03-09-17

Jacq Firmin Vogelaar, Fritz J. Raddatz, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Ernst Meister, Lino Wirag, Doğan Akhanlı

 

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.

Uit: Reisverhaal

“Er wordt niet geklapt. Hoe iedereen weet dat het niet is afgelopen zal altijd een raadsel blijven. Veiligheidshalve klap ik bij alle gelegenheden dat er mogelikerwijs verwacht wordt dat men klapt, zonder geluid muis op muis zogezegd. Iedereen kucht of hoest voluit, het beste bewijs dat hoesten en kuchen niet nodig is zomin als ademhalen, ik bedoel snuivend ademhalen. Omdat het toeval wil dat ik op dit moment twee varkens met ridikule sprongen, met wapperende oren en overdreven snuivende snuiten een ekster zie wegjagen, lijkt me dit het juiste moment om iets recht te zetten. Hoelang ik al hier ben weet ik niet precies maar lang dat is zeker, iedereen kent me, voor niemand ben ik een vreemde en het is alsof het nooit anders geweest is, toch weet iedereen dat ik er niet bij hoor, dat zie ik, dat voel ik aan alles, misschien is het domweg een kwestie van geur. Daarover hoef ik dus niets te zeggen. Het hoe van de situatie mag ik bekend veronderstellen. Maar het wordt tijd uit de doeken te doen hoe ik hier terecht ben gekomen, en als men zegt dat ik daar rijkelik laat mee ben en bovendien zegt dat mijn verhaal bezijden de waarheid is, en dat zelfs voordat ik iets heb kunnen vertellen, dan komt dat omdat de een of ander die mij een hak wil zetten, en ik weet wie het is al zal ik hem niet het genoegen doen zijn naam voluit te vermelden zo goed als ik ook de anderen niet of alleen onder een andere naam zal laten optreden, een verhaal de wereld in heeft gestuurd waarin op z'n zachtst gezegd enkele details vergeten zijn, een hele reeks details mag ik wel zeggen, precies de hoofdzaken moet ik eerlikheidshalve zeggen die voor beter begrip onmisbaar zijn. Algemeen wordt aangenomen dat ik hier terecht kwam, terecht, terecht? - terecht, omdat ik familie wilde opzoeken of enkele oude bekenden, gewoonlik de enige reden voor een normaal mens om zich in de provinsie te wagen, of zelfs om ergens rustig een paar dagen te gaan zitten, men heeft het in dat verband over uitblazen of op adem komen gehad, maar die veronderstelling is uitsluitend gebaseerd op een slordigheid van de bewuste persoon die het verhaal in omloop heeft gebracht en het had over een fraaie lentedag. Eigenlik doet het er helemaal niet toe wat voor weer en welk seizoen het was - in dit land schijnt bij alles de weersgesteldheid vermeld te moeten worden evenals de leeftijd, het geslacht, vooropleiding, eventuele kwalen en huwelikse staat, dat geeft een schijn van konkreetheid neem ik aan, en ik zou zelf niet eens geweten hebben wat voor weer het was geweest ware het niet dat ik bij toeval weet dat het hartje winter was en vroor dat het kraakte, zo heet dat, zo was het ook inderdaad, hartje winter want het was bitter koud en het vroor dat het kraakte zodat het zelfs terwijl we reden dermate koud in de auto was dat onze adem op onze lippen bevroor, soms zelfs de woorden in onze keel bleven steken en nog wat van die onalledaagse effekten.”

 

 
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)

Lees meer...

03-09-16

Jacq Firmin Vogelaar, Fritz J. Raddatz, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Ernst Meister, Lino Wirag

 

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.

Uit: Het dubbelleven van een evenwichtskunstenaar. Kafka's dagboeken en zijn schrijverschap

“Max Brod heeft als eerste Kafka's schrijftalent herkend en gestimuleerd. Ook is hij degene geweest die voor publikatiemogelijkheden heeft gezorgd en uiteindelijk de drie romans, de overgebleven verhalen, dagboeken en brieven voor vernietiging heeft behoed, tegen de al tussen 1919 en 1922 in de onvruchtbare periode vóór Der Prozess neergeschreven wilsbeschikking van Kafka in, dat alle nietgepubliceerde geschriften ongelezen verbrand moesten worden. Zonder Brod zouden we nu hoogstwaarschijnlijk geen Kafka lezen. Dit neemt niet weg dat hij het werk belast heeft met een zware hypotheek aan interpretaties. Waarom de ene interpretatie beter en langer beklijft dan de andere zal altijd een vraag blijven, met overtuigingskracht heeft het weinig te maken. Wanneer de inhoud van een literair werk tot herkenbare termen kan worden herleid, zal dat veel lezers meer houvast bieden dan een benadering via de literaire techniek. Er is zelfs een karakterisering van Kafka's werk die van de plicht tot lezen ontslaat; het is dan voldoende te weten dat hij een voorspelling heeft geschreven van de wereld waarin wij nu leven.
Het werk van Kafka is alleen in existentiële termen te vertalen via het bijwerk van dagboeken, brieven en getuigenissen van anderen. De literaire teksten, toch overwegend grotesk en fantastisch, geven daartoe weinig gelegenheid. Brief an den Vater bijvoorbeeld (vreemd genoeg vertaald als Brief aan zijn vader) is nooit bedoeld geweest als literaire tekst. Het ironische gevolg hiervan is dan dat uitgerekend de man die vooral of zelfs uitsluitend schrijver wilde zijn, zoals de dagboeken overduidelijk aantonen, in de eerste plaats als persoon beoordeeld wordt. Hoe discreet hij ook was inzake zijn eigen persoon, hoezeer hij er zelfs naar gestreefd heeft als persoon te verdwijnen en in het schrijven op te gaan, juist die omzichtigheid heeft alle aandacht op het persoonlijk leven gevestigd. Over een aantal zaken wenste Kafka niet te schrijven - om wat voor reden dan ook. Niet de minste reden is geweest dat gevoelens volgens hem alleen dan schriftelijk mochten worden vastgelegd wanneer dat ‘met de grootste volledigheid tot in alle incidentele consequenties, evenals met absolute waarachtigheid, kan geschieden’ (Tagebücher, 12.1. 1911). Het niet-spreken is vaak voor verzwijgen aangezien. Datgene wat hij wel schreef is daarom als een soort geheimschrift uitgelegd dat de oplossing van de vermeende raadsels zou bevatten.”

