12-08-17

Dolce far niente, Justus van Maurik, Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Marcellus Emants, Naoki Higashida

 

Dolce far niente

 

 
Amsterdam, Gemeentearchief vanaf de Weesperzijde

 

Uit: Amsterdam bij dag en nacht

“Evenals 't licht zich 't allereerst aan den uitersten rand van den gezichteinder vertoont, zóó ontwaakt ook ‘het leven’, de bedrijvigheid het eerst aan den zoom der stad.'t Is nog donker op den Sloter- en Amstelveenschen weg en de Weesper- en Utrechtsche zijden dommelen in grauw en nevelig duister. Op Y en Amstel glinstert 't maanlicht nog over 't ijs of spiegelt in de wakken, maar van alle kanten komen reeds ‘de boeren’ naar Amsterdam; zij brengen voedsel naar de slapende stad; voor hen is 't reeds dag en werktijd.
Ziet! daar naderen ze van Sloten, uit de polders, van Ouwerkerk en van Amstelveen. Met wagens en karren komen ze aangereden, - de groenteboeren het eerst; zij brengen kool, wortelen, rapen en meer andere wintergroenten voor de groenmarkt en lokken de negotianten uit het warme bed, naar de Prinsengracht. Dáár komen de kinderen Israëls hun te gemoet; zij hebben den naam van ‘vroeg op te staan’ - maar ze doen 't ook in werkelijkheid. Als er wat te verdienen is zijn zij, met loffelijken ijver, bij de hand, vóór anderen; zij duwen hun handkar voort en - moeder de vrouw zit er in! Waarom zou ze niet rijden? 't Kost niets meer en straks zal ze nog genoeg moeten loopen, als ze haar groenten gaat uitventen, want ‘moeder’ loopt even hard met de savooie kool of rapen, als ‘vader’ met Hoornsche wortelen en uien.
Na de groenten, de melk.
De melkboeren komen iets later naar stad, maar toch zijn ze van vijf uur af al op weg, omdat tusschen vijf en zes uur de ‘tollen’ open zijn. Achter en naast elkander rijden ze voort tot aan het ‘Stuivertje,’ op den hoek van de Vondel- en Stadhouderskade; dáár wordt 's morgens vroeg en ook tegen den avond, de melkmarkt gehouden. Alles en iedereen is daar druk in de weer; vóór de klok zes uur heeft geslagen wordt in ‘het Stuivertje’ reeds geloofd en geboden, gebitterd en gegeten, gekibbeld en weer vrede gemaakt.
De opkoopers wachten in die herberg de boeren af en voorzien zich van de noodige hoeveelheid melk die zij, op hunne beurt weer, aan de ‘slijters’ over doen. Veel buiten-boeren gaan zelf met hun wagens de stad in en enkelen onder hen bedienen zelfs particulieren, die liever niet van de Amsterdamsche melk-inrichtingen koopen, omdat ‘hun boer’ geen duinwater in zijn melk doet. - Gelukkig dat de kikkersloten niet klappen!”

 

 
Justus van Maurik (16 augustus 1846 - 18 november 1904)
Amsterdam, Overtoom. Vanaf de Stadhouderskade tot ongeveer bij de Anna Vondelstraat werd de Overtoom tot oktober 1901 de Vondelkade genoemd. Justus van Maurik werd geboren in Amsterdam.

Lees meer...

12-08-16

Dolce far niente, Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Marcellus Emants, Naoki Higashida

 

Dolce far niente

 

 
Uitgeest

 

 

Uitgeester volkslied

Dorpstrouw
(Melodie: 'Aan het Noordzeestrand', Will Tura)

Waar de golfjes kabbelen langs het Buitenmeer,
zet de binnenvisser 's avonds fuiken neer,
Waar de witte zeilen over het water gaan,
en het riet blijft groeien, eeuwig af en aan,
Daar in 't groen verscholen, ligt mijn mooi Uitgeest,
stipje op de landkaart, telt voor mij het meest.

Waar de gele treinen rijden af en aan.
vol met mensen die naar huis of werk toe gaan,
Waar men al 100 jaren melksuiker maakt,
en iedereen in juli, naar de kermis raakt,
Tussen boterbloemen traag het melkvee graast,
daar ligt mijn Uitgeest, dorpje zonder haast.

Waar de hopen staan van geurig goudgeel hooi,
en de tuintjes pronken met hun bloementooi,
Waar de twee spitse torens naar de hemel gaan,
en vijf watermolens in de polder staan,
Waar 't Oude Regthuis staat op het dorpsplein,
daar ligt mijn Uitgeest, daar leef ik pas fijn.

Waar in koude winters ligt een sprei van sneeuw,
op zijn wijde wieken drijft de zilvermeeuw,
Waar op gladde ijzers heel de dorpsjeugd zwiert,
over 't Binnenmeertje, dat de polder siert,
Heerlijk daar te wonen, dorp waar ik van hou,
jou, mijn mooi Uitgeest, blijf ik altijd trouw.

 

 
Poldermolen, Uitgeest

Lees meer...

12-08-15

Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Anthony Swofford, Stefano Benni, Marcellus Emants

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Dat is vandaag precies 60 jaar geleden. Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Tagebücher

„Geburtstag am D-Day
06.06.1944
Pacif. Palis., Dienstag den 6. Juni 1944. Invasion Frankreichs
Mein 69. Geburtstag. Stand ½ 9 auf. Es war neblig-aufklärend. Wurde von K. und der Schwarzen, die sang, empfangen. Während K. mir ihre Geschenke zeigte (Armstuhl fürs Schlafzimmer, Schlafrock, Platten, Ledernützlichkeiten, Seife, Süßigkeiten) rief Mrs. Meyer aus Washington an, von der ich, bevor ich die Zeitungen gesehen, erfuhr, dass die Invasion Frankreichs bei Caen, Calais, Le Havre begonnen hat. Eigentümliches Zusammentreffen. Beim Frühstück die Zeitungsnachrichten. Die Meyer erklärte, befriedigende direkte Nachrichten aus dem Kriegsministerium zu haben. Spannung auf coordinierte Aktionen der Russen. Telephon mit Franks. Man erwartet eine weitere Ansprache des Präsidenten. – Schrieb am Schluss des XVII. Kapitels. Besuch von Revy mit altem Goethe-Bändchen. Mittags auf der Promenade. Viel Post, Briefe von Kahler, Auerheimer. Nach Tische Gottlieb und Guggenheim mit Cigarren.

