22-06-16

Nescio, Juliën Holtrigter, Jaap Robben, Aaro Hellaakoski, Willie Verhegghe, Erich Maria Remarque, Dan Brown

 

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook alle tags voor Nescio op dit blog.

Uit: Titaantjes

“Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar den Ringdijk. Daar zaten we in 't gras tusschen de boterbloemetjes beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan kon je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere manier moeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. En dan begon 't te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m'n eene voet lag bijna in de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je 't gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde 't maar zag 't niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: "'t Is hier goeie. Zoo moest 't maar blijven."
Bavink stond overeind en breidde z'n armen uit en luisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat we der ook nooit iets van zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we eigenlijk niet veel beter waren dan al die andere lui, en ik geloof, dat-i daar heel na aan de waarheid was.
Neen, we deden eigenlijk niets. Ons werk op kantoor deden we niet al te best, en onze bazen verachtten we, behalve Bavink en Hoyer, die geen bazen hadden en niet begrepen, waarom we iederen dag weer naar die bazen toegingen.
We wachtten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten. Bekker zei: "Op 't koninkrijk Gods." Dat wil zeggen, dat heeft-i een keer gezegd zonder zich nader te verklaren. Bavink had 't altijd over "het einde, dat meteen 't begin zou wezen." Wij vonden dat allemaal volkomen duidelijk en weidden er niet verder over uit.”

 

 
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)
Cover audio cd, 2005

Lees meer...

24-07-15

Dolce far niente, Nescio, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw

 

Dolce far niente

 

 
Titaantjes in het Oosterpark, beeld door Hans Bayens, Amsterdam

                              

 

Uit: Titaantjes

“Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.
Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z’n baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte, zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan zat Bavink met z’n hoofd in z’n handen, over de zon te praten, bij ’t sentimenteele af. En we vonden dat ’t zonde was naar bed te gaan, dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in ’t water maakte. Stapelmal werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep. Maar aan den kant van ’t water bleef-i toch maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond. Bavink sloeg met z’n vuist tegen z’n voorhoofd en vloekte: „God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit.” Nu zit-i in een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.”

 

 
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)
 Nescio op het terras van het (nu verdwenen) Noord- en Zuidhollands koffiehuis tegenover het Centraal Station in Amsterdam

Lees meer...

22-06-15

Nescio, Juliën Holtrigter, Jaap Robben, Aaro Hellaakoski, Willie Verhegghe, Erich Maria Remarque, Dan Brown

 

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook alle tags voor Nescio op dit blog.

Uit: De Uitvreter

Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en een paar rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alle opheldering. Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den trein laten vallen. Hij was ook nog een keer in 't water gevallen, zei i. Meer liet hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd niet laten scheren, hij had een kleur van roode baksteen en een lucht van koemest bij zich. Hij bracht twee pond tabak mee, die niemand rooken kon. Hij was er aan verslaafd en kwam in veertien dagen niet om een sigaar. Toen waren de twee pond op, plus een peukie dat hij ook nog had meegebracht. Toen bleek dat hij nergens in Amsterdam dien tabak kon krijgen. Hij schreef er om naar Friesland, maar kreeg geen antwoord. Hij was er beroerd van. Maar na een paar dagen zag ik hem toch weer bij Bavink zitten met een sigaar in 't hoofd, van Bavink natuurlijk.
Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op den Boulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad geschoren, een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit overhemd, een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe streepjes, een witte linnen broek, van onder onberispelijk omgestreken, bruine sokken met witte ruiten, lage schoenen.
Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van het Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zich amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hij lachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis op de Place Brouckère dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hij verzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjes op een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover op zijn stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwing over asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dat hij naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eens komen opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij in verbazing achter."

 

 
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

Lees meer...

22-06-14

Nescio, Juliën Holtrigter, Jaap Robben, Willie Verhegghe, Henry Rider Haggard, Erich Maria Remarque, Dan Brown

 

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook alle tags voor Nescio op dit blog.

Uit: Dichtertje

“De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge natuurlijke vrouwtjes, die veel van hun wettige man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là, c'est là qu'il faut être.
Là? Waar? ‘'k Ben mal.’ En ze drukken hun kindje tegen zich aan en zoenen 't erg.
(…)

Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde er niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hief haar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar niet aanraken. En tegelijk zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor den sprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een temptatie in onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was gelopen en hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst, zoo dat er geen pardon meer zou zijn voor al 't mindere. Haar te verheffen zoo hoog als de sterren in de winternacht en met haar 't ergste te genieten en haar dan te laten vallen in 't zwarte grondelooze. Op haar te wreken in het genot de tempteerende onverschilligheid. En wat zou een dichteresje ook beter verlangen, dan zóó te vallen.”

 

 
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

Lees meer...

22-06-13

Nescio, Juliën Holtrigter, Jaap Robben, Willie Verhegghe, Henry Rider Haggard, Erich Maria Remarque, Dan Brown

 

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook alle tags voor Nescio op dit blog.

 

Uit: De Uitvreter

 

“Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den brief kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de hand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er niets aan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker, dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er was geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ik zag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.

‘Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jaren wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veel op. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje en een kalf. Als je blieft.’ En hij haalde zijn portemonnaie voor den dag. ‘Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis.’

‘Met Bavink?’ vroeg ik. ‘Neen,’ zei Japi, ‘niet met Bavink, alleen. Ik ga naar Friesland.’ ‘Midden in den winter?’ Japi knikte. ‘Wat doen?’ Hij haalde z'n schouders op. ‘Doen? Niks doen. Jelui kerels zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin in heb.’

Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker naar den sneltrein van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan z'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti een papieren sigarenpijpje met een reclame. ‘Wacht even’, zei i, toen we al beneden waren. ‘Ik heb nog wat vergeten.’ Even daarna kwam i terug met een vischhengel.

Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak voor hem had.”

 

 

 

Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

Lees meer...

22-06-12

Nescio, Juliën Holtrigter, Jaap Robben, Willie Verhegghe, Henry Rider Haggard, Erich Maria Remarque, Dan Brown

 

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook alle tags voor Nescio op dit blog.

 

Uit: Amsterdam Stories (The Freeloader, De Uitvreter, vertaald door Damion Searls)

 

„Except for the man who thought Sarphatistraat was the most beautiful place in Europe, I've never met anyone more peculiar than the freeloader.

The freeloader you found lying in your bed with his dirty shoes on when you came home late; the freeloader who smoked your cigars and filled his pipe with your tobacco and burned your coal and peered into your cupboards and borrowed your money and wore out your shoes and took your coat when he had to go home in the rain. The freeloader who always ordered in someone else's name, who sat and drank jenever like a prince at the outdoor tables of the Hollandais on other people's tabs, who borrowed umbrellas and never brought them back, who heated Bavink's secondhand stove until it cracked, who wore his brother's double collars and loaned out Appi's books, and took trips abroad whenever he'd hit up his old man for money again, and wore suits he never paid for.

His first name was Japi. I never knew his last name. Bavink showed up with him when he came back from Veere.

All summer long Bavink had been painting in Zeeland and it was in Veere that he saw Japi for the first time. Japi was just sitting there. Bavink wondered once or twice: Now what kind of guy is that? No one knew. He was always sitting by the water somewhere, just sitring, hour after hour, not moving. At noon and at six he went inside for an hour, to eat; the rest of the day he sat. That lasted about three weeks, then Bavink didn't see him anymore.

A couple of days later, Bavink was coming back from Rotterdam. Every now and then Bavink needed to have a lot of people around; he tromped along the Rotterdam harbor for a few days, then he'd had enough. On board the ship from Numansdorp to de Zijpe, there was Japi again, sitting. A stiff, cold wind was blowing pretty hard that morning and there were whitecaps on the water. Every now and then spray splashed up over the railing at the bow of the ship. The glass doors on the foredeck were closed; there was no one at the bow. Just Japi, peering out over the rail and getting completely drenched. "Look at that," Bavink thought, "if it isn't that same guy." He went and stood next to him. The boat pitched and rolled. Japi sat on his little bench, held on tight to his cap, and let himself get soaked. This lasted quite a while, until he noticed that someone was standing next to him. "Nice weather we're having,"

 

 


Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

Boekomslag door Joost Swarte, 2006

Lees meer...

22-06-11

Nescio, Jaap Robben, Henry Rider Haggard, Erich Maria Remarque, Dan Brown, Xavier Grall

 

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007 en ook mijn blog van 22 juni 2008 en ook mijn blog van 22 juni 2009.

 

Uit: Titaantjes

 

"Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n vijven. Alle andere menschen waren 'ze'. 'Ze', die niets snapten en niets zagen. 'Wat?' zei Bavink, 'God? je praat over God? Hun warme eten is hun God.' Op enkele 'goeie kerels' na werd iedereen door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: 'En niet ten onrechte', maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu, alweer behalve Bavink, en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg tegen Hoyer: 'we zijn er niet op vooruit gegaan.' Maar Hoyer is al te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S.D.A.P. te hooren, en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders.“

(…)


 

 


Titaantjes in het Oosterpark, beeld door Hans Bayens, Amsterdam



Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alles lieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens een schilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen wat ik doen moest. 'Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, even breed, een blauwe en een goudgele en in 't midden van die blauwe baan maak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in den catalogus: No.666 De Gedachte, schilderij. En zenden we 't in op mijn naam: Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat, nummer zooveel en we prijzen 't voor
.008¦Je zult een zien wat ze er in ontdekken. Van alles, waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt.'




Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

Lees meer...

18-10-09

Kees Fens, Jan Erik Vold, Terry McMillan, Wendy Wasserstein, Ntozake Shange, Heinrich von Kleist, Rick Moody, Raymond Brulez, François Choderlos de Laclos


De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op  18 oktober 1929. Fens volgde zijn middelbareschoolopleiding aan het St. Ignatiuscollege in Amsterdam, waar hij in 1948 zijn A-diploma behaalde. Daarna volgde hij in de avonduren een studie Nederlands-MO. Tussen 1959 en 1982 werkte hij als leraar Nederlands, vanaf 1964 aan de Frederik Muller Academie in Amsterdam. In 1982 werd hij benoemd tot hoogleraar in de moderne Nederlandse letterkunde aan het instituut Nederlands van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na zijn emeritaat in 1994 volgde nog een benoeming tot bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan diezelfde universiteit. In 2001 legde hij ook die functie neer.

Tegelijkertijd schreef Fens literaire kritieken, vanaf 1955 voor het weekblad De Linie, van 1960 tot 1968 voor het dagblad De Tijd en van 1968 tot 1978 voor de Volkskrant. Voor die laatste krant is hij tot en met 2008 blijven schrijven, meest over literaire onderwerpen, hoewel hij er ook een tijdlang een sport-column voor verzorgde. Kees Fens schreef voor de Tijd een wekelijkse column onder het pseudoniem A.L. Boom van 1976 tot het einde van het blad in 1989.

Samen met J.J. Oversteegen en H.U. Jessurun d'Oliveira richtte hij in 1962 het invloedrijke literair tijdschrift Merlyn op. Waardering voor zijn werk is niet uitgebleven. Literaire prijzen en een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam vielen hem ten deel. Op 14 juni 2009 werd de brug tussen de Hartenstraat en de Reestraat - schuin tegenover zijn laatste woonhuis aan de Amsterdamse Keizersgracht - omgedoopt tot de Kees Fensbrug. Zie ook mijn blog van 15 juni 2008.

 

Uit: Over Nescio's ‘Dichtertje’

 

“Anders is het met het dichtertje, met Coba en Dora, de drie belangrijkste figuren uit Dichtertje. Zij laten zich door de lezer zonder schaamte bij de naam noemen doordat hier niet van binnenuit maar van buitenaf beschreven wordt, vanuit de hoogte zelfs, zou ik willen zeggen: de auteur heeft de touwtjes stevig in de hand. Op maar enkele plaatsen komt hij als ik-figuur het verhaal binnen en dan zeer zelfbewust als schrijver, de almachtige die zijn figuren verdomd goed door heeft: hij alleen weet wat omgaat in de personen van dit verhaal, die juist van elkaar niets weten. Zo toont hij zijn almacht en alwetenheid aan het einde van het vierde hoofdstuk: ‘Gelukkig, 't dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. “O God,” denkt-i, “als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens ineens van al die vrouwen al de kleeren afvielen?”

Een dichtertje dat den waanzin nabij is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn lezeressen... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.’ Bij het begin van hoofdstuk zes onderbreekt de auteur zijn verhaal zelfs met een korte uitweiding over de reacties van zijn vrouw op het tot nu toe vertelde. De passage eindigt als volgt: ‘De situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord, toch ga ik door.’ En dan begint met de volgende alinea een der wonderlijkste passages uit de novelle. ‘Daar wandelt de God van Nederland weer op 't Damrak over 't gloeiende asfalt.’ Maar die God van Nederland staat nu niet in relatie tot het door hem niet begrepen dichtertje, maar tot de ik-figuur, die die incarnatie van fatsoen en burgerdom in een volgende alinea naar de vuilnisbelt bidt. Wat doet die God van Nederland plotseling op het Damrak, waar hij al meer gesignaleerd werd? Van zijn vrouw zegt de ik-figuur, ‘dat ze de poëzie in dit verhaal niet begrijpt.’ En haar commentaar is fatsoenlijk en burgerlijk, typisch in de geest van de God van Nederland, die maar één norm heeft: Potgieter. Geen wonder dus, dat die God nu de wereld van de ik-figuur zelf binnenstapt. Nadat hij hem naar de vuilnisbelt gebeden heeft, vervolgt hij: ‘Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar boven gaan als blauwe rook in een stille zomeravond, als een verre koe klagelijk loeit.’ Dat zou een uitlating van het dichtertje zelf kunnen zijn. De ik-figuur vervolgt dan: ‘En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwe wereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten des Vaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu, een meisje, zoolang de genade duurt.’

Ik moet bekennen, tegen de laatst geciteerde alinea nog al lang te hebben aangekeken. Ik kan de passage niet anders zien dan als een omschrijving van een zelfbewust schrijverschap, dat vrij gemaakt is van alle belemmeringen in het voorgaande stuk genoemd, zó vrij dat het van boven op zijn schepselen neerziet, waarmee het zich ook kan vereenzelvigen ‘zoolang de genade duurt.’ Zeggen, dat Dora met de ik-figuur geheel te identificeren is, in de zin dat de ik-figuur eigen belevenissen in haar ervaringen weergeeft, durf ik niet. Daarvoor is, dunkt mij, te weinig bewijsmateriaal in het geciteerde fragment aanwezig. Bovendienlijkt mij de dubbele houding: zien van bovenaf en mogelijkheid tot vereenzelviging, dat wil gemeenplaatserig zeggen: de wereld zien vanuit de verhaal-figuur (waarmee de auteur zijn macht, want zijn alwetendheid demonstreert) kenmerkend voor de opzet van Dichtertje.”

 

 

 

Kees_Fens

Kees Fens (18 oktober 1929 - 14 juni 2008)

 

 

 

 

 

De Noorse dichter, vertaler en musicus Jan Erik Vold werd geboren op 18 oktober 1939 in Oslo. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2008.

 

 

 

MIT DER NASE
gegen
das Moos. Mit der Nase
gegen den Spiegel. Mit

der Nase
gegen
den Rücken der
Geliebten. Sodass er den Gewehrlauf

im
Nacken
nicht
spürt.

 

 

 

 

UNSERE
Hände

waren feucht. Der Lippenstift hieß
Sans.

Egal. Ein Mann
kletterte eine Neonleiter hinauf
bis zuoberst
aufs Hausdach. Unsere Herzen

schmolzen. Im Kino
dunkel. Schmolzen
im Kinodunkel. Das Dunkel im Kino
Central.
 

 

 

Vertaald door Walter Baumgartner

 

 

 

Fan

 

A fan has no trade union.

A fan is left without an interest organization

A fan belongs to a powerless collective.

Who shall fight for the cause of the fans?

 

 

 

Engelse vertaling door Lars E. Finsen

 

 

 

 

 

Jan_Erik_Vold
Jan Erik Vold (Oslo, 18 oktober 1939)

 

 

 

De Afrikaans - Amerikaanse schrijfster Terry McMillan werd geboren op 18 oktober 1951 in Port Huron, Michigan. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2008.

 

Uit: A Day Late and A Dollar Short

 

“Can't nobody tell me nothing I don't already know. At least not when it comes to my kids. They all grown, but in a whole lotta ways they still act like children. I know I get on their nerves-but they get on mine, too - and they always accusing me of meddling in their business, but, hell, I'm their mother. It's my job to meddle.

What I really do is worry. About all four of 'em. Out loud. If I didn't love 'em, I wouldn't care two cents about what they did or be the least bit concerned about what happens to 'em. But I do. Most of the time they can't see what they doing, so I just tell 'em what I see. They don't listen to me half the time no way, but as their mother, I've always felt that if I don't point out the things they doing that seem to be causing 'em problems and pain, who will? Which is exactly how I ended up in this damn hospital: worrying about kids.

I don't even want to think about Cecil right now, because it might just bring on another attack. He's a bad habit I've had for thirty-eight years, which would make him my husband. Between him and these kids, I'm worn out. It's a miracle I can breathe at all. I had 'em so fast they felt more like a litter, except each one turned out to be a different animal. Paris is a female lion who don't roar loud enough. Lewis is a horse who don't pull his own weight. Charlotte is definitely a bull, and Janelle would have to be a sheep - a lamb is closer to it - 'cause she always being led out to some pasture and don't know how she got there.

As a mother, you have high hopes for your kids. Big dreams. You want the best for them. Want 'em to get the rewards from life that you didn't get for one reason or another. You want them to be smarter than you. Make better choices. Wiser moves. You don't want them to be foolish or act like fools. Which is why I could strangle Lewis my damnself. He is one big ball of confusion. Always has had an excuse for everything, and in thirty-six years, he ain't changed a lick.

In 1974, he did not steal them air conditioners from the Lucky Lady Motel that the police just happened to find stacked up in the back seat of our LeSabre way out there in East L.A. Lewis said his buddy told him they belonged to his uncle. And why shouldn't he believe him?”

 

 

 

terrymc
Terry McMillan (Port Huron, 18 oktober 1951)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Wendy Wasserstein werd geboren op 18 oktober 1950 in New York. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2008.