 

 
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)
Portret door Opland, 2014

Lees meer...

03-09-15

Jacq Firmin Vogelaar, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Fritz J. Raddatz, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Ernst Meister, Lino Wirag

 

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.

 

Soupçon

Kajuit als een volgegeten buik
Tussen de bladeren van het logboek
Telt men veel gedroogde insekten
m.m.s.-meisjes strelen en blazen in de doorrookte
Schoorsteen.
Terwijl jack the ripper, kapitein,
Een stuk onder uit de kiel knipt en
In een gestreepte kniebroek
Met een meerminnige zaagvis onder de arm wegzwemt
En zich op zijn vlucht
Verschuilt in een toch al bibberende school witvis.

 


Laat haar varen
 
Zeg nu het nog kan en hul haar hoofd in een zwarte wolk van wier
teken beten op haar slapen: sporen van zout op levend hout
en strek haar uit op de ribben van een smalle boot
uit beeld verdwijnend door dampend schuim laat haar varen
 
Laat haar gaan tot waar de geschubde zee de rug kromt
het zien omkeert in ongezien en beproefd achter gesloten ogen
de gedachte inkeert - werkelijk zij verandert niet meer
sinds de zee niet meer rookt: verlaten blijft zij mij bij.

 


J'ai prié pour le pauvre Gaspard...
 
Zonder land waar een paard star
maar een naderhand
in de doornen waterval zijn juten vel scheurt,
een blos bekschuim
als de kop van een vergeven zalm
naar het laagland afdrijft,
:
er wordt nu gevonden: het blauwe kind met verloren ogen,
met nog de indruk van teugels bij de lippen en
bodemzand van een droogstaande bron,,
in de kiel van een gewit en opgetuigd zeilschip
wordt het, overladen met zwerfstenen en gemakkelijk te plukken
goudrenetten en vleermuizen (om het vleugels te geven),
gezonken in de geopende zee,
met ijlingse vinnen zwemt het.
:
Met hun netten wuiven de vissers,
laten ze op deze zondag
alle perkamenten vogels uitvliege.

 

 
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)

Lees meer...

03-09-14

Jacq Firmin Vogelaar, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Ernst Meister, Lino Wirag

 

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voor Jacq Firmin Vogelaar op dit blog.

 

Renaissance II

Ook al was hij oud en overreden,
Toch is hij even diep als stalmest
Op hangende poten de grond ingegaan:
Zaad en water ter plaatse
Komt hij met een zacht vel en reeds geopende ogen
Boven aarde, als een molshoop eerst
Dan een schutblad van een gekweekte plant, die
Als het nacht slaat blaft
En als de poten afgeknipt zijn
De straat oploopt.

 

 

Breekbaar grondschrift

breekbaar grondschrift voetafdruk van rotte palen
toont waar ze schreiend
onhoorbaar ontstond, 'n dichtgegroeide
vijver waar niets weerklinkt,
het luisterend oor verzandt,
de vinger tastend vastgroeit aan 'n ovale steen bijna
in de ogen,

in haar diep verdronken
wordt de drinkende schimmel zo groot
(als) 'n drijvend wolkenveld
om te zien door 'n netvlies van verlies
Robin,
sluierstaartvis met glazen gebaren

 


Jonas

daarnaast mol ik ook nog haar stikdonkere baarmoeder,,
moedertje, ik moet me toch ergens verbergen
achterhaal me niet met 'n kateter -
zal ik me slapend houden,
jonas wil wel zingen zachte hits desnoods en en
en even zachte kasjmierharen krijgen 'n opgerold schootkatje
fijn dat je kasplantje likt en laat groeien,
nee nee
nee, en er keihard in rondcrossen,
wat overvliegt bekogelen zodat het uiteenspat
in pikzwarte veren die ik opplak, en zo ik me vertoon.

