18-11-16

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Joost Oomen, Thomas Möhlmann, Pauline Genee, Klaus Mann, Richard Dehmel, Jaap Meijer, Eugenio Montejo

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

 

Voor en na het meesterwerk 2

In de trein en oortjes van de iPod in
gaf je, lijfblad in je weergaloze hand,
een ingekeerde remix weg van
Gerhard Richter en good old Vermeer,
Lezende, zoals de trein jou
zonder moeite lezen kon,
bij het gesloten raam, tweede klasse,
intercity, neigend naar het eertijds
lezend meisje bij het open raam,
haar pofmouw twinkelend van
schier denkbeeldig groengoud geel.
Hier intussen groet het landschap ons
alsof wij beiden lezend simultaan
de wereld wuiven - en ook buitensluiten.
Dit gebeurt nu, weet ik, en kan niet
nog een keer. Gerhard Richter heeft
jouw inlogcode maar jij stuurt een sms'je
waarin je zegt ik zie je nu, ik zie je
als mijzelf, midden in het eeuwig licht
naar digitale iTuneswetten binnenzeilend
door het gulle venster van Vermeer.

 

 

De dichter heeft te regelen

Ik heb te regelen een kindjelief,
een woning en natuurlijk spullen ook.
Het moet aanwendbaar zijn mijn bezit,
ik moet het nu en dan alleen kunnen laten
zonder even later roerloosheid aan te treffen.

Stel ik kom thuis
het kind is versteend, het huis
verlamd en de spullen nog veel erger.
Geen andere beweging dan deze thuiskomst.
Dan zou ik denk ik moeten maken
een wet zó waterdicht dat stilstand
achteruitgang is en ook naar voren nog een beetje.
Mijn hanteerbare, goedgeefse bezittingen
hoeven niet meer in de houding
want er is dan een geschreven wet.

 

 

Kijk

Kijk.

Kijk dan. Roerloos ben ik nu,
als in een goed gedicht van iemand anders.
Te grabbel gooit zich niet de looppas, nee,
een daad is niet langer volzang vijftig de bevestiging.

Als ding houd ik mijn mond
en nagel alle grond gelijk.
Ik ben er niet en kijk.

 


Joost Zwagerman (18 november 1963 - 8 september 2015)

Lees meer...

03-03-16

Manfred Flügge, Hans Verhagen, Tjitske Jansen, James Merrill, Kola Boof, Clifton Snider, Gudrun Pausewang

 

De Duitse schrijver Manfred Flügge werd geboren op 3 maart 1946 in Kolding, Denemarken. Zie ook alle tags voor Manfred Flügge op dit blog.

Uit: Das Jahrhundert der Manns

„Im Sommer 1997 reiste Frido Mann zum ersten Mal nach Nidden, einem kleinen Ort auf der Kurischen Nehrung. Oberhalb des Ostseestrandes stand noch immer das geräumige Sommerhaus seiner Großeltern. Bei einem Abstecher von Königsberg aus hatten sie den Ort im Jahr 1929 entdeckt und beschlossen, dort ein Feriendomizil zu errichten. Als das braungestrichene Holzhaus mit Strohdach und blauen Fensterläden im Sommer 1930 bezogen wurde, kam es zu einem Auflauf wie bei einem Volksfest. Die Einheimischen feierten den zum Nobelpreisträger avancierten Autor und seine Angehörigen. Auch in den beiden folgenden Jahren verbrachten die Manns hier ausgedehnte Ferien, dann beendete das Exil diese Phase. In wechselndem Besitz überdauerte das Gebäude die Jahrzehnte und Regime, ehe es im souveränen Litauen restauriert und als Thomas-Mann-Kulturzentrum eingeweiht werden konnte.
Frido Mann ist mehrmals wiedergekommen und konnte erleben, wie sich an diesem Ort auf der schmalen Landzunge zwischen Meer und Haff die Epochen überlagern und alle noch spürbar sind. 1997 reiste er auch in den brasilianischen Küstenort Paraty, wo seine Urgroßmutter Julia da Silva-Bruhns geboren wurde, die Mutter von Heinrich und Thomas Mann. Von Nidden bis Paraty, von Lübeck bis Venedig, von München bis Los Angeles, von Capri bis Halifax reichen die Schicksalswege der Mitglieder dieser besonderen Familie, deren Erlebnisse ein Jahrhundert beleuchtet und deren Werke alle Themen ihrer Zeit berührt haben.
»Die Manns kommen!« Dieser Schreckensruf tönte Thomas Mann entgegen, als er eines Tages in der Nähe seines Münchner Hauses mit seinem Hund spazieren ging. Ein paar Kinder flüchteten ... vor seinem eigenen Nachwuchs. »Die Mannkinder«, wie man auch sagte, ärgerten ihre Nachbarschaft mit Telefonterror, Ladendiebstählen und anderen bösen Streichen (vielleicht weil im Haus des Vaters immer Ruhe herrschen musste). Kadidja Wedekind erinnerte sich: »Zuweilen, wenn wir so am Isarufer hinpilgerten, begegneten wir vor einer eleganten Villa einigen finster blickenden, etwas verwahrlosten Kindern, und wir erfuhren, daß dies ›Thomas Manns‹ seien.«
Der Roman, der den Grundstein für den Mythos der Familie Mann bildete, trägt in seinem Titel keinen bestimmten Artikel: Buddenbrooks.“

 

 
Manfred Flügge (Kolding, 3 maart 1946)
Cover 

Lees meer...

18-11-15

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Joost Oomen, Thomas Möhlmann, Pauline Genee, Klaus Mann, Richard Dehmel

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

Uit: Tegen de literaire quarantaine

“Wat Zeeman verzuimt te vermelden is dat de eigenaar van het statige pand de glamour-crimineel Philip van Heemskerk is, de man die als een pasja zijn nieuwe rijkdom toont in Zuid-Frankrijk. Van Heemskerk kan met zijn charme, zijn geld en zijn geraffineerde intimidatiemethoden de halve wereld aan - behalve die kleine zielen op verdieping drie van zijn prachtige huis in Amsterdam, die lastige huurders die er behagen in scheppen hun eigenaar te treiteren.
Aldus loodst Marja Brouwers de lezers een gelaagde wereld in. De meester-handelaar, playboy en crimineel Heemskerk ligt als een muizige huisjesmelker een leiding in een keukentje te repareren dat door de huurders nota bene expres kapotgemaakt is. Door die omkering beeldt de roman het eeuwige menselijke gewemel uit. En achter die omkering schemert in Casino het staketsel van het leven zelf, gestut door de tijdloze vragen: hoe zinvol zijn onze strevingen, waar vinden wij waarheid, en waarom toch rest ons op de beslissende ogenblikken niets dan lucht, desillusie en onmacht?           
Wat zegt het over onze literatuur als drie doorgaans bepaald niet oliedomme beroepslezers sommige romans beoordelen op volstrekt verkeerde gronden? Het antwoord moet zijn dat de zelfopgelegde literaire quarantaine tot gevolg heeft gehad dat er in Nederland relatief weinig romans verschenen die zich én stevig verankerden in de eigen tijd én afdaalden in de contreien van de eeuwige vragen naar de menselijke ervaring. Critici zijn daardoor niet gewend aan romans die zich niets gelegen laten liggen aan die quarantaine. Door die onbekendheid met het genre vervallen ook doorgaans capabele recensenten als Nuis, Ramdas en Zeeman in onnozele beginnersfouten. Met in de praktijk de funeste gevolgen voor Mystiek lichaam, De buitenvrouw en Casino. Dat juist deze drie romans het slachtoffer werden van die reductionistische manier van lezen is geen toeval, want alle drie onttrekken ze zich, ieder op zijn eigen manier, aan de literaire quarantaine.
Is een faux pas als door Nuis, Ramdas en Zeeman te voorkomen? Natuurlijk niet. Maar zolang de zelfopgelegde literaire quarantaine in stand wordt gehouden, blijft de kans extra groot dat beroepslezers hun huishoudboekje van morele standaards te voorschijn toveren. Het is onvermijdelijk en het zal bevrijdend werken: de literaire quarantaine opgeheven. Door de afschaffing van de literaire quarantaine is de kans groter dat in Nederland een literatuur kan bloeien waarin geen enkel onderwerp en geen enkele verzinnebeelding op voorhand tot minderwaardig of ‘verkeerd’ wordt verklaard. In zo'n literair klimaat is niets taboe, de moord op Van Gogh evenmin als de verpopping van een vlinder ergens in de uiterwaarden nabij Tiel. Alles mag meedoen. Ter wille van die ideale situatie is de literaire quarantaine vanaf nu en bij dezen afgeschaft.”

 

 
Joost Zwagerman (18 november 1963 - 8 september 2015)

Lees meer...

18-11-14

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Joost Oomen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

Uit: Chaos en Rumoer 

“En er veranderde niets. Je blééf slap en laf en bang – met dit verschil dat aan de andere kant van de lijn iemand aan je stem kon horen hoe slap en laf en bang je was. Een antwoordapparaat leek het perfecte redmiddel. Maar vrijwel iedereen die een boodschap insprak, eindigde met het verzoek om terug te bellen. Zo schoot je nóg niets op. Als het aan hem had gelegen, waren Karin en hij indertijd telefoonloos gaan samenwonen. Maar kennissen hadden hem bezworen dat je dat een vrouw niet kon aandoen.
Uiteindelijk bleek Otto’s bekentenis over zijn beschamende improductiviteit toch nog ergens goed voor te zijn, want Karin en hij bereikten een compromis inzake de telefoon. Het toestel ging niet de deur uit – dat weigerde Karin – maar wel vroegen zij een geheim nummer aan. Verder annuleerde Karin namens Otto, die zich al drukbezet en geclaimd voelde met één afspraak in het verschiet, de twee lezingen die hij had staan voor de komende maanden. Zo vielen ook de laatste drukkende verplichtingen weg, en Otto had goede moed dat het schrijven alsnog zou gaan lukken.
Maar toen de telefoon stil bleef en zijn agenda bevrijdend leeg was, begon hij zich te ergeren aan het zoemen van de ventilator in zijn computer. Bovendien was het licht in zijn werkkamer niet goed.
Tussen tien en twaalf uur viel een hinderlijke streep ochtendlicht diagonaal over zijn tafelblad en ’s middags scheen de zon vol op het raam. Zo zou het niemand lukken iets van belang te schrijven. En hij moest ook nodig een nieuwe bureaustoel.
Otto bevestigde een donkerblauw rolgordijn voor het raam. Nu kwam er een onheilspellende duisternis in zijn werkkamer te hangen. Dat was ook weer niet de bedoeling. Hij kocht tweedehands lamellen. Maar die maakten een hinderlijk flappend geluid wanneer het tochtte in huis.”
 


Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Lees meer...

02-06-14

Jim Knipfel, Marcel Reich-Ranicki, Sibylle Berg, Carol Shields, Jean Nelissen, Thomas Hardy, Markies De Sade

 

De Amerikaanse schrijver Jim Knipfel werd geboren op 2 juni 1965 in Green Bay, Wisconsin. Zie ook alle tags voor Jim Knipfel op dit blog.

Uit: Unplugging Philco

"As furtively as possible he checked the three of them again. Still chatting. If they began moving his way he' d need a new plan, and quick. If only there was another pedestrian to draw their attention away from him -- but there never was. Nobody else was out at this hour. It would be simple enough to change his own schedule, he sometimes thought, but he knew it would never happen.
He flexed his legs and his toes, checked the sidewalk directly below him again, then took a deep breath and willed himself into action.
As he scrambled down the stairs like a convulsive heron, Wally told himself for the thirtieth time in as many days that it was about time he picked himself up a new pair of shoes. This old pair he was wearing was simply not made for scrambling of any kind. Not with soles worn that smooth and thin.
Without pausing at the bottom to see if they'd caught sight of him, he dashed across the sidewalk, staying as low as he could manage, and ducked between two parked cars. He was breathing heavy and sweating despite the cool breeze, but at least he had some decent cover here.
Holding on to the rear bumper of a cherry red Chrysler Xanax for support, he pushed himself up just enough to peer over the trunk and down the street.
They still hadn't seen him, too engrossed as they were in their little chat.
Probably exchanging diapering tips and murder stories, he thought. He checked the street again.
There was someone at the stoplight two blocks away. He was driving one of those Dodge Dipsomatic GX Mini Forts, an enormous vehicle, almost a full lane and a half wide. It was little more than a street-modified tank, really, but they'd become quite popular lately." 

