10-05-18

De hemelvaart (Nicolaas Beets)

 

Bij Hemelvaartsdag

 

 
Christi Himmelfahrt. Schilderij boven het hoofdaltaar in de Hofkirche, Dresden, door Anton Raphael Mengs, 1756

 

 

De hemelvaart
Handel. I. v. 4-12.

De verlatenen

Hij heeft voor 't laatst den Berg bestegen,
En zijn disciplenschaar met Hem;
Nu klinkt nog eens zijn vriendenstem,
En uit zich in den jongsten zegen;
Daar rijst voor hun verbijsterd oog,
De Heer, nog zegenend omhoog,
En zweeft den ruimen hemel tegen.

Gewis ten hemel moest Hij varen,
Die uit den hemel was gedaald;
Die onder menschen had gedwaald,
Hernam 't gebied der Englenscharen;
Het elfgetal, verstomd van schrik,
Staat met onafgewenden blik,
En houdt niet op Hem na te staren.

Maar ras onttrekt Hem aan hunne oogen
Een wolk, die om Hem henen zweeft,
En den verheven Christus heeft
Als met een wijd gewaad omtogen.
Is dit de wolke, die voorheen,
Op Isrels heiligdom verscheen,
Der heerlijkheid van God den Hoogen?

De Jongren waren diep verslagen,
En hielden 't hoofd ter aard gebukt,
Als van een vreemden droom gedrukt,
En durfden vraag noch uitroep wagen.
Hun Heer was heerlijk weggegaan!
Maar wie, wie zou hun ziel voortaan
Versterken, leeren, onderschragen?

Weer beuren zij den blik ten hoogen,
Of niets meer zichtbaar zij van Hem!
- Daar vangt hun oor een hemelstem;
Twee Englen stonden voor hun oogen:
‘Gij Galileërs, staart niet meer!
Uw Heer komt even zeker weer,
Als Hij van u is weggetogen!’

Zoo treurt niet als verlaten weezen,
Keert weder naar Jeruzalem;
Gedenkt, vereert, verkondigt Hem;
Hij zal ook deze smart genezen.
Gaat henen en verwacht den Geest.
Hij komt, Hij komt op 't Pinksterfeest!
De Zone Gods zij luid geprezen!

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Koepel van de Sint Bavo kathedraal in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

 

Zie voor de schrijvers van de 10e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

12:24 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hemelvaartsdag, nicolaas beets, romenu |  Facebook |

25-03-18

Jezus intrede in Jeruzalem (Nicolaas Beets)

 

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Jezus in Jeruzalem door Anthony van Dyck, 1617

 

 

Jezus intrede in Jeruzalem
Matth. XXI. v. 1-9.

Wat feestelijk hozannagalmen,
Wat luid gewoel in Davids stad,
Gezwier van schaduwende palmen
En kleederspreiding over 't pad!
Wien groeten de opgetogen scharen?
Wiens statig' intocht viert haar drom?
Wien spreidt men bloem en groene blaren,
En voert Hem zegevierende om?

Een Zegepraler, wien, na 't strijden,
Een juichend volk met drift begroet?
Maar hij zou 't oorlogsros beschrijden,
Nog kleurig van vergoten bloed.
Een lijfwacht zou zijn zij' bekleeden,
De bloem van 't overwonnen heir
Zou in zijns kleppers voetspoor treden,
Een keten slepend, Hem ter eer.

Of is 't een uitgeroepen Koning,
Die 't rijk aanvaard heeft door zijn recht,
Ten dage, die met praalvertooning
De kroon Hem op den tulband legt?
Maar neen, geen stoet van vorstenmagen,
Die voor zijn schreden zich verdringt;
Geen schepter wordt vooruitgedragen;
Geen schelle feestbazuin weerklinkt.

