17-04-17

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Vincent Corjanus, Thornton Wilder, Karen Blixen, David Wagner, R.J. Pineiro

 

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

Uit:De goede moordenaar

“In diejen tijd was de kluizenaar zijn huis aan het bouwen. Fons van Willemiene ging ten laatste alle dag naar de herberg van Jan het Man, Jan, die de suikerziekte heeft. Marjanneke den Schilder woonde in het ouderwetsche huis neven Nol Bonk, in haar huis was een tweede woning, daar woonde Pietje Pinksteren in. Nol Bonk was toentertijd voerman, hij had een bedrijf, hij voer meestentijds den klot uit de peel naar het dorp. Voor de menschen deed hij dat, voor zóóveel de kar. Hij trok, groot en zwaar naast den kop van het paard, door de dorpsstraten en door d'akker en langs de wegen in de peelvlakte. Zijn treden gingen in het geluid der bellen van den paardenhaam, in het gedokker, het gestoot van de wielen. Daar stond de regen over. De regen of de zon. En de groote wind.
Pietje Pinksteren was eenen zeventigjarigen weduwman. Pietje zijn vrouw was jaren geleden gestorven, hij had haar vroeg af moeten geven, hij was altijd nog al goed gemutst, het oude ventje, hij leefde vroolijk in zijn eentje. In die dagen is naderhand de horlogemaker Havé uit den Haag mee zijn jongeren broer en zijn dochter Celine in het dorp gekomen. Ze zijn later weer vertrokken. Er is toen nog veel praat over geweest, dat de zoon van slachter van Leunen op trouwen had gestaan met Celine. Die Celine was een aardige een, de menschen mochten achteraf maar blij zijn, dat die heele Haagsche familie weer weg deed.
Intussen waren er van allerlei dingen gebeurd, Pietje Pinksteren en Nol Bonk en later den kluizenaar, het is een heel geschiedenis geweest. En mee Fons van Willemiene is het leelijk afgeloopen.
Eenen molen op het dorp. De kerk mee den hoogen toren boven de lindeboomen uit, de boomen bij de paar uitspanningen aan het klein marktveld. Wij leefden hier zoo met zijn allen te samen, God en de duivel waren ook hier onder ons menschen. Het hemelrijk en het aardrijk, daar ligt een afstand tusschen, een breuk in de zielen. De menschen doen goed en kwaad, er zijn er die hebben een duistere vreemdigheid alsof ze van den duivel bezeten zijn. In vroeger eeuwen hebben onze schepenen een onschuldigen mensch, dien ze ten onrechte van moord beschuldigden, opgehangen buiten het dorp.”

 

 
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

Lees meer...

17-04-16

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Vincent Corjanus, Thornton Wilder, Karen Blixen, David Wagner, R.J. Pineiro

 

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

Uit: Dorp aan de rivier

“Hij had een slecht gehoor, dat was waar, maar hij had ook nog een hulpmiddel in de fijnheid van zijn andere zintuigen. Hij kon kilometers wijd zeer scherp zien en onderscheiden. Hij kon een haas in het vizier krijgen als geen ander. Hij kende ieder spoor van het wild in het gras en in de rogge. Als hij 's nachts op de grond lag uitgestrekt, omdat zijn hondje zo onrustig was gaan kwispelen en met zijn voorpootjes tegen zijn broek krabbelde, dan voelde Cis in het trillen van zijn wang, waarvandaan de dreigende voetstappen kwamen en hoe hun richting was. En ook bij de eendenkooien loerde Cis, als de wilde eenden kwamen en het lokeendje vlijtig ronddreef. Dan kon zijn schot klinken en hij haalde er een neer uit de vlucht, die met trage vlerk neergleed in het riet.
Wij hadden ook Brammetje Peccator, in zijn huis tegen de dijk buiten het dorp, de voormuur van het huis lag op de dijk, maar de achtermuur lag zo diep in de dijkhelling, tegen die blinde achtermuur kon de storm waaien, het water kon er tegen opstijgen en de stenen waren door het hoog water getekend, dat kon Brammetje Peccator niet deren. Hoe kwam Brammetje aan zijn naam. Hij had zich verstoken van de sacramenten onzer moeder de heilige kerk, ‘ik heb een zonde gedaan,’ zei Brammetje, ‘die geen biechtvader in de wereld kent.’ ‘Wat is dat voor een zonde, Brammetje?’ ‘Dat zal ik u wijsmaken,’ zei Brammetje, ‘als de professors in de moraal die zonde niet eens kennen!’ Hij was met zijn zonde in 's-Hertogenbosch in de Sint-Jan geweest. Hij was met het bootje over de Maas weggevaren naar Kevelaer. In 's-Hertogenbosch en in Kevelaer kenden ze zijn zonde niet. Eens was hij naar Rome geweest, toen was hij wel een jaar lang weggebleven. Hij kwam terug, mager en afgevast, neen, de paus kende zijn zonde niet. ‘Wat heeft de paus dan gezegd, Brammetje?’ ‘De paus heeft gezegd: “Non novi”,’ zei Brammetje. ‘O,’ zei hij, ‘maar ge hebt alzeleven gehoord, dat de paus een gevangene van het Vaticaan is?
Ik dacht, dat hij in een kelder zou liggen met een ketting aan zijn been. Maar ik weet nou, dat er geen mens op de hele wereld zo schoon en zo rijk zit te wonen als (de paus, hij zit helemaal niet in de gevangenis.’ Hoe kwam Brammetje aan zijn ‘non novi’. Brammetje was pienter genoeg, hij kon verrassen met de dingen die hij wist. Hij naderde niet tot de heilige sacramenten, maar hij ging naar de kerk en hij luisterde naar de tekstwoorden, waarmee de pastoor de lijdensmeditatie begon: ‘non novi hominem’. Ik ken die mens niet. En dan deed Brammetje nog, of hij helemaal niet extra luisterde.”

 

 
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

Lees meer...

17-04-15

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Vincent Corjanus, Thornton Wilder, Karen Blixen, David Wagner

 

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

Uit: Dorp aan de rivier

“Waarom moest hij zo gewaarschuwd worden. Daar was geen grotere stroper dan Cis. Hij stroopte in zijn enigheid, hij nam de hazen onder schot. Hij luchtte ook de polder af met de lichtbak en had er bedrevenheid in, om tegelijk te luchten en te schieten. De oppasser Beysens, die loert op hem. Dat is er een, die is van verderop langs de Maas hier gekomen. Hij heeft felle jukbeenderen, daar staan zijn diepliggende loerogen zo stekend boven als smalle spleetjes, waar ge de kleur niet van kunt zien. Daar is natuurlijk maar één ding van belang in het leven: stropers vangen. Stropers vangen, hoe dan ook, de oppasser Beysens zet zelf de strikken, legt er een dode haas in, sleept een stroper er naartoe en zegt: ‘Nu heb ik u op heterdaad betrapt.’ Dit is Cis de Dove gebeurd, omdat Cis in al zijn slimheid zo onnozel is en te goed van vertrouwen. Op een keer slenterde Cis met zijn hondje langs zo'n strik, die Beysens gezet had, Cis zijn hondje waarschuwde dat de oppasser in de buurt op de loer lag. Cis lachte hartelijk om te spotten met zulke streken. Maar Beysens kwam voor de dag getreden, Cis stond nog te lachen, maar hij kreeg een proces aan zijn broek gesmeerd. Cis was er in Den Bosch voor voorgekomen. Maar aan het kantongerecht geloven ze maar één ding, dat stropers altijd liegen en dat oppassers altijd waarheid spreken. Cis werd veroordeeld.
Een avond, dat Cis met zijn geweer in de polder lag, kreeg hij een schot langs zijn oren, hij wist dat dit schot van Beysens kwam. Dit was in zekere zin een mededeling van Beysens.
Cis was ook al eens een geweer kwijtgeraakt, daarom werd hij uitgerekend. Hij had zo'n lang smal kist gemaakt en die met zink gevoerd en bedaan, daar paste zijn geweer in. Die kist kon hij met het geweer erin naar de geheimzinnige bodem van de Maas laten zinken. Dan konden de brasem, de bliek en de voorn eens nieuwsgierig aan die kist komen snuffelen, de vissen waren stom zoals Cis doof was. Ze gingen geen geheim verraden. Niemand verraadde een geheim van Cis, de mensen kwamen hem liever waarschuwen als er ergens iets dreigde. Cis, dat mocht nou misschien een barbaar zijn in zijn bombazijnen broek, in zijn schipperstrui, met zijn petje en zijn ongeknipt haar, mijn God, wat een voorname ogen had hij in zijn gezicht en hoe waren zijn mond en zijn kin krachtig en mannelijk getekend. Neen, Cis was op zijn manier bemind bij de mensen, ze bewonderden hem als stroper, die niet gauw gevat werd. En Cis kon op zijn waakzaam hondje aan voor de geluiden, die hij van wege zijn doofheid niet hoorde.”

 

 
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

Lees meer...

17-04-14

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Vincent Corjanus, Thornton Wilder, Karen Blixen

 

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

Uit: De goede moordenaar

“In diejen tijd was de kluizenaar zijn huis aan het bouwen. Fons van Willemiene ging ten laatste alle dag naar de herberg van Jan het Man, Jan, die de suikerziekte heeft. Marjanneke den Schilder woonde in het ouderwetsche huis neven Nol Bonk, in haar huis was een tweede woning, daar woonde Pietje Pinksteren in. Nol Bonk was toentertijd voerman, hij had een bedrijf, hij voer meestentijds den klot uit de peel naar het dorp. Voor de menschen deed hij dat, voor zóóveel de kar. Hij trok, groot en zwaar naast den kop van het paard, door de dorpsstraten en door d'akker en langs de wegen in de peelvlakte. Zijn treden gingen in het geluid der bellen van den paardenhaam, in het gedokker, het gestoot van de wielen. Daar stond de regen over. De regen of de zon. En de groote wind.
Pietje Pinksteren was eenen zeventigjarigen weduwman. Pietje zijn vrouw was jaren geleden gestorven, hij had haar vroeg af moeten geven, hij was altijd nog al goed gemutst, het oude ventje, hij leefde vroolijk in zijn eentje. In die dagen is naderhand de horlogemaker Havé uit den Haag mee zijn jongeren broer en zijn dochter Celine in het dorp gekomen. Ze zijn later weer vertrokken. Er is toen nog veel praat over geweest, dat de zoon van slachter van Leunen op trouwen had gestaan met Celine. Die Celine was een aardige een, de menschen mochten achteraf maar blij zijn, dat die heele Haagsche familie weer weg deed.
Intussen waren er van allerlei dingen gebeurd, Pietje Pinksteren en Nol Bonk en later den kluizenaar, het is een heel geschiedenis geweest. En mee Fons van Willemiene is het leelijk afgeloopen.
Eenen molen op het dorp. De kerk mee den hoogen toren boven de lindeboomen uit, de boomen bij de paar uitspanningen aan het klein marktveld. Wij leefden hier zoo met zijn allen te samen, God en de duivel waren ook hier onder ons menschen. Het hemelrijk en het aardrijk, daar ligt een afstand tusschen, een breuk in de zielen.”

 

 
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

Lees meer...

17-04-13

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Thornton Wilder

 

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

 

Uit: Dorp aan de rivier

 

“Daar had hij lange jaren zijn geweldige hoogmoed over gehad, maar eens, toen het wekenlang regende en het water geweldig waste, toen er ook binnendijks huizen aan moesten geloven, ja, toen was Janus de Mert ook overstroomd geweest. Toen zat hij grif afgesloten, er waren koeien en varkens van hem verdronken, hij zat in de grote opkamer van angst te klagen, sindsdien had hij een noodklok op de nok van zijn zwaar rieten dak. Hij dacht, als het weer gebeurt, dan zal ik die noodklok luiden, dan kannen ze mij komen redden. Want Janus de Mert, dat mocht nou voor zijn doen in deze omgeving een flinke boer zijn, hij mocht zijn grootspraak hebben, hij had een hazenhart, hij was schrikkelijk laf en bang als het om zijn lijf en leden ging. Daar heeft hij later nog angst en ellende genoeg over gehad, toen was hij te zwak geworden om de noodklok te luiden. Ge hadt hier ook Cis de Dove, die woonde in een klein arkje op de Maas, dat had hij een beetje buiten het dorp achter het veer liggen. Hij had het zelf blinkend groen geverfd, en de spijlen van de ruitjes had hij blinkend wit geschilderd. Daar had hij pleizier in, in die heldere dingen. Hij had gordijnen van bloemen, zozeer als hij geraniums, foksia's en floxen voor het raam had staan, omdat hij daar zo'n pleizier in had. In het warm, klein, planken inwendige van zijn drijvende huis, hoe was het daar gesteld. Tegen de planken zoldering hingen honderden hazenstrikken bijeengekluwd. Cis zat daaronder dicht bij zijn dubbelloops jachtgeweer, en zijn petroleum-

[p. 10]

stel, dat gaf als het brandde 's avonds voor de koffie, die Cis ging zetten, nog op zekere zin gezelligheid. En Cis zijn onsterfelijke witte, bruingevlekte hondje, dat kefte als ge binnenkwaamt en het sprong voor geweld, om Cis, die zo doof was als een hout, te waarschuwen.”

