13-05-14

Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin

 

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

 

Het lange spoor 4

Onderaards krioelen, gericht op sjouwen
van immense korrels zand, rotsblokken,

mieren, bladluizen, honderdpoten.
Dit is de tweeledigheid der schepping,

op en om, vervolgens op en nogmaals om.
Zandberg, zanddal, stoffelijkkheid migreert.

Onder en boven lopen, woeker, woeker,
op het karkas van arme geelkuifkaketoe.

 

 

Onderwater

Weg met pixels, projectietoestellen!

Was ik maar aan de andere kant van de evenaar.
Zou mijn kompas zich vanzelf naar de zuidpool richten.

Zuidpool: die van de pinguïn, vogel in duikerpak
die het eigen lichaam als slee gebruikt om over de hard
geworden winter te glijden.

Vogel die liever zal zwemmen in het donker onderwater
dan vliegen in het licht der eeuwigheid.

Ik kan de pinguïn wel begrijpen.

Slapend zien we meer dan met de ogen open.
Vooral slapend met de snelle oogbewegingen.

 

 

NEW ORLEANS

Gauw zal het geheel overstromen
met meer dan je gewone dosis

televisietoestellen en broodroosters
het hopeloze lot
van wie op het dak

van een taxi
stranden
klaar om uit te blazen

hun laatste

maar niet vooraleer in de gezonken stad
de blauwe gitaar opklinkt

nog een (weggesneden) keer
van (weggesneden) dingen zoals ze zijn

leg dat wapen neer
begrepen?!

 

 
Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

 

Lees meer...

13-05-13

Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin

 

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

 

 

Licht onder de hersenpan

 

Het stapeltje bladeren waar ik me voor had gezet is alweer
tot nul herleid. Nul: niets, problematisch oorsprong van alles.

Zie ik nu ijskoude staaltjes werkelijkheid?

Verklaren oogbewegingen in het donker welke beelden
zich vormen onder de hersenpan? Ik bedoel,
werpen ze er een licht op?

Of juist niet?

Blijf ik gedoemd snappshots te schieten met waar ik
veel kegeltjes heb op mijn netvlies.

Van dit landschap zie ik wat bloesem op een tak
van een - alles bij elkaar genomen -
verbluffende kersenboom.

Van je gezicht zie ik de komma, rechts,
vlak naast je mondhoek.

 

 

 

 

Gedicht/Niet-gedicht deel 2

Bij Rainer Maria Rilkes 'Lied vom Meer'

Oeroud waaien van meer, zeewind bij nacht
Jou ontgaat geen die wacht of zien zal hoe
Oeroud waaien van meer, zeewind des nachts
Jij zult weerstaan! Oeroud waaien van meer
Jou ontgaat wachten niet, noch verwijzen
Verstenigd weze van ruimte rijzen
Jij zult weerstaan! Aldoor waaien van meer
Zo gevoel je varen, diep in maanschijn
Verstrengeld wezen van ruimte rijze
Zo gevoel je varen, in maanschijn diep

 

 

 

Tijger

 

In een wereld

van goud,

 

dit askleurige

vloeiend

water,

 

daarvan

drinken,

 

(natuurlijk!)

 

een tijger.

 

 

 

 

Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

Lees meer...

13-05-12

Martinus Nijhoff, Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin


Bij Moederdag

 

 

 

 

Mary Cassat, Young Thomas And His Mother, 1893

 

 

 

Herinnering


Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tesaam
Iedere nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?


Moe gespeeld en moe gesprongen
Zat ik op uw schoot en dacht
In mijn nachtgoed, kleine jongen,
Aan 't geheim der nacht.


Want als wij dan gingen zingen
't Oude altijd-eendre lied
Hoe God alle, alle dingen
Die wij doen, beziet,
Hoe zijn eeuwige, grote wondren
Steeds beschermend om ons zijn
- Nimmer zong je moeder, zonder 'n
Beven dat refrein - ,
Dan zag ik de sterren flonkren
En de maan door de wolken gaan,
D' Oude nacht met wijze, donkre
Ogen voor me staan.

 

 

 

Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)

Lees meer...

13-05-11

Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin, Gregor von Rezzori

 

De Engelse schrijver Bruce Chatwin werd op 13 mei 1940 in Sheffield geboren. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007 en ook mijn blog van 13 mei 2008 en ook mijn blog van 13 mei 2009 en ook mijn blog van 13 mei 2010.

 

Uit: On The Black Hill

 

„Every morning their alarm went off at six.  They listened to the farmers' broadcast as they shaved and dressed.  Down-stairs, they tapped the barometer, lit the fire and boiled a kettle for tea.  Then they did the milking and foddering before coming back for breakfast.

