10-06-16

Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow, Ion Creanga

 

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan...

“Hij vond zich geen man om te trouwen. Hij was nog wel jong, acht-en-dertig; hij zag er zelfs véel jonger uit; hij verdiende geld genoeg met zijn artikels, om, met wat Elly meêkreeg van grootpapa Takma, het er zuinigjes op te wagen, maar hij vond zich toch volstrekt geen type om te trouwen. Zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid, zijn egoïste bewegelijkheid, die waren hem het liefst; en trouwen, dat was zich met gebonden handen en voeten overgeven aan een vrouw. Hartstochtelijk verliefd was hij niet op Elly - hij vond haar een intelligent en artistiek vrouwtje; om wat zij van grootpapa Takma zoû erven, deed hij het heùsch niet. Waaròm deed hij het dan - vroeg hij zich af, als hij zich reeds had afgevraagd, dag aan dag, gedurende die week, die gevolgd was op zijn aanzoek.
- Mama... kan jij me ook zeggen... waarom ik Elly gevraagd heb?
Mama Ottilie zag op. Ze was wel gewend aan zonderlinge en geestige vragen van Lot, en dan antwoordde ze hem in dien toon, voor zoo ver zij vermocht, maar deze vraag deed haar een stekel voelen van jaloezie, een stekel, die héel erg pijn deed, als een doorn, fyziek, in vleesch.
- Waarom je Elly gevraagd hebt? Ik weet het niet... We doen altijd dingen, en weten niet waarom...
Zoo zacht treurigjes klonk hare stem, boudeerend na de stoute-kindstem van zoo even. Had zij niet àlles verloren, wat zij ooit had gehad? Zoû zij Lot niet verliezen, hem moeten afstaan aan Elly... zoo als zij alles had moeten afstaan...
- U antwoordt zoo ernstig, mama. Dat ben ik niet van u gewoon.
- Mag ik dan alléen niet eens ernstig zijn...
- Waarom de laatste dagen, zoo ernstig, en treurig, en prikkelbaar... Is het omdat ik trouwen ga...
- Misschien is het wel daarom...
- U houdt toch wel van Elly...
- Ja wel, ze is lief...
- We moesten maar samen blijven wonen; Elly houdt ook van u; met Steyn heb ik er over gesproken...
Want zijn stiefvader, zijn twéeden stiefvader noemde Lot Steyn, kort-weg, nadat hij zijn eersten genoemd had, - hij toen een jongen, - ‘meneer’ Trevelley. Mama Ottilie was driemaal getrouwd geweest.”

 

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Scene uit de tv-serie met o.a. Caro van Eyck, Joan Remmelts en Paul Steenbergen, 1975-1976

Lees meer...

10-06-15

Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Oktay Rifat

 

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Extaze

“Dolf Van Attema was op zijne wandeling na den eten aangegaan bij de zuster zijner vrouw, Cecile Van Even, op den Scheveningschen weg, en hij wachtte in den kleinen voorsalon, wandelend tusschen de rozenhouten meubeltjes en de vieux roze moiré cauzeuses met de drie, vier groote passen, waarmeê hij de nauwte van het vertrekje telkens en telkens scheen over te meten. Achter de chaise-longue brandde op een onyxen zuil eene lamp van onyx, onder hare kanten kap zacht gloeiend als eene groote, zeshoekige lichtbloem.
Mevrouw was nog bij de jongens, die juist naar bed gingen, had de meid tot Van Attema gezegd en het speet hem zijn petekind, den kleinen Dolf, dien avond niet meer te zullen zien; hij had reeds even naar boven willen loopen om met Dolf in zijn bedje te stoeien, maar ook had hij zich aanstonds Cecile's verzoek herinnerd, dit toch nooit meer te doen; de jongen bleef uren wakker liggen na zoo een gedartel met oom. En hij wachtte dus nu, met een glimlach om die gehoorzaamheid, zijne schoonzuster af, steeds metende den kleinen salon met zijn pas van een stevig, kort man, ineengedrongen en breed, niet jong meer en wat ivoorachtig kalend onder zijn kort, donkerblond haar, zijne oogen klein-vriendelijk en prettig blauw-grijs, zijn mond beslist flink, - al glimlachte hij ook - in het rossige gekroes van zijn korten Germaan-baard.
Een houtblok brandde met een paar kronkeltongen in het haardje van nickel en verguld, als een vuurtje van stille intimiteit, als eene vlam van discretie, in die schemeratmosfeer van, met kant gedekt, lampeschijnsel, intimiteit en discretie verspreidden ook door geheel het nauwe vertrekje iets als een aroom van viooltjes, eene nuance van viooltjes-geur, die school in de zachtheid der tinten van behang en meubelen, - fletsch roze moiré en rozehout, - die hing in het hoekje der kleine rozehouten schrijftafel, met hare enkele zilveren zaakjes om te schrijven en hare portretten in gladde, glazen Mora-lijstjes; een kleine, witte, Venetiaansche spiegel daar boven."

 

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Lees meer...

09-01-15

Bas Heijne, Benjamin Lebert, Wessel te Gussinklo, Simone de Beauvoir, Theodor Holman, Danny Morrison, Kurt Tucholsky

 

De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Angst en schoonheid. Louis Couperus, mystiek der zichtbare dingen

“Beide boeken van Couperus die tijdens die zomermiddag met de studenten ter sprake kwamen – Noodlot als jeugdwerk, Van oude mensen als het werk van een schrijver op de toppen van zijn kunnen – zitten vol ervaringen, tragische en komische. Ze gaan over mensen met bij uitstek herkenbare emoties: jaloezie, verlangen, wreedheid, moordlust, geilheid, benauwdheid, onvrede, benepenheid, wanhoop, angst voor het leven, angst voor de dood, allemaal ingebed in voor ons nog herkenbare situaties.
Over die Couperus gaat dit essay. Het is geen biografische schets en ook geen literaire studie. Het is geen zelfhulpboek, waarmee Couperus weer aantrekkelijk gemaakt moet worden voor niet-lezers, door hem uit zijn literaire context te halen en te doen alsof hij ons tips geeft voor een gelukkiger leven –
Hoe Couperus je leven kan veranderen. Bij Couperus is de inzet altijd een dieper bewustzijn, een uitnodiging om beter te zien, het voelbaar maken van ambivalenties.
De vraag voor mij is niet waar Couperus het vandaan haalde, maar wat hij ermee gedaan heeft.
De stille kracht is een meesterwerk, maar als de roman alleen zou gaan over de fatale berekendheid van de Hollandse koloniale onderneming in Indië, zou die ons nu weinig meer te zeggen hebben.
Ik lees Couperus dan ook persoonlijk. De feiten van zijn leven gebruik ik alleen voor zover ze volgens mij licht werpen op zijn thema’s, zijn blik.
Waarom legde hij er in zijn feuilletons zo veel eer in echte omstandigheden te mengen met mensen en gebeurtenissen die verzonnen waren? En waarom loog hij in 1913 tegen zijn uitgever L.J. Veen, toen hij hem schreef dat zijn Italiaanse vriend de reis naar Spanje voor hem en zijn vrouw Elisabeth had betaald? Als deze Orlando, die in zo veel van zijn Franse en Italiaanse feuilletons opduikt, inderdaad een grotendeels verzonnen figuur blijkt te zijn, waarom verzon Couperus hem dan, zo laat in zijn leven, als rustige, viriele
imaginary friend? In hoeverre kan een kunstenaar die door kenners van zijn leven en werk ‘narcistisch’ en ‘egocentrisch’ genoemd wordt, zich oprecht het lot van de lijdende mensheid aantrekken? Waarom zijn de zelfportretten in zijn romans zo dodelijk – intelligente en fijnzinnige, maar uiteindelijk steriele estheten als Vincent in Eline Vere, Paul in De boeken der kleine zielen en Lot in Van oude mensen?
En waarom wisselde Couperus zijn grote psychologische romans zo gretig af met een zwaar symbolistisch proza, dat, zoals hij het zelf uitdrukte, slechts ‘la beauté pour soi-même’ leek na te streven? Dat hij de gekunstelde poëzie, waarmee hij zijn loopbaan als schrijver begon, van de ene dag op de andere opzijschoof voor de psychologische diepteboring die Eline Vere is, laat zich niet enkel en alleen verklaren door zijn jeugdigheid – de jonge schrijver die na een al te romantisch begin zijn ware talent ontdekt. Daarvoor laat de mooischrijver zich daarna nog te vaak zien.”

 

 
Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

Lees meer...

10-06-14

Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Oktay Rifat

 

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit De lof der luiheid

“Orlando ligt lang uit. Hij ligt uitgestrekt op den langen stoel, zijn donker hoofd tegen een rood leêren kussen en nooit heb ik zoo een rust bewonderd als in de houding van Orlando. Hij is de kalme, harmonische rust. Hij zoû op dit oogenblik kunnen pozeeren voor den god van de rust. Zijn groot, mooi, sterk lichaam ligt lang uit, op den rug; zijn donkere haren en verbruind gezicht komen prachtig uit op het lichtere rood leêren kussen; zijn eene sterke hand hangt af van de leuning van den stoel; zijn andere houdt de sigarette aan zijn lippen. Zijn oogen zien recht voor zich uit, naar den zilverigen beker der zee daar ginds. Zijn oogleden knippen soms zachtjes. Hij blaast kalm de rook uit. Zijn adem gaat regelmatig en zijn borst is heel breed in zijn slappe hemd, waarlangs zijn flanellen jas wegvalt, ontdekkend de breed leêren bretels, die vast geknoopt zijn aan den heel hoogen band van zijn broek. In zijn houding van volmaakte rust, blijft hij er sterk, gezond en daarom harmonisch uitzien.
(…)

Zit je goed? vraagt Orlando.
- Ja.
- Vindt je de cypressen mooi?
- Ja.
Zijn stem heeft een beetje gespot. Ik sluit mijn oogen.
- Slaap! zegt Orlando, en drukt mij tegen zich.
… Dit even nu vast te houden. Een oogenblik rust te hebben in mijn bewegelijke, veranderlijke ziel. Niemand dan Orlando kan het mij geven. Slaap, heeft hij gezegd, meer uit liefkoozing, dan uit ernst. Maar niet IK… HIJ slaapt binnen twee minuten, tegen mij aan, zijn hoofd tegen mijn hoofd. Wat is hij kalm, wat slaapt hij kalm! Wat is het heerlijk, zóo kalm te zijn! Het is bijna niet van de wereld. Het is als iets bovenaardsch. Hoe regelmatig gaat zijn korte adem. Hoe kan je, zoo in eens, slapen! En zelve héel kalm geworden, verroer ik mij niet, en zie naar de cypressen. Ik voel mij, bijna, gelukkig. Maar op den grond van mijn ziel blijft iets trillen, een weemoed… en een nooit te stillen onrust… naar verandering, naar verandering… Ik ben het, die opzucht en Orlando wordt wakker.
- Heb je geslapen? vraagt hij.
Ik lach. Hij lacht ook."

 

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Cover

Lees meer...

10-06-13

150 jaar Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken

 

150 jaar Louis Couperus

 

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Dat is vandaag precies 150 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

 

Uit: De stille kracht

 

« Maar al mijmerde hij niet, de stemming was onafweerbaar, als een druk op zijn breede borst, als een ziekte van teederheid, een malaise van sentimentaliteit in zijn anders heel praktisch gemoed van hoofdambtenaar, die hield van zijn werkkring, van zijn gewest; die hart had voor de belangen er van, en wien het bijna onafhankelijk gezag van zijn betrekking geheel in harmonie was met zijne heerschersnatuur; die met zijn krachtige longen zijn atmosfeer van wijden werkkring en ruim veld van zoo verscheiden arbeid, met even veel genot gewoon was te ademen, als hij nu ademde, den wijden wind van de zee. De begeerte, het verlangen, een heimwee, waren dien avond vooral, vol in hem. Hij voelde zich eenzaam, niet alléen om het izolement, dat een hoofd van gewestelijk bestuur altijd min of meer omringt, wien men òf nadert conventioneel glimlachend-eerbiedig, om conversatie, òf kort, zakelijk-eerbiedig, om zaken. Hij voelde zich eenzaam, hoewel hij vader was van een huisgezin. Hij dacht aan zijn groote huis, hij dacht aan zijn vrouw en zijn kinderen. En hij voelde zich eenzaam, en alleen gedragen door het belang, dat hij stelde in zijn werk. Het was hem alles in zijn leven. Het vulde al zijne uren. Er over denkende sliep hij in, zijn eerste gedachte was voor het een of ander gewestelijk belang.

