01-08-16

Gerrit Krol, Frans Pointl, Mehis Heinsaar, Ko Un, Edward van de Vendel

 

De Nederlandse dichter en schrijver Gerrit Krol werd geboren op 1 augustus 1943 in Groningen. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Gerrit Krol op dit blog.

Uit: Aan de waterkant

“Hoewel de glazen, half volgeschonken, en de flesjes, half leeg, op vier punten het wegwaaien beletten, was het roodgeruite kleedje aan de rand nog vastgezet met een klem aan het tafeltje dat zelf tussen de planken, in een naad zijn poot had gezet, onwrikbaar.
‘We zitten boven de golven’, zei hij en hij greep het glas met de zilveren lettertjes, hield het op ooghoogte in haar richting alsof hij haar op de korrel wilde nemen: ‘gezondheid’, en hij goot de drank, die nog spartelde, achterover in de duisternis van zijn keel. Hij zette het glas neer op het kleedje, daar waar het opbolde. ‘Dood’, zei hij, maar de wind dook naar beneden, over de grond joeg hij, over de planken van de steiger als een zwaluw en zwenkend. De boten die niet gebruikt werden dobberden, kortgehouden, tegen het hout, tegen elkaar, wachtend op gebruikers. De achterste was reeds bezet; het zeil werd gehesen, het sloeg heen en weer en klom langs de mast intussen rustig omhoog. Ook de smalle fok schoot ten hemel, reeds werden de touwen losgegooid en de man die daar aan het zwemmen was, met zijn hoofd boven water, moest oppassen dat hij niet overvaren werd, zo snel liep die boot daar over de golven weg.
‘O, Ronald!’ gilde opeens het meisje, ‘hij gaat er over heen!’ Ze sprong op en wees met de vinger. De jongeman tegenover haar draaide zich om, keek trouwens meer naar haar, want hij wist niet wat ze bedoelde. Ze stond op de tenen, met de vingers gekromd tegen de mond van ontzetting, maar daar kwam hij weer uit het schuim te voorschijn, de zwemmer, lachend, met de kin vooruit alsof hij zelf ook een boot was en het meisje kon gaan zitten.
Ronald keerde zijn flesje met de hals in het glas. ‘En toch snap ik het niet’, zei ze, reikhalzend nog, ‘hij komt geloof ik niet vooruit.’
‘Wat bedoel je?’
‘Die man daar.’
Nog 's weer keek hij, half gedraaid, in de aangewezen richting, en toen lachte hij. Hij keerde zich om. ‘Die zijn van kurk’, zei hij.
‘Neeee’, zei ze, als iemand die het nog niet geloven wil, maar toen zag ze het zelf ook: het was een zwemmer van kurk die daar aan de gang was. Ze lachte. ‘Kijk 'm eens grijnzen’, zei ze, ‘en hij komt niet vooruit. Hij heeft niet eens armen ook. Hebben ze dat expres gedaan?’

 

 
Gerrit Krol (1 augustus 1934 - 24 november 2013)

Bewaren

Lees meer...

01-08-14

Dolce far niente, Fred Endrikat, Gerrit Krol, Frans Pointl, Ko Un, Edward van de Vendel

 

Dolce far niente

 

 
Green and Gold door Henry Scott Tuke, 1920

 

 

Wochenbrevier

Am Montag fängt die Woche an.
Am Montag ruht der brave Mann,
das taten unsre Ahnen schon.
Wir halten streng auf Tradition.

Am Dienstag hält man mit sich Rat.
Man sammelt Mut und Kraft zur Tat.
Bevor man anfängt, eins, zwei, drei,
bums - ist der Dienstag schon vorbei.

Am Mittwoch fasst man den Entschluss:
Bestimmt, es soll, es wird, es muss,
mag kommen, was da kommen mag,
ab morgen früh am Donnerstag.

Am Donnerstag fasst man den Plan:
Von heute ab wird was getan.
Gedacht, getan, getan, gedacht,
inzwischen ist es wieder Nacht.

Am Freitag geht von alters her,
was man auch anfängt, stets verquer.
Drum ruh dich aus und sei belehrt:
Wer gar nichts tut - macht nichts verkehrt.

Am Samstag ist das Wochen-End,
da wird ganz gründlich ausgepennt.
Heut anzufangen, lohnt sich nicht.
Die Ruhe ist des Bürgers Pflicht.

Am Sonntag möcht' man so viel tun.
Am Sonntag
muss man leider ruhn.
Zur Arbeit ist es nie zu spät.
O Kinder, wie die Zeit vergeht.

 

 
Fred Endrikat (7 juni 1890 – 12 augustus 1942)

Lees meer...

08-01-14

Juan Marsé, Waldtraut Lewin, Gaston Miron, Ko Un, Leonardo Sciascia


De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

Uit: L'amant bilingue (Vertaald door Jean-Marie Saint-Lu)

“Le châssis rouillé de la Lincoln Continental 1941, sans roues ni moteur, gît au milieu du terrain vague, entouré d’herbes hautes que peigne le vent. C’est le squelette calciné d’un rêve. Personne dans le quartier ne se rappelle comment ni quand la fantastique automobile est arrivée jusque sur ces hauteurs, qui l’a abandonnée sur cette petite colline au nord-ouest de la ville, la condamnant ainsi à mourir à l’état de ferraille. Elle est toujours échouée dans ma mémoire au milieu d’une mer d’herbe et de boue noire, et entourée de tout un tas de choses mortes : des morceaux de poêles en fer, un fauteuil défoncé, des enfants au crâne tondu qui fument à croupetons, des piles de vieux pneus, ma mère, ivre, qui marche contre le vent, des sommiers oxydés et des petits matelas crasseux et tout déchirés.
J’écris ici ces souvenirs pour qu’ils soient sauvés de l’oubli. Ma vie a été une vraie merde, mais je n’en ai pas d’autre.
J’habite avec ma mère en haut de la rue Verdi, dans un vieux pavillon délabré avec un jardin, sur un versant contigu au parc Güell. Je vois la rue en pente, estompée par la bruine, comme un merveilleux toboggan au-dessus de la ville. Au coin; on peut voir la figure d’un jeune garçon, masquée d’un loup noir. C’est moi, douze ans, crâne tondu, brassard de deuil. L’enfant masqué regarde d’un côté et de l’autre, furtivement, puis traverse la rue. Je revois le quartier gris et apeuré, les chats faméliques, les petites terrasses, les draps blancs que fouette le vent. Au coin de l’autre rue, je rejoins trois garçons, Faneca, David et Jaime. Faneca mange une patate cuite, il a été faire une course pour madame Lola et il est passé par la cuisine de la pension Ynès, il y récupère toujours quelque chose à manger. Les rues sont si raides qu’elles ont des marches.
Mon quartier est si haut, si près des nuages, que la pluies’y arrête avant de tomber."

 

 
Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

Lees meer...

08-01-13

Juan Marsé, Waldtraut Lewin, Gaston Miron, Ko Un, Béla Zsolt

 

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

 

Uit: De laatste middagen met Teresa (Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu)

 

“Maruja mompelde een verontschuldiging en wilde juist naar binnen gaan, toen de Piechemapart zich omdraaide en haar met zijn handen in zijn zakken, een brutale uitdrukking op zijn gezicht en een hooghartige blik in zijn ogen, beval even te wachten. De jongen liep langzaam naar het hek, bleef daar staan, sloeg de dikke sjaal die hij al om had met een soort klap nog een keer om zijn nek, en keek Teresa aan. Nou, vroeg hij, waar was al die haast helemaal voor nodig, staat het huis soms in brand? Meteen hierna maakte hij zijn eerste vergissing: als ze zo’n haast hadden, zei hij, moest de kokkin het eten maar opdienen. De zelfverzekerdheid, die licht was aangezet door mannelijke trots waardoor het nog duidelijker was dat het nergens op sloeg, en de ernst waarmee hij dit zei maakte dat Teresa in lachen uitbarstte. Het was een heldere, lieve, spontane, totaal niet spottende, eerder solidaire lach, maar wel een die – zoals hij zelf ook besefte – verschrikkelijk groot gelijk had. Met een verward gezicht wendde de Murciaan zijn blik van Teresa af en mompelde: ‘Ik zou weleens willen weten waarom dat stomme mens zo moet lachen.’

(…)

 

Misschien kwam het doordat hij, zoals elk jaar wanneer de zomer aanbrak, met zijn bijzonder gevoelige neus de wijdverbreide, collectieve geluksneurose registreerde, evenals de schitterende faam van het geld, die zich als goudkleurige honing overal verspreidt tot in de meest afgesloten terreinen langs onze Middellandse Zeekust, en die in het zonnegeweld zweeft als een kiem van waarachtig leven, en soms, in bijzondere warme nachten waar geen einde aan lijkt te komen, doordringt in het bloed, zoals alcohol.

 

 

Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

Lees meer...

08-01-12

Juan Marsé, Waldtraut Lewin, Gaston Miron, Ko Un, Béla Zsolt

 

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

 

Uit: Calligraphie des rêves (Vertaald door Jean-Marie Saint-Lu)

 

„Torrente de las Flores. Il avait toujours pensé qu’une rue portant ce nom ne pourrait jamais être le

théâtre d’une tragédie. Depuis le haut de la Travesera de Dalt, elle amorce une forte pente qui s’atténue jusqu’à mourir dans la Travesera de Gracia, croise quarante-six rues, a une largeur de sept mètres et demi, est bordée d’immeubles peu élevés et compte trois bars. En été, durant les jours parfumés de la fête patronale, endormie sous un toit ornemental de bandes de papier de soie et de guirlandes multicolores, la rue abrite une agréable rumeur de roselière bercée par la brise et une lumière sous-marine et ondulante, comme d’un autre monde. Lors des nuits étouffantes, après dîner, la rue est un prolongement du foyer familial.

Tout cela est arrivé il y a bien longtemps, quand la ville était moins vraisemblable qu’aujourd’hui, mais

plus réelle. Un peu avant deux heures, un dimanche après-midi de juillet, le soleil resplendissant et une averse soudaine se fondent durant quelques minutes, laissant en suspens dans l’air une lumière frisottante, une transparence hérissée et trompeuse tout au long de la rue. Cet été est torride et la peau noirâtre de la chaussée est si chaude à cette heure-là que la pluie finissante s’évapore avant même de la toucher. Sur le trottoir du bar-marchand de vin Rosales, l’averse passée, un pain de glace laissé là par la camionnette du livreur et mal enveloppé dans une toile de jute commence à fondre sous le soleil inclément. Le gros Agustín, le patron, ne tarde pas à sortir, un seau et un

pic à la main, et, accroupi, il s’empresse de casser le pain.

Sur le coup de deux heures et demie, un peu audessus du bar et sur le trottoir d’en face, dans le tronçon de la rue le plus propice aux mirages, Mme Mir sort en courant du 117, visiblement perturbée, comme si elle venait d’échapper à un incendie ou à une hallucination, et se plante au milieu de la chaussée, en pantoufles et vêtue de sa blouse blanche d’infirmière mal boutonnée, sans craindre de laisser voir ce qu’elle ne doit pas montrer.“

 

 

Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

Lees meer...

01-08-11

Ko Un, Juan Filloy, Anne Hébert, Herman Melville

 

De Koreaanse dichter Ko Un werd geboren op 1 augustus 1933 in Gunsan. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007 en ook mijn blog van 1 augustus 2008 en ook mijn blog van 1 augustus 2009 en ook mijn blog van 1 augustus 2010.

