10-10-16

Menno Wigman, Ferdinand Bordewijk, Jonathan Littell, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen, R. K. Narayan, Eugen Egner

 

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Menno Wigman op dit blog

 

Afscheid van mijn lichaam

Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard?
Waarom bleef ik zo koppig tronen in mijn hoofd
en woonde ik mezelf zo hevig uit?

O ja, ik hield van wijn, van zwaar doorrookte feesten,
lucide kaders en oneindig gulle lakens.
Zo leefde ik verlicht mijn tijd aan stukken.

Nu lig ik op een zaal, mijn hart, die logge spier,
verlaat me, laf als een gedicht laat het me staan
en voor het eind van deze avond zakt de dood
mijn longen in.

De zon was mij nooit opgevallen als hij niet
steeds onderging. Geen lucht, geen flonkering, geen hoop.
Waarom, mijn lichaam, heb ik nooit in je geloofd?

 

 

Rien ne va plus

'Ik wou dat ik nooit een gedicht had gezien'
Slauerhoff

Je zult maar zestien zijn en lelijk. Jij bent het.
Maar je wilt dichter worden, melkt de woorden van
Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep
onder vijandig licht. En 's avonds op je kamer
zit je je ouders tegen de vlakte te schrijven,
je dicht en heerst in het geniep over het leven,
een lelijk joch met een duivel tussen zijn dijen
dat ooit de mooiste meisjes zal berijden –
ja en je hand die nu zo woest papier bekrast
houdt op een dag een vlammend boekwerk vast.
Je naam in druk, de schoonheid van een vrouw: het komt,
het komt. Je bent een dichter nu en haast elk meisje
trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.
Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht
en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.
En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

 

 
Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

Lees meer...

10-10-15

Menno Wigman, Ferdinand Bordewijk, Jonathan Littell, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen, R. K. Narayan

 

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Menno Wigman op dit blog

 

Oud Verhaal

Als ik kon spreken zou je alles weten:
hoe ik een zomer lang in een vitrine
heb gelegen, tussen domme dolken lag
te geeuwen en op een vreemde feestdag
door vijf verwarde vingers werd bevrijd.

Bevrijd. En in een dekenkist verstopt.
Er waren avonden dat ik werd gestreeld.
Dan zei een stem: 'Ik heb oren, ik hoor dingen.
Hoe kan Deborah zoiets doms beginnen?'

Het is een oud verhaal van stug metaal.
Maar in de nacht van twaalf op dertien acht
vertrok ik in een vestzak met een hart

dat sloeg. Een stem. Getier. En toen, opnieuw,
die meisjesnaam. Het kwam op dienen aan.

 

 

Alles wat je wilde, het was alles

Het was de welving van een schouderblad,
het fosfor van een nieuwe dronkenschap,
de slapeloosheid van een wereldstad.

Je sliep nooit twee keer met dezelfde dag
en leven was pas leven als er 's nachts
een halo uit je glas te voorschijn brak.

Een juni en je peinst aan een vermolmd
ontbijt: ik zwierf om zoveel mensen heen,
verruilde zoveel zonlicht voor een zweem

van eeuwigheid en moet je nu eens zien:
die rouwrand rond m'n brood, dat zeepsoplicht,
die vuile handen en dat nevelhoofd.

Had ik maar minder in mijn dorst geloofd.
Gaf ik maar minder om het tegengif
voor mijn zorgvuldig bestudeerde dood.

 

 
Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

Lees meer...

10-10-14

Menno Wigman, Ferdinand Bordewijk, Jonathan Littell, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen, R. K. Narayan

 

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Menno Wigman op dit blog.

 

Vuilstort

Een terp van dode dingen tergt de lucht.
Niets is zichzelf. Veel jichtig huisraad. Vocht,
zwart vocht dat uit een koelkast welt. Voorgoed
kapot, versjacherd, mensenhanden moe
tijgt me een stad van afval tegemoet.

En ik kijk en ik kijk. En als ik loop
verlies ik haar, ik voel een baard, mijn jas
verrafelt waar ik sta en alle wolken
jagen Greenwich achterna.

Dan gaat het snel: er drijft een dorpskerk door
het water, wier en vis bevolkt de Dam,
nat, grijs, week, dacht je randstad, zag je zee.

Om wat ik van de tijd, van Holland weet
schrijf ik voor wie dit onder water leest.

 

 

Nu ik

Hoeveel boeken moest ik lezen, hoeveel harten
moest ik breken om het licht te zien
dat vrolijk en pervers mijn ziel bevrijdt?

Ik zag met eigen ogen wat mijn handen deden
en hoe ik ook mijn spijt met inkt beklaag:
geen hond die twee keer om een klaaglied vraagt.

Ik hang vijf zomermaanden voor mijn raam.
Ik verf mijn haar en leef zoveel ik kan.
En komt de herfst eraan:¡no pasarán!

 

 

Bij de uitvaart van het boek

De schrijver met zijn ongeschoren woede,
de dichter van drie doodgeboren boeken:
daar staan ze met hun doos vol slome woorden.
Sterk spul of niet: de uitvaart van het boek,
we naderen de uitvaart van het boek.

Vannacht, ik was nog op, stond de literatuur
dronken aan mijn deur. Rot op, riep ik, rot op,
je hebt je kans gehad. Toen droop ze af
en keek ik weer wat grand old Google bracht.

We lezen om te leren hoe te leven.
En ik, mijn boeken moe, ging stil naar bed.
Wat ging er mis? Wat moet ik schrijven? Schrijf,

schrijf het, schrijf het op, smeer je wijsheid uit,
kom brallen op mijn stoep. Ik ga naar bed.

 


Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

Lees meer...

10-10-13

Menno Wigman, Ferdinand Bordewijk, Jonathan Littell, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen

 

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Menno Wigman op dit blog.

 

 

Kamer 421

 

Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht
op bomen heeft ze, in die bomen vogels                 
en geen daarvan die zijn verwekker kent.     
                               
Ik ben al meer dan veertig jaar haar zoon
en zoek haar op en weet niet wie ik groet.  
Ze heeft me voorgelezen, ingestopt.
Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot.

Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.
Ik lepel bevend eten in haar mond
en weet haast zeker dat ze me nog kent.

Het zullen merels zijn. Ze zingen door.
De aarde roept. Krijgt vloek na vloek gehoor.

 

 

 

 

Promesse de bonheur

 

Ik in haar bed en zij die net de douche uit stapt.
Zoals zij loopt, zoals zij naakt het huis door loopt,
zo zullen vanaf nu de dagen lopen.

Ze neuriet en ik zit verhevigd in haar bed.
Oneindig wakker is ze, warm en trots en zacht
en mooi, zo mooi, ik krijg het niet gezegd.

Het is een liefde die. Het is een wonder dat.
En alles wat ik van een lichaam heb verlangd
staat voor mijn ogen naakt te zijn,

naakt en van mij. De kamer hijgt nog, geil en stroef.
Haar mond, gemaakt voor lippen en genot, haar mond,
haar stoere, hoogverheven mond staat goed.