In dit oogenblik, moê van het cijferen, opademende in den wind, ademde hij tegelijk met de frischheid van de zee den weemoed van de zee in, den geheimzinnigen weemoed der Indische zeeën, den opspokenden weemoed der zeeën van Java; de weemoed, die aanruischt van verre als op suizende wieken van geheimzinnigheid. Maar zijn natuur was niet om zich over te geven aan mysterie. Hij ontkende het mysterie. Het was er niet: er was alleen de zee en de wind, die frisch was. Er was alleen de walm van die zee, als iets van visch en van bloemen en zeewier; walm, die de frissche wind uitwoei. Er was alleen het oogenblik van herademing, en wat hij, onafweerbaar, voor geheimzinnigen weemoed voelde toch sluipen in zijn, dien avond, wat weeke gemoed, dacht hij te zijn om zijn huislijken kring, dien hij liever wat nauwer gevoeld had, dichter sluitende om wat in hem was vader en echtman. Was er van weemoed noch iets, dan was het dàt. Uit de zee kwam het niet; uit de lucht aan, van verre, niet. Hij gaf zich niet over aan een allereerste sensatie van wonderlijkheid... En hij plantte zich steviger, welfde zijn borst, richtte-op zijn flinken, militairen kop en snoof, en snoof den walm in en den wind...

De hoofdoppasser, neêrgehurkt, met zijn gloei-vuurtouw in de hand, gluurde aandachtig op naar zijn heer, als dacht hij: wat doet hij hier zoo vreemd te staan bij den vuurtoren... Zoo vreemd, die Hollanders... Wat denkt hij nu... Waarom doet hij zoo... Juist op dit uur op deze plek... De zeegeesten waren nu om... Er zijn kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest... Zie, daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den vuurtoren... Wat doet de Kandjeng Toean nu hier... Het is hier niet goed, het is hier niet goed... tjelaka, tjelaka... En zijn spiedende oogen gleden op en neêr langs den breeden rug van zijn heer, die maar stond en uitzag... Waar zag hij naar toe...? Wat zag hij aanwaaien in den wind...? Zoo vreemd, die Hollanders, vreemd... »

 

 

 

Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Met zijn vrouw (rechts) op Sumatra, 1921 

Lees meer...

10-06-12

Jacques Perk, Louis Couperus, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken

 

De Nederlandse dichter Jacques Fabrice Herman Perk werd geboren in Dordrecht op 10 juni 1859. Zie ook mijn blog van 10 juni 2011.

 

 

Twee rozeblaadjes

 

Zie, hoe de beek langs enge boorden schiet,
En 't rozeblaadje met zich mede-draagt,
Dat vrolijk langs de harde oever vliet,
En draait en wendt, naar 't aan zijn hart behaagt.

Dat andre zoekt de grauwe rots, waar niet
Die domme beek zijn vrije wil belaagt;
En toen 't uit vrije keus te bersten stiet,
Had het zich toch tot volgen niet verlaagd:

Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft;
Dat iets verrichten kán het, want het moet,
En 't voelt zich vrij in 't slaaf-zijn van een wet:

Slaaf, wie zich tegen wat hij moet, verzet,
Maar vrij de wil, van wie al willend doet
De wil van wat geluk en vrede geeft!

 

 

 

 

Dorpsvesper

 

Heen is de dag - de nacht nog niet geboren
En langs de bergen wademt avond-dauw
De vogel laat een laatst geneurie horen
In roerloze aandacht luistert de landouw

De zwerver daalt, in zielsgepeins verloren
In 't dal, en naar 't gehucht van wit en grauw
Daar klinken vrome tonen uit de toren -
De star der liefde flinkert zilver-blauw

Het kerkje bracht, wie danken wilden, samen
En wierook en gezang golft uit de poort
En op het dankgebed zegt alles "amen" -

De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weer voort;
Waar zoveel eensgezinden samenkwamen,
Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord

 

 

 

Avond

 

Wanneer in ademloze schemerschijn
De vleermuis zwijgend wiekt in lage kringen,
En de aarde staart naar de eerste tintelingen
Der zilvren spangen van het nachtgordijn;

Als dan door 't loof der luistrende jasmijn
De luwtjes geur'ge wiegeliedren zingen,
En sluimer daalt op brede duivezwingen...
Dan is het zalig, om alleen te zijn.

Dan is het zalig, 't lachend oog te luiken,
Waar fulpen rust op neerzijgt, die verkwikt,
En leeft van 't zoete liefdedromen sluiken.

O, driewerf zalig, wie het werd beschikt,
Om in de zee der sluimring neer te duiken
Als daar een lief gelaat hem tegenblikt!

 



Jacques Perk (10 juni 1859 - 1 november 1881)
Portret door
Herman van der Voort in de Betouw. 1870

Lees meer...

10-06-11

Louis Couperus, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 juni 2010 en eveneens alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

 

Uit: Eline Vere

 

“Men verdrong zich in de, tot kleedkamer ingerichte, eetzaal. Voor een psyché stond Frédérique Van Erlevoort, met los hangende haren, zeer bleek onder een dunne laag poudre de riz, de wenkbrauwen als door een enkele penseelstreek zwarter getint.

- Haast je dan toch, Paul! We komen nooit klaar! zeide ze, een weinig ongeduldig, met een blik op de pendule.

Voor haar knielde Paul van Raat, en zijn vingers plooiden een langen, ijlen sluier, van goud en karmozijn, als een draperie om haar middel. De stof wolkte op het roze fond van haar onderkleed; haar hals en armen waren, sneeuwwit van de veloutine, vrijgelaten en flonkerden in den glans van, door elkander gestrengelde, snoeren en ketenen.

- O, wat een tocht! Hoû toch de deur dicht, Dien! gilde Paul een oude meid na, die, bevracht met eenige japonnen, de kamer verliet. Door de open gelaten deur zag men gasten, gerokte heeren en licht gekleede dames; zij begaven zich langs de aralia's en palmen van den corridor naar de groote suite; zij glimlachten om de oude meid en wierpen een steelschen blik naar binnen.

Allen schaterden om die verrassing, dien blik achter de coulisses; alleen Frédérique bleef ernstig, in het bewustzijn, dat zij de waardigheid eener antieke vorstin had op te houden.

- Haast je toch, Paul! sprak zij, bijna smeekend. Het is reeds over half negen!

- Ja, ja, Freddy, wees maar niet bang, je bent al klaar! antwoordde hij, en handig schikte hij eenige juweelen tusschen de gazige plooien harer draperie.

- Klaar? vroegen Marie en Lili Verstraeten, uit de kamer komende, waar de estrade was opgeslagen: een geheimzinnige verhevenheid, als uitgewischt in een halfduister.

Klaar! antwoordde Paul. En nu, alsjeblieft kalmte! vervolgde hij, terwijl hij zijn stem verhief en gebiedend in het rond zag.

De vermaning was noodig. De drie jongens, de vijf meiden, welke als kameniers dienst deden, liepen in het, met allerlei accessoires opgevulde, vertrek elkaâr in den weg, lachende, gillende, de grootste wanorde veroorzakend. Te vergeefs poogde Lili een gouden bordpapieren lier uit de handen te redden van den twaalfjarigen zoon des huizes, terwijl de beide bengels van neven op het punt waren tegen een groot wit kruis aan te klimmen, dat, in een hoek der kamer geplaatst, onder hun aanvallen reeds wankelde.“

 

 

Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Standbeeld op het Lange Voorhout, Den Haag

Lees meer...

10-06-10

Louis Couperus, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Ion Creanga, Norbert Bugeja


De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blog van 16 juli 2006.

 

Uit: De berg van licht

 

“In den zoelen nacht van nazomer triltintelden over Emessa aan wijd effen hemel van wolkenlooze nachtkleur de duizende en duizende kristallen sterren, en tusschen de schitterendste vulde de hemelafgrond zich met fijner gepoeier van licht, terwijl daar omheen weêr kleinere dan die zongroote, maar grootere dan zoó poeierfijne geprikt waren in onbenaderbaren overdaad, als waren van starrenweelde de goden dronken geweest, als hadden zij allen, de goden, alle de starren uitgezaaid in zwijmelende lichtdronkenschap. En dwars over dien hemel van weelde blankte de breede en uitvloeiende Melkweg, nauwlijks als een sluier en meer als een glorie, en een pad van triomf voor den oppergod, gepoeierd met lichtstof, gestapeld met sterren, zoo vele, dat de

voeten der goden, welke er over heen zouden gaan, daar zeker in verzinken zouden als in een gouden zand, diep.

Onder zoo overdadige nazomernacht lijnden de tempelgebouwen breed, ver, en hoog op, met glans aangegeven kroonlijsten, en met afzonderlijken terrasvormigen toren, wiens top versmalde en vervaagde in het lichtelijke niets. In een dicht bladergeheim van tuinen, stille van wind, lagen in het wijde park de tempel-gebouwen verspreid, blankten nu aangelicht marmer of grauwden dof van graniet, streepten zuilen zich rank, en verloor zich het al in geboomte-schaduwen, waartegen, lichtovergoten van rijzende maan, reusachtige agaven opstaken hare zwaarden òf wit òf zwart, naar mate het maanlicht zijn glans veegde aan de lemmers dier bladeren, of dat zijzelve zich spietsten in schaduw en wègpriemden in nacht. Een oranjegeur zweefde als een wierook, zwaar en bijna onadembaar, en daartusschen hielden de Syrische rozen hare gillende kreten van lustverlangen làng aan....”

 

 

 

louiscouperus0cv
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

 

 

 

 

De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal.

 

Uit: Humboldt's Gift

 

„He was waiting between the lions in front of the Institute, exactly as expected in the cloak and blue velvet suit and boots with canvas sides. The only change was in his hair which he was now wearing in the Directoire style, the points coming down over his forehead. Because of the cold his face was deep red. He had a long mulberry-colored mouth, and impressive stature, and warts, and the distorted nose and leopard eyes. Our meetings were always happy and we hugged each other. "Old boy, how are you? One of your good Chicago days. I've missed the cold air in California. Terrific! Isn't it. Well, we may as well start right with a few of those marvelous Monet's." We left attached case, umbrella, sturgeon, rolls, and marmalade in the checkroom. I paid two dollars for admission and we mounted to the Impressionist collection.
There was one Norwegian winter landscape by Monet that we always went to see straightaway: a house, a bridge, and the snow falling. Through the covering snow came the pink of the house, and the frost was delicious. The whole weight of snow, of winter, was lifted effortlessly by the astonishing strength of the light. Looking at this pure snowy dusky light, Thaxter clamped his pincenez on the powerful twisted bridge of his nose with a gleam of glass and silver and his color deepened. He knew what he was doing. With this painting his visit began on the right tone.“

 

 

 

bellow

Saul Bellow (10 juni 1915 - 5 april 2005)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag.

 

Uit: De schriften wachten

 

“Hoe vreemd het ook mag klinken, het zijn veelal de personages die me gaandeweg de details aanreiken en voor een onverwachte wending zorgen. Ik beleef een en ander zelfs fysiek. Zo kreeg ik herhaaldelijk koorts en werd door benauwdheid overvallen toen ik Van Lieverlede schreef, en na een passage over de snoeplust van Anton Hofman in Overspel zat ik met een tong rauw van het kauwen, al had ik niet de beschreven drop en chocola verorberd. Ik heb mededogen met ze, heb een aversie voor ze, walg van ze, houd van ze. Ik kan om ze en met ze woedend en sentimenteel zijn, maar ik kan ze ook met distantie bezien, al verkeren ze in nog zo’n penibele situatie. Ik ben ze dankbaar, ook of misschien juist als ze ver van me afstaan. Ik kan schik en vilein plezier in ze hebben, zoals in de oude kinderhater Ratti (in het kinderboek Meneer Ratti) en de jonge Maria (in De rode strik). Ook Florrie (in De laatste gasten) kon, al is ze als verteller niet voortdurend nadrukkelijk aanwezig, zo’n bezit van me nemen dat ik er verstrooid door raakte. Het verbaasde me daarom niet maar gaf me wel een rilling toen ik, niet ver voor het eind van de roman, in haar kleine zolderkamer, naast haar spaarzame bezittingen, een vertaling van Henry James’ spookverhaal The turn of the screw zag liggen.

Als mensen me vragen ‘hoe ik er op kom’ of ‘waar ik het allemaal vandaan haal’, kan ik net zo goed kort en eerlijk antwoorden dat ik het lang niet altijd weet, dat het behoort tot het duistere terrein van de fantasie. Ik wil dat graag zo laten.”