 

Uit: Elements of Style

 

“Frankie completely forgot Samantha ever said she would call. But on a Thursday night while she was dressing for an exercise class the phone rang. Frankie decided to let the machine pick it up and concentrate instead on getting to the gym. If it was her office or something important, it would have been on her pager or the other line.

"Hi, this is Samantha Acton. Great to see you at the ballet." Frankie stared at her phone machine as if it were malfunctioning. "Will you come to dinner next Thursday? I mentioned to my husband, Charlie, that I saw you and he said he'd love for us to get together."

Frankie uncharacteristically lunged for the phone with her exercise tights still around her knees.

"Oh, hi, Samantha."

“Oh, you’re there. Screening, are you?”

"I win a lot of free trips to Orlando. And then there's my father's wife, Helen."

"Oh, I remember her. She wore leopard while all our mothers were in tweeds."

"I’m amazed you remember her!" Frankie was truly impressed.

"She was sexy, and you know, there wasn't a whole lot of that back then. So will you come?"

"Sure. I think so."

"Great. We live at East Sixty-sixth and Fifth, number 4. Say eight o’clock. Can’t wait. Charlie will be so pleased."

Frankie took her tights off her legs and sat down on the couch. She knew there was no way she would still be exercising tonight. Somewhere, she felt enough sense of accomplishment that after thirty years she was finally invited to the cool girls' table.

"I'm going upstairs to Acton." Frankie stopped at the white-gloved Fifth Avenue doorman.

"Elevator to your right."

As Frankie entered the formal lobby she wondered why Samantha didn't live somewhere hipper or less imposing. Then again, Christmas tree earrings in a room full of painters and filmmakers is a yawn. But in a room full of investment bankers and inherited wealth it's practically performance art.

The elevator door opened to a spare gallery of beige walls and Rothkos. A butler opened the door and a waiter appeared with a tray of caipirinhas.

"Can I take your coat?" the butler asked.

"Oh sure."

Frankie gave him her coat and, for some reason she didn't understand, her purse.

"Would you like to take your shoes off?"

Frankie actually didn't want to. They were suede boots which took her forever to get on. But she was too good a guest not to do what she was told. She sat down in the vestibule to remove them.”

 

 

 

 

Wasserstein
Wendy Wasserstein (18 oktober 1950 – 30 januari 2006)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Ntozake Shange werd geboren als Paulette Williams op 18 oktober 1948 in Trenton, New Jersey. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2008.

 

 

fire & rain

one thing i dont need
is any more apologies
i got sorry greetin me at my front door
you can keep yrs
i dont know what to do wit em
they dont open doors
or bring the sun back
they dont make me happy
or get a mornin paper
didnt nobody stop usin my tears to wash cars
cuz a sorry

i am simply tired
of collectin
i didnt know
i was so important toyou’
i’m gonna haveta throw some away
i cant get to the clothes in my closet
for alla sorries
i’m gonna tack a sign to my door
leave a message by the phone
‘if you called
to say yr sorry
call somebody
else
i dont use em anymore’
i let sorry/didnt meanta/& how cd i know abt that
take a walk down a dark & musty street in brooklyn
i’m gonna do exactly what i want to
& i wont be sorry for none of it
letta sorry soothe yr soul/i’m gonna soothe mine

you were always inconsistent
doin somethin & then bein sorry
beatin my heart to death
talkin bout you sorry
well
i will not call
i’m not goin to be nice
i will raise my voice
& scream & holler
& break things & race the engine
& tell all yr secrets bout yrself to yr face
& i will list in detail everyone of my wonderful lovers
& their ways
i will play oliver lake
loud
& i wont be sorry for none of it

i loved you on purpose
i was open on purpose
i still crave vulnerability & close talk
& i’m not even sorry bout you bein sorry
you can carry all the guilt & grime ya wanna
just dont give it to me
i cant use another sorry
next time
you should admit
you’re mean/low-down/triflin/& no count straight out
steada bein sorry alla the time
enjoy bein yrself

 

 

 

 

Shange
Ntozake Shange (Trenton,
18 oktober 1948)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Heinrich von Kleist werd geboren op 18 oktober 1777 in Frankfurt an der Oder. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2006 en ook mijn blog van 18 oktober 2007 en ook mijn blog van 18 oktober 2008.

 

Uit: Das Erdbeben in Chili

 

“In St. Jago, der Hauptstadt des Königreichs Chili, stand gerade in dem Augenblicke der großen Erderschütterung vom Jahre 1647, bei welcher viele tausend Menschen ihren Untergang fanden, ein junger, auf ein Verbrechen angeklagter Spanier, namens Jeronimo Rugera, an einem Pfeiler des Gefängnisses, in welches man ihn eingesperrt hatte, und wollte sich erhenken. Don Henrico Asteron, einer der reichsten Edelleute der Stadt, hatte ihn ungefähr ein Jahr zuvor aus seinem Hause, wo er als Lehrer angestellt war, entfernt, weil er sich mit Donna Josephe, seiner einzigen Tochter, in einem zärtlichen Einverständnis befunden hatte. Eine geheime Bestellung, die dem alten Don, nachdem er die Tochter nachdrücklich gewarnt hatte, durch die hämische Aufmerksamkeit seines stolzen Sohnes verraten worden war, entrüstete ihn dergestalt, daß er sie in dem Karmeliterkloster unsrer lieben Frauen vom Berge daselbst unterbrachte.

Durch einen glücklichen Zufall hatte Jeronimo hier die Verbindung von neuem anzuknüpfen gewußt, und in einer verschwiegenen Nacht den Klostergarten zum Schauplatze seines vollen Glückes gemacht. Es war am Fronleichnamsfeste, und die feierliche Prozession der Nonnen, welchen die Novizen folgten, nahm eben ihren Anfang, als die unglückliche Josephe, bei dem Anklange der Glocken, in Mutterwehen auf den Stufen der Kathedrale niedersank.

Dieser Vorfall machte außerordentliches Aufsehn; man brachte die junge Sünderin, ohne Rücksicht auf ihren Zustand, sogleich in ein Gefängnis, und kaum war sie aus den Wochen erstanden, als ihr schon, auf Befehl des Erzbischofs, der geschärfteste Prozeß gemacht ward. Man sprach in der Stadt mit einer so großen Erbitterung von diesem Skandal, und die Zungen fielen so scharf über das ganze Kloster her, in welchem er sich zugetragen hatte, daß weder die Fürbitte der Familie Asteron, noch auch der Wunsch der Äbtissin selbst, welche das junge Mädchen wegen ihres sonst untadelhaften Betragens liebgewonnen hatte, die Strenge, mit welcher das klösterliche Gesetz sie bedrohte, mildern konnte.“

 

 

 

 

 

kleist
Heinrich von Kleist (18 oktober 1777 - 21 november 1811)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Rick Moody werd geboren op 18 oktober 1961 in New York. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2008.

 

Uit: Demonology

 

They came in twos and threes, dressed in the fashionable Disney costumes of the year, Lion King, Pocahontas, Beauty and the Beast, or in the costumes of televised superheroes, Protean, shape–shifting, thus arrayed, in twos and threes, complaining it was too hot with the mask on, Hey, I'm really hot!, lugging those orange plastic buckets, bartering, haggling with one another, Gimme your Smarties, please as their parents tarried behind, grownups following after, grownups bantering about the schools, or about movies, about local sports, about their marriages, about the difficulties of long marriages, kids sprinting up the next driveway, kids decked out as demons or superheroes or dinosaurs or as advertisements for our multinational entertainment providers, beating back the restless souls of the dead, in search of sweets...” 

 

 

 

 

rick_moody
Rick Moody (New York, 18 oktober 1961)

 

 

 

 

 

De Belgische schrijver Raymond Brulez werd geboren te Blankenberge op 18 oktober 1895. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2006 en ook mijn blog van 18 oktober 2008.

 

Uit: Kleine Essais al buitelend (Nieuwe onzakelijkheid)

 

“Het station van Brugge gelijkt op een kathedraal: gotische zuilen, spitsbogige ramen; tot zekere onmisbare plaatsen toe werden naar biechtstoelen gecopiëerd... Dit ergerde steeds mijn vriend Huib Hoste, den ijverigen voorvechter eener achitectuur die naar de nuchtere schikking van onversierde massa's streeft. Langen tijd heb ik zijn ergernis gedeeld, maar nu vraag ik me af: of het wel wenschelijk is dat de dingen er ook uitzien zooals ze in wezenlijkheid zijn? Waarom zou een zwemkom de gedaante niet mogen aannemen van een schouwburgzaal, of een academisch auditorium deze van cirkus? ‘Wij willen een eerlijke architectuur, meneer!...’ roepen de modernisten. Zij staan sterk: ze profiteeren van de crisis van deugdzaamheid die we thans doormaken. Poëten en politiekommissarissen worden gedemaskeerd... Maar ‘eerlijkheid’ is een zedelijk begrip. Ethica heeft met kunst niets te maken. Een muur, hij zij nu opgetrokken in neue Sachlichkeit of neo-Gothiek, is op zichzelf geen moreel of immoreel ding. (Hij kan het weliswaar worden naar gelang hij behangen wordt met aankondigingen van radiotreinen naar Beauraing of frivole voorstellingen van den Carnaval van Nice.) Puritanisme is geen aesthetisch criterium. Ik herhaal: ‘Laat de dingen schijnen wat ze niet zijn!...’