 

 

 

 

Levensloop

 

Voor bijna alles heb ik mij geschaamd.
Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift en mijn naam,

de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,
mijn vader die zich in een blazer hees,

het huis waar ik voor vriendschap heb bedankt.
Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,

zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,
nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf

zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,
correct, zijn ogen dapper op de weg.

Geen zin in dom geworstel met de dood.
Hoe alles wat ik nog te zeggen had

onder de wielen van de tijd wegstoof.

 

 

 

 

Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

Lees meer...

07-08-13

Dolce far niente (Narcisten!, Menno Wigman)

 

Dolce far niente

 

 

 

 

Gerrit Adriaensz. Berckheyde, De bocht van de Herengracht (1671-1672)

 

 

 

Narcisten!

Bij de viering van het 400-jarig bestaan van de Amsterdamse grachten

 

Net als Venetië trekt Amsterdam dag
en nacht narcisten aan. Het zijn de spiegels,

 

de diepe, zieke spiegels van de grachten,
het is het water dat je gevel rekt,

 

het water dat bekwaam de luchten vangt
en elke blik of kus op film vastlegt.

 

Narcisten! Laat in mei! Hun fraaie tred,
hun weergaloze kop: het komt op film.

 

Het is een drukke stad die aandacht wil
en krijgt. En jij staat bij het IJ en ziet

 

hoe beeld na beeld in de montagekamer
van het water glijdt en daar verdwijnt.

 

Een bijrol zijn we, ijdel, lang van stof,
en in een bijzin zullen we verdrinken.

 

Maar voor we uit het script worden geknipt
spiegelen we ons piekfijn aan het licht.

 

 

 

 

Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

 

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e augustus ook mijn blog van 7 augustus 2012 en ook  mijn blog van 7 juli 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

22:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolce far niente, menno wigman, romenu |  Facebook |

10-10-12

Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen

 

De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ferdinand Bordewijk op dit blog.

 

Uit: Karaker

 

„Hij keerde zich om naar de tafel met de resten van het middagmaal. Hij stond even stil, nadenkend, een breedgeschouderd man, zwaar zonder buikigheid, een keiharde kop op een korten breeden hals, op den kop een zwarte flambard. Dat draait wel weer bij, dacht hij, desondanks twijfelend. Dan ging hij laconiek zelf het vaatwerk wasschen in de keuken.

Het meisje Joba Katadreuffe liet niets meer van zich hooren. Daar zij van haar toestand niet den minsten hinder had bleef zij aan den arbeid. Zij verhuurde zich als werkster, toen haar zwangerschap niet meer was te verbergen zei ze eenvoudig dat ze door haar man was verlaten. In dezen tijd had zij het in het geheel niet slecht, altijd volop eten en behoorlijk logies. Tot het laatst toe was zij voldoende van werkhuizen voorzien. Ze hoefde niet naar de arbeidsbeurs te gaan, waar men onderzocht zou hebben, haar ongehuwden staat hebben ontdekt. Zij kon heel flink werken, ze had een gestel van ijzer, ze werd door den een aan den ander aanbevolen. De laatste maanden werkte ze alleen bij menschen zonder kinderen thuis, ze voorkwam zelf de pijnlijkheid van een situatie in gezinnen met kinderen, van de kinderlooze werkhuizen alleen kon ze blijven bestaan.

Ze had tijdig tevoren een plaats in de kraamzaal besproken, ze was wel heel jong maar geenszins onwetend, een natuurlijke voorzienigheid was haar eigen. Ook had zij het goede moment gekozen toen ze zich te bed legde, en ze kon nog eenigen tijd uitrusten. Een verstandig meisje, zonder verwanten en vrienden, een meisje dat niets had behoeven te leeren, dat alles wist. Deze Joba.

Ze voelde zich tot het laatst bizonder wel. Het frissche gezicht met de harde tanden en sprekende oogen nam de zusters die toch zooveel gewend waren geheel in. En dit ondanks haar ernst, haar zwijgen, de stroefheid van haar taal. Men had gevraagd hoe het kind zou heeten. Jacob Willem. Als het een meisje was dan enkel Jacoba.

Men wees haar er op dat de vader verplicht was tot levensonderhoud. Ze antwoordde prompt en pathetisch:

– Het kind zal nooit een vader hebben.

– Ja, maar we bedoelen geen vaderrèchten, we bedoelen alleen maar dat de vader moet opbrengen voor je kind.

– Nee.

– Hoe nee?

– Ik wil niet.

Men wees haar er op dat zij na haar ontslag zich om steun kon wenden tot Moederzorg, tot Kinderzorg.”

 

 

Ferdinand Bordewijk (10 oktober 1884 – 28 april 1965)

Lees meer...

10-10-11

Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Eugen Egner, Mercè Rodoreda

 

De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ferdinand Bordewijk op dit blog.

 

Uit: Knorrende beesten

 

„De ondergaande zon der hondsdagen zette de kust in een machtig rood. Het rijkelijk bluschwater der zee doofde dit trotsch tafereel. De nachthitte hing op het land, en de dikke zilte geur van de zee, het parfum van een zware vrouw die ruischt in ondergoed van zij.

Hoog kalkig scheen de parade in lange lijn, van Rigel tot Regulus, en verder tot de haven en de blinde dolkstooten van den vuurtoren. Daarlangs de kleine duistere bars, broeisch geflonker van kleur en geteem van muziek. Hooger de golvende promenade, en hooger weer de terrassen met de hotels, Rigel, Beteigeuze, Mizar, Regulus, en daarin gevat het kleine uiterst selecte blok van Alcor.

Het verkeer op de parade wemelde, zijn toon was beschaafd. Het groot gerucht kwam van de pier.

De pier stak een arm en een vuist ver in zee. Ook daar wemelde het, in een eenvoudiger feestelijkheid. De pier had zich overwelfd met een berceau van roze gloeilicht.

Het groote eindcafé trok zijn burgerlijk silhouet in roze lichtlijnen na en herschiep zich tot een onbeholpen fantasmagorie. Het water weerkaatste het roze in gerekte deining. Een maritieme kanonnade gaf het slagwerk van de militaire kapel. Er werd geroepen, gezongen, gedraafd.

In de keten der kleine bars van de parade was de parkeerplaats een breuk. Aan den ingang was de garage en de service, dit woord in bijtend zilverlicht vóór den muur, dan de effen matheid van het plein van betontegels, afgesloten door een rechten steenwal, waarboven de promenade door een peristyle. Aan de verre andere zijde de kleine steenen cylinder van den parkwachter. Het park lag in het halfduister, zonder eigen verlichting, zijdelings beschenen door het booglicht van de parade.

Het park was vol van kleine, stille dieren. Hun eigenaars zochten vreugde op de pier. De tijd kwam nu van de weeldedieren. Zij liepen langzaam over de parade, met gedempte knorren van gevoede beesten, met het rhythmisch namalen van juist passende tanden in een dichten snuit.“

 

 

 

Ferdinand Bordewijk (10 oktober 1884 – 28 april 1965)

 

Lees meer...

