24-07-16

Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Katia Mann, Junichirō Tanizaki

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Uit: I, Claudius

« I dictated most of the first four volumes to a Greek secretary of mine and told him to alter nothing as he wrote (except, where necessary, for the balance of the sentences, or to remove contradictions or repetitions). But I admit that nearly all the second half of the work, and some chapters at least of the first, were composed by this same fellow Polybius (whom I had named myself, when a slave-boy, after the famous historian) from material that I gave him. And he modelled his style so accurately on mine that, really, when he had done, nobody could have guessed what was mine and what was his.
It was a dull book, I repeat. I was in no position to criticize the Emperor Augustus, who was my maternal granduncle, or his third and last wife, Livia Augusta, who was my grandmother, because they had both been officially deified and I was connected in a priestly capacity with their cults; and though I could have pretty sharply criticised Augustus' two unworthy Imperial successors, I refrained for decency's sake. It would have been unjust to exculpate Livia, and Augustus himself, in so far as he deferred to that remarkable and—let me say at once—abominable woman, while telling the truth about the other two, whose memories were not similarly protected by religious awe.
I let it be a dull book, recording merely such uncontroversial facts as, for example, that So-and-so married So-and-so, the daughter of Such-and-such who had this or that number of public honours to his credit, but not mentioning the political reasons for the marriage nor the behind-scene bargaining between the families. Or I would write that So-and-so died suddenly, after eating a dish of African figs, but say nothing of poison, or to whose advantage the death proved to be, unless the facts were supported by a verdict of the Criminal Courts. I told no lies, but neither did I tell the truth in the sense that I mean to tell it here.
When I consulted this book to-day in the Apollo Library on the Palatine Hill, to refresh my memory for certain particulars of date, I was interested to come across passages in the public chapters which I could have sworn I had written or dictated, the style was so peculiarly my own, and yet which I had no recollection of writing or dictating. If they were by Polybius they were a wonderfully clever piece of mimicry (he had my other histories to study, I admit), but if they were really by myself then my memory is even worse than my enemies declare it to be. Reading over what I have just put down I see that I must be rather exciting than disarming suspicion, first as to my sole authorship of what follows, next as to my integrity as an historian, and finally as to my memory for facts. But I shall let it stand; it is myself writing as I feel, and as the history proceeds the reader will be the more ready to believe that I am hiding nothing—so much being to my discredit.”

 

 
Robert Graves (24 juli 1895 - 7 december 1985)
Scene uit de Britse tv-serie met o.a. Derek Jacobi als Claudius (rechts), 1976

Bewaren

Lees meer...

08-03-16

Hafid Bouazza, Jeffrey Eugenides, Walter Jens, A. Marja, John McPhee, Mouloud Feraoun, Mechtilde Lichnowsky

 

De Marokkaans-Nederlandse schrijver Hafid Bouazza werd geboren op 8 maart 1970 in Oujda, Marokko. Zie ook alle tags voor Hafid Bouazza op dit blog.

Uit: Paravion

"In groene valleien waar anemonen bloeiden, hoedde een oude herder zijn schapen en schramde met zijn schalmei de frisse stilte. De echo floot terug.
Aan de Narvelzee haalde de visser zijn netten op die zwaar waren van lijken en spartelend zilver. Overal rondom hem dwarrelden witte uilen en vroegen ‘hoehoe’, een veel droeviger gezang dan het geluid van de geitenbellen.
In de mirage werd Paravion geboren, een spel van trillende lijnen en zwemmende kleuren. De kerktorens zwegen tegen een achtergrond van gebochelde wolken, de klokken waren oud en uit het nauwelijks zichtbare verleden hoorden zij als een kinderherinnering hun geschal als het geluid van de geitenbellen."
(…)

“Kijk dàn!
De lente was feestelijk geweest na de zegenende regens van de winter en had alles en iedereen in een roes gebracht:De vallei Abqar was in opperbeste stemming.
De; geiten gaven melk, ze hadden gejongd; Waar zoogdieren samen zijn, vermenigvuldigen zij zich; Alles groeide, zelfs in dat gehucht. De beek kwebbelele vroiijk als winkelende vrouwen en droeg bladeren en ruikers mee alsof hij een bloemist had bezocht; een sneeuwval van amandelbloesems bedwelmde de neus met dodelijke geuren. De vijgenbomen staarden eindeloos naar hun onrustige reflectie, de heesters en struwelen, de witte en roze oleanders stalden hun snoepgoed uit: Nu kwam de wind alles afdrogen en stofte hij de bladeren af die levendìg begonnen te zwatelen. De vogels roddelden vrijelijk.
Baba Baloek en de jonge vrouwen van het gehucht waren gelukkiger dan ooit in hun vruchtbare, bloeìende en vruchtvolle vrijheid: Demoeders waren gestorven, van dementie naar een zalig onbestaan vergeleden."

 

 
Hafid Bouazza (Oujda, 8 maart 1970)

Lees meer...

08-03-15

Hafid Bouazza, Jeffrey Eugenides, Walter Jens, A. Marja, John McPhee, Mouloud Feraoun

 

De Marokkaans-Nederlandse schrijver Hafid Bouazza werd geboren op 8 maart 1970 in Oujda, Marokko. Zie ook alle tags voor Hafid Bouazza op dit blog.

Uit: Meriswin

“Een glissando voer door de bladeren van de platanen en geen dichter die het zag. Alsof de wind de boekverkoper en boekverzamelaar had opgewacht en nu overmatig begeesterd tussen de takken struikelde. Met een smak viel de vlaag op de tafeltjes, nam zaadjes en bloesems mee in zijn val en rolde op de grond, waarna hij in allerijl het plein rondstoof op zoek naar een vluchtpunt, her en der panisch wervelend, botste tegen onze enkels en de poten van de tafels en de schenen van de banken voordat hij erachter kwam dat geen enkele uitgang gebarricadeerd was. En geen dichter die het beschreef.
(…)

‘Niets bewoog om het plein heen wat zich niet in de etalages bekeek en erdoor opgeslokt werd in dat parallelle universum waarin elke ijdelheid gedoemd is te verdwijnen, waarin elke gereflecteerde ontmoeting onherroepelijk uit elkaar valt. Het is de aquatische wereld waarin glas de stad verandert die de stad waarlijk onderscheidt van het leven in lemen dorpen, waarvan er geen zijn in dit land. Het is glas dat boer van stedeling onderscheidt. Glas waaruit men niet drinken kan.’
(…)

De portale bloedingen begonnen later. De bloedovergave op zijn vege schoot en zijn lief die naast hem stond, huilend als hij niet keek, glimlachend als hij haar aankeek. De bakjes met zwart bloed in haar beide handen. Het bloed, vloeibaar en in klonters, bleef maar komen totdat hij uitgeput was en wilde gaan liggen, slaap en rust trokken aan hem, hadden hun handen onder zijn rug gelegd, maar hij moest wakker blijven, zijn kleren uit en hij werd gehesen in een operatiehemd – hemelblauw van kleur, een vriendelijke en toegeeflijke dwangbuis."

 

 
Hafid Bouazza (Oujda, 8 maart 1970)

Lees meer...

08-03-14

Hafid Bouazza, Jeffrey Eugenides, Walter Jens, A. Marja, John McPhee, Mouloud Feraoun

 

De Marokkaans-Nederlandse schrijver Hafid Bouazza werd geboren op 8 maart 1970 in Oujda, Marokko. Zie ook alle tags voor Hafid Bouazza op dit blog.

Uit: De voeten van Abdullah

‘Als de Sleep van een Bruid volgden wij Kinderen de Vrouwenmenigte, die door mijn Moeder met Abdullah in haar Handen werd geleid richting Moskee: ik kan de bedwelmende grootsheid van dat moment niet beter uitdrukken dan met een Teutoons gebruik van hoofdletters.’
(…)

“Op de grond, voor de deurdrempel, stond Abdullah: twee voeten, fraai boven de enkels geamputeerd, die uitliepen in wat op salamischijfjes leek. De enkels waren bestoft en de nagels zwart van een lange tocht. De afdruk van sandalen, die waarschijnlijk onderweg waren versleten en afgedankt, was zichtbaar. De paarse aders waren opgezwollen. Onmiskenbaar: het was mijn broer Abdullah.”
(…)

“In de moskee waren de sjeiks bijeengekomen om een vondst van de dorpskinderen te bezichtigen. Het was Abdullahs linkervoet die mij tot wapen had gediend. Ernstig fronsend overlegden ze of de voet al begraven moest worden of dat men moest wachten tot de andere gevonden werd. Omdat het de linkervoet was, besloot men eerst de rechter te zoeken.
Het waren de kinderen die op zoek gingen naar Abdullahs rechtervoet. Wij zagen hen in grote groepen door het dorp rennen, over de heuvel, van olijfboom naar olijfboom, tot grote ergernis van Khadroen. Hun moeite werd echter niet beloond.
Thuis wasten wenende Fatima's de linkervoet met tedere handen, het water tappelde tussen hun vingers, en droogden hem met hun lange haren, dat in de magie van de namiddagzon eksterlijk glom.”

 

 
Hafid Bouazza (Oujda, 8 maart 1970)

Lees meer...

26-01-14

Menno ter Braak, Achim von Arnim, Jonathan Carroll, Gerrit Jan Zwier

 

De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Zie ook alle tags voor Menno ter Braak op dit blog.

Uit: De nieuwe elite

“Terwijl het geraas van den Teutoneninval in Tsjecho-Slowakije mijn ooren nog verdooft, volg ik met een nieuwsgierigheid, die mijzelf bij tijd en wijle pervers lijkt, mijn gedachten over een nieuwe elite: een zeepbel, ‘unzeitgemässe Betrachtungen’, voorbestemd om weggeblazen te worden door de losgebroken orkaan van het bruut geweld. Of... waren alle gedachten, die zich opdrongen tegen het rumoer van den tijd in, misschien ‘unzeitgemäss’? Denken wij niet juist daarom voortdurend na over het probleem van een elite, omdat wij de ‘oude’ elites niet meer kunnen erkennen en de zoogenaamde ‘nieuwe’ (de ‘Massenelite’, volgens een term van Hermann Rauschning) slechts erkennen onder protest van onze geheele persoonlijkheid? In het gedachtenspel is altijd een element van dwaasheid en nutteloosheid, maar nu meer dan ooit; waarom zou men gedachten ten einde denken, als ieder oogenblik het geweld de elementaire voorwaarden tot denken onmogelijk kan maken en daardoor het geheele denken problematisch wordt? Is zelfs de veronderstelling, dat gedachten ‘unzeitgemäss’ kunnen zijn, niet een vorm van romantische hoop op een verwerkelijking, die voor ons nooit komen zal, voor ons, die een oorlog zagen ‘uitbannen’ om twintig jaar later met een totalen oorlog te worden geconfronteerd?... Maar de zeepbel danst, en het protest wordt feller; er is geen keuze, wij moeten denken en ten einde denken.
Er is geen troost te vinden in de befaamde historische parallellen, die altijd opgaan toe zij niet meer opgaan; meer troost biedt dan nog de zeepbel, de geschiedenis is hoogstens een arsenaal van vergelijkingsmateriaal. Zoo kan men een merkwaardig parallelisme constateeren tusschen de Duitsche revolutie van Hitler en de Fransche revolutie van 1789; Golo Mann en Denis de Rougemont hebben onafhankelijk van elkaar dat parallelisme aangewezen.”