 

 
De villa die Thomas Mann liet bouwen in Pacific Palisades

 

Zum Thee Neumanns, ebenfalls mit Blumen und den rar gewordenen Cigarren. Telephon mit Heinrich. Blumen-Arrangements von der Meyer. 7 Uhr Werfels und Franks mit französ. Champagner, großer Ascheschale, Abendessen zu sechsen mit Champagner. Nach dem Kaffee auf Werfels Wunsch Vorlesung aus dem Roman: da Schleppfuß fehlte, das Kapitel mit Adrians Brief. Gespräch über die Welt des Buches. Nach Wefels Weggang liest Frank die für mich geschriebene Kino-Novelle. Gut gemacht. – Hörten 11 Uhr ausführliche Invasionsnachrichten aus Hollywood und London. – Blumentelegramme von Oprechts-Giese, Bermanns.“

 

 
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

Lees meer...

12-08-14

Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Anthony Swofford, Stefano Benni, Marcellus Emants

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Der kleine Herr Friedemann

„Die Amme hatte die Schuld. – Was half es, dass, als der erste Verdacht entstand, Frau Konsul Friedemann ihr ernstlich zuredete, solches Laster zu unterdrücken? Was half es, dass sie ihr ausser dem nahrhaften Bier ein Glas Rotwein täglich verabreichte? Es stellte sich plötzlich heraus, dass dieses Mädchen sich herbeiließ, auch noch den Spiritus zu trinken, der für den Kochapparat verwendet werden sollte, und ehe Ersatz für sie eingetroffen war, ehe man sie hatte fortschicken können, war das Unglück geschehen. Als die Mutter und ihre drei halbwüchsigen Töchter eines Tages von einem Ausgange zurückkehrten, lag der kleine, etwa einen Monat alte Johannes, vom Wickeltische gestürzt, mit einem entsetzlich leisen Wimmern am Boden, während die Amme stumpfsinnig daneben stand.
Der Arzt, der mit einer behutsamen Festigkeit die Glieder des gekrümmten und zuckenden kleinen Wesens prüfte, machte ein sehr, sehr ernstes Gesicht, die drei Töchter standen schluchzend in einem Winkel, und Frau Friedemann in ihrer Herzensangst betete laut.

 

 
Kamer in het Buddenbrookhaus in Lübeck

 

Die arme Frau hatte es noch vor der Geburt des Kindes erleben müssen, dass ihr Gatte, der niederländische Konsul, von einer ebenso plötzlichen wie heftigen Krankheit dahingerafft wurde, und sie war noch zu gebrochen, um überhaupt der Hoffnung fähig zu sein, der kleine Johannes möchte ihr erhalten bleiben. Allein nach zwei Tagen erklärte ihr der Arzt mit einem ermutigenden Händedruck, eine unmittelbare Gefahr sei schlechterdings nicht mehr vorhanden, die leichte Gehirnaffektion, vor allem, sei gänzlich gehoben, was man schon an dem Blicke sehen könne, der durchaus nicht mehr den stieren Ausdruck zeige wie anfangs ... Freilich müsse man abwarten, wie im übrigen sich die Sache entwickeln werde – und das Beste hoffen, wie gesagt, das Beste hoffen ...“
Das graue Giebelhaus, in dem Johannes Friedemann aufwuchs, lag am nördlichen Thore der alten, kaum mittelgrossen Handelsstadt. Durch die Hausthür betrat man eine geräumige, mit Steinfliesen versehene Diele, von der eine Treppe mit weissgemaltem Holzgeländer in die Etagen hinaufführte. Die Tapeten des Wohnzimmers im ersten Stock zeigten verblichene Landschaften, und um den schweren Mahagoni-Tisch mit der dunkelroten Plüschdecke standen steiflehnige Möbel.

 

 
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

Lees meer...

12-08-11

Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Marguerite Radclyffe Hall, Marcellus Emants

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

 

Uit: Buddenbrooks

 

Die allgemeine Munterkeit hatte nun ihren Gipfel erreicht, und Herr Köppen verspürte das deutliche Bedürfnis, ein paar Knöpfe seiner Weste zu öffnen; aber das ging wohl leider nicht an, denn nicht einmal die alten Herren erlaubten sich dergleichen. Lebrecht Kröger saß noch genau so aufrecht an seinem Platze wie zu Beginn der Mahlzeit, Pastor Wunderlich blieb weiß und formgewandt, der alte Buddenbrook hatte sich zwar ein bißchen zurückgelegt, wahrte aber den feinsten Anstand, und nur Justus Kröger war ersichtlich ein wenig betrunken.
Wo war Doktor Grabow? Die Konsulin erhob sich ganz unauffällig und ging davon, denn dort unten waren die Plätze von Mamsell Jungmann, Doktor Grabow und Christian frei geworden, und aus der Säulenhalle klang es beinahe wie unterdrücktes Jammern. Sie verließ schnell hinter dem Folgmädchen, das Butter, Käse und Früchte serviert hatte, den Saal - und wahrhaftig, dort im Halbdunkel, auf der runden Polsterbank, die sich um die mittlere Säule zog, saß, lag oder kauerte der kleine Christian und ächzte leise und herzbrechend.
"Ach Gott, Madamchen!" sagte Ida, die mit dein Doktor bei ihm stand, "Christian, dem Jungchen, ist gar so schlecht... "

 

 

 

Het graf van Thomas Mann in Kilchberg bij Zürich

 


"Mir ist übel, Mama, mir ist verdammt übel!" wimmerte Christian, während seine runden, tiefliegenden Augen über der allzu großen Nase unruhig hin und her gingen.
Er hatte das "verdammt" nur aus übergroßer Verzweiflung hervorgestoßen, die Konsulin aber sagte:
"Wenn wir solche Worte gebrauchen, straft uns der liebe Gott mit noch größerer Übelkeit! "
Doktor Grabow fühlte den Puls; sein gutes Gesicht schien noch länger und milder geworden zu sein.
"Eine kleine Indigestion... nichts von Bedeutung, - Frau Konsulin!" tröstete er. Und dann fuhr er in seinem langsamen, pedantischen Amtstone fort: "Es dürfte das beste sein, ihn zu Bette zu bringen... ein bißchen Kinderpulver, vielleicht ein Täßchen Kamillentee zum Transpirieren ... Und strenge Diät, - Frau Konsulin? Wie gesagt, strenge Diät. Ein wenig Taube, - ein wenig Franzbrot..."