10-10-10

Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Eugen Egner, Mercè Rodoreda, Harold Pinter, Claude Simon, Boeli van Leeuwen, Ivan Boenin, Frederick Barthelme, R. K. Narayan, James Clavell, Rie Cramer, Louise Mack, Aleksis Kivi, Robidé van der Aa, Ker

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 10e oktober mijn blog bij seniorennet.be

  

Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Eugen Egner, Mercè Rodoreda

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 10e oktober ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Harold Pinter, Claude Simon, Boeli van Leeuwen, Ivan Boenin, Frederick Barthelme

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 10e oktober ook bij seniorennet.be mijn eerste blog van vandaag  

 

R. K. Narayan, James Clavell, Rie Cramer, Louise Mack, Aleksis Kivi, Robidé van der Aa, Kermit Roosevelt sr.

10-10-09

125 Jaar Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Eugen Egner, Mercè Rodoreda, Harold Pinter, Claude Simon, Boeli van Leeuwen


De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Dat is vandaag dus precies 125 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006 en mijn blog van 10 oktober 2007 en ook mijn blog van 10 oktober 2008.

 

Uit: Karaker

 

„In het zwartst van den tijd, omtrent Kerstmis, werd op de Rotterdamsche kraamzaal het kind Jacob Willem Katadreuffe met de sectio caesarea ter wereld geholpen. Zijn moeder was de achttienjarige dienstbode Jacoba Katadreuffe, zij werd bij verkorting Joba genoemd. Zijn vader was de deurwaarder A. R. Dreverhaven, een man van achter in de dertig, toen reeds bekend als het zwaard zonder genade voor iederen schuldenaar die hem in handen viel.

Het meisje Joba Katadreuffe had bij den ongehuwden Dreverhaven een korten tijd gediend, toen was hij bezweken voor haar onschuldig schoon, en zij voor zijn kracht. Hij was niet een man om te bezwijken, hij was zoo een kerel van graniet, met een hart slechts in letterlijken zin. Hij bezweek alleen dien eenen keer, hij capituleerde meer met betrekking tot zichzelf dan tot haar. Misschien toch, indien zij niet zulke bizondere oogen had gehad, zou er niets zijn voorgevallen. Maar het was geschied na dagen van verkropte woede over een grootsch plan dat hij had uitgedacht, opgezet, en voor zijn oogen zien vergaan omdat de geldschieter zich op het laatst terugtrok. Op het allerlaatst, óver het allerlaatst heen, toen terugtrekken niet meer had gemoogd, omdat de geldschieter bij woord gebonden was. Er was geen snipper bewijs, geen enkele getuige, en Dreverhaven als man der wet wist dat hij tegen den woordbreukige niets kon beginnen. Met diens brief in den zak – een brief zeer voorzichtig gesteld maar tevens pertinent afwijzend – kwam Dreverhaven laat thuis. Hij had het voelen aankomen, de laatste dagen heette de schoelje steeds afwezig als hij opbelde. Hij wist dat dit gelogen was, hij voelde het. Dan werd in den avond de brief bezorgd, het eerste en eenige geschrift, en hij had er geen vat op. Uitmuntend geredigeerd, daarachter moest wel een advocaat steken.

Dreverhaven kwam thuis, inwendig ziedend, en in een woede die hij verborg maakte hij zich meester van het meisje Joba Katadreuffe. Het meisje was niet van een aard om te bezwijken, zij had een sterken wil, maar zij was een meisje. Wat haar gebeurde was op de grens van een overweldiging, het was het niet geheel, en zij beschouwde het ook niet zoo.

Zij bleef bij haar patroon, alleen sprak zij tegen hem geen woord meer. Hij had een zwijgzamen aard, het hinderde hem niet in het minst. Dat draait wel weer bij, dacht hij, als het gevolgen heeft trouw ik haar. En hij zweeg van zijn kant.

Na een paar weken verbrak zij de stilte:

– Ik ben in positie.

– Zoo, zei hij.

– Straks ga ik weg.

– Zoo.

Hij dacht: dat draait wel weer bij. Binnen het uur hoorde hij de voordeur sluiten, niet nadrukkelijk, heel gewoon. Hij liep naar het venster. Daar ging het jonge ding, met een puilenden rieten koffer. Het was een stevig meisje, ze liep niet naar den koffer overgebogen. Hij zag haar gaan in het beginnend grauwen van den avond, het was in het laatst van April.“

 

 

 

 

Bordewijk_Blaman
Ferdinand Bordewijk
(10 oktober 1884 –  28 april 1965)

Bordewijk met de schrijfster Anna Blaman in 1957

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966.  Zie ook mijn blog van 10 oktober 2008.

 

 

Tweeduizendzoveel

 

Tweeduizendzoveel. Nacht. Krant. Lamp.
Zolang je letters leest werkt je verstand.

Mijn tv - die niet weet dat ik besta -
bewoont een kamer waar ik alles zie.

Zag laatst een leeszaal waar een meisje sliep
en droomde later van bibliotheken

waar ieder boek een boekwerk zat te lezen,
Proust om Lenin, Hitler om Warhol geeuwde.

Tweeduizendzoveel. Pixels, steeds meer pixels.
De nieuwsdienst pokert met je hoofd.

Geloof niet in vrede, geloof in roem,
de drift waarmee we alles overdoen.

En duizend dikke Elvissen maar stralen.
En juichend vaart een oorlogsbodem uit.

Te zeggen dat we niks geleerd... (volgt een citaat
verluchtigd met een woord als god, ras, haat).

 

 

 

 

 

Kaufhaus des Westens

 

Kaufhaus des Westen. Kopen op recept.
Lento, lento langs vitrines schuiven
en betoverd bij een vulpen blijven staan.
Lipstick. Horloges. Lingerie. Kasjmier.
Als ergens ooit genezen wordt, dan hier.

Hier is het warm en druk, hier kun je dromen,
hier kun je kosteloos bij balustrades komen
waar Europa zich ontvouwt: een massagraf
dat blaakt van hoop en voor het donker
rouge, speelgoed en horloges koopt.

 

 

 

 

 

MennoWigman
Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Jonathan Littell werd geboren in New Yorkop 10 oktober 1967. Zijn debuut was de sciencefictionroman Bad Voltage (1989). Zijn tweede roman, Les bienveillantes, of "De welwillenden", werd bekroond met de Prix Goncourt van 2006. Eerder won hij de "Grand Prix du Roman" voor dit werk. Littells familie is van Russisch-Joodse afkomst en is aan het einde van de 19de eeuw geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Littell studeerde in Yale, maar bracht zijn kindertijd grotendeels door in Frankrijk. In 2001 startte hij met het schrijven van zijn tweede roman, "Les bienveillantes", die een lijvig fresco is van de Tweede Wereldoorlog en het Oostfront, gezien vanuit de ogen van een gecultiveerde SS-officier, Maximilien Aue. Vanwege zijn Joodse afkomst is Littell veel geconfronteerd geworden met het thema - al is zijn directe familie gespaard gebleven bij de Holocaust. De Tweede Wereldoorlog is het centrale thema van 'Les bienveillantes'. Om zich voor te bereiden voor deze roman las hij meer dan tweehonderd werken over Nazi-Duitsland, bezocht hij Holocaustarchieven en reisde naar Polen, Oekraïne en Rusland. Zie ook mijn blog van 7 november 2006.