 

 
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)
Cover

Lees meer...

03-09-13

Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Lino Wirag

 

De Uruguayaanse schrijver, essayist en journalist Eduardo Hughes Galeano werd geboren op 3 september 1940 in Montevideo. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Eduardo Galeano op dit blog.

 

Uit: Voices Of Time (Vertaald door Mark Fried)

 

Time Tells

“We are made of time.

We are its feet and its voice.

The feet of time walk in our shoes.

Sooner or later, we all know, the winds of time will erase the tracks.

Passage of nothing, steps of no one? The voices of time tell of the voyage.

 

The Voyage

Oriol Vall, who works with newborns at a hospital in Barcelona, says that the first human gesture is the embrace. After coming into the world, at the beginning of their days, babies wave their arms as if seeking someone.

Other doctors, who work with people who have already lived their lives, say that the aged, at the end of their days, die trying to raise their arms.

And that’s it, that’s all, no matter how hard we strive or how many words we pile on. Everything comes down to this: between two flutterings, with no more explanation, the voyage occurs.

 

Footprints

A couple was walking across the savannah in East Africa at the beginning of the rainy season. The woman and the man still looked a lot like apes, truth be told, although they were standing upright and had no tails.

A nearby volcano, now called Sadiman, was belching ash. The rain of ash preserved the couple’s footprints, from that moment through time. Beneath their gray blanket, the tracks remained intact. Those footprints show that this Eve and that Adam had been walking side by side; at a certain point she stopped, turned away, and took a few steps on her own. Then she returned to the path they shared.

The world’s oldest human footprints left traces of doubt. A few years have gone by. The doubt remains.”

 

 

 

Eduardo Galeano (Montevideo, 3 september 1940)

Lees meer...

03-09-12

Kiran Desai, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Lino Wirag

 

De Indische schrijfster Kiran Desai werd geboren op 3 september 1971 in New Dehli. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Kiran Desai op dit blog.

 

Uit: The Inheritance of Loss

She shut the magazine and walked out into the garden. The forest was old and thick at the edge of the lawn; the bamboo thickets rose thirty feet into the gloom; the trees were moss-slung giants, bunioned and misshapen, tentacled with the roots of orchids. The caress of the mist through her hair seemed human, and when she held her fingers out, the vapor took them gently into its mouth. She thought of Gyan, the mathematics tutor, who should have arrived an hour ago with his algebra book.
But it was 4:30 already and she excused him with the thickening mist.
When she looked back, the house was gone; when she climbed the steps back to the veranda, the garden vanished. The judge had fallen asleep and gravity acting upon the slack muscles, pulling on the line of his mouth, dragging on his cheeks, showed Sai exactly what he would look like if he were dead.
“Where is the tea?” he woke and demanded of her. “He’s late,” said the judge, meaning the cook with the tea, not Gyan.
“I’ll get it,” she offered.
The gray had permeated inside, as well, settling on the silverware, nosing the corners, turning the mirror in the passageway to cloud. Sai, walking to the kitchen, caught a glimpse of herself being smothered and reached forward to imprint her lips upon the surface, a perfectly formed film star kiss. “Hello,” she said, half to herself and half to someone else.
No human had ever seen an adult giant squid alive, and though they had eyes as big as apples to scope the dark of the ocean, theirs was a solitude so profound they might never encounter another of their tribe. The melancholy of this situation washed over Sai.
Could fulfillment ever be felt as deeply as loss? Romantically she decided that love must surely reside in the gap between desire and fulfillment, in the lack, not the contentment. Love was the ache, the anticipation, the retreat, everything around it but the emotion itself.”

 

 

Kiran Desai (New Dehli, 3 september 1971)

Lees meer...

03-09-11

Kiran Desai, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Lino Wirag

 

De Indische schrijfster Kiran Desai werd geboren op 3 september 1971 in New Dehli. Zie ook mijn blog van 3 september 2008 en ook mijn blog van 3 september 2009 en ook mijn blog van 3 september 2010.

 

Uit: Hullabaloo In The Guava Orchard

 

„It was this year that Sampath Chawla was born to his mother, Kulfi. She was twenty-one years old, newly married to Mr. Chawla, and pregnant. By late September the heat and lack of rain had combined to produce terrible conditions of drought. She grew bigger as it got worse. It got to be so bad that famine-relief camps were set up by the Red Cross to the west of Shahkot. The supply planes flew right over the bazaar and Shahkotians, watching with their heads tilted back, wondered why they didn't stop for them as well, for surely they were suffering quite enough to warrant the same attention and care being so assiduously delivered elsewhere. The ration shop was distributing rice and lentils in smaller and smaller portions all the time. There was no fruit to be found anywhere and hardly any vegetables. Prices had risen so high, nobody would buy the scraggy chickens sitting in cages outside the meat shop. Finally the poor butcher had to eat them himself, and after the last one, he was forced to turn vegetarian like the rest of the town.
Kulfi, in these months, was so enormously large, she seemed to be claiming all the earth's energy for herself, sapping it dry, leaving it withered, shriveled and yellow.
People stopped short in amazement as she walked down the street. How big she was! They forgot their dealings in the almost empty marketplace. They teetered on their bicycles as they looked around for just another sight of that stomach extending improbably before her like a huge growth upon a slender tree. Her eyes were so dark, so sooty and vehement, though, these people who turned their heads to stare turned quickly away again, ill at ease for some reason and unsettled. Not noticing them, she passed by as if they weren't there at all. On her face, about her mouth and in the set of her chin was an expression intent and determined but yet far away and distant, as if all her thoughts were concentrated upon a point invisible to everybody but herself. She walked through Shahkot like this, as distracted as this, as strange as this.
'What do you expect?' asked Ammaji, her mother-in-law, making excuses when curious neighbors asked about Kulfi's state of mind. 'What do you expect from a woman with a baby in her belly like a little fish?'