 

 

 

Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

Lees meer...

02-07-11

Hermann Hesse, Wisława Szymborska, Pierre H. Dubois, Axel Brauns, Friedrich Klopstock

 

De Zwitserse (Duitstalige) schrijver Hermann Hesse werd geboren op 2 juli 1877 in Calw. Zie ook mijn blog van 2 juli 2010 en eveneens alle tags voor Hermann Hesse op dit blog.

 

Uit: Das Glasperlenspiel

 

„Es ist unsere Absicht, in diesem Buch das Wenige festzuhalten, was wir an biographischem Material über Josef Knecht aufzufinden vermochten, den Ludi Magister Josefphus III., wie er in den Archiven des Glasperlenspiels genannt wird. Wir sind nicht blind gegen die Tatsache, daß dieser Versuch einigermaßen im Widerspruch zu den herrschenden Gesetzen und Bräuchen des geistigen Lebens steht oder doch zu stehen scheint. Ist doch gerade das Auslöschen des Individuellen, das möglichst vollkommene Einordnen der Einzelperson in die Hierarchie der Erziehungsbehörde und der Wissenschaften eines der obersten Prinzipien unsres geistigen Lebens. Und dieses Prinzip ist denn auch in langer Tradition so weit verwirklicht worden, daß es heute ungemein schwierig, ja in vielen Fällen vollkommen unmöglich ist, über einzelne Personen, welche dieser Hierarchie in hervorragender Weise gedient haben, biographische und psychologische Einzelheiten aufzufinden; in sehr vielen Fällen lassen sich nicht einmal mehr die Personennamen feststellen. Es gehört nun einmal zu den Merkmalen des Geisteslebens unsrer Provinz, daß seine hierarchische Organisation das Ideal der Anonymität hat und der Verwirklichung dieses Ideals sehr nahe kommt.

Wenn wir trotzdem auf unsrem Versuche bestanden haben, einiges über das Leben des Ludi Magister Josefphus III. festzustellen und uns das Bild seiner Persönlichkeit andeutend zu skizzieren, so taten wir es nicht aus Personenkult und aus Ungehorsam gegen die Sitten, wie wir glauben, sondern im Gegenteil nur im Sinne eines Dienstes an der Wahrheit und Wissenschaft. Es ist ein alter Gedanke: je schärfer und unerbittlicher wir eine These formulieren, desto unwiderstehlicher ruft sie nach der Antithese.“

 

 

Hermann Hesse (2 juli 1877 – 9 augustus 1962)

Portret door Ernst Würtenberger, 1905

Lees meer...

12-08-10

Thomas Mann, Marguerite Radclyffe Hall, Marcellus Emants, Anthony Swofford, Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Jacinto Benavente, Réjean Ducharme, Robert Southey

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 12e augustus mijn blog bij seniorennet.be

  

Thomas Mann, Marguerite Radclyffe Hall, Marcellus Emants, Anthony Swofford

 

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 12e augustus ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Jacinto Benavente, Réjean Ducharme, Robert Southey

 

12-08-09

Marguerite Radclyffe Hall, Marcellus Emants, Anthony Swofford, Réjean Ducharme, Robert Southey


De Engelse schrijfster Marguerite Radclyffe Hall werd geboren op 12 augustus 1880 in Bournemouth.

 

Uit: Trials of Radclyffe Hall  (Biografie door Diana Souhami)

 

„On a summer day in 1884 a blue-eyed four-year-old with ash-blond hair walked with her English nurse in the old cemetery in West Philadelphia near her grandmother's house. It was quiet there, the day was clear, she could smell boxwood, pine and new-mown grass. She walked on a gravel path littered with tiny shells, which she stopped to collect. There were high trees to her right, an avenue ahead and, to her left, bare grass, mounds of earth and new graves.
A small group wearing black came toward her across the grass. A woman among them, tall, with a long veil and gloves, seemed to stare at her. Two of the men carried between them a white wooden box. The group stopped by a freshly dug hole beside which was a mound of earth. They lowered the box into the hole and a man began shoveling in earth. At the sound of the earth hitting the box, the woman jerked back. The movement made the girl think of her mechanical bear on its green baize stand at home in London. The woman bent over the hole in the ground then raised her face and screamed. She seemed to scream at the sky, the trees, the man shoveling earth and the little girl out with her nurse.
Consolation for such ontological terrors was not on offer to Marguerite Radclyffe-Hall from her mother, whom she feared and despised: "Always my mother. Violent and brainless. A fool but a terribly crafty and cruel fool for whom life had early become a distorting mirror in which she saw only her own reflection."
In two unpublished autobiographical pieces, Forebears and Infancy and Michael West, in letters and in fictional allusion in her novels, she defined her mother as grasping, violent andcapricious. "I cannot," she said, "keep the fifth commandment." Home for a child, she averred, should be a refuge, a place of affection and kindness. Hers was "bereft of security" and she was haunted by the feeling that something was wrong. "I pity those whose memories of home have been rendered intolerable as have mine. They and I have lost a great sweetness in life."

 

 

 

 

radclyffehallt
Marguerite Radclyffe Hall (12 augustus 1880 – 7 oktober 1943)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Marcellus Emants werd op 12 augustus 1848 in Voorburg geboren.

 

Uit: Vijftig

 

„Neen, het kind schreeuwde niet.

Hoe dwaas toch, dat zij geen uur-lang uit kon blijven, zonder in haar binnenste de vraag te hooren: wie weet, of i niet huilt en of die min 'm niet alleen heeft gelaten.

Dan had zij geen rust of duur meer. Dan joeg ze naar huis als een onvoorzichtige, die zich herinnert, dat hij zijn brandkast heeft open gelaten en.... dan vond zij nooit een rechtvaardiging voor haar onberedeneerde angst.

Ook nu weer hoorde zij noch in de gang, noch op de trap een enkel verdacht geluid en de warme bovenvoorkamer binnentredend vond ze er het mollige popje met lodderig gesloten oogen rustig liggen te zuigen.

De breedgeschouderde boerevrouw, die 't voedde, hief even het bruine hoofd op, zei kalm glimlachend:

‘O, wat is u weer gauw terug’ en keek toen weder neer op de volle, blanke borst en de rose lipjes, die er aan lurkten.