 

Uit: The Kindly Ones (Vertaald door Charlotte Mandell)

 

„Oh my human brothers, let me tell you how it happened. I am not your brother, you'll retort, and I don't want to know. And it certainly is true that this is a bleak story, but an edifying one too, a real morality play, I assure you. You might find it a bit long—a lot of things happened, after all—but perhaps you're not in too much of a hurry; with a little luck you'll have some time to spare. And also, this concerns you: you'll see that this concerns you. Don't think I am trying to convince you of anything; after all, your opinions are your own business. If after all these years I've made up my mind to write, it's to set the record straight for myself, not for you. For a long time we crawl on this earth like caterpillars, waiting for the splendid, diaphanous butterfly we bear within ourselves. And then time passes and the nymph stage never comes, we remain larvae—what do we do with such an appalling realization? Suicide, of course, is always an option. But to tell the truth suicide doesn't tempt me much. Of course I have thought about it over the years; and if I were to resort to it, here's how I'd go about it: I'd hold a grenade right up against my heart and go out in a bright burst of joy. A little round grenade whose pin I'd delicately pluck out before I released the catch, smiling at the little metallic noise of the spring, the last sound I'd hear, aside from the heartbeat in my ears. And then at last, happiness, or in any case peace, as the shreds of my flesh slowly dripped off the walls. Let the cleaning women scrub them off, that's what they're paid for, the poor girls. But as I said, suicidedoesn't tempt me. I don't know why, either—an old philosophical streak, perhaps, which keeps me thinking that after all we're not here to have fun. To do what, then? I have no idea, to endure, probably, to kill time before it finally kills you. And in that case, writing is as good an occupation as anything else, when you have time to spare. Not that I have all that much spare time; I am a busy man, I have what is called a family, a job, hence responsibilities; all that takes time, and it doesn't leave much to recount one's memories. Particularly since memories are what I have quite a lot of. I am a veritable memory factory. I will have spent my whole life manufacturing memories, even though these days I'm being paid to manufacture lace. In fact, I could just as easily not write. It's not as if it's an obligation. After the war I remained a discreet man; thank God I have never been driven, unlike some of my former colleagues, to write my memoirs for the purpose of self-justification, since I have nothing to justify, or to earn a living, since I have a decent enough income as it is.“

 

 

 

 

jonathan-littell
Jonathan Littell (New York, 10 oktober 1967)

 

 

 

 

De Duitse schrijver, tekenaar en musicus Eugen Egner werd geboren op 10 oktober 1951 in Ingelfingen. Hij werkte aanvankelijk als graficus, was rockmuzikant in de band "Armutszeugnis" en vertaler van o.a. Monty Python. Verder leverde hij tekeningen en geluisbijdragen voor de Westdeutschen Rundfunk. Vanaf 1988 verschenen zijn tekeningen en teksten in o.a. , taz, Der Rabe, Kowalski, Eulenspiegel, Italien, Die Zeit, Junge Welt, Rolling Stone en Zitty. Egners teksten zijn voornamelijk surrealistisch en grotest van aard.

 

Uit: Schmutz

 

„In letzter Zeit wurde immer häufi ger vom Auftauchen rätselhaft er Gegenstände berichtet, für deren Existenz niemand eine Erklärung hatte und die als Auslöser von Gemütsbrand bezeichnet wurden. Erst gestern hatte Martin wieder davon gelesen, und jetzt, während der Autofahrt zu Nora, hörte er in den Nachrichten, ein solcher Gegenstand sei in einem geschlachteten Schwein gefunden worden. Martin nahm die Meldung nur beiläufig zur Kenntnis, denn er war in Gedanken ganz woanders. Für ihn gab es auf dieser Welt nichts als Nora, seit er sie vor einigen Tagen bei Freunden getroff en hatte.

Er hatte sich ihre E-Mail-Adresse besorgt und ihr sein heftiges Entflammtsein mitgeteilt. Und sie hatte ihn daraufh in tatsächlich für heute nachmittag eingeladen.

Nora wohnte eine halbe Autostunde entfernt in einer rußigen Stadt, über der der Himmel von Schwerindustrie-Emissionen verdunkelt war. Aufgeregt, wie er war, verfuhr Martin sich kurz vor dem Ziel und kurvte einige bange Minuten lang fluchend herum, bis er schließlich direkt vor dem alten Mehrfamilienhaus, in dem Nora ihre Wohnung hatte, einen Parkplatz fand. Gerade noch rechtzeitig! Wenige Augenblikke später stand er ihr dann gegenüber, und die restliche Welt verblaßte sang- und klanglos, als sie ihn hereinbat.

Martin spürte augenblicklich, daß er Nora sympathisch war. Sein größter Wunsch war Wirklichkeit geworden! Er konnte sein Glück kaum fassen. Es kam ihm vor wie ein Wunder. Obwohl sie einander vorher erst einmal gesehen hatten, entstand sogleich eine derart vertraute Atmosphäre, daß man meinen konnte, sie wären bereits seit Jahren ein Paar. Bei Tee und Kuchen küßten sie einander. Am Abend, als ihr Leben nicht mehr dasselbe war wie noch vor wenigen Stunden, suchten Martin und Nora ein chinesisches Lokal in der Nähe auf.“

 

 

 

 

EugenEgner
Eugen Egner (Ingelfingen, 10 oktober 1951)

 

 

 

 

 

De Catalaanse schrijfster Mercè Rodoreda werd geboren op 10 oktober 1908 in Barcelona. Zij groeide uit tot een van de meest internationale catalaanse schrijvers, want haar werk is in bijna dertig talen vertaald, waaronder het Nederlands. Ze schreef voornamelijk romans en korte verhalen, maar hield zich ook bezig met journalistiek, poëzie en toneel. Zij heeft in Nederland vooral succes gehad met de roman Colometa uit 1962. Dit verhaal van een vrouw die staande blijft in de Burgeroorlog en de maatschappelijke ontreddering,

 

Uit: The Time of the Doves (Vertaald door David H. Rosenthal)

 

Julieta came by the pastry shop just to tell me that, before they raffled off the basket of fruit and candy, they’d raffle some coffeepots. She’s already seen them: lovely white ones with oranges painted on them. The oranges were cut in half so you could see the seeds. I didn’t feel like dancing or even going out because I’d spent the day selling pastries and my fingertips hurt from tying so many gold ribbons and making so many bows and handles. And because I knew Julieta. She felt fine after three hours’ sleep and didn’t care if she slept at all. But she made me come even though I didn’t want to, because that’s how I was. It was hard for me to say no if someone asked me to do something. I was dressed all in white, my dress and petticoats starched, my shoes like two drops of milk, my earrings white enamel, three hoop bracelets that matched the earrings, and a white purse Julieta said was made of vinyl with a snap shaped like a gold shellfish.