 

Uit: Blüten des Augenblicks

 

 

19­­. April,
die erste­­ Schlan­­ge in diese­­m Frühling­­ tauch­­te auf
un­­d starb­­.
Ich, ich habe schon­­ zu lange­­ geleb­­t.

 

»Ich bin gekom­­men, Liebst­­e,
der stren­­ge Winter­­, er ist vorbe­­i.«
Das Grab seine­­r Frau lacht­­ leise­­.

 

 

An der Stelle, wo letzten Sommer

ein Tankwagen mit Wasser vorbeifuhr,

blühte in diesem Herbst eine Chrysantheme.

 

 

Ko Un (Gunsan, 1 augustus 1933)

Lees meer...

08-01-11

Juan Marsé, Waldtraut Lewin, Gaston Miron, Ko Un, Béla Zsolt

 

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook mijn blog van 8 januari 2007 en ook mijn blog van 8 januari 2009 en ook mijn blog van 8 januari 2010.

 

Uit: Last evenings with Teresa 

 

„Mount Carmel is a naked, barren hill located northwest of the city. Their invisible strings managed by the expert hands of children, you will often see brightly-coloured kites in the blue of the sky, shuddering in the wind, hovering above the summit like coats of arms announcing a warrior dream. In those grey postwar years, when empty stomachs and body lice required a dream a day to make reality more bearable, Mount Carmel was the favourite and fabulous field of adventure for the scruffy children from the neighbourhoods of Casa Baró, Guinardó and La Salud. They climbed to the top where the wind whistles to launch crude home-made kites constructed with flour paste, cane, rags and newspaper: for a long time there trembled and flapped fiercely in the city sky photos and news of the German advance on the fronts of Europe, death and destruction reigned, the weekly ration of Spaniards, misery and hunger. Now, in the summer of 1956, Carmel's kites no longer bear news or photos, nor are they made of newspapers, but rather of fine tissue paper bought in some shop, and their are colours garish, shocking. But despite this improvement in their appearance, many are still home-made, their frames coarse and heavy, and they gain height with difficulty: still the neighborhood’s warrior banner.“

 

 

 

Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

In 1975

 

 

Lees meer...

01-08-10

Gerrit Krol, Edward van de Vendel, Frans Pointl, Jim Carroll, Ko Un, Juan Filloy, Anne Hébert, Herman Melville, Frederick Busch, Ernst Jandl, Guus Kuijer, Francis Scott Key

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 1e augustus mijn blog bij seniorennet.be

  

Gerrit Krol, Edward van de Vendel, Frans Pointl, Jim Carroll

 

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 1e augustus ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Ko Un, Juan Filloy, Anne Hébert, Herman Melville

 

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 1e augustus ook bij seniorennet.be mijn eerste blog van vandaag. 

 

Frederick Busch, Ernst Jandl, Guus Kuijer, Francis Scott Key

 

08-01-10

Vasyl Stus, Ko Un, Juan Marsé, Waldtraut Lewin


De Oekraïense dichter en schrijver Vasyl Stus werd geboren op 8 januari 1938 in Rakhnivka, in de provincie Vinnytsia Oblast. Zie ook mijn blog van 8 januari 2009.

 

 

Weep, sky, weep

 

Weep, sky, weep and weep! Wash the unabated sea
Of thin-voiced waters and dampen the heart.
It seems it was just now, just yesterday
That a deathly shiver buried you alive.
Weep, sky, weep and weep! The past cannot be returned.
Today has been reduced to naught, the future will not come.
Something weighs on the mind that can never
Be torn from the heart. This prison is a prison for prisons!
Weep, sky, weep and weep! Still over your horizons
And let the stars fall from darkened skies!
Is there in this world a trumpet that will sound
A final blast to keep me from my resurrection?
Flow, water, flaw and sweep me away from my weariness,
For eternities of bondage have crushed me.
High upland thunder, girdle the earth!
Pitch-winged cloud, bless me!
Lightning, send a message!
Hallowed be the world. The night is its companion.
So, water. Flow forth! And you, misfortune, rage

 

 

 

Vertaald door Marco Carynnyk

 

 

 

 

Stus_book
Vasyl Stus (8 januari 1938 – 4 september 1985)

 

 

 

 

De Zuidkoreaanse dichter Ko Un werd op 8 januari 1933 in Kunsan geboren. Zie ook mijn blog van 8 januari 2009.

 

 

New Year’s Day

 

This is the loneliest spot in the country on New Year’s Day.

I’ve spent the whole long winter here,

devoid of everything.

It’s been a week already since the boats stopped running.

Chuja Island goes on getting smaller

until sad eyes cannot see it.

 

Don’t overturn the glass from which you drank.

Once you’re past thirty,

you can make friends with an empty glass.

 

Tell me, wind: what can I hope for on New Year’s Day on this remote island?

After some tedious, very tedious reading

by the light of a small oil lamp,

I mutter a single drunken line

but vowels alone can’t make it audible

as far as that widower’s tomb out there.

 

So, wind: let none live here but those who will die here.

Endurance is the greatest journey of all.

Even if the boats are completely overwhelmed by the gale,

I’m going to set out, though I’ve got no overcoat.

 

Tell me again, wind: what more can I hope for on New Year’s Day?

From the guts of a boarding house, coughs flee

one after another, that’s all I can hear.

One day, they’ll return, transformed into the local dialect.

Ah, New Year’s greetings, buried alive by Cheju Island’s wild whirlwinds.

 

 

 

 

koun-speech
Ko Un (Kunsan, 8 januari 1933)

 

 

 

 

 

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook mijn blog van 8 januari 2007 en ook mijn blog van 8 januari 2009.

 

Uit: Liebe nach Mitternacht - Maßlose Leidenschaften (Vertaald door Hans-Gerd Koch en Susanne Schüssler)

 

»Setzen Sie sich auf das Sofa«, sagte der Vergewaltiger.
»Ich setze mich in den Sessel Ihnen gegenüber. Beruhigen Sie sich.«
Er hielt immer noch das riesige Messer gepackt, die Spitze nach vorn, den Arm zum Fußboden ausgestreckt, als wolle er sie im nächsten Moment von unten nach oben aufschlitzen. Er trug ziemlich verwaschene Jeans und ein makellos weißes Hemd mit langen, zugeknöpften Ärmeln; auch der Halsknopf war geschlossen. Ein ziemlich wohlerzogener Junge, wie es schien, treuherzig und noch nicht verdorben von der jugendlichen Mode und dem Gossenjargon, aber in seinen klaren, kalten Augen lag etwas Schrilles, Irrwitziges. Er hatte schütteres Haar, einen langen Hals und hängende Schultern.
»Oh, bitte tun Sie dieses fürchterliche Messer da weg«, sagte sie, »Sie müssen es mir nicht ständig unter die Nase halten.«
»Schon gut.«
»Sie. .. sind sehr jung. Und hübsch. Sie haben es überhaupt nicht nötig, herumzulaufen und Frauen mit dem Messer zu bedrohen. Mehr als eine wäre froh, mit Ihnen ins Bett zu gehen. . .«
»Reden Sie keinen Quatsch. Sie sollen sich normal verhalten, natürlich reden, zutraulich und nett sein, und nicht über Dinge sprechen, von denen Sie nichts verstehen.«
»Also gut.«
»So wie wenn ein Freund zu Besuch kommt.«
»Gut.«
»Ich mag keine schreckhaften Frauen.«
»Einverstanden. «
»Lassen Sie den Bademantel über den Knien etwas geöffnet. Ja, so ... das Licht spielt so schön mit den Härchen auf Ihrem braunen Schenkel. Sie haben sich schöne Schuhe angezogen, um den Müll nach unten zu tragen.«
»Ich habe mir nichts dabei gedacht. Gefallen sie Ihnen?«
»Sag du zu mir.«
»Gefallen sie dir?«

 

 

 

 

juan_marse
Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Waldtraut Lewin werd geboren op 8 januari 1937 in Wernigerode. Zie ook mijn blog van 8 januari 2007 en ook mijn blog van 8 januari 2008 en ook mijn blog van 8 januari 2009.

 

Uit: Goethe

 

Er zieht nervös seine goldene Repetieruhr aus der Tasche und lässt sie die verflossene Stunde schlagen. Elfmal klingt der zarte silbrige Ton durch den Raum. Bald ist es Mittag und Elisabeth, seine Caja, schreit und schreit. Ihre Stimme ist schon ganz heiser. Nein, er hält es nicht mehr aus, eilt über Stufen und Stiegen hinunter in den weitläufigen Hausflur.
Das Goethe'sche Anwesen am Hirschgraben ist das reinste Labyrinth. Es besteht eigentlich aus zwei kleineren Häusern, die mittels eines Durchbruchs miteinander verbunden sind, Stufen gleichen die Ungleichheit der Stockwerke aus, und über ein turmartiges Treppenhaus gelangt man zu den einzelnen Räumen. Verwinkelt, verschroben - das ist eigentlich nichts nach Johann Caspars Herzen. Er liebt das Klare, das Überschaubare. Aber das Haus gehört in Wahrheit seiner Mutter, und solange sie lebt, in ihren Räumen unten im Haus, ist an einen Umbau nicht zu denken.
Im Flur gibt es, wie in vielen Gebäuden in Frankfurt, neben der Eingangstür ein hölzernes "Vogelbauer", eine Art Alkoven mit Gittern, nach draußen zur Straße hin. Man nennt das "Geräms". So strömen Licht und Luft ins Haus, und dort sitzen gemeinhin in der warmen Jahreszeit die Frauen des Hauses, nähen, sticken, plaudern mit den Nachbarn und beobachten, was auf der Straße vor sich geht. Jetzt ist hier nur eine Magd, die ungerührt Salat verliest, als wenn ihre junge Madame sich nicht da oben abmühen würde. Als der Hausherr erscheint, steht sie kurz auf, knickst, wobei sie das Grünzeug in der Schürze festhält, und fährt in ihrer Arbeit fort.
"Was gibt es Neues? Hat Sie was gehört?", fragt Caspar Goethe mit gepresster Stimme.
Die Frau zuckt gleichmütig die Achseln. "Hören? Na, hören kann man's durch alle Zimmer." Und auf die ungeduldige Handbewegung ihres Brotherrn: "Was weiß denn ich? Da frage der Herr doch bei der Wehmutter nach."
Das ist zu viel für Johann Caspar. Er soll sich in diesen Weiberkram einmischen? Die Räume seiner Frau betreten, die in den Wehen liegt? Niemals. Einen kurzen, zaudernden Blick wirft er auf die verschlossene Tür hinten am Flur. Das ist das Reich seiner eigenen Mutter. Eine schweigsame, stets weiß gekleidete, große Person, die sich nichts mehr aus den Dingen der Welt macht. Sie ist schon achtzig Jahre - ein biblisches Alter fürwahr. Still und abgeklärt. Aber jetzt, das weiß er, ist auch sie oben in dem Zimmer, wo sich Caja plagt in dem Wochenbett mit den blau gewürfelten Vorhängen.”

 

 

 

 

Lewein_boekomslag
Waldtraut Lewin (Wernigerode, 8 januari 1937)

Boekomslag

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

01-08-09

Gerrit Krol, Edward van de Vendel, Frans Pointl, Jim Carroll, Ko Un, Anne Hébert, Herman Melville, Frederick Busch, Ernst Jandl


De Nederlandse dichter en schrijver Gerrit Krol werd geboren op 1 augustus 1943 in Groningen. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2006 en ook mijn blog van 1 augustus 2007 en ook mijn blog van 1 augustus 2008.