 

 

 

 

mensje_van_keulen
Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden.

 

Uit: Afleiding is het brood van de schrijver (Interview met Remco Campert)

 

“‘Die prijs zal het schrijven extra stimuleren. Jarenlang heb ik bijna niet kunnen schrijven. Ik had er geen zin meer in. Tegen het schrijven voelde ik een fysieke afkeer. Ik dacht er wel aan, maar ik werd geteisterd door een verlammende twijfel. Die column in HP was zo'n beetje het enige wat ik schreef, en ook dat kostte me soms moeite. Het schrijfvuur ontbrak, ik vroeg me af of ik ook de tweede helft van mijn leven met schrijven moest vullen. Aanvankelijk was het antwoord op die vraag: nee. Ik had geen zin meer in het gedoe. Maar na enige jaren kwam ik erachter dat het schrijven het enige is wat ik kan. En dat het een van de leukste dingen is om te doen.

Geen schrijver ontkomt aan zo'n crisis. Op een gegeven moment vraag je je af: waar ben je mee bezig? Niet iedere schrijver kan het zich permitteren aan zo'n crisis toe te geven, sommige schrijvers moeten, om de centen, doorgaan, ook al hebben ze er geen zin meer in. Ik kon het me godzijdank veroorloven een paar jaar te stoppen.

Ik ben jong begonnen, ik debuteerde op mijn achttiende. De eerste boeken heb ik argeloos geschreven, fris van de lever, ik heb nooit bij het creatieve proces stilgestaan. Ik schreef, het ging goed, en mijn boeken verkochten. Ja, god, het kostte geen enkele moeite. Het ging als vanzelfsprekend. Nu ben ik ouder geworden, het vuur van de jeugd is gedoofd, het einde van mijn leven komt in zicht.”

 

 

 

jan_brokken

Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)

 

 

 

Zie voor de vier bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007  en ook mijn blog van 10 juni 2008 en ook mijn blog van 10 juni 2009.

 

 

 

 

De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.en ook mijn blog van 10 juni 2009.

 

 

The Cemetery For Turkish Soldiers

 

I

 

I'm a sailor in the navy,

fishes ate my eyes.

Seeing and weeping are over for me.

I was tall in my life,

if you don't believe me

look at my clothes.

 

Someone says -I'm a soldier too,

no different from the other dead.

Once we lived in houses.

Now we're outside the doors,

we pass through the wall.

 

And another says -

Don't believe them,

they're all liars,

we don't exist.

 

II

 

To enter my room with more ease

they come in the form of dead relations.

I look -it's an uncle or brother.

I look -it's a Polish sergeant

and at once he speaks.

 

I had a daughter five years old.

She's dead, now we're together.

She's fed-up here,

she can't roll a hoop,

she left her hands behind in Warsaw.

 

A voice says -

No potatoes to hoe,

no stones to break,

no burdens to carry to market,

I'm at peace here.

 

One is worried about his wife.

He asks me news from home.

 

When I died

they took my greatcoat.

I'm cold,

winter's ahead.

 

Then they speak as one.

 

 

 

 

Vertaald door Ruth Christie

 

 

 

 

Rifat
Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)

 

 

 

De Duitse schrijver Peter Kurzeck werd geboren op 10 juni 1943 in Tachau, Bohemen.

 

Uit: Oktober und wer wir selbst sind

 

„Schächtelein sagt Carina zu den Lackkästchen. Kleiner als Bierdeckel und Zigarettenschachteln die Bilder mit den Flüssen, die groß wie der Himmel sind. Und manche Tage, besonders im Sommer, ist hier vor dem Laden und ringsum in allen Straßen so ein helles Licht. Überall in der Stadt und weit in das Land hinaus dieses Licht. Nicht nur die Vororte, Großbaustellen und Autobahnabfahrten ? die ganze Mainebene, Taunus, Wetterau, Spessart, Odenwald, Bergstraße. Weithin das Licht und du mußt eine Weile stehen bleiben und es dir für immer merken. Und wenn du dann weitergehst in diesem Licht, dann kommt dir vor, es ist das gleiche Licht wie auf den kleinen Bildern. Der Abglanz des Abends. Bilder, die nur aus kaum drei Strichen bestehen, also hauptsächlich Licht auf den Bildern. Wie kostbare Seide das Licht, wie sehr heller Tee. Darjeeling. Das gleiche Licht, in dem du manchmal am Abend müd heimgehst. Und einmal, das weißt du, einmal wirst du in so einem Licht aus der Stadt hinaus. Zu Fuß. Wie ein Wanderer auf einem Bild. Vielleicht als Kind einmal so ein Bild gesehen und den Wanderer auf dem Bild. Und ihm lang nachgesehen, weil er vorher mit dir gesprochen hat und dir zugenickt, bevor er dann weiterging in das Bild hinein. Aber kein Licht jetzt. Die Scheibe beschlagen. Nebel und Dämmerung. Und immer wieder große und kleine Monde an der Scheibe vorbei. Immer andere. Langsam. Halbmonde, Monde und Nebelsonnen. Einmal der Tee noch zu heiß. Einmal trinkst du ein Glas und gleich bleibt die Zeit stehen. Gleich auch so eine Nähe zu dir selbst. Du trinkst drei-vier Gläser in kaum fünf Minuten. Und stehst da, noch eben dein ganzes Leben im Gedächtnis und jetzt fällt nichtmal dein Name dir ein. Wer bin ich? Und warum hier?“

 

 

Peter-kurzeck

Peter Kurzeck (Tachau, 10 juni 1943)

 

 

 

 

De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti.

 

Uit: Two money bags

 

"It was once an old woman and an old man. Hen eggs old woman is two times per day, and eat lots of eggs Baba and the old man did not give him any. One day the old man lost his patience and said:
- Hey Baba, eat like the borough of Flint. Let me also take some eggs to even catch my appetite.
- Yes' as not, "said the old woman who was very stingy. If you are craving eggs, and you beat your rooster to make eggs and eat them, so I knocked that chicken and eggs as a iacătă.
Old man, greedy and greedy old woman is taken by mouth and rage comes rather quickly and rooster and giving him a good beating, saying:
- Na! or you eggs, or go to my house, not to spoil the food for nothing.
Rooster, as the old man escapes from his hands, go home and walk the roads, bezmetec. And as he went on the road, only two iaca found a bag with money.“

 

 

 

Ion_Creanga_bust

Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)

Buste in Iasi

 

 

Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 10 juni 2009.

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi in 1980. Zie ook mijn blog van 10 juni 2009.

 

 

 

LAS RAMBLAS, 15.45 p.m.

The Sailor sits beneath the bastions of El Corte Ingles,
a scrawny cat, gnawing at the sun with his vile oaths
and unknotting the yarns that prod him in his sleep.
The very shape of him, like waves of vintage radios
stinks in between one country and another,
snatches words uttered, and those slain,
and then transmits the moral of the story —
an olive-skinned giggle, a filterless cigarette
and two italians trailing a one-nighter.

Ola mujer, que pasa? Ostia puta.

If you come into the complex and start climbing
one floor after another,you can look down
and see him curse from every point of view:
trussardi, zegna, fnac and valentino
regard you with a slightly bizarre beard
downing the sun beneath a scorching beer. . .

And if you get to the top floor and gaze,
down at this city that loves you by the rate
you may be late — by then the Sailor will have picked
the pick of tales to date.

 

 

 

norbert_bugeja
Norbert Bugeja (Siġġiewi, 1980)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 juni 2007.


De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanovićwerd geboren in Zagreb op 10 juni 1796.

10-06-09

Louis Couperus, Saul Bellow, Oktay Rifat, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Peter Kurzeck, Ion Creanga, Norbert Bugeja


De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blogs van 10 juni 2006 en van 16 juli 2006 en mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.

 

Uit: Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan...

 

De diepe basstem van Steyn klonk in de vestibule.

- Kom Jack, kom hond, kom je meê met den baas! Kom je meê!?

De blijde blaf van den terrier galmde op, en néêr over de trap stormde zijn uitbundige vaart, als struikelde hij over zijn eigen pooten.

- O, die stem van Steyn! siste mama Ottilie tusschen hare tanden, en zij sloeg driftig bladen om van haar boek.

Charles Pauws zag haar rustig aan, met zijn glimlachje, zijn lach om mama. Hij zat, vóór hij naar Elly zoû gaan, na den eten bij zijn moeder en hij dronk zijn kopje koffie. Steyn ging met Jack uit; de avondstilte effende zich door het kleine huis, en in de zitkamer, onpersoonlijk en ongezellig, suisde het gas. Charles Pauws keek naar de punten van zijn bottines, en vond, dat ze goed zaten.

- Waar is Steyn naar toe? vroeg mama, en hare stem siste, ongerust.

- Gaan wandelen met Jack, zei Charles Pauws; thuis noemde men hem Lot; zijn stem klonk zacht en kalmeerend.

- Naar zijn meid is hij toe! siste mama Ottilie.

Lot had een beweging van moê-zijn.

- Hè, mama, zeide hij. Wees nu kalm, en denk niet meer aan de scène. Ik ga straks naar Elly, en nu zit ik nog een oogenblikje gezellig bij u, niet waar. Steyn is toch je man... Je moest niet altijd zoo met hem kibbelen, en zulke dingen zeggen, of denken. Je bent weêr net een kleine furie geweest. Dat geeft rimpels, zoo boos te zijn.

- Ik ben tòch een oude vrouw.

- Maar je hebt nog een heel zacht velletje...

Mama Ottilie glimlachte en Lot stond op.

- Kom, zeide hij; geef me een zoen. Wil je niet? Moetik je een zoen geven? Kleine, booze moesje... En waarom? Om niets. Ik weet het ten minste niet meer, waarom. Ik zoû het niet meer kunnen analyzeeren. Ja, zoo gaat het... Hoe ben ik toch zoo kalm, met zoo een kleine furie van een mama.

- Als je denkt, dat je vader kalm was...!

Lot lachte, zijn lachje; antwoordde niet. Mevrouw Steyn de Weert las rustiger door; zij zat voor haar boek als een kind. Zij was een vrouw van zestig jaren, maar haar blauwe oogen waren als van een kind, teeder mooi, lief en onschuldig, en haar stem, wat schelletjes, klonk altijd kinderlijk, en had nu geklonken als van een stoùt kind. Kleintjes en recht in haar stoel, las zij nu door, met aandacht, zich kalmeerende, omdat Lot zoo kalm gesproken had en haar zoo lief had een zoen gegeven. Het gas suisde en Lot dronk zijn koffie, en ziende naar zijn bottines, vroeg hij zich af, waarom hij ging trouwen.

 

 

 

 

louis-couperus
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Standbeeld in Den Haag

 

 

 

 

De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007  en ook mijn blog van 10 juni 2008.

 

Uit: Herzog

 

„If I am out of my mind, it's all right with me, thought Moses Herzog.

Some people thought he was cracked and for a time he himself had doubted that he was all there. But now, though he still behaved oddly, he felt confident, cheerful, clairvoyant, and strong. He had fallen under a spell and was writing letters to everyone under the sun. He was so stirred by these letters that from the end of June he moved from place to place with a valise full of papers. He had carried this valise from New York to Martha's Vineyard, but returned from the Vineyard immediately; two days later he flew to Chicago, and from Chicago he went to a village in western Massachusetts. Hidden in the country, he wrote endlessly, fanatically, to the newspapers, to people in public life, to friends and relatives and at last to the dead, his own obscure dead, and finally the famous dead.

It was the peak of summer in the Berkshires. Herzog was alone in the big old house. Normally particular about food, he now ate Silvercup bread from the paper package, beans from the can, and American cheese. Now and then he picked raspberries in the overgrown garden, lifting up the thorny canes with absent-minded caution. As for sleep, he slept on a mattress without sheets – it was his abandoned marriage bed – or in the hammock, covered by his coat. Tall bearded grass and locust and maple seedlings surrounded him in the yard. When he opened his eyes in the night, the stars were near like spiritual bodies. Fires, of course; gases – minerals, heat, atoms, but eloquent at five in the morning to a man lying in a hammock, wrapped in his overcoat.“

 

 

 

 

saul_bellow
Saul Bellow (10 juni 1915 - 5 april 2005)

 

 

 

 

 

De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.

 

 

Once upon a time

 

From behind each tree you appeared

in such great numbers that I felt alone,

and amid the gust of your mad movements

my laffer against the fortress whirled away.

 

I met you at the corner of each street,

you were so absent that I cried, lost myself.

Within clouds reminiscent of ancient seas

floated rocks gnawed down with your blood.