‘Heeft i niet geschreeuwd; is er niets gebeurd?’

‘Wel nee; wat wou d'r nou gebeuren? - 't Mankeert ommers niks.’

De leuke toon, waarop deze verklaring werd geuit, belette niet, dat het Mina te moede werd, alsof eensklaps een opwekkende stroom van levenskracht zich verbreidde door haar gansche rijzige gestalte. Zij voelde duidelijk de strafheid van haar rug, de vaste ronding in haar armen, de ruimte van haar borst en ze zag zich zelf daar staan als een toonbeeld van gezondheid met frisch roode wangen, stralend blauwe oogen en dik golvend, donker blond haar. Terwijl ze jakje en hoed aflegde, doorgloeide een heerlijke gewaarwording van trots en

[p. 2]dankbaarheid haar gemoed en het echode in haar hoofd: 't mankeert ommers niks; 't mankeert ommers niks!

Welk een zaligheid een kind, zóó'n mooi, zoo'n gezond kind te bezitten!

Ze voelde zich zoo gelukkig.... Ja, ze was gelukkig.... en toch... toch zweefde er over dat geluk een flets wolkschaduwtje heen. Het was wel klein en dun en zou zeker allengs verdwijnen; maar zij zag 't nog duidelijk als een donker vlekje midden in haar zonnig hoofd.“

 

 

 

 

Emants
Marcellus Emants (12 augustus 1848 – 14 oktober 1923)

 

 

 

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 12 augustus 2007 en ook mijn blog van 12 augustus 2008.

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Anthony Swofford werd geboren op 12 augustus 1970 in Fairfield, California. In 1990 vertrok Swofford naar Saoedi-Arabië om Koeweit van de Irakezen te bevrijden. Met vijftig kilo bepakking en zwaar bewapend ging hij de woestijnoorlog in. Swofford beleefde zes maanden van angst en verveling. Hij overleefde beschietingen van zowel Irakezen als de Amerikanen en overwoog zelfmoord. In 2003 verscheen zijn boek "Jarhead´ , een uniek persoonlijk verslag van moderne oorlogvoering en een reflectie op wat het is Amerikaan, soldaat en man te zijn. Na de Golfoorlog schreef Swofford verschillende verhalen en reportages. Deze artikelen werden gepubliceerd in onder meer The New York Times en Harper's. Zijn roman Exit A werd gepubliceerd in 2007.

 

Uit: Exit A

 

„This boy is an American, born on the third of July, 1972. While his mother spat and screamed through the life-endangering birth, his father and the orderlies and janitors lit illegal fireworks in the hospital parking lot. The men drank from bottles of bourbon and beer while leaning down to light Bottle Rockets and Flaming Marys and Wailing Jennys. His father supplied the armament and the devil's milk, and the matches, and most of the boisterous ranting and raving about God and Country and the Founding Fathers and the Mayflower and Plymouth Rock and the Salem witch trials and the Red Threat, that ungainly, bloody bear from the East.

The doctor held the boy upside down, and the safety of the womb became history. The room above the mother spun one hundred times, and she went under.

No one found the father, not even the orderly sent to look. So they slapped the boy's bottom and placed him in a crib, where he waited for someone with his same blood to come to consciousness. His aunt Mirtha was the first to appear at the hospital, and after cursing the father's name, she picked up the boy and performed an auntly show for him, baby talk and ego stroking and burp and bowel sounds. Because his aunt was present and cogent, and the nurses wanted to get down to the parade grounds for the base general's midnight fireworks display, they asked her to name the boy, and she did. This boy's name is Severin Boxx.

This girl's name is Virginia Sachiko Kindwall. She is the daughter of General Oliver Kindwall and Mrs. Oliver Kindwall, once known as Olive, though that was not her given name but simply a shortening of her husband's. Her given name was Nakashima Sachiko. Olive died on the birthing table at Travis Air Force Base in California, in July 1972. While she died giving birth to Virginia Sachiko, her husband, a major at the time, paced the base morgue while overseeing the identification and shipment home of the newest dead boys from Vietnam, some of the last. Later, Kindwall would tell his daughter that on the day of her mother's death and her own birth, the dead boys from Vietnam seemed much more dead than usual.“

 

 

 

 

swofford
Anthony Swofford (Fairfield, 12 augustus 1970)

 

 

 

 

De Canadese Franstalige schrijver Réjean Ducharme werd geboren op 12 augustus 1941 in Saint-Félix-de-Valois, Québec. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2008.

 

Uit: Ha ha!…

 

« SOPHIE : Tu vas venir t'asseoir puis jaser. Ça fait depuis mardi que je téléphone pour parler à du monde […] Tu vas te tenir tranquille puis tu vas m'écouter. / BERNARD : Que c'est que t'as, ma Puce? Qu'est-ce t'as donc?… Un problème? / SOPHIE : Niaiseux!… Niaiseux!… / BERNARD : Un problème sec sec sexuel… j'espère. / SOPHIE : Le seul que j'ai c'est celui que tu me donnes : puis il est comme toi : bien insignifiant!… (Repoussant la main de Bernard) Et puis tu vas me lâcher? Cinq minutes? Je parle! Je parle! / BERNARD : J'essayais de faire ton bonheur. / SOPHIE : Essaie avec tes oreilles! Je parle! / BERNARD : Parle! Parle! Je te dérangerai pas… je vais m'en aller… / SOPHIE : Attends. Tu me chicaneras tout à l'heure. Quand je t'aurai donné une bonne raison… parce que j'en ai une… une kapab… Bernard… eeeeeeeee… Bernard j'ai lâché ma job! / BERNARD : Ah ah!… Ah ah!… »

 

 

 

 

ducharmerejean
Réjean Ducharme (Saint-Félix-de-Valois, 12 augustus 1941)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Southey werd geboren in Bristol op 12 augustus 1774.  Samen met William Wordsworth en zijn vriend en zwager Samuel Taylor Coleridge wordt hij gerekend tot de Lake Poets, dichters die woonden en werkten in het Lake District. Hij bezocht de Westminster School (waar hij werd weggestuurd) en Balliol College aan de universiteit van Oxford. Hij publiceerde zijn eerste gedichtenbundel in 1794. Samen met zijn vrouw Edith leefde hij van een bescheiden inkomen. Vanaf 1809 leverde hij bijdragen aan de Quarterly Review en bouwde zoveel faam op dat hij in 1813 werd benoemd tot Poet Laureate

 

 

 

His Books 

 

MY days among the Dead are past;

   Around me I behold,

Where'er these casual eyes are cast,

   The mighty minds of old:

My never-failing friends are they,

With whom I converse day by day.