 

 

Kiran Desai (New Dehli, 3 september 1971)

 

Lees meer...

07-09-10

Kiran Desai, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Lino Wirag

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 3e september mijn blog bij seniorennet.be

  

Kiran Desai, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Lino Wirag

03-09-09

Kiran Desai, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Lino Wirag


De Indische schrijfster Kiran Desai werd geboren op 3 september 1971 in New Dehli.

 

Uit: Hullabaloo In The Guava Orchard

 

„That summer the heat had enveloped the whole of Shahkot in a murky yellow haze. The clutter of rooftops and washing lines that usually stretched all the way to the foothills at the horizon grew blurred and merged with the dust-filled sky.

'Problems have been located in the cumulus that have become overly heated,' read Mr. Chawla from the newspaper. 'It is all a result of volcanic ash thrown up in the latest spurt of activity in Tierra del Fuego.'

And a little later he reported to whomever might be listening: 'The problem lies in the currents off the West African coastline and the unexplained molecular movement observed in the polar ice-caps.'

And: 'Irag attempts to steal monsoon by deliberately creating low pressure over desert provinces and deflecting winds from India.'

And even: 'Hungarian musician offers to draw rain clouds from Europe to India via the music of his flute.'

'Why can't they think of serious solutions?' asked Mr. Chawla. 'It is too hot to fool about with Hungarian musicians.'

Shahkot boasted some of the highest temperatures in the country and here there were dozens of monsoon-inducing proposals. Mr. Chawla himself submitted a proposal to the forestry department for the cutting and growing of vegetation in elaborate patterns; the army proposed the scattering and driving of clouds by jet planes flying in a special geometric formation; the police a frog wedding to be performed by temple priests.

Vermaji of the university invented a giant fan which he hoped would attract the southern monsoon clouds by creating a wind tunnel moving north toward the Himalayas, and he petitioned the Electricity Supply Board for enough power to test it. Amateur scientists from Mr. Barnala of Tailor Gully to Miss Raina from Sainik Farms area attended trade fairs where they displayed instruments that emitted magnetic rays and loud buzzing sounds. Everyone in the town was worried. The mercury in the police station thermometer exceeded the gradations Kapoor & Sons Happy Weather Company had seen fit to establish, leaping beyond memory and imagination, and outdoing the predictions of even Mr Chawla's mother, Ammaji, who liked to think she knew exactly what the future would bring.

It was a summer that sent the dizzy pulse of fever into the sky, in which even rules and laws that usually stood straight and purposeful grew limp, like plants exposed to the afternoon sun, and weak. The heat softened and spread the roads into sticky pools of pitch and melted the grease in the Brigadier's mustache so that it drooped and uncurled, casting shadows on his fine, crisp presence.

 

 

 

 

 

Desai
Kiran Desai (New Dehli, 3 september 1971)

 

 

 

De Uruguayaanse schrijver, essayist en journalist Eduardo Hughes Galeano werd geboren op 3 september 1940 in Montevideo. Zie ook

 

 

Uit: Mirrors

 

MEXICANS

 

Tlazoltéotl, Mexico’s moon, goddess of the Huasteca night, managed to elbow her way into the macho pantheon of the Aztecs.

She was the most mothering of mothers, who protected women in labor and their midwives, and guided seeds on their voyage to becoming plants. Goddess of love and also of garbage, condemned to eat shit, she embodied fertility and lust.

Like Eve, like Pandora, Tlazoltéotl bore the guilt for men’s perdition; women born in her times lived condemned to pleasure.

And when the earth trembled, in soft vibrations or devastating earthquakes, no one doubted: “It is she.”

 

***

 

DJANGO

 

Born in a gypsy caravan, he spent his early years on the road in Belgium, playing the banjo for a dancing bear and a goat.

He was eighteen when his wagon caught fire and he was left for dead. He lost a leg, a hand. Goodbye road, goodbye music.

But when they were about to amputate, he regained the use of his leg. And from his lost hand he managed to save two fingers and become one of the best jazz guitarists in history.

There was a secret pact between Django Reinhardt and his guitar. If he would play her, she would lend him the fingers he was missing.“

 

 

 

 

 

Eduardo Galeano 2
Eduardo Galeano (Montevideo, 3 september 1940)

 

 

 

 

Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook ook mijn blog van 3 september 2008.

