23-10-16

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Robert Bridges, Adalbert Stifter, Nick Tosches, Rodja Weigand, Gjergj Fishta, Restif de la Bretonne

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

Aan een experimenteel dichter

Geen rotterdam dan amsterdam
geen moeder man dan vader
jouw rok is boter dan de ham
mijn hemd is altijd nader

al jart je met je vrienden bil
al jas je met hen klaver
en speel je liever haaf dan spil,
schmidt is toch altijd haver

jij bent veel zeker dan ikzelf
en toch leef ik veel sober
jij droomt dat je eylders drinkt ik delf
het spit onder de ober.

 

 

En soms wil zij opnieuw het meisje wezen

En soms wil zij opnieuw het meisje wezen
waarvan zij in haar oude dagboek leest:
dat bloemen water gaf en plots bedeesd
begreep waarom die voor het najaar vrezen
dat zondagmiddags voor het raam ging lezen
en dat naar vruchten reikte, appels ’t meest,
en dat, voor prinsen lang gereed geweest,
van duizend wensen nooit was te genezen.

Het boek glijdt dichtgevallen in haar schoot.
Zij is zover gezworven in die dingen
mag weer drie wensen doen voor ’t avondrood
en, blozend, zachtjes bij de vleugel zingen.
Zij wordt niet wakker voor het avondbrood
hoewel de gangklok luide aan blijft dringen.

 

 

Tussen de kinderen die het strand langsrennen

Tussen de kinderen die het strand langsrennen
en schreeuwend spelen en een grote vlag
meedragen, moet ik weer één kind herkennen
aan zijn droomogen, aan zijn stille lach:
de jongen die ik nooit meer zal ontwennen,
die leefde op een anders lichte dag
dan deze, en die, vluchtend voor de stemmen,
verwonderd naar het spel der golven zag.

Hij staat er nog tussen zijn speelgenoten,
zij roepen hem, maar peinzend blijft hij staren
naar verre zeilen van de verre boten.
Als ik hem aan wil spreken over jaren,
die ondanks nog zijn beeld bewaren,
is hij reeds heen. - Ik heb hem zelf verstoten.

           

 
Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013)

Lees meer...

23-10-15

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Robert Bridges, Adalbert Stifter, Nick Tosches

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

Een middag lang naar elkaar liggen kijken

Een middag lang naar elkaar liggen kijken
met niets dan liefde aan. Zijn wat je hebt:
stilte die een schouder voor stilte schept,
lippen en handen die adem aanreiken.

Even soms huiveren, niet van gedachten,
maar van verlangen dat zichzelf niet kent:
een kind van aarde. Hebben wat je bent:
trage honger, klein niemandsland van wachten.

Werkelijkheid proeft aarzelend van droom:
beiden komen tot nieuw verwisseld leven;
vraagtekens die elkander antwoord geven,
buigende oevers van eenzelfde stroom:
de eeuwigheid tussen ons in geschoven.
Dat wij dat zijn, het is niet te geloven.

 

 

Eerste liefde
 
Zeventien. – ’s Avonds viel voor ’t eerst een ster
voor je venster in drie wensen uiteen:
schittertranen op een wereld van steen.
Maak me mooi. Laat me beven. Breng me ver.
 
En de dagen werden opeens een strand
om blootsvoets op te dansen. Nergens kon
een rok wijder staan dan jouw horizon,
en de appel zon trilde in je hand.
 
Maar je stelde de beet wervelend uit
voor het reiken naar lucht, vluchten van grond.
 
Ogen had je en benen; nog geen mond.
Adem was je en dorst; nog geen besluit.
 
De zee en één duin maar hebben je zien
uitduizelen: vogelvrij zeventien

 


Een dagje weg
 
Vannacht heb ik gedroomd dat je heel even
een dagje weg mocht van je plaats: hierheen,
de wereld in. Eerst zat je nog te beven
aan tafel, in de kring, vel over been,
 
maar toen al gauw heel rustig; en er scheen
geel licht alom, en je zat blij te leven
met ons, o, zo heel eigen en zo een
met al dat roerloos wederkerig geven.
 
We zeiden niets, bang dat er iets zou breken
of dat je tijd, wanneer wij zouden spreken,
weer om was; maar het teerste was je lach
op het albast van je gezicht: ik zag,
met tranen in mijn ogen, daar het teken
dat dit huis je geluk was, deze dag.

 

 
Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013)

Lees meer...

06-04-15

Maria Magdalena op paasmorgen (Michel van der Plas)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

 
Guercino, De opgestane Jezus verschijnt aan de maagd Maria, rond 1630

 

 

Maria Magdalena op paasmorgen

Toen al de anderen waren weggegaan
Ik zag ze bij de tuinmuur in de verte
nog redetwisten en verwoed gebaren,
Petrus voorop de stofwolk die de weg wees,
scheen het stiller dan ooit.
 
En ik besefte opeens dat ik alleen was
en de angst om de geboorte van de bleke dag
te storen had de krekels zelfs bevangen
zo stil en weifelend rees het licht,
dat bomen grijparmen werden, bloemen valse ogen,
en ik moet zelf een smalle kaars geweest zijn,
daar in de dunne mist, bij het lege graf.
 
En de twee mannen die in witte kleden
plotseling  voor mij stonden schenen beelden
uit een oud geheimzinnig speelliedje
en maakten mij weer tot een kind. En juist
als in dat spel van vroeger hield ik bei
mijn handen tegen mijn gezicht gedrukt
en schreide, wat ik vroeger had gezongen:
Waar hebben ze mijn meester neergelegd?
 
Ik was een schreiend kind, ik moest maar weggaan
voordat ze zouden lachen om mijn dwaasheid;
ik moest maar weggaan, net als al de anderen,
weg uit de spooktuin, weg uit het valse licht,
als al de anderen. En ik keerde me om
en veegde met mijn mouw mijn tranen weg,
toen ik de tuinman zag.
 
Hij stond er zo gerust en groot.
En ’t was of al de bloemen
nu opeens bloemen werden en de bomen
hun groen herkregen, toen hij naar mij keek,
en of ik niet alleen meer was, en of
het graf achter mijn rug niet meer bestond,
niet meer als leegte, als holle angst, en of
een leeuwerik opschoot in zijn stem: Maria!
 
Ik heb het al zo vaak verteld Johannes,
maar steeds als jij mij met Pasen aanziet is het
alsof ik hem mijn naam weer hoor zeggen,
misschien omdat jij op hem lijkt misschien,
omdat het licht van deze dag jouw kleed zo wit
maakt als het zijne op die ochtend.
 
Maar nee, dat is het niet
het is omdat het brood dat jij nu in je handen hebt
 en mij te eten geeft zijn lichaam is.
Zijn leven, en daarom hoor ik hem vandaag
en meer en ik wil je zeggen dat vandaag
zijn liefde pas geopenbaard wordt,
want je weet Johannes dat hij die ochtend in de tuin zei:
houdt me niet vast.
 
En zie nu komt hij zelf, nu komt hij zelf
om mij weer naar zich toe te trekken,
vast te houden, vast te houden. O, ik weet het wel,
ik kan niet zeggen wat ik zeggen wil vandaag,
maar ‘k ben een kaars die van zijn glorie brandt en
ik ben zo gelukkig want zijn leven is mijn leven.
En dit witte brood, o deze liefde is sterker dan de dood.

 

 
Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013)
Den Haag, Grote of Sint-Jacobskerk. Van der Plas werd geboren in Den Haag.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 6e april ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

11:49 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: pasen, michel van der plas, romenu |  Facebook |

23-10-14

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Robert Bridges, Adalbert Stifter, Nick Tosches

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

1938

Ik wil je iets voorlezen uit Dik Trom.
Maar jij, over je avondblad gebogen,
slaat juist bezorgd een eigen bladzij om.
Je lijkt opeens veranderd; ingetogen.
 
Als ik met Flipse op de proppen kom,
zou dat goed fout zijn, zie ik aan je ogen.
Dus houd ik me, net zoals jij, maar stom.
Ik zie nog net Brand staan en Synagogen.
 
Er is een wereld waarin vaders zwijgen
en buigen voor een sterker, vreemd gezag,
en waar ik nog niet hoor. Er komt een dag
waar kranten lamp en kamer in bedreigen
en mensen buiten lange messen krijgen,
en waar een veldwachter niets meer vermag.

 

Vader
 
Vader, wat zou ik er voor willen geven
als je er af en toe nog eens kon zijn
en een zondag kwam zitten in mijn leven
bij mijn werk en mijn boeken en mijn wijn.
 
 Soms zie ik nog mannen van vijfentachtig
(je weet wel waar) met een gezicht vol zon
en zin, en dan denk ik: godallemachtig
als ik hem zo nog eens meenemen kon.
 
 Want op de een of de andere manier
leef ik toch ook nog steeds voor jou: jouw ogen
wil ik, met hun aandacht, pret en mededogen
bij mijn geploeter, mijn huis en mijn hier:
 
en ik zag ze zo graag een keer genieten
van al wat ze met tranen achterlieten.