En toch een Vorst, maar niet van de aarde,
Is Hij wien 't ezelveulen draagt;
Een prins, dien Davids dochter baarde,
Maar die geen zetel Davids vraagt,
Daar Hij zijn afkomst hooger rekent,
En hooger troon bestijgen zal;
Wiens naam Gezalfde Gods beteekent,
Wiens staf trekt over 't wijd heelal.

Wie kent, van die zijn intocht vieren,
In Davids zegenrijke stad,
Wier handen hem de meien zwieren,
En kleedren spreiden op zijn pad;
Schoon zij den grooten Meester eeren,
Den Wonderdoener en Profeet,
Wie kent in Hem den Heer der Heeren,
Die Satan op den gorgel treedt?

Die d' ijselijken strijd beginnen,
De schrikbre worstling aan zal gaan,
Waarin Hij Dood en Hel verwinnen,
En, zegevierder, op zal staan?
En hoe? Door lijden boven maten,
Door sterven, 't menschdom ten rantsoen, -
Die nu Hem toejuicht op de straten,
Een lot, dat gij Hem aan zult doen!

Wij weten van uw zegepralen,
O Heer, in wien ons hart gelooft!
Wij koestren ons in 't licht der stralen,
Die schittren om uw zeegrijk hoofd.
Wij heffen oog en hand en harte
Tot U, die op de wolken troont;
Gij waart op aarde een man van smarte,
Maar nu met hemelsche eer gekroond.

Hozanna! Koning, dien wij groeten;
Hozanna! Heer en Hoofd der Kerk!
Wij vallen needrig aan uw voeten,
Alleen door uw genade sterk.
Bekrachtig ons, gij Heer der Heeren,
Opdat wij, in uw naam gegord,
Verwinnaars, uit het strijdperk keeren,
Waarin ons zonde en dwaasheid stort.

 

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
De Nieuwe Kerk in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

 

Zie voor de schrijvers van de 25e maart ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

12:07 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: palmzondag, nicolaas beets, romenu |  Facebook |

04-03-18

De tempelreiniging (Nicolaas Beets)

 

Bij de derde zondag van de vasten

 

 
Jezus verdrijft de geldwisselaars uit de tempel door El Greco, circa 1570

 

 

De tempelreiniging
Joh. II. v. 13-17.

Ontsteekt ook soms de liefde in toren?
O! Wat ook Ware liefde doet,
En wat gij uit haar mond moogt hooren,
Zij meent het goed.

Zie Jezus tempelwaarts getogen;
Een eedle gramschap geeft hem spoed,
En heilige ijver aan zijn oogen
Een dubblen gloed.

Hij houdt, met forsche hand geheven
Een geesel van gestrengeld touw,
En komt den Tempel binnenstreven,
Zijn plicht getrouw.

Hij immers komt het kwaad bestrijden,
Waar 't aan zijn oogen zich vertoont;
En zouden wie Gods huis ontwijden
Dan zijn verschoond.

Zie, in den heilgen Voorhof brengen
De wislaars hun onheilgen stoel,
Wijl rund en schaap hun stemmen mengen
Aan 't drok gewoel.

Zie, in den Voorhof wordt vergeten
Dat hier Gods altaar prijken mag,
Men durft zich woekerwinst vermeten,
En vuil bejag.

Maar Jezus voelt zijn toorn ontwaken,
Verteerd door d' ijver voor Gods Huis,
En doet den boozen handel staken
En 't woest gedruisch.

O Laat ons 't Heilge nooit ontwijden,
Door wat der wereld toebehoort,
Maar alles in ons hart bestrijden,
Wat d'eerbied stoort!

Laat, als wij voor Gods oog verschijnen,
Het aardsch belang en 't aardsch gedruisch
Voor 't heiligend gevoel verdwijnen:
Hier is Gods Huis.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Het Adema-orgel in de Sint Bavo kathedraal in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

 

Zie voor de schrijvers van de 4e maart ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

09:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: nicolaas beets, vasten, romenu |  Facebook |

25-02-18

De verheerlijking op den berg (Nicolaas Beets)

 

Bij de tweede zondag van de vasten

 

 
De gedaanteverandering van Christus door Titiaan, ca. 1560

 

 

De verheerlijking op den berg
Matth. XVII. v. 1-9.