Geen strenge redeneering, maar wel een persoonlijke beleving bekeerde mij tot dit irrationalisme. Zekeren dag had ik in de wachtzaal van bovenvermeld gesmade station, een beslissend onderhoud, met een persoon die voor mij zoo duurbaar als obsedeerend was... Schroom alsook andere overwegingen beletten mij hier duidelijker te zijn... Kortom, het was zoo wat de dramatische situatie van Titus en Berenice: ‘Invitus invitam remesit!...’ Ge snapt het niet?... Sla er eens uw Winkler Prins op na of de roze bladzijden van den kleinen Larousse... Met dit bescheiden correctief: dat held en heldin slechts tot de mindere klassen van burgerij en proletariaat behoorden... Welnu, hoe harmonisch paste de duisternis der wachtzaal bij onze gelatenheid, de Rembrandtbelichting der hooge boogvensters bij haar ontroerde gestalte!... Ik ben overtuigd dat: hadde zich ons afscheid voltrokken in de brutale helderheid en ontnuchterde atmosfeer van een modern gebouw, ik er niet die fluweelig zachte herinnering zou van behouden hebben die mij zoo duurbaar blijft...”

 

 

 

Brulez
Raymond Brulez (18 oktober 1895 – 17 augustus 1972)

 

 

 

 

De Franse schrijver Pierre Ambroise François Choderlos de Laclos werd geboren in Amiens op 18 oktober 1741. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 18 oktober 2006 en ook mijn blog van 18 oktober 2008.

 

 

Uit: Les liasons dangereuses

 

« C'est peu pour mon inhumaine de ne pas répondre à mes lettres, de refuser de les recevoir ; elle veut me priver de sa vue, elle exige que je m'éloigne. Ce qui vous surprendra davantage, c'est que je me soumette à tant de rigueur. Vous allez me blâmer. Cependant je n'ai pas cru devoir perdre l'occasion de me laisser donner un ordre : persuadé, d'une part, que qui commande s'engage ; et de l'autre, que l'autorité illusoire que nous avons l'air de laisser prendre aux femmes est un des pièges qu'elles évitent le plus difficilement. De plus, l'adresse que celle-ci a su mettre à éviter de se trouver seule avec moi me plaçait dans une situation dangereuse, dontj'ai cru devoir sortir à quelque prix que ce fût : car étant sans cesse avec elle, sans pouvoir l'occuper de mon amour, il y avait lieu de craindre qu'elle ne s'accoutumât enfin à me voir sans trouble ; disposition dont vous savez assez combien il est difficile de revenir.“

 

 

 

Laclos
François Choderlos de Laclos (18 oktober 1741 – 5 september 1803)

 

 

22-06-09

Nescio, Erich Maria Remarque, Dan Brown, Xavier Grall, Tadeusz Konwicki, Anne Morrow Lindbergh, Johannes Baader, Ida von Hahn-Hahn, Henry Rider Haggard, Jacques Delille


De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007 en ook mijn blog van 22 juni 2008.

 

Uit: De Uitvreter

 

Jij weet niet wat handel is, Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga je tot je achttiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel schapen er in Australië zijn en hoe diep 't Suezkanaal is?
Nou juist, daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is?
Ik ook niet, maar ik heb 't geweten. De raarste dingen heb ik moeten leeren. Vertaal in 't Fransch: 'onder benefice van inventaris'. Ga der maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Dat duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merk je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat temaken. Overigens is 't ‘t ouwe gedonderjaag, 's morgens om negen uur present en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier niet opschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen, maar 't wou niet meer, ik had 't zooveel jaren gedaan. En taai. Ze zeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aan gehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om te werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarin zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik 't niks lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijke dingen had geleerd, dan zei de ouwe boekhouder: 'Ja jongetje, het leven is geen roman.' Bakken vertellen, dat kon ik en dat vonden ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouder wist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er niet was maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooit hadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen; af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijk gemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoon van superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zich een beroerte als ik dien jongeheer nadeed.
Ik heb daar ook nog een schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze me aan een toestel gezet, dat ze de 'guillotine' noemden. Daar moest ik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle monsters werden scheef. De lui hadden 't wel in de gaten, ze hadden niets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet om erger te voorkomen.“

 

 

 

 

Nescio
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Erich Maria Remarque (pseudoniem van Erich Paul Remark) werd geboren op 22 juni 1898. Zie ook mijn blog van 22 juni 2006 en ook mijn blog van 22 juni 2007 en ook mijn blog van 22 juni 2008.

 

Uit: Der schwarze Obelisk

 

Die Sonne scheint in das Büro der Grabdenkmalsfirma Heinrich Kroll & Söhne. Es ist April 1923, und das Geschäft geht gut. Das Frühjahr hat uns nicht im Stich gelassen, wir verkaufen glänzend und werden arm dadurch, aber was können wir machen - der Tod ist unerbittlich und nicht abzuweisen, und menschliche Trauer verlangt nun einmal nach Monumenten in Sandstein, Marmor und, wenn das Schuldgefühl oder die Erbschaft beträchtlich sind, sogar nach dem kostbaren schwarzen schwedischen Granit, allseitig poliert. Herbst und Frühjahr sind die besten Jahreszeiten für die Händler mit den Utensilien der Trauer - dann sterben mehr Menschen als im Sommer und im Winter -; im Herbst, weil die Säfte schwinden, und im Frühjahr, weil sie erwachen und den geschwächten Körper verzehren wie ein zu dicker Docht eine zu dünne Kerze. Das wenigstens behauptet unser rührigster Agent, der Totengräber Liebermann vom Stadtfriedhof, und der muß es wissen; er ist achtzig Jahre alt, hat über zehntausend Leichen eingegraben, sich von seiner Provision an Grabdenkmälern ein Haus am Fluß mit einem Garten und einer Forellenzucht gekauft und ist durch seinen Beruf ein abgeklärter Schnapstrinker geworden. Das einzige, was er haßt, ist das Krematorium der Stadt. Es ist unlautere Konkurrenz. Wir mögen es auch nicht. An Urnen ist nichts zu verdienen.“

 

 

 

 

remarque_e
Erich Maria Remarque (22 juni 1898 – 25 september 1970)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Dan Brown werd geboren in Exeter, New Hampshire, op 22 juni 1964. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007 en ook mijn blog van 22 juni 2008.

 

Uit: The Davinci Code

 

I told you already," the curator stammered, kneeling defenseless on the floor of the gallery. "I have no idea what you are talking about!"
"You are lying." The man stared at him, perfectly immobile except for the glint in his ghostly eyes. "You and your brethren possess something that is not yours."
The curator felt a surge of adrenalin. How could he possibly know this?
"Tonight the rightful guardians will be restored. Tell me where it is hidden, and you will live." The man leveled his gun at the curator's head. "Is it a secret you will die for?"
Saunière could not breathe.
The man tilted his head and closed one eye, peering down the barrel of his gun.
Saunière held up his hands in defense. "Wait," he said slowly. "I will tell you what you need to know." The curator spoke his next words carefully. The lie he told was one he had rehearsed many times…each time praying he would never have to use it.

When the curator had finished speaking, his assailant smiled smugly. "Yes. This is exactly what the others told me."
Saunière recoiled. The others?
"I found them, too," the huge man taunted. "All three of them. They confirmed what you have just said."
It cannot be! The curator's true identity, along with the identities of his three sénéchaux, was almost as sacred as the ancient secret they protected.
Saunière now realized his sénéchaux, following strict procedure, had told the same lie before their own deaths. It was part of the protocol.

 

 

 

 

Brown
Dan Brown (Exeter, 22 juni 1964)

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Xavier Grall werd geboren op 22 juni 1930 in Landivisiau (Finistère). Zie ook mijn blog van 22 juni 2007 en ook mijn blog van 22 juni 2008.

 

 

Allez dire à la ville (Fragment)

 

Terre dure de dunes et de pluies

c'est ici que je loge

cherchez, vous ne me trouverez pas

c'est ici, c'est ici que les lézards

réinventent les menhirs

c'est ici que je m'invente

j'ai l'âge des légendes

j'ai deux mille ans

vous ne pouvez pas me connaître

je demeure dans la voix des bardes

0 rebelles, mes frères

dans les mares les méduses assassinent les algues

on ne s'invente jamais qu'au fond des querelles

 

Allez dire à la ville

que je ne reviendrai pas

dans mes racines je demeure

Allez dire à la ville qu'à Raguénuès et Kersidan

la mer conteste la rive

que les chardons accrochent la chair des enfants

que l'auroch bleu des marées

défonce le front des brandes

 

Allez dire à la ville

que c'est ici que je perdure

roulé aux temps anciens

des misaines et des haubans

Allez dire à la ville

que je ne reviendrai pas

 

Poètes et forbans ont même masure

les chaumes sont pleins de trésors et de rats

on ne reçoit ici que ceux qui sont en règle avec leur âme sans l'être avec la loi

les amis des grands vents

et les oiseaux perdus

Allez dire la ville

que je ne reviendrai pas

 

 

 

 

gralljeune
Xavier Grall (22 juni 1930 – 11 december 1981)

 

 

 

 

 

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007.