 

Water

Ik ben zo graag bij mijn liefste. Zij kan
spelen als water, als een bergbeek die
naar mijn open handen klatert en dan
onvoorstelbaar veel meer wordt dan ik zie.

Zij is overal met haar watermond
en waterhanden; is overal waar;
zij slijpt de stenen van ons verdriet rond,
ja zij maakt ze zelfs mooi en van elkaar.

Ik had nooit geweten dat water brandt
of dat het als feestelijk vuur in mij
kan zuchten van lust, zo gretig en vrij.

Maar hoe, haar verblindende spel voorbij,
de beek uitstroomt, kan ik niet zeggen, want
dat weet niemand onder de zon, niemand

 

 

 
Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013)
In 1952

Lees meer...

23-10-13

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Robert Bridges, Adalbert Stifter

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

 

Engelbewaarder

 

1

Je hebt, denk ik, een overvol bestaan:

alle dagen meezingen in het koor

voor de almachtige, en ertussendoor

hier op de aarde mijn gangen nagaan,

 

mijn onverbeterlijke eigenwaan

en levensangst gedurig op het spoor,

volgend als zijn getrouwe oog en oor

en tussenbeide komend met vermaan.

 

Ik overweeg aan 't eind van elke dag,

jouw zorgenkind, huiverend van ontzag,

dat dansen tussen tijd en eeuwigheid,

dat dubbelleven dat je vlakbij leidt

en dat ik toch niet met je delen mag,

engel van God die mijn bewaarder zijt.

 

 

2

Vannacht was ik je kwijt, want opgenomen

in reuzenwolken, op en neer spiralend

en met miljoenen 't zelfde lied herhalend,

rondom een licht te fel voor mensendromen,

gezang dat een oneindig aantal malen

uiteen viel en weer als een zee ging stromen,

en jij daarin, voorgoed, leek het, ontkomen:

wat zou je nu nog naar mijn leven talen.

 

Kom terug, kom terug, riep ik je na.

Kon ik jou uit mijn duister nog bezweren?

Maar uit de zwermen hoorde ik geen ja,

alleen het ruisen van de atmosferen

rondom het zwijgen van de Heer der heren

ver in den hoge, in jouw gloria.

 

 

 

De rijke jongeling 2

 

Ik zou zo graag geloven dat hij later

naar hem teruggekeerd is: in die nacht

dat Jezus in de tuin werd opgebracht.

Een jonge man wilde hem volgen, staat er.

 

Dat hij toen echt alles had weggegeven.

Want hij ging enkel in een linnen doek

om zijn lichaam naar de meester op zoek.

Het was zijn schuld niet dat ze hem verdreven.

 

Het laatste wat hij had viel hun in handen.

Naakt sloeg hij op de vlucht. Verder dan daar

kon hij niet volgen. Als een bedelaar.

Ik zie de tranen in zijn ogen branden

terwijl hij rent, tussen de struiken door:

En sinds die nacht ontbreekt van hem elk spoor.

 

 

 

 

Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013)

Lees meer...

23-07-13

In Memoriam Michel van der Plas

 

In Memoriam Michel van der Plas

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Michel van der Plas is zondagochtend op 85-jarige leeftijd overleden. Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

 

 

Vader en zoon

Vader. Waarom als iemand dat woord zegt
kijk ik nog steeds vooruit, niet achter mij?
ben ik niet, zoek ik? Het is toch voorbij?
jij bent toch in de regen weggelegd?

Wat verwacht ik dan: je hand op mijn hoofd?
Waar zou ik moeten komen? ben je daar
nog wel, warm woord? Of hebben ze je naar
het huis gebracht waarin je hebt geloofd?

Als ik het hoor is het of ik zelf riep.
Ik moet al antwoord geven en ik ken
nauwelijks de vraag die ik nog altijd ben

Ja, zeg ik, en kijk om. De nacht is diep.
Ik weet opeens waarvoor je hebt geleefd:
ik draag de naam van wie de dood doorgeeft.

 

 

 

 

 

School der liefde

 

Woorden van geluk zijn moeilijk, ze zijn
klank, wartaal, aaas en jijs en toedan, alles
of niets. Het lekken van vuur; een gordijn
in de wind. Ze zijn eigenlijk maar ballast.

Want we zeggen geluk niet, we doen het.
Dieren hebben alleen maar hun lichamen;
snuiven, stampvoeten, hoeden warmte met
warmte. Het leeft en trilt, het heeft geen namen.

Hoeveel gemakkelijker vindt verdriet
woorden. Dat is de wereld van de mensen:
ze huilen en ze ballen vuisten en ze
vullen bladzijden, maar ze sterven niet.
Sterven hoorde alleen waar leven hoorde:
bij geluk; en dat was teveel voor woorden.

 

 

Een nieuw lied

 

Een nieuw lied voor de Heer die de vogeltjes schiep
En hun wijzen van iedere dag
Die de treurwilg tot eindeloos treuren riep
En de vrouw tot haar eeuwige lach

Een nieuw lied voor de Heer die de goudvissen goud
En de roodborstjes rood heeft gemaakt
Die de golven der zee, en de bladeren van 't woud
Met zijn vinger heeft aangeraakt
Die de kolibrie schiep, en de adelaar schiep
Het viooltje en de orchidee
Die de schelpen en zwaardvissen liet in het diep
Van dezelfde bedelvende zee
Die zijn adem laat gaan langs het slapende land
Tot het wenend van weelde ontwaakt
Die de dauwdroppen droogt met zijn heilige hand
En de zon tot zijn heilgenoot maakt

Een nieuw lied voor de Heer die het meer en de lucht
En de straten vol zonnelicht goot
Die de leeuwerik leidt tot zijn duizelende vlucht
En de vlinder tot vlinderdood

Een nieuw lied voor de Heer die een durend nieuw lied
In de mond van mijn moedertje lei
Die zijn licht in haar zuivere blik achterliet
En haar zei wat zij zeide tot mij

Een nieuw lied voor de Heer die van ieder nieuw lied
Het ontstaan en de maker is
Die het voorzingt in water en woud en in riet
In de steeg en de vensternis

Een nieuw lied voor de Heer, voor de Heer
Die accoorden en woorden ingeeft
Aan de dichter de vrouw en het kind, o en meer
dan aan weerklank en stem in hem leeft
En zijn naam zij gezegend de eeuwigheid lang
Zij gezegend de naam van de Heer
Van de opgang der zon, tot haar ondergang
zij gezegend de naam van de heer
die de sneeuwvlokken zendt als de wolkige wol
en de rijm als verdwarrelende as
Als hij spreekt lopen alle stuwmeren vol
En alles smelt wat bevroren was
O gij wateren looft en gij landstreken looft
En gij vogeltjes looft onze Heer
En gij vuurtongen looft, en gij dauwdroppen looft
Alle boomtoppen looft onze Heer

Een nieuw lied voor de Heer, met pauk en cymbaal
En bij cither en luit en schalmei
een nieuw lied voor de Heer in uw mond in uw taal
Want wie geeft u die liederen dan hij

 

 

 

 

Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013)

23-10-12

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

Uit: Uit het rijke Roomsche leven

 

“Elk goed Roomsch kind had enkele Heerooms en enkele, mag het heten Damestantes? En van elk gezin moest, zo leek het, er één positief antwoorden op de wekelijks in verschillende periodieken (en later op school) gestelde vraag: Jongen, wilt gij Pater (Broeder) worden? Meestal werd dat degene die tot stichting van zijn broertjes en zusjes en met hun ijverige deelname aan een speelgoedaltaartje en in kunstig nagemaakte liturgische gewaden veelvuldig ‘Misje’ had gedaan. Kwam het niet voor dat men zó goed Roomsch was dat men, na een uurtje Wereldnieuws in de Cineac, bij het verlaten van de rij bij vergissing in het donker naast de banken knielde? Menigeen zal in deze schets van het beschermde en beschermende milieu zichzelf herkennen zonder ook maar enige rancune te voelen opkomen. Het enige aspect dat diegene die kind was in de hier behandelde periode misschien met groeiende verwondering, skepsis of zelfs wrevel zal hebben ervaren kan de te grote nadruk zijn die op de geestelijke vorming werd gelegd: het vroomheidsaspect. Hij zal zich met name de lectuur herinneren, zoals die geboden werd in de leesmethodes op de Lagere School, in de katholieke jeugdtijdschriften, in leesboeken en heiligenlevens. Een grenzeloze braafheid kenmerkte de in deze lectuur voorgehouden Roomsche gezinnen. De positieve held die wij uit de huidige socialistisch-realistische literatuur kennen werd hier avant la lettre verbeeld. De zwart-wit-schildering overweegt; de negatieve held is een dronkaard, een vuilbek, een ‘slechte kameraad’, tegenover wie de edele knaap (Tom Playfair c.s.), voorbeeld van deugd dat dagelijks naar de Mis gaat, veelvuldig de Sacramenten ontvangt en stellig pater of broeder zal worden, wordt verbeeld op een wijze die zelfs bij de in een beschermd katholiek milieu opgroeiende jongen enige wrevel moest wekken.In de heiligenlevens die de kinderen van het ‘Rijke Roomsche Leven’ bij voorkeur werden geboden, sterven de ten voorbeeld gestelden bijna zonder uitzondering zeer jong, vrijwel alle vlak na het ontvangen van de eerste H. Communie. Instinctief moest men als kind een oneerlijk element in deze voorstelling van zaken ontdekken: de helden stierven, zo voelde men op de een of andere wijze aan, voordat zij de eigenlijke test van het leven behoefden te doorstaan. Het wemelde, ook in de niet als heiligenlevens gepresenteerde lectuur, leesboekjes en jeugdblaadjes, van sterfbedden, er werd voortdurend naar de hemel gegaan”.

