15-05-18

Albert Verwey, Arthur Schnitzler, Pem Sluijter, W.J.M. Bronzwaer, Frits van Oostrom, Michael Lentz, Max Frisch, Judith Hermann, Mary Wortley Montagu

 

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865. Zie ook alle tags voor Albert Verwey op dit blog.

 

De koopman zit op zijn kantoor en somt

De koopman zit op zijn kantoor en somt
Bij 't walmend licht der lamp de winst van 't jaar:
Hij telt zijn posten preevlend bij elkaar
En cijfert, tot zijn rug zich dieper kromt,

Als de balans niet sluit. Hij peinst en gromt,
Half-binnensmonds en met verstoord gebaar
Telt hij opnieuw, ontstemd om 't zoeken naar
Een cijfer-cent, die niet te voorschijn komt.

En ...l zijn winst vergeet hij, niet tevrêe
Vóór 't vinden van het cijfer van een cent -
Zijn kast is vol met hoopen klinkend goud: -

Ik ben bevreesd, dat ik soms óok zoo deê,
En centen-cijferend mij heb ontwend
't Gouden geluk te zien dat 'k overhoud.

 

 

De gesloopte plaats V

Sta op, mijn lief, de zon schijnt door de boomen,
De vogels vliegen al om voedsel uit,
De visscher achter 't huis sleept in de schuit
Zijn net, gevuld met visschen, uit den stroom en

De stalknecht legt op 't voorplein reeds de toomen
Zijn paarden aan, - sta op, mijn lief, mijn bruid,
De aarde is voor ons ook nieuw en schoon en luid,
Sta op, mijn lief, nu is geen tijd voor droomen.

Kom mee, mijn eenigst dat aan 't veld ontbrak.
De reiger stijgt, de ooievaar op het dak
Vliegt hene en weer, den heelen hof doorruischt

De wind, gezeefd door stralen; 't water bruist
Bij 't vallen om de bocht en schuimt en blinkt,
Warm wordt de lucht die dauw en droppen drinkt.

 

 

Van de liefde die vriendschap heet

12
Ik walg nu van die dagen vol van zon,
Van die zon zelf, die niet wil ondergaan;
Wanneer het nacht was zou ik naast hem staan
En zeggen:Vriend, 't was waar, eerst nu begon

Mij 't leven, al wat ik eertijds verzon
Was logen, wat ik zei van zon was waan,
En van genot en liefde, maar, welaan,
Vergeef mij dat ik zoo dwaas dwalen kon.

Dan zou ons zijn een zoet verkeer van leed,
Zeer innig, als van zielen, nu ontdaan
Van trots en ijdelheid en klein belang; -

En elk van ons zou 't zijn of naast hem schreed
Zijn eigen ziel, op 't eind geheel verstaan,
Naakt en een glorie, van eenzelfden rang.

 

 
Albert Verwey (15 mei 1865 - 8 maart 1937)
Cover brievenboek

Lees meer...

15-05-17

Mary Wortley Montagu

 

Rectificatie

De Engelse schrijfster Lady Mary Wortley Montagu werd geboren in Thoresby Hall, Nottinghamshire, op 15 mei 1689 en gedoopt op 26 mei 1689. Zie ook alle tags voor Mary Wortley Montagu op dit blog.

 

A Hymn To The Moon
Written in July, in an arbour

Thou silver deity of secret night,
Direct my footsteps through the woodland shade;
Thou conscious witness of unknown delight,
The Lover's guardian, and the Muse's aid!
By thy pale beams I solitary rove,
To thee my tender grief confide;
Serenely sweet you gild the silent grove,
My friend, my goddess, and my guide.
E'en thee, fair queen, from thy amazing height,
The charms of young Endymion drew;
Veil'd with the mantle of concealing night;
With all thy greatness and thy coldness too.

 

 

Advice

Cease, fond shepherd -- cease desiring
What you never must enjoy;
She derides your vain aspiring,
She to all your sex is coy.
Cunning Damon once pursu'd her,
Yet she never would incline;
Strephon too as vainly woo'd her,
Though his flocks are more than thine.
At Diana's shrine aloud,
By the zone around her waist,
Thrice she bow'd, and thrice she vow'd
Like the Goddess to be chaste.

 

 
Mary Wortley Montagu (15 mei 1689 – 21 augustus 1762)
Lady Montagu in Turkse kleding door Jean-Étienne Liotard, ca. 1756

18:34 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: mary wortley montagu, romenu |  Facebook |

26-05-13

Vítězslav Nezval, Ivan O. Godfroid, Edmond De Goncourt, Mary Wortley Montagu, Machteld Brands

 

De Tsjechische dichter en vertaler Vítezslav Nezval werd geboren op 26 mei 1900 in Biskoupky. Zie ook alle tags voor Vítězslav Nezval op dit blog.

 

 

Fireworks 1924, A Cinemagenic Poem (Fragment)

 

the detective while choosing a magazine stares deep into the lady’s eyes (medium close shot)
the lady getting up (full shot)
the detective grabs his heart & sinks down to the floor (fade out)
a crowd of guests & waiters
the lady puts a handkerchief on the detective’s head
(close-up) the detective’s hand picking a photo & 2 tram tickets from the lady’s bag
in the fields the hare is pricking up its ears
a railway station where a train is being boarded
a gentleman with monocle at ticket counter
a hand plugging lines in at the phone exchange
the detective makes a call while staring at the tram ticket
index finger in the book
the tram ticket held in two hands as it grows in size till it dissolves into
the image of the tram (interior)
the dispatcher in his office struggling to recall something (medium close shot)
presses his index finger to his forehead (full shot)
& gives a smile (medium close shot)
giving a large banknote to the gentleman with the monocle seated beside the lady in the tram
a maze of telegraph wires
a postal clerk pondering a telegram
a lookout post in front of which there stands a yardman
the yardman runs into the lookout
a corridor inside the train down which the man with monocle is passing
he is entering the toilet
dumping his revolver
his pocket watch
(fade out) in the dark a sign HOTEL

 

 

 

Vertaald door Jerome Rothenberg en Milos Sovak

 

 

 


Vítězslav Nezval (26 mei 1900 – 6 april 1958)

Lees meer...

