09-09-17

C. O. Jellema, Wim Huijser, Cesare Pavese, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez, Edward Upward, Hana Androníková, Bas Jongenelen

 

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

Afscheid komt zelf. Dat wat je nemen moet.

Afscheid komt zelf. Dat wat je nemen moet.
Je kunt wel doen alsof het niet bestaat.
't Bestaat ook niet zover het denken gaat.
Hoe kun je anders, alles wat je doet

schuift afscheid op, pas als een schaakstuk slaat
voorbij het denken valt een gat voorgoed.
Nemend wat kwam wordt leegte naam. En hoe't
gebeurde is beschrijfbaar. Maar te laat.

Schrijvend voorbij te zijn. Dat afscheid. Kijk:
voorwerpen om je heen, jouw woord geeft glans
zoals het licht dat doet - zij, onbewogen,

zijn om te zijn en geven jou gelijk.
Benoeming schijnt een overlevingskans:
verdwijnen in een woord. Voor eigen ogen.

 

 

De brief

Er is een glimlach blijven staan
tussen de andere veel grotere lettertekens -

eens toen wij langs de rivier liepen
heb je me met een dove vergeleken
een liplezer. het is zo moeilijk, zei je,
het is zo moeilijk om met jou te praten,
zei je, omdat je kijkt en niets zegt;
wij gaan niet vrijuit. - later
toen ik alleen terugliep en er niets meer
te luisteren viel, het grind niet meer
onder je voeten, de wind niet ritselend door je haar,
toen gaf ik antwoord: luister nu goed,
zei ik, zie je de zon drijven op de rivier?
misschien gaat hij al vannacht de grens over,
dan is het winter morgen, dan is het hier
winter, zei ik, ik houd van je.

nu schrijf je over het boek dat je leest
en over de voorbijgangers die je zien zitten
omdat je de tafel bij het raam geschoven hebt
voor het betere licht; want het is winter,
schrijf je, en daar tussen de andere lettertekens
zie ik je glimlach staan
onooglijk -

 

 

Nazomer
Trakl zum Gedächtnis

onder het zand is het gaan stromen
gaatjes ontstaan een huis hangt ietsje scheef
en uit de oksels van de bomen
druppelt een sterke geur van zweet

wel valt de hamer lichter op de stenen
wanneer de wegen worden omgelegd
de rode zon schijnt rustig naar beneden
een mens wacht of een mens iets zegt

maar in de hemel liggen wolken wit
en roerloos op een blauwe baar
onder het zand rekt een gevaar
als slangen in hun slaap zich uit

en mannen die lang jong bleven en fit
ontwaken op een morgen met grijs haar

 

 
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)
Hier bij een portret van hem zelf, geschilderd door Matthijs Röling

 

Lees meer...

09-09-16

Dolce far niente, Herman de Coninck, C. O. Jellema, Wim Huijser, Cesare Pavese, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez

 

Dolce far niente

 

 
Summer Vacation door Edward Potthast, begin jaren 1900

 

 

Zomeravond

Zomeravond. We hebben woorden en tijd.
Behaaglijk is het om van mening en geslacht
te verschillen, waarna alleen nog van geslacht,
een verschil van dag en nacht, waarna nacht.

Laat je strelen, kom.
Ik hou ervan je lichaam te verdelen
in van alles twee, zoals ik deze zomer
de zee verdeelde toen ik schoolslag zwom.

 

 
Herman de Coninck (21 februari 1944 - 22 mei 1997)
Mechelen, strand in de stad. Herman de Coninck werd geboren in Mechelen.

Lees meer...

09-09-15

C. O. Jellema, Wim Huijser, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez, Cesare Pavese

 

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

Versleer

Je weet niet werkelijk wat je geschreven
hebt. Niet omdat je het vergeten wou
schreef je het op, 't vergeten schreef in jou,
en schrijvend is het altijd dat gebleven
 
wat blijvend wilde zijn: een kunst van kou.
Zo, als op water 's winters schotsen dreven,
heb jij jezelf aan stromingen ontheven
- verbeelding - steeds gered op wat ternauw-
 
ernood, voordat het smelt, nog draagt: elize,
haar kind, die wanhoopsdaad, het lukt. Gedrukte
letters laten de uitkomst zien, de oever.
 
Maar jij vergeet. Kon je maar drijven, stroever,
op wendingen waarin een waan gelukte,
vondeling, mozes, bijna-moord in biezen -

 

 

Soms

Soms, na ziek zijn soms,
als je buiten komt
in de tuin in een nieuwe
jas van verbazing,
is het daar wat je zocht –
de notenboom, kijk, hoeveel noten,
en daar die tak met goudrenetten,
kan hij het dragen?
                                                Soms
is het daar – en van
het hongerhout, het braambos
trilt het blad.

 

 

Kerkje van Fransum

Bestaat nog god, kleine sarcofaag
van het geloof, even leeg
als de dorische tempels van Paestum:
hun zuilen een schuilplaats voor andere vogels
dan goden - als ik naar hen vraag?
 
Kleine mummie van steen
zonder hart, tabernakel,
zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je
met jouw lichaam ons landschap
als bodem voor hemel? Ik vraag maar.
 
Stille klankkast voor buiten, voor grutto's
in juni, het loeiende melkvee bij 't hek -
zo gesloten, een avond, ik zit in het gras
tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:
dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.

 

 
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)
Portret door Herman van Hoogdalem, 2002

Lees meer...

09-09-14

C. O. Jellema, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez, Cesare Pavese

 

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

't Huis Tijdverblijf

Honden van buxus die de stoep bewaken.
Het is geen kunst. Want niemand wordt er bang
van. Wat zou moeten. 't Duurt immers niet lang
- hoe lang hangt van mijn zorg af - of zij raken

vanuit de wortel uit hun vorm: kunstzaken
waarvan de groei, geleid door draad en tang,
gedacht is tot gedaante. Ik ontvang
tussen hen door. Gasten. Die zij vermaken.

En zij zijn twee: natuur en onnatuur.
of drie: plant, dier en geest. Zij weten
niet wat zij doen. Zij zien mij niet als derde.

Dat moet ik doen. Mijn hand. En hoe zij werden
bewaar ik. ik moet zijn wat zij vergeten.
Toch herder. Wat het ook bang maakt op den duur.

 

 

Landschap met dode muis

Zo'n dood gebeurt - neem onvergetelijke
zonsondergangen in het dunste blauw
van winter, voor een ogenblik aanschouw
hun roden, violetten, die bezwijken

als uit geboomte duisternis, een uil
zichtbaar onhoorbaar neerglijdt en zich spreiden
vleugels tot vrees waaraan een prooi zal lijden:
noem onverzettelijk mooi klauw en kuil.

Een dood geschiedt, geschiedenis wil sterven;
geeft dat ons zijn afzienbaar is een zin? -
onvoorzien derven van de lust te leven,

zonder besef van schoonheid, weet van scherven,
zonder geluk gerust: een dier gaat in
vertrouwen heen, het sterft, hier ergens, even.

