen es mit ihren grellen Stimmchen auf: Eispalast! Eispalast!
Cosima und Constanze hießen sie, benannt nach Komponistenwitwen. Ich nannte sie meistens Coco Eins und Coco Zwei.
Keferloher war damals geschäftsführender Direktor in den Fabriken meines Vaters, Fabriken für Metallverarbeitung und Vulkanisiermaschinenbau, die ein Jahr nach Kriegsbeginn auf die Produktion von Rüstungsgütern aller Art umgestellt worden waren. Mein Vater betrat die Gebäude so selten wie ungern, ausschließlich zum Zweck der Repräsentation. Das Wort Fabrikbesitzer klang ihm verhaßt, als Beruf gab er stets, sogar bei den Behörden, Architekt an. Ohne je irgendwo ein Diplom abgelegt zu haben. Dennoch zu Recht. Wenn jemand für die Architektur gelebt hat, war es mein Vater; die Frage, ob er Talent besaß oder nicht, rückt in den Hintergrund vor so viel Passion. Er entwarf Kirchen, Brücken, Parkanlagen... Alles für die Schublade. Oder für eine ferne Zukunft – nach dem Krieg.
Im Eispalast waren eine Köchin, zwei Putzfrauen, ein Diener, ein Gärtner und drei Erzieher angestellt. Kein Chauffeur. Das lohnte sich nicht. Papa fuhr immer selbst, wenn er fuhr, auch wenn das unsere Mutter entsetzlich fand. Mama litt unter gelegentlichen Ohnmachtsanfällen. Niedriger Blutdruck. Das war ihr peinlich, aber ansonsten ging es uns gut, mustergültig gut. Ein viertes Kind hätte ihr das Mutterkreuz beschert; sie legte keinen Wert darauf.

 

 

 

krausser
Helmut Krausser (Esslingen am Neckar, 11 juli 1964)