26-05-11

Maxwell Bodenheim, Ivan O. Godfroid, Edmond De Goncourt, Mary Wortley Montagu, Ellen Deckwitz, Machteld Brands

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Maxwell Bodenheim werd geboren op 26 mei 1892 in Hermanville, Mississippi. Zie ook mijn blog van 26 mei 2009 en ook mijn blog van 26 mei 2010.

 

 

Advice To a Blue-Bird

 

Who can make a delicate adventure

Of walking on the ground?

Who can make grass-blades

Arcades for pertly careless straying?

You alone, who skim against these leaves,

Turning all desire into light whips

Moulded by your deep blue wing-tips,

You who shrill your unconcern

Into the sternly antique sky.

You to whom all things

Hold an equal kiss of touch.

 

Mincing, wanton blue-bird,

Grimace at the hoofs of passing men.

You alone can lose yourself

Within a sky, and rob it of its blue!

 

 

 

The Child Meditates

 

The oak-tree in front of my house

Smells different every morning.

Sometimes it smells fresh and wise

Like my mother's hair.

Sometimes it stands ashamed

Because it doesn't own the smell

It borrowed from our flower-garden.

Sometimes it has a windy smell,

As though it had come back from a long walk.

The oak-tree in front of my house

Has different smells, like grown up people.

 

My doll hides behind her pink cheeks,

So that you can't see when she moves,

But it doesn't matter because

She always moves when no one is looking,

And that is why people think she is still.

People laugh when I say that my doll is alive,

But if she were dead, my fingers

Wouldn't know that they were touching her.

She lives inside a little house.

And laughs because I cannot find the door.

 

The colours in my room

Meet each other and hesitate.

Is that what people call shape?

Nobody seems to think so,

But I believe that lines are dead shapes

Unless they fall against each other

And look surprised, like the colours in my room!

 

 

 

Maxwell Bodenheim (26 mei 1892 – 6 februari 1954)

 

 

Lees meer...

26-05-10

Alan Hollinghurst, Hugo Raes, Radwa Ashour, Ivan O. Godfroid, Isabella Nadolny, Vítězslav Nezval, Maxwell Bodenheim, Edmond De Goncourt, Mary Wortley Montagu, Machteld Brands

 

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire. Zie ook mijn blog van 26 mei 2007 en ook mijn blog van 26 mei 2008 en ook mijn blog van 26 mei 2009.

 

Uit: Die Schönheitslinie (Vertaald door Thomas Stegers)

 

Heute Abend, acht Uhr, war er zu einem Blinddate verabredet, und der heiße Augusttag war bestimmt vom Flimmern der Nerven, unterbrochen von Schönwetterperioden lüsterner Träumereien. Das Date war nicht gänzlich "blind" - "nur sehr kurzsichtig", wie Catherine Fedden sich ausgedrückt hatte, als Nick ihr das Foto und den Brief gezeigt hatte. Anscheinend gefiel ihr das Äußere des Mannes, der Leo hieß und auch gut ihr Typ hätte sein können, wie sie gestand; nur seine Handschrift erschreckte sie: Sie wirkte kunstvoll und gleichzeitig ungestüm. Catherine besaß ein Taschenbuch, 'Grafologie': 'Der Charakter in der Hand', das alle möglichen Warnungen vor den Neigungen und Hemmungen der Menschen enthielt ("Künstler oder Verrückter?", "Schoßhündchen oder Reißwolf?"). "Diese wahnsinnigen Oberlängen, Darling", sagte sie. "Dahinter steckt jede Menge Ego." Wieder hatten sie sich mit spitzen Lippen über den kleinen Bogen billigen, blauen Briefpapiers gebeugt. "Und das bedeutet nicht zufällig bloß einen starken Sexualtrieb?", fragte Nick. Sie hatte das verneint. Er war sehr aufgewühlt und sogar ziemlich gerührt über diesen Brief eines völlig fremden Menschen; aber es stimmte, der Text an sich weckte kaum Erwartungen. "Nick - OK! Habe deinen Brief erhalten. Arbeite in der Personalabteilung (London, Bezirk Brent). Wir können uns treffen, uns über Interessen und Wünsche unterhalten. Wann? Wo?" - und dann ein riesiges, wucherndes L für Leo, das die ganze untere Hälfte des Blattes einnahm.
Wenige Wochen zuvor war Nick in das große, weiße Haus der Feddens in Notting Hill eingezogen. Sein Zimmer befand sich unterm Dach und war mit seinem Fluidum von Teenager-Heimlichkeiten und -Trotz eindeutig dem Kinderbereich zuzuordnen. Tobys aufgeräumte Bude lag am Kopf der Treppe, Nicks Zimmer ein Stück weiter den durch eine Dachluke erhellten Flur entlang und Catherines am Ende. Nick hatte keine Geschwister, aber hier konnte er sich in die Rolle eines verlorenen mittleren Kindes hineinversetzen. Es war Toby, der ihn hergebracht hatte, früher schon, in den Ferien, seine "Saison" in London über - eine lang anhaltende, anregende Auszeit von seiner eigenen, alles andere als glanzvollen Familie -; und es war Toby, dessen Gestalt, halb bekleidet, noch immer hier herumspukte.“

 

 

 

dd_hollinghurst

Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)

 

 

 

 

De Egyptische schrijfster en literatuurwetenschapster Radwa Ashourwerd geboren op 26 mei 1946 in Caïro.

 

Uit: Siraaj. An Arab Tale (Vertaald door Barbara Romaine)

 

„She had been a lisping child not four feet tall when her grandfather took her with him. It was a night when the full moon cast its light on the men and the sea. Mounted on camels, they made their way along the beach, singing. She was afraid, despite the singing, the moonlight, and her grandfather's strong arm encircling her as she rode before him on the camel. The sea was at ebb tide, and they advanced farther and farther into the wet sand, searching for ambergris. She stared at the moon in alarm, then turned and buried her head in her grandfather's shoulder, and began to cry, begging him to take her back to her mother. Did her heart know, then, and speak to her?