 

What a pity! You vanished in great numbers

as if coexistent with a time that never was.

I bent and picked up the sky from the ground,

the sky you had carelessly dropped, dropped.

 

 

 

Vertaald door Taner Baybars

 

 

 

 

 

Underdeveloped

 

To fall behind; in science, in art, leafless

And without blossom in the spring; an aching star

    Imprinted on the forehead.

 

To fall behind; doomed to the wooden plough

When you could cut through steel like paper

    Vanquished in time.

 

To fall behind; buried in the caves of religion

Hands to your flanks and starved, against the torrent

    Against the others.

 

To fall behind; fear men as one fear jackals

Where one could live in brotherhood, to grasp

    At snakes instead.

 

To fall behind; ignorant and louse-ridden

Tight as a bow within a sombre gorge;

    To break loose with that impetus!

 

 

 

 

Vertaald door Nermin Menemencioglu.

 

 

 

 

 

oktay-rifat1
Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.

 

Uit: Van lieverlede

 

“Uit alle macht smeet Dannie het rotankrukje de kamer in. De zitting vloog eraf en brak een ruit van de tuindeuren, kledingstukken fladderden naar buiten en bij het neerkomen van het krukje sloeg de tegen de bodem aangestopte rest van het wasgoed in een hoekige prop over de rand. Met een langgerekte gil rende Coby naar de keuken. Dannie merkte het niet, hij zocht een volgend voorwerp om zijn woede op te koelen, greep de stoel, sloeg hem tegen de muur tot het onderstel afbrak en zonder op de richting te letten wierp hij de rugleuning van zich af. Hanna gaf een schreeuw van pijn. Van een afstand hoorde ze haar zusters laarzen over het zeil. Even was het stil en toen begon Coby te lachen, eerst zenuwachtig, dan in lange uithalen en ten slotte liet ze zich onder een stroom van tranen op haar knieën vallen. Het bloed was uit zijn gezicht getrokken. Hij bracht zijn hand omhoog, raakte met zijn vingers de vork die Coby in zijn nek geplant had en trok hem eruit.”

 

 

 

 

mensjevankeulen
Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.

 

Uit: De wil en de weg

 

In de periode dat hij ieder jaar een boek voltooide, was Jan Wolkers een dagschrijver. Hij stond om zeven uur op. Na de ochtendgymnastiek en het ontbijt ging hij van de Zomerdijkstraat in Amsterdam-Zuid naar zijn huisje in de volkstuin aan de Amstel. Tussen de bamboe en de Hindoe-Javaanse beelden schreef hij daar van tien tot twee.

‘Het koele ochtendlicht,’ vertelde hij me, ‘is een goed begin. Vroeger verwarmde ik het huisje met een petroleumkachel, die een vochtige hitte gaf. Na een uur besloegen de ramen en zo vormde zich vanzelf een scherm om me heen.’

Van twee tot zes was hij op zijn atelier, waar hij schilderde of beeldhouwde. Tijdens dat werk kwam hij volledig tot rust. ’s Avonds konden voor Wolkers wel boeiende passages ontstaan, maar ze moesten de volgende morgen met een koel en nuchter oog gecontroleerd worden. Wolkers schreef zeven dagen per week. Het boek liet hem geen minuut los. Als hij ’s nachts naar de wc moest, liep hij langs zijn bureau en nam hij de tekst mee die hij overdag geschreven had. Plus een potlood. Anders zou hij, als hij op de wc zat en een fout in het manuscript ontdekte, onmiddellijk opstaan om alsnog een potlood uit zijn atelier te halen. Met alle vieze gevolgen van dien.

 

 

 

 

JanBrokken
Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Peter Kurzeck werd geboren op 10 juni 1943 in Tachau, Bohemen. In 1946 werd zijn familie uit Tsjechoslowakije verdreven. Vanaf 1977 woont hij afwisselend in Frankfurt am Main en in Zuidfrankrijk. Kurzeck schrijft sterk autobiografische romans en verhalen, waarin Hessen en Frankfurt am Main vaak een grote rol spelen.  Sinds het midden van de jaren negentig werkt hij aan een meerdelig romanproject, een minitieuze kroniek van een enkel jaar uit zijn leven

 

Uit: Oktober und wer wir selbst sind

 

„Wieder Oktober. Du kommst aus dem Haus. Am Morgen, noch früh. Die Straße ist naß. Du kommst aus dem Haus und mußt stehenbleiben, so riecht es nach Herbst. Das abgefallene Laub. Gerade eben hast du aus der Nacht deinen Traum noch gewußt und jetzt ist er weg. Du spürst noch, wie er sich entfernt. Ein Luftzug, ein Vorhang, der sich bewegt. Flügel, die sich sacht regen, die Schatten von Flügeln, und dann ist er gegangen. Weg für immer. Die Tür fällt hinter dir zu. Man kommt aus dem Haus. Das Leben ist fremd.

Schon Herbst? Der Erzähler geht mit Frau und Kind hinter Bockenheim am Bahndamm entlang. Immer auf den Horizont zu und mit den Augen die Ferne suchen. Überall Kinder. Lassen Drachen steigen. Müssen rennen im Wind. Aber wo sind die Indianerwiesen hin, die noch kürzlich hier waren?

Das Jahr 1983. Ein Frankfurter Herbst, durch den wir gehen, als sei es ein einziger langer Tag. Man geht und denkt, man weiß genau, wer man ist – und dann kommt man abends heim und das Telefon klingelt.

Sein Freund Jürgen. Er ruft aus Frankreich an, aus Barjac, einer Kleinstadt weit im Süden. Dort hat er mit Pascale, die er liebt, ein winziges Restaurant, ein Restaurant mit drei Tischen. Der Erzähler am Telefon und sieht alles vor sich.“

 

 

 

 

Peter-Kurzeck
Peter Kurzeck (Tachau, 10 juni 1943)

 

 

 

 

 

De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti. Hij volgde een opleiding tot priester en leraar. Zijn exentrieke gedrag en zijn kritiek op kerkelijke functionarissen brachten hem vaak in moeilijkheden. In 1875 leerde hij de dichter Mihai Eminescu kennen toen die als onderwijsinspecteur naar zijn school kwam. Zij raakten bevriend en Eminescu stimuleerde hem om de verhalen die hij vaak vertelde op te schrijven. Het grootste deel van zijn werk, waaronder ook de herinneringen aan zijn jeugd, ontstond tussen 1875 en 1883.

 

Uit: Memories of My Boyhood (Vertaald door Ana Cartianu and R.C. Johnston)

 

„I sometimes stop and call to mind the customs and people there used to be in my part of the world at the time when I had, so to speak, just begun to put a foot over the threshold of boyhood in my home in the village of Humuleşti. It faced the town on the other side of the waters of the River Neamţ; it was a large and cheerful village, divided into three closely connected parts: the village itself, the Deleni and the Bejeni. Moreover, Humuleşti in those days was not just a village of ne'er-do-wells but a prosperous and ancient village of freeholders, its reputation and standing having long since been assured, with farmers who knew their job, with stalwart young men and comely girls who could swing in the dance and swing the shuttle too, so that the village would buzz with the sound of looms on every side. It had a fine church and outstanding clergy, church elders and parishioners, who were a credit to their village. As for Father Ion, who lived at the foot of the hill, Lord, what an active and kindly man he was! On his advice lots of trees were planted in the graveyard—which graveyard was surrounded by a high fence of thick planks with eaves of shingles—and the fine room at the gate of the church precincts was built to serve as a village school. You should have seen this untiring priest going round the village, entering one house after another, together with one of his elders, Master Vasile, the son of Ilioaia, a sturdy, good-looking, handsome bachelor. The two of them would persuade people to send their children to get some schooling, and you should have seen the number of boys and girls who flocked into the school from all parts, myself among them, a puny, timid lad, afraid of my own shadow!“

 

 

 

 

Ion-Creanga
Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)

 

 

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi in 1980. Hij studeerdeEngelse Taal-en Literatuur aan de universiteit van Malta en werkt momenteel aan een proefschrift aan de universiteit van Warwick. Zijn gedichten verschen o.a. in tijdschriften als Cadences, Rodopi, The Drunken Boat.

Zijn eerste eigen publicatie verscheen onder de titel Stay, Fairy tale, Stay! Memoirs of a City Cast Adrift.

 

 

BALLADE FOR A REDHEAD


Where does this wind hail from?
Where from this darkness?
Why are these ripe words falling from the trees?

From the street's end a voice was heard announcing:
“the city's lost itself in the poet's hair!”
Deep in the green bone-marrow of time-worn doors,
accents which slept through centuries crack open,
sentences invade the narrow alleys,
words ride the rain like earrings,
each syllable woven into a red mane
which screams its way amongst the curling streets.
In rue de l'union at five a.m.
the elderly Arab gazes at the sky:
“Somewhere a slightly alien phrase
must have been uttered,
and the city's lost control of her own body.”

On the city's outskirts, a little girl emerges,
her eyes dancing together with the roadsigns:
“why all this wind, mama, why all this darkness?”
And then she gets up on her bike without another word
and disappears in the anarchy of cadence.

 

 

 

 

Bugeja
Norbert Bugeja (Siġġiewi, 1980)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 juni 2007.


De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanović
werd geboren in Zagreb op 10 juni 1796.

 

10-06-08

Louis Couperus, Oktay Rifat, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Antun Mihanović


De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blogs van 10 juni 2006 en van 16 juli 2006 en mijn blog van 10 juni 2007.

 

Uit: Psyche

 

Reusachtig massief, met driehonderd torens, op den hoogsten top van een rotsgebergte, rees het koningsslot in de wolken.

Maar de top was breed vlak als een hoogland, en het slot breidde zich mijlen er uit, met wallen, met muren van tinnen, mijlen, mijlen ver uit...

En overal rezen de torens op, verloren in de wolken, en het slot was als een stad, hoog op de rots van bazalt.

Rondom het slot cirkelden lager en verder, lager en verder, de valleien van het rijk, verschietende met horizonnen, de een achter den ander en altijd, altijd door.

Achter de kimmen daagden weêr kimmen; achter de rozige zilveren; achter de blauwende goudene; achter de grauwende bleekende nevelende, wemelende weg, en nooit was de laatste te zien: bij helder weêr doemde achter den einder altijd een einder weêr.

Ze cirkelden eindeloos achter elkaâr, ze verloren zich in wegtrillende misten, en plotseling teekende scherper zich af de silhouet van hun kim.

Over de hooge torens streek soms een waas van wolkfloers heen, maar onder bruiste een vloed, die zich stortte wanhopig als waterval in een afgrond van peillooze duizeling.

Zoo scheen het of het kasteel oprees tot de hoogste starren, en daalde tot in de diepste middenpuntnaven der aarde.

Langs de meer dan mannehoogen kanteelen dwaalde Psyche veel rond, rondom het slot, dwaalde ze van toren naar toren, van tinne naar tin, met een glimlach van gedroom. Dan keek ze naar boven en strekte de hand als naar de starren, of keek naar beneden in het regenbogende watergeklots, tot het duizelde in haar hoofdje, en zij ijlings zich trok terug en de handjes sloeg voor de oogen. En heel lang kon zij dan zitten in den hoek van een kanteel, de oogen ver, een lachje om hare lippen, de knieën opgetrokken en met de armen omvangen, en hare kleine vleugels lagen uitgespreid aan tegen het mossige steen, als een kapelletje, dat zat onbewegelijk.

En zij tuurde naar de kimmen.

En hoe zij ook tuurde, zij zag er altijd meerdere.

Dichtbij waren het groene valleien, met grazende schapen bespikkeld, sappige weiden met vette vee; wuivende korens, scheeprijke kanalen; en het huizengevlak an een dorp. Verder werden het lijnen van wouden, toppen van heuvels, kammen van bergen, of ruw uitgehakt, onverwachts, een massa van hoekig bazalt. Nog verder, nevelden steden weg met minaretten en dommen, koepels en spitsen, schoorsteenen, die rookten, het lint van een breede rivier... Nog verder, verteederden horizonnen in melkblank en opaal gedroom, geen lijn meer, maar tint alleen, weêrschijn van laatsten zonneglans, verheveling of er meren spiegelden, eilanden rezen laag aan de lucht, luchtparadijzen, waterstrepen van hemelzee, oceanen van ether en lichttrillende niets...

En Psyche tuurde, tuurde voor zich uit...