 

 
Jim Knipfel (Green Bay, 2 juni 1965)

Lees meer...

18-11-13

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

 

Uit: Vals licht

 

“Uiteindelijk, toen zij dagenlang in de onderwaterkamer vertoefden, loste alles zich vanzelf op door de ontdekking van een gedeelde voorliefde: kinderspel. Niets wekte zoveel vertrouwen als een gezamenlijke verjonging, tot op het kleuterachtige af. Steeds vaker spraken zij elkaar liefkozend toe in een nagebootste kindertaal, gevat in poezelige verkleinwoorden en brokstukken van zinnen. Zij speelden Klein Arcadië. Schmierend en toegewijd blonk Lizzie uit in pruilende vragen om aandacht, koket geloken ogen en in falset geslaakt gekir. Zij werd Shirley Temple aan de Sarphatistraat, met af en toe een halve stap naar volwassenheid als híj het was die kleuter werd en zij zijn gezicht opmaakte met de indianenkleuren die hij van haar kende en hem kleedde in haar witkanten ondergoed dat hem om het lichaam spande. Voor in bad kochten zij drijvende speeltjes in Mondriaan-kleuren en weekten uren in het dampend water, wolkend badschuim tot onder hun kin. Daarna spreidde zij de Charlie Brown-handdoek uit op de grond en zaten zij tegenover elkaar, twee jongbedorven cherubijnen, Simon in kleermakerszit en Lizzie in schoolmeisjeshouding met opgetrokken knieën en haar handen om de enkels geklemd. Haar bruine haar hing in natte, dikke slierten langs haar wangen. Ernstig telde zij zijn ribben terwijl zij elkaar afdroogden. Geregeld slaakten zij hun kinderlach en toonden al te valse grimasjes van achtjarigen. Zo, tegenover elkaar, sloegen zij elkaar gade, keurend enafwachtend, want hun ogen deden niet meer mee met hun zelfverzonnen baltsgedrag voor baby's.

Zij streefden geen perfectie van hun spel na. Alleen hun opzichtige valsheid was geavanceerd; juist hierin school de onweerstaanbaarheid. Hun kinderkitsch was betoverend obsceen. In geen peeskamer had Simon zich ooit in een rollenspel verloren: daar had het keurslijf van rituelen hem wel van weerhouden. Nu, onder haar ogen, diende hun acteren om met souplesse de wederzijdse weerloosheid te vergroten.”

 

 

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Lees meer...

18-11-12

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

 

Uit: Het wilde westen

 

“Jennen, treiteren, uitdagen
In de Volkskrant omschreef een politicoloog de favoriete activiteiten van de hooligan als 'elkaar jennen, treiteren en uitdagen'. De bewoordingen leggen onbedoeld de jarenlange onverschilligheid over de voetbalterreur bloot.
Officier van justitie:'U stak het slachtoffer Carlo Picornie neer op het grasland bij Beverwijk? Hoe zou u dat zelf omschrijven?'
Verdachte:'Dat wil ik geen geweldpleging of doodslag noemen, edelachtbare. Ik was hem gewoon aan het jennen met mijn mes. Daarna treiterde ik hem bij zijn halsslagader. Je mag iemand toch wel uitdagen?'
Officier:'Natuurlijk mag dat. Maar wilt u nooit meer naar bioscopen bellen en lelijke dingen zeggen?'
Het moeten merkwaardige tijden zijn voor de Nederlandse hooligan. Je vermaakt je sinds jaar en dag met het molesteren van je tegenstanders, de sloop van NS-treinen; met messentrekken en intimidatie, bedreiging van voetbaljournalisten, vernielen van auto's, cafés, en niet te vergeten met het oproepen tot haat en geweld. Niemand die je ooit écht een strobreed in de weg heeft gelegd. Hooguit loop je per abuis eens tegen een taakstrafje op, zodat je van een doorgetherapeutiseerde rechter een week lang auto’s moet wassen of de krant moet rondbrengen. Maar dan bel je als trotse bezitter van een crimineel curriculum vitae eens een keer een Utrechtse bioscoopexploitant op met de mededeling dat je de boel komt verbouwen zodra de 'jodenfilm' over Ajax wordt vertoond, en wat gebeurt er? Dán is ineens heel weldenkend Nederland in rep en roer. Alsof de Hakkelaar na een loopbaan van drugshandel, wapenbezit, liquidaties en ontvoering pas een kritieke grens passeert wanneer hij de uitbater van de Godfather IV met een oorveeg dreigt.
Zolang hooligans elkáár naar het leven staan is er kennelijk niets aan de hand. Dan leggen politie en justitie rondom voetbalvelden hagen van containers aan, sleuven van kooien waardoorheen de bloeddorstige supportlegers moeten worden geleid onder toezicht van stewards en ME'ers die een kruidenvrouwtjescursus 'Conflictbeheersing’ hebben gevolgd. Krakers, EU-demonstranten en ander rapaille zijn er om weg te knuppelen, de hooligan moet je 'begeleiden'. [..]
Ad Melkert waarschuwt nog één keer. Je voelt de siddering langs het ruggenmerg van de hooligan gaan.”

 

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Lees meer...

18-11-11

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

 

Uit: De houdgreep

 

Het gezin Rafferty was niet echt vermogend maar had toch genoeg geld om een au pair in huis te nemen. Zij kwam uit Nederland en heette Adriënne. Meneer en mevrouw Rafferty vonden haar soms wat onhandig en verward. Twee welwillende maar onnozele Oostenrijkse meisjes waren haar voorgegaan, zodat de Rafferty’s Adriënne’s kleine tekortkomingen voor lief namen.
Haar ijver en vooral haar oprechte genegenheid voor de dochtertjes Rafferty wogen ruimschoots op tegen dat kleine beetje verwarring en onhandigheid. Bovendien deelde Adriënne tot mevrouw Rafferty’s vreugde twee van haar meest dierbare liefhebberijen:lezen en spelletjes doen.

(…)

 

Voor Adriënne was niets vanzelfsprekend, dus ook de werkelijkheid niet. Zou ze een goede fotografe kunnen worden? Ze had geen zin meer om te luisteren. ‘De foto als metafoor.’ Ha! Zijn het niet juist metaforen - die grillige, onbeheersbare diabolo’s waarmee schrijvers, schilders en smachtende pubers lopen te goochelen- die almaar verhullen en redeloze vragen oproepen? Nee, aan Adriënne’s lijf geen kunstenmakerspolonaise. Wat ze wilde was eenvoudig: als Londen dan niet te veroveren viel kon ze nog altijd infiltreren, en de pocketcamera was haar handzaam excuus.
De cursusleider wees naar buiten.
‘Die muur daar,’ zei hij, ‘die heeft iets te zeggen. De topfotograaf ís de muur, zoals hij alles is wat hem omringt. Maar jij, meisje, jij moet om te beginnen een hele goeie vertolker, een monnik worden, a monk with a camera.’

 

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

Lees meer...

18-11-10

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007 en ook mijn blog van 18 november 2008 en ook mijn blog van 18 november 2009.

 

Uit: Chaos en Rumoer 

 

„Nadat Otto Vallei zich zes maanden lang iedere dag in zijn werkkamer had opgesloten om aan een roman te werken, biechtte hij zijn vrouw Karin op dat hij nauwelijks vorderingen had gemaakt. En zelfs dat was een zonnige voorstelling van zaken. In zekere zin was hij niet eens aan die roman begonnen.
Karin reageerde tamelijk laconiek op Otto’s bekentenis, wat hem eerst verbaasde, daarna opluchtte en uiteindelijk zachtjes kwetste. Hij kon natuurlijk niet van haar verlangen dat ze net als hij diep ontgoocheld was, maar een minimum van solidaire somberheid had hij toch wel van haar verwacht. In plaats daarvan was ze alleen maar nieuwsgierig. Waarschijnlijk kon ze het zich niet goed voorstellen dat iemand in zes maanden tijd zó weinig kon uitvoeren. Zelf kon Otto
het zich achteraf ook niet goed voorstellen.
‘Heb je echt niets op papier gekregen?’ vroeg ze. ‘Niet eens één zin, zoals Jack Nicholson in
The Shining
?’
Hij gaf haar tien a-viertjes waarop hij die ochtend iets schamels had uitgeprint. Hij had de computer het aantal woorden, regels en zelfs lettertekens laten berekenen.
‘Zesduizendwoordenennogiets.Vijfhonderdeenentwintigregels. Een gruwelijke oogst na een halfjaar. Vind je niet?’
De dagen na zijn bekentenis klaagde Otto dat hij niet aan het werk kwam, omdat hij allerlei verplichtingen had: lezingen, recensies schrijven, dat soort dingen. Bovendien ging iedere dag wel een paar keer de telefoon. Hij had geen leven zo.
De telefoon was sinds jaar en dag een van zijn ergste vijanden. Niets was funester voor het heilig vuur dan het ijzingwekkende gerinkel. Iedere keer dat de telefoon ging, trof het geluid hem als een
goed doordachte poging hem in een hoek te drijvenwaaruit niet viel te ontsnappen. Niet opnemen was onmogelijk; hoe langer het gerinkel aanhield, hoe meer dwang erin doorklonk. Je moest opnemen. Je móest. Anders was je slap en laf. Slap en laf en bang. Dus nam je op.“

 

 

 

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Lees meer...

18-11-09

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo, Christoph Wilhelm Aigner, Mireille Cottenjé, Jaap Meijer, Margaret Atwood, William Gilbert


De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

Uit: De Buitenvrouw

 

“Het gezin Rafferty was niet echt vermogend maar had toch genoeg geld om een au pair in huis te nemen. Zij kwam uit Nederland en heette Adriënne. Meneer en mevrouw Rafferty vonden haar soms wat onhandig en verward. Twee welwillende maar onnozele Oostenrijkse meisjes waren haar voorgegaan, zodat de Rafferty’s Adriënne’s kleine tekortkomingen voor lief namen.
Haar ijver en vooral haar oprechte genegenheid voor de dochtertjes Rafferty wogen ruimschoots op tegen dat kleine beetje verwarring en onhandigheid. Bovendien deelde Adriënne tot mevrouw Rafferty’s vreugde twee van haar meest dierbare liefhebberijen:lezen en spelletjes doen.

(…)

 

Voor Adriënne was niets vanzelfsprekend, dus ook de werkelijkheid niet. Zou ze een goede fotografe kunnen worden? Ze had geen zin meer om te luisteren. ‘De foto als metafoor.’ Ha! Zijn het niet juist metaforen - die grillige, onbeheersbare diabolo’s waarmee schrijvers, schilders en smachtende pubers lopen te goochelen- die almaar verhullen en redeloze vragen oproepen? Nee, aan Adriënne’s lijf geen kunstenmakerspolonaise. Wat ze wilde was eenvoudig: als Londen dan niet te veroveren viel kon ze nog altijd infiltreren, en de pocketcamera was haar handzaam excuus.
De cursusleider wees naar buiten.
‘Die muur daar,’ zei hij, ‘die heeft iets te zeggen. De topfotograaf ís de muur, zoals hij alles is wat hem omringt. Maar jij, meisje, jij moet om te beginnen een hele goeie vertolker, een monnik worden, a monk with a camera.’