Men go to sea, they go and then they come back . . . they go and then they don't come back, so the women go out to wait for them, their shoulders rigid with fear, furrows of anxiety etched in their faces. Amina saw it all: the women striking their cheeks in lamentation, when they knew for certain, rending their garments, wailing with cries that split the air, cleaving it in two as the executioner's blade cleaves the living head from the body.

They say that the sea is generous; even as she fears its treachery, she never admits her fear, but rather dissimulates, even to her own heart.“

 

 

 

radwa

Radwa Ashour (Caïro, 26 mei 1946)

 

 

 

 

De Belgische schrijver Hugo Raes werd geboren in Antwerpen op 26 mei 1929. Zie ook mijn blog van 26 mei 2007 en ook mijn blog van 26 mei 2008.

 

Uit: Bankroet van een charmeur

 

„Het type van Johan: de wijze, de succesfilosoof, de intellectueel aandoende, of een beeld gevend van wat cafévrouwen zich als romantische intellectuelen voorstellen. De rol spelend van de man met geld. De vlotte heer met rijzige gestalte, met maniertjes, de man die de wereld kent, de he-man met allure, de rustigheid van: ‘Ik ben 37 jaar hoor, weet jij wel wat dat betekent? Maar wijven zijn mijn ongeluk, Peter, ze laten me niet met rust.’

Ik glimlach, knik, gelijkgevend, dat heeft hij graag.

Ik kom ergens binnen, ik zie even rond, daar zit er al een mij te begluren. Maar zeg, ik word ook al eens moe, hoor. Ik ben geen jonge snaak meer. Ik ga naar de veertig. Maar wat wil je, ze hangen aan mijn arm, ze zuigen zich aan mij vast. Ook al was ik niets van plan: ze komen op me af als vliegen op een klontje suiker.

Tik (weer bier).

‘Het bier is weer best’ zeg ik.

‘Het bier is weer best’ herhaalt hij met kleine schokjes lachend. Hij rookt, blaast ostentatief, loert rond met zijn brutale oogjes.

We rijden met zijn Fiat 1800 met sport-knalpot, rukkend door de stad, zoeken weer een ander schuin café op. We proberen geregeld een nieuwe kroeg. Hij danst een beetje loom en totaal ontspannen met meiden, doet ze intussen lachen, overdondert met zijn zelfzekerheid, met zijn opdringerigheid. Een vliegenpikker moet opdringerig kunnen zijn. Zij speuren haast altijd naar stille vrouwen, naar de zwijgzamen. Dikwijls zijn de passieven gemakkelijke prooien. Soms zoeken ze zulke vrouwen onbewust. Of lelijke vrouwen, daar heb je een dankbare prooi aan, die zijn altijd verrukt, direkt verkocht, werpen zich open als een geslacht en gereinigd rund. Vele passieve, lelijke of onzekere vrouwen, zijn types die zich in toom houden, omdat ze angst hebben van zichzelf, van hun losbrekend zelf. Zij die huilend en krochend stukgaan. Daarnaar speuren zij, de geoefende vrouwenkenners.

‘Ik’, zegt hij, ‘ik schijn het te hebben voor de magere types. Als ik zo eens overschouw welke mijn figuren zoal waren, dan sta ik er zelf een beetje verbaasd over: mijn eerste vrouw, mijn tweede vrouw, die van mij weggelopen is, mijn derde, die je kent, dan Betty, Loulou van de Prado, en tenslotte mijn jong ding, ‘kindje’.“



 

Raes

Hugo Raes (Antwerpen, 26 mei 1929)


 

 

 

 

De Belgische, Franstalige, schrijver en essayist Ivan O. Godfroid werd geboren in Boussu op 26 mei 1971. Zie ook mijn blog van 26 mei 2007.

 

Uit: Glam dicinn

 

Note n° 25

Il était une fois (c’était, ah ! mais il y a fort longtemps : en un temps où l’océan recouvrait toutes terres), un pauvre pauvre pauvre pêcheur de perles qui vivait dans une hutte, sur le rivage effilé d’un croissant de sable. Il plongeait chaque matin dans la mer turquoise, chaude, et claire, et calme. Il y plongeait longtemps, retenant son souffle, très profond, jusqu’au fond. Il y plongeait à la recherche de ces longues huîtres au cœur d’argent, desquelles il remontait ses perles noires.

Un jour (un de ces jours sans pareil – mais tous les jours sont mortels, n’est-ce pas ?), le pêcheur fut attiré par une lueur inhabituelle qui semblait venir des entrailles de la mer. Cette lueur l’intrigua tant qu’il délaissa la parcelle perlière qui lui portait chance, pour découvrir l’origine de cette clarté surnaturelle. Il plongea de plus belle, s’enfonçant vers la nuit éternelle.

Il aperçut alors la béance gigantesque d’un tridacne abyssal. Jamais un tel bénitier n’avait existé de mémoire de pêcheur de perles… Il s’en approcha lentement, presque respectueusement, et la crainte se mêlait en son sang à l’excitation. La lueur blafarde provenait du cœur du coquillage monstrueux. Le pêcheur voulut s’en approcher pour mieux voir, mais le tridacne resserra aussitôt ses mâchoires.

Il dut attendre à bonne distance, luttant contre l’asphyxie. Et le bénitier s’ouvrit à nouveau, brisant l’obscurité sourde et oppressante. C’est à cet instant que le pêcheur la vit pour la première fois. Elle était d’une beauté nacrée, à la fois fragile et éternelle. Elle semblait s’éveiller, et ses yeux d’albâtre grandissaient à mesure que, doucement, elle se dressait. Il voulut la regarder encore, mais son corps implorait, et il remonta.

 

 

 

godfroid

Ivan O. Godfroid (Boussu, 26 mei 1971)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Isabella Nadolny (eig. Isabella Peltzer) werd geboren op 26 mei 1917 in München.