 
 

Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

Lees meer...

17-04-12

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Thornton Wilder

 

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

 

Uit:Dorp aan de rivier

 

„Maar als na de maartse winden de warme lente komt, nam de Maas haar overvloed weer in haar boorden terug. Zij versmalde in haar lage bedding, in haar liefelijke vallei. Zij kreeg het beeld van haar zomerse vriendelijkheid in de uitgestrekte vette diepgroene uiterwaarden, waarin de wilgen in hun lichte lover schoon getekend staan en bewegen in de wind, in de zilverig witte, wilde ruigten der grienden. De koeien graasden in de waarden en werden er vet. En in juli kwamen de boeren het goed, kostelijke hooi met geweldige karrenvrachten langs de rivier weghalen. Maar zij betaalden een zware pacht.

Alles wat ik u vertellen ga is in dit dorp geschied. Het dorp heeft historie, het is oud als de tijd, het is door oorlogen gekweld en door vijanden geplunderd. Watervloeden en dijkdoorbraken hebben het geteisterd, dit alles is lang geleden. Er wonen kleine burgers op de dijk, winkeliers en ambachtslui. Het gemeentehuis met het lage bordes, en de getraliede ramen beneden, en met de windvanen op het dak, dat staat daartussenin. De kastelein Willem van Oijen had op de dijk zijn herberg De Koffiekan, later heeft hij de naam van zijn herberg veranderd, hij noemde zijn herberg toen café Moira. Moira, dat was om de klank begonnen. Het noodlot kon over de mensen stormen als de winden over de dijken, soms viel een mens om met een slag, de Pale Pie, die zij met een bijl de kop insloegen, Willem van der Aa, die van de postkoets viel op de weg naar Oss en die met zijn kop onder de wielen terechtkwam, en de noodlottige ongelukken op de molen. Er was een trager leed, Mammeke, dat aan de syfilis wegteerde, dat had in zekere zin de Maas gedaan, de Maas had dat voor haar meegebracht. Binnen de dijk langs de wegen, daar woonden de boeren, dat waren meest kleine pachtboeren, die een acht of een tien bunder be-

werkten, die hooiland en grasland pachtten en land in de polder bebouwden. De machtige grote heren van de grond, die zaten hier of daar, die zaten in 's-Hertogenbosch, die inden de pachtsommen waarvoor hier de boeren te werken hadden in dit klein dorp. Veel welvaart was er niet, de mensen hadden hun zorg en hun wijze soberheid, als het gewas geen tegenspoed gaf en het vee niet, dan waren zij tevreden, er was een enkele rijke eigen boer, Janus de Mert op de Bergen, de weduwnaar, dat was er zo een, die maakten ze niks. Die had zijn huis en zijn hof en zijn grond zo hoog liggen, het water, dat kon daar ook niet bij.“

 

 

Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

Lith, het dorp aan de rivier dat model stond

Lees meer...

17-04-11

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Thornton Wilder, David Wagner

 

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook mijn blog van 17 april 2007 en ook mijn blog van 17 april 2008 en ook mijn blog van 17 april 2009 en ook mijn blog van 17 april 2010.

 

Uit: Uitvaart

 

“De schaduwen van zomerwolken ijlden breed en groot over de neerbuigende halmen, de korenbloemen dansten mee, en langs de bermen en akkerzoomen vlamde, bij de rossige zuring en bij de windbewogen kamillen, het vuren rood van de klaproos.

Eens kwam Anna, de vrouw van Martien Deysselbloem thuis, toen was er een telegram voor haar gekomen. Daar hadden de anderen nieuwsgierig bijgestaan. Toen Anna het telegram gelezen had, was zij doodsbleek geworden. Zij gaf het aan Martien. Zij was naar de opkamer gegaan. Zij had zich daar aangekleed, om te vertrekken. Haar vader had een beroerte gekregen. Ze ging naar huis. Voor ze de deur open deed hoorde ze Martien zeggen:

- Gij, in jouw omstandigheden ...

De anderen zaten verlegen en met een bitteren trek op het gezicht. Anna keek haar man aan, want zij had nu duidelijk iets gevoeld. Zij sloot de oogen. Zij stond in 't open deurgebint, het zomerlicht lag warm op haar gesloten oogen. Zoo kon zij de anderen niet zien. Zij wist, dat Martien daar stond. Zij zei:

- Net op het oogenblik voor het eerst voel ik leven. Zij wachtte even. Ze zei zijn naam er nog achter:

- ... Martien.

Haar schoonzuster Nel zei:

- Hè, hè toch ja, dat is nog al een mooi zeggen, dat ge u niet schaamt!

Toen Anna op den drempel stond en de boomen zag en de velden en het koren der wereld en een windstroom door de verre populieren, voelde zij de zwaarte in zich stroomen van een zekerheid, die zij uitsprak:

- Vader komt er niet meer bovenop. Hij zal sterven. Zij hoorde Nel tegen Martien zeggen:

- Gij moet meegaan. Dat is voor alles en voor een goede regeling het beste, dat ge er maar direkt bij bent. Toen vluchtte Anna schreiend weg.”

 

 

 

Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

Borstbeeld in Deurne

 

 

Lees meer...

17-04-10

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Thornton Wilder, David Wagner, Rolf Schneider, Cynthia Ozick, Helen Meier, Anton Wildgans


De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897.

 

Uit: De Oost-Brabanters

 

AAN den Oost-Brabanter geldt algemeen, dat hij een vroolijken, opgeruimden aard heeft en zelfs dicht men hem de deugd van een humor toe, van dien min of meer befaamden, Brabantschen humor, welke te verbinden is met het beeld van het oolijke boertje, dat een zijden pet draagt en een pijp rookt met krom roer. In Brabant wonen echter nog andere menschen dan boeren en zelfs waar de boeren wonen, is - ik hoop niet, dat dit teleurstelt - dat geijkte, onnoozele almanakkenboertje niet te vinden. Het historische lot van den Brabanter der Meierijsche zandgronden, gevormd en bepaald in de ruim anderhalve eeuw der geschiedenis van de generaliteit, is vervangen door een ander. Na de economische onderdrukking door een uitmergelend belastingstelsel, dat de Staten-Generaal het veroverde wingewest oplegden, en na de ruim anderhalve eeuw der plakkaten van die zelfde Staten, die den Brabanter in zijn godsdienst op de bitterste wijze vervolgden - tevergeefs! - kreeg hij ten deel den welwillenden glimlach van dien noordeling, die de Brabanters wel vermakelijke luidjes vindt, met wie je in den Bosch, als 't Carnaval is en als ze allemaal zoo gek doen, best eens gezellig pret kunt komen maken. Die Brabanters nemen het allemaal nog al van den lichten kant op, zegt men. Maar men doet daarmee onrecht aan den kwalijk begrepen glimlach, dien ze, mèt hun wijsheid, overgehouden hebben op zooveel dingen, welke waarlijk dapper zijn gedragen, zonder dat ze nu dadelijk licht waren op te nemen.

In den tachtigjarigen oorlog waren deze streken een gebied, dat verwoest, geplunderd en verbrand werd en beurtelings het slachtoffer was zoowel van de Staatsche troepen als van den moedwil der Spaansche soldaten. Nu de tragedie geleden en alles verre geschiedenis is, zit er misschien voor hen, die zoo graag de leukheid van den Brabanter waardeeren, iets komisch in deze positie, waarin van twee zijden de slagen vielen, een positie, die Brabant voortdurend innam toen het voor de oorlogende Republiek een soort stootblok was en ‘schatten gelds, niet voor eigen veiligheid, doch voor die van Holland kon opbrengen.’

 

 

 

 

antoon_coolen
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

Antoon Coolenmonument door Hans Godefroy in Waalre

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Ida Boy-Ed werd geboren op 17 april 1852 in Bergedorf (Hamburg).

 

Uit: Thomas Mann: Königliche Hoheit

 

“Um sich an diesen Stoff zu wagen, bedurfte es einer Unbefangenheit von meisterlicher Ruhe und Größe. Dazu einer vollkommen kristallklaren Objektivität zu[135] politischen Dingen. Die Tragödie des Einsamen konnte nur ein Einsamer schreiben, einer, der Zärtlichkeit für die latente Tragik der Einsamkeit hat und zugleich das ironische Lächeln über ihre Schiefheiten. Also Thomas Mann.

Seine soeben herausgekommene monumentale Romandichtung »Königliche Hoheit« ist ein kulturgeschichtliches Dokument von so umfassender Art, das Sozialkritische ist darin so durchaus von dem Poetischen durchdrungen, daß man vor der Tatsache steht: Thomas Mann hat sich zum zweitenmal für seinen eigenen Stoff eine eigene Form geschaffen, und die deutsche Literatur besitzt noch kein Werk, an dem dies, als von verwandter Art, gemessen werden könnte.

Werke nun, die ihren Maßstab in sich selbst tragen, sind der Kritik nur dann zugänglich, wenn in ausführlicher Eindringlichkeit das Problem, die Kompositionstechnik, die Sprachtechnik, die plastische Greifbarkeit der Gestaltung und der Gestalten aufgezeigt werden kann, wozu mir hier im erwünschten Maß keinenfalls der Platz eingeräumt werden könnte.

Was mir am allerwunderbarsten erscheint und das Wort »Poeten sind Propheten« wieder einmal wahrmacht, ist, daß Mann schon seit vier Jahren mit dieser Arbeit in heißem Mühen rang, ja, ihr Sklave war, und daß sich inzwischen dies sein Problem durch die Ereignisse der Welt aufdrängte ... Er hat es im Sinn des aristokratischen Künstlers gelöst, in welchem sich immer, fast auf das paradoxeste, die Erkenntnis und das analytisch Auflösende mit dem Konservativen verbindet. Soweit man bei dem über den Dingen schwebenden Geist Manns, bei der anmutigen Ironie seiner [136] Schilderungen überhaupt von einer Parteinahme des Dichters sprechen darf, muß man sagen: der Fürst ist ihm das notwendige Symbol, des Volkes erhöhtes Wunschbild, in dessen Anblick es hochleben und seiner selbst froh werden kann.”

 

 

 

boy-ed-u-mann
Ida Boy-Ed (17 april 1852 – 13 mei 1928)

Ida Boy-Ed met Thomas Mann aan het raam van haar woning bij het Lübecker Burgtor

 

 

 

 

De Engelse schrijver Nick Hornby werd geboren op 17 april 1957 in Redhill.

 

Uit: Juliet, Naked

 

They had flown from England to Minneapolis to look at a toilet. The simple truth of this only struck Annie when they were actually inside it: apart from the graffiti on the walls, some of which made some kind of reference to the toilet's importance in musical history, it was dank, dark, smelly and entirely unremarkable. Americans were very good at making the most of their heritage, but there wasn't much even they could do here.

"Have you got the camera, Annie?" said Duncan.

"Yes. But what do you want a picture of ?"

"Just, you know . . . "

"No."

"Well . . . the toilet."

"What, the . . . What do you call those things?"

"The urinals. Yeah."

"Do you want to be in it?"

"Shall I pretend to have a pee?"

"If you want."

So Duncan stood in front of the middle of the three urinals, his hands placed convincingly in front of him, and smiled back over his shoulder at Annie.

"Got it?"

"I'm not sure the fl ash worked."

"One more. Be silly to come all the way here and not get a good one."

This time Duncan stood just inside one of the stalls, with the door open. The light was better there, for some reason. Annie took as good a picture of a man in a toilet as one could reasonably expect. When Duncan moved, she could see that this toilet, like just about every other one she'd ever seen in a rock club, was blocked.