(...)

 

Onwaarachtig? Ingmar Booys vertrek onwaarachtig? -
Welnu, zo verliefde mensen al werkelijk leven en zich niet bezighouden met het verlangen het bestaan van de andere voor eigen rekening te nemen, dan toch níét vlak voor en tijdens het vertrek van een van hen. Immers, beiden zijn dan enkel en alleen geconcentreerd op de ophanden zijnde scheiding; niet wordt er zoiets obligaats en terzelfder tijd onmogelijks volbracht als ‘het genieten van de laatst gedeelde momenten’, nee, iedere blik op de ander wordt geworpen om te onderzoeken. En: onderzocht wordt dan niet de pijn die rondtrekt in de ogen van andere, maar veeleer het eigen toekomstige verdriet. Ja, ook Ingmar Booy en Adriënne moesten eraan geloven; ze hadden niet langer oog voor elkaar, maar waren in plaats daarvan gespitst op de eigen, de afzonderlijke, de moedwillig afgezonderde tragiek.
Slachtoffers waren ze, en als slachtoffers gedroegen ze zich:in zichzelf gekeerd, onwaarachtig en soms bijna autistisch.“

 

 

 

 

ZWAGERMAN
Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook  Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

 

Het leven

 

Ik kijk naar mijn leven:
het wordt kleiner

ik houd mijn ogen er vlakbij:
ik kan al niet meer onderscheiden
tussen goed en onwaarschijnlijk, tussen zien en ontwijken
tussen mij en iedereen...

wat zeg ik nu weer...

mijn leven groeit, woekert, grijpt om zich heen
en ik kan alles onderscheiden:
onraad, wansmaak en zelfs de kleinste wangedachten

ik doe mijn ogen dicht

 

 

 

 

Mijn vader sloeg planken mis

 

Mijn vader
sloeg planken mis

mijn broers glimlachten,
schreven elke misslag in een schrift,
mijn moeder deed de was
of lakte haar nagels

mijn vader
die zich in leven hield met schaamte, spijt en ongemak,
die zich dagelijks gewonnen gaf,
die hijgde
en onwerkzaam en achterstallig was,
die niemand iets te vertellen had,
die een spin was zonder web en zonder lente,
die piepte en kraakte, als een ijzeren haan

op een dag sloeg hij raak
en gooiden mijn broers hem weg.

 

 

 

 

 

tellegen
Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Klaus Mann werd op 18 november 1906 geboren als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. In München. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007. Zie ook mijn blog van 9 november 2009 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

Uit: In the Shadow of the Magic Mountain. The Erika and Klaus Mann Story (biografie door Andrea Weiss)

 

„Thomas and Katia got their wish for a son one year later. The boy’s christening as “Klaus Heinrich Thomas Mann” sealed his literary fate. The names Klaus and Heinrich represented Katia’s and Thomas’s closest brothers, but together the name Klaus Heinrich is also that of the prince in Royal Highness, the novel Thomas was deep in the middle of writing at the time of his son’s birth. Young Erika kindly chose for her baby brother the less burdensome sobriquet of “Eissi” (the toddler’s mispronunciation of “Klausi”), and henceforth, within the family, Eissi he would remain.

Whether or not his literary forebears had anything to do with it, Klaus seems to have been born a writer. He started writing before he could even hold a pen properly; his earliest pieces he dictated to Erika. No one, not even Klaus, was glad to learn that he had a literary bent. His family tried in vain to discourage him from writing, and he himself referred to it as the family curse. Decades after his death, Erika reflected sadly,

 

Klaus was a dreamer. Klaus was a poet from the very beginning. And this of course was not at all what my father would have wished for his son. First of all, he knew that any child of his, if he wanted to write, would have a very hard time of it. But for Klaus, writing was as essential as breathing. Without writing Klaus simply couldn’t live.

 

Thomas Mann’s disappointment at the arrival of Erika and his joy at the arrival of Klaus were false starts—emotions totally at odds with the relationship he would soon forge with each. Klaus would be the source of continual disappointment to him, while Erika was the source of his greatest joy. Despite his initial preference for a son, and his declaration that “a girl is not to be taken seriously,” Thomas’s eldest and youngest daughters, Erika and Elisabeth, became his two obvious favorites, to the chagrin of the others. “When a man has six children, he can’t love them all equally,” would be his defense.

But this was a flimsy excuse for his erratic, often cruel behavior toward the remaining four. Monika, the middle daughter, claimed never to have had an intimate conversation with her father, or even to have had the feeling that she existed for him in his mind. Michael, the youngest son, recalled being beaten with a walking stick and other harsh punishments that prevented him from being able to forgive his father throughout his adult life. He was allowed to listen in on the stories his father read to his sister Elisabeth, but it was made clear that they were not meant for him. And Golo, the middle son, who grew up to become one of Germany’s most prominent essayists and historians, had not one compassionate or affectionate word for his father in his entire autobiography. In the midst of his large family Golo often felt awkward and lonely. Klaus’s callous treatment by his father was by no means unique to him.“

 

 

 

 

 

klaus_mann
Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)

 

 

 

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

 

 

I Hear All The Outlawed World

 

I

 

I hear all the outlawed world in harmony,

The marshling stalks the green and gaunt

Destroyers who heed not sparkling deserts

Charged to the gill, nor candles pitching down

Like doom. I note the scale of fossils

In cloud covered peaks, record

The seemly count of bodies by square root

And irrational number, I am witness

Bound to bounty to all who blaze in gray

And shallow grooves seeding their ends

In strikes on the ripe and smoldering fields.

 

II

 

I see all the outlawed world in harmony,

Barking wood bracing by the bud,

Where runs of blue, bury in vain

Down slash of mountain forest, cascading

Into august, rising after the fall,

As do kind-killers blasting from shells

To die as snails creeping under flower,

Who saw the past wasting away

In filed futures, slipping by blades in neck

Of wood, sightless as gallows of trees

Try murder each time they make their leaves.

 

 

III

 

I know all the outlawed world in harmony,

By seamless song of stuttering gulls,

As in conches, waves of providence,

Cell from the center, beating musseled shoals,

Where wailing ghosts and wing-tips point

Printed nails to the silent capes,

And bumble hairs comb round the broken yokes

Stirring streams of babble baited

By flowering psalms, engaging arms to prey

On tales told by the rood and drown

In eyes turning like sands on the sea.

 

 

 

 

MaccFalls
Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf. . Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

 

Die stille Stadt

 

Liegt eine Stadt im Tale,
ein blasser Tag vergeht;
es wird nicht lange dauern mehr,
bis weder Mond noch Sterne;
nur Nacht am Himmel steht.

Von allen Bergen drücken
Nebel auf die Stadt;
es dringt kein Dach, nicht Hof noch Haus,
kein Laut aus ihrem Rauch heraus, Kaum Türme noch und Brücken,

Doch als den Wandrer graute,
da ging ein Lichtlein auf im Grund;
und durch den Rauch und Nebel
begann ein leiser Lobgesang,
aus Kindermund.

 

 

 

 

Wollust
Nach Shakespeare

 

In wüster Schmach Vergeudung heiliger Glut
ist Wollust, wenn sie praßt; und eh sie praßt,
roh, schamlos, tierisch, aller Welt zur Last,
meineidig, tückisch, voller Gier nach Blut.

Gesättigt kaum, von Ekel schon gehetzt;
sinnlose Lüsternheit und, kaum verraucht,
sinnlose Düsterkeit, in Wut getaucht,
als hätt ein Tollwurm die Vernunft zerfetzt.

Wahnwitz im Rausch, Wahnwitz in Wunsch und Wahl,
maßlos im Taumel vor, nach, in der Brunst,
erdürstet Überglück, genossen Dunst,
verzückt vor Wonne, dann erdrückt von Qual -

Ach! Jeder kennt und Jeder geht den Weg:
zu dieser Hölle diesen Himmelssteg.

 

 

 

 

Hans_Baluschek_Bildnis_Richard_Dehmel
Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)

Getekend door Hans Baluschek

 

 

 

 

 

De  Venezolaanse dichter en schrijver Eugenio Montejo werd geboren in Caracas op 18 november 1938. Zie ook mijn blog van 18 november 2008.

 

Left Behind


Down these streets my funeral has just passed
with its pathetic speeches.
Lightly they lifted my body
among unrecognizable relatives.

 

As the procession passed
a woman stopped and gazed
with flirtatious embarrassment.
Later I realized she was a shadow
already shouldering centuries under earth.

 

Above the clouds continued their monologues,
a slow plane barely moved in its flight;
below mourners cough, polite gestures of the crowd,
the usual phrases.

 

Asleep and with no sense of where I was,
I was going on the last journey.
It was my farewell to this world,
the first time that I was going to die.

 

Towards the end of the millennium
suddenly I found myself outside of the group,
left behind, contemplating the trees.
The funeral, without me, continued on its course
through the shady half-light of suburban streets.

I walk slowly following it now from far off
down the passage of the years

 

 

 

Vertaald door Peter Boyle

 

 

 

 

Eugenio Montejo, 29 julio, 2008
Eugenio Montejo (18 november 1938 - 5 juni 2008)

 

 

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Christoph Wilhelm Aigner werd geboren op 18 november 1954 in Wels.

 

 

Landsolo


Langsamer Wind
Getreidefeld
Wimpern am schläfrigen Sommer
Alleinsein mit wem

 

 

 

 

 

aigner
Christoph Wilhelm Aigner (Wels, 18 november 1954)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 18 november 2008.

 

De Belgische schrijfster Mireille Robertine Cottenjé werd geboren in Moeskroen op 18 november 1933.

 

De dichter en historicus Jakob (Jaap) Meijer werd geboren in Winschoten op 18 november 1912.

 

De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939.

 

De Engelse toneelschrijver, librettist en illustrator
Sir William Schwenck Gilbert werd geboren in Londen op 18 november 1836.

 

09-11-09

Ivan Toergenjev, Erika Mann, Velemir Chlebnikov, Anne Sexton, Karin Kiwus, Roger McGough, Mohammed Iqbal, Imre Kertész, Carl Sagan, Raymond Devos


De Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev werd geboren op 9 november 1818 in Orjol, in de Oekraïne. Zie ook mijn blog van 9 november 2006 en ook mijn blog van 9 november 2007 en ook mijn blog van 9 november 2008.

 

Uit: Aufzeichnungen eines Jägers (Vertaald door Peter Urban)

 

Wer Gelegenheit hatte, aus dem Bolchovschen Landkreis in den Tizdrinschen hinüberzugelangen, den hat vermutlich der jähe Unterschied zwischen dem Menschenschlag des Orlovschen Gouvernements und dem Kalugaer Schlag verblüfft. Der Orlovsche Bauer ist klein von Wuchs, leicht gebückt, mürrisch, blickt scheel aus den Augen, lebt in elenden Espenholzhütten, geht zum Frondienst, treibt keinen Handel, ißt schlecht, trägt Bastschuhe; der Kalugaer Zinsbauer bewohnt geräumige Kiefernholzhütten, ist groß von Wuchs, blickt kühn und heiter drein, ist im Gesicht rein und weiß, handelt mit Öl und Teer und geht an den Feiertagen in Stiefeln.