 

 

 

De deur

 

Ik loop door de lange gang
op zoek naar de deur met mijn naam
tot ik er ben;
ik open hem en trap
hem aan de binnenkant weer toe.

O, de vreugde een deur te hebben
met Krol erop,
de vreugde dat mijn bestaan
wat dit betreft volledig klopt.

 

 

 

 

Klassefoto

 

Gedrieën in een bank gedreven,
ondoorgrondelijk ogenblik
van stilte ... de blonde Goudriaan vooraan,
de schele Kast, die jongen van Peen
ruggelings tegen het Periodiek Systeem,
de mooie zware Wieke van der Linden
naast de leraar die zij beminde,
de kleine Vink, de dorre Krol,
magere Kossen, Kooiman de hater,
Spoelstra de schaker, Johnnie de meid,
Rie die zo lachen kon, edoch later
nog zoveel heeft geschreid —
wij waren, voor we heengingen
over de aarde, een tel bijeen.

 

 

 

 

Over de ijdelheid

 

Wie met een revolver schiet
wordt soms afgebeeld:
een beetje door de knieen zakkend, pang.
op een kleurplaat in te sturen.

Maar ga intussen jezelf maar na,
bekijk jezelf in een winkelruit -
als je ervoor staat, kun je ook
je duimen achter de broekriem steken
en achterover staan,
vooral als de ruit een beetje wiebelt door de wind.

 

 

 

 

Krol

Gerrit Krol (Groningen, 1 augustus 1934)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Edward van de Vendel werd geboren in Leerdam op 1 augustus 1964. Als jongen droomde hij ervan profvoetballer te worden of een beroemde zanger. Maar in plaats daarvan werd hij leraar op een basisschool. En omdat hij erg veel hield van zijn werk richtte hij samen met andere collega's een school op, waarvan hij enkele jaren het hoofd was. Maar langzaam

werd een andere liefde sterker: de liefde voor de taal. Hij begon gedichten te schrijven en in 1996 werden zijn eerste gedichten gepubliceerd bij Querido. Sindsdien zijn vele andere boeken van hem verschenen. Ondertussen werkt van de Vendel fulltime als schrijver en woont hij in Rotterdam. Hij schrijft zowel jeugdromans en boeken voor beginnende lezers, teksten voor prentenboeken, gedichten voor alle leeftijd groepen en zelfs non-fictie. Hij schrijft ook voor diverse artiesten songteksten.

 

 

Oude handen

 

Als ik oud ben wil ik oude handen

die, als op de reliëfkaart

van een basisschool

hun gebergte, hun rivieren

durven tonen. — Verre landen

waar ik in kan wonen.

Ervaren aderen,

vingers met verhalen.

Handen

die ergens waren;

Op schouders, om een hart,

in andere handen.

Aan relings, zwaaiend,

aaiend langs de wanden

van een huis ver van hun huis.

Handen wil ik

vol geschiedenis

en aardrijkskunde:

Reizigers, na vele avonturen

veilig thuis.

 

 

 

 

VendelEdwardvandenw
Edward van de Vendel (Leerdam, 1 augustus 1964)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Frans Pointl werd geboren in Amsterdam op 1 augustus 1933. Zie ook mijn blog van 5 mei 2006 en ook mijn blog van 1 augustus 2007  en ook mijn blog van 1 augustus 2008.

 

 

Je drie namen

 

vannacht droomde ik
je rug
het bewegen
van je armen
voor de Steinbach

je drie namen
moeder, mevrouw, Rebecca
riep ik
waarom niet eenmaal
je omgedraaid

 

 

 

Bij een oude foto

 

dertig was ik
(in 1963 was ik niet lelijk)
de vrouw die me fotografeerde zei:
nu moet je aan mij denken
ontspan je lippen

een gescheiden vrouw
met vier aardige katten
maar even dominerend
als mijn Duitse hospita
dus hield ik flink afstand

ze had een donkere kamer
waarin ze mij heeft ontwikkeld
zelfs uitvergroot
(later ingelijst
hoelang heb ik op haar buffet
gestaan?
wat heeft ze ernaar starende
gedaan?)

onlangs toonde ik iemand
die foto
hij vroeg:
is dat je zoon?

 

 

 

 

 

Pointl

Frans Pointl (Amsterdam,  1 augustus 1933)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en musicus Jim Carroll werd geboren op 1 augustus 1950 in New York. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007 en ook mijn blog van 1 augustus 2008.

 

 

8 Fragments For Kurt Cobain

 

 

4/

Here's synchronicity for you:

 

Your music's tape was inside my walkman

When my best friend from summer camp

Called with the news about you

 

I listened them...

It was all there!

Your music kept cutting deeper and deeper valleys of sound

Less and less light

Until you hit solid rock

 

The drill bit broke

and the valley became

A thin crevice, impassible in time,

As time itself stopped.

 

And the walls became cages of brilliant notes

Pressing in...

Pressure

That's how diamonds are made

And that's WHERE it sometimes all collapses

Down in on you

 

5/

Then I translated your muttered lyrics

And the phrases were curious:

Like "incognito libido"

And "Chalk Skin Bending"

 

The words kept getting smaller and smaller

Until

Separated from their music

Each letter spilled out into a cartridge

Which fit only in the barrel of a gun

 

6/

And you shoved the barrel in as far as possible

Because that's where the pain came from

That's where the demons were digging

 

The world outside was blank

Its every cause was just a continuation

Of another unsolved effect

 

 

 

 

Carroll
Jim Carroll (New York, 1 augustus 1950)

 

 

 

 

 

De Koreaanse dichter Ko Un werd geboren op 1 augustus 1933 in Gunsan. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007 en ook mijn blog van 1 augustus 2008.

 

 

Laute des Nachtregens

   

Es regnet.

Tropfen für Tropfen spalten die Bahnen des Regens

tausend- und zehntausendfach den schwarzen Lack der Nacht.

Für gewöhnlich in solchen Nächten

sind Vögel wie Vieh beunruhigt

und wachen offenen Augs.

Auch Strandvögel und Schnepfen

verbringen diese Nacht geradeso wie das Meer

weit aufgerissenen Augs.

Der Schauer hört auf.

Noch ist des Menschen Gehör vom Getrippel des Regens ertaubt.

Vögel und Vieh schlummern ein.

Auch die von ihnen beherrschte Nacht entschwindet.

Draußen im Garten ist schließlich auch auf den Blättern der Morgenlilie

das Tröpfeln ganz verstummt.

Von einem höheren Standpunkt aus:

Die sogenannte Arbeit der Natur ist Tatenlosigkeit.

 

 

 

 

Herbstbrief

   

Im Herbst werd' ich einen Brief schreiben.

Wer du auch sein magst, bitte empfange ihn.

Schon häuft sich's Laub überall.

Einsame Frau, du bist schön.

   

Im Herbst werd' ich einen Brief schreiben.

Wer du auch sein magst, bitte empfange ihn.

Schon wirbelt's Laub umher überall.

Umherschlendernde Frau, du bist schön.

   

Im Herbst werd' ich einen Brief schreiben.

Mein ganzes grübelndes Herz send' ich dir.

Schon verweht's Laub überall.

Fremde Frau, du bist schön.

 

 

 

 

Vertaald door Frank Hoffmann

 

 

 

 

Ko_Un

Ko Un (Gunsan, 1 augustus 1933)

 

 

 

 

De Canadese schrijfster Anne Hébert werd geboren op 1 augustus 1916 in Sainte-Catherine-de-Fossambault, Quebec. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007 en ook mijn blog van 1 augustus 2008.

 

 

La nuit

La nuit
Le silence de la nuit
M'entoure
Comme de grands courants sous-marins.

Je repose au fond de l'eau muette et glauque.
J'entends mon coeur
Qui s'illumine et s'éteint
Comme un phare.

Rythme sourd
Code secret
Je ne déchiffre aucun mystère.

À chaque éclat de lumière
Je ferme les yeux
Pour la continuité de la nuit
La perpétuité du silence
Où je sombre.

 

 

 

 

Terrain vague

Les enfants hâves et mal peignés
Qu'on a relégués Hors de la planète
Au delà des nuages gris
Plus loin que les astres et les anges
Baignent dans les halos de lune morte
Blême mémoire et lieu d'origine
Terrain vague bosselé d'ordures.

 

 

 

 

 

Hebert
Anne Hébert (1 augustus 1916 – 22 februari 2000)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Herman Melville werd geboren in New York op 1 augustus 1819. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007  en ook mijn blog van 1 augustus 2008.

 

 

THE MALDIVE SHARK

 

ABOUT the Shark, phlegmatical one,
Pale sot of the Maldive sea,
The sleek little pilot-fish, azure and slim,
How alert in attendance be.
From his saw-pit of mouth, from his charnel of maw,
They have nothing of harm to dread,
But liquidly glide on his ghastly flank
Or before his Gorgonian head;
Or lurk in the port of serrated teeth
In white triple tiers of glittering gates,
And there find a haven when peril's abroad,
An asylum in jaws of the Fates!
They are friends; and friendly they guide him to prey,
Yet never partake of the treat--
Eyes and brains to the dotard lethargic and dull,
Pale ravener of horrible meat.

 

 

 

 

 

melville
Herman Melville (1 augustus 1819 - 28 september 1891)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 1 augustus 2008.

 

De Amerikaanse schrijver Frederick Busch werd geboren in New York.  Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver
Ernst Jandl werd geboren in Wenen op 1 augustus 1925. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

08-01-09

Waldtraut Lewin, Juan Marsé, Claudia Grehn, Vasyl Stus, Leonardo Sciascia, Ko Un, Gaston Miron, Alfred Tomlinson, Francico Bocanegra, Baltasar Gracián y Morales, Béla Zsolt, Roland Moed


De Duitse schrijfster Waldtraut Lewin werd geboren op 8 januari 1937 in Wernigerode. Zie ook mijn blog van 8 januari 2007 en ook mijn blog van 8 januari 2008.

 

Uit: Goethe

 

"Rätin, er lebt!"
Die Konstellation war glücklich: die Sonne stand im Zeichen der Jungfrau und kulminierte für den Tag; Jupiter und Venus blickten sie freundlich an, Merkur nicht widerwärtig, Saturn und Mars verhielten sich gleichgültig; nur der Mond, der soeben voll ward, übte die Kraft seines Gegenscheins um so mehr, als zugleich seine Planetenstunde eingetreten war. Er widersetzte sich daher meiner Geburt, die nicht eher erfolgen konnte, als bis diese Stunde vorübergegangen."
Es herrscht helle Aufregung im Haus am Hirschgraben zu Frankfurt an diesem 28.
August 1749. Die junge Frau des Hauses liegt in den Wehen, es ist ihr erstes Kind und die Geburt ist alles andere als einfach. Schon am 25. August hatten die Schmerzen eingesetzt und immer noch hat die Quälerei kein Ende.
Unruhig geht Johann Caspar Goethe in seinem Arbeitszimmer auf und ab. Nicht auszudenken, wenn seiner Frau etwas zustoßen sollte! Sie sind gerade ein Jahr miteinander verheiratet und Catharina Elisabeth ist einundzwanzig Jahre jünger als ihr Mann. Johann Caspar liebt seine Frau, seine "Caja", wie er sie nennt, aber ein bisschen väterlich ist sein Verhältnis zu ihr wohl auch. Immerhin hat er mit einer Heirat gewartet, bis er achtunddreißig Jahre alt war. Da war man schon fast ein "Hagestolz", ein eingefleischter Junggeselle.