Zij was het derde prinsesje, de jongste dochter van den ouden koning, vorst van het Rijk van Verleden... Zij was altijd heel eenzaam, hare zusters zag ze weinig, haar vader maar een enkel oogenblik des avonds, voor zij slapen ging, en, zoo ze kans zag, vluchtte zij weg van de mummelende voedster, en dwaalde zij langs de tinnen, en droomde zij, met haar oogen ver, ver turende uit naar het wijde rijk, dat cirkelde weg in het niets... O, hoe ze verlangde te gaan, verder dan het slot, te gaan naar de weiden, de wouden, de steden, te gaan naar de spiegelende meren, opalen eilanden, oceanen van ether, en dan naar dat verre, verre niets, dat zoo trilde als een bleek, bleek licht... Zoû zij ooit nog de poorten uit kunnen gaan? O, hoe zij verlangde te dwalen, te zoeken, te vliegen... Te vliegen, o te vliegen, te vliegen als de musschen, de duiven, de arenden...!

En zij klepte met hare wiekjes, zwak. het waren, aan hare schoudertjes teêr, twee wiekjes als van een heel groote kapel, doorschijnende vlies, karmozijn bestuifde en zachtgeel, azuurtjes en rozig geaderd, waar ze vasthechteden aan haar rug, en op ieder wiekje gloeiden twee oogen, zooals op de staart van een pauw, maar fijner van kleur, en schitterend als gestampt juweel: gestampt saffier en smaragd op fluweel, en het fluweelen oog viermalen gezet in het schitterstof van de wiekjes.

Ze klepte er meê, ze kon er niet meê vliegen.

Dàt, dat was haar groote verdriet, en dàt, dat was haar peinzen, waarvoor ze dan dienden, die vleugeltjes, daar aan haar schouderblaadjes. En ze schokte er meê, en klepte er meê, maar ze rees niet boven den grond: haar fijne figuurtje verluchtigde niet, haar naakte voetje bleef vast aan den grond, en alleen haar heel fijne sluiertje, dat sleepte een beetje rondom haar blank-blanke leedjes heen, werd even gewapperd òp, door een vlaagje van vleugeltjeswaai.”

 

 

 

 

Couperus
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

 

 

 

 

De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook mijn blog van 10 juni 2007.

 

DESTINY

 

It's torturing me:

I am an accountant

but I can't do Maths.

My favourite food is Prophet's Passion Aubergines -

they don't agree with me,

I know a girl with freckles,

I love her,

she doesn't love me.

 
 
DUTY
 
Blacker than a grape,
waist finer than a needle,
how does the ant climb
the slopes with its burden?
 
Look at the state of this world,
look at the ruined order,
hatched yesterday,
today the dove of passion.
 
In the twinkling of an eye
the hawk swoops on the swallows.
When the monster's by the waterside
the gazelle is covered in blood.
 
I'm carrying the whole burden.
I have to think about each of them one by one,
the young coming into the world
ignorant of the world.
 
The sun rise in the east -that's for sure-
no surprise.
Then I'm the one who has to worry
when the bee stings a child.
 
The fox's paw is bloody-
something happens to the lamb.
What is the point, Oktay,
of paint for wolf and bird?
 

 

 

 

Vertaald door Richard McKane
 

 

Oktay-Rifat
Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)

 

 

 

 

 

 

De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007.

 

Uit : Seize The Day

 

« By that time Wilhelm too had taken his new name. In California he became Tommy Wilhelm. Dr. Adler would not accept the change. Today he still called his son Wilky, as he had done for more than forty years. Well, now, Wilhelm was thinking, the paper crowded in disarray under his arm, there's really very little that a man can change at will. He can't change his lungs, or nerves, or constitution or temperament. They're not under his control. When he's young and strong and impulsive and dissatisfied with the way things are he wants to rearrange them to assert his freedom. He can't overthrow the government or be differently born; he only has a little scope and maybe a foreboding, too, that essentially you can't change. Nevertheless, he makes a gesture and becomes Tommy Wilhelm. Wilhelm had always had a great longing to be Tommy. He had never, however, succeeded in feeling like Tommy and in his soul had always remained Wilky. When he was drunk he reproached himself horribly as Wilky. "You fool, you clunk, you Wilky!" he called himself. He thought that it was a good thing perhaps that he had not become a success as Tommy since that would not have been a genuine success. Wilhelm would have feared that not he but Tommy had brought it off, cheating Wilky of his birthright. Yes, it had been a stupid thing to do, but it was his imperfect judgment at the age of twenty which should be blamed. He had cast off his father's name, and with it his father's opinion of him. It was, he knew it was, his bid for liberty, Adler being in his mind the title of the species, Tommy the freedom of the person. But Wilky was his inescapable self.  
In middle age you no longer thought such thoughts about free choice. Then it came over you that from one grandfather you had inherited such and such a head of hair which looks like honey when it whitens or sugars in the jar; from another, broad thick shoulders; an oddity of speech from one uncle, and small teeth from another, and the wide gray eyes with darkness diffused even into the whites, and a wide-lipped mouth like a statue from Peru. Wandering races have such looks, the bones of one tribe, the skin of another. From his mother he had gotten sensitive feelings, a soft heart, a brooding nature, a tendency to be confused under pressure.  
The changed name was a mistake, and he would admit it as freely as you liked. But this mistake couldn't be undone now, so why must his father continually remind him how he had sinned? It was too late. He would have to go back to the pathetic day when the sin was committed. And where was that day. Past and dead. Whose humiliating memories were these? His and not his father's. What had he to think back on that he could call good? Very, very little. You had to forgive. First, to forgive yourself, and then general forgiveness. Didn't he suffer from his mistakes far more than his father could.  
"Oh God," Wilhelm prayed. "Let me out of my trouble. Let me out of my thoughts, and let me do something better with myself. For all the time I have wasted I am very sorry. Let me out of this clutch and into a different life. For I am all balled up. Have mercy."

 

 

 

 

Saul_Bellow
Saul Bellow (10 juni 1915 - 5 april 2005)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag als Mensje Francina van der Steen, roepnaam Mennie. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007.

 

Uit : Bleekers zomer

 

“Annie woonde boven een loodgieter op de Geldersekade. De voorkamer werd vrijwel geheel in beslag genomen door een wit plastic bankstel om een kloostertafel. In de hoek hing een kastje waarin een rij lichte lectuur, het theeservies en de radio stonden. Verder waren de muren, schoorsteen en vensterbanken opgedirkt door schreeuwerige snuisterijen.
Ze schopte haar schoenen uit en kneep in haar voeten. 'Wou je nog wat drinken, schatje?'
'Liever niet,' zei Bleeker en liep naar het achterste vertrek waar ie zich op bed liet vallen. Het kostte hem geen enkele moeite zijn ogen dicht te doen. Wel om ze weer te openen en daar had ie geen zin in. Hij sliep bijna toen Annie z'n schoenen los veterde en 'm z'n kleren uittrok.
'Geef es 'n beetje mee,' zei ze hijgend onder het sjorren aan hem en het dek waar ze hem onder wou hebben.
Hij ging enigszins overeind zitten. Door de spleetjes van z'n ogen zag ie hoe Annie in haar vette nakie de dekens over z'n eigen blote lichaam trok. Daarna kwam ze in bed en kroop onmiddellijk tegen hem aan.
'Hé,' fluisterde ze, 'draai je es even om.' En toen het stil bleef: 'Je slaapt toch niet?' Ze wachtte even. 'Ik maak je wakker hoor.'
Bleeker had, op slapen na, nergens trek in. Hij haalde zo regelmatig mogelijk adem en bleef, alhoewel dat inspanning kostte, roerloos liggen.
Annie voegde de daad bij het woord en prikte een vinger tussen zijn billen.
'Aaah,' kreet hij en draaide zich met 'n slag op z'n rug. Het volgende moment werd ie bedolven onder haar zware bovenlichaam. Ze beet in z'n buik, likte z'n navel, draaide haar vingers in het weinige borsthaar dat ie bezat en gaf niet op ondanks zijn 'nee nee' geroep. Ze draaide zich zelfs om en leunde haar handen op z'n heupen, terwijl ze met een been over hem heen stapte om met haar volle gewicht boven op z'n borst te gaan zitten.

 

 

 

Mensje_van_Keulen
Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007.

 

Uit : Iets van Bach

 

“De kerk schuifelde leeg. Moeder droeg een wijde witte mantel en een blauwe hoed; ze hield mijn hand stevig vast en ik peinsde er niet over die koele kanten handschoen los te laten. Het orgel speelde; de kerkgang was die pinkstermorgen niet anders dan op gewone zondagen - gewichtig en voornaam.

Op het grintpad kwam mevrouw Tak naast ons lopen. De wind veegde de laatste wolken uit de hemel; mevrouw Tak sprak op fluistertoon en bij iedere stap zag ik het gezicht van moeder opklaren.

Aan tafel glom ze. Mevrouw Tak, die van haar meisjesnaam Jørensen heette, had ons zomaar haar zomerhuis aangeboden. Vader wriemelde aan zijn stijve boord en knikte instemmend; het aanbod verraste hem allerminst; hij had pakkend gepreekt en bovendien uit de Tafelredes geciteerd; die lutherse mevrouw mocht tevreden wezen.

Een paar maanden eerder was ze in Portland komen wonen, een met een Rotterdamse havenbaron getrouwde Deense, blond natuurlijk, en nogal opzichtig. Moeder had het direct goed met haar kunnen vinden. Waarom begreep ik niet, of wilde ik niet begrijpen; voor mij paste die opgedirkte mevrouw niet bij mijn moeder, want behalve beschilderd was ze ver in de dertig èn kinderloos, wat ik met mijn gezonde polderogen en mijn al behoorlijk scherpe kijk op de wereld van een onbetamelijke zorgeloosheid vond getuigen.

Het zomerhuis lag hoog in Jutland, op een heuvel. Het was van hout en keek uit over een fjord. We reisden er met de trein heen; de broer van mevrouw Tak-Jørensen kwam ons van het station in Vejle afhalen. Hij had een brede neus, een brede mond en een brede glimlach. Professor Jørensen was ronduit aardig - misschien zelfs te aardig; we kenden hem nauwelijks of hij nodigde ons al uit de volgende zaterdag bij hem thuis te komen eten. Hij woonde in een verbouwde boerderij, niet ver van het zomerhuis.

Voor hij vertrok, kuste hij de hand van moeder. Ik had nog nooit iemand de hand van mijn moeder zien kussen, en schrok. Vader lette er niet op. Sloom over de balustrade leunend staarde hij naar de dotten avondnevel die als watten op het gladde water tussen de heuvels dreven en mompelde geheel in zichzelf gekeerd: ‘Dit is nou echt het noorden.’

Moeder was erg mooi die zomer. Ze had haar haren kort laten knippen en dat maakte haar een stuk jonger. Voor in de veertig leek ze weer op de foto die in de late jaren twintig van haar genomen was, ergens in midden-Europa. Op die foto vond ik haar wonderlijk.

Eenmaal weg uit Portland werd ze dat opnieuw. Ze keek niet op een streepje lippenstift meer of minder en stak af en toe een sigaretje op, gniffelend als een nog niet helemaal volwassen meisje.”

 

 

 

Brokken
Jan Brokken
(Leiden, 10 juni 1949)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 juni 2007.

 

De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanović werd geboren in Zagreb op 10 juni 1796.

 

 

 

20-06-07

Lillian Hellman, Kurt Schwitters, Carel van Nievelt, Marceline Desbordes-Valmore, Jean-Claude Izzo, Robert Rozhdestvensky, Silke Andrea Schuemmer


De Amerikaanse schrijfster en vertaalster Lillian Hellman werd geboren op 20 juni 1905 in New Orleans. Zij studeerde aan de universiteit van New York. Lillian brak haar studie af en trad in dienst bij een uitgeverij. Van 1925 tot 1932 was Hellman getrouwd met de toneelschrijver Arthur Kober. Tijdens haar huwelijk ontstond een relatie met Dashiell Hammett. Deze relatie hield stand tot de dood van Hammett in 1961. Het eerste toneelstuk van Lillian Hellman was "The children’s hour" (1934) over het effect van de leugen van een kind over de lesbische relatie van twee leraressen op een kostschool.
Het veel geprezen "The little foxes" (1939) gaat over de koude en geldgraaiende familie Hubbard.
Andere  toneelstukken van Lillian Hellman zijn: "Watch on the Rhine" (1941), "The searching wind" (1944) en "Toys in the attic" (1960). Bovendien schreef Lillian haar memoires in drie delen: "An unfinished woman" (1969), "Pentimento" (1973) en "Scoundrel time" (1976).