 

Uit:  Die Stunden vor Morgengrauen

 

„»Wenn wir«, sagte mein Bruder Leo, »jeden Sommer zu viert auf Sommerfrische gehen, so kostet das pro Jahr . . . Wartet mal.« Er griff nach einem Blatt Papier und fragte mich über die Schulter:

»Wie lange dauern deine Ferien eigentlich?«

Ich gab mürrisch Auskunft. Gegen die Autorität eines um elf Jahre älteren Bruders war nichts auszurichten.

»Und zwei Jahre mußt du doch noch zur Schule gehen – ist sowieso wenig genug«, murmelte er, »zweimal Ferien à sechs Wochen. Also das macht . . .« Er blinzelte gegen den Rauch seiner Zigarette und rechnete. »Da ist es viel billiger, wir bauen uns ein Sommerhaus.«

Er strich die Zahlen aus und begann einen Grundriß zu zeichnen. Wir saßen im Eßzimmer, Mama in dem Sessel unter dem Porträt, so daß man prüfen konnte, ob es ähnlich genug war. Nur drei der vielen Porträts, die von Mama gemalt worden waren, hatten in unserer Wohnung Platz gefunden, einer großen, altmodischen Wohnung mit hochherrschaftlichen Stuckdecken.

»Ein Sommerhaus«, sagte Mama und drehte mit gedankenvoll gerunzelter Stirn an ihrem Ring, »ein Sommerhaus wäre fein. Man könnte einen Hund dort halten!«

Hunde und Pferde waren vielleicht das einzige, was Mama seit jenem Tage entbehrt hatte, als sie neunzehnjährig das Schloß ihrer Ahnen verließ, um zu heiraten. Hätte sie, der Pferde und Hunde wegen, damals den ungarischen Offizier genommen, der sie so glühend verehrte, so wäre ich heute schwarzhaarig und braunäugig, was ich mir immer gewünscht habe. Sie verzichtete jedoch auf die

Pferde und Hunde und heiratete Papa. Das ist zu verstehen. Papa war reizend, hochmusikalisch und ungewöhnlich sprachbegabt, wenn auch etwas schüchtern. In seinem Paß stand als Berufsbezeichnung »Kaufmann«, ein dehnbarer Begriff, der nichts besagte, außer daß Papa Geld genug hatte, um nur gelegentliche weite Geschäftsreisen unternehmen zu müssen, und zwar von Moskau aus, wo er und seine ganze Verwandtschaft lebten.“

 

 

 

Nadolny

Isabella Nadolny (26 mei 1917 – 31 juli 2004)

 

 

 

 

De Tsjechische dichter en vertaler Vítezslav Nezval werd geboren op 26 mei 1900 in Biskoupky.

 

 

City of Towers

 

o hundred-towered Prague

city with fingers of all the saints

with fingers made for swearing falsely

with fingers from the fire & hail

with a musician's fingers

with shining fingers of a woman lying on her back

..........................

with fingers of asparagus

with fingers with fevers of 105 degrees

with fingers of frozen forest & with fingers without gloves

with fingers on which a bee has landed

with fingers of blue spruces

.............................

with fingers disfigured by arthritis

with fingers of strawberries

with spring water fingers & with fingers of bamboo

 

 

 

Vertaald door Jerry and Diane Rothernberg

 

 

 

 

Vitezslav_Nezval_bust_by_Otakar_Svec

Vítězslav Nezval (26 mei 1900 – 6 april 1958)

Buste op de begraafplaats van Vyšehrad in Praag

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Maxwell Bodenheim werd geboren op 26 mei 1892 in Hermanville, Mississippi.

 

 

Poet to his love

 

AN old silver church in a forest

Is my love for you.

The trees around it

Are words that I have stolen from your heart.

An old silver bell, the last smile you gave,

Hangs at the top of my church.

It rings only when you come through the forest

And stand beside it.

And then, it has no need for ringing,

For your voice takes its place.

 

 

 

Bodenheim

Maxwell Bodenheim (26 mei 1892 – 6 februari 1954)

 

 

 

 

De Franse schrijver Edmond de Goncourt  werd geboren op 26 mei 1822. Zie ook mijn blog van 26 mei 2006 en ook mijn blog van 26 mei 2008.

 

Uit: Journal (Visite chez lord Hankey)

 

Lundi 7 avril 1862.

 (...)

J'ai vu là le fameux livre de La Popelinière, si longtemps désiré par lui et que Pichon ne lui a cédé que lors du procès de Lacour : il s'en débarrassa bien vite alors. C'est un gros maroquin rouge, avec des coqs pour armoiries; une grosse et riche impression sur papier de Hollande et des miniatures, dont une ou deux rappellent un peu Carmontelle, dont les autres ne nomment personne. Il n'y a dans ce livre même, comme dans tous les autres du même genre, que de la cochonnerie et point d'art. Chose incroyable, pas une saleté, même dans ce XVIIIe siècle si voluptueux, n'a été relevée par l'art. Comment un véritable artiste du temps n'a-t-il pas, en un jour de bandaison, jeté au papier quelque gouache verveuse; quelque polissonnerie chaude et spirituelle ? Cela me passe! Mais plus je vais - et ici, j'ai sous les yeux les plus beaux échantillons de l'obscénité - moins je trouve dans toutes ces scènes un coup de crayon ou de pinceau qui mérite d'arrêter les yeux des amateurs. Cela m'a fait bonne bouche, après cela, de feuilleter un album du Carrache. Quelle grandeur dans l'obscénité! Ce sont des amours cosmogoniques, des jouissances de Pasiphaé.

Nous montrant cela, Henkey parle et parle sans cesser, mais par arrêts, d'une voix un peu chantante, mais égale, qui va toujours, coupe les mots, les reprend, d'une voix jaillissante et toujours repartante, qui à la longue vous lasse, vous entre dans le crâne, dans les nerfs des tempes, comme une goutte d'eau qui tomberait et à tout moment redoublerait.