When we got to the square, the musicians were already playing. The roof was covered with colored flowers and paper chains: a chain of paper, a chain of flowers. There were flowers with lights inside them and the whole roof was like an umbrella turned inside out, because the ends of the chains were tied much higher up in the middle where they all came together. My petticoat had a rubber waistband I’d had a lot of trouble putting on with a crochet hook that could barely squeeze through. It was fastened with a little button and a loop of string and it dug into my skin. I probably already had a red mark around my waist, but as soon as I started breathing harder I began to feel like I was being

martyred. There were asparagus plants around the bandstand to keep the crowd away, and the plants were decorated with flowers tied together with tiny wires. And the musicians with their jackets off, sweating. My mother had been dead for years and couldn’t give me advice and my father had remarried. My father remarried and me without my mother whose only joy in life had been to fuss over me. And my father remarried and me a young woman all alone in the Plaça del Diamant waiting for the coffeepot raffle and Julieta shouting to be heard above the music. “Stop! You’ll get your clothes all wrinkled!” and before my eyes the flower-covered lights and the chains pasted on them and everybody

happy and while I was gazing a voice said right by my ear, “Would you like to dance?”

 

 

 

 

Rodoreda1
Mercè Rodoreda (10 oktober 1908 – 13 april 1983)

 

 

 

 

 

De Britse schrijver Harold Pinter werd geboren op 10 oktober 1930 in Londen. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006  en ook mijn blog van 10 oktober 2008 en ook mijn blog van 28 december 2008.

 

Uit: The Homecoming

       Act Two.

 

LENNY (to Ruth). What about one dance before you go?

TEDDY: We're going.

LENNY: Just one.

TEDDY: No. We're going.

LENNY: Just one dance, with her brother-in-law, before she goes.

LENNY bends to her.

Madam?

RUTH stands. They dance, slowly. TEDDY stands, with RUTH's coat. MAX and JOEY come in the front door and into the room. They stand. LENNY kisses RUTH. They stand, kissing.

JOEY. Christ, she's wide open. Dad, look at that.

Pause.

She's a tart.

Pause.

Old Lenny's got a tart in here.

JOEY goes to them. He takes RUTH'S arm. He smiles at LENNY. He sits with RUTH on the sofa, embraces and kisses her.

He looks up at LENNY.

Just up my street.

He leans her back until she lies beneath him. He kisses her. He looks up at TEDDY and MAX.

It's better than a rubdown, this.

LENNY sits on the arm of the sofa. He caresses RUTH's hair as JOEY embraces her. MAX comes forward, looks at the cases.

MAX. You going, Teddy? Already?

Pause.

Well, when you coming over again, eh? Look, next time you come over, don't forget to let us know beforehand whether you're married or not. I'll always be glad to meet the wife. Honest. I'm telling you.“

 

 

 

 

Pinter
Harold Pinter (10 oktober 1930 – 24 december 2008)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Claude Simon werd geboren op 10 oktober 1913 te Tananarive (Madagaskar) als zoon van een Franse legerofficier. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2008.

 

Uit: La Route des Flandres

 

„sans doute aurait-il préféré ne pas avoir à le faire lui-même espérait-il que l’un d’eux s’en chargeait pour lui, lui éviterait ce mauvais moment à passer mais peut-être doutait-il encore qu’elle (c’est-à-dire la Raison c’est-à-dire la Vertu c’est-à-dire sa petite pigeonne) lui fût infidèle peut-être fut-ce seulement en arrivant qu’il trouva quelque chose comme une preuve comme par exemple ce palefrenier caché dans le placard, quelque chose qui le décida, lui démontrant de façon irréfutable ce qu’il se refusait à croire ou peut-être ce que son honneur lui interdisait de voir, cela même qui s’étalait devant ses yeux puisque Iglésia lui-même disait qu’il avait toujours fait semblant de ne s’apercevoir de rien racontant la fois où il avait failli les surprendre où frémissante de peur de désir inassouvi elle avait à peine eu le temps de se rajuster dans l’écurie et lui ne lui jetant même pas un coup d’œil allant tout droit vers cette pouliche se baissant pour tâter les jarrets disant seulement Est-ce que tu crois que ce révulsif suffira il me semble que le tendon est encore bien enflé Je pense qu’il faudrait quand même lui faire quelques pointes de feu, et feignant toujours de ne rien voir pensif et futile sur ce cheval tandis qu’il s’avançait à la rencontre de sa mort dont le doigt était déjà posé dirigé sur lui sans doute tandis que je suivais son buste osseux et raide cambré sur sa selle tache d’abord pas plus grosse qu’une mouche pour le tireur à l’affût mince silhouette verticale au-dessus du guidon de l’arme pointée grandissant au fur et à mesure qu’il se rapprochait l’œil immobile et attentif de son assassin patient l’index sur la détente voyant pour ainsi dire l’envers de ce que je pouvais voir ou moi l’envers et lui l’endroit c’est-à-dire qu’à nous deux moi le suivant et l’autre le regardant s’avancer nous possédions la totalité de l’énigme (l’assassin sachant ce qui allait lui arriver et moi sachant ce qui lui était arrivé, c’est-à-dire après et avant, c’est-à-dire comme les deux moitiés d’une orange partagée et qui se raccordent parfaitement) au centre de laquelle il se tenait ignorant ou voulant ignorer ce qui s’était passé comme ce qui allait se passer dans cette espèce de néant (comme on dit qu’au centre d’un typhon il existe une zone parfaitement calme) de la connaissance, de point zéro :...“

 

 

 

Simon
Claude Simon (10 oktober 1913 – 6 juli 2005)

 

 

 

 

 

De Antilliaanse schrijver Willem Christiaan Jacobus (Boeli) van Leeuwen werd geboren op 10 oktober 1922 op Curaçao. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006 en ook mijn blog van 10 oktober 2008.

 

Uit: De eerste Adam

 

Hij was gestold tot wie hij was, zoals destijds toen hij was gezien door de dochter van Jamel: een mens los van alle mensen, die niet in een ander verloren kon gaan, die niet in een ander op kon lossen als suiker in water, die niet één vlees kon worden met een ander omdat zijn geest niet meer in het vlees was. Hij werd toen die hij was, onvervreemdbaar gevangen in zijn eigen huid, in de kringloop van zijn eigen bloed, in de hartslag van zijn eigen hart. En naast hem op het strand lag een medemens, eveneens een gesloten systeem van zenuwen en aderen en bloedsomloop in wiens lichaam hij was geweest: een medemens, niet meer een vrouw.“

 

Uit: Een vreemdeling op aarde

 

En zelf heeft hij als kind en jonge man, minder vaak naarmate hij ouder werd, deze geheimzinnige ogenblikken gekend, momenten van honingpuur en bloemenrein geluk, die de tranen in zijn ogen deden opwellen: op het achterbalkon van een tram, wanneer hij in de verte grachtenhuizen over een brug zag hangen; in de concertzaal, wanneer de violen onder de handen van de dirigent ineens een melodie tot zingende bloei brachten; in bed met een vrouw, wanneer hij plotseling in de lichaamswarmte van een medemens het geluk terugvond van het Paradijs.“

 

 

 

 

VanLeeuwen
Boeli van Leeuwen (10 oktober 1922 – 28 november 2007)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

 

10-10-08

Menno Wigman, Ferdinand Bordewijk, Harold Pinter, Claude Simon, Boeli van Leeuwen, James Clavell