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Alison Lurie werd geboren op 3 september 1926 in Chicago, Illinois. Zie ook mijn blog van 3 september 2007 en ook mijn blog van 3 september 2008.

 

Uit: Familiar Spirits

 

When James Merrill and I first met we didn't take to each other. If someone had told me that day that we would be friends for forty years, I would have thought they were joking.
It was the hot summer of 1950; I and my first husband, Jonathan Bishop, were in Europe on a postponed honeymoon. We had come to Austria to stay with Lynn and Ted Hoffman, who were working at the Salzburg Seminar. An acquaintance from Harvard, Claude Fredericks, was in town, too, and they arranged for all of us to have lunch and go for a swim in a nearby lake. Both Lynn and I were fond of Claude, and hoped to find the friend he was traveling with, another young poet, equally likable.
But Jimmy Merrill was a disappointment. Compared to Claude he seemed both coolly detached and awkwardly self-conscious. He was thin and pale and shortsighted, with thick black-rimmed spectacles (later he would wear contact lenses). Though only twenty-four, he was clearly already an intellectual and an aesthete. He appeared to have read everything and, worse, to be surprised at our ignorance.
The lake turned out to be a large light-struck shiny pond, mainly surrounded by woods. Fallen tree trunks littered the steep, sandy margin, and more floated offshore. The water was a clear, dark brown, and very deep; a top layer had been warmed by the sun, but below it was icy, and choked with the rubbery yellow and green straps of water weeds.
Most of us splashed about briefly and then waded out, but Jimmy stayed longer; and in spite of his weedy appearance he turned out to be a skilled swimmer. Unlike professional athletes, who often seem to be fighting the water, attacking it with violent slapping assaults and throwing off sprays of liquid shrapnel, Jimmy hardly broke the surface as he swam. The dark wet element parted smoothly for him as it might have for some long, elegant pale fish. When he finally waded out, however, he again seemed chilly and ill at ease.
As his memoir of those years declares in its title, Jimmy was A Different Person then, in both senses of the phrase. He was different from most other persons, and he was different from the person he would become. Most of us change as we age, but Jimmy changed more than most. He not only became more confident and better-looking—eventually elegantly handsome—he also became kinder, more generous, and more sympathetic. He never quite became an ordinary person, but his instinctive scorn of fools, once only half-concealed by good manners, relaxed and gave way to a detached, affectionate amusement, such as a highly civilized visitor from another planet might feel. Perhaps that is why he eventually seemed so much at home with the otherworldly beings he and David Jackson contacted through the Ouija board.”

 

 

 

 

Lurie
Alison Lurie (Chigaco, 3 september 1926)

 

 

 

 

 

De Russische schrijver Sergej Dovlatov werd geboren op 3 september 1941 in Ufa, in het zuiden van Rusland. Zie ook mijn blog van 3 september 2007 en ook mijn blog van 3 september 2008.

 

Uit: Kurz ist das Leben (Vertaald door Eric Boemer)

 

„Levickij öffnete die Augen und versuchte sich sofort wieder an eine Metapher zu erinnern, die er gestern vergessen hatte … »Des Vollmonds Pfefferminztablette …«? »Die krumme Banane des Halbmonds …«? Irgendwas in dieser Art, wenn auch bedeutender im Geist.

Die Metaphern kamen nachts, wenn er schon im Bett lag. Der Maestro bummelte mit den Notizen. Früher konnte er sie bis zum Morgen im Gedächtnis halten. Heute war es zur Regel geworden, dass er sie, nicht ohne ein Gefühl der Befriedigung, wieder vergaß. Die vergebene Chance eines kleinen sprachlichen Abenteuers.

Levickij richtete seinen Blick auf ein weißes, der Farbe einer Ambulanz nachgestaltetes Tischchen. Er bemerkte die gewaltige, mit dorischen Figurationen geschmückte Torte. Er begann, die dünnen, gewundenen Kerzen zu zählen.

Mein Gott, dachte Levickij, noch ein Geburtstag.

Diese Phrase war es wert, sie für die Reporter aufzusparen:

»Mein Gott! Noch ein Geburtstag! Was für eine angenehme Überraschung

– siebzig Jahre!«

Er stellte sich die Schlagzeilen vor:

»Russischer Schriftsteller feiert seinen Siebzigsten in der Fremde«. »Die Bücher des Jubilars erscheinen überall, mit Ausnahme von Moskau«. Und schließlich: »O mein Gott, ein weiterer Geburtstag!« …

Levickij duschte, zog sich an. Griff nach der Post. Die Gattin war offensichtlich in Sachen Geschenke unterwegs. Gerlinda – ein Geschöpf zwischen Verwandter und Dienstbotin – umarmte ihn. Der Maestro unterbrach sie mit den Worten:

»Du bist im Testament berücksichtigt.«

Das war ein alter Scherz zwischen ihnen.

Sie fragte:

»Tee oder Kaffee?«

»Kaffee bitte.«

»Welchen möchten sie?«

»Den braunen, wahrscheinlich.«

Dann hörte er:

»Sie werden von einer Dame erwartet.«

Schnell fragte er:

»Aber nicht die mit dem Zopf?«

»Sie hat irgendeine Rarität mitgebracht. Ich glaube – ein Buch. Sie sagte – eine Inkunabel.«

Levickij zitierte lächelnd:

»De ses mains tombe le livre,

Dans leguel elle n'avait rien lu.