 

With them I take delight in weal

   And seek relief in woe;

And while I understand and feel

   How much to them I owe,

My cheeks have often been bedew'd

With tears of thoughtful gratitude.

 

My thoughts are with the Dead; with them

   I live in long-past years,

Their virtues love, their faults condemn,

   Partake their hopes and fears;

And from their lessons seek and find

Instruction with an humble mind.

 

My hopes are with the Dead; anon

   My place with them will be,

And I with them shall travel on

   Through all Futurity;

Yet leaving here a name, I trust,

That will not perish in the dust. 

 

 

 

 

 

Jsouthey
Robert Southey (12 augustus 1774 – 21 maart 1843)

 

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e augustus ook mijn vorige blog van vandaag.

12-08-08

Marguerite Radclyffe Hall, Réjean Ducharme, Marcellus Emants, Hans-Ulrich Treichel, Thomas Mann


De Engelse schrijfster Marguerite Radclyffe Hall werd geboren op 12 augustus 1880 in Bournemouth. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2007.

 

Uit: The Well of Loneliness

 

Sir Philip never knew how much he longed for a son until, some ten years after marriage, his wife conceived a child; then he knew that this thing meant complete fulfilment, the fulfilment for which they had both been waiting. When she told him, he could not find words for expression, and must just turn and weep on her shoulder. It never seemed to cross his mind for a moment that Anna might very well give him a daughter; he saw her only as a mother of sons, nor could her warnings disturb him. He christened the unborn infant Stephen, because he admired the pluck of that Saint. He was not a religious man by instinct, being perhaps too much of a student, but he read the Bible for its fine literature, and

Stephen had gripped his imagination. Thus he often discussed the future of their child: 'I think I shall put Stephen down for Harrow', or: 'I'd rather like Stephen to finish off abroad, it widens one's outlook on life'.

 

And listening to him, Anna also grew convinced; his certainty wore down her vague misgivings, and she saw herself playing with this little Stephen, in the nursery, in the garden, in the sweet-smelling meadows.

'And himself the lovely young man,' she would say, thinking of the soft Irish speech of her peasants; 'And himself with the light of the stars in his eyes, and the courage of a lion in his heart!'

 

When the child stirred within her she would think it stirred strongly because of the gallant male creature she was hiding; then her spirit grew large with a mighty new courage, because a man-child would be born. She would sit with her needle-work dropped on her knees, while her eyes turned away to the long line of hills that stretched beyond the Severn valley. From her favourite seat underneath an old cedar, she would see these Malvern Hills in their beauty, and their swelling slopes seemed to hold a new meaning. They were like pregnant women, full-bosomed,

courageous, great green-girdled mothers of splendid sons! thus through all those summer months she sat and watched the hills, and Sir Philip would sit with her--they would sit hand in hand. And because she felt grateful she gave much to the poor, and Sir Philip went to church, which was seldom his custom, and the Vicar came to dinner, and just towards the end many matrons called to give good advice to Anna.

 

But: 'Man proposes--God disposes', and so it happened that on Christmas Eve, Anna Gordon was delivered of a daughter; a narrow-hipped, wide-shouldered little tadpole of a baby, that yelled and yelled for three hours without ceasing, as though outraged to find itself ejected into life.’

 

 

 

 

radclyffe_hall

Marguerite Radclyffe Hall (12 augustus 1880 – 7 oktober 1943)

 

 

 

 

De Canadese Franstalige schrijver Réjean Ducharme werd geboren op 12 augustus 1941 in Saint-Félix-de-Valois, Québec. Ducharme leeft teruggetrokken in Montreal en sinds het verschijnen van zijn debuut in 1966 is hij nauwelijks geintersseerd in publiciteit. Naast schrijver is hij ook beeldend kunstenaar en maakt hij sculpturen. Zijn debuutroman, L'avalée des avalés, won

Le combat des livres, een wedstrijd die was uitgeschreven door de Canadese radio. Tevens werd het werk voorgedragen voor de

Prix Goncout.

 

Werk o.a.: Le nez qui voque (1967), La fille de Christophe Colomb (1969), Les enfantomes (1976), Va savoir (1994)

 

Uit: L'Hiver de force

 

"On sent qu'on va se sentir mieux quand on sentira bon. Frotte-moi fort, que ça parte en lambeaux, comme une mue. La peau de mon dos dort; frotte, frotte-la-moi bien fort. Cours chercher les ciseaux puis coupe mes cheveux. Ras! Comme un soldat qui a de l'estomac puis qui se dégonfle pas! Donne ton sein, agnus dei pour planter mes poignards, pour éclater mes obus, pour que ma bouche pourrie morde et loge son venin, pour emmitoufler mon cri, l'endormir, le faire rêver. Mange mon nez, mange mes pieds, vorace-moi toute; que tes dents crèvent les ampoules qui soulèvent ma peau, que tu lèches les gousses éclatées de tout ce mal. L'extrémité des caresses, c'est la mort; arrêtons-nous en pleine rage, au coeur du geste. Mourir, il ne faut pas être bien intelligent pour se donner la peine de faire ça, car c'est sans conséquences. Le propre de ta mort, c'est de ne rien te faire."

 

 

 

 

 

rejeanducharme_1975

Réjean Ducharme (Saint-Félix-de-Valois, 12 augustus 1941)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Marcellus Emants werd op 12 augustus 1848 in Voorburg geboren. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2007.

 

Uit: Lilith

 

Voltooid is 't grootsche werk. Het heerlijk beeld,

Dat scheppend zich Jehova dacht, zweeft vrij

In d' aether rond, door zonnegloed gedragen.

Aanbiddend staren de englen 't wonder aan,

Tot plotseling Jehova's heilge naam,

Door millioenen lippen uitgegalmd,

            Een donderslag gelijk, veel duizend malen

Van ster naar ster door 't eindloos ruim weerkaatst.

 

‘Looft, looft den Heer, die in ons sluimrend oog,

Den glans deed stralen van zijn majesteit!

