23-05-11
Jack McCarthy, Mitchell Albom, Lydia Rood, Pär Fabian Lagerkvist, Jean Markale, Annemarie Schwarzenbach
De Amerikaanse schrijver en slam poet Jack McCarthy werd geboren op 23 mei 1939 in Massachusetts. Zie ook mijn blog van 23 mei 2009 en ook mijn blog van 23 mei 2010
Uit: The Saga of 57
„an oratorio for 4 voices, 2 microphones, and 54 years
J: The vast majority of the lines in this piece have been culled from your own beautifully punctuated reminiscences. Thank you for giving me the opportunity to do this, and thank you for giving me such great material to work with.
The story of 57 starts when we were fourteen. Who ever came up with the idea of sending boys away to boarding school when they turned fourteen? Must have been some kid’s father. Driving the young males out of the herd.
B: At some point, most of us surely felt that we were sinking, and looked for a life preserver. But the school was expecting us to swim. Huc venite pueri ut viri sitis—and we did.
A: Some of us had to survive summer school just to get in the door.
B: The 32-hour train ride to Exeter was the loneliest, most heart rending event in my life.
A: My father removed his wristwatch and handed it to me and I still wear it today. It would take four days to travel from San Antonio to Exeter.
B: I never studied as hard or as diligently as I did that summer.
A: I flunked Spanish, but they admitted me on my sweet smile and my use of the word sir.
B: The night before Decision Day I went to Phillips Church to ask for divine intervention. Mr. Adkins came out of his house and told me he was going to pass me. I knew at that moment that I was accepted. Effort counted as much as knowledge.
J: That was a well-kept secret!
B: The rest of us arrived right after Labor Day, that saddest of holidays.“

Jack McCarthy (Massachusetts, 23 mei 1939)
19:36 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: jack mccarthy, mitchell albom, lydia rood, pär fabian lagerkvist, jean markale, annemarie schwarzenbach, romenu |
Facebook |
23-05-10
Gottfried Keller, Adriaan Roland Holst, Maarten Biesheuvel, Mitchell Albom, Lydia Rood
Prettige Pinksterdagen!
El Greco

Uitstorting van de Heilige Geest
Berliner Pfingsten
Heute sah ich ein Gesicht,
Wonnevoll zu deuten:
In dem frühen Pfingstenlicht
Und beim Glockenläuten
Schritten Weiber drei einher,
Feierlich im Gange,
Wäscherinnen, fest und schwer!
Jede trug `ne Stange.
Mädchensommerkleider drei
Flaggten von den Stangen;
Schönre Fahnen, stolz und frei,
Als je Krieger schwangen,
Blau und weiß und rot gestreift,
Wunderbar beflügelt,
Frisch gewaschen und gesteift,
Tadellos gebügelt.
Lustig blies der Wind, der Schuft,
Lenden auf und Büste,
Und von frischer Morgenluft
Blähten sich die Brüste!
Und ich sang, als ich gesehn
Ferne sie entschweben:
Auf und laßt die Fahnen wehn,
Schön ist doch das Leben!
Gottfried Keller