 

 
Menno ter Braak (26 januari 1902 - 14 mei 1940)
V.l.n.r. Katia Mann, Menno ter Braak en Thomas Mann bij het Mauritshuis in Den Haag, 1939

Lees meer...

10-06-13

In Memoriam Walter Jens

 

In Memoriam Walter Jens

 

De Duitse schrijver, classicus, literair historicus, criticus en vertaler Walter Jens is gisteren op 90-jarige leeftijd overleden. Walter Jens werd geboren op 8 maart 1923 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Walter Jens op dit blog.

 

Uit: Katias Mutter (Samen met Inge Jens)

 

„Es war mit Sicherheit eine der interessantesten – man könnte auch sagen: kuriosesten – Familien der preußischen Metropole, in die Hedwig Pringsheim am 13. Juli 1855 hineingeboren wurde. Ihr Vater, Ernst Dohm, Spross einer armen jüdischen Familie, war bereits als Kind getauft und von einer frommen Mutter sowie einer pietistischen Gönnerin zum Theologen bestimmt worden. Nach erfolgreich absolvierten Examenspredigten hatte er jedoch Talar und Beffchen an den Nagel gehängt und sich als Hauslehrer und Übersetzer durchgeschlagen, ehe er 1848 mit der Gründung der politisch-satirischen Zeitschrift  Kladderadatsch endgültig ins literarisch-journalistische Genre wechselte. Sein profundes Wissen, sein ebenso stil- wie treffsicherer Witz und seine unterhaltlichen Fähigkeiten sowie eine offenbar beachtliche poetische Begabung verhalfen ihm schnell zu Ansehen und Beliebtheit.

Auch Hedwigs Mutter, deren Vornamen das Neugeborene erhielt, hatte in ihrer Ehe begonnen, sich als Schriftstellerin zu profilieren. Sie schrieb Novellen, Dramen und Gedichte, später auch Romane. Vor allem aber zog sie in öffentlichen Stellungnahmen und Essays gegen die These von der angeblich naturgegebenen Ungleichheit von Männern und Frauen zu Felde und wurde in den späten sechziger und siebziger Jahren, nachdem sie vier Kinder großgezogen hatte, zu einer der bekanntesten Kämpferinnen für die Zulassung der Frau zu allen berufsqualifizierenden Bildungs- und Ausbildungsmöglichkeiten.

«Kämpferin»? Zumindest Hedwig, die älteste ihrer vier Töchter, sah die Mutter anders: «Schön war sie und reizend; klein und zierlich von Gestalt, mit großen, grünlich-braunen Augen und schwarzen Haaren, die sie auf Jugendbildnissen noch in schlichten Scheiteln aufgesteckt trug, später aber abgeschnitten hatte, und die dann halblang und gewellt ihr wunderbares Gesicht umrahmten.Zart war sie, schüchtern, empfindsam, ängstlich. Wer sie nur aus ihren Kampfschriften kannte und ein Mannweib zu finden erwartete, wollte seinen Augen nicht trauen, wenn ihm das holde, liebliche und zaghafte kleine Wesen entgegentrat. Aber ein Gott hat ihr gegeben, zu sagen, was sie gelitten, was sie in Zukunft ihren Geschlechts-Schwestern ersparen wollte.»

 

 

 

Walter Jens (8 maart 1923 - 9 juni 2013)

08-03-13

Walter Jens

 

De Duitse schrijver,  classicus, literair historicus, criticus en vertaler Walter Jens werd geboren op 8 maart 1923 in Hamburg. Jens, die vanwege een ernstige astma-aandoening afgekeurd werd voor de militaire dienstplicht, studeerde klassieke filologie en Duits in Freiburg en promoveerde in 1944 op een proefschrift over Sophocles. Als jonge schrijver trok hij de aandacht met verhalen en romans Zijn roman "Nein. Die Welt der Angeklagten" vond ook in Frankrijk veel weerklank. In de loop der jarer ontwikkelde Jens zich steeds meer tot criticus - in de FAZ, en als lid van de "Gruppe 47". Sommigen noemden hem met een verwijzing naar de militante geest in Frankrijk in de 18e Eeuw de "kleine Voltaire van de Bondsrepubliek." Als literair criticus, werd hij bijna net zo bekend als Marcel Reich-Ranicki in de jaren tachtig. Velen zagen in Jens een "morele autoriteit" en een toegewijde democraat. Samen met collega-schrijvers als Heinrich Böll demonstreerde hij in 1984 tegen de plaatsing van Pershing raketten. Aan zijn universiteit in Tübingen, bleef hij verbonden als hoogleraar klassieke filologie. In 1963 creërde men voor hem een leerstoel algemene retoriek.

 

Uit: Frau Thomas Mann

 

Wer war Frau Thomas Mann? Wer war Katharina Pringsheim? Die Antwort auf die Fragen scheint einfach: Katia, wer denn sonst? Katia, die so bekannt ist wie Heinrich oder Golo, Erika oder Klaus. Eine Figur im Reich des Zauberers, seine engste Vertraute. «K.», die in Thomas Manns Tagebüchern als Mutter seiner Kinder, als seine Begleiterin und Ratgeberin, aber auch als Managerin eines ebenso erfolgreichen wie bedrohten Betriebs erscheint.

Katia, Ehefrau und Mutter – von Mann und Kindern aus gegebenem Anlass in Essays, Reden und brieflichen Huldigungen in ihrer Widersprüchlichkeit beschrieben. «Sie war eine «starke und naive Persönlichkeit», meinte Golo, ihrem Mann an «logisch-juristischer Intelligenz» überlegen und ge- legentlich aufbrausend: «sie hatte den Jähzorn ihres Vaters geerbt».

 

 

Cover

 

 

Katia, die Spiegelfigur, eine von außen betrachtete Gestalt: Wer war sie wirklich? Das «Zubehör» des Zauberers, der ohne seine Frau nicht arbeiten konnte? Gewiss. Aber Katia Mann war mehr: Zentrum einer  amazing family und Partner für Menschen, die Trost brauchten. Niemand kannte die Seelenlage ihres Mannes, Treue und Verlässlichkeit eines androgyn veranlagten Künstlers, so genau wie sie; niemand  wusste so viel von den Geheimnissen der Kinder; niemand beherrschte das Reglement der Diplomatie, von dessen strikter Befolgung das Wohl des  pater familias abhing, mit gleicher Perfektion wie Katharina, geb. Pringsheim, die schon als junges Mädchen von ihrer Mutter gelernt hatte, dass sich Strenge und Liberalität, Ordnung und Leidenschaft sehr wohl vereinen ließen . . . vorausgesetzt, man war intelligent. Und das traf für Katia Mann zu. (Der Zauberer wurde zornig, wenn er in Situationen geriet, in denen seine Frau ihm intellektuell überlegen war.)

Woher wir das wissen? Aus Katias Briefen, Hunderten von bisher unbekannten Schriftstücken, auf denen, als strukturierenden Elementen, unsere Biographie beruht.“

 

 

 

 

Walter Jens (Hamburg, 8 maart 1923)

18:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: walter jens, thomas mann, katia mann, romenu |  Facebook |

24-07-11

Katia Mann, Junichirō Tanizaki, Frank Wedekind, Hermann Kasack

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008 en ook mijn blog van 24 juli 2009 en ook mijn blog van 24 juli 2010.

 

Uit: Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren

 

“Der Boykott der Nazis war schon 1930 offenkundig, und seine Unbeliebtheit in diesen Kreisen hatte Thomas Mann schon damals augenscheinlich dokumentiert bekommen.
Er hielt im Oktober 1930 im Berliner Beethovensaal einen Vortrag namens "Deutsche Ansprache. Ein Appell an die Vernunft". Er war eigens hingefahren, um auf dieser Veranstaltng vor den Nazis zu warnen und gegen sie aufzutreten. Der Abend ist mir, mit all dem Aufruhr und all der Aufregung, die er beschwor, unvergeßlich. Von einem wohlmeinenden Publikum war der Saal halb ausverkauft, oben auf der Galerie jedoch saß Herr Arnolt Bronnen mit einigen anderen Gesinnungsgenossen, Pro-Nazi, aggressiv, und sie hätten am liebsten die Ansprache gesprengt. Sie haben furchtbaren Krach gemacht, Thomas Mann immer wieder unterbrochen und: Unsinn! Schluß! und ähnliches von der Galerie gerufen, daß mein Mann für eine Weile zu sprechen aufhören mußte. Es herrschte große Aufregung im Saal.
Da drehte sich das gesamte Publikum gegen die Galerie und rief: Wir wollen Thomas Mann hören. Ruhe da oben!
Es ging daraufhin ziemlich ungestört weiter. Ich saß in der ersten Reihe, auf dem Podium saß Frau Fischer, und Frau Fischer flüsterte immer: Recht bald Schluß machen. Möglichst bald Schluß machen! Aber mein Mann ließ sich gar nicht stören und führte den Vortrag vollständig zu Ende.
Dann kam Bruno Walter zu uns in das Künstlerzimmer und sagte: Wissen Sie, ich würde jetzt nicht die Haupttreppe hinuntergehen. Da kann man nicht wissen, was passiert. Ich bin ja hier zu Hause, im Beethovensaal. Ich führe Sie auf der Hintertreppe hinunter. So geschah es denn auch. Über die Hintertreppe und einige Verbindungsgänge gelangten wir ins Freie, und Bruno Walter führte uns zu seinem Wagen, den er in einem Hof abgestellt hatte, und brachte uns sicher fort.”

 

 


Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)

Thomas en Katia Mann

Lees meer...