 

Uit: The Polish Complex (Vertaald door Richard Lourie)

 

„I was standing in line in front of a state-owned jewelry store. I was twenty-third in line. In a short while the chimes of Warsaw would announce that it was eleven o’clock in the morning. Then the locks on the great glass and metal doors would rattle open and we, the sneezing and sniffling customers, would invade the store’s elegant interior — though, of course, ours would be a well-disciplined invasion, each person keeping the place staked out during the long wait in line.

It was the day before Christmas, fairly cold, something between a late autumn day and one late in winter. There was a belated feeling about the day itself as well. Not fully illuminated, misty, sluggish. Stray snowflakes sailed through the icy air like poplar seeds. The tram cars huddled in herds on the broad trunk line, their bells clanging plaintively. A beggar familiar to all Warsaw sat himself down on the sidewalk near the jewelry store. He spread out his legs in the light, shifting snow to intimidate fainthearted passerby. But I knew that his prostheses, made of plastic and nickel, were hollow, and though they might freeze to the sidewalk, our beggar would feel no cold. Endless crowds of pedestrians rushed by along the walls. Occasionally one, lost in thought, would collide with another, yet would keep on walking without apology. Or one would jostle another with a Christmas tree, then curse him out. Some stumbled and fell but rose quickly, feeling no pain, and went on their way. Your usual day before Christmas.

This day was creeping across a little planet in a small solar system. The planet, called Earth, is a rocky oval filled with liquid lava; its surface is covered by thin layers of water, as well as by air, a volatile mixture of oxygen, hydrogen, nitrogen, and several other elements, each of which would pose a threat to its existence. Due to a confluence of favorable circumstances, life arose on this planet.

 

 

 

 

TadeuszKonwicki
Tadeusz Konwicki (Nowa Wilejka, 22 juni 1926)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster en luchtvaartpionier Anne Morrow Lindbergh werd geboren op 22 juni 1906 in   Englewood, New Jersey. Anne studeerde aan het prestigieuze Smith College in Northampton (Massachusetts). Anne leerde Charles Lindbergh kennen toen haar vader, toen ambassadeur in Mexico, hem uitnodigde om zijn gast te zijn. Lindbergh had toen net zijn vlucht met de Spirit of St. Louis van New York naar Parijs achter de rug. Een jaar later trouwden ze. Nog een jaar later had zij - als eerste vrouw ter wereld - een Glider Pilot License. Anne en Charles kregen zes kinderen. De eerste zoon, Charles jr., werd in 1932 ontvoerd en vermoord toen hij twee jaar oud was. Er werd losgeld betaald, maar later bleek dat het kind meteen na de ontvoering was vermoord. Het proces van de moordenaar en ontvoerder was een nationale gebeurtenis die vrijwel dagelijks de voorpagina's haalde. De Lindberghs ontvingen dagelijks meer dan 60.000 adhesiebetuigingen uit het hele land.Onder druk van dit alles besloot het echtpaar naar Engeland te emigreren. Daar vonden ze onderdak in het huis Long Barn in Kent. Dat huis was eigendom van Harold Nicolson en diens vrouw Vita Sackville-West. Rond die tijd begon Anne Morrow met schrijven. Aanvankelijk waren dat vooral boeken over de eerste jaren van haar vliegervaringen. Later schreef zij ook gedichten en romans.

 

Uit: Gift from the Sea

 

„And then, some morning in the second week, the mind wakes, comes to life again. Not in a city sense – no—but beach-wise. It begins to drift, to play, to turn over in gentle careless rolls like those lazy waves on the beach. One never knows what chance treasures these easy unconscious rollers may toss up, on the smooth white sand of the conscious mind; what perfectly rounded stone, what rare shell from the ocean floor. Perhaps a channeled whelk, a moon shell, or even an argonaut.

But it must not be sought for or – heaven forbid! – dug for. No, no dredging of the sea-bottom here. That would defeat one’s purpose. The sea does not reward those who are too anxious, too greedy, or too impatient. To dig for treasures shows not only impatience and greed, but lack of faith. Patience, patience, patience, is what the sea teaches. Patience and faith. One should lie empty, open, choiceless as a beach – waiting for a gift from the sea.“

 

 

 

 

amlindbergh
Anne Morrow Lindbergh (22 juni 1906 - 7 februari 2001)

 

 

 

 

De Duitse schrijver, dadaïst en architekt Johannes Baader werd geboren op 22 juni 1875 in Stuttgart, waar hij later ook architectuur studeerde. In 1906 plande hij de bouw van een wereldtempel voor de „Internationale Religieuze Mensenbond“. In een serie brieven (14 Briefe Christi, 1914) gaf hij zich uit voor de wederopgestane Christus. Na een opzienbarende Christus-Happening in de Berlijnse Dom en in de Reichstag in Weimar nam hij in 1920 deel aan de eerste internationale Dada Beurs. Samen met Raoul Hausmann en Richard Hülsenbeck ging hij op toernee en richtte hij in 1921 de „Eerste Intertellurische Akademie“ op. Vanaf 1925 werkte hij als journalist in Hamburg.

 

Wer ist Dadaist?

 

Ein Dadaist ist ein Mensch, der das Leben in allen seinen unübersehbaren Gestalten liebt und der weiß und sagt: Nicht allein hier, sondern auch da, da, da ist das Leben! Also beherrscht auch der wahrhafte Dadaist das ganze Register der menschlichen Lebensäußerungen, angefangen von der grotesken Selbstpersiflage bis zum heiligsten Wort des Gottesdienstes auf der reif gewordenen, allen Menschen gehörenden Kugel Erde. Und ich werde dafür sorgen, daß auf dieser Erde Menschen leben künftig. menschen, die ihren geist in der Gewalt haben und mit diesem Geist die Menschheit neu schaffen.

 

Der Oberdada

 

 

 

 

baader_portrait1919
Johannes Baader (22 juni 1875 – 15 januari 1955)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Ida von Hahn-Hahn werd geboren op 22 juni 1805 in Tressow (Schlingendorf). Zij geldt als een van de meest gelezen schrijfsters van haar tijd en haar werk werd vertaald in het Engels, Frans, Italiaans, Nederlands, Pools, Russisch en Zweeds. Zij kreeg erkenning van schrijvers als Keller, Eichendorff en Fontane. Toch was er ook kritiek op haar elitaire, aristocratische houding, haar maniërisme en het veelvuldig gebruik van vreemde woorden in haar teksten.

 

Uit: Gräfin Faustine

 

„In Norddeutschland gibt es wohl wenig lieblichere Punkte als die Brühlsche Terrasse in Dresden zur Frühlingszeit. An einem Junitage, frisch, grün und strahlend wie ein Smaragd, saßen mehrere junge Männer vor dem Baldinischen Pavillon, rauchten Zigarren, nahmen Gefrorenes oder Kaffee, musterten die Vorübergehenden und schwatzten eine Musterkarte von Unsinn durcheinander, wozu, wie sich von selbst versteht, Pferde, Theater und Frauen den Stoff lieferten.

Es war drei Uhr nachmittags und daher keine elegante Frau auf der Terrasse zu sehen. Sie speisten oder wollten speisen und fürchteten die Hitze, die Sonne, obgleich sich kühler, grüner, wehender Schatten über die Terrasse legte. Desto mehr mußte es auffallen, daß eine augenscheinlich dem höheren Stande angehörende Frau allein auf einer Bank saß, den Rücken dem Pavillon zugewandt, ungestört vom Geschwätz der Männer und vom unruhigen jauchzenden Treiben der Kinder, die mit und ohne Wärterinnen die Terrasse gleich Ameisen überdeckten. Aber es fiel keinem auf. Sie mußte also eine Erscheinung sein, die jedermann kannte und um die sich niemand kümmerte. Sie zeichnete emsig. Ein Bedienter stand wie eine Bildsäule seitwärts hinter ihr und hielt einen Sonnenschirm so, daß weder ein blendender Lichtstrahl noch ein zitternder Schatten des Laubes Auge, Hand und Papier der Gebieterin treffen konnte. Ihr großes dunkles Auge flog mit einem schnellen scharfen Aufschlag hin und her zwischen Gegend und Zeichnung, und die feine Hand, ohne Scheu vor der Luft, der größern Festigkeit wegen des Handschuhs entledigt, folgte gewandt dem Blick. Sie war ganz in ihre Arbeit vertieft.”

 

 

 

 

hahnh
Ida von Hahn-Hahn (22 juni 1805 – 12 januari 1880)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver Henry Rider Haggard werd geboren in Norfolk op 22 juni 1856. Zie ook mijn   blog van 22 juni 2007.