 

All the birds were silent in the sillness that precedes a storm. Thistledown floated upwards, and a shriek tore out across the valley. The labour pains had begun...

 

The oarsman was a boy in a red-striped blazer; and in the stern, half-hidden under a white parasol, sat a girl in a lilac dress.  Her fair hair hung in thick tresses, and she trailed her fingers through the lapping green wavelets.

 

She was a good woman who hoped the world was not as bad as everyone said.  She had a bad heart brought on by poverty and overwork...

...She never forgot an insult and she never forgot a kindness.  She felt crushed and ashamed -- ashamed of her boys and ashamed of being ashamed of them.

 

The Reverend Thomas Tuke was a classical scholar of private means...

...He knew the whole of Homer by heart: each morning, between a cold bath and breakfast, he would compose a few hexameters of his own...

...Most of the women were in love with him -- or transported by the timbre of his voice.“

 

 

 


Bruce Chatwin (13 mei 1940 – 18 januari 1989)

 

 

Lees meer...

13-05-10

Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin, Gregor von Rezzori, Theo van Baaren


De Engelse schrijver Bruce Chatwin werd op 13 mei 1940 in Sheffield geboren.

 

Uit: Bruce Chatwin (Biografie door Nicholas Shakespeare)

 

For two days Bruce engaged Brain in conversations which he described as "the most stimulating discussions in my life". They spoke of Birmingham, where Bruce had grown up and from where Brain's father, finding England restrictive, had departed for the Cape. They spoke about Brain's son Ted, who died at 14 months when he choked on a piece of apple, teaching Brain—painfully—to live his life as though each day might be his last. And they spoke of the origin of evil. Bruce seized on Brain's discoveries to support his conviction that human beings were "not that bad" and that the predator instinct was not essential to our nature. If the leopard-like cat had preyed on our ancestors, then man in his origins was not necessarily aggressive. He lived his life in fear, dinofelis watching him from the shadows.

Bruce—who called the cat "the Prince of Darkness"—amused the older man. Brain says, "He understood 'the Prince of Darkness' as a psychological necessity. He thought we had lived so long with prowling nocturnal predators they had become part of our make-up. When we no longer had these animals in bodily form, we invented dragons and heroes who went off to fight them." Discussing, for instance, Uccello's painting of St. George in the act of lancing the dragon, Bruce seemed to think this was an illustration of what had actually happened. Brain had misgivings about this nostalgia for "the Beast we have lost". Nevertheless, it excited him to watch Bruce take his work and run with it. "Chatwin was like a nineteenth-century synthesiser," says Brain. "There is a place again for that kind of generalist, someone who can wander among specialised fields and pull things together. Otherwise it's very compartmentalised and syntheses don't really occur." The two men talked late into the night and on the following day they drove to the cave at Swartkrans.“

 

 

 

Chatwin
Bruce Chatwin (13 mei 1940 – 18 januari 1989)

 

 

 

 

De Britse schrijfster Daphne du Maurier werd geboren in Londen op 13 mei 1907.

 

Uit: The Birds

 

„The wind seemed to cut him to the bone as he stood there, uncertainly, holding the sack. He could see the white-capped seas breaking down under in the bay. He decided to take the birds to the shore and bury them…

He crunched his way over the shingle to the softer sand and then, his back to the wind, ground a pit in the sand with his heel. He meant to drop the birds into it, but as he opened up the sack the force of the wind carried them, lifted them, as though in flight again, and they were blown away from him along the beach, tossed like feathers, spread and scattered, the bodies of the fifty frozen birds…The dead birds were swept away from him by the wind...He looked out to sea and watched the crested breakers, combing green…

Then he saw them. The gulls. Out there, riding the seas.

What he had thought at first to be the white caps of the waves were gulls. Hundreds, thousands, tens of thousands… They rose and fell in the trough of the seas, heads to the wind, like a mighty fleet at anchor, waiting on the tide. To eastward and to the west, the gulls were there. They stretched as far as his eye could reach, in close formation, line upon line. Had the sea been still they would have covered the bay like a white cloud, head to head, body packed to body.“

(...)

 

At the top of the hill he waited. He was much too soon. There was half an hour still to go. The east wind came whipping across the fields from the higher ground. He stamped his feet and blew upon his hands. In the distance he could see the clay hills, white and clean, against the heavy pallor of the sky. Something black rose from behind them, like a smudge at first, then widening, becoming deeper, and the smudge became a cloud, and the cloud divided again into five other clouds, spreading north, east, south and west, and they were not clouds at all; they were birds.“

 

 

 

Daphne-du-Maurier1
Daphne du Maurier (13 mei 1907 – 19 april 1989)

 

 

 

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh.