Portret door Karl Stauffer-Bern De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 23 mei 2009 en ook mijn blog van 23 mei 2008 en ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2006. Ontmoeting Verdwaald voorbij de laatste wegen De maan scheen in zijn heldere ogen Ontroostbaar Ik ging de duistere sparrenlaan tot aan Naar de kroeg Hield ik maar minder van het volle leven Jan Slauerhoff, Adriaan Roland Holst en Eddy du Perron De Nederlandse schrijver Maarten Biesheuvel werd geboren in Schiedam op 23 mei 1939. Zie ook mijn blog van 15 december 2006 en ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2008 en ook mijn blog van 23 mei 2009. Uit: Reis door mijn kamer „Ik zal u door mijn kamer laten reizen tot het u duizelt! Ik zal u mijn kamer beschrijven precies zoals hij is, opdat mensen over duizend jaar weten hoe een kamer anno 1983 in Leiden, Nederland, eruitzag. Ik geloof dat iedereen graag wil weten hoe mijn kamer eruitziet, omdat hij of zij dan het arrangement van voorwerpen vergelijken kan met dat in de eigen kamer: ‘Dus daar heeft hij de schemerlamp staan?’ Ik heb trouwens gemerkt dat mensen die mijn huis bezoeken altijd het liefst mijn kamer willen zien. ‘Dus hier zit je nou altijd?’ vragen ze verbaasd alsof het eigenlijk niet mogelijk is. Wat doet het ertoe hoe groot het heelal is als mijn kamer voor mij al zo belangwekkend is? Ik voer u eerst naar een grote foto achter glas in een zwarte lijst die boven mijn bed hangt. Daarop ziet u de kop van Nabokov die zelf door de leegte van het heelal reist. Hij kan niet meer schrijven, omdat hij dood is. Vladimir Nabokov is mijn grote voorbeeld, iedere dag denk ik aan hem. Een geniale grappenmaker. De foto is geknipt uit het Amerikaanse tijdschrift Life. Het moet in 1965 geweest zijn dat ik het blad met de foto van Nabokov vond en op de foto moet hij dus ongeveer zesenzestig jaar zijn. Hij heeft een kleine glimlach om zijn mond, draagt een gewoon jasje, een gewone das en overhemd. Maar op zijn neus zit de lorgnet van zijn grootmoeder geklemd en daardoor lijkt hij een beetje op een kip. Die foto is misschien het liefste ding dat ik in huis heb. Natuurlijk heb ik van mijn vader en moeder gehouden, maar hun portretten heb ik niet in mijn kamer hangen, ze hangen in de slaapkamer. Van het portret van Nabokov reizen wij met gezwinde spoed (een lunch zal worden gebruikt ter hoogte van de boekenkast en na de middag bent u vrij) naar mijn schrijfmachine. Die machine is een Remington uit 1912 en hij zal wat uiterlijk betreft niet veel verschillen van de Remington uit de ‘Remingtonnaja komnata’ (De Remington-kamer) van Lev Tolstoj die, zoals u weet, Kreutzersonate, Anna Karenina en Vojna i mir heeft geschreven.“ De Amerikaanse schrijver, journalist en radiopresentator Mitchell David Albom werd geboren op 23 mei 1958 in Passaic, New Jersey. Zie ook mijn blog van 23 mei 2009. Uit: Have a Little Faith „I once asked the Reb that most common of faith questions: why do bad things happen to good people? It had been answered countless times in countless ways; in books, in sermons, on Web sites, in tear-filled hugs. The Lord wanted her with him . . . He died doing what he loved . . . She was a gift . . . This is a test . . . I remember a family friend whose son was struck with a terrible medical affliction. After that, at any religious ceremony—even a wedding—I would see the man out in the hallway, refusing to enter the service. “I just can’t listen to it anymore,” he would say. His faith had been lost. When I asked the Reb, Why do bad things happen to good people?, he gave none of the standard answers. He quietly said, “No one knows.” I admired that. But when I asked if that ever shook his belief in God, he was firm. “I cannot waver,” he said. Well, you could, if you didn’t believe in something all-powerful. “An atheist,” he said. Yes. “And then I could explain why my prayers were not answered.” Right. He studied me carefully. He drew in his breath. “I had a doctor once who was an atheist. Did I ever tell you about him?” No. “This doctor, he liked to jab me and my beliefs. He used to schedule my appointments deliberately on Saturdays, so I would have to call the receptionist and explain why, because of my religion, that wouldn’t work.” Nice guy, I said. “Anyhow, one day, I read in the paper that his brother had died. So I made a condolence call.” After the way he treated you? “In this job,” the Reb said, “you don’t retaliate.” I laughed.“ De Nederlandse schrijfster en columniste Lydia Rood werd geboren op 23 mei 1957 in Velp. Zie ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2008 en ook mijn blog van 23 mei 2009. Uit: De Kus „De vrouw schudde haar hoofd, sloeg haar omslagdoek dichter om zich heen en porde in het vuur. Het was maar een armzalig vuurtje, veel warmte kwam er niet af.
kwam ik mijn evenbeeld weer tegen.
Hij hield mij staande en zag mij aan:
wij zijn op aarde al lang vergaan,
over ons wordt voorgoed gezwegen.
Wij staan alleen onder de maan.
die waren leeg en onbewogen.
Ik voelde mij erin vergaan
en zei: wat hebben wij misdaan,
was dan ons leven maar een logen?
Hij zweeg en liep van mij vandaan.
Ik bleef alleen onder de maan.
de hoek waar achter struikgewas en keien
een man bleef wachten tot hij zou vergaan,
een diep bedroefde maar die niet kon schreien.
Hij dacht aan haar die zijn hart meenam in
haar graf: dat was al vele trage jaren
geleden en al had het dan geen zin
er aan te denken en er naar te staren,
hij dacht er aan en staarde voor zich uit
en fluisterde haar naam en wou niet weten
dat zij er niet meer was en het geluid
van zijn naam in haar stem nu was vergeten
en dat het leven doorging als van ouds
meedogenloos en door zou blijven dreunen
en koud of warm zou zijn, en warm of koud,
en dat geen mens er zich om zou bekreunen
tot het einde der dagen als het nacht
wordt en geen de ander ooit meer kan aanschouwen
en wij, verlorenen van dit geslacht,
teloor gaan in een overweer wantrouwen.
dat langzaam leegloopt en te sterven ligt.
De afbraak begon, de trots gaat mij begeven,
mijn oude botten kraken en ik zwicht
de drempel over naar mijn bed. De dekens
liggen nog net zo als vanmorgen vroeg
toen ik opstond - zijn dit ook voortekens?
Alles wijst naar de dood als naar een kroeg
waar ieder stombeschonken kan inslapen
en als het voor het laatste is zegt men zacht
fluisterend: goedennacht.
De predikant verklaart: hij is ontslapen.