 

 

Bladval

De boom heeft uitgestrooid waarmee hij groende
toen 't jaar aan een verwachting ging voldoen
en voorjaar werd, verzadigder dan toen
men, jong, zonder verleden, zelf nog doende

gedachten te ontvouwen, zo'n seizoen
in zich als iets oneindigs opens voelde
en, onbewust nog, wist wat het bedoelde
te zijn: meer dan alleen ontluikend groen.

Bladval, sermoen van herfst. En in verzet
tegen het sneller draaien van de jaren
wier kringloop al in aanvang was voltooid,

harkt men gehaast, van hoger doel berooid,
tuinpaden schoon – want tussen al die blaren
ziet men zijn hand, de rest ervan, 't skelet.

 

 
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

Lees meer...

09-09-13

C. O. Jellema, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez, Cesare Pavese

 

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

 

Zomernacht

 

Doe nu eens even die gedachten dicht van je.
Denk nu eens liever niet na over morgen.
Kijk niet steeds weer die bosrand van gisteren
na. Bramenplukker die je bent zoals vroeger
maar nu. Maak even geen onderscheid tussen
een wie en hoezo en de kans op anders.

Doe in je hoofd uit de lamp, hoor wat er is,
ademt en ritselt, kwaakt in de kikkers.
Leef met je lichaam van nachtwind de koelte.
Geeuw je een gat in het hart en proef het
zo rood als het sap van de bramen. Wees langzaam
door vogels gezonden het wordende licht.

 

 

 

 

De verborgen wegen zijn het mooist

(H.N.Werkman)

De wegen waarlangs de gedachten komen
met het beeld dat je draagt van jezelf in de dingen,
de wegen waarlangs het herinnerde opdaagt,
waarlangs je herkent wie er niet meer zijn;
de wegen waarlangs de uren voorbijgaan,
die van niemand de uren, je werkt aan de wens
wat uit woorden te maken, in de slaap van de woorden
ontwaak je: zo heet het geluk;

de wegen waarlangs je nog 's winters het koolzaad
ziet bloeien, de bijen hoort gonzen, de zon
op je huid voelt, een lentedag leeftocht -
in het blijvend verbeelde ben je hier;

de wegen waarlangs je de wereld ontvluchten kunt
met je wetende hand op het witte papier,
je raadt wat er staat, maar hoe het te maken
dat het er staan zal, zelf zo ver te komen

daarginds waar het waar is, naar het woord: dat in 't hart
der kunstvaardigen wijsheid gelegd werd te maken
alles in opdracht -

kijk, mooi hoe een weg in zijn bocht wordt verborgen,
dan ruik in de berm van vers maaigras de geur.

 

 

 

 

Thomas, genaamd Didymus

4. 

 

Dit is ons brood. Die dood. Daarvan bestaan.

Neem. Eet. Van dag tot dag. Wat ik vergat

wanneer je naast me lag. Beeldspraak is dat.

Ik droeg je immers en je blijft voortaan

 

als ik het gras opschrijf, schaduw bewaar

voor lettergrepen. Ieder ding bevat

een woord voor taal. Je ging wel maar ik had

verdwijning al tot voorraad opgespaard:

 

herinnering, je bent er weer, een late

namiddag en de zon schijnt, het is zomer,

de blaren leggen schaduw op het gras -

 

ik slaap nog net niet, denk, er vallen gaten -

dan lichaamloos door beelden weggenomen:

die eeuwigheid duurt voort in wat ooit was.

 

 

 

 

C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

Lees meer...

09-09-12

C. O. Jellema, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez

 

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

 

Een stralende dag

 

Waar zullen we heen gaan vandaag,
welk overjarig verlangen achterna,
met wat voor verwachting belast of
om welke eensklapse ingeving
opspringen, zeggen jullie het maar -

Zit, benen, in jullie onrust
naar buiten of, ogen, zijn jullie belust,
toch niet jij soms, geslacht, dat zich slecht
met zijn naderend onnut verdraagt?

Stel maar wat voor voor vandaag:
een veldweg om lopend landschap te worden,
in de stad een terras om ons steels te vergapen,
onbespied in een rietkraag ons weer het geliefde
lichaam te binnen brengen dat wegstierf -

Ook jullie, gedachten, die het onderling nooit
kunnen vinden, nooit eens eens zijn, alsjeblieft,
geen geliever van zus nu of zo, wees vandaag
domweg mij die hier zit en zich uitstelt,
op post wacht, een brief die hem
kent als beste, groet met
tot gauw.

 

 

 

Nieuwe wijk

 

Motortje spelen met hun autopedden,
tussen de vuilnisemmers die in groepen staan.
Erboven kloppen moeders kleine bedden.
De straatverlichting is vergeten uit te gaan.

De dag lang is men bezig met ontwaken,
telkens het hoofd oprichtend met een ruk.
De resten van 't ontbijt nog op het laken,
het brood verkruimeld en de beker stuk.

Maar op het dak zie ik de vogels zitten,
verwelkt, met snavels open waar de schreeuw in stikt.
Wij mensen moesten voor de vogels kunnen bidden.
Ik hoor de dauw die van de bomen tikt.

 

 

 

Als huis

 

Je droomt je thuis: een veiligheid van stemmen
die 't onbegrepene gerust bespreken,
je zit aan tafel en je hebt gekeken
hoe de markiezen zomerzonlicht stremmen

tot warmtekleur op het gestreken linnen -
gedachteloos, betekenissen teken
dat dingen weer niet zijn waarop ze leken,
hun buitenkant een bijna angstig binnen.

Het staat er nog, je kunt het nergens vinden,
het witte hek, het pad tussen jasmijnen,
jijzelf de toegang tot dit droomgebied

achter een gevel met gesloten blinden;
en ook de tuin waarin je kon verdwijnen
blijkt een gedicht dat jou vergeefs verliet.

 

 

 

C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

Lees meer...

09-09-11

Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez

 

De Russische schrijver Leo Tolstojwerd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor Leo Tolstoj op dit blog.