II.
Treed naderbij, aanschouw den Heer,
Daar Hij op Thabor staat!
Een lichtgloed blinkt om zijn gelaat;
Het is de mensch niet meer,
Die, in 't gewaad eens Joodschen mans,
Op aarde ronddoolt zonder glans;

Het is des Allerhoogsten Zoon,
Die 's Vaders zetel deelt,
Om wien het licht des Hemels speelt,
Gods eigen stralenkroon;
Voor wien, van heilge vrees bezield,
De rei der zaalgen nederknielt.

Twee daalden er, op reine vlerk,
Uit bovenaardsche sfeer,
En juichen in zijn heilig werk,
En brengen hulde en eer
Aan Hem, die kwam tot heil en troost
Van arm, gevallen menschenkroost.

Door hen was óók een zware strijd
Op deze onze aard volbracht.
Zoo donker was de gruwelnacht,
De poort des kwaads zoo wijd,
Alsof heel 't menschdom God vergat,
En dood noch straf te vreezen had.

Toen riep Hij Mozes tot zijn tolk.
Door hem heeft Hij zijn Wet;
Op Horebs bergtop ingezet.
Voor 't uitverkoren volk;
Opdat het, door zijn God geleid,
Zou wandlen in gehoorzaamheid.

Maar ach! dat volk, verblind en stout,
Doolt af van 's Heeren pad,
Verzaakt wie hen gezegend had,
En knielt voor steen en hout,
En tergt, tot ieder kwaad gereed,
Den Heil'gen, dien hun hart vergeet.

Daar zendt de Heer Elias af,
Zijn strengen boetprofeet,
Met goddelijk gezag bekleed,
Wie Baäl dient ten straf;
Dat hij nog eens van Hem getuig',
En waan en hoogmoed nederbuig'!

Wel was de strijd dier mannen zwaar,
Gestreden voor Gods eer!
Doch 't eind is goed; Hij vergt niet meer;
De tijd der rust is daar!
Maar, schoon hen Abrams schoot ontving,
Nog moeide hun de sterveling.

Ach! wanneer zou aan 't arme volk
Verlossing zijn bereid
Van zondeschuld en dienstbaarheid,
Als 't Licht brak door de wolk,
Dat met zijn zegenrijken gloed
Een troost zou zijn voor 't vroom gemoed?

Het komt. Gods Zoon, ziedaar dat Licht!
Zij dalen juichend neer,
En groeten Jezus, aller Heer,
En brengen hulde en plicht
Aan Hem, den Koning van 't Heelal,
Die arme zondaars redden zal.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Sint Bavo kathedraal (koor) in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

 

Zie voor de schrijvers van de 25e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

13:24 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: nicolaas beets, vasten, romenu |  Facebook |

18-02-18

De verzoeking in de woestijn (Nicolaas Beets)

 

Bij de eerste zondag van de vasten

 

 
De verzoeking van Christus door Ary Scheffer, 1854

 

 

De verzoeking in de woestijn
Matth. IV. v. 1-11.

I.
De booze.
Hoe? Is des Boozen euvelmoed
Zoo groot, dat niets hem vreezen doet,
Dat hij den Reinen aan durft blikken
En tarten tot zijn worstelperk?
Durft hij, door list en lagen sterk,
Den Heilgen lokken in zijn strikken?

Vernam hij, in de afzichtbre hel,
Van Gods genade 't grootsch bestel,
Zoo is de tijd zijns wroks gekomen;
Want de aarde, 't voorwerp van zijn wensch,
Met den door hem gevallen mensch,
Zijn roof, zijn buit wordt hem ontnomen.

Verborgen voor zijns volks gezicht,
Bereidt zich Jezus tot den plicht,
Waarop hij 't oog des geestes vestte,
En toeft in 't hart der woestenij.
Reeds veertig dagen vastte hij,
Maar nu, nu hongert hem ten leste.