‘Ik hoop maar dat Grietje het brood niet aan de vogeltjes voert,’ zei ze. ‘Ze heeft zo’n goed hart. En ze houdt van dansen, weet je dat?’
‘Welnee,’ zei de man. Hij slurpte. ‘Dansen, wat een onzin.’
‘Gelukkig heeft ze Hans om op haar te passen. Hans is zo’n slimme jongen. Hij lijkt sprekend op jou.’
‘Waarom zeg je dat?’ vroeg de man wantrouwend.
‘Nou, omdat het zo is. Hans heeft jouw ogen, jouw neus, en jouw voeten. Echt sprekend. En zo moedig, echt een zoon van jou.’
‘Ik heb het altijd een achterbaks joch gevonden,’ zei de man. Hij gooide zijn kom aan de kant en pakte de soeppot om hem uit te slurpen.
‘Bedoel je soms te zeggen dat hij een koekoeksjong is?’ vroeg de vrouw met haar handen op haar heupen. Ze rechtte haar rug en ging pal voor haar man staan. ‘Waar beschuldig jij mij van, man? Heb je hem daarom zo diep het bos in gebracht?’
Zie voor nog meer schrijvers van de 23e mei ook mijn vorige blog van vandaag.
08:30 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: lydia rood, maarten biesheuvel, pinksteren, adriaan roland holst, gottfried keller, romenu, mitchell albom |
Facebook |
23-05-09
Adriaan Roland Holst, Maarten Biesheuvel, Lydia Rood, Mitchell Albom, Susan Cooper, Pär Fabian Lagerkvist, Jean Markale, Friedrich Achleitner, Jane Kenyon, Jack McCarthy, Annemarie Schwarzenbach
De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 23 mei 2008 en ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2006.
TENEBRIS MUNDI
De wolken gaan en de dorre blaren
waarheen de wind het wil;
en wij ook staan nu aan alle verten
blootgesteld, en onze harten
- uitgewoond door te lang ervaren,
en een snel einde al op til -
o, als arme vergeten dorpen
werden zij, bij de grens, en soms
komt, onderweg naar een somber nergens,
vluchtend een koning er zich verbergen,
die zijn kroon al heeft weggeworpen....
de wind kwam over hem en ons.
De hooge droomen en de volken
nemen nu westelijk hun baan
door de late zielstochten bewogen.
Werelden gingen; langs mijn oogen
zie ik de blaren gaan, en de wolken,
en voel de wind gaan.
De Verlatene
De wind en het grauwe weer gaan over mijn hart,
en ergens over een dak waar ik heb bemind;
de winter wordt koud, en de struiken zijn al zwart -
over een plek waar mijn graf zal zijn gaat de wind.
Ik zou vuur maken als zij hier weer bij mij kwam
als eens in dat oud verhaal van haar en van mij;
maar nu sta ik, stil en denkende, bij het raam -
de winter wordt koud; de jaren gingen voorbij.
Bellenblazen
3
Verzaligd zat zij, plichtvergeten,
bellen te blazen. 't Was nog vroeg
en stil, zij had nog niet ontbeten,
ik wél, en had al schoon genoeg
van dure plichten die ons wachten
na het ontbijt: de bellen, een
voor een, zweefden omhoog, zij lachte
ze na tot bel na bel verdween,
want alle wonderen verdwijnen
- voor nieuwe wonderen aan de haal -
in lichte stilte -
zij blaast de mijne
het stille licht in, allemaal.