Uit: Scoundrel Time

“I owned and lived in a lovely neo-Georgian house on East 82nd Street, with one tenant above me. As in most such houses, visitors rang a downstairs bell and then were asked to announce themselves into an instrument. It had never been possible to hear anything but garble from the instrument, so I had grown tired of it and long before had taken to pressing the bell when anyone rang and waiting for the small elevator to rise to my floor. An over-respectable-looking black man, a Sunday deacon, in a suit that was so correct-incorrect that it could be worn only by somebody who didn't want to be noticed, stood in the elevator, his hat politely removed. He asked me if I was Lillian Hellman. I agreed to that and asked who he was. He handed me an envelope and said he was there to serve a subpoena from the House Un-American Activities Committee. I opened the envelope and read the subpoena. I said, "Smart to choose a black man for this job. You like it?" and slammed the door.

I sat with the subpoena for perhaps an hour, alone in the house, not wishing to talk to anybody. There it was, and for some reason there seemed to me nothing to hurry about. I took to looking at the last few days' mail, some of it already dictated for a secretary who came twice a week, some of it yet to be answered.”

 

hellman
Lillian Hellman (20 juni 1905 – 30 juni 1984)

 

De Duitse schrijver, dichter en kunstenaar Kurt Schwitters werd geboren op 20 juni 1887 in Hannover. Zie ook mijn blog van 20 juni 2006.

 

 

An eine Zeichnung Marc Chagalls
Gedicht 28

Spielkarte leiert Fisch, der Kopf im Fenster.
Der Tierkopf giert die Flasche.
Am Hüpfemund.
Mann ohne Kopf.
Hand wedelt saure Messer.
Spielkarte Fisch verschwenden Knödel Flasche.
Und eine Tischschublade.
Blöde.
Und innig rundet Knopf am Tisch.
Fisch drückt den Tisch, der Magen übelt Schwerterstrich.
Ein Säuferstiel augt dumm das klage Tier,
Die Augen lechzen sehr den Duft der Flasche.

 

 

 

Regen

Regen tönen Tropfen triefen
Triefen Pfützen Bäche Brunnen
Spritzen Wasser sprengen Fluten
Klatschen feuchten Wirbel fallen
Wirbel Wasser Wolken Häuser
Fallen Bäume fallen Brücken
Wirbel Wasser Wolken Massen
Baden erde fallen Tropfen
regen
Regen
Tropfen
Tropfen
Regen
Regen
Tropfen tropft Tropfen auf Tropfen zu Tropfen
Silber mit silbernem Klopfen zu Klopfen
Spiegel des Wassers zerbrechen zu Tropfen
Kreise durch Kreise zerkreisen zu Tropfen
Blätter durch Kreise zerkreisen zu Tropfen
Blätter erzittern erwarten die Tropfen
Licht zu erglänzen durch klopfende Tropfen

 

 

 

Schwitters

Kurt Schwitters (20 juni 1887 – 8 januari 1948)

Portret door El Lissitzky

 

De Nederlandse schrijver Carel van Nievelt werd op 20 juni 1843 geboren in Delfshaven, als zoon van een boekhandelaar. Hij studeerde bestuurskunde in Delft en vertrok als 23-jarige naar Indië als bestuursambtenaar, waar hij slechts enkele jaren verbleef. Vanwege gezondheidsproblemen keerde hij naar Nederland terug. Daar was hij jarenlang actief als journalist, redacteur en literair recensent bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant en Het Nieuws van den Dag. Zijn recensies werden gebundeld als Literarische Interludiën (1891) en Uit de poppenkraam onzer romantiek (1903), onder het pseudoniem J. van den Oude. Hij was getrouwd met een vrouw van Duitse afkomst en had een dochter. In 1895 verhuisde hij naar Wiesbaden in Duitsland, waar hij op 2 augustus 1913 stierf.

 

Uit: Uit de poppenkraam onzer romantiek (over Babel van Couperus)

“Tusschen zijne romans in werpt Couperus af en toe, met vorstelijke verkwisting van gedachten en beelden, eene sproke, eene allegorie, die hij schijnt te bestemmen voor de élite zijner lezers - voor hen, wier hoogere zin minder naar de smakelijke schaal der vertelling, dan naar de diepe kern der beteekenis verlangt. Zulk eene was er Psyche, was er Fidessa. Zulk eene is er nu weder Babel. En met deze sproken geeft deze dichter loutere poëmen in proza, zuivere rondingen van litterarisch scheppen, in welke niets is van de strekkingen en de strijdvragen, de persoonlijkheden en de hartstochtelijkheden onzes tijds, - niets dan eene dichterlijke gedachte in het kleed eener dichterlijke taal. Daarom zijn dit in onze litteratuur klare kleinoodiën, wier rijke kleurengeflonker en diepte van licht nog blikken aantrekken en boeien zullen, wanneer het breedere en zwaardere, het meer materiëele drijfwerk der romans misschien reeds lang in een hoek der vergetelheid zal bestoven staan. Voor het groote kind Publiek, dat altoos aan de knieën van eene Moeder de Gans wil zitten, zijn deze poëtische intermezzo's kaviaar. Maar voor de litterarische fijnproevers zijn zij juist het êelste en keurigste, wat deze voorname geest, die niet dan met edel metaal en edele gesteenten te wrochten zich verwaardigt, hun voorzetten kan.”

 

 

VANNIEVELT
Carel van Nievelt (20 juni 1843 – 2 augustus 1913)

 

De Franse dichteres Marceline Desbordes-Valmore werd geboren op 20 juni 1786 in Douai. Na de Franse Revolutie emigreerde haar familie naar Guadeloupe. Op haar zestiende kwam zij naar Franrijk terug en begon aan een carrière als zangeres. Zij zong o.a. aan de Opéra-Comique' in Parijs en het Théâtre de la Monnaie in Brussel. In 1817 trouwde zij met haar tweede man, de acteur Prosper Lanchantin-Valmore. Zij publiceerde haar eerste dichterlijke werk, Élégies et Romances, in 1819. Door Baudelaire en Verlaine werden haar gedichten zeer bewonderd vanwege hun muzikaliteit en directheid.

 

Fleur d'enfance

L'haleine d'une fleur sauvage,
En passant tout près de mon coeur,
Vient de m'emporter au rivage,
Où naguère aussi j'étais fleur:
Comme au fond d'un prisme où tout change,
Où tout se relève à mes yeux,
Je vois un enfant aux yeux d'ange:
C'était mon petit amoureux!

Parfum de sa neuvième année,
Je respire encor ton pouvoir;
Fleur à mon enfance donnée,
Je t'aime! comme son miroir.
Nos jours ont séparé leur trame,
Mais tu me rappelles ses yeux;
J'y regardais flotter mon âme:
C'était mon petit amoureux!

De blonds cheveux en auréole,
Un regard tout voilé d'azur,
Une brève et tendre parole,
Voilà son portrait jeune et pur:
Au seuil de ma pauvre chaumière
Quand il se sauvait de ses jeux,
Que ma petite âme était fière;
C'était mon petit amoureux!

Cette ombre qui joue à ma rive
Et se rapproche au moindre bruit,
Me suit, comme un filet d'eau vive,
A travers mon sentier détruit:
Chaste, elle me laisse autour d'elle
Enlacer un chant douloureux;
Hélas! ma seule ombre fidèle,
C'est vous! mon petit amoureux!

Femme! à qui ses lèvres timides
Ont dit ce qu'il semblait penser,
Au temps où nos lèvres humides
Se rencontraient sans se presser;
Vous! qui fûtes son doux Messie,
L'avez-vous rendu bien heureux?
Du coeur je vous en remercie:
C'était mon petit amoureux!

 

 

 

DESBORDES
Marceline Desbordes-Valmore (20 juni 1786 – 23 juli 1859)

 

De Franse schrijver Jean-Claude Izzo werd geboren op 20 juni 1945 in Marseille. Al vanaf jeugdige leeftijd schreef hij gedichten en was hij politiek geëngageerd. Zijn grote doorbraak kwam met de publicatie van ‘Total Khéops’, in het Nederlands vertaald als ‘Teringzooi’. Het verscheen in 1995. Hij won verschillende prijzen. In 1996 verscheen ‘Chourmo’ en in 1998 ‘Solea’. Deze drie boeken staan ook wel bekend als ‘de Marseille-trilogie’. De schrijver overleed in 2000 aan de gevolgen van kanker.

 

Uit: Les marins perdus (1997)

 

"Loin, tout au bout, oublié au bout des quais, l'Aldébaran, qu'il ne voyait pas, était soumis à cette immobilité. Mais cela n'avait plus d'importance. D'ici tout lui paraissait soudainement futile. Il songea cela avec paresse, sans même faire l'effort de formuler cette pensée dans son esprit.
D'un pochon, il sortit un sandwich tomates, thon, olives et se mit à manger en prenant garde que l'huile ne dégouline pas sur ses doigts. Tout en mastiquant, il se laissa envahir par le bonheur simple, incompréhensible, qui descend du ciel sur la mer. Céphée lui donne la main. Ils viennent de se marier. Ils marchent en silence à travers les ruines de Byblos.
- Si j'ai une histoire, tu vois, elle commence là. Dans ces ruines. Quand Byblos redevient Jbeil.
Il lui raconte Jbeil. Le petit port méditerranéen des origines phocéennes. L'une des plus anciennes cités du monde.
- Selon une vieille légende, Adonis mourut dans les bras d'Astarté, au sources du fleuve Nar Ibrahim. Son sang fit naitre les anémones et teinta de rouge la rivière. Les larmes d'Astarté rendirent Adonis à la vie, irrigèrent et fertilisèrent la terre... Ma terre.
Céphée s'est serrée contre lui. Elle lève son visage vers le sien, elle sourit, puis l'embrasse sur la joue.
- Il est beau ton pays...
Le même bonheur coulait du ciel vers la mer. Il s'était dit alors que c'était ça, la seule gloire du monde. Le droit d'aimer sans mesure. Il avait envie d'étreindre le corps de Céphée, comme il l'avait fait ce jour là. De l'aimer dans les senteurs de figue et de jasmin.
Les souvenirs, les pensées reprenaient le dessus. Pourquoi ne pas retourner là-bas, à Byblos? Pour y vivre. Elle et lui, avec les enfants. Le Liban se reconstruisait, comme ne cessait de le lui seriner son frère Walid. Les touristes reviendraient, et le commerce allait renaître des cendres de la guerre. Walid avait de quoi investir. Avec ou sans lui, il investirait. Il tenait ça de son père, le goût pour les affaires. »

 

 

 

Izzo
Jean-Claude Izzo (20 juni 1945 – 26 januari 2000)

 

De Russische dichter en schrijver Robert Ivanovich Rozhdestvensky werd geboren op 20 juni 1932 in Kosikha in het district Altai Krai. Hij brak met het sociaal-realisme van de jaren vijftig en zestig en was voorstander van een nieuwe, frissere en vrijere poëzie in de Sovjet Unie. In 1956 studeerde hij af aan het Literatuur Instituut Maxim Gorky. Ondanks zijn literaire opvatting bleef Rozhdestvenski altijd voorzichting met directe kritiek op de regering. Zo was het mogelijk dat hij in 1979 nog de Lenin Prijs ontving.

 

 

BEFORE A NEW LEAP

 

We live

in the Hall of Expectations.

All of us

all the time await

something. . .

At the home of the superior

the chauffeur is waiting,

playing

with a small key from the "Volga" car. . .

And here is a neat old man in pince-nez.

He is waiting.

He is going to Volgoda

to get some songs. . .

The old woman,

muttering something

about the pension,

blissfully smiles in her sleep. . .

The wife awaits her

meek

husband.

A teenage girl awaits love, -

she is very afraid.

And at the girl

is looking

a foreman,

and he has a whole hour

before the train. . .

The pilot is waiting for the turns

soon

 

around!

The teacher is awaiting

the solution of problems,

Children are waiting for

playtime.

Kholhozi

are awaiting

changes!. . .

Over the hollow world

it has been raining since morning.

Over the hollow world -

moving clouds. . .

We are waiting.

We know that:

it is time for us already

to leave the Hall of

Expectations

and enter the Hall of

Accomplishments. . .

We are waiting for openings.

We are calling friends.

We tell one another words

that are not sweet.

We live in the

Hall of Expectations!

But, while waiting,

we do not keep ourselves idle.

After us -

the broken silence!

After us -

our growing strength.

The awakened,

waiting country.

And the whole world,

frozen in expectation.