(Aus ihrer Hand fiel ein ungelesenes Buch …)«

Regina Gasparjan saß seit mehr als einer Stunde in der Halle. Zum Ausgleich reichte man ihr Kaffee mit Brötchen. Nichtsdestoweniger war das ziemlich erniedrigend. Man hätte sie in den Salon bitten können. Ihre Ehrfurcht mischte sich mit beleidigtem Unbehagen.“

 

 

 

 

Dovlatov
Sergej Dovlatov (3 september 1941 - 24 augustus 1990)

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

 

De Duitse dichter, schrijver en striptekenaar Lino Wirag werd geboren in 1983 in Pforzheim. Wirag studeerde literatuurwetenschappen en kunstgeschiedenis in Freiburg, creatief schrijven en cultuurjournalistiek in Hildesheim en kunst in het Finse Uusikaarlepyy. Hij publiceerde in tijdschrijften, magazines en kranten. In 2005 ontwikkelde hij het format „Live.Poetry“. Bij deze combinatie van Poetry Slam en theatersport laten schrijvers in interactie met het publiek teksten ontstaan.

 

 

Vereinstreffen

 

Heute traf sich in der Kneipe

Unser Murmeltier-Verein

Durch die schmutzbedeckte Scheibe

Sah man Murmeltiere schrein

»Gebt das Land den Murmeltieren!«

»Murmeltiere einig Reich!«

»Nie mehr sollen Murmeln frieren,

Macht den Murmeln, und das gleich!«

Lange konnte man sie hören,

Wie sie Murmelverse schrien

Und dabei den Staat der gröbsten

Murmelrechtsverletzung ziehn

Gegen fünf Uhr in der Frühe

Legte dann ihr Eifer sich.

Bis das ganze Murmelschreien

Nur noch einem Murmeln glich.

 

 

 

 

Wirag
Lino Wirag (Pforzheim, 1983)

 

03-09-08

Alison Lurie, Kiran Desai, Eduardo Galeano, Sergej Dovlatov


De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Alison Lurie werd geboren op 3 september 1926 in Chicago, Illinois. Zie ook mijn blog van 3 september 2007.

 

Uit: THE LAST RESORT

 

At three A.M. on a windy late-November night, Jenny Walker woke in her historic house in an historic New England town, and sensed from the slope of the mattress and the chill of the flowered percale sheets that Wilkie Walker, the world-famous writer and naturalist, was not in bed beside her.
Often now Jenny woke to this absence. The first time, after lying half awake for twenty minutes, she tiptoed downstairs and found her husband sitting in the kitchen with a mug of tea. Wilkie smiled briefly and replied to her questions that of course he was all right, that everything was all right. "Go back to bed, darling," he told her, and Jenny followed his instructions, just as she had done for a quarter century.
After that night she didn't go to look for him, but now and then she would mention his absence the next morning. Wilkie would say that he'd had a little indigestion and needed a glass of soda water, or wanted to write down an idea. There was no reason to be concerned about him, his tone implied. Indeed her concern was unwelcome, possibly even irritating.
But since the day they met, Jenny had been more concerned about Wilkie Walker than anyone or anything in the world. He had come into the University Housing Office at UCLA where she was working after graduation while she waited to see what would happen next in her life. It was a misty, hot summer morning when Wilkie appeared: the most interesting-looking older man Jenny had ever seen, with his broad height, his full explorer's mustache; his shock of blond-brown hair, steel-blue eyes, and sudden dazzling smile. Dazzled, she heard him ask about sabbatical sublets for the fall. He wanted somewhere quiet with a garden--he liked to work out of doors if he could, he explained--but he also hoped to be within a half-hour's walk of the university. Which no doubt wasn't possible, he added with another radiant smile.
But Jenny was able to assure him that she knew just the place. And two days later, while she was still dreaming of Wilkie's visit and wondering if she could get leave to audit his lectures, he reappeared to thank her and ask her to have lunch with him.”

 

 

 

 

lurie
Alison Lurie (Chigaco, 3 september 1926)

 

 

 

 

 

De Indische schrijfster Kiran Desai werd geboren op 3 september 1971 in New Dehli. Zij woont echter tegenwoordig permanent in de VS. Toen zij 14 jaar was vertrok haar familie uit India naar Engeland, en een jaar later naar de VS, waar zij in Massachusettes haar opleiding voltooide. In 1998 publiceerde zij haar eerste boek Hullabaloo in the Guava Orchard, zeer geprezen door o.a. Salman Rushdie. Haar tweede roman The Inheritance of Loss leverde haar in 2006 de Booker Prize op.