24-07-10

Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Junichirō Tanizaki, Katia Mann, Frank Wedekind, Hermann Kasack, E. F. Benson, Alexandre Dumas père, Betje Wolff

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 24e juli mijn blog bij seniorennet.be 

  

Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Junichirō Tanizaki, Katia Mann

                       

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 24e juli ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag

 

Frank Wedekind, Hermann Kasack, E. F. Benson, Alexandre Dumas père, Betje Wolff

 

24-07-09

Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Junichirō Tanizaki, E. F. Benson, Alexandre Dumas père, Betje Wolff, Katia Mann, Frank Wedekind, Hermann Kasack


De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008.

 

Uit: Ik Claudius (Vertaald door Lodewijck W. van Savoijen)

 

“Ik, Tiberius Claudius Drusus Nero Germanicus enzovoort (want ik zal u niet direct met mijn complete arsenaal van titels vervelen), die ooit, en nog niet eens zo lang geleden, bij mijn vrienden, verwanten en kennissen bekendstond als ‘Claudius de dwaas’, ‘Claudius de stotteraar’, ‘Clau-Clau-Claudius’ of als het meezat ‘arme oom Claudius, stel hier mijn eigenaardige levensgeschiedenis te boek vanaf mijn vroegste jeugd tot aan het beslissende moment van verandering, ongeveer acht jaar geleden, waarop ik als eendenvijftigjarige plotseling verzeild raakte in wat ik de ‘gouden kooi’ zal noemen en waaruit ik niet meer heb kunnen ontsnappen.

Dit is beslist niet mijn eerste boek. Integendeel; literatuur, en in het bijzonder de geschiedschrijving – die ik hier in Rome als jongeman onder de beste hedendaagse meesters heb gestudeerd – vormde tot aan het moment van de verandering gedurende meer dan vijfendertig jaar mijn enige professie. Mijn lezers hoeven zich dan ook niet te verbazen over mijn breedvoerige stijl: het is inderdaad Claudius zelf die dit boek schrijft, niet een van zijn secretarissen en ook niet zo’n professionele kroniekschrijver die bekende personen plegen aan te stellen om hun overpeinzingen te communiceren in de hoop dat de zwierige schrijftrant de schraalheid van hun ideeën compenseert en vleiende woorden onvolkomenheden wegpoetsen.

In dit werk, dat zweer ik bij alle goden, ben ik mijn eigen secretaris en mijn eigen biograaf: ik schrijf dit met mijn eigen hand, en welke gunst zou ik van mezelf hopen te verweven met mooipraterij? Ik kan hier overigens nog aan toevoegen dat dit niet de eerste levensgeschiedenis is die ik op schrift stel. Ik heb er al eerder een gemaakt, in acht delen, als een bijdrage aan het stadsarchief. Het was een saai boekwerk en uitsluitend geschreven om te voldoen aan verzoeken uit het volk. Zelf hecht ik er weinig waarde aan. Om eerlijk te zijn, was ik tijdens het schrijven ervan, twee jaar geleden, erg druk met andere zaken.”

 

 

 

Graves
Robert Graves (24 juli 1895 - 7 december 1985)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd  geboren op 24 juli 1863 in Westervoort Zie ook mijn blog van 24 juli 2006 en ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008.

 

 

Wit hing en stil...

 

Wit hing en stil de dauw over de weiden. –

Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,

Stond, hoog, in ’t west wit licht boven de kim. –

Niets werk’lijks was er meer, niets dan wij beiden.

 

En op die heuvel, op die bank van ons,

Boven de dauw, zaten we als op een eiland;

En ’t wit doorschijnend licht, het witte weiland

Leek stilte; en de stilte was als dons.

 

Boven de wereld zaten we; en we schrokken,

Als om ons in besliste vaart een tor

Een kromme draad trok van donker gesnor,

Wegbuigend in dempende nevelvlokken.

 

Jouw haar, rood in de schem’ring, aaide ik glad:

Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,

En deed mijn handen en mijn lippen branden

Op jou, die ik het diepst heb liefgehad.

 

 

 

 

'k Maak in gedachten vaak een bedevaart

 

'k Maak in gedachten vaak een bedevaart:

dan sta 'k weer op die plek, die zomerdag,

waar ik door de eikenlaan je komen zag;

als relikwie heb ik dat beeld bewaard:

 

uit zonn'ge bomen dropte op zonnige aard'

overal neer de zonn'ge vinkenslag;

'k zag op jouw gezicht die blije lach,

en 'k dacht op eens: 'Ben ik die liefde waard?'

 

En één ding weet ik: als jij dood mocht gaan,

zal 't zijn, als stond ik weer in de eikenlaan,

toen jij zou komen met jouw lief gezicht.

 

Dan wordt die zomerdag, zolang voorbij,

een vizioen van toekomst, waarin jij

MIJ staat te wachten in onwerelds licht.

 

 

 

 

 

Violenbed

 

Het hele perk was vol: je zag geen zand.

De paarsen leken ernstige oude heertjes,

De bruinen glanzend-moll'ge, goed'ge beertjes,

De gelen pluimen van een goudfazant;

 

En massa's witten stonden om de rand,

Zo wit als vlinders of als duivenveertjes,

Net roomse kindertjes in Pinksterkleertjes,

Die om iets heiligs heen staan, hand in hand. -

 

Verwilderd is 't, deels plat, deels uitgeschoten,

Zodat ik - 'k zie ze nog - die mooie groten

In de verschrompelden nauw'lijks herken;

 

Maar even lang als toen sta ik te kijken:

Ze deden goed hun best; 't mag nu niet lijken,

Alsof 'k voor 't vroeger moois ondankbaar ben

 

 

 

 

 

 

dermouw1885
Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)

 

 

 

 

 

De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli 1964 inTokyo. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007  en ook mijn blog van 24 juli 2008.

 

Uit : Kitchen (Vertaald door Megan Backus)

 

Three days after the funeral I was still in a daze. Steeped in a sadness so great I could barely cry, shuffling softly in gentle drowsiness, I pulled my futon into the deathly silent, gleaming kitchen. Wrapped in a blanket, like Linus, I slept. The hum of the refrigerator kept me from thinking of my loneliness. There, the long night came on in perfect peace, and morning came.

But ... I just wanted to sleep under the stars.

I wanted to wake up in the morning light.

Aside from that, I just drifted, listless.

However! I couldn't exist like that. Reality is wonderful.

I thought of the money my grandmother had left me-just enough. The place was too big, too expensive, for one person. I had to look for another apartment. There was no way around it. I thumbed through the listings, but when I saw so many places all the same lined up like that, it made my head swim. Moving takes a lot of time and trouble. It takes energy.

I had no strength; my joints ached from sleeping in the kitchen day and night. When I realized how much effort moving would require-I'd have to pull myself together and go look at places. Move my stuff. Get a phone installed-I lay around instead, sleeping, in despair. It was then that a miracle, a godsend, came calling one afternoon. I remember it well.

Dingdong. Suddenly the doorbell rang.

It was a somewhat cloudy spring afternoon. I was intently involved in tying up old magazines with string while glancing at the apartment listings with half an eye but no interest, wondering how I was going to move. Flustered, looking like I'd just gotten out of bed, I ran out and without thinking undid the latch and opened the door. Thank god it wasn't a robber. There stood Yuichi Tanabe.

"Thank you for your help the other day," I said. He was a nice young man, a year younger than me, who had helped out a lot at the funeral. I think he'd said he went to the same university I did. I was taking time off.”

 

 

 

yoshimoto
Banana Yoshimoto (Tokyo, 24 juli 1964)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Rosemarie Schuder werd geboren op 24 juli 1928 in Jena. Na haar gymnasiumopleiding werkte zij als freelance journaliste. Tegenwoordig woont zij als zelfstandig schrijfster in Berlijn. Zij schrijft voornamelijk historische romans, zoals bijvoorbeeld over Paracelsus, Johannes Kepler en Michelangelo. In 1958 ontving zij de Heinrich Mann prijs en in 1969, 1978 en 1988 de Nationale Prijs van de DDR.

 

Uit: In der Mühle des Teufels

 

„Noch am frühen Morgen waren sie bereit gewesen, heranzustürmen gegen das Schloß. Aber der lange Tag mit dem Streit, dem Hunger, dem Gestank, dem Durst, der Ungewißheit, ob die im Schloß ausbrechen würden, hatte sie müde gemacht. Die meisten von ihnen waren Bauern, sie waren eine strenge Tagesregel gewohnt. Jetzt, da sie keinen schnellen Erfolg sahen, wünschten sie, sie wären zu Hause. Der Befehl, einen Graben auszuheben, erschien ihnen sinnlos. Vor Einbruch der Dunkelheit gingen unter den Belagerern Flugblätter von Hand zu Hand. Wer nicht lesen konnte, dem wurde vorgelesen: "Wer bis in die Morgenstunden des 13. Mai 1625 das Gebiet von Schloß Frankenburg im Umkreis von zwanzig Meilen nicht verlassen hat, wird erschossen. Geht unverzüglich nach Hause! Wer einen Rädelsführer angibt oder ausliefert, kann belohnt werden. Wer glaubt, irgendeine Beschwerde zu haben, kann sie beim Statthalter mündlich oder schriftlich einbringen. Es wird nach Möglichkeit Abhilfe geschaffen. Wer mit einer Waffe außer Haus angetroffen wird, wird erschossen. Sein Besitz wird eingezogen. Gezeichnet Graf Adam von Herbersdorff, Statthalter." Die Anführer versuchten die Nacht über, den Haufen zusammenzuhalten. Sie erklärten, wenn der Feind schon so eine drohende Sprache führe, dann müsse er sehr unsicher sein. Es war weniger die Angst, die ihren Abzug veranlaßte, als die Unzufriedenheit über die ergebnislose Belagerung, die sie, die Bauern, mehr anstrengte und plagte als die Herren Kommissäre im Schlosse. Und auch ihre Uneinigkeit war zu groß. Sie gingen nach Hause in ihre Dörfer. "Kommst du mit, Baumgartner, zum Statthalter? Es heißt, er reitet auf Frankenburg zu, so geh ich ihm entgegen.“

 

 

 

 

Schuder
Rosemarie Schuder (Jena,  24 juli 1928)

 

 

 

 

 

De Japanse schrijver Junichirō Tanizaki werd geboren in Tokio op 24 juli 1886. Tanizaki kwam uit een welgestelde familie van zakenlieden uit het stadsdeel Nihonbashi in Tokio. Zijn vader was eigenaar van een drukkerij die door zijn grootvader was opgericht. In zijn Yosho jidai ("Kinderjaren", 1956) schrijft Tanizaki dat hij een zorgeloze jeugd heeft gehad. Tanizaki studeerde literatuur aan de Keizerlijke Universiteit van Tokio, maar moest in 1911 zijn studie staken bij gebrek aan geld. Tanizaki's literaire carrière begon in 1909. Hij schreef een toneelstuk in één bedrijf dat werd gepubliceerd in een literair tijdschrift dat hij zelf had helpen oprichten. Hij liet zich in deze periode inspireren door het Westen en modernismen. In 1922 verhuisde hij zelfs naar Yokohama, waar een grote groep buitenlanders woonde, woonde korte tijd in een huis in Westerse stijl en leefde als een bohemien.