 

Uit: King Solomon's Mines

 

„In two hours time, about four o'clock, I woke up. As soon as the first heavy demand of bodily fatigue had been satisfied, the torturing thirst from which I was suffering asserted itself I could sleep no more. I had been dreaming that I was bathing in a running stream, with green banks and trees upon them, and I awoke to find myself in that arid wilderness, and to remember that, as Umbopa had said, if we did not find water that day we must certainly perish miserably. No human creature could live long without water in that heat. I sat up and rubbed my grimy face with my dry and horny hands. My lips and eyelids were stuck together, and it was only after some rubbing and with an effort that I was able to open them. It was not far off the dawn, but there was none of the bright feel of dawn in the air, which was thick with a hot murkiness I cannot describe. The others were still sleeping. Presently it began to grow light enough to read, so I drew out a little pocket copy of the Ingoldsby Legends I had brought with me, and read the 'Jackdaw of Rheims'. When I got to where

 

A nice little boy held a golden ewer,

Embossed, and filled with water as pure

As any that flows between Rheims and Namur,

 

I literally smacked my cracked lips, or rather tried to smack them. The mere thought of that pure water made me mad. If the Cardinal had been there with his bell, book, and candle, I would have whipped in and drunk his water up, yes, even if he had already filled it with the suds of soap worthy of washing the hands of the Pope, and I knew that the whole concentrated curse of the Catholic Church should fall upon me for so doing.“

 

 

 

 

haggard_henry
Henry Rider Haggard (22 juni 1856 - 14 mei 1925)

 

 

 

De Franse dichter Jacques Delille werd geboren op 22 juni 1738 in Clermont-Ferrand. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007.

 

 

Le doux printemps revient...

 

Le doux printemps revient, et ranime à la fois

Les oiseaux, les zéphirs, et les fleurs, et ma voix.

Pour quel sujet nouveau dois-je monter ma lyre ?

Ah ! Lorsque d'un long deuil la terre enfin respire,

Dans les champs, dans les bois, sur les monts d'alentour,

Quand tout rit de bonheur, d'espérance et d'amour,

Qu'un autre ouvre aux grands noms les fastes de la gloire ;

Sur un char foudroyant qu'il place la victoire ;

Que la coupe d'Atrée ensanglante ses mains :

Flore a souri ; ma voix va chanter les jardins.

Je dirai comment l'art, dans de frais paysages,

Dirige l'eau, les fleurs, les gazons, les ombrages.

Toi donc, qui, mariant la grace et la vigueur,

Sais du chant didactique animer la langueur,

Ô muse ! Si jadis, dans les vers de Lucrèce,

Des austères leçons tu polis la rudesse ;

Si par toi, sans flétrir le langage des dieux,

Son rival a chanté le soc laborieux ;

Viens orner un sujet plus riche, plus fertile,

Dont le charme autrefois avoit tenté Virgile.

N'empruntons point ici d'ornement étranger ;

Viens, de mes propres fleurs mon front va s'ombrager ;

Et, comme un rayon pur colore un beau nuage,

Des couleurs du sujet je tiendrai mon langage.

L'art innocent et doux que célèbrent mes vers,

Remonte aux plus beaux jours de l'antique univers.

 

 

 

 

delille
Jacques Delille (22 juni 1738 – 1 mei 1813)

 

 

22-06-08

Nescio, Erich Maria Remarque, Dan Brown, Xavier Grall, Jacques Delille, Tadeusz Konwicki, Henry Rider Haggard


De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007.

 

Uit: Dichtertje

 

'God heeft de touwtjes in handen. Hij laat de gedachten van een mens raar dolen, laat een meisje opgroeien tot een vrouw zo mooi als een renpaardje, neemt angsten weg en brengt romantiek in mensenharten. Hij is immers de God van iedereen, van 't Dichtertje, van zijn baas, zijn schoonvader, zijn baas z'n boekhouder en van allen die geen andere keus hebben dan werken of vervelen. Hij is de God van heel Nederland. Deze God met bakkebaarden en roos, die met zijn glimmende gepoetste schoenen over het Damrak loopt, heeft het er maar druk mee en moet over alles nadenken. 'Het is een rare tijd,' denkt hij, terwijl hij een rapport leest waarin staat dat het lot van de mens is verdriet te hebben en zijn hoop op de eeuwigheid te stellen. God speelde maar wat, maar bedoelde er toch helemaal niets mee?!”

 

 

 

 

Nescio1
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Erich Maria Remarque (pseudoniem van Erich Paul Remark) werd geboren op 22 juni 1898. Zie ook mijn blog van 22 juni 2006 en ook mijn blog van 22 juni 2007.

 

Uit: Die Nacht von Lissabon

 

Ich starrte auf das Schiff. Es lag ein Stück vom Quai entfernt, grell beleuchtet, im Tejo. Obschon ich seit einer Woche in Lissabon war, hatte ich mich noch immer nicht an das sorglose Licht dieser Stadt gewöhnt. In den Ländern, aus denen ich kam, lagen die Städte nachts schwarz da wie Kohlengruben, und eine Laterne in der Dunkelheit war gefährlicher als die Pest im Mittelalter. Ich kam aus dem Europa des zwanzigsten Jahrhunderts.
Das Schiff war ein Passagierdampfer, der beladen wurde. Ich wußte, daß es am nächsten Abend abgehen sollte. Im harten Schein der nackten elektrischen Birnen wurden Ladungen von Fleisch, Fisch, Konserven, Brot und Gemüse verstaut; Arbeiter schleppten Gepäck an Bord, und ein Kran schwang Kisten und Ballen so lautlos herauf, als wären sie ohne Gewicht. Das Schiff rüstete sich zur Fahrt, als wäre es eine Arche zur Zeit der Sintflut. Es war eine Arche. Jedes Schiff, das in diesen Monaten des Jahres 1942 Europa verließ, war eine Arche. Der Berg Ararat war Amerika, und die Flut stieg täglich. Sie hatte Deutschland und Österreich seit langem überschwemmt und stand tief in Polen und Prag; Amsterdam, Brüssel, Kopenhagen, Oslo und Paris waren bereits in ihr untergegangen, die Städte Italiens stanken nach ihr, und auch Spanien war nicht mehr sicher. Die Küste Portugals war die letzte Zuflucht geworden für die Flüchtlinge, denen Gerechtigkeit, Freiheit und Toleranz mehr bedeuteten als Heimat und Existenz. Wer von hier das gelobte Land Amerika nicht erreichen konnte, war verloren. Er mußte verbluten im Gestrüpp der verweigerten Ein- und Ausreisevisa, der unerreichbaren Arbeits- und Aufenthaltsbewilligungen, der Internierungslager, der Bürokratie, der Einsamkeit, der Fremde und der entsetzlichen allgemeinen Gleichgültigkeit gegen das Schicksal des einzelnen, die stets die Folge von Krieg, Angst und Not ist. Der Mensch war um diese Zeit nichts mehr; ein gültiger Paß alles.
Ich war nachmittags im Casino von Estoril gewesen, um zu spielen. Ich besaß noch einen guten Anzug, und man hatte mich hineingelassen. Es war ein letzter, verzweifelter Versuch gewesen, das Schicksal zu bestechen. Unsere portugiesische Aufenthaltserlaubnis lief in wenigen Tagen ab, und Ruth und ich hatten keine anderen Visa. Das Schiff, das im Tejo lag, war das letzte, mit dem wir in Frankreich gehofft hatten, New York zu erreichen; aber es war seit Monaten ausverkauft, und uns hätten, außer der amerikanischen Einreiseerlaubnis, auch noch über dreihundert Dollar Fahrgeld gefehlt. Ich hatte versucht, wenigstens das Geld zu bekommen, in der einzigen Art, die hier noch möglich war - durch Spielen. Es war sinnlos gewesen, denn selbst wenn ich gewonnen hätte, hätte immer noch ein Wunder geschehen müssen, um auf das Schiff zu kommen. Doch auf der Flucht und in Verzweiflung und Gefahr lernt man, an Wunder zu glauben; sonst würde man nicht überleben.
Ich hatte von den zweiundsechzig Dollar, die wir noch besessen hatten, sechsundfünfzig verloren.”

 

 

 

 

Remarque
Erich Maria Remarque
(22 juni 1898 – 25 september 1970)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Dan Brown werd geboren in Exeter, New Hampshire, op 22 juni 1964. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007.

 

Uit: Angels & Demons

 

“High atop the steps of the Pyramid of Giza a young woman laughed and called down to him. "Robert, hurry up! I knew I should have married a younger man!" Her smile was magic.

He struggled to keep up, but his legs felt like stone. "Wait," he begged. "Please…"

As he climbed, his vision began to blur. There was a thundering in his ears. I must reach her! But when he looked up again, the woman had disappeared. In her place stood an old man with rotting teeth. The man stared down, curling his lips into a lonely grimace. Then he let out a scream of anguish that resounded across the desert.

Robert Langdon awoke with a start from his nightmare. The phone beside his bed was ringing. Dazed, he picked up the receiver.

"Hello?"

"I'm looking for Robert Langdon," a man's voice said.

Langdon sat up in his empty bed and tried to clear his mind. "This…is Robert Langdon." He squinted at his digital clock. It was 5:18 A.M.

"I must see you immediately."

"Who is this?"

"My name is Maximilian Kohler. I'm a Discrete Particle Physicist."

"A what?" Langdon could barely focus. "Are you sure you've got the right Langdon?"

"You're a Professor of Religious Iconology at Harvard University. You've written three books on symbology and... "

"Do you know what time it is?"

"I apologize. I have something you need to see. I can't discuss it on the phone."

A knowing groan escaped Langdon's lips. This had happened before. One of the perils of writing books about religious symbology was the calls from religious zealots who wanted him to confirm their latest sign from God. Last month a stripper from Oklahoma had promised Langdon the best sex of his life if he would fly down and verify the authenticity of a cruciform that had magically appeared on her bed sheets. The Shroud of Tulsa, Langdon had called it.

"How did you get my number?" Langdon tried to be polite despite the hour.