Standbeeld, genaakt door Mari Andriesse, in Bergen
De Nederlandse schrijver Jacob Martinus Arend (Maarten) Biesheuvel werd geboren in Schiedam op 23 mei 1939. Zie ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2008
Uit: De trui
„Tijdens een winderige winteravond zat Dirk Olieslager, die president-directeur en nagenoeg eigenaar van de grootste rederij van Rotterdam was, in de ruime woonkamer van zijn huis gelegen in een klein park in de grote stad, samen met zijn vrouw Vera en zijn dochter Evelien van zestien die haar huiswerk zat te maken, naar een pianoconcert van Mozart te luisteren. Er waren nog twee zoons, maar die waren niet thuis. Ze wilden ook niets met de rederij te maken hebben. De eerste was al jong hoogleraar algemene taalwetenschap aan een bekende universiteit in Amerika geworden en de tweede speelde hobo in het Concertgebouworkest. De hoogleraar kwam maar eens in de twee jaar zijn ouderlijk huis opzoeken en de hoboïst vaker, maar alleen op hoogtijdagen. Het deed meneer Olieslager in grote mate verdriet dat zijn zoons niets in het bedrijf zagen, hij miste zijn ‘beide kerels’. Vaak, in zijn dromen, zag hij hen praten met de kapiteins van zijn schepen, hij hoorde hun schallende lach over de kaden van zijn bedrijf. Hij was gelukkig getrouwd, Vera was een statige, modieus geklede en vriendelijke vrouw. Evelien die op het gymnasium zat was bezig met een vertaling van een gedicht van Ovidius. Het grote staande Engelse horloge tikte luid, langzaam en regelmatig. Mevrouw bladerde de Amerikaanse uitgave van het tijdschrift ‘Cosmopolitan’, juli 1962 door en Olieslager zat zijn nagels een beetje te vijlen. Hij overdacht zijn leven en besefte dat hij toch behoorlijk gelukkig was. Hij had eigenlijk maar één verborgen wens en dat was een ontmoeting in levende lijve met Juliette Caroll, een Amerikaanse filmster die nu al in twaalf bekende films had gespeeld en die het sexidool van miljoenen mannen van Tokyo tot Amsterdam, van Kaapstad tot Groenland was. Er draaide vanavond een nieuwe film waarin zij speelde, in het Thaliatheater. Hij wilde daar eigenlijk graag naar toe, maar durfde niet aan zijn vrouw te vragen of ze zin had om mee te gaan.“