 

 

 

Vertaald door Katherine v. Imhof

 

 

 

ROZHDESTVENSKY
Robert Rozhdestvensky (20 juni 1932 – 19 augustus 1994)

 

 

De Duitse dichteres, schrijfster en kunsthistorica Silke Andrea Schuemmer werd geboren op 20 juni 1973 in Aken. Daar studeerde zij tussen 1992 en 2001 ook kunstgeschiedenis, germanistiek en filosofie. Schuemmer schrijft romans, gedichten, essays  en verhalen.

 

Werk o.a.: Triptychon oder Salzig schmeckt der Algenstrang (1996), Die Form des Fisches ist sein Wissen über das Wasser (1996), Remas Haus (2004)

 

Wind

I

 

Die Stille in der Luft lässt die Ähren taub
die Teiche trübe Augen sein
Die Halme stehn wie Borsten
nur eine Gänsehaut zieht übers Feld
Da ist kein Atem nicht ein Hauch
kaum ein Hund verlässt den Hof
Mit großen Fächern hebt man nur den Staub
wie eine Wand
Und die Schuhe wirft man hoch hinauf
und tritt damit die Wolken fast vom Himmel los
Keine Plage bringt der Wind mit sich
und frisst den Herbst vom Feld
nur Schuhwerk prasselt
den Leuten auf den Kopf

 

 

 

SCHUEMMER
Silke Andrea Schuemmer (Aken, 20 juni 1973)

 

 

10-06-07

Louis Couperus, Oktay Rifat, Antun Mihanović, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken


De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blogs van 10 juni 2006 en van 16 juli 2006.

 

Uit: De kleine zielen

 

“Het stortregende en Dorine van Lowe was doodmoe, toen zij, die middag, vóór het diner nog even bij Karel en Cateau aanwipte, maar Dorine was tevreden over zichzelf. Zij was na de lunch dadelijk uitgegaan en had heel Den Haag doortrippeld en doortramd; zij had veel bereikt zo niet alles en haar vermoeide gezicht stond heel blij en haar levendige zwarte ogen flonkerden.

- Meneer en mevrouw nog niet aan tafel, Sientje? vroeg zij de meid, buiten adem, zenuwachtig, en eensklaps schrikkende, dat het te laat zou zijn.

- Neen, juffrouw, maar het is op slag van zessen, zei Sientje streng.

Dorine van Lowe wipte door de vestibule, holde de trap op, vergetende haar natte parapluie in de standaard te zetten. Zij hield die krampachtig in de ene hand, tegelijk met haar rok, die zij vergat los te laten; in haar arm drukte zij een pakje tegen zich aan, onder haar pélerine; in de andere hand had zij haar mof en haar oude, zwart satijnen réticule; met diezelfde hand zocht zij in een bovenmenselijke inspanning naar haar zakdoek en wist zich de neus te snuiten zonder iets te laten vallen; alleen waaiden vier, vijf trambilletjes rondom haar heen, terwijl zij dit deed.

Oude Sientje volgde haar even met de blik, streng. Toen ging zij naar de keuken, haalde een doek, veegde kalm langs de vestibule en trap een spoortje van regen en wat natte druppels af en plukte zorgvuldig de trambilletjes weg van de loper.

Dorine trad in de zitkamer van haar broer, Karel van Lowe. Hij zat rustig bij een goed vuur en las: een man van vijf-en-veertig; zijn fris geschoren gelaat glom rozig en jong; zijn dik, glanzend haar was netjes gekamd met een fikse kuif; zijn snor verfde hij zwart en hij had, als Dorine, de zwarte ogen der Van Lowe's. Zijn brede figuur had in zijn nette kleren iets degelijks en goed doorvoeds; zijn vest plooide dik om zijn maag, en de horloge-ketting deinde op een rustige ademhaal: zó had hij iets kalms en gezonds, van bedachtzaam overleg en egoïste bezadigdheid...”

 

 

 

Couperus
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

 

De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Tijdens zijn middelbare schooltijd in Ankara raakte hij bevriend met Orhan Veli en Melih Cevdet, met wie hij de dichtergroep Garip oprichtte. Rifat studeerde rechten in Parijs. Na zijn terugkeer naar Turkije werkte hij o.a als advocaat. Met Veli nam hij in 1950 deel aan een hongerstaking uit solidariteit met de gearresteerde Hikmet. Rifat was een van de vernieuwers van de Turkse poëzie.

 

 

Onderontwikkeld

 

Achterstand, in wetenschap, in kunst; op een bladloze

Bloesemloze voorjaarsdag; een pijnlijke ster

Dragen op 't voorhoofd
 
 Achterstand, de val van grond onder de houten ploeg;

Terwijl het staal dun als papier te snijden is

De tijd verdoen

 

Achterstand, in begraven godsdienstholen

Werkloos toezien, hongerig, tegen de regenvloed

Tegenover de hele wereld

 

Achterstand, de mens vrezen als ware het een jakhals

Terwijl met mensen broederlijk te leven is

De slang omhelzen

 

Achterstand, geen lering en geen licht, alleen maar luis

Als een boog gespannen staan, met het vuur na aan de schenen

Zich ontladen met die vaart!

 

 

Vertaald door Thijs Rault

 

 

Child

 

He died -

he doesn't know he died,

his two hands lie by his side.

They'll carry him away,

nor can he say,

'I won't go!'

He couldn't even give thanks

to the friends who bore his coffin.

Ah, his death is like no other's.

Vertaald door Ruth Christie
 
Das Brot und die Sterne

Das Brot auf meinen Knien
Die Sterne in der Ferne, ganz fern
Ich esse das Brot, zu den Sternen schauend
Bin ich so in Gedanken versunken
Dass ich manchmal statt Brot
Die Sterne esse.

 

 

 

 

Rifat
Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)

 

De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanović werd geboren in Zagreb op 10 juni 1796. Hij studeerde in Zagreb filosofie aan het gymnasium. Na die studie volgde hij een studie rechten in Wenen. Na zijn studies verbleef hij in Zagreb, Venetië en Padua tot hij in de diplomatieke dienst van het Habsburgse Rijk terecht kwam. Mihanović had een grote interesse in de filologie en hield enorm veel van zijn moedertaal, het Kroatisch. In 1815 publiceerde hij een brochure waarin hij pleitte voor de invoering van de Kroatische taal in het openbare leven in plaats van het Latijn. Dit besluit werd door het Kroatische parlement pas in 1847 genomen. In 1835 schreef hij Lijepa naša domovino, het volkslied van Kroatië.

 

Unsere schöne Heimat (Lijepa naša domovino)

 

Unsere schöne Heimat,

Heldenhaftes liebes Land,

Alten Ruhmes Vätererbe,

Ewig sollst du glücklich sein!

 

Lieb bist du uns, wie du ruhmreich,

Lieb bist du uns, du allein,

Lieb bist du uns, wo du eben,

Lieb, wo du Gebirge bist.

 

Fließe Sava, Drau fließe,

Auch du Donau, verliere deine Kraft nicht.

Blaues Meer, sage der Welt:

Dass der Kroate sein Volk liebt,

 

So lange die Sonne seine Felder wärmt,

So lange die Bora seine Eichen umweht,

So lange das Grab seine Toten bedeckt,

So lange ihm sein lebendiges Herz schlägt.

 

 

 

MIHANOVIC
Antun Mihanović (10 juni 1798 – 14 november 1861)

 

De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006.

 

Uit: Ravelstein (2000)

 

“Odd that mankind's benefactors should be amusing people. In America at least this is often the case. Anyone who wants to govern the country has to entertain it. During the Civil War people complained about Lincoln's funny stories. Perhaps he sensed that strict seriousness was far more dangerous than any joke. But critics said that he was frivolous and his own Secretary of War referred to him as an ape.

Among the debunkers and spoofers who formed the tastes and minds of my generation H. L. Mencken was the most prominent. My high school friends, readers of the American Mercury, were up on the Scopes trial as Mencken reported it. Mencken was very hard on William Jennings Bryan and the Bible Belt and Boobus Americanus. Clarence Darrow, who defended Scopes, represented science, modernity, and progress. To Darrow and Mencken, Bryan the Special Creationist was a doomed Farm Belt absurdity. In the language of evolutionary theory Bryan was a dead branch of the life-tree. His Free Silver monetary standard was a joke. So was his old-style congressional oratory. So were the huge Nebraska farm dinners he devoured. His meals, Mencken said, were the death of him. His views on Special Creation were subjected to extreme ridicule at the trial, and Bryan went the way of the pterodactyl - the clumsy version of an idea which later succeeded - the gliding reptiles becoming warm-blooded birds that flew and sang.”

 

 

 

Bellow
Saul Bellow (10 juni 1915 - 5 april 2005)

 

De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag als Mensje Francina van der Steen, roepnaam Mennie. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006.

 

Uit: De laatste gasten

 

“Dat jaar was er een hittegolf die maar niet wilde ophouden. Ik had het raam in mijn kamer al voor de achtste of negende nacht wijd openstaan en werd wakker van een slurpend geluid. Ik dacht dat het eindelijk was gaan regenen en de goot het niet aankon, maar het bleek Lena die achter een kussen aan mijn kamer binnenkroop. Pas toen ik het licht had aangedaan, zag ik dat het kussen haar eigen lijf was in het grote T-shirt met het hart van glitter dat tot boven haar middel was opgestroopt. Ze leek er erger aan toe dan de vorige keer. Misschien was ze aan het doodgaan. Dat was dan niet mijn schuld, al zouden ze kunnen zeggen van wel als ik haar zo liet liggen. Waarom was ze niet netjes in haar bed gebleven? Ze was niet netjes. Ze wilde mij ermee opzadelen. Ik trok haar T-shirt omlaag en stapte over haar heen om te bellen. Binnen een halfuur werd ze door twee mannen vastgesnoerd op een brancard en de trap af gedragen. De een had zijn blonde haar in een staartje gebonden, de ander was gemillimeterd, Lena zou hem als ‘een drietje’ hebben ingeschat. Uit hun hemden met korte mouwen staken gespierde armen, de blonde man droeg zijn trouwring om zijn horloge. De warmte in het trappenhuis was verstikkend en er hing een lucht van aardappelschillen en kerrie.”

 

 

Keulen
Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)

 

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006.

 

Uit: Schrijven is goed waarnemen en goed denken

 

“Hella S. Haasse (60) wipt uit haar stoel en loopt naar de werkkamer in haar flat in Den Haag; ik loop achter haar aan.

Zij: ‘Hier mag u niet kijken, het is een verschrikkelijke rommel.’ Lacht. Ik steek mijn hoofd om de deur, en inderdaad, de wanorde heerst in dit kleine vertrek: rond de bureaustoel staan vele dozen en op haar schrijftafel liggen hopen papier en enkele boeken.

‘Ik heb veel te weinig ruimte,’ zegt zij.

Zij pakt twee margarinedozen.

‘Dit is Mevrouw Bentinck.’

Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter is de titel van haar achttiende en laatstverschenen boek; het is het uit fragmenten en brieven opgebouwde portret van een jonge vrouw die overhoop ligt met haar omgeving, die niet past in de tijd waarin zij leeft: het begin van de achttiende eeuw.

In de woonkamer zet zij de dozen op de grond. Er komen stapels fotokopieën uit. ‘Dit zijn de brieven van Charlotte Sophie - mevrouw Bentinck dus. Dit is het handschrift van Lottgen, haar zuster. Na een ongeluk kon zij niet meer met haar rechterhand schrijven; zij probeerde het met haar linkerhand, maar haar handschrift is zogoed als onleesbaar; ze schreef houterige verticale letters. Bovendien kon ze niet spellen, zij schreef fonetisch Frans. Die brieven moest ik hardop lezen om ze te begrijpen.’

Uit de tweede doos komen een stuk of tien blocnotes, aantekenboekjes en dummy's (‘lekker stevig papier’). Haar aantekeningen: klein, schuin handschrift, priegelig bijna. Vele doorhalingen. Citaten. Titels van boeken. Namen. Data. Een rijstebrij.

Geknield op de grond bekijken we het materiaal.

Zij, enthousiast: ‘Het is een labyrint waar niemand wijs uit kan worden, behalve ik. Ja, ik weet waar ik de dingen kan vinden, ik beschik over een visueel geheugen, ik kan ook zo een passage in een boek opslaan.”

 

 

 

Brokken
Jan Brokken
(Leiden, 10 juni 1949)

 

 

16-07-06

Louis Couperus


Louis Couperus vestigde zich in maart 1923 in De Steeg, gemeente Rheden, in een door vrienden en bewonderaars aangeboden huis. Op 4 juni werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Op 9 juni vond de huldiging ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag plaats. Op 16 juli overleed Louis Couperus aan longvliesontsteking en bloedvergiftiging. De crematie vond plaats op Westerveld. Zijn as is enige tijd later overgebracht naar zijn graf op de begraafplaats Oud Eik en Duinen te Den Haag.