 

 


Michel van der Plas (Den Haag, 23 oktober 1927)

 

Lees meer...

23-10-11

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Nick Tosches

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

 

Heilsoldaat

 

Er liep een hondje tussen de soldaten,
meisjes giechelden op de laatste rij,
toen zij een lange juichende cantate
over de hemel zongen: Maakt u vrij!
Het was een straat als alle andere straten
Ik zag een heilsoldaat, hoe hij
Haast jubelend zong, of hij 't nooit meer zou laten,
hij keek omhoog en leek onzegbaar blij.

Ik hoorde de trompet niet noch de hoorn,
ik zag alleen de wonderlijke lach
van een, die in verlangen stond verloren
en zong of hij de hemel open zag
en of hij stond tussen de engelenkoren
en of hij God zag op de jongste dag.

Ik die de moed nooit had om op een kist
van God te spreken met geheven handen
niet om in hete zon, regen en mist
met heul en troost bij pooiers te belanden--
maar ik heb nooit geweten, wat ik wist
en ik dacht koud te zijn, maar ik verbrandde,
ik ging een weg, maar ik heb slechts gegist
want ik kwam uit tegen mijn kamerwanden.

En als de dag komt, waar de heilsoldaat
haast jubelend van zong, zal ik als hij,
zo wonderlijk bereid, zo stil en vrij,
uitzien naar waar de Heer op wolken staat?
Als ik nu zing, zing ik dan niet te laat?
en waarom sta ik altijd nog terzij?

 

 

 

Michel van der Plas (Den Haag, 23 oktober 1927)

Lees meer...

23-10-10

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Nick Tosches, Rodja Weigand, Robert Bridges, Adalbert Stifter, Gjergj Fishta, Réstif de la Bretonne

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 23e oktober mijn blog bij seniorennet.be

 

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Nick Tosches, Rodja Weigand

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 23e oktober ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag. 

 

Robert Bridges, Adalbert Stifter, Gjergj Fishta, Réstif de la Bretonne

23-10-09

Masiela Lusha, Michel van der Plas, Augusten Burroughs, Nick Tosches, Robert Bridges, Adalbert Stifter, Gjergj Fishta, Réstif de la Bretonne


De Albanees-Amerikaanse schrijfster en actrice Masiela Lusha werd geboren op 23 oktober 1985 in Tirana. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2008.

 

 

I Cannot Sleep

 

I cannot sleep. I cannot sleep!

And so my mind hangs

On the window pane

And catches the paler winter night

And all her forgotten stars

Lost and constant. But lost.

 

& so I hang my musings

Over my head—a dream catcher,

A braided work of skill— decorated

With blue imagery & lazy pearls.

 

I cannot sleep. I cannot sleep!

Outside, a world… a world!

A gleaming bed of stars—

And all her lighter down

Crowning my window’s pane bright!

A sheet of stars! A mirror here on Earth.

All fate and cosmos…

Busy and bound!

 

See? I will not sleep

Until I tie their values

On a page, and catch

Their world in a sigh—

Until I master and tame

The spirit of their flight…

And pull their mask of chill aside.

 

I cannot sleep. I cannot breathe!

I cannot steer these story wings!

 

I tug apart my knotted musing

And all her polished luck…

And release the cosmos from my grip.

(Earthly and Divine)

I unhook the silver night from my thoughts,

And unbraid the daedal wind.

 

Beneath a setting dust of patience,

Hushed and light,

I fall asleep with all my peace.

 

 

 

 

lusha
Masiela Lusha (Tirana, 23 oktober 1985)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2006 en ook mijn blog van 23 oktober 2007 en ook mijn blog van 23 oktober 2008.

 

Uit: Uit het rijke Roomsche leven

 

„Het katholieke milieu in de jaren 1925-1935 was een uitermate beschermd en beschermend milieu. Het bestond uit een streng katholiek gezin, een streng katholieke school en een strenge eisen stellende kerk. Het doorsnee katholieke kind ging op school bij eerwaarde broeders of zusters. Het woonde van de eerste klas der Lagere School dagelijks of tenminste driemaal per week de H. Mis bij en zag het Misbezoek trouwens op de schoolrapporten aangegeven. Het ging naar alle bijzondere kerkoefeningen, zoals Lof en Aanbidding, en kende en genoot de zelfs in zijn materiële aspecten nog gewijde ontbijt- en koffie-gezelligheid van na de Zondagse Hoogmis. Het speelde niet of bij hoge uitzondering met niet-katholieke kinderen, en kende van jongsaf de vloekpredikaties in de kerk tegen de gemengde verkering en het gemengde huwelijk en tegen iets onbegrijpelijks dat Neo-Malthusianisme heette; en vergat het voor tafel te bidden, dan zeiden zijn ouders (met duizenden andere Roomsche ouders): ‘Moet je niet bidden? ben je soms protestant?’ Met Kerstmis werd op school (onderverdeeld in een A., B., of C.-afdeling: had God de standen niet gewild?) een ‘Kerstkindje’ in nieuwe kleren gestoken. Op zaterdagavond luisterde het gezin - het leek een ritueel - naar het radiopraatje van pater Henri de Greeve, en op Zondagmiddag gebood vader stilte als pater Otten voor de K.R.O.-microfoon zijn apologetische antwoorden gaf op knellende vragen. Vader en moeder waren op de Mariacongregatie (voor Heren en Dames of voor Mannen en Vrouwen) en gingen niet zelden jaarlijks afzonderlijk op retraite (in dagen voor de hun passende stand). 's Avonds kwam De Maasbode in de bus (De Tijd heette de ‘pastoorskrant’) en eenmaal per week de Katholieke Illustratie en een missietijdschrift als Katholieke Missiën, Carmelrozen of de een of andere Heraut of Klok. Voor de kinderen was er Roomsche Jeugd of De Engelbewaarder. In welgestelde gezinnen verscheen dan nog L'illustrazione Vaticana, ook daar waar niemand een woord Italiaans kende. De kinderen waren, behalve lid van de Mariacongregatie en/of van de Eucharistische Kruistocht of Edelwacht, in de een of andere vorm van jeugdbeweging opgenomen, waar de godsdienstige impregnatie alweer een belangrijk onderdeel vormde van de vrijetijdsbesteding. Wie lid is geweest van ‘de padvinderij’ of van Jonge Wacht en Kruisvaart zal zich herinneren dat er altijd onderlinge spanningen bestonden. Of de eersten de laatsten bespottelijk vonden vanwege hun nogal lange broeken, of dat de laatsten ten opzichte van de eersten een zeker wantrouwen was bijgebracht aangaande ‘bepaalde al te grote vrijheden’, of dat het lidmaatschap van de ene of de andere vorm van jeugdbeweging met name bepaald was door meer of mindere maatschappelijke welstand, was wellicht nooit geheel duidelijk; maar een feit is dat het bij gemeenschappelijke manifestaties soms tot een handgemeen tussen beide groeperingen kwam.”

 

 

 

 

VanDerPlas
Michel van der Plas (Den Haag, 23 oktober 1927)

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Augusten Xon Burroughs werd geboren op 23 oktober 1965 in Pittsburgh, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2008.

 

Uit: Dry

 

“When I was thirteen, my crazy mother gave me away to her lunatic psychiatrist, who adopted me. I then lived a life of squalor, pedophiles, no school and free pills. When I finally escaped, I presented myself to advertising agencies as a self-educated, slightly eccentric youth, filled with passion, bursting with ideas. I left out the fact that I didn't know how to spell or that I had been giving (expletive) since I was thirteen.

Not many people get into advertising when they're nineteen, with no education beyond elementary school and no connections. Not just anybody can walk in off the street and become a copywriter and get to sit around the glossy black table saying things like, "Maybe we can get Molly Ringwald to do the voice-over," and "It'll be really hip and MTV-ish." But when I was nineteen, that's exactly what I wanted. And exactly what I got, which made me feel that I could control the world with my mind.

I could not believe that I had landed a job as a junior copywriter on the National Potato Board account at the age of nineteen. For seventeen thousand dollars a year, which was an astonishing fortune compared to the nine thousand I had made two years before as a waiter at a Ground Round.