 

Uit: Oorlog en vrede (Vertaald door H.R. de Vries)

 

Karatajew had geen bijzondere banden, geen grote liefde of vriendschap in zijn leven, zo begreep Pierre, maar hij leefde en had lief in en met alle dingen en mensen om zich heen. Hij had niet één mens boven alle anderen lief, neen, hij onderging het leven op zijn eigen wijze in de mensen die zijn weg kruisten. Hij hield van zijn straathond, van zijn makkers, van de Fransen en van zijn slapie, Pierre, maar Pierre voelde dat Karatajew hem, ook al zouden ze scheiden, geen ogenblijk zou betreuren. En evenzo ontwikkelden zich Pierre’s gevoelens voor Platon.
De andere gevangenen beschouwden Karatajew als een gewoon soldaat; ze staken op goedhartige wijze de draak met hem en lieten hem boodschappen lopen. Maar Pierre bleef hem zien zoals hij hem de eerste avond had leren kennen: als een eeuwig stralende, ondoorgrondelijke belichaming van eenvoud en waarachtigheid.
Platon Karatajew had niets van buiten geleerd of het moesten dan zijn gebeden zijn. Als hij praatte leek het of hij niet wist wat hij straks ging zeggen.
Soms vroeg Pierre, getroffen door de diepzinnigheid van een zegswijze, die te herhalen. Maar Platon wist nooit meer wat hij het moment daarvoor had gezegd. Hij slaagde er evenmin in voor Pierre de woorden van zijn lievelingslied goed op te zeggen – hij wisselde vele malen van gedaante en ofschoon er een vast aantal woorden in voorkwamen – zoals ‘geboorte’ en berkeboompje’ en ‘mijn hart heeft heimwee’ – kreeg het lied pas zin als hij het zong. Want de gesproken woorden begreep hij er zelf niet van – het was een lied en moest gezongen worden. Alles wat hij zei en deed was een uiting van een diep innerlijk leven dat hij zelf niet kende. Zijn eigen leven, zoals hij erover sprak, scheen hem van nul en gener waarde te zijn – het was een deeltje van het grote leven, waarvan hij zich meer bewust was. Zijn woorden en daden welden steeds even spontaan en gelijkmatig uit hem op als honinggeur die een bloem ontstijgt. De waarde en betekenis van een afzonderlijk woord, een afzonderlijke daad, ontgingen hem ten ene male.”

 

 

 

Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)

Lees meer...

09-09-10

C. O. Jellema, Edward Upward, Cesare Pavese, Hana Androníková, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 9e september mijn blog bij seniorennet.be 

  

C. O. Jellema, Edward Upward, Cesare Pavese, Hana Androníková

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 9e september ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez

09-09-09

Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez


De Russische schrijver Leo Tolstoj werd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Zie ook mijn blog van 9 september 2006.

 

Uit: Auferstehung (Vertaald door Wladimir Czumikow)

 

„Nach vierzehn Tagen konnte die Sache zur Verhandlung vor den Senat gelangen, und zu diesem Zeitpunkt gedachte Nechliudow nach Petersburg zu fahren und für den Fall eines Mißerfolges beim Senat die Bittschrift an die Allerhöchste Stelle einzu-reichen, wie es ihm der Advokat geraten, der die Bittschrift aufgesetzt hatte. Falls die Kassationsbeschwerde keinen Erfolg haben sollte, worauf man, nach der Meinung des Advokaten, gefaßt sein mußte, da die Kassationsgründe sehr schwach seien, konnte die Abteilung der Zwangsarbeiter, zu der die Maslowa gehörte, in den ersten Tagen des Juni abgehen; und so, um sich für die Reise nach Sibirien, der Maslowa nach, vorzubereiten, wie Nechliudow fest beschlossen hatte, galt es, schon jetzt aufs Land zu fahren, um da seine Angelegenheiten zu ordnen. Vor allem fuhr Nechliudow nach Kusminskoje, seinem nächsten und größten Gut im Schwarzerdegebiet, aus dem das Haupteinkommen floß. Er hatte auf diesem Gut manchmal gelebt, in der Kindheit und Jugendzeit, und nachher, schon als Erwachsener, war er zweimal dort gewesen und hatte auch, auf die Bitte seiner Mutter, einen Verwalter, einen Deutschen, mitgebracht und mit ihm zusammen die Wirtschaft revi-diert, so daß er seit langem den Zustand des Gutes und die Beziehungen der Bauern zur Verwaltung, das heißt zum Grundbesitzer, kannte. Dies Verhältnis der Bauern zum Grundbesitzer war derart, daß die Bauern sich in voller Abhängigkeit von der Verwaltung befanden. Nechliudow wußte das seit den Universitätsjahren, als er Henry Georges Lehren bekannt und verkündet, und auf Grund dieser Lehren das Land seines Vaters den Bauern gegeben hatte. Nach dem Militärdienst freilich, als er ge-wöhnt war, etwa zwanzigtausend Rubel im Jahr zu verbrauchen, hörte all diese Erkenntnis auf für sein Leben von verpflichtendem Einfluß zu sein; sie war vergessen, und er legte sich nicht nur nie die Frage vor, woher das Geld kam, das ihm seine Mutter gab, sondern er bemühte sich, nicht darüber nachzudenken. Aber der Mutter Tod, die Erbschaft und die Notwendigkeit, sein Besitztum, das heißt das Land, zu verwalten, regten die Frage nach seinem Verhalten gegen den Grundbesitz von neuem an.“

 

 

 

 

Tolstoi_Repin
Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)

Portret door Ilja Repin, 1887

 

 

 

 

De Vlaamse dichter en componist Gentil Theodoor Antheunis werd geboren te Oudenaarde op 9 september 1840. Zie ook mijn blog van 9 september 2006.

 

 

 

Verlaten

 

 De wind zucht droevig in de schouw.

 'k Zit hier alleen, het hart vol rouw,

 Te denken.

 Ik zocht naar liefde en vond bedrog.

 Wat heil kan mij het leven nog

 Wel schenken?

 

 Het leed versmooren in den wijn,

 't Gedacht verstompen, dronke zijn,

 Kan 't baten?

 De drank bereidt ons niets dan gal,

 En morgen vond ik mij weeral

 Verlaten.

 

 Geen liefde meer, geen hope meer.

 ‘Hebt gij mij ook, o Heer, o Heer!

 Verstooten?’

 De wolke zwart daarboven drijft;

 Het licht verdwijnt, de hemel blijft

 Gesloten.

 

 Alleen, alleen, zoo gansch alleen!

 Hier helpt geen klagen noch geween

 Noch smeeken!...

 Welnu! het nijdig lot getard!

 Al moest, in mijnen boezem, 't hart

 Nog breken.

 

 

 

 

 

Moederhart, moederliefde

 

Gij vraagt mij, kind: ‘Hoe kunt gij, moeder,

Zoo gaarn mij zien, en mijnen broeder

Toch evenzeer?’ -

 

‘Ik weet het, wijl ik 't ondervinde:

God geeft gewis bij elken kinde,

Aan ieder moeder een harte meer.

 

En ieder hart mint even teeder,

Schenkt duizendmaal de liefde weder,

Die 't kind hem geeft;

 

Maar breekt het kind een moederharte,

Dan lijden ze allen zelfde smarte,

Omdat ze zijn aaneengekleefd.

 

 

 

 

Antheunis
Gentil Th. Antheunis  (9 september 1840 – 5 augustus 1907)

 

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter en journalist Gaston Cyriel Durnez werd geboren in Wervik.

 

 

Ik ben zo blij

 

Ik ben zo blij dat ik weer triestig ben.

Nu zal ik weer veel verzen kunnen schrijven.

nu zal ik weer de poëzie bedrijven.

Want wààr verdriet alleen beweegt mijn pen.

 

Ik ben U dankbaar, Heer, voor deze traan.

Nu kan ik wenen, vrolijk en vol ijver.