Die Schreie Elisabeths dringen bis in sein Arbeitszimmer. Caspar Goethe ist am Ende mit den Nerven. Er ist ein Mann, der bekannt ist für seinen Ernst, für seine gravitätische Würde. Aber nun möchte er am liebsten fort, einfach aus dem Haus laufen, bis alles vorbei ist. Jedoch wenn er an die durchdringenden Augen seiner Schwiegermutter denkt, die seit zwei Tagen hier im Hause ist und ihrer Tochter in diesen Stunden beisteht, kommt ihm diese Idee nicht sehr glücklich vor. Mit seinen Schwiegereltern, den Textors, darf es sich Caspar auf keinen Fall verderben. Das sind hoch angesehene Frankfurter Bürger. Der Vater seiner Frau hat das Amt eines Stadtschultheißen, das heißt, er ist Bürgermeister und außerdem, genau wie Johann Caspar selbst, Jurist. Die Mutter nun gar ist eine Person, die ihre Ahnenreihe bis auf den berühmten mittelalterlichen Maler Lucas Cranach zurückführen kann. Und: Sie hat Haare auf den Zähnen. Caspar hat ziemlichen Respekt vor ihr, vor ihrer scharfen Zunge, ihrem Witz und vor allem vor dem Blick dieser Augen.”

 

 

 

 

Lewin
Waldtraut Lewin (Wernigerode, 8 januari 1937)

 

 

 

 

 

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook mijn blog van 8 januari 2007.

 

Uit: Das rote Strumpfband auf dem braunen Schenkel (Vertaald door Hans-Gerd Koch en Susanne Schüssler)

“Nach dem Abendessen, während sie gelangweilt in einen sauren Apfel biß, brachte Nieves den Müll hinunter auf die Straße. Sie trug ihren Bademantel und hochhackige schwarze Schuhe mit zwei schmalen, gekreuzten Riemen über den Zehen. Sie warf die Mülltüte und den Apfel in den Eimer und blieb eine Weile mit verschränkten Armen stehen, um einem prächtigen Kater zuzuschauen, der im Rinnstein saß und sich das Geschlecht leckte. Noch nie hatte sie einen Kater so etwas mitten auf der Straße tun sehen.
Als sie wieder in den Hausflur trat, versperrte ihr ein Mann den Weg, der ein Küchenmesser gezückt hielt.
»Wer sind Sie? Was wollen Sie?«
»Schreien Sie nicht, dann passiert Ihnen nichts.«
»Ich habe kein Geld bei mir ...«
»Ich will kein Geld.« Der Mann trat hinter sie, und sie spürte schwach seinen Atem. Außerdem spürte sie die Messerspitze auf einer ihrer Hinterbacken.
»Gehen Sie zur Treppe und steigen Sie hinauf.«
Nieves gehorchte. Ihre Knie zitterten; sie verlor einen Schuh und tastete auf dem Boden, bis sie ihn wieder am Fuß hatte.
»Schöne Schuhe haben Sie«, sagte er.
»Bitte tun Sie mir nichts.«
»Ich möchte mich mit Ihnen unterhalten.«
»Wohin bringen Sie mich?«
»In Ihre Wohnung. Ich weiß, daß Sie allein leben. Wir könnten den Aufzug nehmen, aber das werden wir nicht tun. Im Aufzug müßte ich Sie auf der Stelle vergewaltigen.
Außerdem leide ich an Klaustrophobie.«
»Ich wohne im vierten Stock, im sechsten eigentlich.«
»Ich weiß. Gehen Sie.«
»Ich mache, was Sie wollen, aber bitte tun Sie mir nichts.«
Sie hatte sein Gesicht kaum gesehen, aber doch bemerkt, daß er sehr jung war. Ein hochgeschossener Junge, mit großen Händen und einer Stirnlocke. Die Messerklinge war ungefähr zwanzig Zentimeter lang.
»Werden Sie brav sein«, fragte er, als sie im dritten Stock waren, »und nett zu mir auch?«
»Ja, ja.«
Sie hoffte, auf der Treppe einem der Nachbarn zu begegnen, damit der Vergewaltiger erschrak und das Weite suchte. Aber nein. Schwer atmend betraten sie die Wohnung und gingen ins Wohnzimmer. Es war eine kleine Wohnung, stickig und unaufgeräumt, mit einem kleinen Balkon zur Straße; das einzige Licht kam vom Fernseher, der ohne Ton lief, und von einer Stehlampe neben dem Sofa.

 

 

 

 

Marse
Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

 

 

 

 

 

De Duitse (toneel)schrijfster Claudia Grehn werd geboren op 8 januari 1982 in Wiesbaden. Zij groeide op in Trier en bezocht daar het Max-Planck-Gymnasium. In 2005 voltooide zij de leergang scenisch schrijven aan de Universität der Künste in Berlijn (UdK). In 2007 vertaalde zij in opdracht van het Maxim-Gorki-Theater samen met Armin Petras het stuk “Gehen wir, der Wagen wartet“ van de Russische schrijver Jurij Klavdiev. Voor „Heimlich bestialisch“ ontving zij de  Kleist-Förderpreis für junge Dramatiker. 

 

Uit: Heimlich bestialisch  I can’t wait to love in heaven

 

SOMMER HITZEWELLE ÜBER EUROPA – alte menschen sterben, flüsse trocknen aus, rasensprengen verboten: die SINNflut schafft neue prioritäten in den städten ist es leicht an das ende der welt durch ozonvergiftung zu glauben endlich wieder regen ein mann hat sich in den eingang

der sex-kinokasse gerettet der regen spült den staub der strasse die hundekacke den abfall an

seinen füssen vorbei in die bordsteinrinne alles wird sauber die luft kann man wieder atmen eine frau aus den achtzigern leuchtet ihn an – sarah young – die zunge zwischen den zähnen er ist kein mann der auf so was reinfällt er ist auf dem weg in die oper ausverkauft! seit einem monat der einlass hat bereits begonnen es werden keine karten mehr zurückgenommen – aber es ist klar dass er noch

eine organisiert er will es und was er will das setzt er auch durch der mann geht also in die oper es ist sein 40. geburtstag 10 jahre vor seinem tod aber das weiß er nicht die ärzte gaben ihm nur einen monat

in der pause sieht er eine brünnette an einem tisch stehen – ALLEIN – noch habe ich mein gutes aussehen – denkt er noch erinnere ich an den erfolgreichen mann der ich einmal war:

auf meinem passfoto sehe ich aus wie ein schauspieler, das sagen alle, er sieht noch einmal genau hin: die frau ist zu schön um allein zu sein wahrscheinlich ist ihr mann vielbeschäftigt wie er einmal

FRAU

ich weiß nicht ob ich vor glück weine oder aus trauer

es ist seltsam das man sich seine gefühle aus

der oper holen muss

was machen sie hier

MANN

wenn es jemand geschafft hat so schöne musik zu

machen die gleichzeitig die tragik des lebens

begreift muss er die menschheit sehr geliebt haben

das hatte gereicht die frau hing an seinem arm

als sie die oper verließen“

 

 

 

Grehn
Claudia Grehn (Wiesbaden, 8 januari 1982)

 

 

 

 

 

De Oekraïense dichter en schrijver Vasyl Stus werd geboren op 8 januari 1938 in Rakhnivka, in de provincie Vinnytsia Oblast. In de jaren zestig was hij een van de belangrijkste voorvechters van onafhankelijkheid en in totaal zat hij 23 jaar gevangen. Stus studeerde geschiedenis en literatuurwetenschap aan het Pedagogisch Instituut in Stalino. In 1959 verschenen de eerste gedichten van hem in Russische tijdschriften. De eerste twee bundels mochten niet uitgegeven worden. Zijn tweede bundel Winterbomen werd verspreid via de samisdat en werd in 1970 gepubliceerd in Brussel. In 1980 werd Stus weer gearresteerd en tot tien jaar gevangenisstraf en vijf jaar verbanning veroordeeld. In 1985 ging hij in hongerstaking in het kamp bij Perm wegens een disciplinaire straf en zes dagen later stierf hij. Eerder dat jaar was hij door een internationale groep schrijvers en kunstenaars voorgedragen voor de Nobelprijs.

 

 

 

Berg 

reiht sich an Berg

die Heimat 

nicht zu sehen 

kein Tropfen 

Morgenrot 

die Nacht flattert 

wie ein Schatten 

der Pappeln 

und mein Sohn 

er will mir 

in der Gefangenschaft

nicht erscheinen 

es raschelt grau 

im finsteren Winkel 

Gespenster und Geister 

eines vergessenen Erbes 

der Tag 

mit seinem goldenen Hörn

ist in der Tiefe 

zersplittert 

die Schlinge 

des Weges 

streicht 

um das Haar.

 

 

 

 

Schweigsam
betrachtet dich der Tisch.
Wehmütig
fiel die Dämmerung.
Sie überquerte den Hof
und stellte sich
an dein Fenster.
— Ging schon dein Tag zur Neige ?
Hast du ihn wohl beendet ?
Grämst du dich nicht,
ein Schwimmer zwischen
so fernen Ufern ?
Lange, urlange Nacht
kündigt sich an
und rauscht,
rauscht in den Wellen,
rauscht...

 

 

 

Vertaald door Wira Wowk

 

 

 

wassyl_stus
Vasyl Stus (8 januari 1938 – 4 september 1985)

 

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver en politicus Leonardo Sciascia werd geboren in Racalmuto, Agrigento op 8 januari 1921. Sciascia was raadslid in Sicilië, lid van het Italiaans parlement en, later, lid van het Europees parlement. Opgeleid als advocaat wijdde hij zich pas later in zijn leven aan het schrijven over Sicilië en de maffia. Zijn analyse van de ontvoering en moord op Aldo Moro, een vooraanstaand christendemocraat, wordt als een meesterwerk beschouwd. Hij was lid van de parlementscommissie tot onderzoek van de ontvoering van Moro. Sciascia schreef vanuit zijn Siciliaanse ervaring, waarin families met politieke partijen verbonden zijn.

 

Uit: Salz, Messer und Brot (Vertaald door Sigrid Vagt)

 

„Garibaldis Freischärler zogen durch Regalpetra, stellten einen Mann an eine Kirchenwand und erschossen ihn, einen armen Felddieb, an der Mauer der Kirche San Francesco. Der Großvater eines Freundes von mir erinnerte sich noch daran, er war acht Jahre alt, als die Garibaldianer durchzogen; ihre Pferde hatten sie auf dem Burgplatz stehenlassen, erschossen nur eben den Mann, und weg waren sie; ihr Offizier war blond wie ein Deutscher. Carusi und Hauer arbeiteten weiter zwölf, vierzehn Stunden am Tag in der Hölle der Schwefelgrube. Die Felder brachten nicht genügend Erträge; die

Tagelöhner arbeiteten das ganze Jahr, nur um die Schulden für das Getreide zu bezahlen, das die Gutsherren knauserig vorschossen, und die Rekrutenaushebung entzog den Familien Arbeitskräfte. Es gab Väter, die ihren Söhnen die Axt in den Fuß hieben, um sie für den Wehrdienst untauglich zu machen. Ein alter Bauer erzählte mir, als für ihn der Zeitpunkt der Musterung heranrückte, habe er nachts gehört, wie sein Vater seine Mutter um Rat fragte: "Was sagst du, soll ich ihm ein Auge ausstechen oder ihm einen Zeh abhacken?"