Das Orlovsche Dorf (wir sprechen vom östlichen Teil des Gouvernements Orël) ist gewöhnlich inmitten von Ackerland gelegen, nahe einer Schlucht, die sich irgendwie in einen schmutzigen Teich verwandelt hat. Außer einigen Korbweiden, die stets zu Diensten sind, und zwei, drei dürren Birken

sieht man auf eine Verst im Umkreis keinen Baum; Hütte klebt an Hütte, die Dächer sind mit

fauligem Stroh gedeckt … Das Kalugaer Dorf hingegen ist größtenteils von Wald umgeben; die Hütten stehen freier und gerader, sind mit Brettern gedeckt; die Tore schließen fest, der Flechtzaun um den Hof ist nicht umgestürzt und neigt sich nicht nach außen, lädt nicht jedes vorüberlaufende Schwein zu Gast …

Auch der Jäger hat es im Gouvernement Kaluga besser. Im Orlovschen Gouvernement werden die

letzten Wälder und Plätze* binnen fünf Jahren verschwunden sein, an Sümpfe ist nicht mehr zu denken; im Kalugaer hingegen erstrecken sich Hegwälder auf Hunderte, Sümpfe auf über Dutzende

von Verst, und noch ist der edle Vogel, der Birkhahn, nicht weggezogen, noch gibt es die gutmütige

Sumpfschnepfe, und das geschäftige Rebhuhn erheitert und erschreckt durch sein plötzliches Aufflattern Schützen und Hund.

Als ich in meiner Eigenschaft als Jäger den Tizdrinschen Kreis besuchte, begegnete ich im Freien einem kleinen Kalugaer Gutsbesitzer, Polutykin, dessen Bekanntschaft ich machte, einem leidenschaftlichen Jäger, folglich auch einem vortrefflichen Menschen.

Zwar hatte er auch einige Schwächen: er freite um sämtliche reichen Bräute im Gouvernement und

vertraute, wurden ihm Hand und Haus verwehrt, seinen Kummer sämtlichen Freunden und Bekannten an, den Eltern der Bräute hingegen schickte er als Geschenke weiterhin saure Pfirsiche und andere unreife Erzeugnisse seines Gartens; er liebte es, immer wieder ein und denselben Witz zu erzählen, über den, trotz der Beachtung, die Hr. Polutykin ihm schenkte, entschieden niemand mehr lachen konnte; er lobte die Werke Akim Nachimovs4 und die Novelle «Pinna»5; stotterte; gab seinem Hund den Namen Astronom; pflegte statt jedoch zu sagen jendoch und führte bei sich zu Hause die französische Küche ein, deren Geheimnis, nach dem Verständnis seines Koches, in der völligen Veränderung des natürlichen Geschmackes jeder Speise bestand: Fleisch roch bei diesem Feinschmecker nach Fisch, Fisch nach Pilzen und Makkaroni nach Schießpulver; dafür geriet nie eine Mohrrübe in die Suppe, die zuvor nicht die Gestalt eines Rhombus oder Trapezes angenommen hätte.“

 

 

 

 

turgenev
Ivan Toergenjev (9 november 1818 – 3 september 1883)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Erika Mann werd geboren op 9 november 1905 in München als oudste dochter van de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 9 november 2006 en ook mijn blog van 9 november 2008.

 

Uit: In the Shadow of the Magic Mountain. The Erika and Klaus Mann Story (biografie door Andrea Weiss)

 

erika: Should the way be this long?
klaus: Oh, every way is long.
The death-watch in our chest ticks slowly, and every drop of blood measures its time. Life—a lingering fever. For tired feet every way is too far …
erika: And for tired ears every word too much.

 

In a large meadow behind an old villa, Erika and Klaus Mann enacted this scene from Georg Büchner’s play Leonce und Lena. Erika, ever dramatic, wore a long white nightgown with a black wool cape thrown over her shoulder, while Klaus pranced about in a black vest, black silk suspender stockings, and short purple bloomers. There was no audience to be found, not even their adoring younger siblings Golo and Monika, although Erika in particular always craved an audience. They reveled in theatricality for its own sake, and did not need to prove their brilliance to anyone. It was the summer of 1922. Klaus and Erika were fifteen and sixteen years old.

“We were six children, and we came in three couples, always one boy and one girl,” is how Elisabeth Mann, their youngest sister, recalled the family constellation. The eldest couple, Erika and Klaus, shared an exclusive make-believe world in which they created a secret language and role-played a variety of bizarre characters. They had little apparent need for their parents, younger siblings, governesses or teachers, all of whom found them enchanting but were baffled by their enigmatic speech, their private jokes and sudden outbursts of laughter.

Erika and Klaus would wander aimlessly for hours around their Herzog Park neighborhood in Munich, or through the woods and meadows of Bad Tölz, a rural Bavarian village where they spent the long lazy summers of their childhood. During these walks they cooked up everything from ambitious theatrical productions to audacious pranks they could try out on the household servants. Often they came across curious strangers, who, mistaking the tomboy Erika for a “little fellow,” would ask them casually about their father, hoping to glean some little piece of gossip about the famous author from his unsuspecting children. The children of Thomas Mann were far too clever to fall for such tricks. Klaus recalled these encounters with righteous indignation:

Why was that stupid old lady so interested in our father? Why did she call him “dad” without even knowing his name? And what on earth made her say that we were “different” and “cute”? … Was it conceivable that people, in their colossal dumbness, found anything to object to in Erika and myself? … We did not need the outside world of the ribald strangers. What could it offer us? It was specious and dreary. In our own realm we found everything we could wish for. We had our own laws and taboos, games and superstitions; our songs and slogans, our arbitrary animosities and predilections. We were self-sufficient.

They were a striking, complementary pair: Erika, tall and imposing with her dark, unruly hair, defiant expression, and scraped knees; Klaus, androgynously beautiful with his shoulder-length blond curls, faraway eyes, and gentle manner. They didn’t particularly look like twins, but they “acted twin-like in an almost provocative way,” according to Klaus. He was fascinated by their mother Katia’s close relationship with her twin brother (who was also named Klaus), and sought to replicate that closeness with Erika.“

 

 

 

 

 

Manns_swimsuits-thumb
Erika Mann (9 november 1905 - 27 augustus 1969)

De „tweeling“ Klaus en Erika Mann

 

 

 

 

 

De Russische dichter en schrijver Velemir Chlebnikov werd geboren op 9 november 1885 in Tundotovo. Zie ook mijn blog van 9 november 2006 en ook mijn blog van 9 november 2008.

 

Laughter


O, laugh, laughers!

O, laugh out, laughers!

You who laugh with laughs,

you who laugh it up laughishly

O, laugh out laugheringly

O, belaughable laughterhood

- the laughter of laughering laughers!

O, unlaugh it outlaughingly,

belaughering laughists!

Laughily, laughily,

Uplaugh, enlaugh, laughlings, laughlings

Laughlets, laughlets.

O, laugh, laughers!

O, laugh out, laughers!

 

 

 

 

 

Today I will go


Today I will go once again

Into life, into haggling, into market,

And lead the army of my songs

To duel against the market tide.

 

 

 

 

 

Velemir

Velemir Chlebnikov (9 november 1885 - 28 juni 1922)

 

 

 

 

 

De Engelse dichteres en schrijfster Anne Sexton werd geboren op 9 november 1928 in Newton, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 9 november 2008.

 

 

After Auschwitz

 

Anger,

as black as a hook,

overtakes me.

Each day,

each Nazi

took, at 8: 00 A.M., a baby

and sauteed him for breakfast

in his frying pan.

 

And death looks on with a casual eye

and picks at the dirt under his fingernail.

 

Man is evil,

I say aloud.

Man is a flower

that should be burnt,

I say aloud.

Man

is a bird full of mud,

I say aloud.

 

And death looks on with a casual eye

and scratches his anus.

 

Man with his small pink toes,

with his miraculous fingers

is not a temple

but an outhouse,

I say aloud.

Let man never again raise his teacup.

Let man never again write a book.

Let man never again put on his shoe.

Let man never again raise his eyes,

on a soft July night.

Never. Never. Never. Never. Never.

I say those things aloud.

 

I beg the Lord not to hear.

 

 

 

 

 

Baby Picture

 

It's in the heart of the grape

where that smile lies.

It's in the good-bye-bow in the hair

where that smile lies.

It's in the clerical collar of the dress

where that smile lies.

What smile?

The smile of my seventh year,

caught here in the painted photograph.

 

It's peeling now, age has got it,

a kind of cancer of the background

and also in the assorted features.

It's like a rotten flag

or a vegetable from the refrigerator,

pocked with mold.

I am aging without sound,

into darkness, darkness.

 

Anne,

who are you?

 

I open the vein

and my blood rings like roller skates.

I open the mouth

and my teeth are an angry army.

I open the eyes

and they go sick like dogs

with what they have seen.

I open the hair

and it falls apart like dust balls.

I open the dress

and I see a child bent on a toilet seat.

I crouch there, sitting dumbly

pushing the enemas out like ice cream,

letting the whole brown world

turn into sweets.

 

Anne,

who are you?

 

Merely a kid keeping alive.

 

 

 

 

 

anne-sexton
Anne Sexton (9 november 1928 – 4 oktober 1974)

 

 

 

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Karin Kiwus werd geboren op 9 november 1942 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 9 november 2008.

 

 

Im ersten Licht

Wenn wir uns gedankenlos getrunken haben
    aus einem langen Sommerabend
      in eine kurze heiße Nacht
wenn die Vögel dann früh
      davonjagen aus gedämpften Färbungen
in den hellen tönenden frischgespannten Himmel

wenn ich dann über mir in den Lüften
weit und feierlich mich dehne
in den mächtigen Armen meiner Toccata

wenn du dann neben mir im Bett
deinen auslandenden Klangkörper bewegst
dich dumpf aufrichtest und zur Tür gehst

und wenn ich dann im ersten Licht
    deinen fetten Arsch sehe
      deinen Arsch
                        verstehst du
deinen trüben verstimmten ausgeleierten Arsch

dann weiß ich wieder
      daß ich dich nicht liebe
                                wirklich
        daß ich dich einfach nicht liebe.

 

 

 

 

 

Kiwus
Karin Kiwus (Berlijn, 9 november 1942)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter en schrijver Roger Joseph McGough werd geboren op 9 november 1937 in Litherland, Lancashire. Zie ook mijn blog van 9 november 2008.

 

 

 

The Trouble with Snowmen

 

'The trouble with snowmen,'

Said my father one year

'They are no sooner made

than they just disappear.

 

I'll build you a snowman

And I'll build it to last

Add sand and cement

And then have it cast.

 

And so every winter,'

He went on to explain

'You shall have a snowman

Be it sunshine or rain.'

 

And that snowman still stands

Though my father is gone

Out there in the garden

Like an unmarked gravestone.

 

Staring up at the house

Gross and misshapen

As if waiting for something

Bad to happen.

 

For as the years pass

And I grow older

When summers seem short

And winters colder.

 

The snowmen I envy

As I watch children play

Are the ones that are made

And then fade away.

 

 

 

 

 

RogerMcGough
Roger McGough (Litherland, 9 november 1937)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 9 november 2008.

 

De Indische dichter en schrijver Mohammed Iqbal werd geboren op 9 november 1877 in Sialkot in het tegenwoordige Pakistan. Zie ook mijn blog van 9 november 2006.

 

De joods-Hongaarse schrijver Imre Kertész werd geboren op 9 november 1929 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 9 november 2006.

 

De Amerikaanse schrijver, astronoom en populariseerder van de wetenschap Carl Edward Sagan werd geboren in New York op 9 november 1934.


De Belgische humorist, cabaretier en schrijver
Raymond Devos werd geboren in Moeskroen op 9 november 1922.

 

23-05-09

Adriaan Roland Holst, Maarten Biesheuvel, Lydia Rood, Mitchell Albom, Susan Cooper, Pär Fabian Lagerkvist, Jean Markale, Friedrich Achleitner, Jane Kenyon, Jack McCarthy, Annemarie Schwarzenbach


De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 23 mei 2008 en ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2006.

 

 

TENEBRIS MUNDI

 

De wolken gaan en de dorre blaren

waarheen de wind het wil;

en wij ook staan nu aan alle verten

blootgesteld, en onze harten

- uitgewoond door te lang ervaren,

en een snel einde al op til -

 

o, als arme vergeten dorpen

werden zij, bij de grens, en soms

komt, onderweg naar een somber nergens,

vluchtend een koning er zich verbergen,

die zijn kroon al heeft weggeworpen....

de wind kwam over hem en ons.