De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966. Hij groeide op in Santpoort. Hij debuteerde vrij jong: in 1985 verscheen Two poems, een door zijn leraar Oude talen, Willem Kramer, in kleine oplage gedrukt boekje, met een linosnede van Lex ter Braak. Bij dezelfde marge-drukker, Mercator Press, verschenen nog een zestal uitgaven. In 1984 verhuisde Wigman naar Amsterdam om Nederlands te studeren. In deze jaren publiceerde hij ook een dichtbundel in eigen beheer en gaf hij een literair eenmanstijdschrift uit. Zijn scriptie ging over de jonggestorven dichter Nico Slothouwer. Zijn officiële debuut verscheen in 1997 onder de titel 's Zomers stinken alle steden. De bundel werd goed ontvangen en spoedig herdrukt. Omdat hij naar eigen zeggen slechts éen of twee goede gedichten per jaar schrijft, verscheen vijf jaar later Zwart als kaviaar, waarvoor hij de Jan Campertprijs kreeg. De eveneens herdrukte bundel Dit is mijn dag verscheen in 2004. In 2005 verbleef hij drie maanden als poet in residence in de psychiatrische instelling Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder, waar hij een dagboek bijhield dat in 2006 verscheen. De neerslag van dat verblijf is eveneens te vinden in de Gedichtendagbundel De wereld bij avond.

Menno Wigman was redacteur van Zoetermeer en Mosselvocht, en is tegenwoordig verbonden aan het digitale tijdschrift Boekwinkeltjes.nl en de literaire tijdschriften Awater en Kinbote. Hij vertaalde gedichten van Baudelaire, Thomas Bernard, Else Lasker-Schüler en Rilke, en proza van Leopold Andrian en Gérard de Nerval. Zie ook mijn blog van 2 augustus 2006.

 

 

Dit is mijn dag

Vanochtend werd ik wakker in een droom
van iemand die een huid van vlees bewoont.

Ik kon niet vluchten, ik was geen Tsjwang Tse
die had gedroomd dat hij een vlinder was

en zich bij ochtendlicht afvroeg of hij,
Tsjwang Tse, gedroomd had een vlinder te zijn

of dat de vlinder droomde als Tsjwang Tse
te ontwaken, nee, ik was een mens,

een taai skelet met tweeëndertig tanden,
twee handen en een tragisch intellect

dat met een angst voor klokken was behept.
Maar langzaam, bijna heilig, stond ik op,

gaf mijn gezicht een hand en ritste mijn
gedachten dicht. Dit is mijn dag, wist ik.

Hier lonkt een spiegel naar verwonderd licht.
Daar breekt een vlinder uit. En dat ben ik.

 

 

 

 

 

Misverstand

 

Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed
waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
die je met een handvol hopeloze idioten deelt,

 

een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt
en 's nachts - een heelkunst is het niet.
De kamer blijft een kamer, het bed een bed.
Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

 

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

 

 

 

 

 

 

wigman
Menno Wigman (
Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006 en mijn blog van 10 oktober 2007.

 

Uit: Opnieuw surrealisme  ‘Conserve’, boek voor weinigen

 

Conserve is voor mij in de eerste plaats een sprekend geval van de puberteitsmoeilijkheden van de kunstenaar. Deze treden later, soms veel later in dan die in algemeen biologische betekenis. Ik meen, dat de kritieke periode zich in casu reeds vroeg heeft geopenbaard, wat medebrengt, dat Hermans, indien hij zijn talent weet te behouden, spoedig tot de belangrijke schrijvers kan behoren, en, wat nog meer zegt, tot hen die oorspronkelijkheid zullen vertonen. Enige prozaïsten hier te lande hebben de laatste tijd goed werk geleverd dat op de jaarbeurs van het Europees scheppend kunstenaarsvermogen een behoorlijk figuur maakt (neem b.v. Klants Jan Klaassen of van Eckerens Paarden van Holst). Doch het zgn. Europees peil is ook nog maar een gemiddelde, en ik houd op zijn tijd van het boek, dat er uit springt, liefst naar voren, desnoods naar achteren. En vooral verheugt het mij indien een jong kunstenaar deze sprong onderneemt. Dat het ros van Hermans niet onberispelijk op zijn vier poten neerkwam, ligt aan de puberteit van de ruiter, die zich anderzijds voor zandruiterschap wist te hoeden.

Zo is dit met alle fouten een merkwaardig boek geworden, waaraan men om der wille van sommige passages veel lelijke stoornis vergeeft. Want dit staat vast: dat het tot stand kwam uit de drang een getourmenteerd innerlijk bloot te geven, dat hier geen sprake is van een poging de burger te verbluffen. Het denkleven van Hermans verkeerde toen dit werk onder zijn handen ontstond inderdaad in de regionen van het surrealisme.

Wat zal ik pogen het verhaal, waarvan de flap een kort overzicht geeft dat gebrekkig is, dat gebrekkig zijn moest - in enkele zinnen na te vertellen? De fabel toch is niet het wezenlijke in het surrealisme, omdat de schrijver daarmee allerlei kanten uit kan, mits hij maar niet het pad van de logische ontwikkeling volgt. Ook is het verhaal als zodanig niet bijster boeiend. Bewijs van jeugd en onbeholpenheid levert met name de omstandigheid, dat drie van de vier hoofdpersonen krankzinnig zijn, dat alleen deze met een betrekkelijke duidelijkheid werden getekend en dat nummer vier, relatief normaal, ook het meest vaag bleef. Hierin heeft de schrijver zich met het zorgeloos Jantje van Leiden der jeugd afgemaakt van de moeilijkheden. Het goede surrealisme occupeert zich minder met debielen en senielen dan met ‘vreemden’. Reeds deswege slaagde Dokter Klondyke beter. En toch heeft Hermans hier en daar aan zijn personages dat typisch mechanische, dat slaapwandelende meegegeven waarin het surrealisme uitblinkt. Dan zegt het boek ons veel, en vergeten wij de passages met verward geredekavel of onlogisch, maar daarnaast ook weinig aanvaardbaar gebleven handelen.

 

 

 

 

bordewijk
Ferdinand Bordewijk
(10 oktober 1884 –  28 april 1965)

 

 

 

 

De Britse schrijver Harold Pinter werd geboren op 10 oktober 1930 in Londen. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006. 

 

Uit:THE BIRTHDAY PARTY
Act One.

 

The living-room of a house in a seaside town. A door leading to the hall down left. Back door and small window up left. Kitchen hatch, centre back. Kitchen door up right. Table and chairs, centre.

PETEY enters from the door on the left with a paper and sits at the table. He begins to read. MEG's voice comes through the kitchen hatch.

MEG. Is that you, Petey?

Pause.

Petey, is that you?

Pause.

Petey?
PETEY. What?
MEG. Is that you?
PETEY. Yes, it's me.
MEG. What?
(Her face appears at the hatch.) Are you back?
PETEY. Yes.
MEG. I've got your cornflakes ready.
(She disappears and reappears.) Here's your cornflakes.