Tanizaki werd bekend met de publicatie van zijn korte verhaal Shisei ("De tatoeëerder", 1910). In dit verhaal zet de tatoeëerder een reusachtige "prostitueespin" op het lichaam van een mooie jonge vrouw. Daarna krijgt de schoonheid van de vrouw een demonische macht waarbij erotiek wordt gecombineerd met sadomasochisme. Het thema van de femme fatale komt vaker voor in de eerdere werken van Tanizaki, zoals Shonen ("De kinderen", 1911), Himitsu ("Het geheim," 1911) en Akuma ("Duivel", 1912). Tanizaki's andere werk uit de Taishōperiode zijn onder andere de deels biografische werken Shindo (1916) and Oni no men (1916). Tanizak is nog steeds een van de populairste literaire schrijvers in Japan.

 

Uit: Makioka Sisters (Vertaald door Edward G. Seidensticker)

 

“Would you do this please, Koi-san?"

Seeing in the mirror that Taeko had come up behind her, Sachiko stopped powdering her back and held out the puff to her sister. Her eyes were still on the mirror, appraising the face as if it belonged to someone else. The long under-kimono, pulled high at the throat, stood out stiffly behind to reveal her back and shoulders.

"And where is Yukiko?"

"She is watching Etsuko practice," said Taeko. Both sisters spoke in the quiet, unhurried Osaka dialect. Taeko was the youngest in the family, and in Osaka the youngest girl is always "Koi-san," "small daughter."

They could hear the piano downstairs. Yukiko had finished dressing early, and young Etsuko always wanted someone beside her when she practiced. She never objected when her mother went out, provided that Yukiko was left to keep her company. Today, with her mother and Yukiko and Taeko all dressing to go out, she was rebellious. She very grudgingly gave her permission when they promised that Yukiko at least would start back as soon as the concert was over--it began at two--and would be with Etsuko for dinner.

"Koi-san, we have another prospect for Yukiko."

"Oh?"

The bright puff moved from Sachiko's neck down over her back and shoulders. Sachiko was by no means round-shouldered, and yet the rich, swelling flesh of the neck and back somehow gave a suggestion of a stoop. The warm glow of the skin in the clear autumn sunlight made it hard to believe that she was in her thirties.

"It came through Itani."

"Oh?"

"The man works in an office, M.B. Chemical Industries, Itani says."

"And is he well off?"

"He makes a hundred seventy or eighty yen a month, possibly two hundred fifty with bonuses."

 

 

 

tanizaki_junichiro
Junichirō Tanizaki (24 juli 1886 – 30 juli 1965)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver E. F. Benson werd geboren in Berkshire op 24 juli 1867. Hij was het vijfde kind van de rector van Wellington College. Hij studeerde aan het Marlborough College in Marlborough, Wiltshire en aan het King’s College in Cambridge.Hij schreefd meer dan negentig boeken. Tot de populairste behoorden Queen Lucia“ (1920) und „Lucia in London“ (1927).

 

Uit: Lucia in London

 

“Considering that Philip Lucas's aunt who died early in April was no less than eighty-three years old, and had spent the last seven of them bedridden in a private lunatic asylum, it had been generally and perhaps reasonably hoped among his friends and those of his wife that the bereavement would not be regarded by either of them as an intolerable tragedy. Mrs. Quantock, in fact, who, like everybody else at Riseholme, had sent a neat little note of condolence to Mrs. Lucas, had, without using the actual words "happy release," certainly implied it or its close equivalent. She was hoping that there would be a reply to it, for though she had said in her note that her dear Lucia mustn't dream of answering it, that was a mere figure of speech, and she had instructed her parlour-maid who took it across to 'The Hurst' immediately after lunch to say that she didn't know if there was an answer, and would wait to see, for Mrs. Lucas might perhaps give a little hint ever so vaguely about what the expectations were concerning which everybody was dying to get information. . . . While she waited for this, Daisy Quantock was busy, like everybody else in the village on this beautiful afternoon of spring, with her garden, hacking about with a small but destructive fork in her flower-beds. She was a gardener of the ruthless type, and went for any small green thing that incautiously showed a timid spike above the earth, suspecting it of being a weed. She had had a slight difference with the professional gardener who had hitherto worked for her on three afternoons during the week, and had told him that his services were no longer required.”.

 

 

 

 

benson
E. F. Benson (24 juli 1867 – 29 februari 1940)

 

 

 

 

 

De Franse dramaturg en schrijver Alexandre Dumas père werd geboren in (Villers-Cotterêts (Aisne) op 24 juli 1802. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007  en ook mijn blog van 24 juli 2008.

 

Uit: Le Speronare

 

« - Seigneur, dit alors l'un d'eux, tandis que les autres continuaient de crier et de pleurer : seigneur, nous sommes les députés de la terre de Sicile, pauvre terre abandonnée de Dieu, de tout seigneur et de toute bonne aide terrestre ; nous sommes de malheureux captifs tout près de périr, hommes, femmes et enfants, si vous ne nous secourez. Nous venons, seigneur, vers votre royale majesté, de la part de ce peuple orphelin, vous crier grâce et merci ! Au nom de la Passion, que Notre-Seigneur Jésus-Christ a soufferte sur la croix pour le genre humain, ayez pitié de ce malheureux peuple ; daignez le secourir, l'encourager, l'arracher à la douleur et à l'esclavage auxquels il est réduit. Et vous le devez le faire, seigneur, par trois raisons : la première, parce que vous êtes le roi le plus saint et le plus juste qu'il y ait au monde ; la seconde parce que tout le royaume de Sicile appartient et doit appartenir à la reine votre épouse, et après elle à vos fils les infants, comme étant de la lignée du grand empereur Frédéric et du noble roi Manfred, qui étaient nos légitimes ; et la troisième enfin parce que tout chevalier, et vous êtes, sire, le premier chevalier de votre royaume, est tenu de secourir les orphelins et les veuves.
Or, la Sicile est veuve par la perte qu'elle a faite d'un aussi bon seigneur que le roi Manfred ; or, les peuples sont orphelins parce qu'ils n'ont ni père ni mère qui les puissent défendre, si Dieu, vous et les vôtres, ne venez à leur aide. Ainsi donc, saint seigneur, ayez pitié de nous, et venez prendre possession d'un royaume qui vous appartient à vous et à vos enfants, et, tout ainsi que Dieu a protégé Israël en lui envoyant Moïse, venez de la part de Dieu tirer ce pauvre peuple des mains du plus cruel Pharaon qui ait jamais existé ; car, nous vous le disons, seigneur, il n'est pas de maîtres plus cruels que ces Français pour les pauvres gens qui ont le malheur de tomber en leur pouvoir. »

 

 

 

Alexandre_Dumas_1
Alexandre Dumas père (24 juli 1802 - 5 december 1870)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Betje Wolff (eig. Elizabeth Bekker) werd geboren in Vlissingen op 24 juli 1738. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008.

 

Uit: Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart

 

Mejuffrouw Sara Burgerhart aan den Heer Abraham Blankaart.

Ge-eerde heer, zeer ge-achte voogd!

Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geëerden Voogd. Waarlyk, ik heb geschreid, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant. Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan. Och, zo waar, ik heb u geen één jokkentje, hoe klein ook, op den mouw gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt.

De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw van een fatsoen-

]lyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Eene myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook.

Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat berispelyk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary wil verlagen, eene ondeugd, die allerasschuwlykst voor my is; en waar aan ik my zeker nooit zal te buitengaan.

Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven: Laat my toe, dit nogmaal te zeggen.

Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! Ik zing al in voorraad. o! Wat zal die fraai zyn; Mooglyk is er wel van Rousseau's Compositie by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart, daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryën; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag, en ik heb zulke mooije Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het Pakje aan Tantes huis niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur: ik zal hier een adresje insluiten.”

 

 

 

 

betje_wolff
Betje Wolff (24 juli 1738 - 5 november 1804)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008.

 

Uit: Katia Mann hat sich nicht geopfert (Interview met Frido Mann, Welt am Sonntag, 3 maart 2003)

 

« WamS: Was fällt Ihnen spontan ein, wenn Sie an Ihre Großmutter denken?

Mann: Ihre Widersprüchlichkeit. Sie konnte ungeheuer zärtlich, liebevoll und großzügig sein, aber auch schroff, dominant und ungeduldig.

WamS: Inge und Walter Jens sind sich einig, dass „Frau Thomas Mann" intelligenter war als ihr Mann. Teilen Sie diese Meinung?

Mann: Auf jeden Fall hatte sie einen scharfen Verstand, unter dem Thomas Mann gelegentlich gelitten hat. Sie hat sich nicht untergeordnet, und er konnte es schlecht ertragen, von ihr widerlegt zu werden.

WamS: Auch Katias politischer Weitblick wird gerühmt ...

Mann: Sie hat schon 1923, zur Zeit der Inflation, hellsichtig vorausgesehen: „Ein Volk, das sich so etwas gefallen lässt, wird noch ganz andere Dinge mit sich machen lassen."

WamS: Sie waren der Lieblingsenkel von Thomas Mann. Hat Ihre Großmutter auch Prioritäten gesetzt oder waren ihr alle vier Enkel, egal ob Junge oder Mädchen, gleich lieb?

Mann: Soweit ich mich erinnere, hat sie immer versucht, Ungerechtigkeiten auszugleichen, uns allen ihre Aufmerksamkeit zu widmen.

WamS: Nach dem Tod von Thomas Mann haben Sie acht Jahre bei Ihrer Großmutter in der Schweiz gelebt und gelernt. Rückblickend eine schöne Zeit?

Mann: In den ersten vier Jahren war ich noch Schüler. Katia Mann hat mir beigestanden. Doch bei schlechten Noten kannte sie kein Pardon. Ich erinnere mich, dass ich sie mit der Ausrede „Ach, ich habe wieder Pech gehabt" gnädig stimmen wollte. Ungeduldig schimpfte sie: „Neunmal Pech ist Pech, zehnmal Pech ist Schuld." Nicht gerade angenehm, aber prägend. »

 

 

 

 

 

KatjaMann
Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)

Katja en Thomas Mann, 1929 voor het hotel Adlon in Berlijn

 

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver en acteur Frank Wedekind werd geboren in Hannover op 24 juli 1864. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008.