 

Uit: Erbin des verlorenen Landes (Vertaald door Robin Detje)

 

„Lichtschriften bestürmen den Schatten, verschwenderischer als Meteore. Die hohe unkennbare Stadt überwuchert das Feld. Sicher meines Lebens und meines Todes betrachte ich die Ehrgeizigen und verstünde sie gern. Gierig ist ihr Tag wie das Lasso in Lüften. Burgfriede des Zorns im Eisen ist ihre Nacht, jäh, kampfbereit. Sie sprechen von Menschlichkeit. Meine Menschlichkeit ist im Gefühl, daß wir Stimmen des gleichen Elends sind. Sie sprechen von Vaterland. Mein Vaterland ist ein Gitarrenakkord, einige Porträts und ein alter Degen, das offenbare Gebet der Weide in den Abenddämmerungen. Die Zeit verlebt mich. Lautloser als mein Schatten durchquere ich die Herde ihrer erhabenen Gier. Sie sind unabdingbar, einzig, sie verdienen den Morgen. Mein Name ist jemand und jeglicher. Ich schreite langsam wie einer, der aus solcher Ferne kommt, daß sein Ziel zu erreichen er nicht erwartet.

Der ganze Tag hatte in den Farben der Abenddämmerung geleuchtet, nun zog der Nebel wie ein Meerestier über die weiten Hänge der Berge, von ozeanischen Schatten und Abgründen beherrscht. Kurz stieß die aus Eis gehauene Spitze des fernen Kangchenjunga durch den dampfenden Dunst und die Winde um seinen Gipfel bliesen ein Schneewölkchen in den Himmel.

Sai saß auf der Veranda und las einen Artikel über Riesenkraken in einem alten National-Geographic-Heft. Dann und wann sah sie auf, und das verzauberte Leuchten des Kangchenjunga ließ sie frösteln. Der Richter saß am anderen Ende vor seinem Schachbrett und spielte gegen sich selbst. Unter seinem Stuhl, wo sie sich sicher fühlte, hatte Mutt, die Hündin, sich breit gemacht und schnarchte leise. Von einem Kabel über ihnen baumelte eine einzelne, kahle Glühbirne herab. Es war kühl, aber im Haus war es noch kälter. Die Steinmauern, die Dunkelheit und Kälte einschlossen, waren fast einen Meter dick.“

 

 

 

 

Kiran[1]
Kiran Desai (New Dehli, 3 september 1971)

 

 

 

 

 

 

 

De Uruguayaanse schrijver, essayist en journalist Eduardo Hughes Galeano werd geboren op 3 september 1940 in Montevideo. Op twintigjarige leeftijd werd hij al hoofdredacteur van MARCHA, een tijdschrift voor cultuur en politiek in Montevideo. Later werkte hij nog voor verschillende links gerichte tijdschriften. In 1976 ging hij in ballingschap naar Spanje, waar hij bleef tot het einde van de militaire dictatuur in Uruguay in 1985. In 1971 verscheen zijn belangrijkste werk Las venas abiertas de América Latina, waarin hij zich bezig houdt met de geschiedenis van Latijns Amerika.

Uit: DAYS AND NIGHTS OF LOVE AND WAR

· 1 ·
"Traitor," I said. I showed him the clipping from a Cuban paper. There he was, dressed as a pitcher, playing baseball. I remember that he laughed, we laughed. I don't know whether or not he answered me. The conversation jumped, like a ping-pong ball, from one subject to the next.

"I don't want every Cuban to wish he were a Rockefeller," he said.

Socialism had meaning to the extent that it purified people, moved them beyond egoism, saved them from competition and greed.

He told me that when he was president of the central bank he had signed the bills with the word "Che" to poke fun, and he told me that money, that shit-awful fetish, should be ugly.

Che Guevara gave himself away, like everyone does, through his eyes. I remember that clean, morning-fresh look: the look of people who believe.

· 2 ·
Chatting with him, you couldn't forget that this man had come to Cuba after a long pilgrimage throughout Latin America. He had been in the whirlwind of the Bolivian revolution and in the death throes of the Guatemalan revolution—and not as a tourist. He had loaded bananas in Central America and taken snapshots in Mexican plazas to earn his living, and he had risked his life by throwing himself into the "Granma" adventure.

He was not a man to sit behind a desk. That feline tension so noticeable when I interviewed him in mid-1964 had to explode sooner or later.

His was the unusual case of someone who abandons a revolution which he and a handful of crazy people had already made, to throw himself into beginning another one. He lived not for triumph, but for struggle—the ever necessary struggle for human dignity.

· 3 ·
Three years later, my eyes were glued to the front page of the papers. The agency photos showed his motionless body from all angles. General Barrientos' dictatorship displayed its great trophy to the world.

For a long time I looked at his smile—ironic and tender at the same time—and bits of that 1964 dialogue came to my mind. Definitions of the world ("Some people possess the truth, but the matter of life is possessed by others"), of revolution ("Cuba will never be a showcase of socialism, but rather a living example"), and of himself ("I have been mistaken often, but I believe…").

 

 

 

 

galeano
Eduardo Galeano (Montevideo, 3 september 1940)

 

 

 

 

 

 

 

De Russische schrijver Sergej Dovlatov werd geboren op 3 september 1941 in Ufa, in het zuiden van Rusland. Zie ook mijn blog van 3 september 2007.