Ik heb het nodig, want ik ben een schrijver.

Van vreugd en lachen kan geen kunst bestaan.

 

Ik zie de bloemen en ik voel de zon.

Maar bloemen worden in de knop gebroken

en achter wolken zit de zon verdoken

- Goddank! - zo vaak dat ik nog dichten kon.

 

Ik ben zo blij dat ik weer triestig ben.

o Heer, gij die de weemoed hebt geschapen,

laat mij toch nooit te veel aan vreugde rapen.

En als het moet, breek dan desnoods mijn pen.

 

 

 

 

GastonDurnez
Gaston Durnez (Wervik, 9 september 1928)

 

 

 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers  ook mijn blog van 9 september 2007 en ook mijn blog van 9 september 2008.

 

09-09-08

C. O. Jellema, Cesare Pavese, Hana Androníková, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez

 

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen.Zie ook mijn blog van 8 juni 2007 en mijn blog van 9 september 2006 en ook mijn blog van 9 september 2007.

 

 

Een stralende dag

 

Waar zullen we heen gaan vandaag,
welk overjarig verlangen achterna,
met wat voor verwachting belast of
om welke eensklapse ingeving
opspringen, zeggen jullie het maar -

Zit, benen, in jullie onrust
naar buiten of, ogen, zijn jullie belust,
toch niet jij soms, geslacht, dat zich slecht
met zijn naderend onnut verdraagt?

Stel maar wat voor voor vandaag:
een veldweg om lopend landschap te worden,
in de stad een terras om ons steels te vergapen,
onbespied in een rietkraag ons weer het geliefde
lichaam te binnen brengen dat wegstierf -

Ook jullie, gedachten, die het onderling nooit
kunnen vinden, nooit eens eens zijn, alsjeblieft,
geen geliever van zus nu of zo, wees vandaag
domweg mij die hier zit en zich uitstelt,
op post wacht, een brief die hem
kent als beste, groet met
tot gauw.

 

 

 

 

Honden van buxus die de stoep bewaken

 

Honden van buxus die de stoep bewaken.
Het is geen kunst. Want niemand wordt er bang
van. Wat zou moeten. Het duurt immers niet lang
- hoe lang hangt van mijn zorg af - of zij raken

vanuit de wortel uit hun vorm: kunstzaken
waarvan de groei, geleid door draad en tang,
gedacht is tot gedaante. Ik ontvang
tussen hen door. Gasten. Die zij vermaken.

En zij zijn twee: natuur en onnatuur.
Of drie: plant, dier en geest. Zij weten
niet wat zij doen. Ze zien mij niet als derde.

Dat moet ik doen. Mijn hand. En hoe zij werden
bewaar ik. Ik moet zijn wat zij vergeten.
Toch herder. Wat ook bang maakt op den duur.

 

 

 

 

Ontmoeting met een blaarkop

 

Je vindt me vreemd, eng haast, blijkt uit je blik,

met zo'n geboortemasker, wit, en ogen

zo zwart omrand die jou enkel gedogen,

denk je, op afstand, want ik merk jouw schrik

 

als je je hand uitsteekt en kopschuw ik

terugdeins zelf - voor wat, voor een te hoge

verwachting? die, bij voorbaat al bedrogen,

maakt dat, uit schaamte wijs, ik weeg en wik.

 

Maar vaak, ontwaakt in ochtendschitterdauw

- ze slapen nog, de anderen, gewonen -,

mijmer ik hoe me niet meer te verschonen

 

voor dat ik zo ben, me lijk te verbergen,

prins van Sneeuwwitje en haar zeven dwergen -

wat niemand aan me ziet vertel ik jou.

 

 

 

 

 

Jellema

C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

Olieverfschilderij door Trudy Kramer

 

 

  

 

 

De Italiaanse dichter en schrijver Cesare Pavese werd geboren in Santo Stefano Belbo op 9 september 1908. Pavese studeerde literatuurgeschiedenis in Turijn en promoveerde in 1930 op de Amerikaanse dichter Walt Whitman. Hij vertaalde Moby Dick van Herman Melville en werk van John Dos Passos, William Faulkner, Sherwood Anderson, Sinclair Lewis, Daniel Defoe, James Joyce en Charles Dickens in het Italiaans. Vanaf 1930 schreef Pavese bijdragen over Amerikaanse literatuur in het tijdschrift La Cultura.

Tussen 1928 en 1935 schreef Pavese gedichten, die hij 1936 publiceerde onder de titel Lavorare stanca. In 1935 werd hij wegens zijn antifascistische houding, die overigens primair werd bepaald door esthetische motieven, gevangen genomen en acht maanden verbannen naar Brancaleone in Calabrië. In deze tijd begon hij zijn literair-existentialistische dagboek Il mestiere di vivere, dat hij tot zijn dood zou bijhouden. Vanaf 1938 werkte hij bij de Turijnse uitgeverij Einaudi.

Tijdens WO II trok Pavese zich met de schoonfamilie van zijn zuster terug op het Italiaanse platteland. Hij sloot vriendschap met de jonge schrijver Italo Calvino, en was de eerste die diens werk las. Later zou Calvino hem "mijn ideale lezer" noemen. Na de oorlog verbleef Pavese in Serralunga di Cera, Rome, Milaan en vervolgens in Turijn. In 1945 sloot hij zich aan bij de Italiaanse Communistische Partij. In 1950 won Pavese de prestigieuze Premio Strega literatuurprijs, voor La bella estate. Pavese pleegde op 41-jarige leeftijd zelfmoord door inname van een overdosis barbituraten in een hotelkamer in Turijn, waarschijnlijk wegens een ongelukkige liefde en toenemende desillusies over politiek.

 

 

Alter Ego

 

From morning till evening he saw the tattoo

on his silky chest: a russet woman,

lying concealed in the field of hair. Beneath there was

sometimes chaos, she leapt up suddenly.

The day passed in cursing and silence.

If the woman were no tattoo but

clung alive to his hairy chest, he'd

cry out more loudly in the little cell.

 

Wide-eyed, he lay silently stretched on the bed.

A deep sealike sigh swelled

the big solid bones in his body: he lay

as on a boat-deck. He rested heavily on the bed

like someone who on waking might jump up.

His body, salted with spray, poured out

sweat full of sunshine. The little cell

was not big enough for a single one of his glances.

His hands showed he was thinking of the woman.

 

 


Instinct

 

From the door of his house in the gentle sunshine

the old man, disillusioned with everything,

watches the dog and the bitch as they follow instinct.

 

Flies crawl round his toothless mouth.

His wife died some time ago. She too

like all bitches didn't want to hear it mentioned,

but she had the instinct. The old man would smell it out -

he hadn't yet lost his teeth - night would come,

they'd go to bed. Instinct was fine.

 

It's fine for dogs having so much freedom,

prowling the streets from dawn to dusk,

eating a little, sleeping a little, mounting bitches a little:

they don't even wait for night. They reason

as they smell and what they smell is good.