Noch in derselben Nacht lief er von zu Hause fort und kam erst wieder zurück, um sich zum Wehrdienst einziehen zu lassen. Deshalb machten die Einwohner von Regalpetra 1866 einen Aufstand, sie steckten das Rathaus in Brand, und die verfluchten Unterlagen verbrannten im alten Kloster, wohin die Gemeindebüros verlegt worden waren. Doch dann kamen Piemonteser Soldaten, holten die Männer ab, die den Aufstand gemacht hatten, und die Rekrutierung ging weiter. Die Adligen allerdings hielten zu der neuen Regierung, auch die Besitzer und Pächter der Schwefelgruben und die durch Diebstahl, Wucher oder gefälschte Urkunden reich gewordenen Bürger (es ist unglaublich, wieviel Besitz in Regalpetra mit falschen Verkaufsurkunden oder Testamenten den Eigentümer gewechselt hat).“

 

 

 

Leonardo_Sciascia
Leonardo Sciascia (8 januari 1921 - 20 november 1989)

 

 

 

 

 

De Zuidkoreaanse dichter Ko Un werd op 8 januari 1933 in Kunsan geboren. Ko Un heeft erg geleden onder de Koreaanse oorlog en het verlies van familieleden, vrienden en kenissen in die tijd. In 1952 werd hij boeddhistisch monnik. Hij studeerde zowel oosterse als westerse filosofie. In 1960 verscheen zijn eerste dichtbundel. Hij werd prior van de Chondung tempel en later pedagogisch directeur van de Haein tempel. Toen de militaire machthebber Park Chung-Hee zich tot het boeddhisme bekeerde gaf Ko Un uit protest zijn leven als monnik op en ging hij in verzet tegen het regime. Dat kwam hem op talrijke arrestaties en folteringen te staan. Bovendien kreeg hij een publicatieverbod. Sinds 1992 is hij docent Koreaanse taal- en literatuur in Seoel. Zijn omvangrijkste werk is de serie Ten Thousand Lives, waarin iedereen aan bod komt die hij in zijn leven is tegengekomen.

 

 

The Little Spring

 

Without its little spring,

what would make Yongtun Village a village?

Endlessly, snowflakes fall

into the spring's dark waters

and dissolve.

What still still stillness,

as Yang-sul's wife,

covered in snow, goes out to draw water,

puts down her tiny little water jar

and picks up the gourd dipper but forgets to draw water,

watching snowflakes die:

that still still stillness.

 

 

 

 

Maternal Grandfather

 

Ch’oi Hong-kwan, our maternal grandfather,

was so tall his high hat would reach the eaves,

scraping the sparrows’ nests under the roof.

He was always laughing.

If our grandmother offered a beggar a bite to eat,

he was always the first to be glad.

If our grandmother ever spoke sharply to him,

he’d laugh, paying no attention to what she said.

Once, when I was small, he told me:

‘Look, if you sweep the yard well

the yard will laugh.

If the yard laughs,

the fence will laugh.

Even the morning-glories

blossoming on the fence will laugh

 

 

 

 

Ko_Un
Ko Un (Kunsan, 8 januari 1933)

 

 

 

 

 

De Franstalige, Canadese dichter, schrijver en uitgever Gaston Miron werd geboren op 8 januari 1928 in Sainte-Agathe-des-Monts, honderd kilometer ten noorden van Montreal. In 1953 publiceerde Miron zijn eerste bundel Deux Sangs bij Éditions de l'Hexagone, een uitgeverij die hij samen met Olivier Marchand had opgericht. Het was de eerste uitgeverij die volledig gericht was op poëzie uit Quebec. Mirons belangrijkste en bekendste werk is La Marche à l'amour. Lange tijd verscheen zijn werk alleen in allerlei bladen en tijdschriften. Veel ervan werd uiteindelijk in 1970 gebundeld in L'homme rapaillé.

 

 

Mon bel amour

 

Mon bel amour navigateur

mains ouvertes sur les songes

tu sais la carte de mon coeur

les jeux qui te prolongent

et la lumière chantée de ton âme

 

qui ne devine ensemble

tout le silence les yeux poreux

ce qu'il nous faut traverser le pied secret

ce qu'il nous faut écouter

l'oreille comme un coquillage

dans quel pays du son bleu

amour émoi dans l'octave du don

 

sur la jetée de la nuit

je saurai ma présence

d'un voeu à l'azur ton mystère

déchiré d'un espace rouge-gorge

 

 

 

 

Plus belle que les larmes

 

Jeune fille plus belle que les larmes

qui ont coulé plus qu'averses d'avril

beaux yeux aux ondes de martin-pêcheur

où passaient les longs-courriers de mes désirs

mémoire, ô colombe dans l'espace du coeur

je me souviens de sa hanche de navire

je me souviens de ses épis de frissons

et sur mes fètes et mes désastres

je te salue toi la plus belle

et je chante

 

 

 

 

 

miron
Gaston Miron (8 januari 1928 – 14 december 1996)

 

 

 

 

 

 

De Engelse dichter, vertaler en graficus Alfred Charles Tomlinson werd geboren op 8 januari 1927 in Stoke-on-Trent, Staffordshire.Hij studeerde Engels aan het Queens' College, Cambridge. Zijn eerste dichtbundel verscheen in 1951. Zijn Collected Poems verschenen in 1985, gevolgd door Selected Poems: 1955-1997 in 1997. Tomlinson is ook een verdienstelijk vertaler uit het Russisch, Spaans en Italiaans.

 

 

Against Travel

 

These days are best when one goes nowhere,

The house a reservoir of quiet change,

The creak of furniture, the window panes

Brushed by the half-rhymes of activities

That do not quite declare what thing it was

Gave rise to them outside. The colours, even,

Accord with the tenor of the day—yes, ‘grey’

You will hear reported of the weather,

But what a grey, in which the tinges hover,

About to catch, although they still hold back

The blaze that's in them should the sun appear,

And yet it does not. Then the window pane

With a tremor of glass acknowledges

The distant boom of a departing plane.

 

 

 

 

 

All Afternoon

 

All afternoon the shadows have been building

A city of their own within the streets,

Carefully correcting the perspectives

With dark diagonals, and paring back

Sidewalks into catwalks, strips of bright

Companionways, as if it were a ship

This counter-city. But the leaning, black

Enjambements like ladders for assault

Scale the façade and tie them to the earth,

Confounding fire-escapes already meshed

In slatted ambiguities. You touch

The sliding shapes to find which place is which

And grime a finger with the ash of time

That blows through both, the shadow in the shade

And in the light, that scours each thoroughfare

To pit the walls, rise out of yard and stairwell

And tarnish the Chrysler’s Aztec pinnacle.

 

 

 

 

Tomlinson
Alfred Tomlinson
(Stoke-on-Trent, 8 januari 1927)

 

 

 

 

 

De Mexicaanse dichter Francisco González Bocanegra werd geboren in San Luis Potosí op 8 januari 1824. Hij schreef de tekst van Himno Nacional Mexicano, het Mexicaanse volkslied. Zijn tekst werd in 1853 gekozen door president Antonio López de Santa Anna, die een wedstrijd had uitgeschreven. Volgens de legende wilde hij eigenlijk helemaal niet meedoen aan die wedstrijd, maar werd hij door zijn verloofde Guadalupe González del Pino ("Pili") naar haar slaapkamer gelokt en daar opgesloten. Pili liet hem pas vrij nadat hij een paar uur later zijn tekst onder de deur had geschoven. De Spaanse componist Jaime Nunó schreef de muziek voor het lied en op 16 september 1854 (viering van Grito de Dolores) werd het volkslied voor het eerst gespeeld. Bij die plechtigheid waren González en Pili, die inmiddels getrouwd waren, aanwezig.

 

Uit: Himno Nacional Mexicano

 

Estrofa I:

 

Ciña ¡oh Patria! tus sienes de oliva
de la paz el arcángel divino,
que en el cielo tu eterno destino
por el dedo de Dios se escribió.
Mas si osare un extraño enemigo
profanar con su planta tu suelo,
piensa ¡oh Patria querida! que el cielo
un soldado en cada hijo te dio.

 

Couplet 1

 

Oh Vaderland, je voorhoofd zal getooid worden met een olijvenkrans
door de goddelijke aartsengel van de vrede
Want in de hemel is je eeuwige toekomst
door de vinger van God opgeschreven.
Maar als een buitenlandse vijand het aandurft
met zijn voetstappen je grond te bezoedelen,
denk dan, oh geliefd Vaderland, dat de hemel
je een soldaat in elke zoon heeft gegeven

 

 

 

 

Bocanegra
Francisco Bocanegra (8 januari 1824 - 1 april 1861)

 

 

 

 

 

De Spaanse schrijver Baltasar Gracián y Morales S.J. werd geboren in Belmonte (bij Calatayud) op 8 januari 1601. Hij was een Spaanse jezuiet die bekend is geworden als schrijver van amorele, illusieloze, 'machiavellistische', vaak cynisch genoemde boeken, waaronder Handorakel en kunst van de voorzichtigheid. Zijn werk werd geprezen door Nietzsche, Voltaire, Stendhal en La Rochefoucauld. Schopenhauer heeft het Handorakel in het Duits vertaald. Baltasar Gracián studeerde letteren en filosofie aan de Universiteit van Toledo. In 1619 trad hij toe tot de kloosterorde van de Jezuieten.

 

Uit: The Art of Worldly Wisdom (Vertaald door Frank Pajares)

 

„Making others depend on you. The image is not made sacred by those who adorn it, but by those who adore it: the wise man better prefers those who need him than those who are grateful to him. To trust vile gratitude is to rob gracious hope, for, as hope remembers, gratitude forgets. More is gained from fostering dependence than from receiving courtesy; a man whose thirst is satisfied soon turns his back on the well, and a squeezed orange turns from gold to mud. When dependence ends, the relationship ends, and so does the respect. Let it be the first lesson of life to keep others dependent, and never satisfy that dependence, keeping always in need of you even those with the greatest power; but do not err as a result of excessive silence, nor permit that irreparable harm come to others for your own benefit.“

 

 

 

baltasar-gracian
Baltasar Gracián y Morales (8 januari 1601 – 6 december 1658)

 

 

 

 

 

De Hongaarse schrijver Béla Zsolt werd op 8 januari 1895 geboren in Komárom in het noorden van Hongarije. Zie ook mijn blog van 8 januari 2007.

 

Uit: Nine Suitcases (Vertaald door Ladislaus Lob)

 

The nurses fluttered ineffectually, before huddling together again in the corner. They were middle-class girls from good families, who hadn’t been trained for the work but had fought to get it, because those who sported a nurse’s bonnet were able to move freely in the ghetto. The other girls, in groups of sixteen, were stuck in dirty, unfamiliar rooms, where they weren’t even allowed to go near the window and every gendarme was entitled to use his weapons against them. Here, in the wonder-rabbi’s two-storey synagogue with its large courtyard, the ghetto was freer and more cheerful. On the mattresses unwashed patients lying in their own filth puffed, panted, moaned, prayed and swore, and during the first two days caused a lot of trouble: they needed to be washed, to be given bedpans and enemas, to have their temperature taken and to be fitted with compresses. During the first two days the doctors too fought with all their strength: they administered injections, flushed out the stomachs of suicides, carried out operations and, on the top floor, even carefully delivered babies. Then the rumour spread that the ghetto would be deported. Thirty cattle wagons were shunted on to the industrial siding that cut across the enclosed part of the town. Now the doctors faltered, became absent-minded, dropped out from time to time, went back to their relatives several times a day, clearly in order to discuss whether it wouldn’t be better to exterminate all of them. The nurses, for their part, disappeared or sat down on the long bench near the morgue. They were clean, well dressed, with nice hairstyles, and men gathered around them as they had on the promenade. The conversation was entertaining, as it had been in the world outside, but more outspoken, because after two days here the girls overacted the part of the liberated and experienced professional who is familiar with every dirty secret of the human body.”