Il ne vous regarde pas, il regarde ses ongles, et comme nous regardons un de Sade :

 

«J'attends une peau,… une peau de jeune fille qu'un de mes amis dit m'avoir. On la tanne… Si vous voulez voir ma peau… Il m'a proposé de la voir enlever devant moi… Six mois pour la tanner… Mais il faut deux femmes,… c'est entre les cuisses,… et alors, vous comprenez, il en faut deux… Mais c'est désagréable,… il faudrait enlever la peau sur une jeune fille vivante… J'ai mon ami, le docteur Barth, vous savez… Il voyage dans l'Afrique, et dans les massacres,… il m'a promis de me prendre une peau, comme ça, pendant la vie… Et alors, ce serait très bien…»

 

Puis il ouvre une grande boîte. C'est un marbre qu'on dit être de Pradier, une scène de tribaderie, très mauvaise, veule et mal dessinée; il n'y a guère de Pradier qu'une main de femme, gracieusement et mollement infléchie par la jouissance.

Je suis sorti de chez cet homme comme d'un cauchemar, brisé, l'estomac en bas, comme après avoir bu, la tête vide.



 

Edmond_de_Goncourt_Rafaëlli_Nancy

Edmond de Goncourt (26 mei 1822 - 16 juli 1896)

 



De Engelse schrijfster Lady Mary Wortley Montagu werd geboren in Thoresby Hall, Nottinghamshire, op 26 mei 1689.

 

Uit: Letters of the Right Honourable Lady M—y W—y M—e

 

TO MRS. S. C.

_Nimeguen, Aug_.13. O. S. 1716.

I AM extremely sorry, my dear S. that your fears of disobliging your relations, and their fears for your health and safety, have hindered me from enjoying the happiness of your company, and you the pleasure of a diverting journey.  I receive some degree of mortification from every agreeable novelty, or pleasing prospect, by the reflection of your having so unluckily missed the delight which I know it would have given you.  If you were with me in this town, you would be ready to expect to receive visits from your Nottingham friends.  No two places were ever more resembling; one has but to give the Maese the name of the Trent, and there is no distinguishing the prospect.  The houses, like those of Nottingham, are built one above another, and are intermixed in the same manner with trees and gardens.  The tower they call Julius Caesar's, has the same situation with Nottingham castle; and I cannot help fancying, I see from it the Trentfield, Adboulton, places so well known to us.  'Tis true, the fortifications make a considerable difference.  All the learned in the art of war bestow great commendations on them; for my part, that know nothing of the matter, I shall content myself with telling you, 'tis a very pretty walk on the ramparts, on  which there is a tower, very deservedly called the Belvidera; where people go to drink coffee, tea, &c. and enjoy one of the finest prospects in the world.  The public walks have no great beauty but the thick shade of the trees, which is solemnly delightful.  But I must not forget to take notice of the bridge, which appeared very surprising to me.  It is large enough to hold hundreds of men, with horses and carriages.  They give the value of an English two-pence to get upon it, and then away they go, bridge and all, to the other side of the river, with so slow a motion, one is hardly sensible of any at all.  I was yesterday at the French church, and stared very much at their manner of service.  The parson clapped on a broad-brimmed hat in the first place, which gave him entirely the air of _what d'ye call him_, in Bartholomew fair, which he kept up by extraordinary antic gestures, and preaching much such stuff as the other talked to the puppets.“



 

Montagu

Mary Wortley Montagu (26 mei 1689 - 21 augustus 1762)

 

 

 

 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 26 mei 2009.

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

 

De Nederlandse dichteres Machteld Brands werd geboren in 1986 in Kampen. Tijdens het studiejaar 2008 – 2009 was zij huisdichter van de Rijks Universioteit Groningen, waar zij Algemene Taalwetenschap studeert. Ze publiceerde met vaste regelmaat haar gedichten in de universiteitskrant.

 

 

Dagje UB

 

De portier denkt
aan hoe ze ieder jaar
weer jonger worden
de meisjes

 

met hun slonzige staartjes
en als het warmer wordt
lachend en vrolijk flipfloppend
door de gangen

 

de baliemedewerkster
ziet wel daarbeneden
wordt het elk jaar gezelliger

 

met Groninger gebabbel
en als de dag bijna klaar is
dansen om haar de haren
klepperen de tenen

 

zegt ze hem gedag

 

 

 

 

Machteld BRANDS

Machteld Brands (Kampen, 1986)

 

 

26-05-09

Alan Hollinghurst, Hugo Raes, Radwa Ashour, Ivan O. Godfroid, Isabella Nadolny, Vítězslav Nezval, Maxwell Bodenheim, Edmond De Goncourt, Mary Wortley Montagu, Xavier Roelens

 

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire. Zie ook mijn blog van 26 mei 2007 en ook mijn blog van 26 mei 2008.

 

Uit: The Spell

 

He wondered if the boy had lost the way. They had started out on a driven track half-covered with small noisy stones; but it faded, was found again for half a mile, where it followed the rim of a dry wash, and then died away among the windswept contours and little dusty bushes of the desert. The pick-up roared on across long inclines of grey dirt. The boy kept his foot down and stared straight ahead, as if unable to consider the possibilities that lay to left and right. He was almost smiling -- Robin couldn't decide if from nerves or from the pleasure a local person has in scaring and disorienting a stranger. An empty bottle rolled and clinked against the metal supports of the bench-seat. Robin sat with his forearm braced in the open window, and grunted involuntarily at each bump and drop: academic research had never been so wayward or so physical. He found that he was smiling too, and that he was not only shaken but happy.

    They reached a low crest and there beneath them spread thirty or forty miles of silvery waste, crossed by the quick eclipses of windy sunlight; the wide plain was rifted with gulleys and dry riverbeds, and climbed distantly to mountains which were radiant towers in the west and unguessable obscurities in the blackly shadowed south. This was what he wanted to see: it was what had brought a rich man and his architect here half a century ago. It wasn't a terrain that could be ploughed or grazed or humbled by use: nothing could have altered unless by the gradual violence of winds and storm rains. The pick-up slowed, and Robin imagined that even his guide, who had surely seen nothing but this country all his life, was responding to its magic or its admonishment.