 

Uit: Die Büchse der Pandora

 

Der normale Leser

schwankt herein

 

          Ich möchte gern ein Buch bei Ihnen kaufen.

Was drin steht, ist mir gänzlich einerlei.

Der Mensch lebt, heißt es, nicht allein vom Saufen.

Auch wünsch' ich dringend, daß es billig sei.

Die älteste Tochter will ich zum Gedenken

Der ersten Kommunion damit beschenken.

 

Der rührige Verleger

 

 Da kann ich Ihnen warm ein Buch empfehlen,

Bei dem das Herz des Menschen höher schlägt.

Heut lesen es schon fünf Millionen Seelen,

Und morgen wird's von neuem aufgelegt.

Für jeden bleibt's ein dauernder Gewinn,

Steht doch für niemand etwas Neues drin.

 

Der verschämte Autor

schleicht herein

 

    Ein Buch möcht' ich bei Ihnen drucken lassen;

Zehn Jahre meines Lebens schrieb ich dran.

Das Weltall hofft' ich brünstig zu umfassen

Und hab's kaum richtig mit dem Weib getan.

Was lernend ich dabei als wahr empfand,

Hab' ich in schlottrig schöne Form gebannt.

 

Der hohe Staatsanwalt

stürmt herein

 

    Ich muß ein Buch bei Ihnen konfiszieren,

Vor dem die Haare mir zu Berge stehn.

Erst sah den Kerl man alle Scham verlieren,

Nun läßt er öffentlich für Geld sich sehn.

Drum werden wir ihn nach dem Paragraphen

Einhundertvierundachtzig streng bestrafen.

 

 

 

 

 

wedekind
Frank Wedekind (24 juli 1864 - 9 maart 1918)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook Zie ook mijn blog van 24 juli 2007.

 

De Duitse schrijver Hermann Kasack werd geboren op 24 juli 1896 in Potsdam.

 

 

24-07-08

Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw, Alexandre Dumas père, Banana Yoshimoto, Betje Wolff, Katia Mann, Frank Wedekind, Hermann Kasack


De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007.

 

 

Babylon

 

The child alone a poet is:
Spring and Fairyland are his.
Truth and Reason show but dim,
And all’s poetry with him.
Rhyme and music flow in plenty
For the lad of one-and-twenty,
But Spring for him is no more now
Than daisies to a munching cow;
Just a cheery pleasant season,
Daisy buds to live at ease on.
He’s forgotten how he smiled
And shrieked at snowdrops when a child,
Or wept one evening secretly
For April’s glorious misery.
Wisdom made him old and wary
Banishing the Lords of Faery.
Wisdom made a breach and battered
Babylon to bits: she scattered
To the hedges and ditches
All our nursery gnomes and witches.
Lob and Puck, poor frantic elves,
Drag their treasures from the shelves.
Jack the Giant-killer’s gone,
Mother Goose and Oberon,
Bluebeard and King Solomon.
Robin, and Red Riding Hood
Take together to the wood,
And Sir Galahad lies hid
In a cave with Captain Kidd.
None of all the magic hosts,
None remain but a few ghosts
Of timorous heart, to linger on
Weeping for lost Babylon.

 

 

 

 

 

The Persian Version

 

Truth-loving Persians do not dwell upon
The trivial skirmish fought near Marathon.
As for the Greek theatrical tradition
Which represents that summer's expedition
Not as a mere reconnaisance in force
By three brigades of foot and one of horse
(Their left flank covered by some obsolete
Light craft detached from the main Persian fleet)
But as a grandiose, ill-starred attempt
To conquer Greece - they treat it with contempt;
And only incidentally refute
Major Greek claims, by stressing what repute
The Persian monarch and the Persian nation
Won by this salutary demonstration:
Despite a strong defence and adverse weather
All arms combined magnificently together.

 

 

 

 

 

Call It a Good Marriage

 

Call it a good marriage -
For no one ever questioned
Her warmth, his masculinity,
Their interlocking views;
Except one stray graphologist
Who frowned in speculation
At her h's and her s's,
His p's and w's.

Though few would still subscribe
To the monogamic axiom
That strife below the hip-bones
Need not estrange the heart,
Call it a good marriage:
More drew those two together,
Despite a lack of children,
Than pulled them apart.

Call it a good marriage:
They never fought in public,
They acted circumspectly
And faced the world with pride;
Thus the hazards of their love-bed
Were none of our damned business -
Till as jurymen we sat on
Two deaths by suicide.

 

 

 

 

 

 

gravesathisdesk
Robert Graves (24 juli 1895 - 7 december 1985)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd  geboren op 24 juli 1863 in Westervoort Zie ook mijn blog van 24 juli 2006 en ook mijn blog van 24 juli 2007.

 

 

Zomer

 

1.

 

't Aardoppervlak zie 'k als een schedelhuid:

Zweetstralen, sijp'len stinkende rivieren,

Waarlangs vuil-groenig roos en schimmel tieren;

Gebergten schurft steken er boven uit;

 

Mensch-luizen, in hun nesten meest op buit

Rondkrauw'lend, zie 'k land'lijke blijdschap vieren,

Verpletterd soms, als 't trekken van wat spieren

De rotsen storten doet, schurftkluit na kluit.

 

De hemel lijkt een broeierige pet,

Aan gele knoop, die doorschijnt, in vervoering

Om 't mooie weer jolig scheef opgezet;

 

En smullend van de zweetdamp, loom en vet

En week en wit hangen in stille ontroering

De wolkenteken aan de blauwe voering.

 

 

 

 

 

Dof violet is 't west en paarsig grijs

 

Dof violet is 't west en paarsig grijs.
Nog wandel 'k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over 't hol rinkelend ijs:

 

Ik heb 't gevoel, of 'k op 't bevroren glas
Cirk'lend, zwevend, zwenkend op kunst'ge wijs,
Met 't buigend bovenlichaam daal en rijs:
'T is in mijn rug, of 'k zelf op schaatsen was.

 

Zo hoop 'k dat, langs wiens geest mijn verzen glijen,
Alleen, in paren, of in lange rijen,
Schomm'lend op maat en rijm van hollands staal,

 

Dat hij de wind, die mij droeg, zelf hoort waaien,
En 't fijn slieren en 't heerlijk brede zwaaien
Voelt van zijn eigen stemming in mijn taal.

 

 

 

 

 

'k Zat, jong, graag in mijn pereboom te deinen

 

'K zat, jong, graag in mijn pereboom te deinen:
In de afgeknotte top had ik een plank
Getimmerd, en gevlochten, rank door rank,
Klimop tot rugleun en veil'ge gordijnen.

 

Mijn zomerzon zag 'k in mijn tuinen schijnen,
Zelf in groen licht op wiegelende bank;
Een open schoolraam galmde in zeur'ge klank
Van kale en korte Karels en Pepijnen.

 

Zo, daadloos, boven 't leven, kijk ik toe:
Mijn wereld ligt in de avondzon; 't wordt laat.
Mij zelf en and'ren heb ik ondergaan.

 

'K lach om wie zegt, dat ik mijn plicht niet doe;
En, wachtend, schommel ik op rijm en maat:
Nooit heb ik zo, als nu, mijn plicht gedaan.

 

 

 

 

 

 

Dermouw
Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)

 

 

 

 

De Franse dramaturg en schrijver Alexandre Dumas père werd geboren in (Villers-Cotterêts (Aisne) op 24 juli 1802. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007.

 

Uit: Mes Mémoires

 

“Frédéric ne m'avait pas menti ; on avait organisé - qui cela ? Je ne m'en doute même pas -, on avait organisé, ou peut-être même, sans aucun agglutinatif que la haine qu'on nous portait, s'était organisée toute seule la plus rude cabale qu'on eût jamais vue. Comme d'habitude, j'assistais à ma première représentation dans une loge ; je ne perdis donc rien des incidents de cette terrible bataille qui dura sept heures, et dans laquelle, dix fois terrassée, la pièce se releva toujours, et finit, à deux heures du matin, par mettre le public, haletant, épouvanté, terrifié, sous son genou. Oh ! je le dis, avec un enthousiasme qui n'a rien perdu de sa force par ces vingt-cinq ans de guerre, et malgré mes cinquante succès, c'est une grande et magnifique lutte que celle du génie de l'homme contre la volonté mauvaise du public, la vulgarité des assistants, la haine des ennemis ! Il y a une satisfaction immense à sentir, aux endroits dramatiques, l'opposition plier sur les jarrets, et, lentement renversée en arrière, toucher la terre de sa tête vaincue ! oh ! comme la victoire donnerait de l'orgueil, si, au contraire, chez les bons esprits, elle ne guérissait pas de la vanité !

Il est impossible de rendre, après le monologue de Sentinelli à la fenêtre, sifflé, il est impossible de rendre l'effet de l'arrestation de Monaldeschi ; toute la salle éclata rugissante d'applaudissements, et, quand, au cinquième acte, Monaldeschi, sauvé par l'amour de Christine, envoya la bague empoisonnée à Paula, il y eut des cris de fureur contre le lâche assassin, lesquels se convertirent en bravos frénétiques, quand on le vit, blessé déjà, sanglant, se traînant bas, et rampant aux pieds de la reine, qui, malgré ses supplications et ses prières, prononça ce vers, jugé impossible par Picard :

« Eh bien, j'en ai pitié, mon père... Qu'on l'achève ! »

Cette fois, la salle était vaincue, le succès décidé.”

 

 

 

 

 

dumas-pere-Dumas
Alexandre Dumas père (24 juli 1802 - 5 december 1870)

Foto van Felix Nadar

 

 

 

 

De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli 1964 inTokyo. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007.

 

Uit : Kitchen (Vertaald door Megan Backus)

 

« The place I like best in this world is the kitchen. No matter where it is, no matter what kind, if it's a kitchen, if it's a place where they make food, it's fine with me. Ideally it should be well broken in. Lots of tea towels, dry and immaculate. White tile catching the light (ting! ting!).

I love even incredibly dirty kitchens to distraction-vegetable droppings all over the floor, so dirty your slippers turn black on the bottom. Strangely, it's better if this kind of kitchen is large. I lean up against the silver door of a towering, giant refrigerator stocked with enough food to get through a winter. When I raise my eyes from the oil-spattered gas burner and the rusty kitchen knife, outside the window stars are glittering, lonely.