Daar treedt, geoefend op verraad,
Met vriendlijk oog en heusch gelaat,
De Satan voor des Heilands oogen:
‘Hoe? Lijdt Gods zoon hier hongersnood?
Hij vordre van dees rotsen brood;
Wat zou Zijn almacht niet vermogen?’

Naar 's Tempels tinnen voert hij hem.
‘Welnu,’ klinkt des Verzoekers stem,
‘Werp, werp u af! Gij moogt het wagen.
Zijt Gij Gods Zoon, voor u geen nood!
Daar de Englen Gods Gods Gunstgenoot,
Op hunne handen zullen dragen.’

Hij voert hem op een hoogen berg,
Dat hij zijn hart met eerzucht terg:
‘Ziehier al 's werelds vorstendommen!
Indien gij neervalt aan mijn kniên,
Zult gij ze in Uwe handen zien,
Ten top van grootheid opgeklommen.’

De Heilige blijft onverlokt;
Geen list des Satans, die hem schokt
Of in zijn hart den lust kan wekken;
Hij keert de pijlen, die hij spilt,
Op 't godlijk woord als op een schild,
En dwingt hem schaamrood af te trekken.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Sint Bavo kathedraal in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

 

Zie voor de schrijvers van de 18e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

07:47 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: nicolaas beets, romenu, vasten |  Facebook |

13-09-17

Tõnu Õnnepalu, Roald Dahl, Janusz Glowacki, Jac. van Looy, Nicolaas Beets, Marie von Ebner-Eschenbach, Otokar Bř,ezina, Julian Tuwim

 

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

Uit: Flanders Diary (Vertaald door Miriam McIlfatrick)

“This perfect world is strange, and a little awful. I went out on the bike yesterday, planning to stay out longer, to go further, I felt that I could not stand being here in this room or outside any longer. Curious, at home I hardly ever get that feeling. I can move between room and garden for a whole week, going no further and it never enters my head that I should. If I have to go somewhere, it is simply a bore. It would be nteresting to know how many of those writers whose pictures are hanging on the corridor wall have agonized here? Most of them, I suspect. This bed where I toss and turn must have been a similar nightly battleground for a fair few. A struggle with your chimera, a writhing consciousness which wants to become itself in the mirror, but does not dare. Dreams. I am already a little afraid of this room with its cold, damp smell, the constant whine of a gnat in some corner, the broad white bed. Only at midday when the sun shines in through the withered vine tendrils and scatters patches of light over everything, is it good to stretch out, not on the bed but on the hard wooden sofa.
A perfect world ... It would be if we did not have such imperfect dreams. Yesterday I decided to do the 39-kilometre cycle route and it was good. It goes along backroads, in between fields. There is more land round there, less real estate development. There is not much development anywhere, the real estate is for the most part ready, completed earlier. The same goes for the roads. The smaller roads here are made of reinforced concrete, they seem to consist of slabs with little interstices, just like the Narva, or rather, the Leningrad road once was. It was built by German prisoners of war. In one place near Tollenbeek I saw this concreting, they were doing repair work. Apart from that there is no major road construction anywhere to be seen. Everything is ready. When this was all done, all this concrete laid down between the cornfields and grazing land, is impossible to guess. Earlier. And all these houses. If anything else is built on, it is garages. Not that there aren’t any garages, where would you find a house without a garage! You can always add another one, two or three, if the site is big enough of course. Cars seem to be multiplying here, as with us. Life is good. Could it be better? I do not think so, not significantly. Everyone could have slightly larger houses, but would anyone want that, especially when they are away from home all day. There is enough to do as it is.
The roads could be a little smoother, but what difference would it really make whether the road under you is very smooth or slightly less smooth if, on the way to work in the morning and back home in the evening, you have to sit in a traffic jam anyway?”

 

 
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

Lees meer...