 

De hooge droomen en de volken

nemen nu westelijk hun baan

door de late zielstochten bewogen.

Werelden gingen; langs mijn oogen

zie ik de blaren gaan, en de wolken,

en voel de wind gaan.

 

 

 

 

De Verlatene

 

De wind en het grauwe weer gaan over mijn hart,

en ergens over een dak waar ik heb bemind;

de winter wordt koud, en de struiken zijn al zwart -

over een plek waar mijn graf zal zijn gaat de wind.

 

Ik zou vuur maken als zij hier weer bij mij kwam

als eens in dat oud verhaal van haar en van mij;

maar nu sta ik, stil en denkende, bij het raam -

de winter wordt koud; de jaren gingen voorbij.

 

 

 

 

 

Bellenblazen

 

3

Verzaligd zat zij, plichtvergeten,

bellen te blazen. 't Was nog vroeg

en stil, zij had nog niet ontbeten,

ik wél, en had al schoon genoeg

van dure plichten die ons wachten

na het ontbijt: de bellen, een

voor een, zweefden omhoog, zij lachte

ze na tot bel na bel verdween,

want alle wonderen verdwijnen

- voor nieuwe wonderen aan de haal -

in lichte stilte -

zij blaast de mijne

het stille licht in, allemaal.

 

 

 

 

 

Holst
Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976)  

Standbeeld, genaakt door Mari Andriesse, in Bergen

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Jacob Martinus Arend (Maarten) Biesheuvel werd geboren in Schiedam op 23 mei 1939. Zie ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2008

 

Uit: De trui

 

„Tijdens een winderige winteravond zat Dirk Olieslager, die president-directeur en nagenoeg eigenaar van de grootste rederij van Rotterdam was, in de ruime woonkamer van zijn huis gelegen in een klein park in de grote stad, samen met zijn vrouw Vera en zijn dochter Evelien van zestien die haar huiswerk zat te maken, naar een pianoconcert van Mozart te luisteren. Er waren nog twee zoons, maar die waren niet thuis. Ze wilden ook niets met de rederij te maken hebben. De eerste was al jong hoogleraar algemene taalwetenschap aan een bekende universiteit in Amerika geworden en de tweede speelde hobo in het Concertgebouworkest. De hoogleraar kwam maar eens in de twee jaar zijn ouderlijk huis opzoeken en de hoboïst vaker, maar alleen op hoogtijdagen. Het deed meneer Olieslager in grote mate verdriet dat zijn zoons niets in het bedrijf zagen, hij miste zijn ‘beide kerels’. Vaak, in zijn dromen, zag hij hen praten met de kapiteins van zijn schepen, hij hoorde hun schallende lach over de kaden van zijn bedrijf. Hij was gelukkig getrouwd, Vera was een statige, modieus geklede en vriendelijke vrouw. Evelien die op het gymnasium zat was bezig met een vertaling van een gedicht van Ovidius. Het grote staande Engelse horloge tikte luid, langzaam en regelmatig. Mevrouw bladerde de Amerikaanse uitgave van het tijdschrift ‘Cosmopolitan’, juli 1962 door en Olieslager zat zijn nagels een beetje te vijlen. Hij overdacht zijn leven en besefte dat hij toch behoorlijk gelukkig was. Hij had eigenlijk maar één verborgen wens en dat was een ontmoeting in levende lijve met Juliette Caroll, een Amerikaanse filmster die nu al in twaalf bekende films had gespeeld en die het sexidool van miljoenen mannen van Tokyo tot Amsterdam, van Kaapstad tot Groenland was. Er draaide vanavond een nieuwe film waarin zij speelde, in het Thaliatheater. Hij wilde daar eigenlijk graag naar toe, maar durfde niet aan zijn vrouw te vragen of ze zin had om mee te gaan.“

 

 

 

 

biesheuvel
Maarten Biesheuvel (Schiedam, 23 mei 1939)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Lydia Rood werd geboren op 23 mei 1957 in Velp. Zie ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2008

 

Uit: Slotervaart aan zee (column)

 

‘Jij bent een Belg, toch?' zei de ene Marokkaan provocerend tegen de andere in de Marokkaanse badplaats Saidia.

‘Helemaal niet!' zei de andere Marokkaan verontwaardigd. ‘Ik kom uit Amsterdam!'

‘Slotervaart dan zeker?' vroeg de ene Marokkaan, die zelf in een wit dorpje woont. ‘Daar kom ik ook vandaan.'

‘Mooi niet! Ik ken iedereen in Slotervaart en jij woont daar niet', zei de andere. Ze spraken Nederlands.

De jongen uit Slotervaart had met twee vrienden een villa gehuurd. Niet van de eigenaar, die in Frankrijk woont, maar van de bewaker van het pand. Voor zijn diensten als bewaker krijgt hij een schijntje. Verhuren is dan een leuke bijverdienste.

‘Je moet het zelf weten', zei de ene Marokkaan tegen de bewaker. ‘Dat jij dat huis illegaal verhuurt, is mijn zaak niet. Maar ik zou het niet aan deze jongens doen.' Met alle vooroordelen van iemand uit een wit dorpje wist hij dat een jonge Marokkaan uit Slotervaart niet kon deugen.“

 

 

 

Rood
Lydia Rood (Velp, 23 mei 1957)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver, journalist en radiopresentator  Mitchell David Albom werd geboren op 23 mei 1958 in Passaic, New Jersey. Hij studeerde sociologie aan de Brandeis University en journalistiek aan de Columbia University’s Graduate School of Journalism. Oorspronkelijk wilde hij musicus en songwriter worden. Hij trad op in nightclubs en in colleges, maar geleidelijk aan kreeg hij interesse in schrijven. In 1997 verscheen Tuesdays with Morrie,(een verslag van zijn ontmoetingen met een hoogleraar sociologie die verteld over leven met een dodelijke ziekte), dat meteen een bestseller werd, nadat het door Oprah Winfrey besproken was. Er werd een succesvolle televisiefilm van gemaakt. Zijn volgende boek The Five People You Meet In Heaven, een roman, was eveneens een bestseller, maar werd door de kritiek als te sentimenteel afgedaan. Zijn tweede roman For One More Day verscheen in 2006. Albom richtte een hulporganisatie A Time to Help op die elke maand een project uitvoert om de bevolking van Detroit te helpen.

 

Uit: Tuesdays With Morrie

 

„The last class of my old professor's life took place once a week in his house, by a window in the study where he could watch a small hibiscus plant shed its pink leaves. The class met on Tuesdays. It began after breakfast. The subject was The Meaning of Life. It was taught from experience.
No grades were given, but there were oral exams each week. You were expected to respond to questions, and you were expected to pose questions of your own. You were also required to perform physical tasks now and then, such as lifting the professor's head to a comfortable spot on the pillow or placing his glasses on the bridge of his nose. Kissing him good-bye earned you extra credit.
No books were required, yet many topics were covered, including love, work, community, family, aging, forgiveness, and, finally, death. The last lecture was brief, only a few words.
A funeral was held in lieu of graduation.
Although no final exam was given, you were expected to produce one long paper on what was learned. That paper is presented here.
The last class of my old professor's life had only one student.
I was the student.
It is the late spring of 1979, a hot, sticky Saturday afternoon. Hundreds of us sit together, side by side, in rows of wooden folding chairs on the main campus lawn. We wear blue nylon robes. We listen impatiently to long speeches. When the ceremony is over, we throw our caps in the air, and we are officially graduated from college, the senior class of Brandeis University in the city of Waltham, Massachusetts. For many of us, the curtain has just come down on childhood.“

 

 

 

 

Albom
Mitchell Albom (Passaic, 23 mei 1958)

 

 

 

 

De Britse schrijfster Susan Cooper werd op 23 mei 1935 geboren in Buckinghamshire. Ze ging naar de Slough Grammar School voordat ze aan Oxford University ging studeren. Op Somerville College volgde ze Engels. Twee van de professoren waarbij ze colleges liep waren J.R.R. Tolkien en C.S. Lewis. Tijdens haar studie was Cooper de eerste vrouwelijke redacteur van het universiteitsblad. Na haar afstuderen begon ze als journalist bij The Sunday Times Haar eerste boeken werden geschreven in deze periode. Coopers eerste kinderboek, Boven Zee, onder Steen, schreef ze zelfs als reactie op een prijsvraag van een uitgeverij voor een 'avonturenboek voor kinderen'. In 1963 verliet ze Engeland om met een Amerikaan te trouwen. Ze schreef nog twee boeken voor volwassenen en een kinderboek over haar eigen jeugdervaringen tijdens de Blitzkrieg in Londen, Dawn of Fear, gepubliceerd in 1970. Hierna vervolgde ze haar beroemde Duistere vloed-serie, waarvan het laatste deel in 1977 verscheen. Na het afsluiten van deze serie ging Susan Cooper in het theater werken. Haar eerste toneelstuk, Foxfire, schreef ze samen met de Canadese acteur Hume Cronyn.

 

Uit: Silver on the Tree

 

He stared round the square room, filling the length and breadth of the tower, into which they had just come. "Look!"

Brightness was everywhere: a soft, greenish light filtered through the quartz-like walls of the room. It could be a cave of ice, Will thought. But this was a cluttered, busy place, as if someone had left it in a hurry while preoccupied with some great complex matter. Piles of curling manuscript lay on the tables and shelves, and on the thick rush mat that covered the floor; against one wall an enormous heavy table was littered with strips of shining metal and chunks of glass and rock, red and white and greenish-blue, all among an array of delicate gleaming tools which reminded Will of the workshop behind his father's jewelry shop at home. Then his eye was caught by something high on the wall: a plain round shield, made of gleaming gold.

Gwion leapt light-footed up on to a table and took the shield down from the wall. He held it out.

"Take this, Will. Three shields, once in the days of his greatness, King Gwyddno made for the Light. Two of them were taken by the Light to places where danger might come, and the third they left here. I have never known why -- but perhaps this moment now is why, and has been all along. Here."

Will took the round gleaming thing and slid his arm through the holding-straps on the inner side. "It's beautiful," he said. "And-so are the other two that he made. I have seen them, I think. In . . . other places. They have never been used."

"Let us hope this one need not be used either," Gwion said.

Bran said impatiently, "Where is the king?" He was looking up at a curving wrought-iron staircase, wonderfully curli-cued, which spiralled its way up to disappear through an opening in the high glassy ceiling of the room.“

 

 

 

Susan_Cooper
Susan Cooper
(Buckinghamshire, 23 mei 1935)

 

 

 

 

 

De Zweedse schrijver Pär Fabian Lagerkvist werd geboren in Växjö op 23 mei 1891 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 23 mei 2007 en ook mijn blog van 23 mei 2008

 

Uit: My Father and I

 

„"'No, my boy, it's not horrible,' he said, taking me by the hand.

'Yes, father, it is.'

'No, my child, you mustn't think that. Not when we know there is a God.' I felt so lonely, forsaken. It was so strange that only I was afraid, not father, that we didn't think the same. And strange that what he had said didn't help me and stop me from being afraid. Not even what he said about God helped me. ... We walked in silence, each with his own thoughts. My heart contracted, as though the darkness had got in and was beginning to squeeze it.

Then, as we were rounding a bend, we suddenly heard a mighty roar behind us! We were awakened out of our thoughts and alarmed. Father pulled me down onto the embankment, down into the abyss, held me there. Then the train tore past, a black train. All the lights in the carriages were out, and it was going at frantic speed. What sort of train was it? There wasn't one due now!

We gazed at it in terror. The fire blazed in the huge engine ... sparks whirled out into the night. It was terrible. The driver stood there in the light of the fire, pale, motionless, his features as though turned to stone. Father didn't recognize him, ... the man just stared straight ahead, as though intent only on rushing into the darkness, far into the darkness that had no end.

