23-07-17

Wilfried de Jong, Mohsin Hamid, Lauren Groff, Frans Erens, Kai Meyer, Thea Dorn, Irina Liebmann

 

Bij (het slot van) de Tour de France

 

 
 Wout Poels en Chris Froome op de Alpe d'Huez in 2015

 

Uit: Froome en Poels (Column)

Ze reden ze samen het Critérium du Dauphiné, Froome en Poels. De Sky-kopman met zijn Hollandse meesterknecht. Dit was een meerdaagse wedstrijd over een parcours dat al een beetje rook naar de Tour de France.
Wout Poels is de lange lerp voor wie het geluk in de bergen ligt. Geef de Noord-Limburgse klimmer een paar meter stijgend asfalt en zie hoe sierlijk en rustig hij op zijn fiets blijft zitten.
In het voorjaar had hij pech. Wout brak een stuk van zijn schouder. En in 2012 was hij betrokken bij een ernstige valpartij in de Tour. Hij brak drie ribben, scheurde nier en milt en kneusde zijn longen. Poels lag achterover in het gras te kermen maar besloot toch op de fiets te stappen.
Ik wil er niet aan denken hoe dat voelde.
In deze Dauphiné zag ik een herboren Poels. Hij reed tijdens de bergetappes in dienst van Froome. Onverstoorbaar trappen op tempo. Stille rug, malende benen. Alleen de wijd opengesperde mond van Wout verraadde de pijn.
Wout reed zich leeg op de laatste helling, keek om, ten teken dat zijn kopman ten aanval kon.
Na de klassieke fietsbewegingen van Poels, zag ik Froome vol in beeld. De in Kenia geboren Brit trapte als een wezenloze. Hij hield zijn hoofd naar beneden, zijn ellebogen staken lelijk naar buiten.
Zijn gezicht werd steeds bleker; alsof de rode bloedlichaampjes in nood hadden geroepen: “Baas, wij blijven hier even beneden, in je kuiten.”
Pierlala op een zadel.
Zijn stijl is geen lelijke stijl te noemen. Nee, het is erger; het ís geen stijl. Het gaat alleen verschrikkelijk hard.

 

 
Wilfried de Jong (Rotterdam, 30 september 1957)
De Tour de France in Rotterdam, 2015

Lees meer...

23-07-16

Mohsin Hamid

 

De Brits-Pakistaanse schrijver Mohsin Hamid werd geboren op 23 juli 1971 in Lahore, Pakistan.Hamid bracht een deel van zijn jeugd door in de Verenigde Staten, waar hij van zijn derde tot zijn negende jaar woonde, omdat zijn vader doceerde aan de Stanford University. Daarna verhuisde hij met zijn gezin terug naar Lahore, Pakistan, en bezocht hij in Lahore de Amerikaanse School. Op 18-jarige leeftijd ging Hamid terug naar de Verenigde Staten om zijn opleiding voort te zetten. Hij studeerde af aan Princeton University summa cum laude in 1993, na te hebben gestudeerd bij de schrijvers Joyce Carol Oates en Toni Morrison. Hamid schreef de eerste versie van zijn eerste roman voor een fictie workshop gegeven door Morrison. Vervolgens studeerde hij aan de Harvard Law School, studeerde af in 1997. Omdat hij ondernemingsrecht saai vond, betaald hij zijn studieleningen terug door enkele jaren als management consultant bij McKinsey & Company in New York City te werken. Hij mocht elk jaar drie maanden vrijaf nemen om te schrijven, en hij gebruikte deze tijd om zijn eerste roman “Moth Smoke” te voltooien. Hamid verhuisde naar Londen in de zomer van 2001, in eerste instantie van plan om slechts een jaar te blijven. Hoewel hij vaak terugging naar Pakistan om te schrijven, bleef hij 8 jaar in wonen en kreeg hij in 2006 ook de Britse nationaliteit. Hamid's eerste roman werd gepubliceerd in 2000 en werd al snel een cult-hit in Pakistan en India. Het was ook finalist voor de PEN / Hemingway Award voor de beste eerste roman in de VS, en werd bewerkt voor televisie in Pakistan en als operette in Italië. Zijn tweede roman, “The Reluctant Fundamentalist”, vertelde het verhaal van een Pakistaanse man die besluit Amerika te verlaten na een mislukte liefdesrelatie en de terreur aanslagen van 9/11. Hij werd gepubliceerd in 2007 en werd met een miljoen exemplaren internationale bestseller. De roman werd genomineerd voor de Man Booker Prize, won een aantal prijzen, waaronder de Anisfield-Wolf Book Award en de Aziatische Amerikaanse Literary Award, en werd vertaald in meer dan 25 talen. Zijn derde roman, “How to Get Filthy Rich in Rising Asia”, verscheen in 2013.

Uit:Moth Smoke

“You sit behind a high desk, wearing a black robe and a white wig, tastefully powdered.
The cast begins to enter, filing into this chamber of dim tube lights and slow-turning ceiling fans. Murad Badshah, the partner in crime: remorselessly large, staggeringly, stutteringly eloquent. Aurangzeb, the best friend: righteously treacherous, impeccably dressed, unfairly sexy. And radiant, moth-burning Mumtaz: wife, mother, and lover. Three players in this trial of intimates, witnesses and liars all.
They are pursued by a pair of hawk-faced men dressed in black and white: both forbidding, both hungry, but one tall and slender, the other short and fat. Two reflections of the same soul in the cosmic house of mirrors, or uncanny co- incidence? It is impossible to say. Their eyes flick about them, their lips silently voice oratories of power and emotion. To be human is to know them, to know what such beings are and must be: these two are lawyers.
A steady stream of commoners and nobles follows, their diversity the work of a skilled casting director. They take their places with a silent murmur, moving slowly, every hesitation well rehearsed. A brief but stylish crowd scene, and above it all you preside like the marble rider of some great equestrian statue.
Then a pause, a silence. All eyes turn to the door.
He enters. The accused: Darashikoh Shezad.
A hard man with shadowed eyes, manacled, cuffed, disheveled, proud, erect. A man capable of anything and afraid of nothing. Two guards accompany him, and yes, they are brutes, but they would offer scant reassurance if this man were not chained. He is the terrible almost-hero of a great story: powerful, tragic, and dangerous. He alone meets your eyes.
And then he is seated and it begins.
Your gavel falls like the hammer of God.
Perhaps a query (Where did I get this thing?) flashes through your mind before vanishing forever, like a firefly in the belly of a frog. But the die has been cast. There is no going back.
The case is announced.
The prosecutor rises to his feet, and his opening remarks reek of closure. ‘Milord,’ he says (and he means you), ‘the court has before it today a case no less clear than the task of the executioner. The accused has stretched out his neck beneath the heavy blade of justice, and there is no question but that this blade must fall. For he has blood on his hands, Milord. Young blood. The blood of a child. He killed not out of anger, not out of scheme or plan or design. He killed as a serpent kills that which it does not intend to eat: he killed out of indifference. He killed because his nature is to kill, because the death of a child has no meaning for him.”

 

 
Mohsin Hamid (Lahore, 23 juli 1971)

11:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: mohsin hamid, romenu |  Facebook |