He rises and takes the plate from her, sits at the table, props up the paper and begins to eat. MEG enters by the kitchen door.
Are they nice?
PETEY. Very nice.
MEG. I thought they'd be nice.
(She sits at the table.) You got your paper?
PETEY. Yes.
MEG. Is it good?
PETEY. Not bad.
MEG. What does it say?
PETEY. Nothing much.
MEG. You read me out some nice bits yesterday.
PETEY. Yes, well, I haven't finished this one yet.
MEG. Will you tell me when you come to something food?
PETEY. Yes.

Pause.

MEG: Have you been working hard this morning?
PETEY. No. Just stacked a few of the old chairs. Cleaned up a bit.
MEG. Is it nice out?
PETEY. Very nice.

Pause.

MEG. Is Stanley up yet?
PETEY. I don't know. Is he?
MEG. I don't know. I haven seen him down yet.
PETEY. Well then, he can't be up.
MEG. Haven't you seen him down?
PETEY. I've only just come in.
MEG. He must be still asleep.

She looks around the room, stands, goes to the sideboard and takes a pair of socks from a drawer, collects wool and a needle and goes back to the table.

What time did you go out this morning, Petey?
PETEY: Same time as usual.

 

 

 

 

Pinter_Harold
Harold Pinter (Londen, 10 oktober 1930)

 

 

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Claude Simon werd geboren op 10 oktober 1913 te Tananarive (Madagaskar) als zoon van een Franse legerofficier.

 

Uit: Tramway

 

« De même, on reste pour le moins étonné par le dramatique tableau que fait le même narrateur, au début de « Sodome et Gomorrhe », de certaines pratiques dont il présente longuement les adeptes maudits avant d'avertir le lecteur que ces « maudits » se comptent par milliers dans toute société et que les barons, comtes ou ducs de ses connaissances vantaient les uns aux autres les charmes et la robustesse de leurs superbes valets de pied. Et, comme il en était de l'antisémitisme, je ne me souviens pas, au cours de mon enfance et dans le milieu des plus collet monté où j'ai été élevé, d'avoir entendu la moindre condamnation de ces pratiques dont le représentant le plus en vue appartenait lui-même à ce que l'on appelait (ou s'appelait elle-même) la « société » (quoique, dans son cas, un peu dédorée) de la ville, homme déjà d'un âge mûr se disant poète, et dont le récit des frasques complaisamment d'ailleurs colportées par lui-même nourrissait les potins, sa qualité de poète, justifiée par une feuille mensuelle qu'il composait avec l'aide de ses amis et de quelques dames poétesses, lauréates du « Genêt d'or » aux jeux floraux toulousains, particulièrement recherchée pour la principale rubrique qu'il ne laissait à personne d'autre le soin de rédiger et intitulée « La Place à Ragots » (Arago). Quant à ses exploits dont la « société » s'émerveillait, les deux principaux — du moins tant que j'habitais la ville — furent d'abord une bacchanale nocturne dans le parc du Grand Hôtel d'une station thermale des environs malencontreusement interrompue par l'arrivée de la police que le directeur de l'hôtel (ou le chef cuisinier), inquiet de l'absence d'un petit marmiton, avait alertée, la seconde, une flatteuse proposition, faite dans les Bains turcs de la même station thermale (qui semblait être son terrain de chasse favori) par un potentat oriental, de profiter d'une heureuse érection momentanée, mot (érection) que, mise au défi, l'une de mes grandes cousines connue pourtant pour son extrême pruderie et son extrême dévotion, répéta avec l'assurance quelque peu masculine (et aussi quelque peu agressive) qu'elle tenait d'un stage au dispensaire du diocèse où, dit-elle avec la même agressivité, il était bien naturel de soigner aussi les malheureux atteints de maladies vénériennes. Tout au plus, la ville (la « société » - et la mieux pensante) tenait-elle ce « poète » sorti de son sein (ce qui constituait déjà une garantie) non sans un déférent respect pour ses qualités d'homme d'esprit (que venait d'ailleurs confirmer celle d'inverti en vertu de cette croyance — ou plutôt axiome — que talent et pédérastie (ou l'inverse) sont obligatoirement complémentaires), comme un élément certes quelque peu bouffon mais propre à alimenter sa chronique intellectuelle et en un certain sens indispensable à toute société tant soit peu structurée. »

 

 

 

 

claude_simon_chez_lui
Claude Simon (10 oktober 1913 – 6 juli 2005)

 

 

 

 

 

 

De Antilliaanse schrijver Willem Christiaan Jacobus (Boeli) van Leeuwen werd geboren op 10 oktober 1922 op Curaçao.

 

 

Uit: God is er voor de aarde (Interview door Ronald Westerbeek, 2000)

 

Dostojevski laat Iwan in De gebroeders Karamazov zeggen: "Als God bestaat, dan is Hij de duivel".

 

"Ja. En wat doe je dan? Dan grijp je je vast aan de persoon van Jezus. En daar heb je een tweede moeilijkheid, met de resurrectie, de opstanding. Maar in momenten van werkelijke wanhoop, die ik meegemaakt heb in mijn leven, bid je toch rechtstreeks tot de Vader. Met wie je moeìte hebt. Met wie je problemen hebt. In wie je misschien niet eens gelooft. Het beste boek over godsdienst dat ik ooit gelezen heb, is van William James, de broer van Henry, de romanschrijver. Hij zegt, na een hele studie, het maakt niks uit wie, hoe en wat, zelfs óf Hij bestaat: "People just want to use Him". En dat is wezenlijk wat er aan de hand is. Kijk, ik zeg precies wat Wittgenstein zegt: je moet je aan de taal vasthouden. De grenzen van je taal, zijn de grenzen van je wereld. Je bent wat je zeggen kan, niet meer en niet minder. Waarover je niet kan praten, moet je zwijgen. Je moet niet lullen. Je kan eigenlijk niets zeggen over God. "Allerdings" zegt hij, "gibt es Unaussprechliches". Onuitspreekbare of onuitsprekelijke dingen. Deze dingen "tonen" zich. Maar je kan er geen verstandig woord over zeggen."

 

Het gevaar van zo'n dualiteit is dat je God ook onbespreekbaar maakt. Dat je Hem naar de marge duwt, buiten de realiteit van het leven.

 

"Wittgenstein laat er onmiddellijk op volgen dat de dingen waarover je niet kan praten, "bestaan" omdat ze zich "tonen". Als je in een kathedraal zit en je luistert naar Bach, dan heb je een soort religieus gevoel. En je weet zelf niet hoe het komt. Wat is er in je hoofd bezig? Dat weet je niet. En ik denk dat God het best via de zinnen "gepakt" kan worden, via de vijf zintuigen. Dus beleeft wordt als een soort "Tremendum mysterium". Iets waarover je niet praten kan, in die zin."

 

Zijn er dingen die je wel over God kunt zeggen?

 

"Weet je, ik heb nog nooit een grote man ontmoet die daar een probleem van maakt. Albert Einstein spreekt regelmatig over God. Stephen Hawking doet dat. Newton was helemaal zot van God. Werkelijk grote mannen accepteerden het als een gegeven. Het is ook niet mogelijk om, laat ik zeggen de "Missa Solemnis" te schrijven als je dat "was sich zeigt", de dingen die zich tonen, niet erkent. Waarom ik zelf mijn hele leven ben bezig geweest met dit probleem, weet ik ook niet. Ik ben in een gezin opgegroeid waar men niet naar de kerk ging, en ik was heel verbaasd dat toen ik begon te schrijven, mijn aandacht zich daarop richtte. Maar laten we wel zijn, vergeleken met het vraagstuk van God, is elk ander vraagstuk "bullshit".