"On the World-Wide-Web. The site for your book."

 

 

 

 

dan_brown
Dan Brown (Exeter, 22 juni 1964)

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Xavier Grall werd geboren op 22 juni 1930 in Landivisiau (Finistère). Zie ook mijn blog van 22 juni 2007.

 

 

Amour Kerné

à l’Ondine

Je te prendrai dans l’émotion des landes
muettement tu embrasseras ma terre
Je te prendrai dans la clarté des fontaines
avidement je te boirai

Tu portes mes amours mauves
dans la source des prunelles
écoute
les ajoncs et les plantes
vont chanter pour nous deux
la nuit fertile, la plage fraternelle

Nous referons cette Cornouaille mortelle
secrètement
dans le lit des hautes herbes
je te prendrai dans la grange verte
et ton corps aux semences mélangé
concevra tout un pays de fougères
et de genêts.

Ma belle amie sur la grève allongée
comme moi désire la mer
laisse-toi chavirer sous le vent des navires
dans la laine fragile des pluies
je te prendrai encore
tes bras ruisselant de désirs
serreront la bruyère de mes veines

Je te prendrai dans l’allée des grands chênes
sous tes reins efface la peine des tombeaux
il faut vaincre la mort au lever du soleil
chaque matin prends la vie à belles mains
dans ton regard affamé de merveilles
recrée pour moi les paysages que j’aimais

Ô femme, ma bourgade de gamines
mon dimanche d’écolier, ma chaumine
mon amour mauve, mon beau gilet
brode des bleuets sur le lin des détresses
et couvre-moi de la liesse des grands arbres
afin que je t’aime encore, une prochaine fois

 

 

 

 

grall
Xavier Grall (22 juni 1930 – 11 december 1981)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 22 juni 2007.

 

De Franse dichter Jacques Delille werd geboren op 22 juni 1738 in Clermont-Ferrand.

 

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius.

 

De Engelse schrijver Henry Rider Haggard werd geboren in Norfolk op 22 juni 1856.

 

 

22-06-07

Nescio, Dan Brown, Erich Maria Remarque, Jacques Delille, Tadeusz Konwicki, Xavier Grall, Henry Rider Haggard


De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Van 1897 tot 1899 zat hij op de Openbare Handelsschool aan de Keizersgracht. Daarna had hij verschillende kantoorbaantjes. Hoewel hij in zijn beroep succesvol was, vervulde het hem bepaald niet met enthousiasme. Zijn oeuvre geeft hier meer dan eens blijk van. In de jaren 1901-1903 was Nescio betrokken bij het project "Tames". Met een aantal vrienden had hij een idealistische kolonie met deze naam opgericht, in de buurt van Huizen. Dit in navolging van de kolonie Walden, opgericht door Frederik van Eeden. Nescio was, ondanks zijn baan als handelsman (hij werd directeur van de Holland-Bombay Trading Company) overtuigd lid van de SDAP. Nescio (de naam betekent Ik weet (het) niet) schreef voornamelijk verhalen. Zijn eerste boek, waarin de drie verhalen: Dichtertje, De uitvreter en Titaantjes' zijn opgenomen, verscheen in 1918. Zijn talent werd echter niet meteen gewaardeerd. Zo werd het verhaal De uitvreter in 1910 door tijdschrift Nederland teruggestuurd. In september 1910 stuurt Nescio een uitgebreide versie naar het literaire tijdschrift De Gids. Dit tijdschrift publiceert het verhaal in januari 1911.

 

PLEZIERTREIN

   

“Ik heb nog een oudere herinnering.
   Donderdag 30 Juli 1896. Kijkt u het maar na in een oue almanak en u zult zien dat 't klopt. Bestaan er nog almanakken? En winkels: tabak, snuif en sigaren?
   Donderdag 30 Juli 1896. Ik zie nog de blauwe aanplakbiljetten. Goedkoope trein naar Nijmegen, 2e en 3e klas, ƒ 1,- heen en weer. En ik voel weer heel even de oude verwachting van toen, toen die dag nog komen moest.
   Het geluid van de houtduif. Een weg in een vreemd land, hooge boomen alom. Het moet bij Berg en Dal zijn geweest. En het koeren van de houtduif. En de vreemde ontroering.
   Dat is alles.
   De rest is zakelijkheid. De menschen van de pleziertrein, die je overal tegenkwam. De Duivelsberg. En even weer een vreemde ontroering: die ruimte en dat licht. Alles was vreemd. Een opgetogen meisje, volwassen. Ze kan nog leven, ik leef ook nog. Een te duidelijke stem: "Zooiets zie je bij ons op de Jodenbreestraat toch niet." Een steil pad naar beneden, te steil, m'n vader komt zittende terecht, halverhoogte.
   En tegen den avond, de weg naar 't station, al die groepjes menschen: de pleziertrein. Een man die op den rand van 't trottoir staat en z'n hoofd beweegt en dan kotst. De pleziertrein.
   In de nacht staan we stil op de rails. Het raampje is open, wij hooren 't gelal uit de andere uit de andere wagens. Een man zit bij het portier. Waar zijn we? Hij wipt op om z'n kop uit 't raampje te steken en praat naar binnen: "Maarsbergen!" Klap op z'n derrière. "Waarom berg je 'm dan niet op?" Pleziertrein.
   Maar 't zachte koeren van die duif in de eeuwigheid. Dat steeds maar weer herleeft als ik een duif hoor koeren en soms alleen al als ik hoog-opgaand weelderig geboomte zie. Nijmegen, m'n vader, dat stuk weg, die boomen daar en die duif die koerde.
   En de weemoed. Lang nadat die dag niet meer komen moest, hingen hier en daar nog die blauwe biljetten. Donderdag 30 Juli 1896. Goedkoope trein naar Arnhem en Nijmegen. De zoete pijnlijke en onbegrepen weemoed dat 't voorbij was en dat Donderdag de 30ste Juli 1896 nooit meer komen zou.
   Dat is alles.
   Een vreemd gevoel van onvergankelijkheid.”

 

19 Februari 1942

 

 

 

Nescio
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

 

De Amerikaanse schrijver Dan Brown werd geboren in Exeter, New Hampshire, op 22 juni 1964. Zijn boeken behoren tot het genre van de fact fiction, waarbij een fictief verhaal wordt verteld tegen een herkenbaar en realistisch decor. Brown groeide op op de campus van de Philips Exeter Academy, één van de meest prestigieuze kostscholen van Amerika. Zijn vader was daar leraar wiskunde. Brown studeerde Engelse literatuur en kunstgeschiedenis aan het Amherst College (Massachusetts), waar hij in 1986 zijn diploma haalde. Daarnaast studeerde hij ook nog in het Spaanse Sevilla. Na zijn studie gaf hij - in de voetsporen van zijn vader - enige tijd Engelse les aan de Philips Exeter Academy, waar hij vroeger zelf ook onderwijs volgde. In 1998 verscheen zijn debuutroman Digital Fortress. Hij brak echter internationaal door met zijn vierde roman The Da Vinci Code, die in 2004. 

 

Uit: The Davinci Code

 

“Renowned curator Jacques Saunière staggered through the vaulted archway of the museum's Grand Gallery. He lunged for the nearest painting he could see, a Carravagio. Grabbing the gilded frame, the seventy-three-year-old man heaved the masterpiece toward himself until it tore from the wall and Saunière collapsed backward in a heap beneath the canvas.
As he anticipated, a thundering iron gate fell nearby, barricading the entrance to the suite. The parquet floor shook. Far off, an alarm began to ring.
The curator lay a moment, gasping for breath, taking stock. I am still alive. He crawled out from under the canvas and scanned the cavernous space for someplace to hide.
A voice spoke, chillingly close. "Do not move."
On his hands and knees, the curator froze, turning his head slowly.
Only fifteen feet away, outside the sealed gate, the mountainous silhouette of his attacker stared through the iron bars. He was broad and tall, with ghost-pale skin and thinning white hair. His irises were pink with dark red pupils. The albino drew a pistol from his coat and aimed the long silencer through the bars, directly at the curator. "You should not have run." His accent was not easy to place. "Now tell me where it is."

 

 

BROWN
Dan Brown (Exeter, 22 juni 1964)

 

 

De Duitse schrijver Erich Maria Remarque (eig. Erich Paul Remark) werd geboren op 22 juni 1898 in Osnabrück. Zie ook mijn blog van 22 juni 2006.

 

Uit: Im Westen nichts Neues

 

“Ich bin öfter auf Wache bei den Russen. In der Dunkelheit sieht man ihre Gestalten sich bewegen, wie kranke Sturche, wie große Vögel. Sie kommen dicht an das Gitter heran und legen ihre Gesichter dagegen, die Finger sind in die Maschen gekrallt. Oft stehen viele nebeneinander. So atmen sie den Wind, der von der Heide und den Wäldern herkommt.

Selten sprechen sie, und dann nur wenige Worte. Sie sind menschlicher und, ich möchte fast glauben, bruderlicher zueinander als wir hier. Aber das ist vielleicht nur deshalb, weil sie sich unglücklicher fühlen als wir. Dabei ist fur sie doch der Krieg zu Ende. Doch auf die Ruhr zu warten, ist ja auch kein Leben.
...