De Nederlandse schrijfster en columniste Lydia Rood werd geboren op 23 mei 1957 in Velp. Zie ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2008
Uit: Slotervaart aan zee (column)
‘Jij bent een Belg, toch?' zei de ene Marokkaan provocerend tegen de andere in de Marokkaanse badplaats Saidia.
‘Helemaal niet!' zei de andere Marokkaan verontwaardigd. ‘Ik kom uit Amsterdam!'
‘Slotervaart dan zeker?' vroeg de ene Marokkaan, die zelf in een wit dorpje woont. ‘Daar kom ik ook vandaan.'
‘Mooi niet! Ik ken iedereen in Slotervaart en jij woont daar niet', zei de andere. Ze spraken Nederlands.
De jongen uit Slotervaart had met twee vrienden een villa gehuurd. Niet van de eigenaar, die in Frankrijk woont, maar van de bewaker van het pand. Voor zijn diensten als bewaker krijgt hij een schijntje. Verhuren is dan een leuke bijverdienste.
‘Je moet het zelf weten', zei de ene Marokkaan tegen de bewaker. ‘Dat jij dat huis illegaal verhuurt, is mijn zaak niet. Maar ik zou het niet aan deze jongens doen.' Met alle vooroordelen van iemand uit een wit dorpje wist hij dat een jonge Marokkaan uit Slotervaart niet kon deugen.“

De Amerikaanse schrijver, journalist en radiopresentator Mitchell David Albom werd geboren op 23 mei 1958 in Passaic, New Jersey. Hij studeerde sociologie aan de Brandeis University en journalistiek aan de Columbia University’s Graduate School of Journalism. Oorspronkelijk wilde hij musicus en songwriter worden. Hij trad op in nightclubs en in colleges, maar geleidelijk aan kreeg hij interesse in schrijven. In 1997 verscheen Tuesdays with Morrie,(een verslag van zijn ontmoetingen met een hoogleraar sociologie die verteld over leven met een dodelijke ziekte), dat meteen een bestseller werd, nadat het door Oprah Winfrey besproken was. Er werd een succesvolle televisiefilm van gemaakt. Zijn volgende boek The Five People You Meet In Heaven, een roman, was eveneens een bestseller, maar werd door de kritiek als te sentimenteel afgedaan. Zijn tweede roman For One More Day verscheen in 2006. Albom richtte een hulporganisatie A Time to Help op die elke maand een project uitvoert om de bevolking van Detroit te helpen.
Uit: Tuesdays With Morrie
„The last class of my old professor's life took place once a week in his house, by a window in the study where he could watch a small hibiscus plant shed its pink leaves. The class met on Tuesdays. It began after breakfast. The subject was The Meaning of Life. It was taught from experience.
No grades were given, but there were oral exams each week. You were expected to respond to questions, and you were expected to pose questions of your own. You were also required to perform physical tasks now and then, such as lifting the professor's head to a comfortable spot on the pillow or placing his glasses on the bridge of his nose. Kissing him good-bye earned you extra credit.
No books were required, yet many topics were covered, including love, work, community, family, aging, forgiveness, and, finally, death. The last lecture was brief, only a few words.
A funeral was held in lieu of graduation.
Although no final exam was given, you were expected to produce one long paper on what was learned. That paper is presented here.
The last class of my old professor's life had only one student.
I was the student.
It is the late spring of 1979, a hot, sticky Saturday afternoon. Hundreds of us sit together, side by side, in rows of wooden folding chairs on the main campus lawn. We wear blue nylon robes. We listen impatiently to long speeches. When the ceremony is over, we throw our caps in the air, and we are officially graduated from college, the senior class of Brandeis University in the city of Waltham, Massachusetts. For many of us, the curtain has just come down on childhood.“