Stort allen juichend neer, aanschouwt de wereld,

Welke uit het niet zijn blik te voorschijn riep!

Ziet hoe in de aarde een kiem van godlijk leven,

Op zijn gebod, in wondren zonder tal

Weldra zijn heerlijkheid zal openbaren’!

 

Zoo klinkt der englen zang door de eeuwge zalen,

Terwijl op aarde de eerste morgen daagt. -

Gelijk een kus van goddelijke lippen

Zinkt de eerste zonnestraal in Edens hof.

Het duister wijkt, het eeuwig zwijgen sterft,

En overal ontwaakt des levens pracht.

Een gouden gloed doorstroomt den morgenhemel,

Het koeltje suist, uit bloemengeur geboren,

De starre stroom verbreekt zijn winterboeien,

Het zwellend zaad ontkiemt in vruchtbare aarde,

Uit grauwe knoppen bloost een bloemtapijt

Met nooit aanschouwden glans van frissche kleuren,

Een dartle vlinderschaar zweeft fladdrend rond,

           

            Het stralend licht in bonte tinten brekend,

En door de bosschen ruischt een dankend lied

Vol morgenrood en goddelijke liefde. -

In 't midden van den hof blikt Edens heer

Nog spraakloos op de wondren om zich henen.

Wel hoort zijn oor de reine accoorden trillen,

Wel dwaalt zijn oog door 't bont gekleurd tafreel,

En drinkt zijn ziel der bloesems frissche geuren,

Maar 't brein kan nog de heerlijkheid niet vatten,

Die aan zijn blik eensklaps ontsloten werd. -

 

Nu stijgt de zon omhoog, en allerwege

Verkwijnt het grauw der laatste schaduwtint.

Daar dringt op eenmaal in den morgennevel,

Die over Adam's ziel ligt uitgespreid,

Verblindend helder de eerste lichtstraal door.

Hij heft de handen op, zijn doffen blik

Doorstroomt een gloed uit zonneglans gesproten,

En dankend paart zijn stem zich aan den jubel,

Welke al wat leeft in 't paradijs ontstijgt:

 

‘O! heerlijkheid, als mijn bewondrend oog

Tot op dees' dag er geene mocht aanschouwen,

Wie schiep uw pracht, wie schonk u aan mijn blik?

 

 

 

 

 

EMANTS

Marcellus Emants (12 augustus 1848 – 14 oktober 1923)

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver en germanist Hans-Ulrich Treichel werd geboren op 12 augustus 1952 in Versmold. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2007.

 

 

Halbinsel Gower

 

Die Luft liegt wie Molke auf Sträuchern
und Hecken. Hier hören die Barden
die Wildpferde singen. Ich höre nichts.
Seh nur zwei Schafe, die am Bushäuschen warten.
Das liegt an der Molke. Oder am Bier. Wir trinken
noch drei im Pub König Artus: der Zauberer
Nebel, Prinzessin Wolke und ich.

 

 

 

Erinnerung

 

Ich weiß nicht, woher ich den Apfelbaum
nehme, die Katze, den Schatten, der Großvater
saß nicht vorm Haus, und nirgendwo war da
ein Sommer, ein Schwimmbad,
kein Mädchen in Rosa und keine Kabine,
ich weiß nicht, woher ich die Brombeeren nehme,
die Frau mit der Schürze, den Mann auf dem Sofa,
das Fahrrad, das Fieber, der Fleck auf der Kachel.
Was wollten noch gleich die Schwalben am Himmel?
Wer waren die Leute am Küchentisch?

 

 

 

 

Hans-Ulrich_Treichel
Hans-Ulrich Treichel (Versmold, 12 augustus 1952)

 

 

 

 

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2006 en ook mijn blog van 12 augustus 2007.

 

Uit:  Buddenbrooks

 

Und es kam, es war nicht mehr aufzuhalten, die Krämpfe der Sehnsucht hätten nicht mehr verlängert werden können, es kam, gleichwie wenn ein Vorhang zerrisse, Tore aufsprängen, Dornenhecken sich erschlössen, Flammenmauern in sich zusammensänken. . . Die Lösung, die Auflösung, die Erfüllung, die vollkommene Befrie­digung brach herein, und mit entzücktem Aufjauchzen ent­wirrte sich alles zu einem Wohlklang, der in süßem und sehn­süchtigem Ritardando sogleich in einen anderen hinüber sank ... es war das Motiv, das erste Motiv, was erklang! Und was nun begann, war ein Fest, ein Triumph, eine zügellose Orgie eben dieser Figur, die in allen Klangschattierungen prahlte, sich durch alle Oktaven ergoss, aufweinend im Tremolando verzit­terte, sang, jubelte, schluchzte, angetan mit allem brausenden, klingenden, perlenden, schäumenden Prunk der orchestralen Ausstattung sieghaft daherkam. ..

Es lag etwas Brutales und Stumpfsinniges und zugleich etwas asketisch Religiöses, etwas wie Glaube und Selbstaufgabe in dem fanatischen Kultus dieses Nichts, dieses Stücks Melodie, dieser kurzen, kindischen, har­monischen Erfindung von anderthalb Takten… etwas Laster­haftes in der Maßlosigkeit und Unersättlichkeit, mit der sie genossen und ausgebeutet wurde, und etwas zynisch Verzwei­feltes, etwas wie Wille zu Wonne und Untergang in der Gier, mit der die letzte Süßigkeit aus ihr gesogen wurde, bis zur Erschöpfung, bis zum Ekel und Überdruss, bis endlich, endlich in Ermattung nach allen Ausschweifungen ein langes, leises Arpeggio in Moll hineinrieselte, um einen Ton emporstieg, sich in Dur auflöste und mit einem wehmütigen Zögern erstarb. ­

Hanno saß noch einen Augenblick still, das Kinn auf der Brust, die Hände im Schoß. Dann stand er auf und schloss den Flügel. Er war sehr blass, in seinen Knien war gar keine Kraft, und seine Augen brannten. Er ging ins Nebenzimmer, streckte sich auf der Chaiselongue aus und blieb so lange Zeit, ohne ein Glied zu rühren.”