 

The old man remembers how once in the daytime

he had it in a field of wheat.

Who the bitch was he no longer knows, but remembers

the hot sun and the sweat and his wish it would last for ever.

It was like being in bed. If the years could return

he'd like to do it always in a field of wheat.

 

A woman comes down the street and stops to watch;

the priest passes and turns away. In the public square

you can do anything. Even the woman,

too discreet to turn round for a man, stops.

Only a boy can't stand the game

and pelts them with stones. The old man's angry.

 

 

 

cesare_pavese
Cesare Pavese (9 september 1908 – 27 augustus 1950)

 

 


 

De Tsjechische schrijfster Hana Androníková werd geboren op 9 september 1967 in Zlín. Zie ook mijn blog van 9 september 2007.

 

Uit: Der Klang der Sonnenuhr (Vertaling door Marcela Euler )

”Die Beugung des Armes, die Finger umfassen den weißen Henkel. Eine hellbraune Flüssigkeit füllt die Porzellantasse. Sie goß sich gerade Tee ein. Gegen den Türrahmen gelehnt beobachtete er die Rundung ihres nach vorne gebeugten Rückens.
- Haben Sie nach mir gerufen, Madame?
Ein Aufschrei des Schreckens hallte von der Wand wider. Sie drehte sich heftig um, der Deckel der Teekanne erzitterte.
- Du hast mich zu Tode erschreckt!
Die zwei Schritte über die Schwelle zum Eßzimmer hinterließen deutliche schlammige Spuren.
- Erschreckt?
- Ich habe dich nicht erkannt.
In ihrem Lachen lag noch die Schwere des Schreckens.
Die dicke Staubschicht ließ seine Haare sonderbar grau erscheinen, der zentimeterlange Bartwuchs zeugte von einem einwöchigen Fernbleiben der Rasierklinge, und der dunkle Teint hätte Sonnenbräune, aber ebensogut auch Dreck sein können. Unter seinen Achseln zeigte das Hemd Schweißspuren, groß wie Mühlräder.
- Du siehst aus wie ein Wilder.
Er trat an sie heran.
- Wo ist er?
- Wer? Daniel? Im Bett.
Eine Mischung aus Gerüchen hüllte sie ein. Schweiß, Zement, Tabak, Kalk, Mörtel, Regen. Er nahm ihr die Tasse aus der Hand und stellte sie zurück auf das Tablett. Die Tischdecke hinter ihrem Rücken war eine Handvoll Blumen und tropisches Obst. Er hob sie auf den Tisch. Er drücke sich an sie, ihr Körper war ein Garten voller Früchte, die ihm angeboten wurden. Atemlos versuchte sie, sich gegen ihn zu wehren.
- Er schläft noch nicht! Er wartet auf die Gute-Nacht-Geschichte.
- Er soll warten.
- Maa–maa!
- Das glaube ich kaum.
Er verdrehte die Augen und ließ seine Hände sinken.
- Kannst du ihm eine kurze Geschichte erzählen?
- Und kannst du dich waschen?
Sie strich mit den Händen über das Kleid, um die Spuren seiner Berührungen zu glätten. Er machte die Lichter im Eßzimmer aus, ging ins Bad und griff nach der Seife. Die Tür ließ er halb offen, damit ihm die Gute-Nacht-Geschichte nicht entging.”

 

 

 

Andronikova_Hana
Hana Androníková (Zlín, 9 september 1967)

 

 

 


 

De Russische schrijver Leo Tolstoj werd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Zie ook mijn blog van 9 september 2006 en ook mijn blog van 9 september 2007.

 

Uit: Krieg und Frieden

 

»Nun, sehen Sie wohl, Fürst: Genua und Lucca sind weiter nichts mehr als Apanagen der Familie Bonaparte. Nein, das erkläre ich Ihnen auf das bestimmteste: wenn Sie mir nicht sagen, daß der Krieg eine Notwendigkeit ist, wenn Sie sich noch länger erlauben, all die Schändlichkeiten und Gewalttaten dieses Antichrists in Schutz zu nehmen (wirklich, ich glaube, daß er der Antichrist ist), so kenne ich Sie nicht mehr, so sind Sie nicht mehr mein Freund, nicht mehr, wie Sie sich ausdrücken, mein treuer Sklave. – Jetzt aber guten Tag, guten Tag! Ich sehe, daß ich Sie einschüchtere; setzen Sie sich und erzählen Sie!«
So sprach im Juni 1805 Fräulein Anna Pawlowna Scherer, die hochangesehene Hofdame und Vertraute der Kaiserinmutter Maria Feodorowna, indem sie den durch Rang und Einfluß hervorragenden Fürsten Wasili begrüßte, der sich als erster zu ihrer Soiree einstellte. Anna Pawlowna hustete seit einigen Tagen; sie hatte, wie sie sagte, die Grippe (»Grippe« war damals ein neues Wort, dessen sich nur einige wenige feine Leute bedienten). Die Einladungsschreiben, die sie am Vormittag durch einen Lakaien in roter Livree versandt hatte, hatten alle ohne Abweichungen folgendermaßen gelautet:
»Wenn Sie, Graf (oder Fürst), nichts Besseres vorhaben und die Aussicht, den Abend bei einer armen Patientin zu verbringen, Sie nicht zu sehr erschreckt, so werde ich mich sehr freuen, Sie heute zwischen sieben und neun Uhr bei mir zu sehen. Anna Scherer.«
»Mein Gott, was für eine hitzige Attacke!« antwortete der soeben eingetretene Fürst, ohne über einen derartigen Empfang im geringsten in Aufregung zu geraten, mit einem heiteren Ausdruck auf seinem flachen Gesicht.
Er trug die gestickte Hofuniform, Schnallenschuhe, Strümpfe und mehrere Orden und sprach jenes auserlesene Französisch, welches unsere Großväter nicht nur redeten, sondern in dem sie auch dachten, und zwar mit dem ruhigen, gönnerhaften Ton, wie er einem hochgestellten, im Verkehr mit der besten Gesellschaft und in der Hofluft altgewordenen Mann eigen ist. Er trat zu Anna Pawlowna heran, küßte ihr die Hand, wobei er ihr den Anblick seiner parfümierten, schimmernden Glatze darbot, und setzte sich dann in aller Seelenruhe auf einen Lehnsessel.
»Vor allen Dingen, liebe Freundin, sagen Sie mir, wie es mit Ihrer Gesundheit steht, und beruhigen Sie Ihren Freund«, sagte er, ohne seine Stimme zu verändern, und in einem Ton, bei dem man durch alle Höf lichkeit und Anteilnahme doch seine innere Gleichgültigkeit und sogar ein wenig Spott hindurchhörte.
»Wie kann ich körperlich gesund sein, wenn ich seelisch leide? Wer, der überhaupt Gefühl in der Brust hat, kann denn in unserer Zeit seine seelische Ruhe bewahren?« sagte Anna Pawlowna. »Ich hoffe, Sie bleiben den ganzen Abend bei mir?«

 

 

 

tolstoi_1873

Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)

Portret door Ivan Kramskoj

 

 

 

 

De Vlaamse dichter en componist Gentil Theodoor Antheunis werd geboren te Oudenaarde op 9 september 1840. Zie ook mijn blog van 9 september 2006 en ook mijn blog van 9 september 2007.