De Britse schrijfster Susan Cooper werd op 23 mei 1935 geboren in Buckinghamshire. Ze ging naar de Slough Grammar School voordat ze aan Oxford University ging studeren. Op Somerville College volgde ze Engels. Twee van de professoren waarbij ze colleges liep waren J.R.R. Tolkien en C.S. Lewis. Tijdens haar studie was Cooper de eerste vrouwelijke redacteur van het universiteitsblad. Na haar afstuderen begon ze als journalist bij The Sunday Times Haar eerste boeken werden geschreven in deze periode. Coopers eerste kinderboek, Boven Zee, onder Steen, schreef ze zelfs als reactie op een prijsvraag van een uitgeverij voor een 'avonturenboek voor kinderen'. In 1963 verliet ze Engeland om met een Amerikaan te trouwen. Ze schreef nog twee boeken voor volwassenen en een kinderboek over haar eigen jeugdervaringen tijdens de Blitzkrieg in Londen, Dawn of Fear, gepubliceerd in 1970. Hierna vervolgde ze haar beroemde Duistere vloed-serie, waarvan het laatste deel in 1977 verscheen. Na het afsluiten van deze serie ging Susan Cooper in het theater werken. Haar eerste toneelstuk, Foxfire, schreef ze samen met de Canadese acteur Hume Cronyn.
Uit: Silver on the Tree
„He stared round the square room, filling the length and breadth of the tower, into which they had just come. "Look!"
Brightness was everywhere: a soft, greenish light filtered through the quartz-like walls of the room. It could be a cave of ice, Will thought. But this was a cluttered, busy place, as if someone had left it in a hurry while preoccupied with some great complex matter. Piles of curling manuscript lay on the tables and shelves, and on the thick rush mat that covered the floor; against one wall an enormous heavy table was littered with strips of shining metal and chunks of glass and rock, red and white and greenish-blue, all among an array of delicate gleaming tools which reminded Will of the workshop behind his father's jewelry shop at home. Then his eye was caught by something high on the wall: a plain round shield, made of gleaming gold.
Gwion leapt light-footed up on to a table and took the shield down from the wall. He held it out.
"Take this, Will. Three shields, once in the days of his greatness, King Gwyddno made for the Light. Two of them were taken by the Light to places where danger might come, and the third they left here. I have never known why -- but perhaps this moment now is why, and has been all along. Here."
Will took the round gleaming thing and slid his arm through the holding-straps on the inner side. "It's beautiful," he said. "And-so are the other two that he made. I have seen them, I think. In . . . other places. They have never been used."
"Let us hope this one need not be used either," Gwion said.
Bran said impatiently, "Where is the king?" He was looking up at a curving wrought-iron staircase, wonderfully curli-cued, which spiralled its way up to disappear through an opening in the high glassy ceiling of the room.“

De Zweedse schrijver Pär Fabian Lagerkvist werd geboren in Växjö op 23 mei 1891 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2008
Uit: My Father and I
„"'No, my boy, it's not horrible,' he said, taking me by the hand.
'Yes, father, it is.'
'No, my child, you mustn't think that. Not when we know there is a God.' I felt so lonely, forsaken. It was so strange that only I was afraid, not father, that we didn't think the same. And strange that what he had said didn't help me and stop me from being afraid. Not even what he said about God helped me. ... We walked in silence, each with his own thoughts. My heart contracted, as though the darkness had got in and was beginning to squeeze it.
Then, as we were rounding a bend, we suddenly heard a mighty roar behind us! We were awakened out of our thoughts and alarmed. Father pulled me down onto the embankment, down into the abyss, held me there. Then the train tore past, a black train. All the lights in the carriages were out, and it was going at frantic speed. What sort of train was it? There wasn't one due now!
We gazed at it in terror. The fire blazed in the huge engine ... sparks whirled out into the night. It was terrible. The driver stood there in the light of the fire, pale, motionless, his features as though turned to stone. Father didn't recognize him, ... the man just stared straight ahead, as though intent only on rushing into the darkness, far into the darkness that had no end.
.... I stood there panting, gazing after the furious vision. It was swallowed up by the night. Father took me onto the line; we hurried home. He said, 'Strange, what train was that? And I didn't recognize the driver.' Then we walked on in silence.“