13-09-16

Dolce far niente, Novalis, Tõnu Õnnepalu, Roald Dahl, Janusz Glowacki, Jac. van Looy, Nicolaas Beets, Marie von Ebner-Eschenbach

 

Dolce far niente

 


Baigneurs sur les rives de la Cure door Maximilien Luce, z.j.

 

 

Badelied

Auf Freunde, herunter das heiße Gewand
Und tauchet in kühlende Flut
Die Glieder, die matt von der Sonne gebrannt,
Und holet von neuem euch Mut.

Die Hitze erschlaffet, macht träge uns nur,
Nicht munter und tätig und frisch,
Doch Leben gibt uns und der ganzen Natur
Die Quelle im kühlen Gebüsch.

Vielleicht daß sich hier auch ein Mädchen gekühlt
Mit rosichten Wangen und Mund,
Am niedlichen Leibe dies Wellchen gespielt,
Am Busen so weiß und so rund.

Und welches Entzücken! dies Wellchen bespült
Auch meine entkleidete Brust.
O! wahrlich, wer diesen Gedanken nur fühlt,
Hat süße entzückende Lust.

 

 
Novalis (2 mei 1772 - 25 maart 1801)
Schloss Oberwiederstedt, geboortehuis van Novalis

Bewaren

Lees meer...

13-09-15

Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl, James Shirley

 

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

Uit: Border State (Vertaald door Madli Puhvel)

WHAT WAS IT YOU SAID AGAIN? "YOU HAVE A STRANGE LOOK IN your eyes-like a bystander observing the world. You're not French, are you?"
Yes, I think that those were your first words, Angelo, as you emerged from that vacuously bright sunshine, like an image appearing on white photographic paper when it's immersed in developing solution. I have waited in the hellish glow of a darkroom and watched over a shoulder as a special pair of hands performed witchcraft above the murky liquid. The point at which the picture first emerged, that brink of development, fascinated me even more than the shoulder and the hands ... That, by the way, was so long ago, in another century, in a forgotten country. But they must have been familiar with Daguerre's discovery. I remember the developing tank quite clearly. I'll tell you about that century and country eventually, and about the hands that lost their seductiveness with time. Everything in sequence! There is so much to tell you. That is, to write you, because I promised to write you. I promised to put everything down gradually, from beginning to end, if I can find a beginning and an end.
You are a stranger I may never again meet. You have come from the other side of the world and know nothing of what I am about to tell you. I could lie, could fabricate whatever my heart desired!
It was at random you talked to me in that town. No, not quite at random: you chose me because you were sent to question me, and now you have no choice. I never tried telling anyone all this before because people always think they know everything. They prejudge. You won't prejudge, Angelo.
I don't know whether you even exist. Pardon my poor French, by the way. I only dare to write you because I know you too are not French. You're nobody special, no one in particular. That's the only reason I dare turn to you. You in turn must think it is I who appeared from nowhere, from the bottom of the ocean, or the other side of the moon, from Bosnia-Herzegovina, or from an apartment filled with the suffocating stench of an indoor privy, in a small town beside a river in Eastern Europe, from behind a stack of firewood."

 

 
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

Lees meer...

13-09-14

Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl, James Shirley

 

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

 

Quelque part à un tournant du destin

Quelque part à un tournant du destin
les mains de Dieu sont pleines
de tulipes et de narcisses
cireux charnus rebelles
qui se balancent dans le vent du Nord-Ouest.

Mon âme deviendra-t-elle la fumure
sur laquelle poussera quelque chose de neuf
de moins incertain
de moins instable
qui serait comme un arbre à sept branches ?
Ou bien se noiera-t-elle un jour
semblable à aujourd’hui
dans ce lac
où dérive la Terre
dans ce regard là-haut
dans cet œil bleu et froid de prophète ?