 

 

 

Zsolt
Béla Zsolt (8 januari 1895 – 6 februari 1949)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 8 januari 2008.

 

De Duitse schrijver, schilder en beeldhouwer Roland Moed werd geboren op 8 januari 1961 in  Frankfurt am Main.

 

 

01-08-08

Gerrit Krol, Herman Melville, Frans Pointl, Anne Hébert, Jim Carroll, Ernst Jandl, , Ko Un, Frederick Busch, Guus Kuijer


De Nederlandse dichter en schrijver Gerrit Krol werd geboren op 1 augustus 1943 in Groningen. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2006 en ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

 

Over het stuur

 

Want wie vrij is heeft een stuur

dat hem met een kleine beweging

brengt waarheen hij wil.

Wie geen stuur heeft behoeft meer kracht

of duur.

 

Stuur is hetzelfde als inzicht,

als het geen inzicht is is het de wil -

ik persoonlijk heb liever de wil,

want dat is potentiaal,

inzicht heeft geen potentiaal,

met inzicht sta je stil

(want je bent er al).

 

Er zijn mensen die stil staan

maar die daarbij geen inzicht hebben

en geen stuur.

Ze zijn niet ontevreden maar

het is het soort dat gemakkelijk

de controle over zich zelf verliest.

 

Nee (refrein), ik heb liever de wil,

want dat is potentiaal, enz...

 

 

 

 

 

Roodborstje

Een roodborstje dat tegen het raam tikt.
Niet tegen het raam, maar tegen het ei waarin het zit en het ei breekt in tweeën.
Niet het ei, maar het ijs dat scheurt van Groenland naar beneden.

Een zwarte zee, waarin witte vlakten drijven.
Geen vlakten, maar bergen.
Geen ijs, maar graniet.
Nodig voor het roodborstje om zijn snavel te scherpen.

Zijn snaveltje sterker dan het ei.

Sterker dan Groenland.

 

 

 

 

Ach je moet gewoon alles optellen

Ach je moet gewoon alles optellen

Je telt gewoon alles op

Het slechte vergeet de mens en
het goede vergroot-ie,
je telt gewoon alles op.

Dat zeg jij, zegt zij, maar zo werkt het niet
niet bij mij.

Maar we zijn tenminste één.

Welnee, toen wij zogenaamd heerlijk
in het gras lagen zegt zij, lagen we in scheiding,
dat zeg je er niet bij.
En dat van Madurodam is ook niet zo gegaan.

Maar we waren één.

En die liefjes van jou
zegt zij, en die van mij...

En die keren dat we toch weer
bij elkaar kwamen, zeg ik,
- en hebben geschreid, zeg ik er niet bij -.

Je telt uiteindelijk
gewoon alles op.

 

 

 

Krol
Gerrit Krol (Groningen, 1 augustus 1934)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Herman Melville werd geboren in New York op 1 augustus 1819. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

 

 

LOOK-OUT MOUNTAIN (The Night Fight)

 

WHO inhabiteth the Mountain
That it shines in lurid light,
And is rolled about with thunders,
And terrors, and a blight,
Like Kaf the peak of Eblis--
Kaf, the evil height?
Who has gone up with a shouting
And a trumpet in the night?

 

There is battle in the Mountain--
Might assaulteth Might;
'Tis the fastness of the Anarch,
Torrent-torn, an ancient height;
The crags resound the clangor
Of the war of Wrong and Right;
And the armies in the valley
Watch and pray for dawning light.

 

Joy, joy, the day is breaking,
And the cloud is rolled from sight;
There is triumph in the Morning
For the Anarch's plunging flight;
God has glorified the Mountain
Where a banner burneth bright,
And the armies of the valley
They are fortified in right

 

 

 

 

 

SHILOH: A REQUIEM

 

SKIMMING lightly, wheeling still,

The swallows fly low

Over the field in clouded days,

The forest-field of Shiloh--

Over the field where April rain

Solaced the parched one stretched in pain

Through the pause of night

That followed the Sunday fight

Around the church of Shiloh--

The church so lone, the log-built one,

That echoed to many a parting groan

And natural prayer

Of dying foemen mingled there--

Foemen at morn, but friends at eve--

Fame or country least their care:

(What like a bullet can undeceive!)

But now they lie low,

While over them the swallows skim

And all is hushed at Shiloh.

 

 

 

 

 

Melville
Herman Melville (1 augustus 1819 - 28 september 1891)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Frans Pointl werd geboren in Amsterdam op 1 augustus 1933. Zie ook mijn blog van 5 mei 2006 en ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

 

Geur

 

met Tijgerbalsem
masseer ik
mijn pijnlijke bovenarmen
goed spul
zegt de mevrouw van de mensendiecktherapie
uw lichaam is uw voortuig
zegt ze
maar u heeft het niet
zo goed onderhouden
zegt ze
en: u slijt

die geur van kajoepoetih-olie
in de balsem wasemt rust
in 1955 masseerde jij je
moegeleefde lichaam ermee
hoe geurde onze kamer
altijd licht naar kajoepoetih!

 

 

 

Ziek

 

de forse broeder met de harde handjes
de trippelbroeder met de wollen wantjes
de hoofdzuster, imperatief,
vult massief de kamer
dreigend met haar zwarte hamer

gejaagd telt het infuus
66 druppels per minuut
een half uur lang onrust
een nieuw infuus:
7 druppels per minuut
traag geruststellend getik
kam en zakdoekjes vallen
oprapen? vergeet het maar

de stervende in de aangrenzende kamer
balt zijn laatste krachten te zamen
in een ontzagwekkend hallo! hallo! hallo!
hij heeft Gods geheime nummer gedraaid
wacht
op meer dan nacht

 

 

 

 

 

 

frans_pointl_foto_1
Frans Pointl (Amsterdam,  1 augustus 1933)

 

 

 

 

De Canadese schrijfster Anne Hébert werd geboren op 1 augustus 1916 in Sainte-Catherine-de-Fossambault, Quebec. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

 

Il y a certainement quelqu'un

Il y a certainement quelqu'un
Qui m'a tuée
Puis s'en est allé
Sur la pointe des pieds
Sans rompre sa danse parfaite.

A oublier de me coucher
M'a laissée debout
Toute liée
Sur le chemin
Le cœur dans son coffret ancien
Les prunelles pareilles
À leur plus pure image d'eau

A oublié d'effacer la beauté du monde
Autour de moi
A oublié de fermer mes yeux avides
Et permis leur passion perdue



Acte de foi

Elle croit des choses qu'on ne lui a jamais dites
Ni même murmurées à l'oreille
Des extravagances telles qu'on frissonne

Elle s'imagine tenir dans sa main droite
La terre ronde rude obscure
Comme une orange sanguine qui fuit

La vie y est douce et profonde
Hommes et femmes s'aiment à n'en plus finir
Quant à la joie des enfants elle claironne
Comme soleil à midi

Ni guerre ni deuil
Ce monde est sans défaut
Le chant profond qui s'en échappe
Ressemble aux grandes orgues
Des cathédrales englouties

Tout cela palpite dans sa main
Rayonne à perte de vue
Tant que le cœur verse sa lumière
Telle une lampe suspendue
Au-dessus des villes et des champs.



 

 

605px-AnneHebert
Anne Hébert (1 augustus 1916 – 22 februari 2000)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en musicus Jim Carroll werd geboren op 1 augustus 1950 in New York. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

 

8 Fragments For Kurt Cobain

 

1/
Genius is not a generous thing
In return it charges more interest than any amount of royalties can cover
And it resents fame
With bitter vengeance

Pills and powdres only placate it awhile
Then it puts you in a place where the planet's poles reverse
Where the currents of electricity shift

Your Body becomes a magnet and pulls to it despair and rotten teeth,
Cheese whiz and guns

Whose triggers are shaped tenderly into a false lust
In timeless illusion

2/
The guitar claws kept tightening, I guess on your heart stem.
The loops of feedback and distortion, threaded right thru
Lucifer's wisdom teeth, and never stopped their reverbrating
In your mind

And from the stage
All the faces out front seemed so hungry
With an unbearably wholesome misunderstanding

From where they sat, you seemed so far up there
High and live and diving

And instead you were swamp crawling
Down, deeper
Until you tasted the Earth's own blood
And chatted with the Buzzing-eyed insects that heroin breeds

3/
You should have talked more with the monkey
He's always willing to negotiate
I'm still paying him off...
The greater the money and fame
The slower the Pendulum of fortune swings

Your will could have sped it up...
But you left that in a plane
Because it wouldn't pass customs and immigration

 

 

 

 

Jim Caroll
Jim Carroll (New York, 1 augustus 1950)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ernst Jandl werd geboren in Wenen op 1 augustus 1925. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

Uit: Briefe aus dem Krieg

 

Olmütz, 14.10.43

Liebe Eltern und Brüder!

Herzlichsten Dank für die liebe Geburtstagsanzeige, die ihr mir geschickt habt. Sie gefällt mir sehr gut und ist großartig originell! Hat Mama meine 2 Briefe erhalten. Ist sie schon zu Hause. Geht es ihr und Roswitha gut? Laßt doch bitte mehr von Euch hören!

Ich überlege ständig, ob ich überhaupt auf den ROB-Lehrgang gehen soll. Das Kasernenleben wächst mir mit all seinem Drill und all seinen Schikanen schon zum Hals heraus. Die ganze Woche konnten wir bis heute noch nicht ausgehen. Morgen ist bis 24 h Nachtübung. Stundenlang exerzieren und üben wir mit der Gasmaske. Soll ich noch 4 Monate dieses Theater mitmachen, nur um nach 1 1/2 od. 2 Jahren Offizier zu werden? Außerdem kommt man zum Lehrgang mit 90% Sicherheit zur Infanterie. -

Bei uns ist es bereits wirklich kalt. Jeden Morgen liegt Reif. Heute fielen die ersten Schneeflocken.

Nun herzliche Grüße und Küsse Euch allen von eurem

Ernst


Liebste Eltern u. Geschwister!

Zwei Dinge stehen jetzt im Vordergrund unseres Daseins: Regen und Dreck. Während es fast pausenlos regnet, häuft sich im Graben immer mehr und mehr Morast an. Ich bin von Kopf bis Fuß eine Lehmkruste (außen natürlich), während ich unter den Hüllen ein scheinbar ideales Angriffsziel für Läuse bin. Jetzt erst wird mir der Begriff vom "Frontschwein" klar. Denn mehr ist man hier nicht. - Der Amerikaner lässt uns noch immer in Ruhe! - Von Euch weiß ich so gut wie nichts. Hoffentlich befindet ihr Euch wohl.

Herzlichst grüßt und küsst Euch

Euer Ernst

Bitte Brief an Mama senden."

 

 

 

 

Jandl
Ernst Jandl (1 augustus 1925 – 9 juni 2000
)

 

 

 

 

 

De Koreaanse dichter Ko Un werd geboren op 1 augustus 1933 in Gunsan. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

Nach dem Dauerregen

 

Der Bach angeschwollen,

ein Zipfel des Feldes weggeschwemmt,

und diesmal sogar

ist ein Reisfeld ganz vom Wasser überspült.