 

 

Glamourie

 

When I found I'd lost you –

not beside me, nor ahead,

nor right nor left not

your green jacket moving

 

between the trees anywhere,

I waited a long while

before wandering on: no wren

jinked in the undergrowth,

 

not a twig snapped.

It was hardly the Wildwood,

just some auld fairmer's

shelter belt, but red haws

 

reached out to me,

and between fallen leaves

pretty white flowers bloomed

late into their year. I tried

 

calling out, or think

I did, but your name

shrivelled on my tongue,

so instead I strolled on

 

through the wood's good

offices, and duly fell

to wondering if I hadn't

simply made it all up: you,

 

I mean, everything,

my entire life....either way,

nothing now could touch me

bar my hosts, who appeared

 

as diffuse golden light,

as tiny spiders

examining my hair....

what gratitude I felt then -

 

I might be gone for ages,

maybe seven years!

-and such sudden joie de vivre

that when a ditch gaped

 

right there instantly in front of me

I jumped it, blithe as a girl -

ach, I jumped clear over it,

without even pausing to think.

 

 

 

 

Jamie
Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Armistead Jones Maupin Jr. werd geboren op 13 mei 1944 in Washington.

 

Uit: The Night Listener

 

„So Boyd sent them photographs. The bride turned out to be an aristocrat of the highest caste, better bred by far than any member of Boyd's family. The couple had been wed in regal splendor, perched atop a pair of jewelled elephants. Boyd's parents, imprisoned in their middle-class snobbery, had managed to miss the social event of a lifetime.

I had told that story so often that Jess knew it by heart. So when Boyd came to town on business and met Jess for the first time, Jess was sure he had the perfect opener. "Well," he said brightly, "Gabriel tells me you got married on an elephant."

Boyd just blinked at him in confusion.

I could already feel myself reddening. "You weren't?"

"No," Boyd said with an uncomfortable laugh. "We were married in a Presbyterian church."

Jess said nothing, but he gave me a heavy-lidded stare whose meaning I had long before learned to decipher: You are never to be trusted with the facts.

In my defense, the essence of the story had been true. Boyd had indeed married an Indian girl he had met in the Peace Corps, and she had proved to be quite rich. And Boyd's parents-who were, in fact, exceptionally stuffy - had always regretted that they'd missed the wedding.

I don't know what to say about those elephants, except that I believed in them utterly. They certainly never felt like a lie. More like a kind of shorthand for a larger, less satisfying truth. Most stories have holes in them that cry out for jewelled elephants. And my instinct, alas, is to supply them.“

 

 

 

maupin
Armistead Maupin ( Washington, 13 mei 1944)

 

 

 

 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 13 mei 2007 en ook mijn blog van 13 mei 2008 en ook mijn blog van 13 mei 2009.

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver en acteur Gregor von Rezzori werd geboren op 13 mei 1914 in Czernowitz. Zie ook mijn blog van 13 mei 2009.

 

Uit: Denkwürdigkeiten eines Antisemiten

 

»Skutschno« ist ein russisches Wort, das sich ins Deutsche schwerlich übersetzen läßt. Es bedeutet mehr als öde Langeweile: eine seelische Leere, deren Sog wie eine unbestimmte, aber heftig drängende Sehnsucht wirkt.
Als ich dreizehn war und in dem Alter, das im Sprachgebrauch der damaligen Erzieher »die Flegeljahre« hieß, fanden meine Eltern sich am Ende ihrer Weisheit. Wir lebten in der Bukowina, einer heute fast astronomisch fernen Provinz im europäischen Südosten - aber was ich hier erzähle, erscheint nicht nur räumlich, sondern auch zeitlich so weit entrückt, als hätte ich's nur geträumt. Dabei beginnt's
als eine Allerweltsgeschichte.
Von den Schulen des damaligen Königreichs Rumänien, dessen Bürger wir durch den Zusammenbruch der k.u.k. Monarchie nach dem Ersten Weltkrieg geworden waren, fand ich mich durch ein »consilium abeundi« ausgeschlossen. Der Versuch, in einem Internat in Österreich, das meine Angehörigen immer noch als unsere kulturelle Heimat auffaßten, die Unausgeglichenheiten meines Charakters durch strenge Disziplin zu harmonisieren, hätte beinah zum gleichen schändlichen Ende geführt. Nur ein rechtzeitiger, vorgeschützt freiwilliger Abgang von der Anstalt verhinderte mein endgültiges Ausscheiden aus der Gruppe der Privilegierten, denen der Weg zur höheren Bildung offenstand. Ich war - wieder nach dem damaligen Sprachgebrauch derjenigen, welchen die verantwortungsvolle Aufgabe zugefallen war, Menschenkinder zu »nützlichen Mitgliedern der Gesellschaft« zu erziehen - ein »ziemlich hoffnungsloser Fall. Meine Eltern, blind dafür, in welchem Ausmaß das Widersprüchliche in mir aus der spannungsvollen Verschiedenheit ihrer beider Wesensart gewachsen war, stimmten mit den Schulmeistern überein, daß aus einer solchen Mischung von neurotischer Sensibilität und Neigung zur Gewalttätigkeit, wacher Auffassungsgabe und stumpfer Lernunfähigkeit, zärtlichem Anlehnungsbedürfnis und mangelndem Anpassungsvermögen eigentlich nur das Kriminelle sich entwickeln konnte.”