"Come on," said Annie. "He didn't even want me in here."

This was true. The guy behind the bar had initially suspected that they were looking for a place where they could shoot up, or perhaps have sex. Eventually, and hurtfully, the barman had clearly decided that they were capable of doing neither thing.

Duncan took one last look and shook his head. "If toilets could talk, eh?"

Annie was glad this one couldn't. Duncan would have wanted to chat to it all night.”

 

 

 

Hornby
Nick Hornby (Redhill, 17 april 1957)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Thornton Niven Wilder werd geboren op 17 april 1897 in Madison, Wisconsin.

 

Uit: The Bridge of San Luis Rey

 

On Friday noon, July the twentieth, 1714, the finest bridge in all Peru broke and precipitated five travelers into the gulf below. This bridge was on the highroad between Lima and Cuzco and hundreds of persons passed over it every day. It had been woven of osier by the Incas more than a century before and visitors to the city were always led out to see it. It was a mere ladder of thin slats swung out over the gorge, with handrails of dried vine. Horses and coaches and chairs had to go down hundreds of feet below and pass over the narrow torrent on rafts, but no one, not even the Viceroy, not even the Archbishop of Lima, had descended with the baggage rather than cross by the famous bridge of San Luis Rey. St. Louis of France himself protected it, by his name and by the little mud church on the further side. The bridge seemed to be among the things that last forever; it was unthinkable that it should break. The moment a Peruvian heard of the accident he signed himself and made a mental calculation as to how recently he had crossed by it and how soon he had intended crossing by it again. People wandered about in a trance-like state, muttering; they had the hallucination of seeing themselves falling into a gulf.

There was a great service in the Cathedral. The bodies of the victims were approximately collected and approximately separated from one another, and there was great searching of hearts in the beautiful city of Lima. Servant girls returned bracelets which they had stolen from their mistresses, and usurers harangued their wives angrily, in defense of usury. Yet it was rather strange that this event should have so impressed the Limeans, forin that country those catastrophes which lawyers shockingly call the "acts of God" were more than usually frequent. Tidal waves were continually washing away cities; earthquakes arrived every week and towers fell upon good men and women all the time. Diseases were forever flitting in and out of the provinces and old age carried away some of the most admirable citizens. That is why it was so surprising that the Peruvians should have been especially touched by the rent in the bridge of San Luis Rey.“

 

 

 

 

Wilder
Thornton Wilder (17 april 1897 – 7 december 1975)

Cover Time, 12 januari 1953

 

 

 

 

Zie voor de vier bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 17 april 2007 en ook mijn blog van 17 april 2008 en ook mijn blog van 17 april 2009.

 

 

 

De Duitse schrijver David Wagner werd geboren op 17 april 1971 in Andernach. Zie ook mijn blog van 17 april 2007 en ook mijn blog van 17 april 2009.

 

Uit: Vier Äpfel

 

“Lange bin ich gar nicht gern in Supermärkte gegangen. Heute aber trete ich durch die leise zur Seite gleitende Schiebetür und sehe gleich den Rücken meiner Lieblingskassiererin an der Kasse links, ich erkenne sie an ihrem langen, blonden, gewellten Haar. Ich bleibe stehen, suche in meiner Hosentasche nach einer Münze für das Einkaufswagenschloß und schaue zu, wie sie das Strichcode-Etikett einer Käse- oder Fleischwarentüte mit unnachahmlicher Handbewegung über das Scannerfeld ihrer Computerkasse schwenkt. Dann durchquere ich den Raum vor den Kassen, löse einen Einkaufswagen von der Kette, ziehe ihn heraus, wende Richtung Drehkreuz und schiebe ihn durch den Vorhang aus den drei signalorangefarbenen Plastikelementen, die mich immer an ihre entfernten Verwandten, die Fliegenvorhänge aus bunten Plastikstreifen, erinnern. Hinter solchen Strandhüttenvorhängen liegt das Meer, hier, im Supermarkt, zeigen sie nur an, wo der Verkaufsraum beginnt.

Ich gebe dem Einkaufswagen einen Stoß, er rollt unter der Sperre hindurch, die schmalen Plastikzungen klappen nach hinten und schwingen schon wieder vor, während ich durch das Drehkreuz gehe, in dem ich mich, wie immer, für einen kurzen Augenblick gefangen fühle,bevor ich die Verkaufs-fläche betrete und in ein großes, gut ausgeleuchtetes Stillleben gelange, aus Äpfeln, Birnen, Pfirsichen und Bananen, Gurken, Möhren, Paprikaschoten und Tomaten.

Vor dem Obst reiße ich eine transparente Plastiktüte von einer der senkrecht angebrachten, drehbar gelagerten Tütenrollen und suche unter all den angebotenen Apfelsorten nach einer, die mir weniger künstlich erscheint als die anderen. Natürlich muß ich dabei berücksichtigen, daß die Züchter, die heute womöglich Produktdesigner heißen, sicher längst einen Apfel entwickelt haben, der den

Anschein erweckt, gerade erst von einer naturbelassenen Streuobstwiese gepflückt worden zu sein, tatsächlich aber schon Wochen im Bauch eines Schiffes oder in der kontrollierten Atmosphäre eines Lagerhauses bei abgesenktem Sauerstoffgehalt gelegen hat.”

 

 

 

DavidWagner
David Wagner (Andernach, 17 april 1971)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Rolf Schneider werd geboren op 17 april 1932 in Chemnitz. Zie ook mijn blog van 17 april 2009.

 

Uit: Das Mittelalter

 

Das römische Imperium umfasste in Zeiten seiner größten Macht und Ausdehnung sämtliche Gebiete, die an das Mittelmeer grenzten, man darf von einem Weltreich sprechen. Die Zahl der von

Rom beherrschten Völkerschaften war entsprechend groß, und immer wieder gab es Erhebungen, auch kam es häufig zu militärischen Überfällen von außerhalb. Im vierten nachchristlichen

Jahrhundert erfolgten derlei Angriffe bevorzugt durch germanische Stämme, die sich auf der Suche nach neuen Siedlungsgebieten befanden, denn ihr überwiegend in südliche Richtungen erfolgender

Wanderzug berührte meist römische Territorien.

Das Herkunftsgebiet der Germanenvölker lag an der Ostsee. Der Name der südschwedischen Insel Gotland hält die Erinnerung an zwei dieser Stämme wach : Ost- und Westgoten. Außer Goten waren Wandalen unterwegs, Langobarden, Sachsen, Franken, Burgunder.

Von einer gemeinsamen germanischen Identität kann jedoch kaum die Rede sein. Jener Sammelbegriff kam durch römische Historiker auf, und sieht man von einigen religiösen Parallelen ab, wiesen allenfalls die Sprachen größere Gemeinsamkeiten auf. Alle Germanen benutzten eine verwandte Grammatik und einen ähnlichen Wortschatz, die – vielleicht – auf einen gemeinsamen Urdialekt zurückgingen. Ansonsten waren sich die einzelnen Stämme eher fremd, im Konfliktfall feindlich gesinnt, und nicht einmal innerhalb einer einzelnen Völkerschaft hielt man dauerhaft zusammen, vielmehr konnte sie in Untergruppierungen zerfallen, die sich blutige Gemetzel lieferten.

Die Ursachen für die im vierten Jahrhundert anhebenden Wanderbewegungen (an der durchaus nicht alle Germanen teilnahmen) waren vielfältig. Sie wurden durch eine Veränderung des Klimas ausgelöst, wohl auch durch Bevölkerungswachstum, vor allem aber durch den Einfall der Hunnen.”

 

 

 

Schneider

Rolf Schneider (Chemnitz, 17 april 1932)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick werd geboren op 17 april 1928 in New York. Zie ook mijn blog van 17 april 2007 en ook mijn blog van 17 april 2008 en ook mijn blog van 17 april 2009.

 

Uit: The Din in the Head

 

When Susan Sontag died in the winter of 2004 — at seventy- one, far too soon for her powers to have been exhausted or her intellect slaked — she left a memorable and mottled trail. Much of her life will endure in photographs— but cameras, she argued, do not so much defeat transience as render it “more acute.” Still, here she is on the back cover of my browning paperback copy of The Benefactor, a first novel published in 1963, when she was thirty: dark-haired, dark-browed, sublimely perfected in her youth. The novel, which reads like an audacious, sly, somewhat stilted translation from the French of a nineteenth-century philosophical memoir, ends with “a photograph of myself” — the self of the old narrator, who is contemplating his death. How distant death must have seemed to the young novelist then! In another photograph, dated 1975, she is lying on her back, hands under her head, with strongly traced Picasso eyelids and serene lips less curled than Mona Lisa’s: beautiful at forty-two. Like any celebrity, she could be watched as she aged. Ultimately there came the signature white slash through the blackened forelock, and the face grew not harder but hardier (despite recurrent illness, throughout which she was inordinately courageous). She had a habit of tossing back her long loose hair when it fell, as it did from moment to moment, over her eyes: the abrupt shake of the head, once girlish, turned incongruous in the sexagenarian. She was tall and big- shouldered. She dominated any room, any platform; her voice was pitched low, mannish, humorous, impassioned, impatient. Shewas more than a presence: it was as if she had been inscribed in a cartouche — a figure who had, in effect, founded the culture in which she moved. And wherever she moved, the currents flowed with her.

 

 

 

CynthiaOzick
Cynthia Ozick (New York, 17 april 1928)

 

 

 

 

De Zwitserse schrijfster Helen Meier werd geboren op 17 april 1929 in Mels, Kanton St. Gallen. Zie ook mijn blog van 17 april 2009.

 

Uit: Schlafwandel

 

Davide Signoretti war tot, und für Nora Korn, seine Geliebte, änderte sich das Leben und das Erinnern. Davides letzte zwei Lebensjahre, in denen er zu kränkeln begonnen hatte, hatten ihre Meinung verstärkt, durch die katholische Kirche eines wichtigen Teils ihrer Jugend beraubt worden zu sein. Ihr Zorn über Nichtgelebtes trieb sie, ein Stück über einen Papstmord zu schreiben, und das ohne jede Schreiberfahrung. Zu ihrer Überraschung wurde es angenommen. Nora saß einige Zeit danach mit dem Intendanten, der Dramaturgin Frau Claassen, der Regisseurin und einem Mann unbestimmter Aufgabe im Restaurant, das neben dem Theater in einem kleinen Park lag. »Erzählen Sie uns, was Sie sich beim Schreiben des Stücks gedacht haben«, sagte die Regisseurin. Nora, verwirrt, beschämt, daß sie sich nicht mehr genau erinnerte – hatte sie es in Trance oder Trauer hervorgewürgt, in einer Art von Tollheit oder Trotz hingeschmettert –, fing an, über die Vernichtung des Symbolträgers anstelle seiner Lehre zu stammeln, spürte die Dünne der Argumentation, verhaspelte sich, fühlte sich unbehaglich. Der Intendant runzelte die Stirn, schürzte die Lippen. »Frau Claassen«, sagte er, »erklären Sie uns das Stück, es hat einige schwache Stellen, aber es läßt sich daraus etwas machen.« Die junge Frau krauste ihr Näschen, Rosenröte überflutete sie, nervös strich sie die Haarwelle hinter das Ohr, begann zu sprechen, wurde ruhig, und Nora hörte etwas ganz anderes als das, woran sie je gedacht hatte. Das Stück erschien ihr wie neu geschrieben, geistreicher, dichter, es bekam Form, die einer Aufführung wert war. Die handelnden Personen wurden zu Menschen, zu Wütenden, zu Suchenden, Irrenden, zu Bajassen, zu Ho‡enden, Verzweifelten. Und von diesen Augenblicken der Betrachtung und Bewunderung der schönen Vortragenden, den Augenblicken der Bezauberung durch ihre Redegewandtheit, wachte in Nora das auf, was an jenem Nachmittag weder Gedanke noch Ahnung war.”

 

 

 

Meier
Helen Meier (Mels, 17 april 1929)

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Anton Wildgans werd geboren op 17 april 1881 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 april 2009.