That's the great thing about advertising. Ad people don't care where you came from, who your parents were. It doesn't matter. You could have a crawl space under your kitchen floor filled with little girls' bones and as long as you can dream up a better Chuck Wagon commercial, you're in.

And now I'm twenty-four years old, and I try not to think about my past. It seems important to think only of my job and my future. Especially since advertising dictates that you're only as good as your last ad. This theme of forward momentum runs through many ad campaigns.

A body in motion tends to stay in motion. (Reebok, Chiat/Day.)

Just do it. (Nike, Weiden and Kennedy.)

Damn it, something isn't right. (Me, to my bathroom mirror at four-thirty in the morning, when I'm really, really plastered.)

It's Tuesday evening and I'm home. I've been home for twenty minutes and am going through the mail. When I open a bill, it freaks me out. For some reason, I have trouble writing checks. I postpone this act until the last possible moment, usually once MY account has gone into collection. It's not that I can't afford the bills-I can-it's that I panic when faced with responsibility. I am not used to rules and structure and so I have a hard time keeping the phone connected and the electricity turned on. I place all my bills in a box, which I keep next to the stove. Personal letters and cards get slipped into the space between the computer on my desk and the printer.”

 

 

 

 

augusten_burroughs
Augusten Burroughs (Pittsburgh, 23 oktober 1965)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en journalist Nick Tosches werd geboren in 1949 in Newark, New Jersey. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2008.

 

Uit: In the Hand of Dante: A Novel

 

There was residue on his hands. He hated that. He held forth his hand to the one bitch who ws still on her knees. She closed her eyes and licked the scum from his hand. As he stood over her, he could smell her hair, which had the same dirty cloying stench of that coconut-oil shit those fucking Haile Selassie cabbies used inside their taxis. And he could feel the sticky grease of whatever cheap shit she wore on her lips. He withdrew his hand from her.

Downstairs, on West Twenty-sixth Street, he stood awhile in the night. It was the dead of August, that time in New York when the daylight sky was an oppressive lowlying glare of white, and the dark of night was a haze of starless ashen pallor. Louie felt at one with it. He lighted a cigarette and drew smoke. It was late. But not for him.

Humidity and his own sweat began to gather on his skin. He looked at the moist glistening amid the hair of his bare forearm. He looked longer at the hand that held the cigarette. He didn't know which was worse, the traces of his own detested bodily fluid or the slime of that bitch's tongue. This would clean him, he told himself, feeling the gathering of humidity and sweat increase. All he needed now was a good breeze from the river. That would be nice. He began to walk. He had not tucked his shirt into his trousers, and he had not buttoned his shirt, and he did not do these things now. He carried his jacket of fine, fine cotton and fine, fine silk, the one that he had paid two grand for in Milano. It had been made for him, by whatever the fuck his name was. It was the color of the deep blue-green sea, and was almost weightless; but as he carried it, he could feel the sag of weight in one pocket.

It was his favorite jacket. It was like wearing nothing, and you could wear it with anything, and only a guy with class would see it for what it was. And it was the color of his eyes. Broads loved his eyes. Even now, even now that he was an old fuck, the broads still loved his eyes. Some were scared of them, but some loved them.

Louie paused a moment when he reached the corner of Sixth Avenue. He lighted another cigarette. He turned downtown. He kept on walking.

Yeah, sixty-three fucking years old last May. And here he was, walking down the avenue like a kid. He liked to walk, at night, alone, even in this heat. It was nice. These nigger punks passing him by in the street: they got nothing on me, he told himself. It was true. It really was. It was like the man said. You're only as old as you feel.

 

 

 

 

Tosches
Nick Tosches (Newark, 23 oktober 1949)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter, toneel- en prozaschrijver Robert Seymour Bridges werd geboren in Walmer, Kent, op 23 oktober 1844. Bridges werd opgeleid aan Eton College en het Corpus Christi College van de Universiteit van Oxford. Vervolgens studeerde hij medicijnen in Londen en werd arts in 1874, waarna hij werkzaam was in het Londense St Bartholomew's Hospital. In 1882 moest hij zijn actieve carrière echter opgeven om gezondheidsredenen. Hij reisde vervolgens door Europa en het Midden-Oosten en vestigde zich vervolgens in Yattendon, Berkshire, waar hij tot 1904 bleef wonen. Hij wijdde zich aan de literatuur, een interesse die hij al vroeg had getoond. Bridges was nauw bevriend met Gerard Manley Hopkins, wiens literair executeur hij zou worden. In 1884 trouwde hij met Monica Waterhouse.

In 1873 publiceerde hij al in eigen beheer zijn Poems, waarna zijn productie goed op gang kwam. Vier delen Shorter Poems verschenen in 1879, 1880, 1890 en 1893. Daar tussendoor publiceerde hij The Growth of Love en Carmen Elegiacum (1876) en Eros and Psyche (1885). Hij schreef eveneens acht drama's in verzen: het eerste deel van Nero kwam uit in 1885, het tweede deel volgde in 1894. In 1890 volgden Achilles in Scyros, Palicio, The Return of Ulysses, The Christian Captives, The Humours of the Court en The Feast of Bacchus. Twee masques kwamen uit in 1883, Prometheus the Firegiver, en in 1904, Demeter. In 1916 verscheen de bloemlezing The Spirit of Man. New Poems, dat uitkwam in 1925 kende een goede ontvangst. Grote erkenning volgde uiteindelijk kort voor zijn dood met The Testament of Beauty (1929), een gedicht van 4000 regels met een filosofische insteek. Het werk beleefde in het eerste jaar na verschijnen 14 herdrukken. Vanaf 1913 was hij de Britse Poet Laureate.

 

 

 

I Will Not Let Thee Go 

 

I will not let thee go.

Ends all our month-long love in this?

Can it be summed up so,

Quit in a single kiss?

I will not let thee go.

 

I will not let thee go.

If thy words' breath could scare thy deeds,

As the soft south can blow

And toss the feathered seeds,

Then might I let thee go.

 

I will not let thee go.

Had not the great sun seen, I might;

Or were he reckoned slow

To bring the false to light,

Then might I let thee go.

 

I will not let thee go.

The stars that crowd the summer skies

Have watched us so below

With all their million eyes,

I dare not let thee go.

 

I will not let thee go.

Have we chid the changeful moon,

Now rising late, and now

Because she set too soon,

And shall I let thee go?

 

I will not let thee go.

Have not the young flowers been content,

Plucked ere their buds could blow,

To seal our sacrament?

I cannot let thee go.

 

I will not let thee go.

I hold thee by too many bands:

Thou sayest farewell, and lo!

I have thee by the hands,

And will not let thee go. 

 

 

 

 

 

When Death to Either shall come 

 

When Death to either shall come,—

I pray it be first to me,—

Be happy as ever at home,

If so, as I wish, it be.

 

Possess thy heart, my own;

And sing to the child on thy knee,

Or read to thyself alone

The songs that I made for thee.

 

 

 

 

robert_bridges
Robert Bridges (23 oktober 1844 - 21 april 1930)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Adalbert Stifter werd geboren in Oberplan op 23 oktober 1805. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2006 en ook mijn blog van 23 oktober 2007 en ook mijn blog van 23 oktober 2008.

 

Uit: Der Hagestolz

 

“Dann drangen sie durch Röhrichte und Auen vor, bis sie zu einem Damme gelangten, auf dem eine Straße lief und ein Wirthshaus stand. Bei dem Wirthe mietheten sie einen offenen Wagen, um nun jenseits des Stromes in die Stadt zurück zu fahren. Sie flogen an Auen, Gebüschen, Feldern, Anlagen, Gärten und Häusern vorbei, bis sie die ersten Gebäude der Vorstädte erreichten und abstiegen. Als sie ankamen, lag die Sonne, die sie heute so freundlich den ganzen Tag begleitet hatte, weit draußen am Himmel als glühende erlöschende Kugel. Da sie untergesunken war, sahen die Freunde die Berge, auf welchen sie heute ihre Morgenfreuden genossen hatten, als einfaches blaues Band gegen den gelben Abendhimmel empor stehen.

Sie gingen nun gegen die Stadt und deren staubige bereits dämmernde Gassen. An einem bestimmten Plaze trennten sie sich, und riefen einander fröhlichen Abschied zu.

»Lebe wohl,« sagte der eine.

»Lebe wohl,« antwortete der andere.

»Gute Nacht, grüsse mir Rosina.«

»Gute Nacht, grüsse morgen den August und Theobald.«

»Und du den Karl und Lothar.«

Es kamen noch mehrere Namen; denn die Jugend hat viele Freunde, und es werben sich täglich neue an. Sie gingen auseinander. Zwei derselben schlugen den nehmlichen Weg ein, und es sagte der eine zu dem andern: »Nun, Victor, kannst du die Nacht bei mir bleiben, und morgen gehst du hinaus, sobald du nur willst. Ist es auch wirklich wahr, daß du gar nicht heirathen willst?«

»Ich muß dir nur sagen,« antwortete der Angeredete, »daß ich wirklich ganz und gar nicht heirathen werde, und daß ich sehr unglücklich bin.«

Aber die Augen waren so klar, da er dieses sagte, und die Lippen so frisch, da der Hauch der Worte über sie ging.