.... I stood there panting, gazing after the furious vision. It was swallowed up by the night. Father took me onto the line; we hurried home. He said, 'Strange, what train was that? And I didn't recognize the driver.' Then we walked on in silence.“

 

 

 

 

Lagerkvist
Pär Fabian Lagerkvist
(23 mei 1891 – 11 juli 1974)

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Jean Markale (eig. Jacques Bertrand) werd geboren in Parijs op 23 mei 1928. Als kind wijdde zijn grootmoeder hem in in de verhalen en plaatselijke legenden , waardoor hij een echte passie ontwikkelde voor de Bretoense cultuur. Hij startte zijn loopbaan als leraar talen in Parijs. Als specialist in de middeleeuwse literatuur leidde hij zijn leerlingen doorheen de verhalen van Chrétien de Troyes en vertelde hij met verve de mysterieverhalen van Brocéliande. Ondertussen bestudeerde hij de Arthurcyclus en specialisserde hij zich mettertijd in de Keltische geschiedenis en letterkunde en verliet tenslotte het onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken over de Keltische beschaving.

 

Uit: Contes et légendes des pays celtes

 

„L'existence des Celtes est connue du grand public par l'histoire du roi Arthur, des chevaliers de la table ronde, du mythe du Graal et de l'enchanteur Merlin. Mais la culture et l'influence de la civilisation Celte ont une bien plus grande importance pour notre civilisation. Les peuples Celtes, de race indo-européenne, ont franchi toute l'Europe au premier millénaire avant notre ère, y ont laissé des traces durables, et sont arrivés en Bretagne vers -700 av. JC . Ils nomment la péninsule "Aremorica", "qui regarde la mer" (l'Armorique). La terre des futurs Bretons est alors recouverte de forêts où vivent des populations autochtones paysannes, que les envahisseurs organisent. Ils apportent avec eux les secrets du fer, la langue qui deviendra la langue gauloise, et une nouvelle religion, le druidisme. Les Druides cherchent à percer les secrets de la nature, connaissent les plantes qui guérissent, l'astrologie, l'importance des rapports entre l'homme et le cosmos. La religion Celte est fondée sur la recherche d'une harmonie entre l'homme et la nature, une philosophie s'adaptant à la réalité, ce qui suppose la recherche de la communion avec la nature et la connaissance de son fonctionnement.“

 

 

 

 

JeanMarkale
Jean Markale (23 mei 1928 - 23 november 2008)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver en architect Friedrich Achleitner werd geboren op 23 mei 1930 in Schalchen. Van 1950 tot 1953 studeerde hij in Wenen architectuur. In 1958 gaf hij zijn werk als architect op om zelfstandig schrijver te worden. Naast gedichten in het dialect begon hij, aangemoedigd door Eugen Gomringer konkrete poëzie en montageteksten te schrijven. Als essayist bleef hij ook de moderne architectuur kritisch volgen.

 

Uit: und oder oder und

 

„schlachtfeld

festgetretener lehm, feuchter sand, mit moos überzogen, kleine pfützen, ordinäre disteln, zigarettenstummel, blechdosen, hundekot. gräben, eingestürzt, zugewachsen. kniehohes gebüsch. gehölz. verdorrtes gras. schrott. rost. der wandernde blick findet keinen halt, keinen anlass, wo anzuhalten. leere, soweit das auge reicht. das große ereignis hat kleine spuren hinterlassen. du siehst nur, was du auf deiner festplatte mitbringst. die orte sind verdunstet. kein dunst von einer vorstellung. dabei handelt es sich nur um vorstellungen. das haben schlachtfelder so an sich.“

 

 

 

 

Achleitner
Friedrich Achleitner (Schalchen, 23 mei 1930)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Aan de universiteit van Michigan ontmoette zij de dichter Donald Hall die negentien jaar ouder was. Toch trouwde zij in 1972 met hem. Het paar verhuisde naar Eagle Pond Farm, nabij Wilmot, New Hampshire. Kenyon stierf al op 47-jarige leeftijd aan leukemie. Tijdens haar leven verschenen vier bundels: Constance (1993), Let Evening Come (1990), The Boat of Quiet Hours (1986), en From Room to Room (1978). Zij vertaalde ook gedichten van Anna Achmatova uit het Russisch.

 

 

Let Evening Come

  

Let the light of late afternoon

shine through chinks in the barn, moving

up the bales as the sun moves down.

 

Let the cricket take up chafing

as a woman takes up her needles

and her yarn. Let evening come.

 

Let dew collect on the hoe abandoned

in long grass. Let the stars appear

and the moon disclose her silver horn.

 

Let the fox go back to its sandy den.

Let the wind die down. Let the shed

go black inside. Let evening come.

 

To the bottle in the ditch, to the scoop

in the oats, to air in the lung

let evening come.

 

Let it come, as it will, and don't

be afraid. God does not leave us

comfortless, so let evening come.

 

 

 

 

 

kenyon
Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver en slam poet Jack McCarthy werd geboren op 23 mei 1939 in Massachusetts.Hij begon in de jaren zestig al met het schrijven van gedichten, maar het duurde tot de jaren negentig voordat hij voor een publiek ging optreden. Hij omschrijft zijn stijl van optreden als "stand-up poetry," of noemt zich zelf een "stand-up poet,"

 

 

 

DRUNKS (Fragment)

 

               for my father, and the people who almost saved his life

 

         We died of pneumonia in furnished rooms

         where they found us three days later

         when somebody complained about the smell

         we died against bridge abutments

         and nobody knew if it was suicide

         and we probably didn't know either

         except in the sense that it was always suicide

         we died in hospitals

         our stomachs huge, distended

         and there was nothing they could do

         we died in cells

         never knowing whether we were guilty or not.

 

         We went to priests

         they gave us pledges

         they told us to pray

         they told us to go and sin no more, but go

         we tried and we died

 

         we died of overdoses

         we died in bed (but usually not the Big Bed)

         we died in straitjackets

         in the DTs seeing God knows what

         creeping skittering slithering

         shuffling things

 

         And you know what the worst thing was?

         The worst thing was that

         nobody ever believed how hard we tried

 

         We went to doctors and they gave us stuff to take

         that would make us sick when we drank

         on the principle of so crazy, it just might work, I guess

         or maybe they just shook their heads

         and sent us places like Dropkick Murphy's

         and when we got out we were hooked on paraldehyde

         or maybe we lied to the doctors

         and they told us not to drink so much

         just drink like me

         and we tried

         and we died

 

 

 

 

 

JackMcC
Jack McCarthy (Massachusetts, 23 mei 1939)

 

 

 

 

 

De Zwitserse schrijfster Annemarie Schwarzenbach werd geboren op 23 mei 1908 in Zürich. Zij stamde uit een zeer welgestelde familie van industriëlen. Zij was een briljante studente die na haar studie naar Berlijn trok waar zij bevriend raakte met Klaus en Erika Mann. Zij steunde hen politiek en financieel bij hun antifascistische projecten en engageerde zich vanaf 1933 ook in het verzet waardoor zij met haar conservatieve familie in conflict kwam. Samen met de Manns had zij ook haar eerste ervaringen met morfine, waar zij nooit meer van losraakte. Haar reizen brachtern haar de hle wereld rond. Schwarzenbach debuteerde in 1931 met de roman „Freunde um Bernhard“.

 

Uit: Wir werden es schon zuwege bringen, das Leben. Briefe an Erika und Klaus Mann 1930-1942.

 

"Schau, ich setze mich ernstlich damit, mit mir also, auseinander. Ich weiß, dass wir dringende Aufgaben haben, die dringenden Einsatz verlangen. Ich verstehe deshalb auch, dass auf Dich, wie sehr erst auf Erika, meine Unruhe so wirken muss, wie früher meine mangelnde Verfügbarkeit, weil ich den Mohnfeldern erlag. Aber halten wir's doch fest, dass immerhin der Unterschied prinzipiell ist, ob ich krank bin, oder aber ob ich es nicht fertig bringe, meine Art zu schreiben mit den Forderungen des normalen Lebens zu vereinen. Du siehst, den Vorwurf des morbiden Trotzes möchte ich ablehnen.

 

 

 

annemarie_schwarzenbach
Annemarie Schwarzenbach (23 mei 1908 – 15 november 1942)

 

 

18-11-08

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo, Mireille Cottenjé, Jaap Meijer, Margaret Atwood, William Gilbert


De bugs in de toplijsten zijn gelukkig weer opgelost. Romenu gaat verder als vanouds.

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007.

 

 

Die achternacht kwam ik mij tegen op een plek

 

Die achternacht kwam ik mij tegen op een plek

waar ik mij gewoonlijk niet vertoon.

Ik stelde mij teleur. Sprak te luid

tegen mensen die mij zichtbaar niet vertrouwden.

Ik wilde dat ik vond dat ik naar huis toe wilde

en sprak mij aan om hiervandaan te gaan

maar dat was zo gemakkelijk nog niet. Ik verloor mij

in gesprekken die ik al zo vaak gevoerd had

zonder zicht op toonzaamheid

of zelfs maar dunne trucs

waarmee je doorgaans

een kapotte nacht doorkomt.

 

Het eindigde ermee dat ik van alles

in mijn oor siste wat ik maar half verstond.

Wat doe je op zulke momenten? Ik liet mij

voor wat ik was; het had geen zin mij het zwijgen

op te leggen, ik was berstensvol op mij gebeten

en toen het eenmaal ochtend was

zag ik mij als zo vaak in tongen terug

als het legioen dat vreemden streelt.

Spreekwoord was ik dat niet snapt,

gaandeweg de dag werd ik weer opvoeding

die ouders voor hun kinderen uitdenken

en in het holst van alle bruikleen

was ik wat ik telkens na zo'n achternacht in corvee

en klatering moet zijn: voor dag en dauw de bijbel,

met stofomslag en in voldongen esperantoklanken,

een man om van kaft tot kaft uit voor te lezen

 

 

 

 

Niet gekend
Het oog van de lens

 

Van alles wat ik van haar maken kan is de foto
nog het meest in zichtbaar zingbaar stof gehuld.
Ik beloof plechtig dat ik de belofte van de camera.

 

En als ik dan naast haar lig en zij me vragen gaat
of ik voor even haar wil zijn, zeg ik ja en zeg ik
ja en geef een meisjeskus op haar meisjesoog.
Iemand met handschoenen verft mij rode lippen,
kneedt mij borsten, streelt mijn rondingen.
Ik mag ons beider foto zijn maar vooral model.

 

De beloofde fotograaf blaast het stof van de lens
en kucht zich de foto in, ik verslik me, 'excuseer',
houd mijn gehandschoende hand voor mijn mond,
veeg mijn ongekuste lippen af, kus het bestofte oog.

 

 

 

 

 

 

joost_zwagerman
Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook  Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007.

 

 

Maar hij vergat

 

Maar hij vergat haar te kussen

en toen hij het kasteel verliet was het stil

achter hem,

de lucht was grijs,

de rozenhagen hoog en stijf,

er scharrelden wat mussen rond,

maar hij had haast, wist niet waarom,

en toen iemand hem staande hield en vroeg

of het al donker was

wist hij ook dat niet

en zei dat het waarschijnlijk nog licht was

en dat hij het zelden mis had en reed toen door.

Thuisgekomen werd hij bestormd: 'En?

Heb je haar gekust?'

'Ach,' zei hij, 'dát ben ik vergeten,' sloeg zich

voor zijn hoofd.

Maar toen hij terugkwam, spoorslags,

was het kasteel verdwenen, of was er nooit geweest,

en hij kwam niemand tegen, de geur van rozen

was hij kwijt.

 

 

 

 

De rivier is bevroren

 

De rivier is bevroren op een vaargeul na,

en ver weg schaatst mijn broer

die op mij passen zou.