 

Uit: Die alte Josefstadt

 

Die Josefstadt meiner Kindheit war nicht mehr jener vormärzliche Vorort, der den Basteien der Inneren Stadt, etwa vom Schottentor bis zum Burgtor, gegenüberlag. Mit den Befestigungen waren auch jene weithingedehnten Wiesenflächen verschwunden, die man in dieser Gegend das Josefstädter Glacis nannte. Als ich, ein kaum Fünfjähriger, mit dem Vater von der Vorstadt Unter den Weißgärbern in die Josefstadt übersiedelte, umgab bereits der breite, prächtige Gürtel der Ringstraße die Innere Stadt, die Monumentalbauten zwischen Alsergrund und Bellaria standen längst vollendet und die herrlichen Gärten des Viertels um das neue Rathaus herum waren schon angelegt. Dem Kinde bot sich all die junge Pracht als das Gegebene dar, für Eltern und Großeltern jedoch war jedes Plätzchen des verwandelten Bodens voll der Beziehung auf das noch eben Gewesene, belebt von Erinnerungen und – bei allem Stolz auf den großstädtischen Aufschwung! – umwoben von der uneingestandenen Sehnsucht nach dem Vergangenen. Ihnen war ja noch auf dem Platze des heutigen Volksgartens die biedermeierische Fröhlichkeit und Eleganz des Paradeisgartl Wirklichkeit gewesen; Allerältesten wollte sogar noch Beethoven, von seiner letzten Wohnung im Schwarzspanierhause über das Glacis der Stadt zuschreitend, begegnet sein; Grillparzer, Raimund und Nestroy, die Protagonisten des alten Burgtheaters, Bauernfeld und Schwind, sie bevölkerten noch die Erlebniswelt der Minderalten, wurden dem Zuhörenden in unzähligen Anekdoten an bestimmten Straßenkrümmungen, an gewissen Fenstern graugewordener Zinshäuser und an den Stammtischen altväterischer Gasthäuser förmlich wieder leibhaftig und erfüllten die ehrfurchtwillige Phantasie des Kindes mit dem verklärten Abglanz jener gemütlichen Heroenzeit Alt-Wiener Kultur, die uns heute wie ein idyllisches Märchen anmutet, obwohl auch sie bekümmert war durch weltumwälzende Kriege und verheerende Seuchen, durch Not und Unzufriedenheit der Völker und durch das verhängnisvolle Ränkespiel der Mächtigen.

 

 

 

wildgans
Anton Wildgans (17 april 1881 – 3 mei 1932)

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e april ook mijn vorige blog van vandaag.

17-04-09

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, David Wagner, Thornton Wilder, Nick Hornby, Rolf Schneider, Cynthia Ozick, Helen Meier, Anton Wildgans, Karl Henckell, Henry Vaughan, John Ford, Karen Blixen, Rolf Kalmuczak, R.J. Pineiro


De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook mijn blog van 17 april 2007 en ook mijn blog van 17 april 2008.

 

Uit: Dorp aan de rivier

 

De Maas ligt langs dit dorp. Zij komt ernaartoe gestroomd. Zij vloeit er vriendelijk langs. Zij buigt er zich weer van af. Zij ligt in de blanke boorden der verzandingen in haar bochten, in het fluwelen groen van vlak gevlijde uiterwaarden, tussen de welige ruigten der grienden. Een stomertje trekt tegen stroom op. Een schokker ligt pal stil verankerd boven zijn spiegelbeeld, waar trillende rimpels in slaan. De kribben van basalt steken in het water, in de verte ligt een schuit, en over het water gaat nadrukkelijk het verre geratel der kettingen en kabels van het kalme, platte veer, waar mensen stil op staan en een klein paard droomt voor de stille kar. Het dorp ligt achter de dijk, het ligt met een straat, met een lange rij huizen hoog op de dijk. Een spits kerktorentje steekt boven de daken en boven de bomen uit. Een vrouw draagt moeilijk een zware wasmand de uitgelopen treden in de dijkhelling af. Zij gaat haar was bleken. Er zijn de korte stoten van wielslagen, een boer is met zijn kar tot vlak bij het water gereden, hij gaat melkkruiken met Maaswater vullen voor zijn vrouw, die morgen de was moet doen. De Maas brengt wat aan, schepen en schuiten, kasten, aken, schokkers, en stoombootjes uit de vaart op 's-Hertogenbosch en Rotterdam. De Maas neemt wat mee, de herinnering aan het spiegelbeeld van het dorp, en iets van de verdrieten en de vreugden die in de huizen wonen. Zij neemt iets mee, de droom van mensen die de stroom in de avond naderen en naar de verten zien. De Maas kon haar kwaad doen, als ze haar water verbreedde van dijk tot dijk, als de winterstorm het door de dijk heen sloeg. Achter de geteisterde dijken sijpelde het water uit honderdduizend bronnen. In de nacht als de dijk brak dan verschoof er iets in de lucht, de huizen trilden van een aardbeving, het donderde in de hemel, het water steeg dreunend over de wegen tot één wijde zee, die was niet te overzien. De wereld lag blank verdronken. De knotwilgen staken hun armoedige vuist schuin boven het water uit. Het water, daken dreven erop, huisraad en verdronken vee, de mensen roeiden naar hun huizen en klommen door het raam in de hooggelegen opkamer, waar zij jammerden over de barre winterse ramp.“

 

 

 

Coolen
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Ida Boy-Ed werd geboren op 17 april 1852 in Bergedorf (Hamburg). Zie ook mijn blog van 17 april 2007 en ook mijn blog van 17 april 2008.

 

Uit: Lübeck als Geistesform

 

Auch bedeutende Worte verklingen im Gedächtnis der Hörer. Willkommen zu heißen ist es also, daß Thomas Manns Vortrag vor diesem Los gesichert und in ein Büchlein eingefangen wurde. Er ward gehalten am 5. Juni 1926 inmitten hochschwingender Jubiläumsstimmung; zwischen Entfaltungen, deren Auswirken Zeit haben muß, das Ereignis, dessen Bedeutung sogleich überzeugte. Vor allem war er von historischem Gewicht durch den sehr merkwürdigen Augenblick, wo diese Bekenntnisse zum freistädtischen Bürgertum gesprochen wurden, während der Boden von den Bemühungen bebte, die eben dies Bürgertum stürzen möchten. Hiervon noch ohne Kenntnis und ganz unpolitisch hatte sich dem Dichter die seelische Nötigung aufgedrängt, von dem zu sprechen, was ihm aus dem Wissen der Geschichte der Hansestadt und ihren einzig möglichen Lebensbedingungen sicher geworden war: von der Würde und dem geistigen Gehalt hansischer Bürgerlichkeit.

 

 

 

luebeck1
Lübeck

 

Doch die tiefsten Erkenntnisse erwachsen den Schöpferischen immer aus ihren eigenen Werken. Diese psychologische Wahrheit offenbarte sich aus allem, was Thomas Mann von seinen Dichtungen erzählte. Er sprach von dem erst so mühseligen buchhändlerischen Weg der »Buddenbrooks«, der dann in steilem Aufstiege zum Gipfel des Erfolges führte. Er bekannte, in welcher künstlerischen Unschuld er dem eigenen Werk gegenüberstand, seines kulturgeschichtlichen Wertes sich noch nicht bewußt. Er bekannte, daß er von Täuschung über sich selbst befangen war: künstlerisch, indem er seine Begabung auf die Form der knappen Erzählung gerichtet hielt; intellektuell, da er seine Verbundenheit mit der Heimat noch nicht in sich erspürte.“

 

 

 

 

boy_ed
Ida Boy-Ed (17 april 1852 – 13 mei 1928)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver David Wagner werd geboren op 17 april 1971 in Andernach. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: Was alles fehlt

 

„Sie hat sich letztes Jahr umgebracht", sagt meine Cousine, "sie hat Schlaftabletten aus der Apotheke ihres Vaters genommen, hat Wasser getrunken und sich in den Schlafzimmerschrank ihrer Eltern gesetzt", meine linke Hand legt sich auf die Bremse zwischen den Sitzen, die rechte faßt den Griff in der Beifahrertür. Und ich denke, ich werde Hanna aus meinem Adreßbuch streichen müssen. Das erste, was ich verdammt noch mal denke, ist, daß ich ein kleines Kreuz hinter ihren Namen malen muß, "sie hat sich letztes Jahr im Frühsommer umgebracht", sagt meine Cousine, "sie hat Tabletten aus der Apotheke ihres Vaters geschluckt, hat Wasser getrunken und sich in den großen Kleiderschrank ihrer Eltern gesetzt", und mir fällt ein, daß Hanna sich selbst in mein Adreßbuch eingetragen, ihren Namen und ihre Wiener Anschrift in breiter Kinderhandschrift aufgeschrieben hat, "sie ist unter den Röcken und Kleidern ihrer Mutter, nicht weit von den Anzügen ihres Vaters, gestorben", sagt meine Cousine, der Wagen wiegt und schaukelt, wir rollen über eine Landstraße, und was meine Cousine sagt, kommt ohne Gewicht, sie schaltet einen Gang höher und vor der nächsten Kurve wieder zurück, der Motor jault, das Auto schiebt sich nach links und rechts durch die Kurven, und hin und wieder spritzt Rollsplitt vom Straßenrand gegen den Unterboden, die Steinchen stechen in den Autobauch. Hanna ist unter den Kleidern ihrer Mutter, nicht weit von den Anzügen ihres Vaters, gestorben, wiederhole ich mir und erinnere mich an den Tag, an dem ich sie das erste Mal sah: Wir fuhren zu dritt auf zwei Motorrollern über die Grenze nach Tschechien, Tschechei, wie meine Großmutter noch immer sagt, Grenze sei ein slawisches Lehnwort, eines der wenigen, die es im Deutschen gebe, sagte meine Cousine und erzählte von dem Volksschullehrer, der immer davor gewarnt habe, dieser Grenze zu nahe zu kommen, er habe gesagt, wer der Grenze zu nahe kommt, wird von den Russen mitgenommen und nach Sibirien verschleppt, meinte Hanna, da saß ich hinter ihr auf dem Roller, eine Hand lag auf ihrer Schulter, und die Finger der anderen spielten mit den kurzen, dunklen Haaren in ihrem Nacken."

 

 


 

David_Wagner
David Wagner (Andernach, 17 april 1971)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Thornton Niven Wilder werd geboren op 17 april 1897 in Madison, Wisconsin. Zie ook mijn blog van 17 april 2007 en ook mijn blog van 17 april 2008.

 

Uit: The Eighth Day

 

“From the first, Lansing admired John Ashley and imitated him, stumbingly. He went so far as to pretend that he, too, was a happily married man. Society would have got nowhere without those imitations of order and decorum that pass under the names of sonbbery and hypocrisy. Ashley converted his Rainy Day House into a laboratory for experiment and invention. Lansing built a Rainy Day House behind “St. Kitts” and revived his interest in “snake oils.” Perhaps it was the influence of the Debevoises, perhaps the example of the Ashleys, that enabled Eustacia to bear a child that lived, and then another, then a third. The Lansings were older the the Ashleys, but their children were closely of an age: Felicite Marjolaine Dupuy Lansing (she was born on St. Felix’s Day; the Iowa Lansing names had been carried to Heaven by the dead infants) and Lily Scolastica Ashley; George Sims Lansing and Roger Berwyn Ashley; then Sophia alone; then Anne Lansing and Constance Ashley. Eustacia Lansing carried well her torch of hypocrisy or whatever it was. In public–at the Mayor’s picnic, on the front bench at the Memorial Day exercises–she played the proud and devoted wife. Creole beauty is short lived. By the time the Ashleys arrived in Coaltown Eustacia’s tea-colored complexion had turned a less delicate hue. her features had lost much of their doelike softness; she was decidedly plump. Nevertheless, everyone in Coaltown, from Dr. Gillies to the boy who shined shoes at the Tavern, knew that the town could boast to handsome and unusual women. Mrs. Ashley was tall and fair; Mrs. Mansing was short and dark. Mrs. Ashley–child of the ear as a German–had no talent for dress, but a magical speaking voice, and she moved like a queen; Mrs. Lansing–child of the eye as a Latin–was mistress of color and design, though her voice cut like a parrot’s and her gait lacked grace. Mrs. Ashley was serene and slow to speak; Mrs. Lansing was abrupt and voluble. Mrs. Ashley had little humor and less wit; Mrs. Lansing ransacked two languages and a dialect for brilliant and pungent mots and was a devastating mimic."

 

 

 

Thorton_Wilder_515
Thornton Wilder (17 april 1897 – 7 december 1975)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver Nick Hornby werd geboren op 17 april 1957 in Redhill. Zie ook mijn blog van 17 april 2007 en ook mijn blog van 17 april 2008.

 

Uit: Speaking With The Angel

 

“They never told me what it was, and they never told me why they might need someone like me. I probably wouldn’t have taken the fucking job if they had, to tell you the truth. Anyway. If I’d been clever, I would have asked them on the first day, because looking back on it now, I had a few clues to be going on with: we were all sat around in this staff-room type place, being given all the do’s and don’ts, and it never occurred to me that I was just about the only male under sixty they’d hired. There were a few middle-aged women, and a lot of gits, semi-retired, ex-Army types, but there was only one bloke of around my age, and he was tiny—little African geezer, Geoffrey, who looked like he’d run a mile if anything went off. But sometimes I forget what I look like, if you know what I mean. I was sitting there listening to what this woman was saying about flash photography and how close people were allowed to get and all that, and I was more like a head than a body, sort of thing, because if you’re listening to what someone’s saying that’s what you are, isn’t it? A head. A brain, not a body. But the point of me—the point of me here, in this place, for this job—is that I’m six two and fifteen stone. It’s not just that, either, but I look…well, handy, I suppose. I look like I can take care of myself, what with the tattoos and the shaved head and all that. But sometimes I forget. I don’t forget when I’m eyeballing some little shitbag outside a club, some nineteen-year-old in a two-hundred quid jacket who’s trying to impress his bird by giving me some mouth; but when I’m watching something on TV, like a documentary or something, or when I’m putting the kids to bed, or when I’m reading, I don’t think, you know, fucking hell I’m big."

 

 

 

Nick_Hornby
Nick Hornby (Redhill, 17 april 1957)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Rolf Schneider werd geboren op 17 april 1932 in Chemnitz. Hij ging naar school in Wernigerode. Van 1955 tot 1958 studeerde hij germanistiek en pedagogie in Halle. Daarma was hij redacteur van het cultureel-politieke tijdschrift "Aufbau" in Berlijn. Sinds 1958 is hij zelfstandig schrijver. Schneider was als schrijver van hoorspelen en theaterstukken aan de ene kant trouw aan het regime van de DDR. Aan de andere kant nam hij deel aan de bijeenkomsten van de Gruppe 47. Vanaf 1976 werd hij kritischer en in 1979 werd hij uit de schrijversbond van de DDR gezet.

 

Uit: Wagner für Eilige

 

„Der Minnesang war eine sonderbare Kunst. Es ging um Lieder, zum Saitenspiel zu singen, deren Dichter in aller Regel zugleich die Vortragenden waren. Das altdeutsche Wort Minne bedeutet Liebe, und in der Tat handelte es sich um Liebeslieder, die freilich einem bestimmten, ziemlich strengen Ritual gehorchten: Der Sänger warb um die Gunst einer Dame, die im gesellschaftlichen Rang über ihm stand und gewöhnlich verheiratet war; sie erhörte ihn nicht, gab ihm nur gelegentlich ein kleines Zeichen ihrer Gunst, was ihn nur noch mehr anspornte. So jedenfalls verfuhr man in dem, was die hohe Minne hieß. Daneben gab es die niedere Minne. Auch sie wurde in Liedern gefeiert, und in ihr kam man durchaus zur Umarmung, wobei die an dem Liebesspiel beteiligten Frauen von niederem Stande waren, Mädchen aus dem Volk. Eines der berühmtesten Gedichte unserer Sprache, Walther von der Vogelweides "Under der linden", erzählt von niederer Minne. Der Minnesang entstand im südlichen Frankreich und wurde erst von den Nordfranzosen, dann von den Deutschen übernommen. Seine Blütezeit war das Hochmittelalter, exakter: die Zeit um 1200."

 

 

 

 

RolfSchneider
Rolf Schneider (Chemnitz, 17 april 1932)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick werd geboren op 17 april 1928 in New York. Zie ook mijn blog van 17 april 2007 en ook mijn blog van 17 april 2008.

 

Uit: Dictation: A Quartet

 

“Matt Sorley, born Mose Sadacca, was an actor. He was a character actor and (when they let him) a comedian. He had broad, swarthy, pliant cheeks, a reddish widow’s peak that was both curly and balding, and very bright teeth as big and orderly as piano keys. His stage name had a vaguely Irish sound, but his origins were Sephardic. One grandfather was from Constantinople, the other from Alexandria. His parents could still manage a few words of the old Spanish spoken by the Jews who had fled the Inquisition, but Matt himself, brought up in Bensonhurst, Brooklyn, was purely a New Yorker. The Brooklyn that swarmed in his speech was useful. It got him parts.

Sometimes he was recognized in the street a day or so following his appearance on a television lawyer series he was occasionally on call for. These were serious, mostly one-shot parts requiring mature looks. The pressure was high. Clowning was out, even in rehearsals. Matt usually played the judge (three minutes on camera) or else the father of the murder victim (seven minutes). The good central roles went to much younger men with rich black hair and smooth flat bellies. When they stood up to speak in court, they carefully buttoned up their jackets. Matt could no longer easily button his. He was close to sixty and secretly melancholy. He lived on the Upper West Side in a rent-controlled apartment with a chronic leak under the bathroom sink. He had a reputation for arguing with directors; one director was in the habit of addressing him, rather nastily, as Mr. Surly."

 

 

 

 

Cynthia_Ozick
Cynthia Ozick (New York, 17 april 1928)

 

 

 

 

 

De Zwitserse schrijfster Helen Meier werd geboren op 17 april 1929 in Mels, Kanton St. Gallen. Zij volgde een docentenopleiding in Rorschach en werkte daarna in het basisonderwijs. Nadat zij een tijd in Frankrijk, Engeland en Italië had verbleven studeerde zij talen en pedagogie in Fribourg. In 1984 werd zij bij de Ingeborg-Bachmann-Wettbewerb in Klagenfurt ontdekt, Tegenwoordig is zij zelfstandig schrijfster.

 

Uit: Schlafwandel

 

“Davide Signoretti war tot, und für Nora Korn, seine Geliebte, änderte sich das Leben und das Erinnern. Davides letzte zwei Lebensjahre, in denen er zu kränkeln begonnen hatte, hatten ihre Meinung verstärkt, durch die katholische Kirche eines wichtigen Teils ihrer Jugend beraubt worden zu sein. Ihr Zorn über Nichtgelebtes trieb sie, ein Stück über einen Papstmord zu schreiben, und das ohne jede Schreiberfahrung. Zu ihrer Überraschung wurde es angenommen. Nora saß einige Zeit danach mit dem Intendanten, der Dramaturgin Frau Claassen, der Regisseurin und einem Mann unbestimmter Aufgabe im Restaurant, das neben dem Theater in einem kleinen Park lag. »Erzählen Sie uns, was Sie sich beim Schreiben des Stücks gedacht haben«, sagte die Regisseurin. Nora, verwirrt, beschämt, daß sie sich nicht mehr genau erinnerte – hatte sie es in Trance oder Trauer hervorgewürgt, in einer Art von Tollheit oder Trotz hingeschmettert –, fing an, über die Vernichtung des Symbolträgers anstelle seiner Lehre zu stammeln, spürte die Dünne der Argumentation, verhaspelte sich, fühlte sich unbehaglich. Der Intendant runzelte die Stirn, schürzte die Lippen. »Frau Claassen«, sagte er, »erklären Sie uns das Stück, es hat einige schwache Stellen, aber es läßt sich daraus etwas machen.« Die junge Frau krauste ihr Näschen, Rosenröte überflutete sie, nervös strich sie die Haarwelle hinter das Ohr, begann zu sprechen, wurde ruhig, und Nora hörte etwas ganz anderes als das, woran sie je gedacht hatte. Das Stück erschien ihr wie neu geschrieben, geistreicher, dichter, es bekam Form, die einer Aufführung wert war. Die handelnden Personen wurden zu Menschen, zu Wütenden, zu Suchenden, Irrenden, zu Bajassen, zu Ho‡enden, Verzweifelten. Und von diesen Augenblicken der Betrachtung und Bewunderung der schönen Vortragenden, den Augenblicken der Bezauberung durch ihre Redegewandtheit, wachte in Nora das auf, was an jenem Nachmittag weder Gedanke noch Ahnung war.”

 

 

 

 

Meier
Helen Meier (Mels, 17 april 1929)

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Anton Wildgans werd geboren op 17 april 1881 in Wenen. Hij studeerde rechten en werkte twee jaar als onderzoeksrechter voordat hij zich volledig op het schrijven toelegde. Bovendien was hij twee maal een periode directeur van het Weense Burgtheater.

 

 

Freier Tag

 

Weißt du, was so ein freier Tag ist -? Solch ein Tag,
Da nicht mit schriller Stimme schon am Morgen
Die Not dich weckt und Müdigkeit und Sorgen,
Daß auch die kleinste Lust sich nimmer rühren mag -
Da wanderst du hinaus in hellen Lerchenschlag
Und spürst die Seele wundersam geborgen
In Gottes reichem Feiertag...

Und abends dann, in einsamem Gemach -
Du zündest heute keine Lampe an
Und schließt die Augen, die so satt und wach
Von allem, was dir dieser Tag getan.
Du schließt die Augen und da tönt dir nach
Der liebe Gruß, den dir ein schlichter Mann,
Ein Unbekannter, im Vorbeigehn sprach.
Du atmest Erde, kühl und schollenbraun,
Und hörst ein Mädchenlachen überm Zaun,
Der unter Rosen fast zusammenbrach ...

 

 

 

 

wildgans
Anton Wildgans (17 april 1881 – 3 mei 1932)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Karl Friedrich Henckell werd geboren op 17 april 1864 in Hannover. Hij studeerde filosofie, filologie en economie in Berlijn, Heidelberg, Leipzig, München en Zürich. Later woonde hij langere tijd in Milaan, in Wenen en in Brussel. Henckel was een sociaalrevolutionair dichter en een voorvechter van het naturalisme. Later maakte hij een wending tot het impressionisme en een gevoeliger natuurlyriek.

 

 

Beim Rheinwein

 

Wie die Blume des edlen Weins

Duftet würzig und voll!

Wie so heiter das Spiel des Scheins,

Draus manch sonniges,

Erdenwonniges,

Herzerquickendes Lied entquoll!

 

Weisen Zechern neigt sich mein Sinn,

Die beim Traubensafte versunken

Ihrem Wesen tiefen Gewinn

Weltbeschaulicher Wahrheit getrunken.

 

Seele süßgesammelten Seins

Schimmert köstlich kühl mir entgegen,

Doch in dieser Perle des Rheins

Spiegelt sich ein glühender Segen.

 

Spiegeln Blicke blühender Fraun,

Sanftmelodische Lippen sich wieder,

Auf die Wunden des Lebens taun

Balsamtropfen der Torheit nieder.

 

 

 

 

 

henckell
Karl Henckell (17 april 1864 – 30 juli 1929)

 

 

 

 

 

De Welshe dichter en arts Henry Vaughan werd geboren in Newton (Breconshire) op 17 april 1622. Samen met zijn tweelingbroer, de latere filosoof Thomas Vaughan, studeerde hij in Oxford. In 1640 ging Henry naar Londen om nog twee jaar rechten te studeren. Zijn studie werd onderbroken door de Engelse Burgeroorlog, waarin hij de kant koos van de royalisten. In 1642 keerde hij terug naar Wales als gerechtssecretaris en later vestigde hij zich als arts. Hij trouwde met Catherine Wise en kreeg met haar vier kinderen. In 1646 verscheen zijn eerste bundel, Poems with the Tenth Satire of Juvenal Englished. In 1650 volgde het eerste deel van Silex Scintillans, Sacred poems and private ejaculations, een verzameling religieuze gedichten, waarvan vijf jaar later het tweede deel verscheen. Daarin sprak hij over een spirituele hergeboorte, die hij toeschreef aan zijn bewondering voor George Herbert. Ook John Donne inspireerde hem, en met o.a. deze twee dichters wordt Vaughan gerekend tot de Metaphysical poets. Tussen deze publicaties in kwam een bundel met seculiere poëzie onder de titel Olor Iscanus (1651).

 

 

Son-Days

  

1

 

Bright shadows of true Rest! some shoots of bliss,

Heaven once a week;

The next world's gladness prepossest in this;

A day to seek;

Eternity in time; the steps by which

We Climb above all ages; Lamps that light

Man through his heap of dark days; and the rich,

And full redemption of the whole week's flight.