 

Uit: The Suitcase

 

So this bitch at OVIR says to me, “Everyone who leaves is allowed three suitcases. That’s the quota. A special regulation of the ministry.”

No point in arguing. But of course I argued. “Only three suitcases? What am I supposed to do with all my things?”

“Like What?”

“Like my collection of race cars.”

“Sell them,” the clerk said, obviously not getting it.

Then, knitting her brows slightly, she added, “If you’re dissatisfied with something, write a complaint.”

“I’m satisfied,” I said.

After prison, everything satisfied me.

“Well, then, don’t make trouble…”

A week later I was packing. As it turned out, I needed just a single suitcase.

I almost wept with self-pity. After all, I was 36 years old. Had worked eighteen of them. I earned money, bought things with it. I owned a certain amount, it seemed to me. And still I only need one suitcase—and of rather modest dimensions at that. Was I impoverished, then? How had that happened?

Books? Well, basically, I had banned books, which were not allowed through customs anyway. I had to give them out to my friends, along with my so-called archives.

Manuscripts? I had clandestinely sent them to the West a long time before.

Furniture? I had brought my desk to the secondhand store. The chairs were taken by the artist Chegin, who had been making do with crates. The rest I threw out.

And so I left the Soviet Union with one suitcase. It was plywood, covered with fabric, and had chrome reinforcements at the corners. The lock didn’t work; I had to wind clothesline around it.

Once I had taken it to Pioneer camp. It said in ink on the lid: “Junior group. Seryozha Dovlatov.” Next to it someone had amiably scratched: “Shithead.”

 

 

 

 

Dovlatov
Sergej Dovlatov
(3 september 1941 - 24 augustus 1990)

 

 

11-10-06

Booker Prize voor Kiran Desai


De jonge Indiase schrijfster Kiran Desai heeft dinsdagavond de Booker Prize van 50 duizend pond gewonnen, de belangrijkste prijs voor Engelstalige literatuur. Desai krijgt de prijs voor de roman De erfenis van het verlies (The Inheritance of Loss), een familieverhaal dat wordt verteld tegen de achtergrond van een Nepalese opstand in de jaren tachtig. Desai verliet India toen zij 14 jaar was, verbleef een jaar in Engeland en verhuisde toen naar de VS om er te studeren. Zij bezocht Bennington College, Hollins University, en de Columbia University, waar zij twee jaar van vrij nam om haar eerste boek te schrijven: Hullabaloo in the Guava Orchard.

 

Uit: Hullabaloo in the Guava Orchard

 

It was this year that Sampath Chawla was born to his mother, Kulfi. She was twenty-one years old, newly married to Mr. Chawla, and pregnant. By late September the heat and lack of rain had combined to produce terrible conditions of drought. She grew bigger as it got worse. It got to be so bad that famine-relief camps were set up by the Red Cross to the west of Shahkot. The supply planes flew right over the bazaar and Shahkotians, watching with their heads tilted back, wondered why they didn't stop for them as well, for surely they were suffering quite enough to warrant the same attention and care being so assiduously delivered elsewhere. The ration shop was distributing rice and lentils in smaller and smaller portions all the time. There was no fruit to be found anywhere and hardly any vegetables. Prices had risen so high, nobody would buy the scraggy chickens sitting in cages outside the meat shop. Finally the poor butcher had to eat them himself, and after the last one, he was forced to turn vegetarian like the rest of the town.

Kulfi, in these months, was so enormously large, she seemed to be claiming all the earth's energy for herself, sapping it dry, leaving it withered, shriveled and yellow.

People stopped short in amazement as she walked down the street. How big she was! They forgot their dealings in the almost empty marketplace. They teetered on their bicycles as they looked around for just another sight of that stomach extending improbably before her like a huge growth upon a slender tree. Her eyes were so dark, so sooty and vehement, though, these people who turned their heads to stare turned quickly away again, ill at ease for some reason and unsettled. Not noticing them, she passed by as if they weren't there at all. On her face, about her mouth and in the set of her chin was an expression intent and determined but yet far away and distant, as if all her thoughts were concentrated upon a point invisible to everybody but herself. She walked through Shahkot like this, as distracted as this, as strange as this.

'What do you expect?' asked Ammaji, her mother-in-law, making excuses when curious neighbors asked about Kulfi's state of mind. 'What do you expect from a woman with a baby in her belly like a little fish?'

But Kulfi was not thinking of the baby in her belly like a little fish. She was thinking of fish themselves. Of fish in many forms. Of fish big enough and good enough to feed the hunger that had overtaken her in the past months like a wave. She thought of fish curries and fish kebabs. Of pomfret, bekti, ruhi. Of shoals of whiskered shrimp. Of chewy mussels. She thought of food abundant in all its many incarnations. Of fenugreek and camel milk, yam and corn. Mangoes and coconuts and custard apples. Mushrooms sprouting like umbrellas in the monsoon season. Nuts, wrinkled in their shells, brown-skinned, milky-fleshed.

 

 

 

 

Desai
Kiran Desai (India, 3 september 1971)
                       

19:15 Gepost door Romenu in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kiran desai |  Facebook |