Now only the kitchen and I are left. It's just a little nicer than being all alone.

When I'm dead worn out, in a reverie, I often think that when it comes time to die, I want to breathe my last in a kitchen. Whether it's cold and I'm all alone, or somebody's there and it's warm, I'll stare death fearlessly in the eye. If it's a kitchen, I'll think, "How good."

Before the Tanabe family took me in, I spent every night in the kitchen. After my grandmother died, I couldn't sleep. One morning at dawn I trundled out of my room in search of comfort and found that the one place I could sleep was beside therefrigerator.

My parents-my name is Mikage Sakurai-both died when they were young. After that my grandparents brought me up. I was going into junior high when my grandfather died. From then on, it was just my grandmother and me.

When my grandmother died the other day, I was taken by surprise. My family had steadily decreased one by one as the years went by, but when it suddenly dawned on me that I was all alone, everything before my eyes seemed false. The fact that time continued to pass in the usual way in this apartment where I grew up, even though now I was here all alone, amazed me. It was total science fiction. The blackness of the cosmos. “

 

 

 

Yoshimoto
Banana Yoshimoto (Tokyo, 24 juli 1964)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Betje Wolff (eig. Elizabeth Bekker) werd geboren in Vlissingen op 24 juli 1738. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007.

 

Uit: Historie van den heer Willem Leevend

 

Waarde vriendin!

 

Ik moet, al zou Dominé morgen geen schoone bef om zyn hals hebben, alles neer gooijen, waar aan ik bezig ben. - Ik heb u wat nieuws te zeggen. Daar hoor ik van myne Naaister, dat uws Broêrs Weduw trouwen zal met Gerrit van Oldenburg! wel, nu sla ik er geen hand aan: Mevrouw Leevend trouwen met zo een Taggeryn! zo een Beer op sokken! zulk een Nero niemands vriend! Een man zonder opvoeding, zonder manieren! Zy zo polit, zo zedig, zo attent op alles! Dat is my te geleerd. Zou zy uit belang dien ryken Fokkert aanslaan? Ik meende, dat zy er warmpjes inzat. Weet gy wat, Vriendin, als ik evenwel zulk een lief waardig man in 't graf had, als zy heeft, ik zou Gerrit van Oldenburg wel hebben laaten waaijen. 't Is waar, hy ziet er wel genoeg uit; is van haare jaaren; staat ter goeder naam en faam; heeft kind noch kraai in de waereld; is een geschikt bejaard vryer. Ik moet zeggen zo als het is.

Hoe zal dit onze Daatje toch monden? Hoe zal Wim dat aanstaan? Hy geeft zich vry wat airs, en is zo mal met zyne Moeder; nu, zy blyft hem niets schuldig. 't Is of zy alleen voor Zoontje leeft. Ik ging met dit nieuwtje, zo dryvend, naar Dominees studeerkamer; want ik maak geen moordkuil van myn hart: ‘Hoe komtje dat voor? zei ik.’ ‘Heel wel, kind, zei hy; Mevrouw Leevend is eene verstandige Vrouw, en van Oldenburg een geschikt Man.’ Nu, ik zeg verstandig tegen haar! Is dit Huwlyk echter het grootste bewys van haar verstand, dan durf ik ook nog met myne klompen op 't ys koomen; dan kan ik ook vloot houden. Ei, kom, het lykt immers nergens naar! Ik hou niet extra veel van Mevrouw Leevend; my is zy te precis. Maar toch zo een misselyk figuur moest zy niet neemen. 't Is eene braave Vrouw; en zo zy wat minder geheel anders was als ik ben, ik zou haar heel liefhebben, en haar dit Huwlyk sterk afraaden.”

 

 

 

 

wolf
Betje Wolff (24 juli 1738 - 5 november 1804)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007.

 

Uit: Frau Thomas Mann (door Inge und Walter Jens)

 

„Wer war Frau Thomas Mann? Wer war Katharina Pringsheim? Die Antwort auf die Fragen scheint einfach: Katia, wer denn sonst? Katia, die so bekannt ist wie Heinrich oder Golo,Erika oder Klaus. Eine Figur im Reich des Zauberers, seine engste Vertraute. «K.», die in Thomas Manns Tagebüchern als Mutter seiner Kinder, als seine Begleiterin und Ratgeberin, aber auch als Managerin eines ebenso erfolgreichen wie bedrohten Betriebs erscheint. Katia, Ehefrau und Mutter – von Mann und Kindern aus gegebenem Anlass in Essays, Reden und brieflichen Huldigungen in ihrer Widersprüchlichkeit beschrieben. «Sie war eine «starke und naive Persönlichkeit», meinte Golo, ihrem Mann an «logisch-juristischer Intelligenz» überlegen und gelegentlich aufbrausend: «sie hatte den Jähzorn ihres Vaters geerbt».

Katia, die Spiegelfigur, eine von außen betrachtete Gestalt: Wer war sie wirklich? Das «Zubehör» des Zauberers, der ohne seine Frau nicht arbeiten konnte? Gewiss. Aber Katia Mann war mehr: Zentrum einer amazing family und Partner für Menschen, die Trost brauchten. Niemand kannte die Seelenlage ihres Mannes, Treue und Verlässlichkeit eines androgyn veranlagten Künstlers, so genau wie sie; niemand wusste so viel von den Geheimnissen der Kinder; niemand beherrschte das Reglement der Diplomatie, von dessen strikter Befolgung das Wohl des pater familias abhing, mit gleicher Perfektion wie Katharina, geb. Pringsheim, die schon als junges Mädchen von ihrer Mutter gelernt hatte, dass sich Strenge und Liberalität, Ordnung und Leidenschaft sehr wohl vereinen ließen ... vorausgesetzt, man war intelligent. Und das traf für Katia Mann zu. (Der Zauberer wurde zornig, wenn er in Situationen geriet, in denen seine Frau ihm intellektuell überlegen war.)

Woher wir das wissen? Aus Katias Briefen, Hunderten von bisher unbekannten Schriftstücken, auf denen, als strukturierenden Elementen, unsere Biographie beruht. Verschlossen bisher in Archiven, treten in dieser Dokumentation Zeugnisse ans Licht, die Katias Leben aus ihrer eigenen Perspektive erhellen.“

 

 

 

 

mann
Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)

Katia en Thomas Mann in Lübeck, 1955

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver en acteur Frank Wedekind werd geboren in Hannover op 24 juli 1864. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007.

 

Die neue Kommunion

 

Eine Offenbarung Gottes

Gratisbeigabe zum »Neuen Vaterunser«

 

Lischen kletterte flink hinauf
Bis in die höchsten Äste,
Fing in der Schürze die Äpfel auf
Ihrer Mutter zum Feste.

 

Ich lag unten, verliebt und faul,
Auf dem Rücken im Grase,
Mancher Apfel fiel mir ins Maul,
Mancher mir auf die Nase.

 

Jetzt stand Lischen auf starkem Ast,
Schelmisch sah sie hernieder,
Ihres Leibes liebliche Last
Wiegte sich hin und wider.

 

Innig umschlungen hielten sich
Splitternackt ihre Füße,
Öffneten sich und befühlten sich
Winkten mir tausend Grüße.

 

Durch das Röckchen sandte der Tag
Seine goldenen Strahlen,
Was darunter geborgen lag
Farbenprächtig zu malen.

 

Schimmernd rings um die zarte Haut
Wob sich gedämpfte Helle;
Welcher Meister hätt' je gebaut
Prächtiger eine Kapelle?

 

Das Gewölbe so luftig leicht,
Schlank und stolz die Pilaster,
Unter Flammenküssen erweicht
Lebender Alabaster!

 

Voller strömte das Licht herein,
Bunter bei jedem Schritte,
Ach, und flimmernder Heiligenschein
Floß um des Hauses Mitte!

 

Kindlich faltet' ich da die Händ',
Betete fromm und brünstig:
Du mein heiligstes Sakrament,
Werde dem Sünder günstig!

 

Laß mich's küssen in seinem Schrein,
Lieblichster Himmelsbote!
Laß mich nippen an deinem Wein,
Naschen von deinem Brote! -

 

Sieh, und am nämlichen Abend schon,
Tief in die Kissen gebettet,
Ward in andächtiger Kommunion
Meine Seele gerettet.

 

 

 

 

Liebe

 

(Mit hebräischen Buchstaben geschrieben)

 

Es hielten die menschlichen Triebe
Einst einen großen Kongreß.
Sie stritten sich um die Ehre,
Wer wohl der Stärkste wäre,
Denn niemand wußte es.

 

Die Liebe war nicht zugegen.
Und als dies alle entdeckt,
Da schrien die menschlichen Triebe:
»Herrje, wo bleibt nur die Liebe!
Nein, wo die Liebe nur steckt.«

 

Ein geiziges Weib trat zum Altar.
Dort stand ein Misanthrop.
Und als sie zusammenkamen,
Sie sprachen Ja und Amen,
Der Pfarrer die Händ' erhob.

 

Die Liebe hatte die beiden
Von allen Trieben befreit.
Zurück blieb einzig die Liebe,
Drum hatten die anderen Triebe
Auch so viel übrige Zeit.

 

Sie hockten noch immer beisammen
Und hielten großen Kongreß.
Nun ward die Vernunft erhoben,
Sie sei als die Stärkste zu loben,
Doch niemand glaubte es.

 

 

 

 

 
wedekind_frank
Frank Wedekind (24 juli 1864 - 9 maart 1918)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook Zie ook mijn blog van 24 juli 2007.

 

De Duitse schrijver Hermann Kasack werd geboren op 24 juli 1896 in Potsdam.