Ein Befehl hat diese stillen Gestalten zu unsern Feinden gemacht; ein Befehl könnte sie in unsere Freunde verwandeln. An irgendeinem Tisch wird ein Schriftstück von einigen Leuten unterzeichnet, die keiner von uns kennt, und jahrelang ist unser höchstes Ziel das, worauf sonst die Verachtung der Welt und ihre höchste Strafe ruht. ... Jeder Unteroffizier ist dem Rekruten, jeder Oberlehrer dem Schuler ein schlimmerer Feind als sie uns.”

 

 

 

Remarque
Erich Maria Remarque (22 juni 1898 – 25 september 1970)

 

 

De Franse dichter Jacques Delille werd geboren op 22 juni 1738 in Clermont-Ferrand. Delille was een briljante student en doceerde later Larijn en poezie aan het Collège de France. Zijn naam werd gevestigd met een vertaling van de Georgica van Vergilius in 1770. Zijn eigen gedichten (Les Jardins, 1782; Les Trois Règnes de la nature, 1809) waren vaak gewijd aan de natuur

 

Le café

Il est une liqueur, au poëte plus chère,
Qui manquait à Virgile, et qu'adorait Voltaire ;
C'est toi, divin café, dont l'aimable liqueur
Sans altérer la tête épanouit le coeur.
Aussi, quand mon palais est émoussé par l'âge,
Avec plaisir encor je goûte ton breuvage.
Que j'aime à préparer ton nectar précieux !
Nul n'usurpe chez moi ce soin délicieux.
Sur le réchaud brûlant moi seul tournant ta graine,
A l'or de ta couleur fais succéder l'ébène ;
Moi seul contre la noix, qu'arment ses dents de fer,
Je fais, en le broyant, crier ton fruit amer,
Charmé de ton parfum, c'est moi seul qui dans l'onde
Infuse à mon foyer ta poussière féconde ;
Qui, tour à tour calmant, excitant tes bouillons,
Suis d'un oeil attentif tes légers tourbillons.
Enfin, de ta liqueur lentement reposée,
Dans le vase fumant la lie est déposée ;
Ma coupe, ton nectar, le miel américain,
Que du suc des roseaux exprima l'Africain,
Tout est prêt : du Japon l'émail reçoit tes ondes,
Et seul tu réunis les tributs des deux mondes.
Viens donc, divin nectar, viens donc, inspire-moi.
Je ne veux qu'un désert, mon Antigone et toi.
A peine j'ai senti ta vapeur odorante,
Soudain de ton climat la chaleur pénétrante
Réveille tous mes sens ; sans trouble, sans chaos,
Mes pensers plus nombreux accourent à grands flots.
Mon idée était triste, aride, dépouillée ;
Elle rit, elle sort richement habillée,
Et je crois, du génie éprouvant le réveil,
Boire dans chaque goutte un rayon du soleil.

 

 

 

delille
Jacques Delille (22 juni 1738 – 1 mei 1813)

 

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius. Na de dood van zijn vader verhuisde Tadeusz Konwicki naar Kolonia Wileńska. Tijdens de Duitse bezetting volgde hij  middelbare school in ondergrondse studiegroepen. Later vocht hij in een guerillastrijd tegen de Sovjets. Na de oorlog vestigde Konwicki zich in Krakau waar hij Poolse filologie studeerde aan de Jagielloński Universiteit. Vanaf 1945 was hij sterk betrokken bij het weekblad Odrodzenie. Konwicki debuteerde in november 1947 met het verhaal Kapral Koziołek i ja dat in Nurt verscheen. In die tijd schreef hij recensies en reportages voor o.a. Po prostu, Odrodzenie, Wieś en Pokolenie. In 1947 trok hij naar Warschau. In 1948 schreef hij zijn eerste roman Rojsty die over zijn guerilla-tijd handelde en die omwille van thema en boodschap verboden werd door de censuur. In 1950 verscheen zijn roman Przy budowie. Vanaf dit jaar werkte Konwicki ook in de redactie van het tijdschrift Nowa Kultura. In die periodiek verscheen een anonieme tekst met een inleidend stuk van Konwicki, die de naderende ‘Poolse dooi’ aankondigde. Halverwege de jaren vijftig begon Konwicki zich bezig te houden met filmkunst. In 1956 vertrok hij naar China. Zijn ervaringen en waarnemingen werden later in de roman Wniebowstapienie uit 1967 verwerkt. In 1966 werd Konwicki uit de PZPR (Poolse Verenigde Arbeiderspartij) gezet. Wegens zijn verzet tegen de geplande grondwetswijzigingen, tegen de vervolgingen van de leden van de KOR-organisatie (Steun voor Arbeiders) en tegen de bloedige onderdrukking van arbeidersstakingen in Ursus en Radom, mocht hij niet meer officieel publiceren. Sindsdien verschenen zijn romans in het ondergrondse circuit en bij buitenlandse uitgeverijen. Vanaf 1988 verschenen zijn boeken weer in het officiële Poolse circuit.

Uit:  Zwierzoczłekoupiór (Vertaald door Marzena Książkiewicz)

 

“My name is Peter, because I was born in the year when all the girls were given Agatha and all the boys Peter as their names. My father works at the Aviation Institute, although he always showed signs of rather musical talents. I wish to explain in the very beginning that my old man is no sort of a spaceman nor a supersonic apparatous test pilot. He does something in the counting machines' office. Perhaps he simply adds and subtracts or divides and multiplies. I never ask him about it because he is very touchy. Mother does what all mothers do; she cleans, cooks, sometimes does a little washing and keeps worrying all the time. And when she stays at home alone, she takes an easel from behind the wardrobe and buckles down to painting. Father calls it waterproof painting, because mother uses oilpaints. I guess you understand everything, don't you? It is easy to imagine such a home. And it is difficult to be a good child if you have such parents. I have just remembered that there is one more person living with us - Miss Sofia. I meet her now and then when she is on her way to the bathroom or the kitchen to look for an apple. For Miss Sofia is always on a diet. When she occasionally has dinner with us, she prods the empty plate with her fork so nervously that I am afraid that all of a sudden she will grasp at the dish of potatoes, and devour them with one mouthful, in a fury of a starving person. Miss Sofia never talks to us. I suppose she holds us in utter contempt. Miss Sofia is my big sister. She is in the first form of grammar school, where they teach according to a new experimentale programme. Even father isn't able to help her with maths. Anyway, she never asks him to”.

 

 

 

konwicki
Tadeusz Konwicki (
Nowa Wilejka, 22 juni 1926)

 

 

De Franse dichter en schrijver Xavier Grall werd geboren op 22 juni 1930 in Landivisiau (Finistère). In zijn werk verheerlijkte hij de Bretagne. In 1973 verliet hij Parijs om de naar de regio van Pont-Aven terug te keren, waar hij zich sterk inzette voor de Bretonse cultuur.

 

 

Les marins

 

Les vieux de chez moi ont des îles dans les yeux
Leurs mains crevassées par les chasses marines
Et les veines éclatées de leurs pupilles bleues
Portent les songes des frêles brigantines

Les vieux de chez moi sont fils de naufrageurs
Leurs crânes pensifs roulent des trésors inouïs
Des voiliers brisés dans les goémons rageurs
Et luisent leurs regards comme des louis

Les vieux de chez moi n’attendent plus rien de la vie
Ils ont jeté les ans, le harpon et la nasse
Mangé la cotriade et siroté l’eau de vie
La mort peut les prendre, noire comme pinasse

Les vieux ne bougeront pas sur le banc fatigué
Observant le port, le jardin, l’hortensia
Ils diront simplement aux Janies, aux Marias
"Adieu, les Belles, c’est le branle-bas"

Et les femmes des marins fermeront leurs volets.

 

 

 

Grall
Xavier Grall (22 juni 1930 – 11 december 1981)

 

 

De Engelse schrijver Henry Rider Haggard werd geboren in Norfolk op 22 juni 1856. Van 1875 tot 1881 werkte hij in Zuid-Afrika, het decor van veel boeken die hij schreef, zoals King Solomon’s Mines (1885), Allan Quatermain (1887) en She (1887). Het zijn romantische boeken, geschreven in kleurrijk proza.Hij schreef ook een studie over de kolonisatie in Zuid-Afrika en werken over landbouwkundige onderwerpen.
 

Uit: King Solomon's Mines

 

“It is a curious thing that at my age-fifty-five last birthday- I should find myself taking up a pen to try to write a history. I wonder what sort of a history it will be when I have finished it, if ever I come to the end of the trip! I have done a good many things in my life, which seems a long one to me, owing to my having begun work so young, perhaps. At an age when other boys are at school I was earning my living as a trader in the old Colony. I have been trading, hunting, fighting, or mining ever since. And yet it is only eight months ago that I made my pile. It is a big pile now that I have got it-I don't yet know how big-but I do not think I would go through the last fifteen or sixteen months again for it; no, not if I knew that I should come out safe at the end, pile and all. But then I am a timid man, and dislike violence, and, moreover, I am fairly sick of adventure. I wonder why I am going to write this book: it is not in my line. I am not a literary man, though very devoted to the Old Testament and also to the "Ingoldsby Legends." Let me try to set down my reasons, just to see if I have any.”

 

 

 

haggard
Henry Rider Haggard (22 juni 1856 - 14 mei 1925)