 

 

Van Komen en van Keeren

 

Hij kwam voorbij haar venster;

Zij keek hem vrank in 't oog,

Maar 't scheen haar dat een genster

Zijn klaren blik ontvloog.

 

Hij kwam weldra eens weder,

Zij keerde half zich om

En blikte blozend neder,

En wist toch niet waarom.

 

Hij dacht: ‘Wat mag het wezen?

Zoo dikwijls zag ik haar;

Ik voelde niets voordezen,

En nu.... 't is zonderbaar.’

 

Zij sprak: ‘Wat mag hij denken?

den blik, ontzegd door mij,

Wou ik zoo graag hem schenken!

Nu is hij lang voorbij!’

 

Maar 't was de wil des Heeren.

Na twijfel en berouw,

Na komen, gaan en keeren

Zij werden man en vrouw.

 

Zoo is de gang der minne,

En ieder heeft zijn lot;

Een blik in den beginne

En... ieder kent het slot.

 

 

 

 

Ik had uw laatsten Brief

 

Ik had uw laatsten brief herlezen;

Ik hield uw beeld in mijne hand.

Wat ik al dacht en wat ik voelde

Bij 't zien van dit zoo dierbaar pand!

 

Ik wilde in woorden u vertalen

Wat mij zoo diep het hart bewoog;

Maar ijdel bleef toch mijn verlangen.

Ik vond geen woorden, geen gezangen,

Maar eenen traan in ieder oog.

 

 

 

 

 

Antheunis_Gentil
Gentil Th. Antheunis  (9 september 1840 – 5 augustus 1907)

 

 


 

 

De Vlaamse schrijver, dichter en journalist Gaston Cyriel Durnez werd geboren in Wervik. Zie ook mijn blog van 9 september 2007.

 

 

Ballade

Een elfje liep door Sprookjesland
met een twaalfje aan d'r hand.

De elfenkoning zag hen gaan
en sprak de twaalf verbolgen aan.

Mijnheer, hoe waagt een twaalf als gij
te vrijen met een elf van mij?

Zoiets is hier nog nooit gezien,
zelfs met geen negen of geen tien !

De jongen zei: "Vorst, permitteer,
dat ik mij even opereer."

Hij sneed een stukje uit zichzelf,
toen was de twaalf nog slechts elf.

De vorst schreed voort, hij was voldaan.
Het elfje zag haar jongen aan.

Het elfje zag haar jongen aan,
en schreiend is het heengegaan.

 

 

 

 

Dunez
Gaston Durnez (Wervik, 9 september 1928)

 

 

09-09-07

Hana Androníková, C. O. Jellema, Gaston Cyriel Durnez, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis

 

De Tsjechische schrijfster Hana Androníková werd geboren op 9 september 1967 in Zlín. Na het gymnasium studeerde zij Engels en Tsjechische filologie in Praag. Na haar studie werkte zij eerst als personeelsmanager in Tjechische en buitenlandse bedrijven. Sinds 1999 wijdt zij zich alleen nog aan de literatuur. Voor haar debuut Zvuk slunečních hodin (The sound of the sundial), een beschrijving van het lot van verschillende vrouwen vanaf de holocaust tot de revolutie van 1989 ontving zij diverse prijzen.

 

Werk o.a: Objeti lasky [‘Love’s Sacrifice’], 2005, Heart on a Hook’]. 2002, Ritual [‘The Ritual’], 2006.

 

Uit: The sound of the sundial

 

“IN DECEMBER 1938 Bata launched a new kind of waterproof shoe on the Indian market. Shop windows displayed metal bowls of water with shoes bobbing in them. "In wet and dry." It was an immediate hit; the Indians went wild over them. They cost fifteen annas a pair.

In the middle of January my dog, Amon, died. Father said he'd reached that age. I cried a lot; he'd been in the family since before I was born. I missed him terribly. Then, in February 2939 a letter arrived from Aunt Regina that changed our life completely: Erik, Lily, and little Irma have emigrated. They're in England at the moment. Lily has some relatives there, but I don't know where they'll end up. Mother fell ill soon after; it's become clear she'd actually been ill for a long time. There's no hope. The doctors say she has a month left, maybe two. I've taken time off because it would be hard for Father to look after her. They talk about you all the time. I think life's playing games with us. Just as Father seemed to have pulled round after his stroke last year, everything has begun to slide back again. You'd hardly recognize them. "RAQUEL, TRY TO UNDERSTAND. We can't go back!"

"My mother is dying."

"I know. I know it's hard, but we can't go back now."

"I have to go back! I owe it to her."

"Raquel--"

"I haven't seen her since you and I have been together."

His throat tightened.

"There's going to be a war. It's--suicide."

"I have to go home."

He could hear the despair in his own voice, which failed him. He couldn't swallow. He was putting his foot out to stop a moving train. "Raquel--"

"If you won't come with me, I'm going alone!"

"You can't do that."

"I will!"

She shot out of her chair and slammed the door behind her.

He felt suffocated. The stifling heat surrounded him. He remained sitting in the garden till dusk and listened to the evening ritual of the parched earth. Thousands of leaves in the tops of the banyan trees, like naked hearts with sharp tips, prepared to defend their own vulnerability. The cicadas brought darkness and the clamor of night invaded his life.

I MADE MY FAREWELLS. To India. To Kavita. To her embraces, songs, and incantations. To the people with...”

 

 

 

andronikova
Hana Androníková (Zlín, 9 september 1967)

 


De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen.

 

Zie ook mijn blog van 8 juni 2007 en mijn blog van 9 september 2006.

 

 

Droomtijd

 

Is het van wezens het hoogste verlangen 
aan te komen in oorsprong? Vogels 
trekken weg van hun broedplaats, zuidwaarts, 
zo ook zoeken onze gedachten 
zonniger streken, zwermen uit langs 
verre wegen. – Een ziel is ontruiming 
echter, woordloos, aan beelden ontspringt zij, 
maar of zij mij is, niet zal ik dat weten, 
hier niet, maar nooit ook? Zo denk ik me vlinder. 

 

 

 

Drijfjacht 

Plat op de rug zijn lange lepeloren,
gedoken in de vore lag de haas,
en ik, terwijl ik naderbij kwam, deed,
mijn taak van drijver dus verzakend, of
hij niet gezien werd, niet zijn ogen puilend
van angst, blikloos alsof niet mij hij waarnam,
niet achter mij de wijde vrijheid, maar
een niets in zich, een gat waar hij voor lag,
te diep, te breed om nog te durven springen.
Toen, met een stap van mij aan hem voorbij,
in een seconde was hij weg - me wendend
(verwensing uit de slootwal, doch geen schot)
zag ik hem rennend naar de horizon,
al haast een stip op wit bevroren klei.