 

 

 

24-07-07

Alexandre Dumas père, Robert Graves, Banana Yoshimoto, Betje Wolff, Johan Andreas dèr Mouw, Hermann Kasack, Katia Mann, Frank Wedekind


De Franse dramaturg en schrijver Alexandre Dumas père werd geboren in (Villers-Cotterêts (Aisne) op 24 juli 1802. Zijn literair werk bestond in het begin hoofdzakelijk uit vaudevillestukken en melodrama’s, die hij schreef in samenwerking met zijn vriend Adolphe de Leuven, de zoon van een verbannen Zweedse edelman. Hun eerste stuk, La Chasse et l’Amour, werd vertoond in 1825. Dumas stelde zich echter niet tevreden met toneelschrijven alleen. Hij legde zich ook toe op het schrijven van romans. Via zijn vriend, de dichter Gérard de Nerval, maakte Dumas in 1839 kennis met de geschiedenisleraar Auguste Maquet (1813-1888). Beide mannen sloten een overeenkomst tot samenwerking, waarbij Maquet de nodige stof voor de romans zou leveren en Dumas de feiten op zijn levenskrachtige manier in de vorm van een roman zou gieten. Het eerste product van de samenwerking was de grootse roman Les Trois Mousquetaires (8 delen, 1844), gebaseerd op de memoires van d’Artagnan geschreven door Gatien de Courtilz de Sandras. De roman vertelt de avonturen van d’Artagnan, Athos, Porthos en Aramis, die het samen opnemen voor Anna van Oostenrijk tegen kardinaal de Richelieu. De bewonderaars van deze roman werden verblijd met twee vervolgen, Vingt Ans Après in 1845 (Twintig jaar later) en Le Vicomte de Bragelonne ou Dix ans plus tard uit 1848 (De burggraaf van Bragelonne of tien jaar later), waarvan het derde en laatste deel, De man in het ijzeren masker, het meest bekende is. Het succes van De drie musketiers was overweldigend, zozeer zelfs dat men Dumas vroeg of het ook op toneel mocht worden vertoond. Dumas stond er eerst weigerachtig tegenover door verscheidene toneelmislukkingen die hij geleden had. Uiteindelijk gaf hij toch toe, grotendeels onder impuls van geldgewin.

Meteen na De drie musketiers, in 1844-45, publiceerde Dumas een ander succesvol werk: Le Comte de Monte-Cristo (12 delen). Tijdens het schrijven van deze roman had Dumas een nieuwe bevlieging: hij moest en zou een kasteel hebben dat de naam Monte-Cristo zou dragen. Aldus geschiedde: het kasteel verrees in Le Port-Marly (departement Yvelines).

 

Uit: Les trois mousquetaires

 

« Et cette sensation avait été d'autant plus pénible au jeune d'Artagnan (ainsi s'appelait le don Quichotte de cette autre Rossinante), qu'il ne se cachait pas le côté ridicule que lui donnait, si bon cavalier qu'il fût, une pareille monture; aussi avait-il fort soupiré en acceptant le don que lui en avait fait M. d'Artagnan père. Il n'ignorait pas qu'une pareille bête valait au moins vingt livres: il est vrai que les paroles dont le présent avait été accompagné n'avaient pas de prix.

 

«Mon fils, avait dit le gentilhomme gascon -- dans ce pur patois de Béarn dont Henri IV n'avait jamais pu parvenir à se défaire --, mon fils, ce cheval est né dans la maison de votre père, il y a

tantôt treize ans, et y est resté depuis ce temps-là, ce qui doit vous porter à l'aimer. Ne le vendez jamais, laissez-le mourir tranquillement et honorablement de vieillesse, et si vous faites campagne avec lui, ménagez-le comme vous ménageriez un vieux serviteur. À la cour, continua M. d'Artagnan père, si toutefois vous avez l'honneur d'y aller, honneur auquel, du reste, votre vieille noblesse vous donne des droits, soutenez dignement votre nom de gentilhomme, qui a été porté dignement par vos ancêtres depuis plus de cinq cents ans. Pour vous et pour les vôtres – par les vôtres, j'entends vos parents et vos amis --, ne supportez jamais rien que de M. le cardinal et du roi. C'est par son courage, entendez-vous bien, par son courage seul, qu'un

gentilhomme fait son chemin aujourd'hui. »

 

 

 

Alexandre_Dumas_Nadar
Alexandre Dumas père (24 juli 1802 - 5 december 1870)
Foto van Felix Nadar

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. In zijn lange leven was hij goed voor 140 werken. Hij was de zoon van Alfred Perceval Graves, de Engels-Ierse schrijver. Zijn ervaringen als kapitein bij de Royal Welch Fusiliers aan het Westfront tijdens de WO I legde hij in 1929 vast in "Goodbye to all that". Het boek werd een bestseller maar kostte hem ook de vriendschap van een mede-veteraan, Siegfried Sassoon. Robert Graves is in het Nederlands taalgebied vooral bekend om zijn historische romans "I Claudius" en "Claudius the God", waarin een heel pikante, maar historisch niet altijd betrouwbare beschrijving wordt gegeven van de Romeinse hofkringen in de tijd van de keizers Augustus, Tiberius, Caligula en Claudius. De BBC heeft in 1976 naar aanleiding van deze romans een TV-serie gemaakt, met Derek Jacobi in de rol van Claudius.

 

Uit: Good-bye to all that

 

“When I was given leave in April 1916 I went to a military hospital in London and had my nose operated on. It was a painful operation, but performed by a first-class surgeon and cost me nothing. In peace-time it would have cost me sixty guineas, and another twenty guineas in nursing-home fees. After hospital I went up to Harlech to walk on the hills. I had in mind the verse of the psalm: "I will lift up mine eyes unto the hills, from whence cometh my help." That was another charm against trouble. I bought a small two-roomed cottage from my mother, who owned considerable cottage property in the neighborhood. I bought it in defiance of the war, as something to look forward to when the guns stopped ('when the guns stop' was how we always thought of the end of the war). I whitewashed the cottage and put in a table, a chair, a bed and a few dishes and cooking utensils. I had decided to live there by myself on bread and butter, bacon and eggs, lettuce in season, cabbage and coffee; and to write poetry. My war-bonus would keep me for a year or two at least. The cottage was on the hillside away from the village. I put in a big window to look out over the wood below and across the Morfa to the sea. I wrote two or three poems here as a foretaste of the good life coming after the war.”

 

 

 

robert-graves-1957
Robert Graves (24 juli 1895 - 7 december 1985)

Portret door Mati Klarwein   

 

De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli 1964 in Tokyo. Zij studeerde literatuur aan de Nihon University. Haar schrijverloopbaan begon zij terwijl zij als serveerster werkte in hetrestaurant van een golfclub. Volgens haar zelf hadden de Amerikaanse schrijvers Stephen King, Truman Capote en Isaac Bashevis Singer de meeste invloed op haar werk.Haar debuutroman Kitchen was direct een fenomenaal succes, met meer dan zestig herdrukken in Japan alleen. Er werden naar het boek twee films en diverse televisieseries gemaakt. In 1990 werd er ook een film gemaakt naar een ander boek van haar, Goodbye Tsugumi.

Uit: Amrita

“I've often heard that if you go through something really intense your perception of the world will change entirely. Every now and then I wonder if things weren't different in my case.

Now I understand. I'm finally at a point where I can recall everything: all twenty-eight years since my birth, every one of the so-called "episodes" of my life as Sakumi Wakabayashi, that strange conglomeration of misfits who came together to form my family, those foods that I liked, those things that I didn't. Every element that had gone into making me who I was gradually made its way back to me, and now I have the power to reflect on all that has happened. It's like remembering a story someone told me in the past.

I can only perceive my past as a story. Nothing more.

In other words, at some point I had lost the power to distinguish what was real, all of those things that had happened in life prior to the accident. I no longer had any way of knowing how I felt about myself and the world. Perhaps I'd felt the same way all along, perhaps not. I really wonder what things were like.

Was my life, all those days and months and years, nothing more than past time, piled up like fallen snow?

How was I ever able come to terms with myself?

Apparently when you do something major like cutting off all your hair, your personality undergoes a transformation as well, because you change the way you act around other people.

...or at least that's what I've been told. “

 

banana-yoshimoto
Banana Yoshimoto (Tokyo, 24 juli 1964)

 

De Nederlandse schrijfster Betje Wolff (eig. Elizabeth Bekker) werd geboren in Vlissingen op 24 juli 1738. Zij stamde uit een gegoede calvinistische familie. Ze trouwde op 18 november 1759 met de 52-jarige predikant Adriaan Wolff. In 1763 debuteerde zij met de bundel Bespiegelingen over het genoegen. In 1777, na de dood van haar echtgenoot, ging Wolff samenwonen met Aagje Deken en begonnen zij gezamenlijk te publiceren. Hun grootste successen waren de briefromans De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) en Historie van den heer Willem Leevend (1784-1785). In 1778 verhuisden Wolff en Deken naar De Rijp. In 1782 vestigden ze zich in Beverwijk.

Vanwege hun patriottische sympathieën verhuisden Wolff en Deken in 1788 naar Trévoux in Bourgondië. In 1789 verscheen Wandelingen door Bourgogne. Tussen 1793 en 1796 schreven ze aan Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of De gevolgen van de opvoeding, een roman in 6 delen. Door financiële nood moesten zij in 1797 terugkeren naar Holland, waar ze in Den Haag woonden. Wolff stierf in Den Haag; enkele dagen na haar overlijden stierf ook Deken.

 

Uit: Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart

   Mejuffrouw Sara Burgerhart aan Mejuffrouw Aletta de Brunier.

  

  Chere Letje!

Verbeeld u eens een meisje van myne jaren en begrippen, dat zucht onder de magt eener vuilaartige kwezel; dat nergens uitkomst ziet, en dan eenen brief ontfangt, zo als ik, ma chere, van u ontfing: Dan zult gy bevatten, hoe ik opgenomen ben van blydschap, en dat ik u weinig minder dan myn Beschermgeest noem. Zo de Weduwe my gelieft in te nemen, dan kom ik ten eersten; hoe? weet ik nog niet; maar dat zal zich wel redden: antwoord my dan, of de Juffrouw my gelieft te logeeren.

Maar, myne lieve Letje, wie hadt ooit gedagt, toen wy te saam by Mademoiselle du Pin school gingen, dat gy my nog sulk een groten dienst zoudt moeten doen. Wat hebben wy daar pretjes gehadt? Ja, die lieve Mademoiselle du Pin is ook al dood, en weg. Dikwils heb ik gewenscht, dat ik ook maar dood was: maar 't is of de Dood ons beter kent dan wy ons zelf. Als wy hem roepen, doet hy zelf zo veel niet eens van te antwoorden. Hy weet, schynt het, dat wy het juist zo sterk niet menen, en dat het ons zelden gelegen komt hem te ontfangen; hoe zeer wy ook op zyn bezoek aandringen. Nu zou hy my ten minsten magtig over de hand zyn, nu ik weêr heldere punten in myn lot begin te zien. Letje! nu zullen wy eens recht gelukkig zyn: ouwe genegenheid groeit spoedig voort, en hoe lief hadden wy elkander, toen wy beiden nog in jurken gingen.

 

Adieu ma chere Letje, je suis pour jamais

Votre

Burgerhart.

 

PS. Hoe zyn die twee andere Juffrouwen? Hebje niet nog ergens een Broêr in de Waereld, die ook met ons, in de kleuterschool gegaan heeft, en die wy altoos van ons Lekkers medeelden? Nu, alles par bouche.