 

 

 

 

 

Vaughan_boek
Henry Vaughan (17 april 1622 – 28 april 1695)

Boekomslag (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

De Engelse dichter en toneelschrijver John Ford werd geboren in Ilsington, Devon, op 17 april 1586. Hij studeerde korte tijd in Oxford en werd in 1602 toegelaten tot de Middle Temple in Londen voor een juridische opleiding, maar onbekend is of hij daadwerkelijk de opleiding volgde. In 1606 verschenen van zijn hand twee gedichten. Al vroeg begon hij voor het toneel te schrijven, eerst, zoals destijds vaak gebeurde, in samenwerking met andere toneelschrijvers zoals Thomas Dekker en John Webster. Met Dekker en William Rowley schreef hij The Witch of Edmonton (1623). Fords eerste zelfstandige stuk was The Lover's Melancholy (1629). In het voorwoord van 'Tis Pity She's a Whore (uitgegeven in 1633) noemt de schrijver dit zelf als zijn eerste pennenvrucht. The Broken Heart en Love's Sacrifice verschenen in hetzelfde jaar. Zijn historische stuk Perkin Warbeck verscheen in 1634 en Fancies Chaste and Noble in 1638. Zijn laatste stuk, The Lady's Trial, werd uitgegeven in 1639.

 

 

Dawn

 

FLY hence, shadows, that do keep

Watchful sorrows charm'd in sleep!

Tho' the eyes be overtaken,

Yet the heart doth ever waken

Thoughts chain'd up in busy snares

Of continual woes and cares:

Love and griefs are so exprest

As they rather sigh than rest.

Fly hence, shadows, that do keep

Watchful sorrows charm'd in sleep!

 

 

 

 

islington1
John Ford (17 april 1586 – 1639 of 1640)

Ilsington (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 17 april 2007 en ook mijn blog van 17 april 2008.

 

De Deense schrijfster Karen Blixen (eig. barones von Blixen-Finecke) werd geboren op 17 april 1885 te Rungsted.

 

De Duitse schrijver Rolf Kalmuczak werd geboren in Nordhausen op 17 april 1938.


De Amerikaanse schrijver R.J. Pineiro werd geboren op 17 april 1961 in Havanna.

 

 

 

17-04-08

Antoon Coolen, Karen Blixen, Thornton Wilder, Nick Hornby, Cynthia Ozick, Ida Boy-Ed, Rolf Kalmuczak, David Wagner, R.J. Pineiro


De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: De vrouw met de zes slapers

 

“In den man sterft het kind niet, het is alleen maar ingesluimerd. Dien winter moeten de slapers  met Jacob Cordewever in het vroege donker van  den namiddag Kerstmis in het kasteel hebben  gevierd. De mensen wisten te vertellen, dat de  vrouwen van de getrouwde  mannen erbij waren geweest, behalve mevrouw  Cordewever. Maar het heilig Sjoke was met Jan  Lucas meegekomen, zij had naderhand verteld,  dat zij het heel mooi had gevonden. Ook de  kinderen uit de buurt, die altijd speelden aan den  anderen kant van de Aa, waren op het kasteel  moeten komen. Uit wat wij erover hoorden konden  wij wel opmaken, dat de slapers en de vrouwen  eigenlijk toch niet zozeer bij de barones zelf op  bezoek waren geweest. Ze hadden eerst een tijdje  stil staan wachten rond een versierden kerstboom  in de traphal. Boven was uit een kamer de piano  op de gaanderij geschoven,  daar zat Jacob Cordewever. Toen de barones ge komen was hadden de kinderen kerstliedjes  gezongen, die ze in die dagen in de school leren,  Govert van Engelen had daarna alleen gezongen. [...]”

 

 

 

Coolen
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

 

 

 

 

 

De Deense schrijfster Karen Blixen (eig. barones von Blixen-Finecke) werd geboren op 17 april 1885 te Rungsted. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: Jenseits von Afrika (Out of Africa)

 

“Ich hatte eine Farm in Afrika am Fuße der Ngongberge. Hundert Meilen nördlicher lief der Äquator durchs Hochland, aber die Farm lag in einer Höhe von über zweitausend Metern. Da spürt man tags- über die Höhe, die Nähe der Sonne, aber die Morgenfrühe und die Abende sind klar und friedvoll, und die Nächte sind kalt.

Die geographische Lage und die Höhe haben vereint eine Landschaft geschaffen, die in der ganzen Welt nicht ihresglei- chen hat. Nirgends ist etwas Üppiges oder Überschwengliches;

es ist, als wäre Afrika hier gleichsam durch zweitausend Meter emporgeläutert zu einer starken und klaren Essenz seines Wesens. Die Farben sind trocken und glasiert wie Farben irdener

Geschirre. Die Bäume haben ein lichtes zartes Laubwerk, und ihre Form ist anders als die europäischer Bäume, sie bilden keine Kronen und Kuppeln, sondern waagrechte Schichten. Vereinzelte hohe Bäume bekommen dadurch eine Ähnlichkeit mit Palmen, sie haben etwas Heroisches und Romantisches wie Schiffe mit vollen Segeln, und ein Waldrand wirkt seltsam: der ganze Wald scheint leicht zu schwingen. Aus dem Gras der großen Ebenen ragen verstreut die krummen, kahlen alten Dornbäume, und das Gras riecht würzig nach Thymian und Sumpfmyrte; an manchen Stellen ist der Duft so stark, daß er die Nase beizt. Alle Blumen auf den Hochebenen oder an den Schlinggewächsen und Lianen im Urwald sind gewissermaßen Verkleinerungen wie Blumen auf den Dünen; nur zu Beginn der Regenzeit sprie-

ßen große fleischige, schwerduftende Lilien auf den Hochebenen empor. Die Ausblicke sind unendlich weit. Alles, was man sieht, atmet Größe und Freiheit und unvergleichliche Vornehm-

heit.

Das wesentliche Element der Landschaft und des Lebens in ihr ist die Luft. Wer auf einen Aufenthalt im afrikanischen Hochland zurückblickt, den überkommt das Gefühl, er habe eine

Zeitlang hoch in der Luft gelebt. Der Himmel ist selten mehr als blaßblau oder violett, und mächtige, aller Schwere bare, immerfort sich wandelnde Wolken türmen sich allenthalben und segeln an ihm dahin; aber die Bläue hat etwas Leuchtendes und färbt die Umrisse der Berge und nahen Wälder mit frischem tiefem Blau. Um die Tagesmitte beginnt die Luft über dem Lande sich zu regen wie eine aufsteigende Flamme, sie flimmert, wogt und schimmert wie rieselndes Wasser, spiegelt und verdoppelt alle Gegenstände und schafft große Fata Morganen. Es atmet sich leicht in der hohen Luft, man saugt Lebensgewißheit und Unbeschwertheit der Seele in sich. Im Hochland erwacht man in der Frühe und weiß: hier bin ich, wo ich sein sollte.“

 

 

 

KarenBlixen
Karen Blixen (17 april 1885 – 7 september 1962)

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Thornton Niven Wilder werd geboren op 17 april 1897 in Madison, Wisconsin. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: Three plays

 

Toward the end of the twenties I began to lose pleasure in going to the theatre. I ceased to believe in the stories I saw presented there. When I did go it was to admire some secondary aspect of the play, the work of a great actor or director or designer. Yet at the same time the conviction was growing in me that the theatre was the greatest of all the arts. I felt that something had gone wrong with it in my time and that it was fulfilling only a small part of its potentialities. I was filled with admiration for presentations of classical works by Max Reinhardt and Louis Jouvet and the Old Vic, as I was by the best plays of my own time, like Desire Under the Elms and The Front Page; but it was with a grudging appreciation, for I didn't believe a word of them. I was like a schoolmaster grading a paper; to each of these offerings I gave an A+, but the condition of mind of one grading a paper is not that of one being overwhelmed by an artistic creation. The response we make when we "believe" a work of the imagination is that of saying: "This is the way things are. I have always known it without being fully aware that I knew it. Now in the presence of this play or novel or poem (or picture or piece of music) I know that I know it." It is this form of knowledge which Plato called "recollection." We have all murdered, in thought; and been murdered. We have all seen theridiculous in estimable persons and in ourselves. We have allknown terror as well as enchantment. Imaginative literature hasnothing to say to those who do not recognize-who cannot bereminded --- of such conditions. Of all the arts the theatre isbestendowed to awaken this recollection within us-to believe is tosay "yes"; but in the theatres of my time I did not feel myselfprompted to any such grateful and self-forgetting acquiescence.”

 

 

 

wilder_lg
Thornton Wilder (17 april 1897 – 7 december 1975)

 

 

 

 

De Engelse schrijver Nick Hornby werd geboren op 17 april 1957 in Redhill. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: A Long Way Down

 

MARTIN.

Can I explain why I wanted to jump off the top of a tower block? Of course I can explain why I wanted to jump off the top of a tower block. I'm not a bloody idiot. I can explain it because it wasn't inexplicable: it was a logical decision, the product of proper thought. It wasn't even very serious thought, either. I don't mean it was whimsical - I just meant that it wasn't terribly complicated, or agonised. Put it this way: say you were, I don't know, an assistant bank manager, in Guildford. And you'd been thinking of emigrating, and then you were offered the job of managing a bank in Sydney. Well, even though it's a pretty straightforward decision, you'd still have to think for a bit, wouldn't you? You'd at least have to work out whether you could bear to move, whether you could leave your friends and colleagues behind, whether you could uproot your wife and kids. You might sit down with a bit of paper and draw up a list of pros and cons. You know:

CONS - Aged parents, friends, golf club.

PROS - more money, better quality of life (house with pool, barbecue etc), sea, sunshine, no left-wing councils banning Baa-Baa Black Sheep, no EEC directives banning British sausages etc. It's no contest, is it? The golf club! Give me a break. Obviously your aged parents give you pause for thought, but that's all it is - a pause, and a brief one, too. You'd be on the phone to the travel agents within ten minutes.

Well, that was me. There simply weren't enough regrets, and lots and lots of reasons to jump. The only things in my 'cons' list were the kids, but I couldn't imagine Cindy letting me see them again anyway. I haven't got any aged parents, and I don't play golf. Suicide was my Sydney. And I say that with no offence to the good people of Sydney intended.”

 

 

 

hornby
Nick Hornby (Redhill, 17 april 1957)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick werd geboren op 17 april 1928 in New York. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: Public Intellectuals

 

The responsibility of intellectuals includes also the recognition that we cannot live above or apart from our own time and what it imposes on us; that willy-nilly we breathe inside the cage of our generation, and must perform within it. Thinkers—whether they count as public intellectuals or the more reticent and less visible sort—are obliged above all to make distinctions, particularly in an age of mindlessly spreading moral equivalence... And political intellectuals who have the capacity, and the inclination, to reflect on fresh public issues from new perspectives are obliged to reflect on them in so careful a way that their propositions will not seem callous or morally embarrassing or downright despicable decades on.”

 

 

 

 

ozick$cynthia
Cynthia Ozick (New York, 17 april 1928)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Ida Boy-Ed werd geboren op 17 april 1852 in Bergedorf (Hamburg). Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: Die Glücklichen

 

Es war um jene Zeit des Jahres, wo überall in Deutschland Manöver stattfanden. Auch in dem kleinen Winkel des Reichs, der sich aus hanseatisch-lübeckischem und mecklenburgischem Grund und Boden zusammensetzt und sich an dem südlichen Ufer der Travemündung hinzieht, gab es Divisionsmanöver. Von der alten Königin der Hansa, von Lübeck, bis zu dem Gestade der Ostsee herrschte das frohe Leben, das zahlreiche Einquartierung mit sich zu bringen pflegt. Die Nächte der großen Biwaks standen noch bevor; die Bevölkerung der Gegend erwartete sie, wie man eine Volksbelustigung erwartet. Aber die einzelnen Bataillone hatten da und dort ihre kleinen Vorpostenbiwaks, und auch an dem Abend des 1. September sah man auf einem weiten Stoppelfelde ein rühriges Leben.