`What are those mountains called?' he shouted over the churning of the engine and the racket of stones and grit against the bottom of the vehicle. The boy looked stoopingly across, and out beyond Robin at the morning-bright bluffs to the west. He nodded several times, perhaps he had only understood the word mountains, or was hesitating before so many mountains, with so many names.“

 

 

 

hollinghurst1

Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)

 

 

 

 

 

De Belgische schrijver Hugo Raes werd geboren in Antwerpen op 26 mei 1929. Zie ook mijn blog van 26 mei 2007 en ook mijn blog van 26 mei 2008.

 

 

van A naar M loopt de rechte  (fragment)

 

van A naar M loopt de rechte.

Van M vertrekt ze in een boog, ze is vertrokken.

Ze vordert feilloos en zuiver maar dik.

Het is een punt dat vordert, oprukt, traag en nauwkeurig.

En zichzelf achterlaat in tweede dimensie.

Over X tijdseenheden zal de tocht voltrokken zijn en hoog en volledig.

M is een rode stip.

Hier eindigt het bewegende punt.

De overgang van het rekkend zwarte punt in het rode stabiele punt is

niet zichtbaar, er is geen grens, geen dooreenvloeiing.

 

Sterk schuin omhoog loopt de rechte T' X'.

De andere lijnen kruisen mekaar op verschillende afstanden en niveaus.

De boog van het cirkelsegment verdwijnt in het niet aan twee zijden in

de verre schemerverte waar verder niets te zien is.

Er verschijnt een stip.

Een punt ontstaat in de nabijheid van N' en verdwijnt tegelijkertijd

dadelijk opnieuw.

De omgeving is nu als voorheen.

De lijnenruimte verbleekt alsof lichtend ze wordt.

Bij O is er een bol gekomen van niet te schatten grootte.

 

 

 

 

Raes

Hugo Raes (Antwerpen, 26 mei 1929)

 

 

 

 

 

De Egyptische schrijfster en literatuurwetenschapster Radwa Ashourwerd geboren op 26 mei 1946 in Caïro. In 1967 studeerde zij af in Engelse literatuurwetenschap. Daarna specialiseerde zij zich in Vergelijkende Literatuurwetenschap. Zij doceert tegenwoordig aan de Ain Shams universiteit in Caïro. Daarnaast schrijft zij romans, korte verhalen en kritieken.

 

Uit: Siraaj.An Arab Tale (Vertaald door Barbara Romaine)

 

“Amina is afraid of the sea, but to her heart she pretends otherwise: she gets up before the rooster crows, and begins her day by going down to the beach. She stares through the darkness out to sea and whispers a prayer. After that she makes her way to the port and inquires, "Any news?"

"No news."

She walks along the path that leads to the hill, then begins her ascent to the high house. She passes by the dungeon and hears the murmurs and muffled voices. She continues the climb to the women's quarters, which are wrapped in silence and the crash of the waves.

By the time she reaches the kitchen courtyard, the darkness has faded and the sky has burst into the colors of sunrise. "Bismillah al-rahman al-rahim," she says, as she hauls out the sacks of flour and commences opening them one after another. Then she begins the process of sifting. The other women don't arrive until after Amina has finished kneading the dough and left it to rise. The women flock to their tasks, while the slaves carry in the daily provisions of fresh-killed meat, baskets of fish, and crates of fruits and vegetables.

After the call to afternoon prayer, Amina knots her handkerchief around two loaves of bread—her day's wages—picks up her bundle, and retraces her steps homeward, grains of flour still clinging to her dress and headscarf. Her body gives off mingled odors of the day's sweat and baked bread. She stops by the port.

"Any news?"

"No news."

She proceeds to the beach, sits down facing the sea . . . and waits.”

 

 

 

ashour

Radwa Ashour (Caïro, 26 mei 1946)

 

 

 

 

 

De Belgische, Franstalige, schrijver en essayist Ivan O. Godfroid werd geboren in Boussu op 26 mei 1971. Zie ook mijn blog van 26 mei 2007.

 

Uit: Pacte de contrition

 

« Il est l’heure ! Allez, au lit ! Je dois t’attacher pour la nuit, Monsieur Wanson. »

Quand je suis seul /

Et qu’il est là

« Et ne fais pas cette tête… c’est ton dernier jour ici ! Demain tu quittes la Haute Sécurité pour le nouveau Quartier W

– ordre du Docteur X. Petit veinard, tu auras même un voisin de chambre. »

Lorsque je sens le monstre hideux penché sur moi

« Fais de beaux rêves, gueule d’amour. Ne cherche pas à t’évader, d’accord ? Ha – ha – ha… Hé ! Wanson ? Wanson ! Je

me demande parfois si tu m’as jamais écouté. »

J’ai peur du noir

L’infi rmière coupe la lumière. Ferme la porte. Tourne la clef. L’écho glacé de ses pas roule et disparaît. Et le vent piquant

de l’angoisse monte en ma gorge à m’étouffer.

 

La lumière s’éteint : il est là

Démon de mes vies passées

Le monstre immense et immobile

Qui me regarde sans bouger

Il a la couleur de la mort

Il se déplace par magie

Je sens son souffl e dans mon cou

Proie frissonnante aux yeux fermés

 

Il est dans un coin de la chambre

À me fi xer sans faire de bruit

Il s’assoit au bord de mon lit

Sa face frôle mon visage

Je ne dois pas me retourner

Le regarder serait mourir

Je dois m’enfuir dans le sommeil

– ou chanter



 

Ivan_O_Godfroid

Ivan O. Godfroid (Boussu, 26 mei 1971)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Isabella Nadolny (eig. Isabella Peltzer) werd geboren op 26 mei 1917 in München. Zij werkte als secretaresse op een ministerie in Berlijn. In 1941 trouwde zij met de schrijver Burkhard Nadolny. Zelf begon zij in 1951 met schrijven. Vanaf de jaren zestig legde zij zich meer toe op het vertalen.