De Franse dichter en schrijver Jean Markale (eig. Jacques Bertrand) werd geboren in Parijs op 23 mei 1928. Als kind wijdde zijn grootmoeder hem in in de verhalen en plaatselijke legenden , waardoor hij een echte passie ontwikkelde voor de Bretoense cultuur. Hij startte zijn loopbaan als leraar talen in Parijs. Als specialist in de middeleeuwse literatuur leidde hij zijn leerlingen doorheen de verhalen van Chrétien de Troyes en vertelde hij met verve de mysterieverhalen van Brocéliande. Ondertussen bestudeerde hij de Arthurcyclus en specialisserde hij zich mettertijd in de Keltische geschiedenis en letterkunde en verliet tenslotte het onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken over de Keltische beschaving.
Uit: Contes et légendes des pays celtes
„L'existence des Celtes est connue du grand public par l'histoire du roi Arthur, des chevaliers de la table ronde, du mythe du Graal et de l'enchanteur Merlin. Mais la culture et l'influence de la civilisation Celte ont une bien plus grande importance pour notre civilisation. Les peuples Celtes, de race indo-européenne, ont franchi toute l'Europe au premier millénaire avant notre ère, y ont laissé des traces durables, et sont arrivés en Bretagne vers -700 av. JC . Ils nomment la péninsule "Aremorica", "qui regarde la mer" (l'Armorique). La terre des futurs Bretons est alors recouverte de forêts où vivent des populations autochtones paysannes, que les envahisseurs organisent. Ils apportent avec eux les secrets du fer, la langue qui deviendra la langue gauloise, et une nouvelle religion, le druidisme. Les Druides cherchent à percer les secrets de la nature, connaissent les plantes qui guérissent, l'astrologie, l'importance des rapports entre l'homme et le cosmos. La religion Celte est fondée sur la recherche d'une harmonie entre l'homme et la nature, une philosophie s'adaptant à la réalité, ce qui suppose la recherche de la communion avec la nature et la connaissance de son fonctionnement.“

De Oostenrijkse schrijver en architect Friedrich Achleitner werd geboren op 23 mei 1930 in Schalchen. Van 1950 tot 1953 studeerde hij in Wenen architectuur. In 1958 gaf hij zijn werk als architect op om zelfstandig schrijver te worden. Naast gedichten in het dialect begon hij, aangemoedigd door Eugen Gomringer konkrete poëzie en montageteksten te schrijven. Als essayist bleef hij ook de moderne architectuur kritisch volgen.
Uit: und oder oder und
„schlachtfeld
festgetretener lehm, feuchter sand, mit moos überzogen, kleine pfützen, ordinäre disteln, zigarettenstummel, blechdosen, hundekot. gräben, eingestürzt, zugewachsen. kniehohes gebüsch. gehölz. verdorrtes gras. schrott. rost. der wandernde blick findet keinen halt, keinen anlass, wo anzuhalten. leere, soweit das auge reicht. das große ereignis hat kleine spuren hinterlassen. du siehst nur, was du auf deiner festplatte mitbringst. die orte sind verdunstet. kein dunst von einer vorstellung. dabei handelt es sich nur um vorstellungen. das haben schlachtfelder so an sich.“