Das Reisfeld verwüstet!

Der Eigner Ko Myŏng-sik

steht da mit verschränkten Armen.

Zwar nicht gänzlich übergeschnappt,

weiß er doch nichts anderes zu tun,

weiß weder ein noch aus und steht nur so da.

Strafe

für

den Unschuldigen!

Im Himmel -- niemand und nichts.

 

 

 

 

Am Tag nach der Ahnenkultfeier

 

Schnee!

Auf heimatliche Fluren,

die nun kahlen Äcker,

fällt Schnee.

Ich erinnere mich an Vater --

wann immer es schneite, fühlte er

diese stechenden Schmerzen über den Augenhölen.

Jetzt

vom Grab am Hügel hinter dem Dorf

hat man eine schöne Aussicht

auf jene ferner liegenden herbstlichen Berge und Felder.

Auch ich,

ohne mich recht zu bedenken,

hatte nun eine ganze Weile mit Vater vereint diesen Ausblick.

    

 

 

 

Vertaald door Frank Hoffmann

 

 

 

KoUn_PH
Ko Un (Gunsan, 1 augustus 1933)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Frederick Busch werd geboren in New York.  Zie ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

Uit: Closing Arguments

 

Opening Argument

Let’s say I’m telling you the story of the upstate lawyer, the post-traumatic combat stress, the splendid wife, their solitudes and infidelities, their children, his client with her awkward affinities, the sense of impending recognition by which he is haunted.

You can see me, can’t you? You can see me in my office after hours, after dark, after dawn. The bottle of ink, the sharp-nibbed pen, the pad of yellow sheets with their line after line.

Stand and be recognized a sentry was supposed to call to anyone dragging in after dark. Maybe they’d be on the end of a long-range recon. Maybe they’d be sappers with mines. The perimeter people at Da Nang were Marines, and they were disciplined. They almost always shouted something before they tried to kill you: the best defense is a good story.

Haunted is the word to use, though. His story’s about his wife, Rochelle, her need to publicly acknowledge his war, the recognition he will suffer if she does, and how she’ll suffer worse. The threat to him is real. The deception is real. This is a very cruel story, you know.

If one word is haunted, another is sad. Use it for his wife and kids. And betrayed, because the innocent can never be protected.

And numerous other words that in the course of this testimony you will be asked to consider. Family It was February, very cold, lots of snow. It warmed up during the day and rained, then it froze again: glass on top of slush. I slid my way home, it was ten or eleven, and in the kitchen I found Rochelle sitting over a cup of coffee the way people huddle at a fireplace. Jack was leaning back in hischair, sitting across from her, tilting so far back you knew he had to fall. Those big feet were planted in their unlaced moccasins, his socks were pooled beneath his ankle bones at the tops of the shoes. His face was tight. Tight. Schelle’s was wet with tears. I didn’t need filling in. I knew it. He’d been orbiting further and further. She’d been handling the distance. That’s what we tell each other. Handle it, we say. Which means you don’t take it personally that your kid is insulting you and pushing you and standing in your eyes. Because he needs you taking it personally so he can pop off.”

 

 

 

Busch
Frederick Busch (1 augustus 1941 – 23 februari 2006)

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 1 augustus 2007.

 

De Nederlandse (jeugdboeken)schrijver Guus Kuijer werd geboren in Amsterdam op 1 augustus 1942.

 

 

 

01-08-07

Herman Melville, Gerrit Krol, Frans Pointl, Anne Hébert, Jim Carroll, Ernst Jandl, Guus Kuijer, Ko Un, Frederick Busch


De Asmerikaanse schrijver Herman Melville werd geboren in New York op 1 augustus 1819. Hij schreef romans, essays en gedichten. In zijn tijd waren Zuidzee avonturen een populair genre in de Verenigde Staten, maar bij zijn dood genoot hij nog maar weinig bekendheid. Totdat zijn beroemdste roman Moby Dick or The Whale werd herontdekt. Nu wordt Melville beschouwd als één van de belangrijke figuren uit de Amerikaanse literatuur

 

Uit: Moby Dick

 

“Call me Ishmael. Some years ago -- never mind how long precisely -- having little or no money in my purse, and nothing particular to interest me on shore, I thought I would sail about a little and see the watery part of the world. It is a way I have of driving off the spleen, and regulating the circulation. Whenever I find myself growing grim about the mouth; whenever it is a damp, drizzly November in my soul; whenever I find myself involuntarily pausing before coffin warehouses, and bringing up the rear of every funeral I meet; and especially whenever my hypos get such an upper hand of me, that it requires a strong moral principle to prevent me from deliberately stepping into the street, and methodically knocking people's hats off -- then, I account it high time to get to sea as soon as I can. This is my substitute for pistol and ball. With a philosophical flourish Cato throws himself upon his sword; I quietly take to the ship. There is nothing surprising in this. If they but knew it, almost all men in their degree, some time or other, cherish very nearly the same feelings towards the ocean with me.”

 

 

 

 

herman-melville
Herman Melville (1 augustus 1819 - 28 september 1891)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Gerrit Krol werd geboren op 1 augustus 1943 in Groningen. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2006.

 

 

Uit: De rokken van Joy Scheepmaker

 

“Kraus Koster. Het gaat er voornamelijk om, deze maanden, dacht hij, een nieuwe start te verzinnen. Geen vrienden, geen relaties heb ik meer; de Stier, Müller, waar blijven ze zo gauw. Ze zijn op hun waarde getest door twee jaar afwezigheid en naar geen van hen kan ik nu nog gaan. Hij liep een winkel binnen en kocht twee beukenhouten latten, telde geld neer en stond weer op straat. Zoutstraat, Leliestraat, hij ging terug naar het donkergroene plantsoen. Hij proefde de geur van gesneden gras; hij dacht aan de vliegbasis die hij deze dag als burger verlaten had, aan de volle sloten, de heldere maan en de nachtvluchten. Sergeant Koster bij de verkeersleiding. Hij had in open overhemd en met een volle weekendtas zijn garnizoen verlaten en de trein van half een genomen, zich eventjes in de handen gewreven toen hij onder de overkapping vandaan gegleden was. Hij liep een cafetaria binnen, zette zich op een kruk en werd bediend door een meisje dat hij kende.
Soep. Voorzichtig goot hij kleine beetjes tussen de tanden. Het meisje leunde met haar tengere lichaam tegen een koelkast en keek naar buiten. Kraus greep de bus en sproeide zout. Er kwamen twee mannen binnen die vertrokken met een kroket”

 

 

 

Krol
Gerrit Krol (Groningen, 1 augustus 1934 )   

 

De Nederlandse schrijver Frans Pointl werd geboren in Amsterdam op 1 augustus 1933. Zie ook mijn blog van 5 mei 2006.

 

 

Volksgaarkeuken van 1870,
Spuistraat, Amsterdam-1982

 

hier eten eenzamen traag
hun gestoomde hap
vandaag zit ik naast
de kromgebogen dood van Pierlala
het etend broertje van de dood
tegenover me de jonge verslaafde
nog drie tanden heeft hij
vroeger was ik een mooie jongen
zegt hij en zingt: I was Narcissus where
is my mirror
vrouwen en ook mannen
droomden van mij maar shit
de heroïne kreeg me
de oude vrouw in de hoek lacht
haar valse tanden lachwekkend wit
je moet toch eten
zegt ze verontschuldigend
stopt een stuk worst in de zak
van haar vieze jas
I was Narcissus but someone stole
my mirror
de verslaafde zegt
moet een shot
als ik 's avonds een tomaat eet
slaap ik daar tien uur vast op
zegt de vrouw
vier tomaten is zelfmoord
zeg ik
we lachen allen even
als het anders was verlopen
we met ons ongeluk niet op harde keien lagen
maar op watten
zaten we te dineren met uitzicht op zee
waar blijft de zachte eetmuziek? vraagt
de oude dame met roodroze haar en
juwelen van Van Cleef & Arpels
someone stole her mirror
de dood van Pierlala is
een skelet in maatkostuum geworden.

 

 

 

Pointl
Frans Pointl (Amsterdam,  1 augustus 1933)

 

De Canadese schrijfster Anne Hébert werd geboren op 1 augustus 1916 in Sainte-Catherine-de-Fossambault, Quebec. Zij was een zeer succesvol dichteres en schrijfster van verhalen, romans en toneelstukken en de eerste persoon die de Governor General’s Award voor zowel poezie als voor romans in de wacht sleepte. Het grootste gedeelte van haar leven woonde Hébert in Frankrijk. Haar romans zijn vaak surrealistisch en symbolisch, haar gedichten duister en angstwekkend. Het gedicht Le Tombeau des rois" behoort tot de klassieken uit de literatuur van Quebec

 

 

Le tombeau des rois

J'ai mon cœur au poing
Comme un faucon aveugle.

Le taciturne oiseau pris à mes doigts
Lampe gonflée de vin et de sang,
Je descends
Vers les tombeaux des rois
Étonnée
À peine née.

Quel fil d'Ariane me mène
Au long des dédales sourds ?
L'écho des pas s'y mange à mesure.

(En quel songe
Cette enfant fut-elle liée par la cheville
Pareille à une esclave fascinée ?)

L'auteur du songe
Presse le fil,
Et viennent les pas nus

Un à un
Comme les premières gouttes de pluie
Au fond du puits.

Déjà l'odeur bouge en des orages gonflés
Suinte sous le pas des portes
Aux chambres secrètes et rondes,
Là où sont dressés les lits clos.

L'immobile désir des gisants me tire.
Je regarde avec étonnement
À même les noirs ossements
Luire les pierres bleues incrustées.

Quelques tragédies patiemment travaillées,
Sur la poitrine des rois, couchées,
En guise de bijoux
Me sont offertes
Sans larmes ni regrets.

Sur une seule ligne rangés :
La fumée d'encens, le gâteau de riz séché
Et ma chair qui tremble :
Offrande rituelle et soumise.

Le masque d'or sur ma face absente
Des fleurs violettes en guise de prunelles,
L'ombre de l'amour me maquille à petits traits précis ;

Et cet oiseau que j'ai
Respire
Et se plaint étrangement.

Un frisson long
Semblable au vent qui prend, d'arbre en arbre,
Agite sept grands pharaons d'ébène
En leurs étuis solennels et parés.

Ce n'est que la profondeur de la mort qui persiste,
Simulant le dernier tourment
Cherchant son apaisement
Et son éternité
En un cliquetis léger de bracelets
Cercles vains jeux d'ailleurs
Autour de la chair sacrifiée.

Avides de la source fraternelle du mal en moi
Ils me couchent et me boivent ;
Sept fois, je connais l'étau des os
Et la main sèche qui cherche le cœur pour le rompre.

Livide et repue de songe horrible
Les membres dénoués
Et les morts hors de moi, assassinés,
Quel reflet d'aube s'égare ici ?
D'où vient donc que cet oiseau frémit
Et tourne vers le matin
Ses prunelles crevées ?

 

De Toutes Petites Peines

De toutes petites peines
Quotidiennes
Posées sur le pré à midi

Larmes d'enfants
Mises à sécher sur l'herbe verte

Fondent au soleil
Montent au ciel
Si légères et transparentes

Se mêlent aux nuages
Ne laissent dans l'air pur
Nulle trace ni plainte visible.