 

 

 

Wolff
Betje Wolff (24 juli 1738 - 5 november 1804)

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd  geboren op 24 juli 1863 in Westervoort Zie ook mijn blog van 24 juli 2006.

 

 

Pakjesavond

Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag

Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,

Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,

Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.

 

Door kelken van onwezenlijk kristal

 

Door kelken van onwezenlijk kristal
schijnt de ondergrond van tragisch-paars fluweel
Onzichtbaar is de lamp; langs ied're steel
hangt, smal en stil, een zonn'ge waterval.

Melkwegen welven; nevels, overal;
en sterrebeelden flikk'ren, puntig geel:
boven 't diep-werklijk paars tilt, irreëel,
iedere kelk, een spieg'lend niets, 't heelal.

Zo zie ik, fijngeslepen, diafaan,
boven 't verdriet dat doorschijnt, zwevend staan
't kristalwerk van mijn verzen, rein en koel:

tot wereldnevel van stemming vervloeid,
tot flikk'rende gedachte ineen gegloeid,
zie 'k overal eenzelfde Godsgevoel
.

 

 

 

Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden

 

Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden
heb 'k zelf hem daar gelegd; en ik herken
heel goed de plek, vlak naast die scheve den,
waar 't zandpad, wit, loopt naar de hei beneden.

'k Dacht: "Wat 'k doe, lijkt op wat farao's deden;
eenzelfde ontzetting vroeg in mij en hen:
alles vergaat: ben ik niet, die ik ben,
en was en blijven zal in eeuwigheden?

Ik was gaan liggen, 't hoofd dicht bij de steen;
en die, in 't langzaam dieper donker, scheen
een monument, egyptisch oud en groot.

Een kleine ster erboven. 'k Dacht: "Zijn licht
vertrok, toen 't graf van Ramses werd gesticht."
En 'k voelde duidelijk: 'k was zijn tijdgenoot

 

DerMouw
Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)

 

De Duitse schrijver Hermann Kasack werd geboren op 24 juli 1896 in Potsdam. In 1915 publiceerde hij zijn eerste gedicht in het tijdschrift Die Aktion met de titel Mutter. Zijn eerste boek Der Mensch. Verse verscheen in 1918. In 1920 ging hij werken voor de uitheverij den Gustav-Kiepenheuer in Potsdam als lector. In deze functie bracht hij een uitgave tot stand van de verzamelde werken van Friedrich Hölderlin. In 1925 verliet hij de uitgeverij en werd hij literair medewerker bij de Funk-Stunde Berlin waar hij o.a. verantwoordelijk was voor programma’s over moderne dichtkunst. In 1926 werd zijn drama Die Schwester voor het eerst opgevoerd en werd hij directeur bij de S. Fischer Verlag. In 1947verscheen zijn bekendste roman Die Stadt hinter dem Strom waar hij in 1949 de Theodor-Fontane-Preis voor kreeg.

 

Uit: Mechanischer Doppelgänger

 

“Zweifelnd und mißtrauisch betrachtet der Unternehmer das seltsame Geschöpf, das vorgibt, sich in vielen Sprachen verständigen zu können, wozu nur verschiedene Knöpfe an der Weste zu drehen sind. Alle Themen und Vokabeln aus den Bereichen Film, Sport, Politik, abstrakte Kunst seien in ihm vorrätig. Auch eine Spule von Gemeinplätzen sei vorhanden. Der Vorteil eines mechanischen Doppelgängers sei, wie er betont, daß man an mehreren Tagungen gleichzeitig teilnehmen und überall gesehen werden kann. "Sie haben einen Stellvertreter Ihres Ich... Sie können sogar sterben, ohne daß die Welt etwas davon merkt. Denn wir Automaten beziehen unsere Existenz aus jeder Begegnung mit wirklichen Menschen." Der Unternehmer, der immer hellhöriger wird und bald nicht mehr weiß, ob er einen Menschen oder einen Automaten vor sich hat, befürchtet, daß solche Automaten den Menschen allmählich völlig ersetzen. Doch diese Befürchtung weist das seltsame Wesen energisch zurück: "Zwei Menschenautomaten können mit sich selber nur wenig anfangen... Darf ich also ein Duplikat von Ihnen herstellen lassen? Morgen wird ein Herr kommen und Maß nehmen." Der Unternehmer ist von dieser ihm dargebotenen Kostprobe verblüfft. Er möchte nur noch erfahren, ob der Herr, der morgen kommen soll, nun ein Automat oder ein richtiger Mensch ist. "Ich nehme an, noch ein richtiger Mensch. Aber es bliebe sich gleich." Mit diesen Worten empfiehlt er sich.

Irgend etwas muß jedoch diesem Geschöpf nach dem Besuch zugestoßen sein, denn in den folgenden Tagen ist niemand gekommen, um für des Unternehmers Doppelgänger Maß zu nehmen. Seit jener Unterhaltung ist ihm jedenfalls bewußt geworden, im Theater und im Kino, bei Versammlungen und auf Gesellschaften und bei vielen anderen Gelegenheiten nicht wenigen Menschen begegnet zu sein, die bestimmt nicht sie selber, sondern bereits ihre mechanischen Doppelgänger gewesen sind.”

 

 

 

kasackkl
Hermann Kasack (24 juli 1896 – 10 januari 1966)

 

Katia Mann, vrouw, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Tot de voorouders van Katia behoren kooplieden en ondernemers, maar eveneens schrijvers. Haar grootmoeder was Hedwig Dohm die al in de negentiende eeuw hartstochtelijk streed voor gelijke rechten voor de vrouw, en romans, verhalen en essays schreef. Ze was getrouwd met Ernst Dohm, redacteur van het satirische tijdschrift Kladderadatsch. Eén van hun dochters, ook Hedwig geheten, werd actrice aan het destijds beroemde hoftheater van Meinigen, maar bleef daar niet lang, want in 1878 huwde zij met Alfred Pringsheim. In 1883 werd Katia geboren in Feldafing bij München. De strijd van haar grootmoeder voor emancipatie werkte door in de opvoeding van Katia. Ze was een van de eerste meisjes in München die slaagden voor het eindexamen gymnasium (1901) en dat in een tijd dat er nog geen gymnasium voor meisjes bestond. Ze werd thuis onderwezen. Na haar eindexamen ging ze colleges volgen aan de universiteit van München. Zij deed dat tot ze begin 1905 trouwde met Thomas Mann.

 

Uit: Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren

 

„Ich habe tatsächlich mein ganzes, allzu langes Leben immer im strikt Privaten gehalten. Nie bin ich hervor getreten, ich fand das ziemte sich nicht. Ich sollte immer meine Erinnerungen schreiben. Dazu sage ich: In dieser Familie muß es einen Menschen geben, der nicht schreibt. Daß ich mich jetzt auf dieses Interview einlasse, ist ausschließlich meiner Schwäche und Gutmütigkeit zuzuschreiben.“

 

 

 

KatiaMann
Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)

Katia en Thomas Mann in Lübeck, 1955

 

De Duitse schrijver en acteur (Benjamin Franklin) Frank Wedekind werd geboren in Hannover op 24 juli 1864. Wedekind begon na de problematische middelbare school (die hij uiteindelijk afbrak en privéonderwijs kreeg) aan een rechtenstudie, maar brak deze af. Zijn vader verbrak daarop het contact met Wedekind, die voortaan ook geen financiële bijdragen van zijn ouders meer zou ontvangen. In Zürich maakte hij kennis met Gerhart Hauptmann en John Henry Mackay, twee spilfiguren uit de latere Friedrichshagener Kreis. In oktober 1888 stierf Wedekinds vader, wat Wedekind blijkbaar definitief deed afzien van zijn studie. Begin 1889 reisde hij naar Berlijn, waar hij verbleef bij de naturalisten van de Friedrichshagener Kreis. Later dat jaar, 1889, trok hij naar München. De uitbetaling van zijn vaders erfdeel maakte het mogelijk nog iets langer rond te reizen, zodat Wedekind in 1894 enkele maanden in Londen verbleef, waar hij met Georg Brandes in contact raakte. Hij vervolgde zijn reis naar Parijs, waar hij Lou Andrea-Salomé, August en Frieda Strindberg en Albert Langen leerde kennen. Via Berlijn en Zürich belandde hij in 1896 weer terug in München. In 1896 was hij met Albert Langen en Thomas Theodor Heine een van de oprichters van het satireblad Simplicissimus. Hij werd samen met Heine tot gevangenisstraf veroordeeld wegens majesteitsschennis. Hoewel voorstander van de oorlog, werden met het uitbreken van de WO I Wedekinds werken ongewenst verklaard.

 

Uit: Frühlings Erwachen

„Wendla Warum hast du mir das Kleid so lang gemacht, Mutter?

Frau Bergmann Du wirst vierzehn Jahr heute!

Wendla Hätt' ich gewußt, daß du mir das Kleid so lang machen werdest, ich wäre lieber nicht vierzehn geworden.

Frau Bergmann Das Kleid ist nicht zu lang, Wendla. Was willst du denn! Kann ich dafür, daß mein Kind mit jedem Frühling wieder zwei Zoll größer ist? Du darfst doch als ausgewachsenes Mädchen nicht in Prinzeßkleidchen einhergehen.

Wendla Jedenfalls steht mir mein Prinzeßkleidchen besser als diese Nachtschlumpe. - Laß mich's noch einmal tragen, Mutter! Nur noch den Sommer lang. Ob ich nun vierzehn zähle oder fünfzehn, dies Bußgewand wird mir immer noch recht sein. - Heben wir's auf bis zu meinem nächsten Geburtstag; jetzt würd' ich doch nur die Litze heruntertreten.

Frau Bergmann Ich weiß nicht, was ich sagen soll. Ich würde dich ja gerne so behalten, Kind, wie du gerade bist. Andere Mädchen sind stakig und plump in deinem Alter. Du bist das Gegenteil. - Wer weiß, wie du sein wirst, wenn sich die andern entwickelt haben.

Wendla Wer weiß - vielleicht werde ich nicht mehr sein.

Frau Bergmann Kind, Kind, wie kommst du auf die Gedanken!

Wendla Nicht, liebe Mutter; nicht traurig sein!

Frau Bergmannsie küssend Mein einziges Herzblatt!

Wendla Sie kommen mir so des Abends, wenn ich nicht einschlafe. Mir ist gar nicht traurig dabei, und ich weiß, daß ich dann um so besser schlafe. - Ist es sündhaft, Mutter, über derlei zu sinnen?“

 

 

 

Wedekind
Frank Wedekind (24 juli 1864 - 9 maart 1918)