Hoe zal zijn einde zijn geweest? In wijn
gestoofd, onder een auto of gewoon
van ouderdom tussen de koude voren -
wanneer in 't voorjaar op het veld voor huis
de hazen buitelen, denk ik aan hem:
hoe angst een plotselinge kracht kan zijn
die je bevrijdt tot in je kloppend hart.
Misschien zal, als het gat dat groeit in mij
te diep, te breed wordt om te kunnen springen,
bij god, een haas mijn voorspraak zijn (want ook
een dier dat angst kent heeft een ziel die wordt
verlost), al was het maar doordat die morgen
mij heugt, die ene stap, en dat instinct
waarmee bestaan zich redt op eigen kracht.

 

 

In lood

 

Het paard, je weet niet anders, mist een been.

En wat een zebra tussen schapen doet?

De boer draagt zie je een uitheemse hoed.

Nu pas. Nu wat eens leefde de schoorsteen-

 

mantel behoedt. Miniatuur. Maar een

voor een bij name. Dood kinderspeelgoed

voor wie 't niet ziet: elk dier, vergroot, begroet

een kleine boer die zich volwassen scheen.

 

Je weet niet anders - was hij echt soms groter?

Misschien wordt men nooit wat men vroeger was:

begrepen. Dingen denken. Eens vooral.

 

Je bracht je moeder melk. Ik maak er boter

van, zei ze, voor de winter als het gras

bevroren, grond hard, jouw koeien op stal. 

 

 

 

 

Cor_Jellema
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter en journalist Gaston Cyriel Durnez werd geboren in Wervik, West-Vlaanderen, op 9 september 1928 als zevende zoon in een arbeidersgezin met elf kinderen. Na basisonderwijs in de St.-Martinusschool te Asse, Brabant, volgde hij twee jaar Praktische Handelsschool in Koekelberg. H!j was een jaar werkzaam als typist. Sinds 1 mei 1945 was hij journalist bij De Nieuwe Standaard (titel later veranderd in De Nieuwe Gids) – ’t Vrije Volksblad – Het Nieuws van den Dag. Vanaf 1 maart 1953 was hij redacteur bij De Standaard – Het Nieuwsblad, waar hij o.m. redactiechef van Het Nieuwsblad, hoofd van de algemene nieuwsdienst en adjunct-rubriekleider Cultuur van De Standaard is geweest. Zijn loopbaan bij deze persgroep werd gedurende drie jaar onderbroken (1966-1969), waarin hij redacteur van de Nederlandse krantengroep Brabant Pers en van het Vlaamse dagblad Het Volk, tevens literair adviseur van uitgeverij Van In, is geweest. Daarna werd hij opnieuw redacteur bij De Standaard tot aan zijn pensionering in 1992. Hij bleef columnist voor dezelfde krant van 1992 tot 1999. Sinds 1999 is hij columnist van de weekbladen De Bond en Tertio. Hij was buitendien bedrijvig als tekstschrijver voor radiocabaret, als tv-medewerker (panellid voor taalspelletjes, literair interviewer) en filmscenarist  (“De Witte van Sichem”).

 

De Veerpuid

 

Ik weet nog hoe moeder vertelde 

dat eenmaal een straatarme puid

een veerpont had op de Schelde.

Een holleblok was zijn schuit.

Hij telde veel trouwe klanten.

Elkeen die geen zwemvliezen had,

als boeren en andere passanten,

bracht hij in zijn klomp over 't nat.

En 's winters als 't hard had gevroren,

dan zette de veerman niet stop.

Dan lei hij, met hulp van zijn veervrouw,

zijn klomp vlug twee ijzers op.

Zo schoof hij dan met zijn klanten,

al zingende over het ijs

van linker naar rechterkant en

hij toondichte zelf zijn wijs.

Maar eens zijn boosaardige mensen

gaan werken aan weerszij de vliet,

Zij legden een brug te Temse,

en 't holleblokveer moest failliet.

De kikker verging van mizerie

en stierf zonder veel tam-tam.

Er bleef van hem niets meer over,

van 't veerpont nog honderd gram

 

 

 

GastonDurnez
Gaston Durnez (Wervik, 9 september 1928)

 



De Russische schrijver Leo Tolstoj werd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Zie ook mijn blog van 9 september 2006.

 

Uit: Die Kreutzersonate

 

Die Ausschweifung beruht nicht auf irgend etwas Physischem - physische Unanständigkeit ist bei weitem noch keine Ausschweifung; die Ausschweifung, die eigentliche, wahre Ausschweifung besteht gerade darin, dass der Mann sich von jeglicher moralischen Beziehung zu der Frau, mit der er in physischen Verkehr tritt, für frei hält. Und eben diese Selbstbefreiung rechnete ich mir sogar zum Verdienst an. Ich erinnere mich, welche Qual es mir bereitete, als ich einstmals einer Frau, die sich mir wahrscheinlich aus Liebe hingegeben hatte, kein Geld hatte geben können, und wie ich mich erst beruhigte, als ich ihr eine gewisse Summe übersandt und damit zu verstehen gegeben hatte, dass ich mich nunmehr ihr gegenüber in keiner Weise für moralisch gebunden erachtete ...”

(…)

“Es schien mir an jenem Abend, dass sie alles, alles verstehe, was ich fühlte und dachte. In Wirklichkeit lag nichts weiter vor, als dass die englische Robe und die Locken ihr ausnehmend gut zu Gesichte standen und dass, nachdem ich den Tag in ihrer traulichen Nähe verbracht hatte, ich den Wunsch nach einer noch intimeren Traulichkeit hegte.”

 

 

 

tolstoi_lev
Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)

 



De Vlaamse dichter en componist Gentil Theodoor Antheunis werd geboren te Oudenaarde op 9 september 1840. Zie ook mijn blog van 9 september 2006.

 

 

Eik en Bloem

 

Het onweer heeft zoo fel geloeid;

Met kleur en geur en glans getooid,

Prijkt nog de bloem in 't veld;

Verbrijzeld als een dorre stok,

Maar niet ontworteld door den schok,

Ligt de eike neêrgeveld.

 

Hij siddert nog de kloeke boom,

Hij siddert nog, maar niet van schroom;

De dood maakt hem niet bang;

En stervend schudt hij 't groene hoofd;

Terwijl zijn stemme reeds verdooft,

Zingt hij zijn laatsten zang:

 

‘O Gij, die ik ontluiken zag,

In zoelen wind en zonnelach,

O kind der zoete Lent'!

O Bloeme, o lief en dartel kind,

'k Heb u zoo lang, zoo teêr bemind;

En gij hebt mij miskend!

 

'k Heb trillend, over u gebukt,

Tot in mijn diepste merg verrukt,

U slapend daar aanschouwd;

En 's morgens, als de zonne klom,

Heb ik voor u, als scherm, alom

Mijn breede kruin ontvouwd.