De lucht is grijs en dicht,

twee eenden zitten in de sneeuw

en lopen voor mij weg.

Ik moet nu eindelijk eens weten of ik verdrinken kan.

Een palingvisser ziet mij gaan

en komt op tijd

of net te vroeg.

 

Als iedereen weer slaapt roep ik zó hard

dat niemand er wakker van worden zal:

ik wist het wel. Ik wist het wel.

 

 

 

 

 

Tellegen
Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Klaus Mann werd op 18 november 1906 geboren als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. In München. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007.

 

Uit: Der Wendepunkt

 

“Sie war das Kind eines deutschen Kaufmanns und einer Eingeborenen.

 

Daß sie als kleines Mädchen den Ozean auf einem Segelschiff überqueren mußte, um nach Lübeck zu gelangen, schien mir das aufregendste Detail ihrer Geschichte. Denn dort, in der nördlichen Fremde, genoß sie durchweg eine ‘feine’, bedauerlich unromantische Erziehung und bewegte sich bald ganz natürlich unter den Gespielinnen.

 

Doch blieb es reizend, sich den Großpapa vorzustellen / den ich übrigens inWirklichkeit nie gesehen hatte / wie er mit seiner exotischen Braut zur Kirche fuhr. Der Senator, sehr stattlich und distinguiert, mit Backenbart, hohem Stehkragen, lehnt, ein wenig befangen, im Fond der prächtigen Kutsche, den er mit ihr teilt. Sie, das dunkle Köpfchen an ihn geschmiegt, darf hinter geschlossen Lidern noch einmal die Palmen und bunten Vögel ihrer brasilianische Heimat sehen, während der Wagen, vorbei an viel altem Gemäuer und majestätisch ragenden Türmen, den Weg zum Altar nimmt.” 

 

 

 

KlausMann_Katia
Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)

Met moeder Katia 

 

 

 

 

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

 

 

Síneánn

  

 I am alone with you.

A fire burns in the distance

It light s our faces

As before in the empty cinema,

Where we arrived, at some beginning

To watch a foreign film. Our eyes,

In new utterance, murmuring subtitles,

What words could never speak

The tips of seats, rows of air

And the moony screen,

A tableau of feathers and cloud

Two of us, alone, as one

Rapt in the spread of wings.

 

Later, alone we dine in the Café

Campagne. Our conversation

Deafens a burgeoning crowd

Coffee was nectar, our words

Were whispering petals.

Dearest Blodeuwedd, I saw the sweetest

Sorrow on your face, the green ocean

In your eyes, I was cleansed

By your tears. I have always

Known you.

 

Across the border on the far island,

You stepped into the waters with me

And when you disrobed you lit the stars

And the stars and my eyes kissed your skin

Your slender legs, columns, tilting

Toward heaven, in the age of Helen,

Touched the water and the sky.

I saw the milky way that night.

 

Síneánn, I am your Pablo

We are two white birds sailing

Over the foam of the sea.

Solvent to my stone you are the hinge

To my casement world. Rain petal

Voice, lithe, alabaster woman,

I am lost in your Sargasso eyes

I hold your skin, my Selkie

Sweet Niamh, I have lived

One hundred years this week.

 

It is warm in the distance

In the country of the sun

We end at the house in Umbria

In the autumn, there is no word

Siberia, my light Rosaleen.

Now is harvest time.

At the great table we feast

With family and friends

And I am not alone with you.

 

 

 

Mac Falls
Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

 

 

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf. . Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

 

 

Am Ufer

 

Die Welt verstummt, dein Blut erklingt;

in seinen hellen Abgrund sinkt

der ferne Tag,

 

er schaudert nicht; die Glut umschlingt

das höchste Land, im Meere ringt

die ferne Nacht,

 

sie zaudert nicht; der Flut entspringt

ein Sternchen, deine Seele trinkt

das ewige Licht.

 

 

 

 

Das große Karussell

 

Im Himmel ist ein Karussell,

das dreht sich Tag und Nacht.

Es dreht sich wie im Traum so schnell,

wir sehn es nicht, es ist zu hell

aus lauter Licht gemacht;

still, mein Wildfang, gib acht!

 

Gib acht, es dreht die Sterne, du,

im ganzen Himmelsraum.

Es dreht die Sterne ohne Ruh

und macht Musik, Musik dazu,

so fein, wir hören's kaum;

wir hören's nur im Traum.

 

Im Traum, da hören wir's von fern,

von fern im Himmel hell.

Drum träumt mein Wildfang gar so gern,

wir drehn uns mit auf einem Stern;

es geht uns nicht zu schnell,

das große Karussell.

 

 

 

 

 

dehmel
Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)

 

 

 

 

 

De  Venezolaanse Eugenio Montejo werd geboren in Caracas op 18 november 1938. Montejo was ook oprichter van de tijdschriften Azar Rey en Revista Poesía van de Universidad de Carabobo. Hij was onderzoeker in het Centro de Estudios Latinoamericanos "Romulo Gallegos" in Caracas, en medewerker bij een groot aantal nationale en internationale tijdschriften. In 1998 kreeg hij de Nationale Prijs voor Literatuur en in 2004 de Internationale Prijs Octavio Paz voor Poëzie en Essay. Een van zijn gedichten is gebruikt in de film 21 Grams van Alejandro González Iñárritu.

 

 

 

Transfigured Time

 

     —for António Ramos Rosa

 

The house where my father will be born

is still unfinished.

It lacks the wall my hands have not yet built.

 

His footsteps searching for me across the earth

now come towards this street.

Yet I can't hear them, they still don't reach me.

 

Behind that door are echoes

and voices I recognise miles off,

but they are spoken only by portraits.

 

The face not seen in any mirror,

because it's late being born

or still doesn't exist,

could be of any one of us —

it looks like all of us.

 

My bones are not in that tomb

but those of my great-uncle Zacarias

who used a walking stick and pseudonym.

My own remains have long been lost.

 

This poem was written in another century,

some night by a guttering candle,

by me, by someone else, I don't recall.

Time consumed the flame

and lingered in my darkened hands

and in these eyes that never read the poem.

When the candle returns with its light

I'll already be gone.

 

 

 

 

 

Family Album

 

The one in the background is Aunt Adela,

a worldly witch who lived at so many different times

even today I don't know if she's still here or not.

From this grandfather I inherited my name.

A rickety old oxcart snatched him from his village

to bury him a long way off.

I was born much later and still I remember him.

Luis the lawyer vanished suddenly

in the year of the plague. He left behind letters, postcards,

the map of a vague innocence.

Veronica is that one with a white fan

and the disdainful bearing that became her so well.

Of this particular José — there were several others —

no one knows when or where he perished.

He walked around screaming at his shadow on the roadway.

My dear King Richard looks much younger

than his death. And perhaps that's how it was. . .

In the lost land of my absent family

this almost invisible album I open and close

burns my eyelids as they watch over its dream.

Don't wake these portraits

till I can rejoin them forever

on the album's last page.

 

 

 

 

 

eugenio-montejo
Eugenio Montejo (18 november 1938 - 5 juni 2008)

 

 

 

 

 

De Belgische schrijfster Mireille Robertine Cottenjé werd geboren in Moeskroen op 18 november 1933. Zij vanaf haar anderhalf tot aan haar tiende opgevoed in een nonnenklooster. Na haar middelbare school volgde ze diverse verpleegstersopleidingen en ging ze werken in een polikliniek van socialistische signatuur in de plaats Oostende alwaar ze haar latere man Robert Colombie - een architect - ontmoette met wie ze in 1956 in het huwelijk trad. Vervolgens verhuisden ze naar het toenmalige Belgisch Kongo en gingen ze wonen in de oostelijke provincie Kivu. Cottenjé legde er zich belangeloos op het verplegen van de bevolking aldaar toe. Ze kregen zes kinderen waarvan er twee overleden. Toen Belgisch Kongo in 1960 onafhankelijk werd en dit voor de nodige trubbels zorgde, keerde het gezin terug naar België. Haar Kongolese ervaringen zou ze later vastleggen in diverse boeken zoals Dagboek van Carla (haar debuut uit 1968) en Lava (1973). Cottenjé kon moeilijk wennen aan een leven in België. Nadat ze door een nieuwe zwangerschap niet meer kon werken begon ze haar dagboeken om te werken tot literaire romans. Dit beviel haar zo goed dat ze op dit ingeslagen pad voortging.

 

 

Uit: Ma gaat er vandoor

 

, Ik zeg het niet. Ik zeg niets. Hoe kan ma me zoiets aandoen! Hoe kan ze van me weg gaan. Kan ik me aan haar vastklampen, smeken: blijf, alsjeblief blijf. En pa? Ook hij "voelt zich kloterig maar hij zegt het niet". Ook hij zegt niets. Waarom klampt hij zich niet aan ma vast, overstelpt haar met beloften? - "Tot vrijdagavond, Marijke? Je komt toch hé?" Ik staar naar de punten van mijn klompen. Ze raken de punten van ma's klompen. Ik gil inwendig: ga niet! Ga niet! Ma zegt: - "Ik ga dan maar." Jij rijdt weg ik staar je na waarom schreeuw ik niet zijn mijn ogen droog ... Pa slaat een arm om mijn schouders, trekt me mee, het huis in. In de deuropening blijf ik staan. Alle kasten zijn er nog, de aquaria, de planten, de stoelen, de tafel , maar ... - "Leeg," zeg ik ontzet. "Wat is het huis leeg." - "Trek iets leuks aan, we gaan de stad in, lekker eten." - "Pa, wat is het hier léég." - "Daar wennen we wel aan, Marijke. We moéten er aan wennen." - "Waarom doet ma zoiets?" - "Ma denkt dat ze schrijfster is. Ma denkt dat ik haar belet schijfster te zijn. Trek het je niet aan kind. Zes maanden. Maximum zes maanden, en daar is ze terug." - "Met hangende pootjes," zeg ik automatisch, terwijl ik denk: zes maanden, maximum zes maanden en pa heeft een nieuwe vrouw. Na ma's vertrek wordt pa nog stiller en trekt zich nog meer in zichzelf terug dan vroeger. Ook zijn gebrek aan ondernemingszin is toegenomen. Hij verwaarloost zijn tuin, verzorgt zelfs zijn vissen niet meer. Hij kijkt televisie. Om het even welk programma, tot de reclamespots op Luxemburg toe. En ik kijk met hem mee. Avond na avond. Ik studeer niet, lees niet, heb de balletschool opgegeven, de turnvereni-ging. Naar de fuifjes van mijn klasgenoten ga ik niet, ze vragen me niet meer. Het zal wel aan mij liggen. Zij zijn jong en vrolijk en ik ben oud. Dit klinkt gek maar ik voel me echt oud, uitgeblust. Zoals ook pa zich voelt. Maar pa IS oud.

 

 

 

 

Cottenje
Mireille Cottenjé (18 november 1933 - 9 januari 2006)

 

 

 

 

De dichter en historicus Jakob (Jaap) Meijer werd geboren in Winschoten op 18 november 1912. Meijer heeft talloze publicaties op zijn naam staan over de geschiedenis van de Nederlandse joden. Hij is de auteur van de biografie van Jacob Israël de Haan De zoon van een gazzen (1967). Hij publiceerde gedichten onder het pseudoniem Saul van Messel, onder andere in het Gronings. Ook maakte hij gebruik van het pseudoniem Gideon van Hasselt. Jaap Meijer studeerde aan het Nederlandsch Israëlietisch Seminarium in Amsterdam geschiedenis. Hij werkte in 1941-1943 als leraar aan het Joods Lyceum in de hoofdstad en had onder anderen Anne Frank in de klas. Meijer overleefde met zijn vrouw Liesje Voet en zoon Ischa Meijer tijdens de Tweede Wereldoorlog het concentratiekamp Bergen-Belsen.  Na de oorlog emigreerde het gezin, dat inmiddels was uitgebreid met dochter Mirjam en jongste zoon Job, voor enige tijd naar Paramaribo. Daar fungeerde Meijer enige tijd als rabbijn. Hij werd benaderd om de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog te schrijven, maar liet het afweten. Auteur van dit standaardwerk werd daarop Loe de Jong.