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Aan de universiteit van Michigan ontmoette zij de dichter Donald Hall die negentien jaar ouder was. Toch trouwde zij in 1972 met hem. Het paar verhuisde naar Eagle Pond Farm, nabij Wilmot, New Hampshire. Kenyon stierf al op 47-jarige leeftijd aan leukemie. Tijdens haar leven verschenen vier bundels: Constance (1993), Let Evening Come (1990), The Boat of Quiet Hours (1986), en From Room to Room (1978). Zij vertaalde ook gedichten van Anna Achmatova uit het Russisch.
Let Evening Come
Let the light of late afternoon
shine through chinks in the barn, moving
up the bales as the sun moves down.
Let the cricket take up chafing
as a woman takes up her needles
and her yarn. Let evening come.
Let dew collect on the hoe abandoned
in long grass. Let the stars appear
and the moon disclose her silver horn.
Let the fox go back to its sandy den.
Let the wind die down. Let the shed
go black inside. Let evening come.
To the bottle in the ditch, to the scoop
in the oats, to air in the lung
let evening come.
Let it come, as it will, and don't
be afraid. God does not leave us
comfortless, so let evening come.

De Amerikaanse schrijver en slam poet Jack McCarthy werd geboren op 23 mei 1939 in Massachusetts.Hij begon in de jaren zestig al met het schrijven van gedichten, maar het duurde tot de jaren negentig voordat hij voor een publiek ging optreden. Hij omschrijft zijn stijl van optreden als "stand-up poetry," of noemt zich zelf een "stand-up poet,"
DRUNKS (Fragment)
for my father, and the people who almost saved his life
We died of pneumonia in furnished rooms
where they found us three days later
when somebody complained about the smell
we died against bridge abutments
and nobody knew if it was suicide
and we probably didn't know either
except in the sense that it was always suicide
we died in hospitals
our stomachs huge, distended
and there was nothing they could do
we died in cells
never knowing whether we were guilty or not.
We went to priests
they gave us pledges
they told us to pray
they told us to go and sin no more, but go
we tried and we died
we died of overdoses
we died in bed (but usually not the Big Bed)
we died in straitjackets
in the DTs seeing God knows what
creeping skittering slithering
shuffling things
And you know what the worst thing was?
The worst thing was that
nobody ever believed how hard we tried
We went to doctors and they gave us stuff to take
that would make us sick when we drank
on the principle of so crazy, it just might work, I guess
or maybe they just shook their heads
and sent us places like Dropkick Murphy's
and when we got out we were hooked on paraldehyde
or maybe we lied to the doctors
and they told us not to drink so much
just drink like me
and we tried
and we died

De Zwitserse schrijfster Annemarie Schwarzenbach werd geboren op 23 mei 1908 in Zürich. Zij stamde uit een zeer welgestelde familie van industriëlen. Zij was een briljante studente die na haar studie naar Berlijn trok waar zij bevriend raakte met Klaus en Erika Mann. Zij steunde hen politiek en financieel bij hun antifascistische projecten en engageerde zich vanaf 1933 ook in het verzet waardoor zij met haar conservatieve familie in conflict kwam. Samen met de Manns had zij ook haar eerste ervaringen met morfine, waar zij nooit meer van losraakte. Haar reizen brachtern haar de hle wereld rond. Schwarzenbach debuteerde in 1931 met de roman „Freunde um Bernhard“.
Uit: Wir werden es schon zuwege bringen, das Leben. Briefe an Erika und Klaus Mann 1930-1942.
"Schau, ich setze mich ernstlich damit, mit mir also, auseinander. Ich weiß, dass wir dringende Aufgaben haben, die dringenden Einsatz verlangen. Ich verstehe deshalb auch, dass auf Dich, wie sehr erst auf Erika, meine Unruhe so wirken muss, wie früher meine mangelnde Verfügbarkeit, weil ich den Mohnfeldern erlag. Aber halten wir's doch fest, dass immerhin der Unterschied prinzipiell ist, ob ich krank bin, oder aber ob ich es nicht fertig bringe, meine Art zu schreiben mit den Forderungen des normalen Lebens zu vereinen. Du siehst, den Vorwurf des morbiden Trotzes möchte ich ablehnen.

22:03 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: erika mann, klaus mann, lydia rood, maarten biesheuvel, adriaan roland holst, romenu, susan cooper, par fabian lagerkvist, mitchell albom, jean markale, friedrich achleitner, jane kenyon, jack mccarthy, annemarie schwarzenbach |
Facebook |