 

'k Zong u zoo menig liefdelied,

En ik, de sterke, beefde als riet

Als ik u luist'ren zag;

En juichend dan en koen en stout,

Klonk sterker over veld en woud

Mijn lied, den ganschen dag.

 

Maar neen, gij lief en dartel kind!

U trof wel in den zoelen wind

Het woord, maar niet de zin;

En onder mijne ruige schors,

Verteerde en smolt, hoe jong en forsch,

Mijn hart in 't vuur der min.

 

En wagg'lend staarde ik hooploos heên;

Mijn moed bezweek, mijn kracht verdween;

't Orkaan, zoo lang getart,

Schoot hoonend toe - ik plofte neêr...

Nu zingt u de eike nimmermeer,

O Bloeme zonder hart.’

 

Hij zwijgt en sterft... geen rouwklacht schalt;

En langzaam 't avondduister valt,

Dat woud en veld bedekt.

De bronne ruischt zoo zacht, zoo zacht;

De bloeme sluimert heel den nacht,

Tot dat de zon haar wekt.

 

 

Antheunis
Gentil Th. Antheunis  (9 september 1840 – 5 augustus 1907) 

 

09-09-06

Leo Tolstoj en Gentil Antheunis, C.O. Jellema

 

Leo Tolstoj werd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Hij kwam uit een familie van hoge adel. Zijn vroege leven op Jasnaja Poljana heeft een grote invloed uitgeoefend op de toekomstige schrijver. Daar maakte hij kennis met het leven van de arme boeren van Rusland. Ook had hij al vroeg kennis genomen van de gedichten, sprookjes en legenden van Poesjkin . In 1851 nadat hij grote schulden tijdens het gokken had gemaakt, vergezelde hij zijn oudere broer naar de Kaukasus en ging bij het leger. Hij deed mee in de Krim-oorlog waar hij zijn Sevastopol-verhalen schreef.

Na de oorlog ging Tolstoj naar Sint-Petersburg, waar hij zich aan de literatuur wijdde. In 1862 trouwde Tolstoj met Sofja Andrejevna Bers en ging weer op Jasnaja Poljana wonen. Hier vestigde hij een school voor de boerenkinderen. In deze jaren schrijft hij ook zijn beroemde roman Oorlog en Vrede en daarna Anna Karenina.

Daarna komt er een verandering in het werk van Tolstoj. Hij hield zich bezig met het geloof en schreef religieus-filosofische tractaten en raakte in conflict met de kerk omdat hij vond dat de eenvoudige boeren de dragers van het ware geloof waren. Hij deed afstand van zijn rijkdom en bediendes en ging zich wijden aan een eenvoudig leven. Hij ploegde het land, hakte hout en haalde zelf water. Maar hij bleef op Jasnaja Poljana wonen.

In 1910 overleed Tolstoj aan een longontsteking. Hij ligt begraven in een eenvoudig graf op Jasnaja Poljana.

 

Uit: Anna Karenina (Hoofstuk 1)

 

“Happy families are all alike; every unhappy family is unhappy in its own way.

Everything was in confusion in the Oblonskys' house. The wife had discovered that the husband was carrying on an intrigue with a French girl, who had been a governess in their family, and she had announced to her husband that she could not go on living in the same house with him. This position of affairs had now lasted three days, and not only the husband and wife themselves, but all the members of their family and household, were painfully conscious of it. Every person in the house felt that there was so sense in their living together, and that the stray people brought together by chance in any inn had more in common with one another than they, the members of the family and household of the Oblonskys. The wife did not leave her own room, the husband had not been at home for three days. The children ran wild all over the house; the English governess quarreled with the housekeeper, and wrote to a friend asking her to look out for a new situation for her; the man-cook had walked of the day before just at dinner-time; the kitchen-maid, and the coachman had given warning.

Three days after the quarrel, Prince Stepan Arkadyevitch Oblonsky--Stiva, as he was called in the fashionable world--woke up at his usual hour, that is, at eight o'clock in the morning, not in his wife's bedroom, but on the leather-covered sofa in his study. He turned over his stout, well-cared-for person on the springy sofa, as though he would sink into a long sleep again; he vigorously embraced the pillow on the other side and buried his face in it; but all at once he jumped up, sat up on the sofa, and opened his eyes.

"Yes, yes, how was it now?" he thought, going over his dream. "Now, how was it? To be sure! Alabin was giving a dinner at Darmstadt; no, not Darmstadt, but something American. Yes, but then, Darmstadt was in America. Yes, Alabin was giving a dinner on glass tables, and the tables sang, Il mio tesoro--not Il mio tesoro though, but something better, and there were some sort of little decanters on the table, and they were women, too," he remembered”

 

 

Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)

 


De Vlaamse dichter en componist Gentil Theodoor Antheunis werd geboren te Oudenaarde op 9 september 1840. Hij was de schoonzoon van Hendrik Conscience. Hij schreef in verschillende dagbladen en tijdschriften liederen en gedichten, waarvan er onderscheidene door Willem De Mol op muziek zijn gezet, onder andere: Lentelied, Ik ken een lied, Droeve tijden, Bethlehem. Ze zijn alle verenigd in één bundel (1873). In 1874 werd hij door de Antwerpse Rederijkerskamer de Olijftak bekroond voor een minnelied. Verder gaf hij nog in het licht: Uit het hart, Liederen en gedichten (Dendermonde en Leiden, 1875); Liederkrans uit de Loverkens van Hoffmann van Fallersleben, met muziek van G. Antheunis (Gent, 1877); Leven, lieven en zingen (Gent, 1879). Een thans nog relatief bekend lied van hem is Mijn Vlaanderen heb ik hart'lijk lief.

Vergeefs

 

De nachtegaal de roos bemint;
En ’s avonds in den lentewind
Zingt hij verscholen in het loof.
De roos blijft voor den zanger doof;
De vogel kwijnt in stilte.

De roos bemint den adelaar;
Maar hij ontvouwt zijn vleuglenpaar
En stijgt en klimt… Waarheen? Waarheen?
En laat de lieve roos alleen.
De bloem verkwijnt in stilte.

Het zoetste lied klinkt vruchteloos;
Vergeefs ontplooit haar schoon de roos,
Als liefde ‘t oor niet open houdt
Of door het oog niet henenschouwt;
Dan kwijnt het hart in stilte.

 

 

 

Gentil Th. Antheunis  (9 september 1840 – 5 augustus 1907)

 


De Nederlandse dichter, essayist en germanist Cornelis Onno Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 8 juni 2007.

Vloedlijn

Hoe het voelt voor die eidereend niet meer
op deining te drijven, door het water
achtergelaten te zijn in het slijkgras,
op haar rug, haar vlerken gespreid
onder de zon van september - als wilde
zij, nog niet verregend tot warboel
van botten en veren, nog net eend, maar
niet in staat dat peilloze blauw,
boven haar te bevliegen, hier liggend en
dood nu pas eindelijk paren.

 

 

JellemaCO
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)
Olieverfschilderij door Trudy Kramer