 

 

 

leeuwen
Boeli van Leeuwen (10 oktober 1922 - 28 november 2007)

 

 

 

 

 

 

 

De Brits - Amerikaanse schrijver en regisseur James Clavell (pseudoniem van Charles Edmund DuMaresq de Clavelle) werd geboren op 10 oktober 1924 in Sydney. In 1954 begon hij met het schrijven van draaiboeken en het produceren van films. Een van zijn grootste successen is The Great Escape uit 1963 onder de regie van John Sturges. Na het succes van zijn debuutroman King Rat wijdde Clavell zich meer en meer aan het schrijven van epische romans die zowat allemaal bestsellers werden. In 1966 verscheen Tai-Pan, een roman over de stichtingstijd van Hongkong, met zijn talrijke karakters en losse verhaallijnen een model voor zijn volgende boeken. Zijn bekendste werk is wellicht het in 1975 verschenen en in 1980 verfilmde Shogun.

 

Uit: Shogun

 

„Blackthorne was suddenly awake. For a moment he thought he was dreaming because he was ashore and the room unbelievable. It was small and very clean and covered with soft mats. He was lying on a thick quilt and another was thrown over him. The ceiling was polished cedar and the walls were lathes of cedar, in squares, covered with an opaque paper that muted the light pleasantly. Beside him was a scarlet tray bearing small bowls. One contained cold cooked vegetables and he wolfed them, hardly noticing the piquant taste. Another contained a fish soup and he drained that. Another was filled with a thick porridge of wheat or barley and he finished it quickly, eating with his fingers. The water in an odd-shaped gourd was warm and tasted curious--slightly bitter but savory.

Then he noticed the crucifix in its niche.

This house is Spanish or Portuguese, he thought aghast. Is this the Japans? or Cathay?

A panel of the wall slid open. A middle-aged, heavy-set, round-faced woman was on her knees beside the door and she bowed and smiled. Her skin was golden and her eyes black and narrow and her long black hair was piled neatly on her head. She wore a gray silk robe and short white socks with a thick sole and a wide purple band around her waist.

"Goshujinsama, gokibun wa ikaga desu ka?" she said. She waited as he stared at her blankly, then said it again.

"Is this the Japans?" he asked. "Japans? Or Cathay?"

She stared at him uncomprehendingly and said something else he could not understand. Then he realized that he was naked. His clothes were nowhere in sight. With sign language he showed her that he wanted to get dressed. Then he pointed at the food bowls and she knew that he was still hungry.

She smiled and bowed and slid the door shut.

He lay back exhausted, the untoward, nauseating nonmotion of the floor making his head spin. With an effort he tried to collect himself. I remember getting the anchor out, he thought. With Vinck. I think it was Vinck. We were in a bay and the ship had nosed a shoal and stopped. We could hear waves breaking on the beach but everything was safe. There were lights ashore and then I was in my cabin and blackness. I don't remember anything. Then there were lights through the blackness and strange voices. I was talking English, then Portuguese. One of the natives talked a little Portuguese. Or was he Portuguese? No, I think he was a native. Did I ask him where we were? I don't remember. Then we were back in the reef again and the big wave came once more and I was carried out to sea and drowning--it was freezing--no, the sea was warm and like a silk bed a fathom thick. They must have carried me ashore and put me here.

 

 

 

 

james-clavell
James Clavell (10 oktober 1924 – 6 september 1994)

 

02-08-06

Menno Wigman en James Baldwin


Nu we de warmste juli maand ooit achter ons hebben plaats ik hier een zomergedicht waarin Menno Wigman terugkijkt op een andere juli maand, uit de bundel Zomers stinken alle steden:

 

 

Bijna Dertig

Nee, die juli bracht bepaald geen
revolutie in mijn bed. Hoe de zomer
zich ook gaf, het leek te laat om nog
een nieuwe hartstocht op te lopen.

Dus dook ik onder voor het zwermen
van de lust en heulde vrolijk
met de slaap. Bijna dertig dacht ik,
wordt mij toch iets helder. En ik zag
hoe alle parken overbloeiden,
hoe de hitte uit de hemel sloeg,

hoe de horde joeg op ander bloed
en zich vergrijpen wilde aan
een blonde levensgloed. En ik zag af.
Versliep de revolutie in mijn bed.
Vergat alvast te leven.

 

 

 

 

 
Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

De op 2 augustus 1924 in Harlem geboren James Arthur Baldwin was de stiefzoon van een priester en combineerde een levenslange interesse in het geloof met politiek en seksueel activisme. Zijn romandebuut uit 1953, Go Tell It on the Mountain (genoemd naar een beroemde 'negro spiritual'), was gebaseerd op zijn ervaringen als jeugdpriester in de Pinkstergemeente. Het was het verslag van twee dagen uit het leven van de veertienjarige John Grimes, die zoekt naar zijn identiteit in een door religieuze twist verscheurde familie. Zijn boek Giovanni's Room speelt zich af in Parijs, waar Baldwin zelf een tijd gewoond heeft.

 

 

 

Uit: Giovanni’s Room

“...

`You mean, I can't be at your mercy? But you can be at mine?' I laughed. `I'd like to see you at anyone’s mercy, Hella.'

`You may laugh,' she said, humorously, `but there s something in what I say. I began to realize it in Spain -- that I wasn't free, that I couldn't be free until was attached -- no, committed -- to someone.'

`To someone? Not something?'

She was silent. `I don't know,' she said at last, `but I'm beginning to think that women get attached to something really by default. They'd give it up, if they could, anytime, for a man. Of course they can't admit this, and neither can most of them let go of what they have. But I think it kills them – perhaps I only mean,' she added, after a moment, `that it would have killed me.'

`What do you want, Hella? What have you got now that makes such a difference?'

She laughed. `It isn't what I've got. It isn't even what I want. It's that you've got me. So now I can be -- your obedient and most loving servant.'

I felt cold. I shook my head in mock confusion. `I don't know what you're talking about.'

‘Why,' she said, `I'm talking about my life. I've got you to take care of and feed and torment and trick and love -- I've got you to put up with. From now on, I can have a wonderful time complaining about being a woman. But I won't be terrified that I'm not one.' She looked at my face, and laughed. `Oh, I'll be doing other things,' she cried. `I won't stop being intelligent. I'll read and argue and think and all that -- and I'll make a great point of not thinking your thoughts --and you'll be pleased because I'm sure the resulting confusion will cause you to see that I've only got a finite woman's mind, after all. And, if God is good, you'll love me more and more and we'll be quite happy.' She laughed again. `Don't bother your head about it, sweetheart. Leave it to me.'

...”

 

 

James Baldwin (2 augustus 1924 – 1 december 1987)

 

 

 

21:47 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: menno wigman, james baldwin |  Facebook |