 

 

 

 

 

Hebert
Anne Hébert (1 augustus 1916 – 22 februari 2000)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en musicus James Dennis „Jim“ Carroll werd geboren op 1 augustus 1950 in New York. Zijn bewogen jeugjaren heeft hij weergegeven in zijn boek Basketball Diaries. Het werd in 1995 verfilmd met Leonardo DiCaprio en Mark Wahlberg in de hoofdrollen.

 

 

Blue Poles

 

 

Blue poles (well?) on the beach

in a snowless winter and

 

I'm too cold to ask you

why we're here but of course "we are"

 

where on the puzzled reef dwarves either

fish or drown in the abandoned ships

 

sharkes dissever year-old children in search

of "young blood" Jersey acting like Europe

 

in an instant and lovely Mary kneeling along the quick tide

to be anxious with thoughts of bare oceans

 

that move as the thighs of an eventual sunlight

like bathers moving closer to their season

 

when again gulls perch in their lovely confusion

"alone," as now, the sand sifting through

 

your fingers like another's darkness.  it's true,

you are always too near and I am everything

that comes moaning free and wet

through the lips of our lovely grind

 

 

 

 

Poem

 

 

We are very much a part of the boredom

of early Spring of planning the days shopping

of riding down Fifth on a bus terrified by easter.

 

but here we are anyway, surviving like a wet street in August

and keeping our eye on each other as we "do it," well,

you go west on 8th St. and buy something mystical to wear

and I'll simply tuck my hands into my corduroy pockets

and whistle over to Carter's for the poster he promised me.

 

I like the idea of leaving you for a while

knowing I'll see you again while boring books

W.H. Auden, and movie schedules sustain my isolation

and all the while my mind's leaning on you like my body

would like to lean on you below some statue in Central Park

in the lion house at the Bronx Zoo on a bed in Forest Hills on a

   bus.

 

I reach 3rd avenue, its blue traffic, I knew I would sooner

or later and there you are in the wind of Astor Place reading

a book and breathing in the air every few seconds

                                       you're so consistent.

 

Isn't the day so confetti-like? pieces of warm flesh tickling

my face on St.  Mark's Place and my heart pounding like a negro

                                                          youth

while depth is approaching everywhere in the sky and in your

   touch.

 

 

 

 

jimcarroll
Jim Carroll (New York, 1 augustus 1950)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ernst Jandl werd geboren in Wenen op 1 augustus 1925 als zoon van een bankbediende. In 1943, na zijn middelbare school, werd hij opgeroepen voor de Wehrmacht. In 1945 werd hij in Engeland in een Amerikaans krijgsgevangenenkamp geïnterneerd, waar hij voor het eerst in contact kwam met hedendaagse Amerikaanse literatuur (Gertrude Stein, Carl Sandburg). Na zijn terugkeer in Wenen in 1946 begon hij Duits en Engels te studeren en behaalde in 1950 zijn doctoraat met een proefschrift over Die Novellen Arthur Schnitzlers. Tot 1979 werkte hij als leraar op een middelbare school in Wenen. Tijdens deze periode werkte hij ook als universiteitsdocent en gaf hij lezingen in Engeland, Berlijn en de Verenigde Staten. Zijn eerste gedichten werden gepubliceerd in 1952 in het Weense tijdschrift neue wege. Hij bleef regelmatig in tijdschriften, bloemlezingen en jaarboeken publiceren. Een aantal van deze teksten verschenen in 1956 in zijn eerste dichtbundel Andere Augen. De bundel wordt gekenmerkt door het gebruik van volzinnen (deels in het dialect), het gebruik van hoofdletters en onopvallende versvormen. Zowel qua inhoud als vorm vertoont het invloeden van Brecht. Pas in 1966 kende hij zijn literaire doorbraak met de bundel Laut und Luise waarvan gedichten als schtzngrmm and lichtung veel succes kenden. De bundel bracht zijn uitgever in een crisis. Laut und Luise confronteert de lezer met formele technieken die het kenmerk van zijn werk zijn geworden: het gebruik van anagrams, grafische en fonetische elementen en het speelse gebruik van taal die een groot humoristisch potentieel heeft. Een andere factor die zijn experimentele poëzie zo populair maakte, was het feit dat zijn gedichten zo goed kon worden voorgedragen.

 

ottos mops

 

ottos mops trotzt
otto: fort mops fort
ottos mops hopst fort
otto: soso

otto holt koks
otto holt obst
otto horcht
otto: mops mops
otto hofft

ottos mops klopft
otto: komm mops komm
ottos mops kommt
ottos mops kotzt
otto: ogottogott

 

 

 

Gedicht

 

tür auf
einer raus
einer rein
vierter sein

 

tür auf
einer raus
einer rein
dritter sein

 

tür auf
einer raus
einer rein
zweiter sein

 

tür auf
einer raus
einer rein
nächster sein

 

tür auf
einer raus
selber rein
tagherrdoktor

 

 

 

 

Jandl
Ernst Jandl (1 augustus 1925 – 9 juni 2000
)

 

De Nederlandse (jeugdboeken)schrijver Guus Kuijer werd geboren in Amsterdam op 1 augustus 1942. Hij was van 1967 tot 1973 onderwijzer en wijdde zich sindsdien aan het schrijverschap. Kuijer debuteerde met verhalen in Hollands Maandblad, in 1971 gebundeld in Rose, met vrome wimpers. In 1973 verscheen zijn eerste roman Het dochtertje van de wasvrouw. In 1975 vestigde hij echter vooral naam met het kinderboek Met de poppen gooien, waarin hij de wereld vooral door de ogen van het kind getekend heeft en een houding van verzet tegen de wereld van de volwassenen toont. Het boek werd om zijn oorspronkelijkheid bekroond met de Gouden Griffel 1976. Daarna volgde een succesvolle reeks kinderboeken: Een gat in de grens (1975), Grote mensen, daar kan je beter soep van koken (1976), Drie verschrikkelijke dagen (1976) en Op je kop in de prullebak (1977). In 1979 werd hem de Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur toegekend en in hetzelfde jaar kreeg hij voor Krassen in het tafelblad (1978) opnieuw een Gouden Griffel. Zijn essays in Het geminachte kind (1980) veroorzaakte veel deining onder psychologen en pedagogen. In 1983 verscheen zijn eerste toneelstuk De wonderdoener.

 

Uit: Het kind als onpersoon

 

“We houden een enquête onder pas gehuwden. Onze vraag luidt: Bent u van plan nu of in de toekomst een derde persoon in huis te nemen?

Ik wed dat negentig procent van de ondervraagden daar nee op zegt. Ze kijken wel uit, pas getrouwd toch?

We houden een andere enquête en onze vraag luidt nu: Bent u van plan nu of in de toekomst kinderen te nemen?

Ik wed dat negentig procent nu ja zegt.

Een vreemd geval. Géén derde persoon in huis willen, maar wél een kind. Een kind wordt dus niet opgevat als een persoon. Maar als het geen persoon is, wat is het dan wél?

Om hierop één van veel mogelijke antwoorden te geven, citeer ik nogal ruim uit een boekje dat bij uitgeverij Ploegsma is verschenen en dat een briefwisseling bevat tussen een elfjarig meisje en haar moeder. Het boekje heet Wie is hier eigenlijk de baas?

Die titel geeft heel aardig het misverstand weer dat tijdens die briefwisseling welig tiert. Ondanks het feit dat het hier een bijzonder aardige moeder betreft, is het typisch iets voor háár, de volwassene, om te denken dat het om een zo kinderachtig probleem gaat. En het kind Marit heeft zich vermoedelijk bij die titel neergelegd omdat kinderen er belang bij hebben zich kinderlijker (vertederender) voor te doen dan ze zijn. In werkelijkheid is het probleem allerminst kinderachtig. Het is een knoert van een probleem, ook voor volwassenen.”

 

 

 

Kuijer
Guus Kuijer (Amsterdam, 1 augustus 1942)

 

De Koreaanse dichter Ko Un werd geboren op 1 augustus 1933 in Gunsan. Hij bracht tien jaar door in een boeddhistisch klooster en publiceerde in 1960 zijn eerste dichtbundel. Tientallen zouden er volgen. In de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw werd Ko Un wegens zijn politieke engagement vervolgd, gearresteerd en gemarteld. Tegenwoordig woont hij nabij Seoel.

 

 

Die Erste Person – traurig

 

Ich bin traurig. Die Einsicht plötzlich voller Widersprüche.
Zu Beginn des letzten Jahrhunderts,
nach der Revolution, sowjetische Dichter
beschlossen, nur noch von "Wir" zu reden,
nur noch als "Wir"
wollten die Dichter von sich selbst noch reden.
Sie waren begeistert.
Diese ihre Entscheidung –
wegen schwerer Stürme
konnte sie nicht die Straßen erobern, und so
blieb sie in den Zimmern, blieb aber gültig.
Ein jeder allein
beschwor für sich das "Wir".
Dort, irgendwo hinter den Spiegeln,
irgendwo verbarg sich das "Ich".
An einem hellen, klaren Tag tauchte Majakowski auf,
und schrie, und schrie nur "Wir".
Er war ein Dichter der Straßen.
Das "Ich", das war verboten,
das "Ich" war ein Verbrechen.
"Wir"
"Wir" – nur das allein, das hatte zauberhafte Macht.

Allmählich fiel und fiel der Luftdruck,
Sommerblumen – immer wieder, wie viele Male – wurden sie zertreten?
Die Revolution, sie verschlang die Revolution.
Aus den Bällen aller Kinder wich die Luft,
und auch das "Wir"
verlor aus seinem straffen Inneren die Luft.
Jemand war so kühn
Und schrieb "Ich liebe",
doch noch hielt sich der Brauch zu lesen "Wir, wir lieben".
Winterschnee noch nicht ganz geschmolzen,
der Frühling war noch ungewiss.

 

 

Vertaald door Dr. H. J. Zaborowski

 

 

 

Ko Un
Ko Un (Gunsan, 1 augustus 1933)

 

De Amerikaanse schrijver Frederick Busch werd geboren in New York. Hij studeerde aan het Muhlenberg College en aan de Colgate University. Hij doceerde van 1976 tot 2003 als „Fairchild Professor of Literature“ in New York, stond aan de wieg van de „Writers' Workshop“ aan de universiteit van Iowa en van de „Chenango Valley Writers' Conference“. Hij schreef meer dan vijfentwintig boeken.

 

Uit: The Night Inspector

 

„Off Elizabeth Street, at the Harlem Railroad embankment, where a kind of tunnel burrowed into a hill of earth and cobbles--the gandy dancers for the line stored sledgehammers and ties and spikes there, for use in making repairs--I was walking late, having trotted about early as well. I was tired of walking, but not, I thought, tired enough to sleep. So I had stopped at Uncle Ned's on the Bowery, at that time a notorious gathering place for gamblers, slaggards too filthy and used to be kept in a respectable house, and, of course, members of gangs like the Rabbits and the Ikes (who called themselves the House of Isaac--as nasty a bunch of Jews as the Rabbits were cannibal Irish). In front of a disused shop once specializing in trusses and like medical devices, and across from the embankment, I came, perhaps a little dizzy from dark rum, upon two white men beating a Negro. He dodged and wheeled, so I knew that he wished to resist; and, as he was burly and fit, broad of shoulder and lean of hip, with long, thick arms, I knew that while he chose to protect his head and face by shielding himself, he had deemed it wise not to give the account of himself of which I believed him capable.”

 

 

 

frederick-busch2
Frederick Busch (1 augustus 1941 – 23 februari 2006)