 

 

 

 

Thomas_Mann
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

Thomas Mann op 9 jarige leeftijd

 

 

 

 

 

Buddenbrookhaus_um_1870
Het Buddenbrook huis rond 1870

 

 

 

12-08-07

Marcellus Emants, Marguerite Radclyffe Hall, Hans-Ulrich Treichel, Thomas Mann


De Nederlandse schrijver Marcellus Emants werd op 12 augustus 1848 in Voorburg geboren. Na zijn eindexamen aan het Haags gymnasium wilde Emants ingenieur worden, maar hij ging overeenkomstig de wens van zijn vader rechten studeren in Leiden. Hij publiceerde in deze periode essays, beschouwingen en poëzie in het mede door hem opgerichte tijdschrift Quatuor.

Toen zijn vader in 1871 overleed, stopte Emants, vlak voor zijn doctoraalexamen, met zijn studie. Door de erfenis van zijn vader was hij financieel onafhankelijk geworden en hij besloot te gaan reizen en zich geheel aan de literatuur te wijden. Tot op zekere hoogte kon Emants gezien worden als één van de eerste naturalisten in Nederland. Naturalistisch was in elk geval zijn streven naar wetenschappelijkheid en objectiviteit. Ook zijn voorkeur voor het beschrijven van pathologische figuren was een typisch naturalistische trek. Toen Emants in een voorwoord zijn Een drietal novellen (1879) verdedigde tegen de kritiek, beriep hij zich op Taine en de door Zola van Taine overgenomen wetmatigheden in de bepaaldheid van de mens: ras, milieu en moment. Van al zijn romans en novellen is het vooral de roman Een nagelaten bekentenis (1894) die nog herhaaldelijk herdrukt is. In 1994 verscheen van deze roman een herdruk in de reeks Nederlandse Klassieken.

 

Uit: Een nagelaten bekentenis

 

“Mijn vrouw is dood en al begraven.

Ik ben alleen in huis, alleen met de twee meiden.

Dus ben ik weer vrij; maar wat baat me nu die vrijheid?

Ten naastenbij kan ik krijgen, wat ik sinds twintig jaar - ik ben vijf en dertig - verlangd heb; maar thans durf ik 't niet nemen en zoo heel veel zou ik er toch niet meer van genieten.

Ik ben te bang voor elke opwinding, te bang voor een glas wijn, te bang voor muziek, te bang voor een vrouw; want alleen in mijn nuchtere morgenstemming ben ik me zelf meester en zeker te zullen zwijgen over mijn daad.

Toch is juist die morgenstemming ondraaglijk.

In geen mensch, geen werk, geen boek zelfs eenig belang te stellen, doel- en willoos om te dwalen door een leeg huis, waarin alleen het onverschillig schuwe gefluister van twee meiden rondwaart als het verre gepraat van bewakers om de cel van een afgezonderde krankzinnige, nog maar aan één ding te kunnen denken met het laatste beetje begeerte van een uitgedoofd zenuwleven en voor dat ééne ding te sidderen als een eekhoorntje voor de fascineerende blik van een slang... hoe houd ik zoo'n afschuwelijk leven dag in dag uit, ten einde toe, nog vol?

Zoo dikwijls ik in de spiegel kijk - nog altijd mijn gewoonte - verbaast het me, dat zoo'n bleek, tenger, onbeduidend mannetje met doffe blik, krachteloos geopende mond - velen zullen zeggen: dat mispunt - in staat is geweest zijn vrouw.... de vrouw, die hij op zijn manier toch lief heeft gehad..... te vermoorden.”

 

 

emants
Marcellus Emants (12 augustus 1848 – 14 oktober 1923)

 

De Engelse schrijfster Marguerite Radclyffe Hall werd geboren op 12 augustus 1880 in Bournemouth. Ze was enig kind van gescheiden ouders. Haar vader, Radclyffe Radclyffe-Hall, zag ze zelden. Hij stierf toen ze achttien was en liet haar een vermogen na dat haar toeliet vanaf haar eenentwintigste een zelfstandig leven te leiden. Met haar moeder en stiefvader had ze een moeilijke relatie. Op een occasioneel gedicht na, vulde ze haar dagen met jagen, plezier maken en vrouwen het hof maken. Tussen 1901 en 1907 reisde Hall in Amerika en het Europese vasteland in het gezelschap van vriendinnen met wie ze een romantische relatie had en die ze financieel onderhield. In 1906 publiceerde de jonge Hall een eerste dichtbundel: 'Twix Earth and Stars'. Aan deze manier van leven kwam een einde toen Hall haar eerste grote liefde ontmoette: Mabel Batten, door haar steevast 'Ladye' genoemd. Zelf werd ze door Mabel 'John' genoemd, een naam die ze voor de rest van haar leven zou gebruiken. Na een aantal gelukkige jaren begon het leeftijdsverschil door te wegen. In 1915 ging Radclyffe Hall een relatie aan met de zeven jaar jongere Una Troubridge, een nichtje van Mabel en getrouwd met Kapitein Ernest Troubridge. Una zou Halls tweede grote liefde worden, met wie ze samenbleef tot aan haar dood. Mabel voelde zich erg gekwetst door Halls ontrouw en tijdens een hoogoplopende ruzie tussen de drie kreeg Mabel een aanval. Ze stierf aan een hersenbloeding. In 1924 verscheen Radclyffe Halls debuutroman The Forge en daarna nam haar carrière een grote vlucht. Ze publiceerde in korte tijd nog drie romans (The Unlit Lamp – 1924, A Saturday Life – 1925 en Adam’s Breed – 1926), die allemaal op goede kritieken konden rekenen. Hoewel Radclyffe en Una heel open waren over de aard van hun relatie, werd Hall in 1928 pas echt een icoon en martelares van de lesbische levensstijl. In dat jaar verscheen haar deels autobiografische roman The Well of Loneliness.

Uit: The Well of Loneliness

 

“Love me, only love me the way I love you. Angela, for God's sake, try to love me a little don't throw me away because if you do I am utterly finished. You know how I love you, with my soul and my body; if it's wrong, grotesque, unholyhave pity. I'll be humble. Oh, my darling, I am humble now; I'm just a poor, heart-broken freak of a creature who loves you and needs you more than its life...I'm some awful mistakeGod's mistake I don't know if there are any more like me, I pray not for their sakes, because it's pure hell"

 

(…)

 

All the loneliness that had gone before was as nothing to this new loneliness of spirit. An immense desolation swept down upon her, an immense need to cry out and claim understanding for herself, an immense need to find an answer to the riddle of her unwanted being. All round her were grey and crumbling ruins, and under those ruins her love lay bleeding; shamefully wounded by Angela Crossby, shamefully soiled and defiled by her mother a piteous, suffering, defenceless thing, it lay bleeding under the ruins.”