Die zwei Freunde schritten noch eine Streke in der Gasse entlang, dann traten sie in ein wohlbekanntes Haus und gingen über zwei Treppen hinauf an Zimmern vorbei, die mit Menschen und Lichtern angefüllt waren. Sie gelangten in eine einsame Stube.

»So, Victor,« sagte der eine, »da habe ich dir neben dem meinen ein Bett herrichten lassen, daß du eine gute Nacht hast, die Schwester Rosina wird uns Speisen herauf schiken, wir bleiben hier und sind fröhlich. Das war ein himmlischer Tag, und ich mag sein Ende gar nicht mehr unten bei den Leuten zubringen. Ich habe es der Mutter schon gesagt; ist es recht so, Victor?«

»Freilich,« entgegnete dieser, »es ist bei dem Tische deines Vaters so langweilig, wenn zwischen den Speisen so viele Zeit vergeht und er dabei so viele Lehren gibt. Aber morgen, Ferdinand, ist es nicht anders, ich muß mit Tagesanbruch fort.«

 

 

 

stiftpor

Adalbert Stifter (23 oktober 1805  - 28 januari 1868)

Portret door Josef Grandauer

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 23 oktober 2008.

 

De Albanese dichter, vertaler en pater Franciscaan Gjergj Fishta werd geboren op 23 oktober 1871 in Fishta të Zadrimes.

 

De Franse schrijver Nicolas
Edmonde Restif de La Bretonne werd geboren op 23 oktober 1734 in Sacy bij Auxerre.

 

23-10-08

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Nick Tosches, Adalbert Stifter, Gjergj Fishta, Réstif de la Bretonne


De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2006 en ook mijn blog van 23 oktober 2007.

 

Uit : Bertus Aafjes 1914

 

De Aafjes, die priester had willen worden en in 1936, een-en-twintig jaar oud, de studie daartoe (op het groot-seminarie te Warmond) afbrak was nog een idealist. Een kind van de natuur, doordrenkt van zuivere schoonheidsdromen, zag hij zich in staat en misschien wel geroepen een soort ‘Troubadour van God’ te worden: een zwerver met een onbegrensd vertrouwen in hemelse zorg voor de mens, zoals voor leliën des velds en vogelen des hemels, en als zodanig ook exemplarisch voor zijn medemensen. Wereldvreemd? In elk geval ongekunsteld. Een voetreis naar Rome (1946) (overigens als fietstocht begonnen) kon de proef op de som leveren. Het gedicht over die unieke ervaring werd acht jaar later, in de hongerwinter van '44-'45, geschreven. Het is een sleutelgedicht geworden, getuigend van de spanning tussen het aardse en hemelse, een ontdekkingsreis eindigend in protest tegen de meegekregen moraal, waarin het lichamelijke en het lichaam zelf in het teken van de zonde stonden, èn in een belijdenis, - van geloof in ‘een nieuwe heldere harmonie en zuiverheid’, in onbevlekte aardsheid als bestaansvervulling. Van deze thematiek is Aafjes' poëzie nauwelijks meer losgekomen, hetzij dat de natuurlijke, aardse gegevenheden er bloemrijklyrisch in bezongen worden, hetzij dat de oude weemoed om de steeds steels terugkerende zedelijke noties weer gevarieerde gestalte krijgt. Ook het andere vroege thema: de onbekommerde zwerflust bleef constant, zowel in poëzie als in proza. In zekere zin is het gehele oeuvre van Aafjes één lang reisverhaal. Een neo-romanticus trekt de wereld door en doet daarvan beurtelings verrukt en verbijsterd verslag. Reizen is het ‘godengeschenk’. De reiziger slurpt gulzig aan de niet aflatende bron van mirakelen; hij bezit een bodemloos vermogen tot verwondering. Zijn goed vertrouwen wordt beschadigd, maar nooit voor lang, zeker niet voorgoed. Titels van gebundelde relazen-onder-weg als De wereld is een wonder (1959), Morgen bloeien de abrikozen (1954), In de schone Helena (1962) verraden levenslust, blijmoedige benadering, nooit verstommende verwachting. Naïviteit lijkt zelfs begrepen te worden als enige aanvaardbare levenshouding die het bestaan dragelijk maakt. Men zwerft met een neo-romanticus door de wereld wiens proza altijd lyrisch is en in wiens poëzie de rozen blijven opengaan. Ergens onderweg, of aan het eind, moet ‘het onzegbaar zuivere’ van vóór Adam's zondeval, weer opdoemen uit de tijdelijke verduistering van de schepping. Intussen maakt het ervarene, in geschonden staat onuitsprekelijk, eenzaam. Vormt Aafjes' werk een aaneenschakeling van hymnische momenten, het verantwoordt tegelijk de ‘naamloze droefenis’ van kwetsbaren, gebrokenen: Adam en Eva na de tuin, Van Gogh, een beschadigd kind, het zwarte schaap, de dichter met zijn uiteindelijk geheim in zijn koningsgraf. Het onbedorvene wordt immers zijns ondanks voortdurend aangetast. Zo wordt tenslotte ook de hymne haperend, het vloeiende lied staccato. Rusteloos blijft de geboren ontdekker. Aan verkenningen van de antieke wereld schakelen zich tochten naar de Nieuwe (Logboek voor Dolle Dinsdag, 1956) en mysterieuze duistere (zwart Afrika, Japan).”

 

 

 

 

vanderPlas
Michel van der Plas (Den Haag, 23 oktober 1927)

 

 

 

 

 

 

 

De Albanees-Amerikaanse schrijfster en actrice Masiela Lusha werd geboren op 23 oktober 1985 in Tirana. Haar familie verhuisde eerst naar Boedapest, vervolgens naar Wenen. Toen zij zeven jaar was vestigde zich haar familie tenslotte in Michigan en werd Engels haar vierde taal. Als actrice debuteerde Lusha in de tv-serie Sabrina the Teenage witch. Vervolgens speelde zij in o.a.  Summoning, Cherry Bomb enMy Father's Eulogy. Zij was ongeveer de jongste schrijfster ter wereld om in 1999 met een boek in twee talen te debuteren: Inner Thoughts. In 2005 volgde Drinking the Moon.

 

 

A Man of Forty

 

A man of forty. Forty years the child.
His eyes don't see me but his mother.
His past. And like a child he wanders
Clean through the tunnels of his time.
And lost logic, and found regret.
His history plays inside his eyes,
and his fingers play with his pain,
He doesn't play with logic. Logic
Can't be found in this child's fate.
And like a mother I care for him.
But I don't know him- He seems to know me
And cannot smile. His eyes only drift
From my lips, to his mother's hair;
And without a word, he reveals his wrists.
His manly wrists with tiny spots of pain.
If I could I would kiss his wrists.
If I had half the courage to face his pain.

 

 

 

 

Drinking the Moon

 

I have planned and dreamt of this trophy of gold,
The halo of silver, around in which it molds.
I have cradles this idea and nursed it to true plan,
I have fed it seeds of confidence, O this is so grand!

How lofty atop your kingdom's throne you rest,
Pray, dim these stars, for (alone) your grace shines best.
No cloud can cloak your clean face of white,
For however masked, somehow, somewhere, you glow so bright!

You have marked your loyal entrance through water and sky,
I cannot quite reach you, but by me you lie.
A bed of water, I have crafted for you,
So near me you lay when I dream of us two.

 

 

 

 

 

Lusha
Masiela Lusha (Tirana, 23 oktober 1985)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Augusten Xon Burroughs werd geboren op 23 oktober 1965 in Pittsburgh, Pennsylvania. Zijn moeder is de schrijfster Margaret Robinson. Ondanks zijn vroegtijdige schoolverlating slaagde Burroughs erin een dik betaalde baan in de reclamewereld te bemachtigen voordat hij schrijver werd. Hij werd pas goed bekend met zijn memoires Running with Scissors in 2002. In het vervolg daarop Dry uit 2003 beschreef hij zijn behandeling voor alcoholisme. Daarna volgden de essaybundels Magical Thinking (2003) and Possible Side Effects (2006). Zijn eerste roman Sellevision uit 2000 wordt verfilmd.

 

 

Uit: Running with Scissors

 

My mother is standing in front of the bathroom mirror smelling polished and ready; like Jean Nate, Dippity Do and the waxy sweetness of lipstick. Her white, handgun-shaped blow-dryer is lying on top of the wicker clothes hamper, ticking as it cools. She stands back and smoothes her hands down the front of her swirling, psychedelic Pucci dress, biting the inside of her cheek.

"Damn it," she says, "something isn't right."

Yesterday she went to the fancy Chopping Block salon in Amherst with its bubble skylights and ficus trees in chrome planters. Sebastian gave her a shag.