Zwischen dem Felde und dem Fluß zog sich die Landstraße nach dem Mecklenburgischen hin. Die sinkende Sonne gab dem wolkenlosen Himmel und dem glattfließenden Stromspiegel einen gelbroten, metallischen Glanz. Der sich hinter der Kiefernschonung erhebende Laubwald begann zu düstern; das weiße Band der Landstraße, das aus ihm sich hervorschlängelte, zeigte sich zuweilen von Staub überwirbelt, dann rollte ein Wagen heran, der von Lübeck kam und nach Schlutup fuhr. Das Rollen der Räder ließ eine kleine Gruppe von Offizieren, die vor dem runden Bataillonszelt um einen Tisch saßen, jedesmal aufspringen und mit einer gewissen Enttäuschung sich wieder setzen.
»Allmer«, sagte ein junger Offizier zu einem Einjährig-Freiwilligen, der am Tische stand und sich ein Glas Wein eingoß, »deine Mutter kommt nicht mehr.«

»Ganz gewiß, lieber Schmettau, Beatrix wird schon dafür sorgen.«

»Im Grunde ist es auch viel verlangt, daß die Frau Gräfin zwei Stunden fahren soll, um uns zu besuchen, oder vielmehr, um Komtesse ein Biwak zu zeigen.«

Herr v. Schmettau sah nach der Uhr.

»Etwas nach sieben.«

In diesem Augenblick kam der Bursche des Herrn v. Schmettau über die Koppel dahergerannt. Ehe er seine Meldung ausgerichtet hatte, wußten die Herren ihren Inhalt schon, denn zugleich erschien vom Dorf her auf der Landstraße das Fuhrwerk der Gräfin Allmer. Die Offiziere – es waren ihrer vier an der Zahl – beeilten sich, dem Wagen entgegenzugehen. Das bräunliche Antlitz des Leutnants v. Schmettau überzog sich mit feinem Rot, seine braunen Augen leuchteten warm auf, als er, gleich den übrigen, schon von fern die Insassen des Wagens mit militärischen Grüßen willkommen hieß. Der junge Graf Allmer hielt sich ein wenig zurück. Hier im Biwak durften die militärischen Rangunterschiede doch nicht ganz außer Augen gelassen werden.“

 

 

 

boy_ed
Ida Boy-Ed (17 april 1852 – 13 mei 1928)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 17 april 2007.

 

De Duitse schrijver Rolf Kalmuczak werd geboren in Nordhausen op 17 april 1938.

 

De Duitse schrijver David Wagner werd geboren op 17 april 1971 in Andernach.

 
De Amerikaanse schrijver R.J. Pineiro werd geboren op 17 april 1961 in Havanna.

 

 

17-04-07

Antoon Coolen, Karen Blixen, Thornton Wilder, R.J. Pineiro, Nick Hornby, David Wagner, Cynthia Ozick, Rolf Kalmuczak, Ida Boy-Ed


De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. In 1903 verhuisde het gezin naar Deurne. Na het gymnasium werd Coolen journalist. Hij werkte in Eindhoven, Maastricht en Utrecht. In 1920 werd Antoon Coolen redacteur van de Gooische Post in Hilversum. In de jaren dertig vestigde hij zich met zijn gezin in Deurne en wijdde zich in het vervolg alleen aan de literatuur. In de oorlogsjaren weigerde Coolen de Rembrandtprijs van de Hamburgse universiteit. Ook schreef hij zich niet in bij de Kultuurkamer, waardoor hij niet meer kon publiceren. Aan het einde van de oorlog dook hij onder. Na de oorlog nam hij plaats in een tribunaal voor de zuivering van personeel van de overheid en bedrijven. Antoon Coolen werd vooral bekend als schrijver van de Peel. Veel romans van Coolen spelen zich af in deze Brabantse streek. Verschillende van zijn werken werden bewerkt voor televisie en als speelfilm. Veel van zijn boeken verschenen ook in andere talen.

 

Werk o.a.: "Peerke dat manneke" (1926), "Kinderen van ons volk" (1928), "Het donkere licht" (1929), "Peelwerkers" (1930), "De goede moordenaar" (1931), "Dorp aan de rivier" (1934), "Herberg 't Misverstand" (1938) en "De vrouw met de zes slapers' (1953).

 

 

Uit: De goede moordenaar

 

“Hij gaat verder. Hij gaat het dorp uit. Hij trekt de velden in, hij trekt de velden door. Hij gaat lopen langs de zandwegen. Hij trekt naar de bossen, die staan aan de einder, blauw en groen. Daar zal hij verborgen zijn. Over de verre bossen hangen er zware nevelen en boven zijn hoofd zijn de wolken grijs uiteengedreven. Goeie God, hij heeft Pietje Pinkesteren vermoord. Deze zondag-morgen. Een zondagmorgen als ieder andere. Hier buiten is er geen teken aan de dag, er is niets verstoord. Den Bonk ziet een boerderij, hij komt er langs, hij ziet de beweeglijke hennen op het overschaduwd erf, een putmuur waarrond geschuurde roomkruiken op paalkes hangen. Hij kan er zo naar kijken. Voor de stoep van de deur spelen kinderen, durskes en jongens op hun klein klompen, ze heffen hun gezichtje naar hem op, dit is iets anders van een andere wereld. Kinderen. Er is iets beslotens en bewoonds langs de weg, daar treedt den Bonk weer uit, als hij opnieuw langs de vlakke velden gaat. Er zijn daar, ver en laag, de rode en blauwe daken van de boerenhuizen, soms gaat hij langs een droge sloot, daar beneden troepen hennen bijeen mee hun geluiden van gescharrel en plotseling klein gekakel om het voer, dat zij zoeken. Soms, op zijn weg, fladdert een hen, luider kakelend, mee schrik en onrust voor zijn voeten weg. En nadien gaat er nog een boer langs hem heen door het veld en groet hem mee een luidgeschreeuwde groet en hij roept daarna nog iets in het voorbijgaan. Nol Bonk verstaat het woord niet, hij roept terug mee een stem die hem zelf vreemd klinkt:
- Ja, ja, da zegde ge goe!
Dit alles is zo gewoon. Het eender blijven van alle dingen als ge pas een moord gedaan hebt.”

 

 

Coolen
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

 

De Deense schrijfster Karen Blixen (eig. barones von Blixen-Finecke) werd geboren op 17 april 1885 te Rungsted. Haar meest bekende werk is ongetwijfeld haar semi-autobiografische werk over haar tijd in Kenia, dat verfilmd is onder de titel Out of Africa. Karen had het in haar jeugd flink moeilijk, ze was het middelste meisje en kreeg niet zo veel aandacht als de twee andere zussen. Toch was ze het lievelingetje van haar vader met wie ze een goede band had. Hij pleegde echter zelfmoord toen Karen 10 jaar oud was. Hierdoor kroop ze in een eigen gecreëerd wereldje en schreef in dat zelfde jaar een toneelstuk, gewijd aan haar vader.

Karen's ontwikkeling als schrijfster is ongetwijfeld voornamelijk beïnvloed door haar moeder. Haar moeder zorgde ervoor dat Karen een goede scholing kreeg aan verscheidene kunstacademies, voorafgegaan door een half jaar in Zwitserland in 1899 met haar moeder en zusters om Frans te leren. Vanaf 1902 studeerde Karen kunst te Kopenhagen, gevolgd door Parijs en Rome. Beginnend in 1909 publiceerde ze ook haar eerste verhalen in een aantal Deense tijdschriften, eerst onder het pseudoniem Osceola, later als Isak Dinesen.

In 1914 huwde ze haar neef, baron Bror von Blixen-Finecke. Terwijl in Europa de Eerste Wereldoorlog op uitbreken stond, vertrok het paar naar de Britse kroonkolonie Kenia om een koffieplantage op te zetten. De volgende jaren reisde ze op en neer tussen de plantages in Nairobi en het echtelijk huis in Rungstedlund, soms om tot rust te komen, te schrijven en te publiceren, soms om bij te sterken van de syfilis die ze van haar ontrouwe man opgelopen had. Na een hele serie wederzijdse slippertjes eindigde het huwelijk in 1921 in een scheiding van tafel en bed. De baron keerde terug naar Denemarken en de echtscheiding kwam uiteindelijk in 1925 tot stand. In 1934 publiceerde ze Seven Gothic Tales (een bundel korte verhalen) in het Engels en in 1937 volgde haar beroemde Den afrikanske Farm, dat later verfilmd is als Out of Africa.

Ze bleef jarenlang schrijven, voornamelijk verhalenbundels. In 1947 verscheen nog een roman, The Angelic Avengers, onder het pseudoniem Pierre Andrezel.

 

Uit: The blank page

 

"With  my  grandmother,"  she  said,  "I  went  through  a hard school. 'Be loyal to the story,' the old hag would say to  me,  'be  eternally  and  unswervingly  loyal  to  the  story.'

'Why must I be that, Grandmother?' I asked her. 'Am I to furnish  you  with  reasons,  baggage?'  she  cried.  'And  you mean  to  be  a  storyteller!  Why,  you  are  to  become  a  storyteller,   and   I   shall   give   you   the   reasons!   Hear   then:

 

Where the storyteller is loyal, eternally and unswervingly loyal  to  the  story,  there,  in  the  end,  silence  will  speak. Where  the  story  has  been  betrayed,  silence  is  but  emptiness.  But  we,  the  faithful,  when  we  have  spoken  our  last word, will hear the voice of silence. Whether a small snotty lass understands it or not.'

 

"Who then," she continues, "tells a finer tale than any of us?  Silence  does.  And  where  does  one  read  a  deeper  tale than  upon  the  most  perfectly  printed  page  of  the  most precious  book?  Upon  the  blank  page.  When  a  royal,  and gallant  pen,  in  the  moment  of  its  highest  inspiration,  has written  down  its  tale  with  the  rarest  ink  of  all—where, then,  may  one  read  a  still  deeper,  sweeter,  merrier,  and more cruel tale than that? Upon the blank page."

 

 

Blixen
Karen Blixen (17 april 1885 – 7 september 1962)

 

De Amerikaanse schrijver Thornton Niven Wilder werd geboren op 17 april 1897 in Madison, Wisconsin. Bekend werd hij in 1927 met zijn roman The Bridge of San Luis Rey die hem ook de eerste Pulitzer prijs opleverde. Zijn tweede Pulitzer kreeg hij voor zijn stuk Our Town in 1938, later ook verfilmd. Zijn derde Pulitzer prijs was voor het stuk The Skin of Our Teeth dat in 1943 op de planken kwam. Thema’s in veel van zijn werk zijn oorlog, ziektes, economische depressies en branden als existentiële ervaringen van de mens. Wilder was nooit getrouwd. Waarschijnlijk was zijn intieme vriend Samuel M. Steward ook zijn minnaar. In 1957 ontving Wilder de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels

 

Uit: Our Town

 

Stage Manager:

This play is called "Our Town." It was written by Thornton Wilder; produced and directed by A. . . . (or: produced by A .... ; directed by B .... ). In it you will see Miss C .... ; Miss D .... ; Miss E .... ; and Mr. F .... ; Mr. G .... ; Mr. H .... ; and many others. The name of the town is Grover's Corners, New Hampshire-just across the Massachusetts line: latitude 42 degrees 40 minutes; longitude 70 degrees 37 minutes. The First Act shows a day in our town. The day is May 7, 190 1. The time is just before dawn.

A rooster crows.

The sky is beginning to show some streaks of light over in the East there, behind our mount'in.

The morning star always gets wonderful bright the minute before it has to go, - doesn't it?

He stares at it for a moment, then goes upstage.

Well, I'd better show you how our town lies. Up here -

That is: parallel with the back wall.

is Main Street. Way back there is the railway station; tracks go that way. Polish Town's across, the tracks, and some Canuck families.

Toward the left.

Over there is the Congregational Church; across the street's the Presbyterian.

Methodist and Unitarian are over there.

Baptist is down in the holla' by the river.

Catholic Church is over beyond the tracks.

Here's the Town Hall and Post Office combined; jail's in the basement.

Bryan once made a speech from these very steps here.

Along here's a row of stores. Hitching posts and horse blocks in front of them. First automobile's going to come along in about five years - belonged to Banker Cartwright, our richest citizen ... lives in the big white house up on the hill.

 

 

Wilder
Thornton Wilder (17 april 1897 – 7 december 1975)

 

De Amerikaanse schrijver R.J. Pineiro werd geboren op 17 april 1961 in Havanna. Hij groeide op in El Salvador en verhuisde toen hij zestien jaar was naar de VS. Daar werkte hij jarenlang in de computerindustrie, waarna hij begon te schrijven.

 

Werk o.a.: Conspiracy.com, Firewall, Cyberterror, Shutdown, Breakthrough, Exposure, en Ultimatum en de milleniumthrillers 01-01-00 en Y2K.

 

Uit: Ch@os

 

„Das fahle Licht des Vollmondes fiel durch die Glastüren, die zu einem kleinen Balkon führten, und vermischte sich mit dem Schein der wechselnden Bilder auf ihrem siebzehn Zoll großen Sony-Fernsehbildschirm.
Erika schaute auf die Berge im Norden, die sich bis San Francisco und auf der anderen Seite der Bucht bis Oakland erstreckten. Sie dachte an die fruchtbaren Täler von Napa und Sonoma. Sie dachte an zu Hause.
Sie hätte gerne zu Hause angerufen, um ihrem Dad zu sagen, dass sie in der Stadt war, aber FBI-Vorschriften verboten ihr, während eines Einsatzes private Telefongespräche zu führen. Stattdessen freute sie sich einfach, in Kalifornien zu sein, und genoss den Blick auf die Berge und die frische, kalte Luft.
Diese Freude war jedoch getrübt. Unschuldige Menschen starben durch die Hand der Japaner.
Erika setzte sich hin und betrachtete abwesend die Bilder der Zerstörung, die über den Bildschirm liefen.
Es muss doch eine Möglichkeit geben ... irgendwie.
Sie atmete tief ein, nahm die Fernbedienung vom Nachttisch, schaltete den Fernseher aus, ging zum Schreibtisch im Salon ihrer Suite und schaltete ihr Compaq Presario Notebook an, das mit einem digitalen kabellosen PCMCIA-Modem vorprogrammiert war und über Satellit eine Standverbindung zur FBI-Zentrale in Washington bereitstellte. Das System wurde gebootet, aber es dauerte 20 Sekunden, bis Windows 2000 geladen wurde.
Erika tippte das Passwort ein, um den Virus, den sie vor zwei Jahren für FBI-Laptops geschrieben hatte, zu deaktivieren. Dieses Virenprogramm war eine Sicherheitsmaßnahme, falls ein Notebook, auf dessen Festplatte sich heikle FBI-Informationen befanden, gestohlen oder verlegt wurde.“

 

 

Pineiro
R.J. Pineiro
(Havanna, 17 april 1961)

 

De Engelse schrijver Nick Hornby werd geboren op 17 april 1957 in Redhill. Hornby heeft de Maidenhead Grammar School bezocht en studeerde Engels aan het Jesus College in Cambridge. Hornby is leraar geweest, daarna freelance journalist en werd tenslotte schrijver. Hornby maakte voor het eerst naam met Fever Pitch, een boek over zijn levenslange liefde voor de voetbalclub Arsenal. Dit boek en zijn twee eerste romans, High Fidelity en About a boy, zijn gebaseerd op zijn eigen levenservaring. In 1999 kreeg Hornby de E.M. Forster Award van de American Academy of Arts and Letters. How to be good uit 2001 liet een andere kant van Hornby zien; dit boek was zijn eerste dat verteld werd vanuit een vrouwelijk perspectief. Hornby heeft ook een aantal essays geschreven over verschillende aspecten van de populaire cultuur, en is daarmee een enigszins gezaghebbende literaire stem voor liefhebbers van popmuziek. Hij schreef onder andere muziekrecensies voor The New Yorker. Ook schreef hij 31 songs, een boek over 31 van zijn favoriete popsongs.Tevens was hij de redacteur voor twee bloemlezingen over sport en een verzameling van korte verhalen, Speaking with the Angel.

 

Uit: About a Boy

 

“Will ordered a beer, and his mum ordered a glass of white wine. Nobody said anything again. Marcus didn't have a girlfriend, nor had he ever come close to having one, unless you counted Holly Garrett, which he didn't. But he knew this: if a girl and a boy met, and they didn't have a boyfriend or a girlfriend, and they both looked all right, and they didn't mind each other, then they might as well go out together. What was the point in not? Will didn't have a girlfriend, unless you counted Suzie, which he didn't, and his mum didn't have a boyfriend, so...It would be good for all of them. The more he thought about it, the more obvious it seemed.

It wasn't that he needed someone to replace his dad. He'd talked about that with his mum ages ago. They'd been watching a programme on TV about the family, and some silly fat Tory woman said that everyone should have a mother and a father, and his mum got angry and later depressed. Then, before the hospital thing, he'd thought the Tory woman was stupid, and he'd told his mum as much, but at the time he hadn't worked out that two was a dangerous number. Now he had worked that out, he wasn't sure it made much difference to what he thought about the fat Tory woman's idea; he didn't care whether the family he wanted were all men, or all women, or all children. He simply wanted people.”

 

 

Hornby
Nick Hornby (Redhill, 17 april 1957)

 

De Duitse schrijver David Wagner werd geboren op 17 april 1971 in Andernach. Hij groeide op in het Rijnland en studeerde algemene en vergelijkende literatuurwetenschap en kunstgeschiedenis en Bonn, Parijs en Berlijn. Ook verbleef hij gedurende langere tijd in Rome, Barcelona en Mexico-Stad. Tussen 1999 en 2001 schreef hij feuilletons voor de FAZ, in 2002 en 2003 een column voor Die Zeit. Meine nachtblaue Hose, zijn debuutroman uit 2000 beschrijft een jeugd in het Rijnland van de jaren zeventig en tachtig. Voor zijn werk mocht Wagner al diverse prijzen ontvangen.

Uit: Meine nachtblaue Hose

„Fast immer, wenn ich in einem Geschäft eine Umkleidekabine betrete, den Vorhang hinter mir schließe und eine Hose anprobiere, muss ich an Fe und unsere kurze Reise nach Köln denken. An dem Tag, an dem wir uns am Bahnhof Zoologischer Garten trafen, fing es mittags an zu regnen. Ihr Ex-Freund Anatol, mit dem sie damals noch zusammenwohnte, brachte sie zum Bahnsteig. Während er mir aus einiger Entfernung zuwinkte, wunderte ich mich, dass Fe einen Rock statt der gewohnten Hose trug“.

 

 

wagner0
David Wagner (Andernach, 17 april 1971)

 

De Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick werd geboren op 17 april 1928 in New York. Zij stamt uit een joods-Russische familie die voor de progroms naar de VS vluchtten. Zij vindt haar inspitatie voornamelijk in de joodse afkomst, traditie en geschiedenis. Behalve romans schrijft zij ook essays en kritieken.

 

Uit: Heir To The Glimmering World

 

“It read like a telegram; Professor Mitwisser, I would soon learn, was parsimonious. The ad did not mention Elsa, his wife. Possibly he had forgotten about her.

In my letter of reply I said that I would be willing to go to New York, though it was not clear from the notice in the Star what sort of assistance was needed. Since the ad had included the age of a very young child, was it a nanny that was desired? I said I would be pleased to take on the job of nanny.

It was Elsa, not Mitwisser, who initiated the interview—though, as it turned out, she was not in charge of it. In that family she was in charge of little enough. I rode the bus to a corner populated by a cluster of small shabby stores—grocery, shoemaker's, dry cleaner's, and under a tattered awning a dim coffee shop vomiting out odors of some foul stuff frying.

The windows of all these establishments were impenetrably dirty. Across the street a deserted gas station had long ago gone out of business: several large dogs scrabbled over the oil-blackened pavement and lifted their hind legs against the rusting pumps.”

 

 

Ozick
Cynthia Ozick (New York, 17 april 1928)

 

De Duitse schrijver Rolf Kalmuczak werd geboren in Nordhausen op 17 april 1938.Hij was redacteur van dagelijkse kranten, freelance medewerker bij Stern, lector en een van de auteurs van de Jerry Cotton serie. Sinds 1966 heeft hij meer dan 100 pseudoniemen gebruikt, 160 jeugdboeken, 26 film scripten, 170 paperback misdaadromans en 200 romans geschreven. Kalmuczak heeft toegegeven dat hij de TKKG boekenserie heeft geschreven onder het pseudoniem "Stefan Wolf". Rolf Kalmuczak was getrouwd, had een dochter en woonde in Garmisch-Partenkirchen.

 

Uit: Die Jagd nach den Millionendieben

 

„Ein heftiger Schnarcher antwortete. Das Stöhnen verstummte. Dann warf sich Willi Sauerlich, genannt Klößchen, im Bett herum.
„Was .. wo ... wo sind ... die Kannibalen?“, Klößchens sommersprossiges Mondgesicht fuhr vom Kopfkissen hoch.
„Einer liegt unter deinem Bett und fletscht die Zähne“, sagte Tarzan grinsend. „Mann, Willi! Mit 13 Jahren hat man doch nicht so kindische Träume! Von Kannibalen! Sogar im Traum dreht sich bei dir alles ums Futtern. Du standst wohl schon auf der Speisekarte, wie?“
Klößchen stieß prustend die Luft aus und wischte sich über die verschwitzte Stirn. „Junge, da bin ich aber knapp entkommen“, meinte er. „Hätte ich weiter geträumt, wäre ich wohl erwischt worden. Der Kessel war schon angeheizt. So ein dicker Häuptling wollte mich als Bouillon mit Einlage.“
„Da wäre der ganze Stamm satt geworden“, lachte Tarzan“.

 

 

KALMUCZAK
Rolf Kalmuczak (17 april 1938 - 10 maart 2007)

 

De Duitse schrijfster Ida Boy-Ed werd geboren op 17 april 1852 in Bergedorf (Hamburg). Op haar zeventiende trouwde zij met de koopman Karl Johann Boy en werd moeder van twee kinderen. Nadat zij haar man had verlaten trok zij in 1878 met haar oudste zoon naar Berlijn. Daar werkte zij als journaliste en schreef zij romans. Bovendien onderhield zij een levendige correspondentie met allerlei kunstenaars. In 1880 werd zij gedwongen terug te keren naar haar man in Lübeck omdat hij niet met de scheiding inwilligde. Ida Boy-Ed schreef meer dan zeventig romans en was met haar salon van invloed op het culturele leven van Lübeck. Na het verschijnen van Buddenbrooks in 1901 werd zij beschermvrouwe en promotor van Thomas Mann. Evenzeer steunde zij de componist en dirigent Wilhelm Furtwängler in zijn Lübecker tijd.

 

Uit: Empor

 

»Siehst du, Johanne,« begann Irene, »das kann ich nun nicht begreifen. Du vor allen Menschen müßtest mich kennen, denn du hast mich von meinem sechsten bis zu meinem achtzehnten Lebensjahre keinen Tag verlassen. Du hast mich erzogen; was ich weiß, ich verdanke es dir, dein Werk ist es, daß mein heftiger Charakter Selbstbeherrschung gelernt hat, dein Verdienst ist es, daß ich über mich selbst und über andere tiefer nachdenke, als sonst junge Mädchen pflegen. Du vor allen Menschen mußt längst wissen, daß mir mein Dasein schon fast zwecklos schien, als ich es nur dazu anwenden konnte, meinem Vater die wenigen Freistunden zu erheitern, welche ihm sein Amt läßt, daß es mir aber völlig inhaltslos werden muß von dem Augenblicke an, wo eine andere diese liebe, beglückende Pflicht übernehmen darf.«

»Deshalb läuft man nicht so in die Welt hinaus und macht sich aus freien Stücken zur Sklavin der Launen irgendeiner Madame X., Y. oder Z. Eine junge Dame von Vermögen und Stellung! Als ob du nicht auch hier dir hättest einen Wirkungskreis schaffen können,« stritt Frau Ebermann.

»Du bist heftig, Johanne,« sagte Irene sanft, »weil du fühlst, daß du mir mit treffenden Gründen nicht widersprechen kannst. Sollte ich einem Volksküchen- oder Frauenverein beitreten? Für Arme kochen, nähen, ihnen aus der Bibel vorlesen? Oder mehr in der Gesellschaft leben? Meine Tage ausfüllen mit Sorgen darüber, was ich am Tage anziehen werde? Du weißt recht gut, daß ich dazu nicht gemacht bin. Vielleicht ist meine Seele nicht resigniert und einfältig genug, um mir in der Armenpflege einen Beruf zu suchen. Ich fühle in mir nicht die Fähigkeit, mich fremder Not zu widmen und würde immer hin und her schwanken zwischen dem Unglauben an die Not und dem Unglauben an die Hilfe. Bettelnde lügen so viel und Helfende tun so oft weh. – Und die Gesellschaft? Weißt du, ich will Menschen! Ich will Inhalt!«

 

 

BOY-ED
Ida Boy-Ed (17 april 1852 – 13 mei 1928)