 

 

1er SEPTEMBRE 1986

À la radio, on parle du début de la deuxième guerre mondiale. Nous sommes assis autour de la table de la cuisine. Nous nettoyons des groseilles. À Berlin, les cache-fenêtres étaient prêts depuis longtemps. La radio grésille. Aux armes citoyens ! Nous avons voyagé dans le coin d’un wagon de marchandises. À la frontière, on nous a fait sortir. Vraiment, comme il est drôle d’être vivant. Les groseilles rouges brillent à la lumière de la lampe. L’été a été chaud et ensoleillé. Les groseilles sont très sucrées cette année, et celles-ci sont déjà bien mûres. Mais les écraser contre le palais procure un plaisir acide. La Pologne était très fière de sa cavalerie. J’imagine des chevaux blancs, seulement des chevaux blancs. Ça devrait suffire pour le sucre. Tjomnaïa notch, tolko pouli svistjat po stepi. La radio estonienne s’entend mal ici. Je tourne le bouton. Polonais, letton, russe, finnois. L’Estonie, c’est ici. Et aussi à l’est, au delà de la mer. À l’ouest, de l’autre côté, c’est la Suède, et l’île de Farö où habite Ingmar Bergman. Sur l’île d’Åland, il y a des villas où l’on écoute peut-être la même musique en ce moment. Ce craquement me dérange. J’éteins la radio. Les papillons de nuit se cognent contre la vitre. L’ampoule de cent watts dans la cuisine les attire de loin. La nuit est si chaude aujourd’hui, si douce, si paisible. Tout est calme dans les grands arbres. Calme dans les champs obscurs.

 

Vertaald door Antoine Chalvin met hulp van de auteur

 

 
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

Lees meer...

13-09-13

Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl

 

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

 

 

My soul is ready for the journey

 

My soul is ready for the journey,
coat drawn close and girdled as was the command.
For the carriage will not wait or stay long
in this station
before the long and difficult ascent
that may finally lead to the fearsome mountain,
onto the strange empty ridge where the Nameless is waiting,
or perhaps to another valley, different from this one.

My soul is ready for the journey
but it does not know the way
for it leads through soul’s own bare territory
and the day journeys are hidden behind the shadows of night.

My soul is ready for the journey
but yet it is afraid to go.
Could it not rest for a while
under the pavilion of your soul?
Does it not belong to the Possible
that it were allowed a moment of oblivion there?
Or is it really your soul that has asked for permission
to sit at the hearth whose fire does not warm me?
And is it not that when one finds rest for a while
and can loosen the girdle,
the other must keep guard and cannot have a share
of the shade and refreshment that it unknowingly offers?

My soul is ready for the journey
but where it is, it is alone,
and still it is night, the Moon lures, but does not show
under what tent’s cloth the shadows seem to move
and whose shadows they are.
Are they the others, the foreign travellers?
And if morning is still far away.

Is this reddish glow
from the campfire of the Nameless
or is the decampment day already hoisting the flag of light
and the pavilion taken down
before I can even see you face to face?
And where I am lying sleeplessly
it is only an image of your body,
for your soul is travelling too and must not stop.

No, my soul is ready for the journey
and already the changing Moon
burns up in the rising glow of the Day.

And you are nowhere but far,
no, you are nowhere but far
and I am far from you.
And far from me travels my soul.

 

 

 

Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

Lees meer...

13-09-12

Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl

 

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

 

Uit: Das Boskop-Land (Vertaald door Horst Bernhardt)

 

„Neulich träumte ich, ich sei wieder in Feldafing am Starnberger See. Ich gehe die Himmelsleiter – so heißt der Weg tatsächlich – hinauf zur Villa Waldberta. Schneebedeckte Berggipfel strahlen von Ferne in einem mystischen gelben Licht. Und ich weiß, dass ich in Indien bin. Ich bin nie in Indien gewesen und werde vielleicht auch nie dorthin kommen. Ich habe Filme gesehen und Bücher darüber gelesen, aber ich weiß, dass das nicht viel nützt.