"That hateful Jane Fonda," she says, fluffing her dark brown hair at the crown. "She makes it look so easy." She pinches her sideburns into points that accentuate her cheekbones.

People have always said she looks like a young Lauren Bacall, especially in the eyes.

I can't stop staring at her feet, which she has slipped into treacherously tall red patent-leather pumps. Because she normally lives in sandals, it's like she's borrowed some other lady's feet. Maybe her friend Lydia's feet. Lydia has teased black hair, boyfriends and an above-ground pool. She wears high heels all the time, even when she's just sitting out back by the pool in her white bikini, smoking menthol cigarettes and talking on her olive-green Princess telephone. My mother only wears fancy shoes when she's going out, so I've come to associate them with a feeling of abandonment and dread.

I don't want her to go. My umbilical cord is still attached and she's pulling at it. I feel panicky.

I'm standing in the bathroom next to her because I need to be with her for as long as I can. Maybe she is going to Hartford, Connecticut. Or Bradley Field International Airport. I love the airport, the smell of jet fuel, flying south to visit my grandparents.

 

 

I love to fly.

When I grow up, I want to be the one who opens those cabinets above the seats, who gets to go into the small kitchen where everything fits together like a shiny silver puzzle. Plus, I like uniforms and I would get to wear one, along with a white shirt and a tie, even a tie-tack in the shape of airplane wings. I would get to serve peanuts in small foil packets and offer people small plastic cups of soda. "Would you like the whole can?" I would say. I love flying south to visit my grandparents and I've already memorized almost everything these flight attendants say. "Please make sure that you have extinguished all smoking materials and that your tray table is in its upright and locked position." I wish I had a tray table in my bedroom and I wish I smoked, just so I could extinguish my smoking materials.“

 

 

 

 

Augusten_Burroughs
Augusten Burroughs (Pittsburgh, 23 oktober 1965)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en journalist Nick Tosches werd geboren in 1949 in Newark, New Jersey. Na diverse baantjes begon hij gedichten te schrijven en daarnaast ook artikelen voor rock-'n'-roll magazines. In 1982 verscheen zijn biografie over Jerry Lee Lewis, Hellfire, waarmee hij zijn naam als belangrijk schrijver vestigde. Hij schreef vervolgens ook nog over de levens van Dean Martin, Michele Sindona, Sonny Liston, Emmett Miller en Arnold Rothstein. Verder schreef Tosches een bundel gedichten Chaldea en de romans Cut Numbers, Trinities en In the Hand of Dante.

 

Uit: Chaldea and I Dig Girls

 

„Jabbo saw himself as he had been, forty years before and more, a child, thumb and forefinger poised apart, breath bated, eyes wide with wonder and expectation, watching a butterfly dance and whirl through the air round a dandelion that sprouted between pavement and curb; watching, watching, waiting for the little white wings to still. He saw the powdery white on his fingertips, like magical traces left behind, when the wings, after his enchantment, were set fluttering free. And he saw himself as he was now, a man crossing a street with madness in his mind and a gun beneath his belt, transfixed by shining black in the black of night. He had seen one of those once, one of the big black-winged butterflies, and butter-winged monarchs too. What a sweet boy, the old ladies had said. He had run from them as they reached out to tousle his hair and pinch his cheeks. Or those legs. Those fucking legs. He could never makeup his mind, even in the old days, even back then. All that flesh, beckoning, maddening. Go wash your face, he told what’s-her-name, that rich bitch, that time, the two of them waking in the soft morning light, him seeing the white trace of himself caked and dried upon her face. It’s only you, sweetest, it’s only you, she said. How that had unnerved him and repelled him and pleased him so. It’s only you, sweetest, it’s only you. And Sally, the first time they made love, her words riding the suff of her heat, the deepening, hastening breath of her body’s rapt rhythmus. I want you to come in my mouth, she said, freed, if only for a moment, in that suff and that rhythmus, and he knew then that she was his, and together they could rob this world of what happiness it hid. But he threw it all away. He always threw it all away. For devotion worked wickedness in Jabbo. Without it, he was like a child in abandonment, insecure and vulnerable, and he craved it; but once he had it, it was as if he were compelled to destroy it, to turn away from or cast away the savioress that embraced him, as if it were not really devotion he craved, but his dismissal of it. For him, devotion was an expression of love to be treasured only in its absence, only in the longing for it. In his grasp, it became the scepter of his tyranny, a thyrsus to be wielded, to batter, to drive away, and finally to break across the broken back of love.“

 

 

 

 

Tosches533
Nick Tosches (
Newark, 1949)

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Adalbert Stifter werd geboren in Oberplan op 23 oktober 1805. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2006 en ook mijn blog van 23 oktober 2007.

 

Uit: Witiko

 

Am oberen Laufe der Donau liegt die Stadt Passau. Der Strom war eben nur aus Schwaben und Bayern gekommen, und netzt an dieser Stadt einen der mittäglichen Ausgänge des bayerischen und böhmischen Waldes. Dieser Ausgang ist ein starkes und steiles Geklippe. Die Bischöfe von Passau haben auf ihm eine feste Burg gebaut, das Oberhaus, um gelegentlich ihren Untertanen Trotz bieten zu können. Gegen Morgen von dem Oberhause liegt ein anderer Steinbühel, auf dem ein kleines Häuslein steht, welches einst den Nonnen gehörte, und daher das Nonngütlein heißt. Zwischen beiden Bergen ist eine Schlucht, durch welche ein Wasser hervorkömmt, das von oben gesehen so schwarz wie Tinte ist. Es ist die Ilz, es kömmt von dem böhmisch-bayerischen Walde, der überall die braunen und schwarzen Wässer gegen die Donau sendet, und vereinigt sich hier mit der Donau, deren mitternächtliches Ufer es weithin mit einem dunkeln Bande säumt. Das Oberhaus und das Nonngütlein sehen gegen Mittag auf die Stadt Passau hinab, die jenseits der Donau auf einem breiten Erdrücken liegt. Weiter hinter der Stadt ist wieder ein Wasser, das aus den fernen mittäglichen Hochgebirgen kömmt. Es ist der Inn, der hier ebenfalls in die Donau geht, und sie auch an ihrer Mittagsseite mit einem Bande einfaßt, das aber eine sanftgrüne Farbe hat. Die verstärkte Donau geht nun in der Richtung zwischen Morgen und Mittag fort, und hat an ihren Gestaden, vorzüglich an ihrem mitternächtigen, starke waldige Berge, welche bis an das Wasser reichende Ausgänge des böhmischen Waldes sind. Mitternachtwärts von der Gegend, die hier angeführt worden ist, steigt das Land staffelartig gegen jenen Wald empor, der der böhmisch-bayerische genannt wird. Es besteht aus vielen Berghalden, langgestreckten Rücken, manchen tiefen Rinnen und Kesseln, und obwohl es jetzt zum größten Teile mit Wiesen, Feldern und Wohnungen bedeckt ist, so gehört es doch dem Hauptwalde an, mit dem es vielleicht vor Jahren ununterbrochen überkleidet gewesen war. Es ist, je höher hinauf, immer mehr mit den Bäumen des Waldes geziert, es ist immer mehr von dem reinen Granitwasser durchrauscht, und von klareren und kühleren Lüften durchweht, bis es im Arber, im Lusen, im Hohensteine, im Berge der drei Sessel und im Blöckensteine die höchste Stelle und den dichtesten und an mehreren Orten undurchdringlichen Waldstand erreicht. Dieser auch jetzt noch große Wald hat in seinen Niederungen vornehmlich die Buche, höher hinauf das Reich der Tanne und des ganzen Geschlechtes der Nadelhölzer, und endlich auf dem Grate der Berge auch oft Knieholz, nicht der Berghöhe, sondern der kalten Winde wegen, die gerne und frei hier herrschen. Von der Schneide des Waldes sieht man in das Tal der Moldau hinab, welche in vielen Windungen und im moorigen Boden, der sich aus dem Walde herausgelöst hat, in die ferneren Gelände hinaus geht”.

 

 

 

 

A_-Stifter-v_-Szekeliy
Adalbert Stifter (23 oktober 1805  - 28 januari 1868)

Portret door Bartholomäus Székely

 

 

 

 

 

 

De Albanese dichter, vertaler en pater Franciscaan Gjergj Fishta werd geboren op 23 oktober 1871 in Fishta të Zadrimes. Hij studeerde in Bosnië filosofie en theologie. In 1902 kreeg hij de leiding over het gymnasium van de franciscanen in Shkodra en daar voerde hij het Albanees als onderwijstaal in. Van begin april 1919 tot 1920 was Fishta secretaris van de Albanese delegatie bij de vredesbesprekingen in Parijs. In 1920 kwam hij in het parlement en een jaar later werd hij tot vice-president van het parlement gekozen. In 1924 steunde hij Fan Noli om een democratisch systeem door te voeren in Albanië. Onder het Zogu regieme in 1925/26 ging hij vrijwillig in ballingschap om daarna zijn werk als leraar en schrijver weer op te nemen. Hij had grote invloed op het Albanees als schrijftaal in zijn Gegische (Noordalabanese) vorm.