 

 

 

Hall
Marguerite Radclyffe Hall (12 augustus 1880 – 7 oktober 1943)

 

De Duitse schrijver en germanist Hans-Ulrich Treichel werd geboren op 12 augustus 1952 in Versmold. In zijn roman Der Verlorene uit 1998 verwerkte hij het verlies van zijn broer op de vlucht vanuit het oosten tijdens WO II en de traumatische ervaringen van zijn ouders die ook op zijn jeugd van invloed waren. Treichel studeerde in Berlijn germanistiek, filosofie en politicologie en promoveerde op een studie over Wolfgang Koeppen. Sinds 1995 doceert hij aan het Deutsche Literaturinstitut Leipzig.

 

Uit: Der irdische Amor (2002)

 

„Das einzige, was ihm wirklich helfen würde, war ein Anruf bei Elena. Doch er fürchtete eine Abfuhr. Er konnte nicht von sich behaupten, dass er besonders viele Lebensweisheiten erworben hatte. Aber eine dieser Weisheiten war: Wenn du bedürftig bist, sinken deine Chancen. Das hatte er schon sehr früh gelernt, im Grunde schon als Kleinkind. Obwohl er als Kleinkind überaus bedürftig gewesen war, glaubte er sich daran zu erinnern, dass ihm die Mutterbrust immer dann zur Verfügung stand, wenn er keinerlei Hungergefühle zeigte. Sobald er brüllte, strampelte und schrie, war keine Mutterbrust zu sehen. Wenn er aber gleichgültig dreinschaute, tauchte vor ihm dieser große weiße Mond mit Warze auf und drückte sich auf sein Gesicht. Also hatte er irgendwann nicht mehr gebrüllt, gestrampelt und geschrieen, sondern selbst während größter Hunger- und Durstattacken gleichgültig in die Welt geschaut.

Auch später hatte er versucht, sich nach diesem Muster zu verhalten, musste aber irgendwann einsehen, dass die Vortäuschung von Bedürfnislosigkeit zu dem Missverständnis führte, dass er auch bedürfnislos war. Er war aber nicht bedürfnislos. Schon als Kleinkind hatte er diese Hungerstürme gehabt, die ihn orkanartig in seinem Bettchen hin und her schüttelten. Zu den Hungerstürmen war später diese ebenfalls orkanartige Sehnsucht nach dem weiblichen Geschlecht hinzugekommen. Auch dem Hunger nach dem weiblichen Geschlecht hatte er lange Zeit damit zu begegnen versucht, dass er jedem Mädchen gegenüber, sobald es ihn auch nur ein wenig interessierte, ein gleichgültiges Gesicht aufsetzte. ALs Kleinkind war er trotz seiner gleichgültigen Miene gefüttert und versorgt worden. Wenn er aber einem Mädchen Gleichgültigkeit vorspielte, dann konnte er sicher sein, dass nichts geschah.“

 

 

 

treichel
Hans-Ulrich Treichel (Versmold, 12 augustus 1952)

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2006.

 

Anders dan zijn zoon Klaus Mann disciplineerde en sublimeerde Thomas Mann zijn liefde voor mooie, jonge mannen. Hij weerstond de verleiding en ontleende er kracht aan voor zijn werk. Toch overviel hem af en toe die betovering die ook een geheim thema van zijn eigen leven was. Tijdens een zomervakantie op het eiland Sylt in 1927 leerde hij de zeventienjarige Klaus Heuser kennen. Door de onverwachte hartstocht voor de jongen raakte hij bijna uit zijn evenwicht. Alleen zijn vrouw Katia vermoedde iets van deze ongeleefde liefdesgeschiedenis en tolereerde het. Mann nodigde de jongen uit voor een bezoek aan München. Later kwam hij op deze belevenis vaker terug in zijn Tagebüchern:

 

„24. Januar 1934

 

Gestern Abemd wurde es spät durch die Lektüre des alten Tagebuchbandes 1927/1928, geführt in der Zeit des Aufenthaltes von K. H. in unserem Hause und meiner Besuche in Düsseldorf. Ich war tief aufgewühlt, gerührt und ergriffen von dem Rückblick auf dieses Erlebnis, das mir heute einer anderen, stärkeren, Lebensepoche anzugehören scheint, und das ich mit Stolz und Dankbarkeit bewahre, weil es die unverhoffte Erfüllung einer Lebenssehnsucht was, das “Glück”, wie es im Buche des Menschen, wenn auch nicht der Gewöhnlichkeit, steht, und weil die Erinnerung daran bedeutet: “Auch ich”. Es machte mir hauptsächlich Eindruck, zu sehen, wie ich im Besitz dieser Erfüllung an das Früheste, an A. M. und ihm folgende zurückdachte und alle diese Fälle als mitaufgenommen in die späte und erstaunliche Erfüllung empfand, erfüllt, versöhnt und gut gemacht durch sie. –“

 

21. September 1935,

 

“Darin unterbrochen durch den Besuch Klaus Heusers, der über Zürich gereist, mich 10 Minuten wiederzusehen. Unverändert oder wenig verändert, zart, knabenhaft geblieben mit 24, die Augen die gleichen. Sah viel in sein Gesicht und sagte “Mein Gott”. Merkwürdig, daβ ich hier noch kürzlich seiner gedachte, mit der Dankbarkeit, die ich auch in seiner Gegenwart wieder für damals empfand. Er erwartete, daβ ich ihn küβte, ich tat es aber nicht, sondern sagte ihm nur vorm Abschied etwas Liebes. Er ging sehr rasch, er muβte bald fort.”

 

20. Februar 1942,

 

Las lange in alten Tagebüchern aus der Klaus Heuser-Zeit, da ich ein glücklicher Liebhaber. Das Schönste und Rührendste der Abschied in München. Als ich zum ersten Mal der “Sprung ins Traumhafte” tat und seine Schläfe an meine lehnte. Nun Ja – gelebt und geliebet. Schwarze Augen, die Tränen vergossen für mich, geliebte Lippen, die ich küβte, - es war da, auch ich hatte es, ich werde es mir sagen können, wenn ich sterbe.“

 

 

 

 

MannThomas
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)