 

Uit:  Die Stunden vor Morgengrauen

 

"Es war Sonnabend, der erste Sonnabend im April, und Louise schien es, als habe der Sommer mit einem einzigen schwindelerregenden Ruck am Thermometer zugeschlagen. Die strahlende Nachmittagssonne sank ihr köstlich in die müden Glieder, als seien, dachte sie wehmütig, die müden Glieder wirklich draußen, in der Sonne, wie bei allen anderen Leuten, statt hier im Werkzeugschrank nach Marks Turnschuhen zu suchen. Als ihr gerade eine Dose halb voll vertrockneter Farbe ärgerlicherweise an den Ellbogen fuhr, fiel ihr ein, dass es für eine Hausfrau beim ersten unerwarteten Sonnenschein des Jahres ja nie anders war. Er trieb einen nicht hinaus, sondern hinein. In lang verschlossenen Schubladen nach den Sommersachen der Kinder suchen. Sie aufbügeln. Fehlende Knöpfe annähen. Und in dunklen Schränken wühlen: nach den Gartenkissen, den Liegestühlen, den Seilen für die Schaukel...."

 

 

 

Nadolny

Isabella Nadolny (26 mei 1917 – 31 juli 2004)

 

 

 

 

De Tsjechische dichter en vertaler Vítezslav Nezval werd geboren op 26 mei 1900 in Biskoupky. Hij geldt als medegrondlegger van het Poëtisme en als leidende persoonlijkheid van het Tsjechische surrealisme. In 1953 werd hij benoemd tot nationale kunstenaar. Hij studeerde in Brünn en Praag, maar maakte zijn studie rechten niet af. Zijn werk werd gepubliceerd in kranten en tijdschriften als Rudé Právo, Tvorba, Odeon, Nová scéna, Lidové noviny. Hij sloot zich aan bij het antifascistische verzet en werd in 1944 voor korte tijd gevangengezet. Na WO II sllot hij zich aan bij de communisten.

 

 

Edison (Fragment)

 

And now the sky beyond the trees is brightening

electric wires tremble in the snow

now promenades and corsos are aglow

now our souls are viewed on the X-ray screen

like ichthyosauri from the pliocene

now the clock's hand is moving towards six

now we go off together to the flicks

now spectral shades of gamblers and of witches

are put to flight by our electric switches

and now applause and cheers ring through the house

and Thomas Edison now takes his bows

 

The party's over now your soul is dark

the guests have left and you are back at work

Look at those inventors and at their resources

yet the stars have not deviated from their courses

look at all those people living quietly

no this isn't work nor even energy

this is adventure as on the high seas

locking oneself in one's laboratories

look at all those people living quietly

no this isn't work it's poetry

It's intention and a bit of accident

to become one's country's president

to become a poet who's outstripped you all

to become a songbird holding you in thrall

to be always lucky at roulette

to be the discoverer of a new planet

 

 

Vertaald door Ewald Oser

 

 

 

 

Nezval

Vítězslav Nezval (26 mei 1900 – 6 april 1958)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Maxwell Bodenheim werd geboren op 26 mei 1892 in Hermanville, Mississippi. Zijn vader was in 1888 naar de VS getrokken. Rond 1912 leerde Bodenheim Ben Hecht in Chicago kennen. Ze raakten bevriend en richtten samen een tijdschrift op.  Andere leden van de groep waren o.a. Sherwood Anderson en Charles MacArthur. Zijn eerste gedichten publiceerde Bodenheim 1914 in het Poetry Magazine. In de jaren die volgden groeide hij uit tot een belangrijk schrijver. Hij publiceerde 10 dichtbundels en 13 romans. In de jaren twintig en dertig verslechterden zijn levensomstandigheden helaas dramatisch. Hij begon te drinken en werd dakloos. Samen met zijn derde vrouw werd hij door een 25-jarige bordenwasser na een ruzie vermoord.

 

 

 

EAST SIDE MOVING PICTURE THEATRE--SUNDAY

 

An old woman rubs her eyes

As though she were stroking children back to life.

A slender Jewish boy whose forehead

Is tall, and like a wind-marked wall,

Restlessly waits while leaping prayers

Clash their light-cymbals within his eyes.

And a little hunchbacked girl

Straightens her back with a slow-pulling smile.

(I am afraid to look at her again.)

 

Then the blurred, tawdry pictures rush across the scene,

And I hear a swishing intake of breath,

As though some band of shy rigid spirits

Were standing before their last heaven.

 

 

 

Factory-girl

 

Why are your eyes like dry brown flower-pods,

Still, gripped by the memory of lost petals?

I feel that, if I touched them,

They would crumble to falling brown dust,

And you would stand with blindness revealed.

Yet you would not shrink, for your life

Has been long since memorized,

And eyes would only melt out against its high walls.

Besides, in the making of boxes

Sprinkled with crude forget-me-nots,

One is curiously blessed if one's eyes are dead.

 

 

 

 

bodenheim

Maxwell Bodenheim (26 mei 1892 – 6 februari 1954)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Edmond de Goncourt  werd geboren op 26 mei 1822. Zie ook mijn blog van 26 mei 2006 en ook mijn blog van 26 mei 2008.

 

Uit: VOYAGE  DU N° 43 DE LA RUE SAINT-GEORGES

 

„… Eh! dis-je, Sterne avait des pantoufles jaunes! Je passai mon pantalon, disant cela  ; et en déjeunant : Pour ceux qui ont proposé une statue à Parmentier, ajoutai-je, ceux-là, certes… Que Sylvestre ait écrit des traités sur les bêtes à laine, Huzard sur les gros bestiaux et leur vaccination, et qu'Yvart en ait donné sur les assolements... Mais Parmentier! À sa santé!…

- Allons! mesdemoiselles! disait-elle sur le pas de la porte. J'avais descendu l'escalier et j'étais au premier.