 

 

Uit: De stille Kracht

I

 

 

“De volle maan, tragisch die avond, was reeds vroeg, nog in de laatste dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindebomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van haar tragische tint, in een vage hemel op. Een doodse stilte spande alom als een sluier van zwijgen, of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid, in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moe van de zonneblakende dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid, doken weg, doodstil, in het lover van hun tuinen, met de regelmatig opblankende rissen der grote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een andere hond en verscheurde de donzende stilte in lange, ruwe flarden; de nijdige hondekelen, hees, ademloos, schor vijandig; plotseling ook zwegen zij stil.
Aan het einde der Lange Laan lag diep in zijn voortuin het Residentie-huis. Laag, dadelijk in de nacht der waringinbomen, zigzagde het zijn pannendaken, het ene achter het andere, naar de schaduw van de achtertuin toe, met een primitieve lijn van daktekening, over iedere galerij een dak, over iedere kamer een dak, tot éen lange daksilhouet. Vóor echter, rezen de witte zuilen der voorgalerij, met de witte zuilen der portiek, hoog blank en aanzienlijk op, met brede tussenruimten, met grote openheid van ontvangst, met een uitbreiding van indrukwekkend paleisportaal”

 

 

Uit: De stille Kracht

VI


”....

In lange vlakke stralen viel het zwaar van haar neer, en als marmer glansde zij, gepolijst op schouders, borst en heupen, in het licht van het kleine lampje. Nog meer wilde zij zich haasten, opziende naar het venster of de kamprets weer binnen zouden vliegen... Ja, zij zou voortaan zich toch vroeger baden. Buiten was het al nacht. Zij droogde zich schielijk, in een ruwe handdoek. Zij wreef zich even, vlug, met de witte zalf, die Oerip altijd bereidde, haar tovermiddel van jeugd, lenigheid, harde blankheid. Op dit ogenblik zag zij op haar dij een klein rood spatje. Zij lette er niet op, denkend aan iets in het water, een blaadje, een dood insect. Zij wreef het af. Maar zich wrijvend, zag zij op haar borst twee drie grotere spatjes, donker vermiljoen. Zij werd plotseling koud, niet wetend, niet begrijpend. Weer wreef zij zich af; en zij nam de handdoek, waar de spatjes al achterlieten iets viezigs als van dik bloed. Een rilling huiverde over haar van hoofd tot voeten. En plotseling zag zij. Uit de hoeken van de badkamer, hoe, en vanwaar zag zij niet, kwamen de spatjes aan, eerst klein, nu groter, als uitgespogen door een kwijlende sirih-mond. Stervenskoud gaf zij een gil. De spatten, dikker, werden vol, als purperen kwalsters uitgespogen, tegen haar aan. Haar lichaam was vuil bezoedeld met een groezelig, rinnende rood. Eén spat sloeg neer op haar rug... Op het groenige wit van de vloer vlakkelden de smerige spuugselen, dreven zij uit in het nog niet weggelopen water. In het bassin bezoedelden zij het water ook en smolten viezig uiteen. Zij zag geheel rood, vuil bezoedeld, als onteerd door een schande van vies vermiljoen, dat onzichtbare sirih-kelen vanuit de hoeken der kamer samenschraapten en spogen naar haar toe, mikkend in haar haren, op haar ogen, op haar borsten, op haar onderbuik. Zij gaf gil op gil, geheel krankzinnig van het vreemde gebeuren. Zij stortte op de deur, wilde ze openen, maar er haperde iets aan de kruk. Want het slot was niet gesloten, de grendel was er niet voor. In haar rug voelde zij herhaaldelijk spugen, en van haar billen droop het rood. Zij gilde om Oerip en zij hoorde de meid aan de andere zijde der deur, buiten, trekken, en duwen. Eindelijk gaf de deur toe. En radeloos, gek, dol, krankzinnig, naakt, bezoedeld, stortte zij in de armen van haar meid.”

 

 

 

Filmproducenten IdtV Film, Motel Films en Fu Works werken aan een verfilming van de roman De stille kracht van Louis Couperus uit het jaar 1900. Het is de tweede keer dat het boek wordt verfilmd: in de jaren zeventig werd er al een televisieserie van gemaakt. Hierin speelden Pleuni Touw, Willem Nijholt en Bob de Lange de hoofdrol. (Hierboven een scène uit deze serie) Het is de bedoeling dat de film volgend jaar in 2007 in première gaat.

 


Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

 

 

 

22:22 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: louis couperus |  Facebook |

10-06-06

Couperus, Bellow, van Keulen, Brokken


De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Louis was de jongste uit een gezin met elf kinderen. Toen Louis negen jaar was verhuisde het gezin naar Nederlands-Indië, waar vader Couperus voor zijn pensionering werkzaam was. Na zijn terugkeer in Nederland kon Louis moeilijk wennen. In 1881 verliet hij de hbs en ging voor de akte mo-Nederlands studeren. In 1886 behaalde hij het diploma.

Het debuut van Couperus als dichter, met ondermeer Een lent van vaerzen (1884), was geen succes. Willem Kloos raadde hem aan om zich toe te leggen op proza. Couperus werd dan gaandeweg een goed en gevierd romanschrijver.  "Eline Vere" (1889) werd een groot succes. De roman werd bekroond met de prijs van het D.A. Thiemefonds.

 

Na een verblijf in Parijs trouwde Louis Couperus met zijn nicht Elisabeth Baud en ging in Hilversum wonen. Na 1992 leidde het echtpaar een zwervend bestaan. Een reis door Indië inspireerde Couperus tot het schrijven van "De stille kracht" (1900).

 

 

Narcis

 

Aan de boord ener beke

Zie ik leliën dromend staan,

Wijl golfjens om haar stengels

Schuimend gaan.

 

Een rei als van nymfen,

Die zich beuren uit de beek,

Een rei als van sneeuwwitte bruidjens

Zo kuis, zo bleek.

 

En in heur midden heft zich

Een enkele narcis,

die kwijnt op zijn stengelke

Van droevenis.

 

De leliën smachten van minne,

Voor die geluwe narcis;

Zij geuren haar zoetste geuren,

Zo zwoel...zo fris.

 

En de goedgele blomme nijgt zich

Steeds verder naar de vliet,

Tot hij in de zilvren spiegel

Zijn beeldtnis ziet.

 

Zo kou en zo kil in het water...

Zijn zoenen prangt

De bloem op het beeld, waar minnend

Hij over hangt.

 

En de leliën lispelen droeve,

Dat nog steeds met des jongelings lust

De bloeme zijne beeldtnis

Op 't water kust...

 

 

 

Baadster

 

Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,

En toefde op de eerste treê; heur armen beurden

En wrongen 't blonde hair, dat druipend nat

Nog van den amber der violen geurde.

 

Hoe 't rozig-blond van 't blozend rozeblad

De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,

Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,

Zij lelie was, die in den dauwe treurde!

 

Daar stond ze, steunende op het slanke been,

Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,

Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.

 

Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,

Geheel omsluyerd in den korenblonde:

Antieke vaas met gouden veile omwonden.

 

 

 

Louis Couperus (10 juni 1863 - 16 juli 1923)

 

Saul Bellow (geboren 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal, Canada) was een joods-Amerikaans schrijver. Zijn boeken beschrijven en onderzoeken isolatie en spirituele dissociatie van zijn hoofdpersonen.

Hij werd geboren in Canada uit Russische ouders. Hij groeide op in Chicago, en studeerde sociologie en antropologie. Na zijn afstuderen deed hij onderzoek aan de universiteit van Wisconsin, en diende hij in de koopvaardij tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij heeft daarna zelf lesgegeven aan de universiteiten van onder andere Minnesota, Princeton, Boston en Chicago.

 

Zijn eerste boek, Dangling Man, werd uitgegeven in 1944, en een aantal succesvolle fictie- en nonfictiewerken volgden. Of het nu gaat om romantische, financiële of andere problemen, de chaos die een typische hoofdpersoon doormaakt leidt onvermijdelijk tot diepe existentiële vragen, maar ook tot hilarische en humoristische situaties. Bellow refereert in zijn boeken aan de grote filosofen en denkers zonder dat dit de leesbaarheid van zijn boeken vermindert. Een goed voorbeeld hiervan is Mr. Sammler’s Planet.

 

Bellow won de Nobelprijs voor de Literatuur in 1976 voor Humboldt's Gift. In 1988 ontving hij de hoogste Amerikaanse kunstonderscheiding, de National Medal of Arts.

 

Citaten:

 

 “A great deal of intelligence can be invested in ignorance when the need for illusion is deep.”

 

 “There is only one way to defeat the enemy, and that is to write as well as one can. The best argument is an undeniably good book.”

 

 “Any artist should be grateful for a naive grace which puts him beyond the need to reason elaborately.”

 

 

 

Saul Bellow (10 juni 1915 - 5 april 2005)

 

 

Mensje van Keulen werd geboren te Den Haag op 10 juni 1946 en is woonachtig in Amsterdam. Ze werd geboren als Mensje Francina van der Steen en kreeg als roepnaam Mennie. Ze was van 1970 tot 1972 redacteur van Propria Cures. Daarna maakte ze tezamen met o.a. Gerrit Komrij, Theo Sontrop en Martin Ros jarenlang deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift Maatstaf. Diverse boeken van haar hand staan min of meer standaard op de boekenlijsten van veel middelbare scholen. Ze schreef niet alleen voor volwassenen, maar ook diverse kinderboeken.

 

 

Bleekers zomer

 

“Annie woonde boven een loodgieter op de Geldersekade. De voorkamer werd vrijwel geheel in beslag genomen door een wit plastic bankstel om een kloostertafel. In de hoek hing een kastje waarin een rij lichte lectuur, het theeservies en de radio stonden. Verder waren de muren, schoorsteen en vensterbanken opgedirkt door schreeuwerige snuisterijen.
Ze schopte haar schoenen uit en kneep in haar voeten. 'Wou je nog wat drinken, schatje?'
'Liever niet,' zei Bleeker en liep naar het achterste vertrek waar ie zich op bed liet vallen. Het kostte hem geen enkele moeite zijn ogen dicht te doen. Wel om ze weer te openen en daar had ie geen zin in. Hij sliep bijna toen Annie z'n schoenen los veterde en 'm z'n kleren uittrok.
'Geef es 'n beetje mee,' zei ze hijgend onder het sjorren aan hem en het dek waar ze hem onder wou hebben.
Hij ging enigszins overeind zitten. Door de spleetjes van z'n ogen zag ie hoe Annie in haar vette nakie de dekens over z'n eigen blote lichaam trok. Daarna kwam ze in bed en kroop onmiddellijk tegen hem aan.
'Hé,' fluisterde ze, 'draai je es even om.' En toen het stil bleef: 'Je slaapt toch niet?' Ze wachtte even. 'Ik maak je wakker hoor.'
Bleeker had, op slapen na, nergens trek in. Hij haalde zo regelmatig mogelijk adem en bleef, alhoewel dat inspanning kostte, roerloos liggen.
Annie voegde de daad bij het woord en prikte een vinger tussen zijn billen.
'Aaah,' kreet hij en draaide zich met 'n slag op z'n rug. Het volgende moment werd ie bedolven onder haar zware bovenlichaam. Ze beet in z'n buik, likte z'n navel, draaide haar vingers in het weinige borsthaar dat ie bezat en gaf niet op ondanks zijn 'nee nee' geroep. Ze draaide zich zelfs om en leunde haar handen op z'n heupen, terwijl ze met een been over hem heen stapte om met haar volle gewicht boven op z'n borst te gaan zitten.” 

 

 

 

Mensje van Keulen (10 juni 1946)

 

Jan Brokken (10 juni 1949, Leiden) is een Nederlands schrijver. Hij is zoon van een Nederlands Hervormd predikant. Brokken groeide op in Rhoon en volgde de School voor Journalistiek in Utrecht. Daarna studeerde hij enige jaren politicologie in Bordeaux. In 1984 debuteerde hij met de roman De Provincie. Hij woonde twaalf jaar op Curaçao.

 

Prijzen: 1988 - Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor De zee van vroeger

             2004 - ICODO prijs voor Mijn kleine waanzin

 

 

Citaten:

 

 "Reizen is naar jezelf kijken tegen een andere achtergrond." 

 

 “Radicalen hebben of een uiterst conservatieve smaak of helemaal geen." 

 

 

Jan Brokken
(10 juni 1949)