Im 13. Jahrhundert lebte in Deutschland der Franziskanermönch Bartholomäus Anglicus, Verfasser der Enzyklopädie Liber de proprietatibus rerum, in der er das damals gerade christianisierte Estland beschreibt. Bartholomäus war nie dort gewesen, er schrieb über ein Land, das er nur vom Hörensagen kannte. „Vironia“, so berichtet er über den nördlichen Teil von Estland, „ist eine kleine Provinz, von Dänemark gen Osten gelegen. Die Bewohner des Landes waren früher wilde, rohe und primitive Barbaren. Jetzt aber sind sie den dänischen Königen und Gesetzen unterworfen. Dieses Land ist von den Nowgorodern und den Russen durch einen gewaltigen Fluss mit Namen Narwa getrennt.“

Jetzt, kurz vor dem EU-Beitritt, kommen viele Journalisten und Fernsehteams aus dem „alten Europa“ nach Estland, die, ähnlich wie seinerzeit Bartholomäus Anglicus, einen knappen, griffigen Überblick über eine relativ unbekannte Gegend geben wollen. Viel weiter als er scheinen sie es dabei nicht zu bringen. Alle wollen unbedingt einen Blick auf den „gewaltigen“ Fluss Narwa (und die dazugehörige Festung) werfen, die künftige Grenze der Europäischen Union. Und Estland ist immer noch eine abgelegene „wilde“ Provinz (wenn auch inzwischen „Königen und Gesetzen unterworfen“) irgendwo im Osten, hinter der Russland beginnt. Grenzland. Und damit ist eigentlich schon alles gesagt.”

 

 

Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

Lees meer...

05-04-12

Nicolaas Beets, Hugo Claus, Algernon Swinburne, Bora Ćosić

 

Bij Witte Donderdag



Het Laatste Avondmaal door Peter Paul Rubens, 1630-1632

 

 

Het laatste avondmaal

Mark. XIV v. 22-24.

 

Toen hij zijn bijzijn was ontvloden,

Wien Jezus, in den laatsten nacht,

De bittre bete had geboden.

Die al zijn bloed aan 't gisten bracht;

Toen Judas, om, naar 't woord des Heeren,

Met haast te doen hetgeen hij deed,

Zijn heilig aangezicht vermeed,

Om met dien kus terug te keeren!

 

Toen de ijslijke ure was gekomen,

Waarin de kampstrijd aan zou gaan,

Werd op zijn wezen niets vernomen.

Dat angst of droef heid kon verraân;

Hij zag in wat Hij zou beginnen,

In ieder foltring Hem bereid,

Al zijn aanstaande heerlijkheid,

En in zijn strijden 't overwinnen.

 

Nog eens tot de Elve dan gesproken,

Van liefde en eendracht, moed en trouw!

Toen heeft Hij plechtig 't brood gebroken,

Daar elk van hen van eten zou.

Toen heeft Hij, aan dien heilgen dissche,

Den laatsten beker om doen gaan,

Zoo als 't nog heden wordt gedaan,

Ter maaltijd der gedachtenisse.

 

O Beeldspraak van de felste smart:

Gebroken brood, vergoten wijn!

Moet gij voor mijn geloovig harte

Van 's Heilands dood de teeknen zijn!

Gewis; zijn lichaam werd verbroken,

Om mij te redden van 't verderf,

Zijn hand doorgriefd, zijn zij' doorstoken,

Opdat ik Gods gena verwerf.

 

Als ik 't gebroken brood dan ete,

En proeve den vergoten wijn,

Mijn Heiland! dat ik nooit vergete

Hoe veel en groot mijn zonden zijn!

Opdat ik voor mijzelf mij schame,

Maar, overtuigd van Gods gena,

Van uw gewijde tafel ga,

Op nieuw versterkt in uwen name.

 

 

 

Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)

De theekoepel in Arendshof, waar Beets zijn verzen voorlas

Lees meer...

18-03-12

Dolce far niente 4

  

Romenu had even vrij vandaag. Morgen weer de gebruikelijke berichten en ook de schrijvers van de 18e maart.