 

 

 

De weg terug

 

Voordat de kist van ongeschaafde planken

zal worden gesloten

wordt volgens overoud gebruik

in de diaspora

het joodse lijk

plechtig bestrooid met aarde

uit het heilige land

dat in kleine zakjes

in joodse gemeenten wordt bewaard.

Als ik ooit nog eens

naar Israël verhuis

zal ik niet vergeten

een zakje zeeklei mee te nemen

(uit het Oldambt)

en een zakje laagveen

(uit Westerwolde)

 

 

 

 

jaap_meijer
Jaap Meijer (18 november 1912 - 9 juli 1993)

 

 

 

 

 

De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939. Omdat haar vader veel onderzoek deed in de uitgestrekte bossen van Canada spendeerde ze veel van haar jonge jaren in afgelegen gebieden van Noord-Ontario, en pendelde heen en weer tussen Ottawa, Sault St. Marie, en Toronto, en zat zo op veel verschillende scholen. Ze werd een enthousiast lezer, en begon op haar 16e te schrijven. Vanaf 1957 studeerde ze aan de Victoria Universiteit in Toronto, en behaalde haar Bachelor of Arts graad in Engels, met bijvakken filosofie en Frans. Ze studeerde vanaf 1961 aan het Radcliffe College in Harvard, met een Woodrow Wilson-beurs nadat ze de E.J. Pratt-prijs had gewonnen voor haar poëziebundel met de titel Double Persephone. Ze haalde haar mastersgraad in 1962, en studeerde verder aan Harvard. Ze gaf daarna les aan verschillende universteiten. Haar bekendste kritische werk is de gids Survival: A Thematic Guide to Canadian Literature (1972), waarvan wordt gezegd dat die een hernieuwde interesse in Canadese literatuur teweeg zou hebben gebracht.

 

Uit: The Blind Assassin

 

Ten days after the war ended, my sister Laura drove a car off a bridge. The bridge was being repaired: she went right through the Danger sign. The car fell a hundred feet into the ravine, smashing through the treetops feathery with new leaves, then burst into flames and rolled down into the shallow creek at the bottom. Chunks of the bridge fell on top of it. Nothing much was left of her but charred smithereens.

 

I was informed of the accident by a policeman: the car was mine, and they'd traced the license. His tone was respectful: no doubt he recognized Richard's name. He said the tires may have caught on a streetcar track or the brakes may have failed, but he also felt bound to inform me that two witnesses - a retired lawyer and a bank teller, dependable people - had claimed to have seen the whole thing. They'd said Laura had turned the car sharply and deliberately, and had plunged off the bridge with no more fuss than stepping off a curb. They'd noticed her hands on the wheel because of the white gloves she'd been wearing.

 

It wasn't the brakes, I thought. She had her reasons. Not that they were ever the same as anybody else's reasons. She was completely ruthless in that way.”

 

 

 

 

Margaret_Atwood
Margaret Atwood (Ottawa, 18 november 1939)

 

 

 

 

 

De Engelse toneelschrijver, librettist en illustrator Sir William Schwenck Gilbert werd geboren in Londen op 18 november 1836. Hij is het meest bekend door de veertien komische operas die hij in samenwerking met de componist Sir Arthur Sullivan produceerde, zoals "H.M.S. Pinafore", "The Pirates of Penzance", en een van de meest opgevoerde stukken in de geschiedenis van het muziektheater, "The Mikado". Deze stukken en de meeste van de andere 'Savoy-operas' worden nog steeds veel in de Engelssprekende wereld opgevoerd door operagezelschappen, operettegezelschappen en amateurs over de gehele wereld. Teksten uit deze werken zijn in de Engelse taal een eigen leven gaan leiden en worden nog steeds veel geciteerd.

 

Uit: The Mikado

 

SONG and CHORUS--NANKI-POO.

 

     A wandering minstrel I--

          A thing of shreds and patches,

          Of ballads, songs and snatches,

     And dreamy lullaby!

 

     My catalogue is long,

          Through every passion ranging,

          And to your humours changing

     I tune my supple song!

 

          Are you in sentimental mood?

               I'll sigh with you,

                    Oh, sorrow, sorrow!

          On maiden's coldness do you brood?

               I'll do so, too--

                    Oh, sorrow, sorrow!

          I'll charm your willing ears

          With songs of lovers' fears,

          While sympathetic tears

               My cheeks bedew--

                    Oh, sorrow, sorrow!

 

     But if patriotic sentiment is wanted,

          I've patriotic ballads cut and dried;

     For where'er our country's banner may be planted,

          All other local banners are defied!

     Our warriors, in serried ranks assembled,

          Never quail--or they conceal it if they do--

     And I shouldn't be surprised if nations trembled

          Before the mighty troops of Titipu!

 

CHORUS.   We shouldn't be surprised, etc.

 

 

 

 

 

Gilbert
William Gilbert (18 november 1836 – 29 mei 1911)

 

 

 

18-11-07

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel


De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

Uit: Perfect Day

“De ‘groepsuitvoering’ van ‘Perfect day’ is vermakelijk omdat allerlei verschillen in zangkwaliteiten in kort tijdsbestek aan het licht komen. Reed zelf en zijn huidige partner, Laurie Anderson, zijn van alle deelnemers verreweg het slechtst bij stem. Tom Jones, die de reap-and-sowregel voor zijn rekening neem, slooft zich daarentegen dermate uit om in twintig seconden een indrukwekkend stemvolume voort te brengen dat het van de weeromstuit alleen maar afstoot – hij doet nog het meest denken aan een amateur-zanger die aan het eind van een soundmixshow onder leiding van Henny Huisman ‘Reach Out And Touch (Somebody’s Hand)’ mag zingen. Ook Heather Small van M People zet aan het eind van ‘Perfect day’ een keel op, maar wekt in tegenstelling tot Tom Jones tenminste niet de indruk alle andere vocalisten omver te willen kegelen. Het beste klinken diegenen die hebben aangevoeld dat ‘Perfect day’ wel uitbundig maar tegelijkertijd sotto voce moet worden vertolkt: Emmylou Harris, Tammy Wynette, Suzanne Vega en, eerlijk is eerlijk, Bono.

Er is er één wiens aanwezigheid op deze versie van ‘Perfect day’ vrijwel zeker gemengde gevoelens zal hebben gewekt bij Lou Reed, en dat is David Bowie. Transformer is Reeds enige album dat is geproduceerd door Bowie. Na voltooiing van Transformer was het de bedoeling dat Bowie meer albums voor Reed zou produceren, maar dat is er nooit van gekomen vanwege, zoals dat heet, ‘onverenigbaarheid van karakters’. Bowie en Reed kruisten elkaars pad op het moment dat de een successen beleefde met het album Ziggy Stardust en de ander in een impasse dreigde te raken na een tegenvallende ontvangst door pers en publiek van een eerste soloalbum, Lou Reed. In de Reedbiografie van Victor Bockris, die in 1989 zijn naam als biograaf vestigde met een weinig analytische maar des te smeuïger biografie van Andy Warhol, wordt Bowie opgevoerd als reddende engel die Reeds carrière uit het slop haalt. De twee raakten bevriend en Reed verhuisde zelfs tijdelijk van New York naar Londen, om met Bowie (en Mick Ronson als Dritte im Bunde) te kunnen werken aan Transformer. Bockris in Transformer, The Lou Reed Story: ‘Reed liet meestal de kale basis van de songs aan Bowie en Ronson horen; zij vroegen hem dan wat hij wilde en creëerden de uiteindelijke opzet van de song.’ Bowie zelf bevestigde in een interview deze werkwijze: ‘Ik probeer alleen om precies te doen wat Lou wil.”

 

 

 

zwagerman
Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

 

 

Een appel

 

Er ligt een appel op een schaal
voor een open raam-
als hij zou kunnen denken zou die appel denken:
is dit nu beurs, zo n doof gevoel...
hij is nog zoet,
maar hij wordt al moe zoals alleen een appel
moe kan worden,
hij rimpelt en verkleurt,
het is een warme dag, niets grijpt om zich heen
en niets gebeurt
en een hand pakt hem op, draait hem rond
en gooit hem door het raam-
als hij zich zou kunnen verbazen zou die appel
zich verbazen en denken:
is dit nu ten einde raad,
of is dit nu de opperste verwarring?
De avond valt, wormen komen op hem af,
en hij zou denken:
als ik nog kon glanzen dan zou ik nu toch glanzen...
zijn laatste gedachte
zou dat zijn.

 

 

 

Waarom schrijf ik

 

Ik schrijf omdat ik wil schrijven
dat ik gelukkig ben.

Op een dag zal het zover zijn
en zal ik schrijven-
met mijn tong tussen het puntje van mijn tanden,
en met rode oren en rode wangen;
ik ben gelukkig.

Als ik daarna ooit nog twijfel
en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij
of zelfs reddeloos verloren,
kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:
gelukkig.

 

 

 

 

 

toontellegen
Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Klaus Mann werd op 18 november 1906 geboren als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. In München. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

 

 

Uit: Kindernovelle
 

„Wer war Mama? – Die Kinder machten sich darüber keine Gedanken. Ob es Großvater und Großmutter gab, wußten sie nicht. Nur ein Onkel war da, einmal war er plötzlich zu Besuch gekommen, Mamas jüngerer Bruder und Schauspieler in den großen Städten. Mama selber: wer hätte es wagen können, ihr etwas Übles nachzureden? Eine wunderschöne und geheimnisvolle Bürgersdame, wohnte sie in tiefster Einsamkeit auf dem Lande, nur mit der Erziehung ihrer vier Kinder und dem verehrungsvollen Andenken ihres Gemahls beschäftigt. Seltene Besuche, die sich meldeten, wurden schon von Fräulein Konstantine abgewiesen, mochten sie von noch so weit hergekommen sein, und sie bekamen Mama nicht zu Gesicht. Im Winter war Mama untätiger noch als sonst. Sie ging viel im Hause umher, summend und lächelnd, sie saß stundenlang in ihrem Zimmer und las in der Heiligen Schrift, manchmal machte sie sich auch mit großen Häkelarbeiten zu tun, über dunkle, zwecklose Decken gebückt saß sie am Fenster, und ihre Hände regten sich stumm.

Sie stand auf und ging in das Kinderzimmer hinüber. Da kauerten die vier im halbdunkel beieinander, und Fridolin erzählte gedämpft von der Gespensterfürstin Mee-Mee, die man nachts konnte surren und kichern hören. – Aber plötzlich sprachen sie alle davon, wie hoch man eigentlich zählen könnte, weiter wie bis zu einer Trillion ging es doch nicht. Sie redeten aufgeregt durcheinander. „Es muß doch weitergehen!“ rief Renate empört. „Wo sollte es denn zu Ende sein?“ – Und Heiner erfand eine neue Zahl, die höchste von allen, die unbegreiflich hohe. „Unendlich-Pox“, sagte er andächtig, „das kommt nach der Trillion – und das gibt es dann immer. Unendlich-Pox: das gibt es dann immer—„

Mama stand im Türrahmen mit erschrockenen Augen. In welchen Hexensabbat war sie geraten? Gewiß war von ähnlichen Dingen die Rede in des Gemahls geheimnisvoll-verbotenen Büchern.

Mit solchen Spekulationen vertrieben sich die Kinder im Winter der Zeit. Aber zu ihren eigentlichen, großen, wundervollen Spielen kamen sie doch erst, wenn es wieder Frühling war.“

 

 

 

 

klaus_mann
Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 18 november 2006.

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston.

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf.