25-09-17

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen, Rebecca Gablé, Lu Xun

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Jij en ik (Vertaald door Etta Maris)

“Met een arm stevig om de ski’s geslagen, de skischoenentas in mijn hand en de rugzak op mijn rug, zag ik hoe mijn moeder de auto keerde. Met mijn andere hand zwaaide ik naar haar en wachtte tot de BMW was verdwenen over de brug.
Ik liep door de Viale Mazzini. Ik passeerde het gebouw van de RAI. Op ongeveer honderd meter van het kruispunt met de Via Col di Lana ging ik langzamer lopen, terwijl mijn hart sneller ging bonken. Ik had een vieze smaak in mijn mond, alsof ik aan een stuk koperdraad had gelikt. Al die spullen die ik moest dragen hinderden me. Het leek wel een sauna in dat ski-jack.
Bij het kruispunt aangekomen, leunde ik tegen een muur en keek om de hoek. Verderop, voor een moderne kerk, stond een grote Mercedes SUV. Ik zag Alessia Roncato en haar moeder, de Soemeriër en Oscar Tommasi, die de koffers in de kofferbak zette. Een Volvo met een paar ski’s boven op het dak parkeerde naast de Mercedes en Riccardo Dobosz stapte uit en rende naar de anderen toe. Even later stapte de vader van Dobosz uit.
Ik trok me terug tegen de muur. Ik legde de ski’s neer, ritste mijn jack open en gluurde opnieuw om de hoek. Nu waren de moeder van Alessia en de vader van Dobosz bezig de ski’s boven op de Mercedes te bevestigen. De Soemeriër sprong in het rond en deed alsof hij bokste tegen Dobosz. Alessia en Oscar Tommasi praatten tegen hun mobieltjes. Het duurde behoorlijk lang voordat ze eindelijk klaar waren, Alessia’s moeder werd boos op haar dochter omdat die niet meehielp, de Soemeriër sprong op het dak van de auto om de ski’s te controleren. Maar uiteindelijk vertrokken ze.
Tijdens de tramrit voelde ik me een idioot. Met die ski’s en skischoenen, geplet tussen ambtenaren in jasje-dasje en moeders die hun kinderen naar school brachten. Als ik mijn ogen dichtdeed leek het of ik in een kabelbaantje zat, tussen Alessia, Oscar Tommasi, Dobosz en de Soemeriër in. Ik kon de geur van cacaoboter en zonnebrandcrème ruiken. En terwijl we uit de cabine stapten zouden we elkaar duwen en lachen en hard praten en lak hebben aan alle andere mensen. Net als die lui die door mijn moeder en vader pummels genoemd werden. Ik zou grappige dingen zeggen en ze aan het lachen maken terwijl ze hun ski’s vastklikten. Typetjes doen, moppen vertellen. Ik wist nooit grappige moppen. Je moet heel erg zeker van jezelf zijn om moppen te kunnen vertellen.”

 

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Lees meer...

25-09-16

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Anna (Vertaald door Etta Maris)

"Hij was drie, misschien vier jaar. Hij zat keurig op een kunstleren stoeltje, het hoofd gebogen boven een groen t-shirt met korte mouwen. De omgeslagen pijpen van de spijkerbroek op de gympen. Met een hand hield hij een houten treintje vast dat als een rozenkrans tussen zijn benen hing.
De vrouw die aan de andere kant van de kamer op het bed lag kon net zo goed dertig als veertig zijn. Haar met rode vlekken en donkere korsten bedekte arm zat vast aan een leeg infuus. Het virus had haar gereduceerd tot een hijgend skelet, bedekt met een droge, puistige huid, maar het had niet al haar schoonheid kunnen wegnemen, die nog was terug te vinden in de vorm van haar jukbeenderen en het wipneusje.
Het jongetje richtte zijn hoofd op en keek naar haar, pakte de armleuning vast, stond op uit de stoel en liep met het treintje in zijn hand naar het bed.
Zij merkte het niet. Haar ogen, diep weggezonken in twee donkere poelen, staarden naar het plafond.
De kleine begon te spelen met een knoop van het vieze kussensloop. Zijn blonde haren bedekten zijn voorhoofd en in de zon die door de witte gordijnen scheen leken ze net nylondraden.
Plotseling richtte de vrouw zich op haar ellebogen op en kromde haar rug alsof haar ziel uit haar lichaam werd weggerukt, klemde de lakens in haar vuisten en viel schokkend van het hoesten achterover. Naar adem happend strekte ze haar armen en benen uit. Toen ontspande haar gezicht, sperde ze haar mond open en stierf met open ogen.
Het jongetje pakte voorzichtig haar hand en begon aan haar wijsvinger te trekken. Met een zacht stemmetje fl uisterde hij: ‘Mama? Mama?’ Hij legde het treintje op haar borst en liet het over de plooien van het laken glijden. Even raakte hij de met opgedroogd bloed bedekte pleister aan die de naald van het infuus bedekte. Ten slotte liep hij de kamer uit.
De gang was nauwelijks verlicht. Ergens klonk het biep biep van een medisch apparaat.
Het jongetje liep langs het lijk van een dikke man die naast een brancard lag. Zijn voorhoofd tegen de vloer, een been op een onnatuurlijke manier gebogen. Tussen de azuurblauwe panden van zijn overhemd was zijn lijkbleke rug zichtbaar.”




Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Lees meer...

25-09-15

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Laat het feest beginnen! (Vertaald door Etta Maris)

“Saverio keek eens goed naar zijn discipelen. Hoewel ze over de dertig waren, kleedden ze zich nog steeds als een stelletje armzalige heavy-metalfans. En dat terwijl hij niets anders deed dan ze op het hart te drukken: jullie moeten er normaal uitzien, geen piercings, geen tatoeages, geen studs... Maar ze wilden niet luisteren.
Je moet roeien met de riemen die je hebt, dacht hij gelaten bij zichzelf.
Mantos keek op, zijn beeld werd weerspiegeld in de spiegel van Birra Moretti-bier die achter de bar van de pizzeria hing. Spichtig, een meter tweeënzeventig, metalen bril, donker haar, gekamd met een scheiding aan de linkerkant. Hij droeg een azuurblauw overhemd met korte mouwen en tot zijn kin dichtgeknoopt, een donkerblauwe ribfluwelen broek en collegeschoenen. Een normale kerel. Net als alle grote voorvechters van  het Kwaad: Ted Bundy, Andrej Chikatilo, Jeffrey Dahmer, de kannibaal van Milwaukee. Mannen die je niet eens zouden opvallen als je ze op straat tegenkwam. Maar zij waren wel de lievelingskinderen van de duivel.
Wat zou Charlie Manson in mijn plaats hebben gedaan als hij zulke armzalige volgelingen had gehad?
‘Meester, we willen met je praten... We hebben eens nagedacht over de sekte...’ overviel Edoardo Sambreddero, bijgenaamd Zombie, hem. Zombie was de vierde van de groep, een lange darm
die niet tegen knoflook, chocola en koolzuurhoudende frisdrank kon. Hij leed aan aangeboren oesophagitis. Hij hielp zijn vader met het monteren van elektrische installaties in Manziana. ‘Feite-
lijk bestaan wij als sekte niet.”
Saverio vermoedde waar zijn aanhanger heen wilde, maar deed alsof hij het niet begreep. ‘Wat bedoel je?’
‘Hoe lang geleden hebben wij de bloedeed afgelegd?’
Saverio haalde zijn schouders op. ‘Dat zal een paar jaar geleden zijn geweest.’
‘Op internet staat bijvoorbeeld nooit iets over ons. Maar over de Kinderen van de Apocalyps wordt wel heel veel geschreven,’ fluisterde Silvietta met zo’n zacht stemmetje dat niemand haar hoorde.
Zombie wees met een soepstengel naar zijn baas. ‘Wat hebben we in al die tijd feitelijk gedaan?’
‘Van al die dingen die jij had beloofd, wat hebben we daarvan feitelijk gedaan?’ sloot Murder zich aan. ‘Mensenoffers ho maar en je had gezegd dat we er heel veel zouden brengen. En die initiatieriten met maagden? En die satanische orgieën?’
‘Maar we hebben wel een mensenoffer gebracht, en hóe,’ preciseerde Saverio geïrriteerd. Het is misschien niet helemaal gelukt, maar we hebben het wel gedaan. En ook een orgie.’

 

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Lees meer...

25-09-14

Niccolò Ammaniti

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Ammaniti's eerste boek “Branchie” (vertaald als “Kieuwen”) kwam in 1994 uit. Eigenlijk was Ammaniti bezig af te studeren aan de universiteit van Rome in biologie en moest hij alleen nog zijn scriptie schrijven. Maar de scriptie over vissen werd uiteindelijk een roman over een jongen die voor zijn hobby aquaria bouwt. In 1995 schreef hij “Nel nome del figlio” op initiatief van zijn vader, Massimo Ammaniti. Het is een verhaal over de problemen van adolescenten. In 1996 volgde “Fango”, een verzameling verhalen die hem bekendheid gaf bij het grotere publiek. En een jaar later werd van hem het hoorspel “Anche il sole fa schifo” (Ook de zon staat tegen) uitgezonden op RadioRai. Ammaniti’s eerste bestseller “Io non ho paura” (vertaald als “Ik ben niet bang”) bezorgde hem in 2001 Il Premio Viareggio en door de vele herdrukken. De verfilming van “Ik ben niet bang door Gabriele Salvatores”, met een script geschreven door Ammaniti zelf en Francesca Marciano, leverde hen zelfs diverse nominaties op. Voor zijn volgende roman “Come Dio Comanda” (vertaald als “Zo God het wil”) ontving Ammaniti de meest prestigieuze Italiaanse literaire prijs, de Premio Strega. In Nederland werd Ammaniti's grootste bestseller “Ik haal je op, ik neem je mee” (“Ti prendo e ti porto via”, 1999). De roman “Che la festa cominci” (vertaald als “Laat het feest beginnen”) verscheen in 2009. In 2011 verscheen “L'ultimo capodanno dell'umanita”(vertaald als “Het laatste oudejaar van de mensheid”. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Laat het feest beginnen! (Vertaald door Etta Maris)

"De Beesten van Abaddon zaten aan een tafeltje in Pizzeria Jerry 2 in Oriolo Romano.
Hun leider, Saverio Moneta, bijgenaamd Mantos, was bezorgd.
De toestand was kritiek. Als hij er niet in zou slagen opnieuw de leiding over de sekte in handen te krijgen, zou dit weleens de laatste bijeenkomst van de Beesten kunnen zijn.
De leegloop was kort geleden begonnen. Als eerste was Paolino Scialdone, bijgenaamd de Zeisman, weggegaan. Zonder een woord te zeggen had hij hen in de steek gelaten en was hij overgelopen naar de Kinderen van de Apocalyps, een satanische groep in Pavia. Een paar weken later had Antonello Agnese, bijgenaamd Molten, een tweedehands Harley-Davidson gekocht en zich aangesloten bij de Hells Angels van Subiaco. En ten slotte was Pietro Fauci, bijgenaamd Nosferatu, rechterhand van Mantos en historische grondlegger van de Beesten, getrouwd en eigenaar van een winkel in thermohydraulica in Abetone.
Ze waren nu nog maar met z’n vieren.
Er moest heel ernstig gepraat worden, ze moesten opnieuw tot gehoorzaamheid worden gedwongen en er moesten nieuwe volgelingen worden geronseld.
‘Mantos, wat neem jij?’ vroeg Silvietta, de vestaalse maagd van de groep. Een uitgedroogde krent met bolle ogen die uitpuilden onder de smalle wenkbrauwen die te hoog op haar voorhoofd stonden. Aan een neusvleugel en midden op haar lip droeg ze een zilveren ringetje.
Saverio wierp een terloopse blik op de menukaart. ‘Ik weet niet... Een pizza marinara? Nee, beter maar van niet, knoflook valt me altijd zo zwaar op de maag... Vooruit, ik neem de pappardelle.’
‘Die maken ze hier niet zo goed klaar, maar het is wel lekker!’ luidde de goedkeurende reactie van Roberto Morsillo, bijgenaamd Murder, een dikzak van bijna twee meter met lang, zwart geverfd haar en een vettige bril. Hij droeg een uitgelubberd Slayer-shirt. Hij kwam uit Sutri, studeerde rechten in Rome en werkte in het Brico doe-het-zelfcenter in Vetralla.”

 

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

18:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: niccolò ammaniti, romenu |  Facebook |

25-09-09

Andrzej Stasiuk, Niccolò Ammaniti, William Faulkner, Rebecca Gablé, Lu Xun


De Poolse schrijver en letterkundige Andrzej Stasiuk werd geboren op 25 september 1960 in Warschau. Zie ook mijn blog van 25 september 2008.

 

Uit: Tales Of Galicia (Vertaald door Margarita Nafpaktitis)

 

Simon Wasylczuk showed up at Kosciejny's and said "come on." Kosciejny took a long, narrow knife out from behind the doorframe. They walked two houses further down. Simon led out a mournful-faced sheep and averted his gaze. Mount Cergowa was holding up the sky as usual, and snow still lay on its peak between the trees. It was over in a second. They lifted the animal up and hung it on a bare apple tree by a tendon in its hind leg.
Kosciejny looked like he usually did, a little like a scarecrow that had just escaped from the garden. That's exactly how skinny, forty-year-old men in overalls look. Time rubs their features away, and it's only in old age, when they have become reconciled with it, that they get their own one-of-a-kind faces back. Maybe so death can tell them apart.
But he wasn't thinking about death. Life was keeping him busy. He cut off the head with short, quick strokes. Two mongrels were hanging around nearby. Then the tip of the knife slipped along the belly, along the legs, and the skin came off like a stocking. Steam was rising in the cold morning air. It was already over — skin, carcass, entrails, everything neatly separated. A simple and precise dissection of existence.
"Should I cut it up?" asked Kosciejny.
"I'll cut it up myself. I just don't like doing the killing," said Simon Wasylczuk. He went into the house and came back with a bottle. They sat down against the wall of the barn, in the sun, and drank to each other and lit their cigarettes, watching Cergowa hold up the sky.

"Well I like it," said Kosciejny. "The most important thing is that the little beast doesn't get scared. Makes a bad job of it, and the meat's no good. Stinks of fear. It's worst with a pig. You can't fool a pig, it's smart. I'm doin' a pig tomorrow at your sister's."
"Yeah," Simon Wasylczuk replied.
Who was Kosciejny? His restless spirit drove him to do so many things. In winter he wore a nylon cap with a brim, and in summer he went bareheaded, shriveled by the sun and just as waterproof.“

 

 

 

 

stasiukd
Andrzej Stasiuk (Warschau, 25 september 1960)

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Ammaniti's eerste boek ‘branchie!’ is in 1994 uitgekomen. In 1995 heeft hij ’Nel nome del figlio’ gepubliceerd op initiatief van zijn vader, Massimo Ammaniti. Het is een verhaal over de problemen van adolescenten. In 1996 volgde ‘Fango’, een verzameling verhalen die hem bekendheid gaf bij het grotere publiek. En een jaar later werd van hem het hoorspel ‘Anche il sole fa schifo’ (Ook de zon staat tegen) uitgezonden op RadioRai. Ammaniti’s bestseller Io non ho paura (Ik ben niet bang) bezorgde hem in 2001 il Premio Viareggio en door de vele herdrukken, waaronder een editie voor scholieren, stond het boek lange tijd hoog in de lijst met best verkopende boeken. De verfilming door Gabriele Salvatores, met een script geschreven door Niccolò zelf en Francesca Marciano, levert hen zelfs een Oscarnominatie op voor beste buitenlandse film.

 

Uit: Zo God het wil (Vertaald door Etta Maris)

 

Cristiano wist nog wat hij droomde toen zijn vader hem wakker had gemaakt.
Beneden in de woonkamer, naast de televisie, stond een groot, lichtgevend aquarium met daarin een groene, glibberige kwal die een heel vreemde taal sprak met allemaal
c’s, z-en en r-en. En het mooie was dat hij die kwal helemaal kon verstaan.
Hoe laat is het eigenlijk? vroeg hij zich gapend af.
De lichtgevende wijzerplaat van de radiowekker op de grond wees drie uur drieëntwintig aan.
Zijn vader stak een sigaret op en blies de rook uit. ‘Die hond hangt me de keel uit.’ ‘Die hond is gewoon gek. Komt door al die stokslagen die hij krijgt...’
Nu zijn hart niet meer zo bonkte, voelde Cristiano de slaap zwaar op zijn oogleden drukken. Hij had een droge mond die smaakte naar de knoflook van de kip van de snackbar. Misschien zou die vieze smaak verdwijnen als hij wat dronk, maar het was te koud om naar de keuken te gaan.
Hij was graag verdergegaan met zijn droom over de kwal op het punt waar hij gebleven was. Hij wreef in zijn ogen.
Waarom ga je niet naar bed? De vraag kwam in hem op, maar hij slikte hem in. Uit de manier waarop zijn vader door de kamer liep viel op te maken dat hij niet van plan was te gaan slapen.
Drie sterren.
Cristiano had een schaal van nul tot vijf om de irritatie van zijn vader te meten.”

 

 

 

Ammaniti
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver William Faulkner werd geboren op 25 september 1897 in New Albany, Mississippi. Zie ook mijn blog van 25 september 2008. en ook mijn blog van 25 september 2007 en  mijn blog van 25 september 2006.

 

Uit: The Sound And The Fury 

 

“Through the fence, between the curling flower spaces, I could see them hitting. They were coming toward where the flag was and I went along the fence. Luster was hunting in the grass by the flower tree. They took the flag out, and they were hitting. Then they put the flag back and they went to the table, and he hit and the other hit. Then they went on, and I went along the fence. Luster came away from the flower tree and we went along the fence and they stopped and we stopped and I looked through the fence while Luster was hunting in the grass.

"Here, caddie." He hit. They went away across the pasture. I held to the fence and watched them going away.

"Listen at you, now." Luster said. "Aint you something, thirty three years old, going on that way. After I done went all the way to town to buy you that cake. Hush up that moaning. Aint you going to help me find that quarter so I can go to the show tonight."

They were hitting little, across the pasture. I went back along the fence to where the flag was. It flapped on the bright grass and the trees.

"Come on." Luster said. "We done looked there. They aint no more coming right now. Les go down to the branch and find that quarter before them niggers finds it."

It was red, flapping on the pasture. Then there was a bird slanting and tilting on it. Luster threw. The flag flapped on the bright grass and the trees. I held to the fence.

"Shut up that moaning." Luster said. "I cant make them come if they aint coming, can I. If you dont hush up, mammy aint going to have no birthday for you. If you dont hush, you know what I going to do. I going to eat that cake all up. Eat them candles, too. Eat all them thirty three candles. Come on, les go down to the branch. I got to find my quarter. Maybe we can find one of they balls. Here. Here they is. Way over yonder. See." He came to the fence and pointed his arm. "See them. They aint coming back here no more. Come on."

We went along the fence and came to the garden fence, where our shadows were. My shadow was higher than Luster's on the fence. We came to the broken place and went through it.

"Wait a minute." Luster said. "You snagged on that nail again. Cant you never crawl through here without snagging on that nail."

 

 

 

 

william-faulkner
William Faulkner (25 september 1897 - 6 juli 1962)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Rebecca Gablé (pseudoniem van Ingrid Krane-Müschen) werd geboren op 25 september 1964 in Wickrath / Mönchengladbach. Zie ook mijn blog van 25 september 2008.

 

Uit: Die Hüter der Rose

 

Windsor, Mai 1429

John hatte die Hände auf die Oberschenkel gestützt und wollte einen Moment verschnaufen, als der harte Lederball ihn mit einem satten Klatschen in den Rücken traf.
„Na warte, mein König. Das wird dir noch Leid tun!“ Er hob den Ball auf und lief los.
Lachend rannte der siebenjährige Henry vor ihm davon und brüllte über die Schulter: „Ich war’s nicht! Ich war’s nicht! Tudor hat geworfen!“
John blieb stehen, bedachte den Waliser mit einem erbosten Blick, täuschte und warf dann doch nach Henry. Aber der Junge reagierte schnell. Ehe der Ball vor seine magere Brust prallen konnte, fing er ihn auf, lief zum Flussufer hinab und warf ihn über die Schulter Tudor zu, der ihn ins Gras fallen ließ und zu John kickte. Doch der Schuss ging fehl, der Ball rollte zwischen John und dem kleinen König aufs Wasser zu, und alle drei setzten ihm nach. Sie erreichten ihn gleichzeitig und rangelten um ihr kostbares Spielzeug, benutzten Füße und Ellbogen, um die Mitstreiter abzudrängen. Henry steckte so wacker ein, wie er austeilte. Schließlich stellte er Tudor ein Bein, der der Länge nach hinschlug, den König mit sich riss und es irgendwie auch schaffte, John bei diesem Manöver zu Fall zu bringen.
Lachend und keuchend lagen sie schließlich alle drei im Gras.
„Oh nein!“, rief Henry aus. „Nun ist er doch ins Wasser gerollt!“
Betrübt sahen sie dem Ball hinterher, der rasch in die Flussmitte getrieben wurde und mit der eiligen Strömung Richtung London schwamm.
Tudor seufzte. „Ein Jammer, Sire. Das war mit Abstand der beste, den wir dieses Frühjahr hatten.“
„Und er hat erstaunlich lange gehalten“, stimmte John zu.
Henry setzte sich auf. „Nun, wenn ich meinen Treasurer artig bitte, bekommen wir bestimmt einen neuen.“

 

 

 

 

Gable-Schloss
Rebecca Gablé (Wickrath, 25 september 1964)

 

 

 

 

De Chinese schrijver Lu Xun werd in 1881 in Shaoxing in de provincie Zhejiang geboren als Zhou Shuren. Zie ook mijn blog van 25 september 2008.

 

Uit: Tomorrow (Vertaald door Yang Hsien-yi en Gladys Yang)

 

 "Not a sound—what's wrong with the kid?"

A bowl of yellow wine in his hands, Red-nosed Kung jerked his head towards the next house as he spoke. Blue-skinned Ah-wu set down his own bowl and punched the other hard in the back.

"Bah ..." he growled thickly. "Going sentimental again!"

Being so out-of-the-way, Luchen was rather old-fashioned. Folk closed their doors and went to bed before the first watch sounded. By midnight there were only two households awake. Prosperity Tavern where a few gluttons guzzled merrily round the bar, and the house next door where Fourth Shan's Wife lived. Left a widow two years earlier, she had nothing but the cotton-yarn she spun to support herself and her threeyear-old boy; this is why she also slept late.

It was a fact that for several days now there had been no sound of spinning. But since only two households were awake at midnight, Old Kung and the others were naturally the only ones who would notice if there were any sound from Fourth Shan's Wife's house, and the only ones to notice if there were no sound.

After being punched, Old Kung—looking quite at his ease—took a great swig at his wine and piped up a folk tune.

Meanwhile Fourth Shan's Wife was sitting on the edge of her bed, Pao-erh—her treasure—in her arms, while her loom stood silent on the floor. The murky lamplight fell on Paoerh's face, which showed livid beneath a feverish flush.

"I've drawn lots before the shrine," she was thinking. "I've made a vow to the gods, he's taken the guaranteed cure. If he still doesn't get better, what can I do? I shall have to take him to Dr. Ho Hsiao-hsien. But maybe Pao-erh's only bad at night; when the sun comes out tomorrow his fever may go and he may breathe more easily again. A lot of illnesses are like that."

Fourth Shan's Wife was a simple woman, who did not know what a fearful word "but" is. Thanks to this "but," many bad things turn out well, many good things turn out badly. A summer night is short. Soon after Old Kung and the others stopped singing the sky grew bright in the east; and presently through the cracks in the window filtered the silvery light of dawn.“

 

 

 

 

lu_xun
Lu Xun (25 september 1881 – 19 oktober 1936)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e september ook mijn vorige blog van vandaag.