- Allons! mesdemoiselles, entrez donc! répétait la maîtresse de pension. - «Madame la maîtresse de pension, au moins accoutumez-les à faire leurs lignes droites, à rendre leur caractère net et lisible.»

La petite phalange enfantine montait, montait l'escalier, essoufflée de jouer. - «Madame la maîtresse de pension, il faudrait aussi qu'une fille sût la grammaire pour sa langue naturelle. Il n'est pas question de la lui apprendre par règles, comme les écoliers apprennent le latin en classe : accoutumez-les seulement, ces jolis enfants, à ne point prendre un temps pour un autre.»

Joues rouges, minois poupins, paniers au bras, petits bas blancs, et petites bottines agiles, tout cela grimpait l'escalier, tout d'un leste et d'un frais charmants! Le soleil, passant par les grandes vitres du palier, courait et se posait comme un papillon d'or sur les nattes blondes attachées de rubans noirs, et les chevelures brunes affolées. Elles grignotaient, en s'empressant, ouvrant leurs paniers, se montrant leurs tartines. - «Madame la maîtresse, elles devraient aussi savoir les quatre règles de l'arithmétique ; elles s 'en serviraient utilement pour faire des comptes : c'est une occupation fort épineuse pour beaucoup de gens.“

 

 

 

edmond

Edmond De Goncourt (26 mei 1822  -  16 juli 1896)  

 

 

 

 

 

De Engelse schrijfster Lady Mary Wortley Montagu werd geboren in Thoresby Hall, Nottinghamshire, op 26 mei 1689 – Londen, 21 augustus 1762) was een Engels schrijfster. Mary was bevriend met Mary Astell, die wordt gezien als de eerste actieve voorvechtster voor vrouwenrechten in Engeland, en met Anne Wortley Montagu en haar broer Edward. Met deze laatste trouwde zij, tegen haar vaders wil, in 1712. Edward Mortley Montagu was op dat moment parlementslid en vervulde na de troonsbestijging van George I diverse functies. Mary en Edward raakten goed bekend in hofkringen. Hij was bevriend met Joseph Addison, waardoor lady Mary ook in aanraking kwam met de literaire kringen. Zij raakte zelf bevriend met Alexander Pope. In 1716 werd Edward benoemd tot Engels ambassadeur in Constantinopel en hoewel hij in 1717 werd teruggeroepen, bleven zij in Turkije tot 1718. Mary leerde zichzelf Turks en schreef vele brieven naar diverse mensen met wie zij correspondeerde. Haar bekendheid berust vooral op de uitgave van deze brieven, waarin een levendig beeld wordt geschetst van het leven in de Oriënt en aan het Ottomaanse hof.

 

Uit: Letters of the Right Honourable Lady M—y W—y M—e

 

_Rotterdam, Aug_. 3. O. S. 1716.

 

I FLATTER, myself, dear sister, that I shall give you some pleasure in letting you know that I have safely passed the sea, though we had the ill fortune of a storm.  We were persuaded by the captain of the yacht to set out in a calm, and he pretended there was nothing so easy as to tide it over; but, after two days slowly moving, the wind blew so hard, that none of the sailors could keep their feet, and we were all Sunday night tossed very handsomely.  I never saw a man more frighted (sic) than the captain.  For my part, I have been so lucky, neither to suffer from fear nor seasickness; though, I confess, I was so impatient to see myself once more upon dry land, that I would not stay till the yacht could get to Rotterdam, but went in the long-boat to Helvoetsluys, where we had voitures to carry us to the Briel.  I was charmed with the neatness of that little town; but my arrival at Rotterdam presented me a new scene of pleasure.  All the streets are

paved with broad stones, and before many of the meanest artificers doors are placed seats of various coloured marbles, so neatly kept, that, I assure you, I walked almost all over the town yesterday, _incognito_,  in my slippers without receiving one spot of dirt; and you may see the Dutch maids washing the pavement of the street, with more application than ours do our bed-chambers.  The town seems so full of people, with such busy faces, all in motion, that I can hardly fancy it is not some celebrated fair; but I see it is every day the same.  'Tis certain no town can be more advantageously situated for commerce.  Here are seven large canals, on which the merchants ships come up to the very doors of their houses.  The shops and warehouses are of a surprising neatness and magnificence, filled with an incredible quantity of fine merchandise, and so much cheaper than what we see in England, that I have much ado to persuade myself I am still so near it.”

 

 

Montagu

Mary Wortley Montagu (26 mei 1689 – 21 augustus 1762)

Portret door Charles Jervas

 

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Vlaamse dichter Xavier Roelens werd geboren in Rekkem in 1976. Hij was hoofdredacteur van het literaire tijdschrift en er is, stelde met Maarten De Pourcq de bloemlezing Op het oog, 21 dichters voor de 21ste eeuw (Uitgeverij P) samen en organiseerde poëziefestivals als Het Uitzaaiend Kaf - poëziefestival voor jong talent en het eerste Belgisch Kampioenschap poetry slam. Eigen gedichten verschenen in o.a. DW B, NRC Handelsblad, De Revisor, Het liegend konijn en Poëziekrant. Hij stond al op Crossing Border en De Nachten. Hij is redacteur van de poëzienieuwssite in Letterland. Juni 2007 verscheen bij Uitgeverij Contact zijn debuutbundel er is een spookrijder gesignaleerd.

 

 

 

schoon genoeg gelachen

 

aan de leiband schuifelen ramptoeristen voorbij
de rechtgetrokken vrachtwagen, staan even stil
de tijd van een behoefte.

goofy bengelt aan de achteruitkijkspiegel
het doek valt over de overlevenden.
(traag)

een rijvak wordt opengesteld: in de weggesleepte
                             auto
verlengt de zon de strepen op de achterbank, maakt zwart
of wit wat nu nog getint.
(trager, traagzaam)
     er kwijnen wat bloemen in stof
     er valt wat te praten als ik alleen ben

 

 

 

 

roelens

Xavier Roelens (Rekkem, 1976)