 

 

THE HIGHLAND LUTE (fragment)

 

Help me God as you once helped me,
Five hundred years are now behind us
Since Albania the fair was taken,
Since the Turks took and enslaved her,
Left in blood our wretched homeland,
Let her suffocate and wither
That she no more glimpse the sunlight.
That she ever live in sorrow,
That when beaten, she keep silent.
Mice within the walls wept for her,
Serpents under stones took pity!
But when a steer is first yoked under,
Oxbow weighing hard upon it,
There's no sense at all to goad it,
It will balk, not pull the ploughshare,
Only crisscross fields at fancy,
And make trouble for the farmer,
Will refuse to till the furrows
When alone or with another.
So it is with the Albanians,
Under foreign yoke unwilling
To be slaves, pay tithes and taxes.
Always have they wandered freely,
None but God above them knowing,
Never on their lands and pastures
Would they bow before a master.

 

 

 

 

 

gjergj_fishta
Gjergj Fishta ( 23 oktober 1871 – 30 december 1940)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Nicolas Edmonde Restif de La Bretonne werd geboren op 23 oktober 1734 in Sacy bij Auxerre. Sinds zijn vijftiende was La bretonne een geschoolde drukker. Hij werd ook de schrijver van rond 200 boeken die de wetenschap nog niet eens allemaal onderzocht heeft. Hij schreef zedenromans en sociaal utopische werken en schreef op het laatst, om tijd uit te sparen rechtstreeks in de zetkasten van de drukkerij. Vaak wordt hij beschouwd als pure pornograaf. Zijn vrijzinnige schetsen van de lagere standen vormen echter zeker wel een aanvulling op het beeld van de aristocratie dat De Sade gegeven heeft.

 

Uit : LA VIE DE MON PÈRE

 

„Ce Père, si aimable avec les Étrangers, était terrible dans sa Famille : il commandait par un regard, qu’il fallait deviner ; à peine ses Filles (elles étaient au nombre de trois) obtenaient-elles quelqu’indulgence. Je ne parle pas de son Épouse : profondément pénétrée de respect pour son Mari, elle ne voyait en lui qu’un Maître adoré. Quoiqu’elle fût d’une Famille supérieure, puisqu’elle était alliée aux Cœurderoi, dont il y a encore des Présidents au Parlement de Bourgogne, elle se précipitait au-devant de ses moindres volontés ; et lorsqu’elle avait tout fait, un mot de son impérieux Mari la comblait : — Ma Femme, reposez-vous. L’accolade d’un Souverain n’aurait pas flatté davantage un Courtisan.

Mais si Anne Simon respectait son Mari comme un Maître, elle en était bien dédommagée par la tendresse de ses Enfants : tous faisaient avec elle cause commune : au plus léger chagrin, ses Filles l’entouraient, essuyaient ses larmes, et si quelquefois un mot demi-respectueux leur échappait à l’égard de leur Père, Anne reprenait sur-le-champ sa fermeté, et faisait une remontrance vigoureuse.

Pour son Fils, c’était son plus efficace Consolateur. Quelle tendresse ! comme il rendait à sa Mère toute la déférence qu’elle avait pour son Mari ! Aussi Anne disait-elle quelquefois à ses Filles : — Ce que je fais pour un Homme, un Homme le fait pour moi : où est mon mérite ? Mes Enfants, si quelquefois j’étais assez malheureuse pour avoir une pensée de révolte contre mon Mari, cette seule idée la chasserait : C’est le Père d’Edmond.

La manière dont Edmond R. témoignait sa tendresse à sa Mère était toute active : S’il se trouvait présent lorsqu’elle était grondée par un Mari impérieux, il n’allait pas faire à son Père des caresses qu’il aurait repoussées ; il embrassait sa Mère, et choisissait cet instant pour lui rendre compte de quelques ordres qu’elle lui avait donnés, et qu’il avait exécutés avec succès. Le Maître fier, préférait alors de s’adresser à sa Femme ; il adoucissait le ton, et se retirait calmé.

La première éducation extérieure, c’est-à-dire, hors de la maison paternelle, fut donnée à Edmond par deux Personnes également respectables, et telles, que c’est le plus grand bonheur pour des Paroisses, quand il s’en trouve de pareilles : je veux dire, le Curé de Nitri, et son Maître d’école, le respectable Berthier, dont le nom, au bout de quatre-vingts ans, est encore en bénédiction dans le pays. Quelle glorieuse noblesse, que celle-là !...

Ce Maître d’école était marié, et chargé de beaucoup d’Enfants : cependant, il s’acquittait de son devoir d’une manière si exacte, si généreuse, si belle ; sa qualité, de Père de famille le rendait si respectable que sa conduite serait la meilleure preuve, que le célibat n’est pas une condition avantageuse dans les Personnes chargées de l’instruction, et même dans les Ministres des Autels. Loin de là ; tout Célibataire est égoïste ; il l’est par nécessité ; qui ne tient à Personne, suppose que Personne ne tient à lui ; il faut une vertu au delà des termes ordinaires, pour qu’un Célibataire ait de la vertu comme certains Curés. Ils n’en sont que plus respectables, sans doute : mais doit-on rendre la vertu si difficile ! Quand viendront les temps !... Hélas ! on me fera peut-être un crime de ce souhait patriotique !“

 

 

 

Restif
Réstif de la Bretonne (23 oktober 1734 – 3 februari 1806)

 

 

 

23-10-07

Michel van der Plas tachtig jaar, Adelbert Stifter


De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas (pseudoniem voor Bernardus Gerardus Franciscus Brinke) werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Hij is vandaag dus precies tachtig jaar geworden. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2006.

 

 

Engelbewaarder

 

3

 

Jij bent mijn liefste heilige, mijn naaste

in het gelid dat ik heb aangebracht

als slagorde tegen de wrede nacht,

de best bewapende en voorop geplaatste.

 

Jij bent mijn eerste heilige en mijn laatste,

en zo heb ik altijd aan jou gedacht:

de nooit aflatende en vaste macht

die mij moet redden in dit ondermaanse.

 

Jij bent mijn eigen heilige, de ene

die ik aan niemand anders hoef te lenen;

jij komt mijn leven steeds weer in en uit,

liefdevol licht dat mijn gebed omsluit.

En ook al ben je mij nog nooit verschenen,

je bent me na als adem op mijn huid.

 

 

4

 

Maar nu kom ik je op mijn knieën vragen

(alsof ik nog een gunst van je verdien),

de honderd boze geesten te verjagen

naar de afgrond die ze mij laten zien,

 

of het zou moeten zijn dat ik misschien

de gesel van mijn late levensdagen,

de noctium phantasmata als plagen

verdien, - als uiterste vernedering.

 

Jij bent gelukkig met je lof en prijs

in de verrukking van het paradijs,

maar kom me dan, bode van God, berichten

dat hij aan 't einde voor mij op zal lichten

wanneer ik uit mijn nacht, tastenderwijs,

de zin zal zien van mijn moeilijke reis.

 

 

 

Uit: Godfried Jan Arnold Bomans

 

“Als gymnasium-alfa-leerling te Overveen had Godfried intens deelgenomen aan het gezelligheids- en verenigingsleven. In 1931 was hij redacteur van het schoolblad Tolle Lege geworden en had hij een toneelstuk Bloed en liefde geschreven, een kwasi-heroïsch drama, bedoeld als parodie op Victor Hugo's Hernani; een uitbundig spel dat in latere jaren talloze malen vertolkt zou worden door middelbare scholieren. Onder het pseudoniem Bernard Majorick had hij een jaar later, 1932, zijn literaire debuut gemaakt, en wel in het Algemeen Litterair Maandblad Het Venster, met poëzie (Drijfjacht) en proza (Gebed voor Nederland). De schuilnaam zou hij later overdoen aan Joop Beljon. Voorzien van het getuigschrift eindexamen gymnasium alfa (gedateerd 5 juli 1933), had hij zich in september van hetzelfde jaar als student in de rechten laten inschrijven.

Intussen openbaarde zich in hem enige tijd lang een sterke vroomheid en een zekere neiging tot mystiek, onder grote invloed van kennissen in het Gooi. Hij nam onder meer gretig deel aan bedevaarten en processies. In 1935 vatte hij, na een verblijf van enkele weken in het klooster Monte Olivete in de Apennijnen, het plan op dat klooster binnen te treden. Het was slechts van korte duur, zij het dan dat hij reeds, met zijn ouders, afscheid had genomen van vele familieleden. Hij zette zijn studie voort en behaalde op 4 juli 1936 het candidaats rechten. Toch begon in hem langzaam maar zeker verzet te rijzen tegen de studie in een discipline die hem in feite niet boeide en die bovendien bekroond zou moeten worden met een maatschappelijke functie (burgemeester bijvoorbeeld) die hem niet aanlokte. Van nature bovendien neigend tot luiheid en de onbezorgde levenswandel die toen voor ‘studentikoos’ doorging, besteedde hij, hoewel door zijn vader kortgehouden, meer en meer tijd aan verenigingsleven in groot en klein verband en aan vriendschappen met een speels karakter en vol van allerlei practical jokes, terwijl hij bovendien steeds vaker de pen op papier zette. 1937 werd een belangrijk jaar: steeds vaker in conflict geraakt met zijn vader, betrok hij een kamer aan de Huidenstraat 25 te Amsterdam en legde tegelijkertijd een andere onafhankelijkheidsverklaring af door zijn eerste twee boeken te publiceren: de Memoires of gedenkschriften van mr. P. Bas, waarvan hij al grote stukken in verschillende studententijdschriften had gepubliceerd, en zijn treurspel in drie bedrijven Bloed en liefde. Het eerste boek kreeg een goede pers, waarin met name werd vastgesteld dat Nederland een humoristische schrijver van groot talent rijker was geworden.”