 

 

 

Trijntjes dolce far niente.

 

't Zit in de Golf van Napels niet,

Van Napels of Tarente;

Ook 't Zandvoortsch kind heeft, als gij ziet,

Zijn dolce far niente.

 

‘'t Is lui, 't is heet, 't is brandend weer;

Hoe kan die meeuw nog vliegen?

'k Lag liever plat op 't water neer,

En liet mij zachtjes wiegen.’

 

Zoo spreekt zij, en ligt plat op 't zand,

En laat het zonlicht spelen;

Of 't bruine vel wat meer verbrandt

Kan haar geen oortje scheelen.

 

 

 


Dolce far niente door John Singer Sargent, 1907

Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)

 

 

 

 

Dolce far niente

 

De tv uit, lees geen kranten.
Geluk ligt binnen handbereik.
Kijk rustig hoe het gras groeit.
Drink een glas en zing een lied.
Tel sterren tot je dromen.

 

Ga vooral bij jezelf te rade.
Ga niet weg want je bent er al.

 

 

 

Dolce far niente door Daniel Ridgway Knight(1839 - 1924)

Rense Sinkgraven (Sint Jacobiparochie, 17 maart 1965)

 

 

 

 

Luieren

 

Ik lig de hele dag zalig languit
Te dromen en gerust op u te wachten.
Verlangen heeft mijn denken iets gekruid,
Precies genoeg om met plezier te smachten.

Ik luier feestlijk, mijn lichte gedachten
Bewegen zich om fris en geurig fruit
En bloemen, en ik luister of 'k het zachte
donkere lokken hoor der diepe fluit.

Alle avonds fluit bij dat klein huisje ginder
Een jongen de vermoeide wereld stil.
En zoals aan een grote bloem een vlinder
Zich vastklemt met behaaglijk wiekgetril,
Weet ik van ver uw stralende ogen wenken
En kan nog maar alleen aan u gedenken.

 

 

 


Dolce far niente door Franz Xaver Winterhalter, 1836

Willem de Mérode (2 september 1887 - 22 mei 1939)
 

13-09-11

Nicolaas Beets, Francis Yard, Roald Dahl, Anton Constandse, J. B. Priestley, James Shirley

De Nederlandse dichter, predikant en hoogleraarr Nicolaas Beets werd geboren op 13 september 1814 in Haarlem. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Nicolaas Beets op dit blog.

 

 
Langs moeders graf

’t Was de eerste thuiskomst na haar sterven;
Wij haalden hem van boord.
Hij pakte en kuste ons honderd werven,
Maar sprak geen enkel woord.
Een tijdlang stond hij in gedachten,
En zag ons zwijgend aan;
Op eenmaal kreeg hij moed en krachten,
En zeide “ Laat ons gaan ! “

Het kleine Stijntje werd gedragen,
Ik bij de hand gevat;
Opeens de Kerkstraat ingeslagen,
In plaats van ’t achterpad.
Verwondring heb ik niet doen blijken;
Benepen zweeg ik stil,
En had het hart niet op te kijken,
Al had ik ook de wil.

Maar toen wij langs het kerkhof togen,
Zijn hand de mijne neep,
Zag ik hem aan met vochtige ogen,
Ten blijk dat ik ’t begreep,
‘ Had ik die blik maar niet geslagen ! ‘
Herhaal ik duizend keer:
’t Gelaat dat toen mijn ogen zagen,
Vergeet ik nimmermeer.

 

 

Niet klagen

 

Niet klagen
Maar dragen
En vragen
Om kracht.
Niet zorgen
Voor morgen
Bij vallende nacht.
Niet beven
Voor ‘t leven
Gegeven
Van God
Maar ‘t heden
Besteden
Naar plicht en gebod.
Niet dringen
In dingen
Door niemand bevroed.
Tevreden
Te treden
Bij ‘t licht op het pad
En de lamp voor de voet.

 

 

Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)

Buste door Cornelis Beets, 1894

Lees meer...