 

 

vdplas
Michel van der Plas (Den Haag, 23 oktober 1927)

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Adalbert Stifter werd geboren in Oberplan op 23 oktober 1805. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2006.

 

 

23-10-06

Hans Münstermann, Michel van der Plas, Adalbert Stifter


Op vrijdag 10 november maakt juryvoorzitter H.K.H. Prinses Laurentien bekend welk boek bekroond is met de AKO Literatuurprijs 2006. Hier schenk ik de komende tijd al wat aandacht aan de kandidaten op de shortlist. De vijfde is Hans Münstermann.

 

Hans Münstermann (*1947) publiceerde de romans Het gelukkige jaar 1940, Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf, Certificaat van echtheid en De Hitlerkus, waarin Andreas Klein de hoofdrol speelt. Eerder was hij samen met Jacques Hendrikx als Jan Tetteroo de luis in de pels van de Nederlandse literatuur en publiceerde hij al een zestal romans. In 2000 besloot het schrijversduo uiteen te gaan.

 

Helaas zijn er (nog) geen primaire teksten van Hans Münstermann op internet te vinden, maar over het genomineerde boek schrijft De Stem:

 

De bekoring is een heel eigenaardig boek. Ogenschijnlijk gebeurt er heel weinig en tegelijkertijd ook heel veel. In samenvatting lijkt het verhaal eenvoudig, maar onder de oppervlakte wriemelt en wemelt het van spanningen en conflicten en klinkt er een veelkoppig ensemble van tegen elkaar inzingende stemmen. Ik ken maar één vergelijkbare voorganger: La modification van Michel Butor, een roman over een man die per trein op weg is van Parijs naar Rome, aanvankelijk vol verlangen naar zijn minnares, maar bij het binnenrijden van station Termini vastbesloten de relatie te laten voor wat hij is.'

 

HANSMUNSTERMANN
Hans Münstermann (1947)

 

Michel van der Plas (pseudoniem voor Bernardus Gerardus Franciscus Brinke) werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Van der Plas werkte vanaf 1949 vele jaren als journalist bij Elseviers Weekblad. Daarnaast is hij bekend en belangrijk als tekstschrijver voor cabaret (o.a. voor Wim Sonneveld, Frans Halsema en Wim Kan), en schreef hij biografieën over katholieke kopstukken als Guido Gezelle, Jozef Alberdingk Thijm en Anton van Duinkerken. Zijn letterkundige werk kenmerkt zich door een brede belezenheid in de Westerse literatuur en een overvloed aan katholieke thema’s; dit laatste is terug te voeren op zijn sterke, zij het niet onkritische katholieke levensovertuiging en de priesteropleiding die hij in zijn jeugd een aantal jaren volgde.

Van der Plas staat in de traditie van de katholieke jongeren, die vóór WO II onder aanvoering van Anton van Duinkerken een belangrijke rol speelden in de Nederlandse letterkunde. De themathiek van Van der Plas komt niet toevallig overeen met die van Godfried Bomans; deze twee mannen zijn jarenlang goede vrienden geweest en ook over Bomans schreef Van der Plas een biografie.

Zijn verzamelde gedichten werden uitgegeven in 1974 en in 1979 ontving hij voor zijn gehele toenmalige oeuvre de Tollensprijs. In 1949 was hem, voor zijn gedichtenbundel Going my way al de Jan Campertprijs toegekend. In oktober 1998 werd hem een eredoctoraat verleend aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Op 3 december 2004 is Van der Plas voor zijn biografieën en zijn religieuze poëzie benoemd tot Commandeur in de (pauselijke) orde van de H. Gregorius de Grote.

 

      Uit de cyclus: De goede moordenaar

Paradijs. Paradijs. Dat woord was zoek
op aarde en in de hemel, als vergeten,
onuitgesproken sinds het eerste boek,
zelfs onder de stoutmoedigste profeten.

En nu staat het opeens weer, diamant,
tegen de zwarte lucht, en visioenen
van al het zuivere en eeuwig groene
herleven in het jou beloofde land.

De engel stapt opzij, de zeven stromen
klateren op in nieuw, gedeeld genot,
de zachte bries ontwaakt in alle bomen,
nu gaat de mens weer wandelen met God,
het zwaard smelt in zijn vlammen, het is vrede,
vrede, het is je aangezegd, nog heden.

 

 

 

Uit: Michel van der Plas:  'Vreemdeling op doortocht' (2002)

 

 

 

 

VANDERPLAS
Michel van der Plas (Den Haag, 23 oktober 1927)

 

De Oostenrijkse schrijver Adalbert Stifter werd geboren in Oberplan op 23 oktober 1805. Stifter groeide op als zoon van een vlashandelaar in de bossen van Bohemen. Hij ging naar school in het benedictijns klooster Kremsmünster en studeerde, na zijn vaders dood in 1817, recht en natuurwetenschap in Wenen, maar beëindigde zijn studie niet door toedoen van zware faalangst. In 1837 huwde hij met Amalia Mohaupt, alhoewel hij jarenlang een — enigszins problematische — verloving met Fanny Greypl had gehad, en leefde van bijverdiensten als privéleraar; daarnaast hield hij zich bezig met kunstschilderen en leidde een teruggetrokken bestaan, terwijl hij geleidelijk aan verhalen begon te publiceren. In snel tempo wonnen zijn vertellingen aan populariteit, en hij bundelde ze tussen 1844 en 1850 in zijn eerste boek, Studien. In 1848 was er de mislukte liberale revolutie in Frankfurt; Stifter, ofschoon niet wars van liberale sympathieën — hij kwam meermaals in conflict met het Ministerie van Onderwijs —, kantte zich nadien tegen elke vorm van omwenteling en werd overwegend conservatief. Hij verhuisde naar Linz en werd er van 1850 tot 1865 lid van de schoolraad voor Opper-Oostenrijk. In 1865 kreeg hij levercirrose, een escalatie van jarenlang drankmisbruik; de overheid ontzette hem uit zijn ambt. Als gepensioneerde schreef hij nog de historische roman Witiko, die zeer arm aan handeling is. Dit was zijn tweede roman; Der Nachsommer was uitstekend onthaald, en Nietzsche noemde het de beste roman ooit. De immer besluiteloze Stifter werd steeds angstiger en ongelukkiger; in 1868 sneed hij zich met een scheermes een halsslagader door. Hij overleed twee dagen later.

Uit: Der Nachsommer

„Am Ende eines hölzernen Ganges, der in dem ersten Geschosse des Hauses gegen den Garten hinaus lief, ließ er ein gläsernes Stübchen machen, das heißt, ein Stübchen, dessen zwei Wände, die gegen den Garten schauten, aus lauter Glastafeln bestanden; denn die Hinterwände waren Holz. In dieses Stübchen tat er alte Waffen aus verschiedenen Zeiten und mit verschiedenen Gestalten. Er ließ an den Stäben, in die das Glas gefügt war, viel Efeu aus dem Garten herauswachsen, auch im Innern ließ er Efeu an dem Gerippe ranken, daß derselbe um die alten Waffen rauschte, wenn einzelne Glastafeln geöffnet wurden, und der Wind durch dieselben herein zog. Eine große hölzerne Keule, welche in dem Stübchen war und welche mit gräulichen Nägeln prangte, nannte er Morgenstern, was uns Kindern gar nicht einleuchten wollte, da der Morgenstern viel schöner war.

Noch war ein Zimmerchen, das er mit kunstreich abgenähten rotseidenen Stoffen, die er gekauft hatte, überziehen ließ. Sonst aber wußte man noch nicht, was in das Zimmer kommen würde.

In dem Garten war Zwergobst, es waren Gemüse- und Blumenbeete, und an dem Ende desselben, von dem man auf die Berge sehen konnte, welche die Stadt in einer Entfernung von einer halben Meile in einem großen Bogen umgeben, befanden sich hohe Bäume und Grasplätze. Das alte Gewächshaus hatte der Vater teils ausbessern, teils durch einen Zubau vergrößern lassen.

 

 

 

stifter
Adalbert Stifter  (23 oktober 1805  - 28 januari 1868)