 

 

 

rezzori
Gregor von Rezzori (13 mei 1914 – 23 april 1998)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en godsdiensthistoricus Theo van  Baaren werd op 13 mei 1912 geboren in Utrecht. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007 en ook mijn blog van 13 mei 2008 en ook mijn blog van 13 mei 2009.

 

 

Luister naar de stemmen van het water

 

Luister naar de stemmen van het water.
In 't water rust de wijsheid van de aarde.
Vuur is schoon, maar bedriegt de zinnen.
Water woont met nacht in droomtijd samen.

 

Laat het water langs je oren ruisen.
Sluit je ogen toe en wees tevreden.
Nevel is een functie van het licht.
In de nacht spreekt water luid en helder.

 

Bij de aanlegsteiger aan het einde
glanst, ook in het diepste duister, 't water,
spiegel van de ogen van de dood.

 

 

 

VanBaaren
Theo van  Baaren
(13 mei 1912  -  4 mei 1989)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

13-05-09

Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Kōji Suzuki, Armistead Maupin, Gregor von Rezzori, Theo van Baaren, Reinhold Schneider, Adolf Muschg, Roch Carrier, Alphonse Daudet, Franz Michael Felder, Jacob Haafner


De Engelse schrijver Bruce Chatwin werd op 13 mei 1940 in Sheffield geboren. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007 en ook mijn blog van 13 mei 2008.

 

Uit: Was mache ich hier (Vertaald door Anaa Kamp)

 

Vor langer Zeit, als ich bei Sotheby's arbeitete, dem Kunst-Auktionshaus, brachten zwei undurchsichtig wirkende Schweizer einen prähistorischen Goldschatz: Halsketten, Armreifen, Haarspangen, Broschen. Sie behaupteten, daß er aus Mitteleuropa komme, aber ich wußte, daß er iberischen Ursprungs war. Wir gaben ihnen eine Empfangsbestätigung, und sie gingen davon.

In der Bibliothek hatten wir ein Buch über iberische Vorgeschichte. Ich fand mehrere der Objekte darin abgebildet, als Besitzer wurde eine Fundacion Don Juan de Valencia in Madrid angegeben. Mit Hilfe der internationalen Telefonvermittlung kam ich zu der Stiftung durch und fragte, ob ich den Kurator sprechen könne.

"Sie haben das Gold?" rief er mit erregter Stimme. "Das ist wunderbar! Es ist uns gestohlen worden. Bewahren Sie es auf. Wir werden Interpol benachrichtigen...Entschuldigen Sie, wie, sagten Sie, war ihr Name, Cha...? Cha...? Chatwin! Wir werden uns mit Ihnen in Verbindung setzen. Vielen Dank!"

Am nächsten Morgen gegen elf rief mich die Empfangsdame an und sagte, der Herzog von M**** warte auf mich.

Er war ein weißhaariger Grande der alten Schule. er trug den schwarzen Hut, den nur ein Grande tragen kann. Ich führte ihn in einen Warteraum und holte das Gold aus dem Safe.

Zitternd vor Aufregung nahm der Herzog von M**** die Objekte eines nach dem anderen in die Hand. Nichts fehlte.

"ich kann Ihnen nicht sagen, wie dankbar ich Ihnen bin", sagte er. "Sie können sich nicht vorstellen, was ich durchgemacht habe. Diese Schweizer gaben sich als Archäologen aus, und wir gestatteten ihnen, sich die Sammlung anzusehen. Sie haben sie gestohlen. Ich bin verantwortlich für die Stiftung. Ich wäre in eine schreckliche Lage geraten, wenn das Gold nicht gefunden worden wäre."

Wir kamen überein, den Schatz wieder in den Safe zu legen und die Anweisungen von Interpol abzuwarten.“

 

 

 

 

chatwin_bruce
Bruce Chatwin (13 mei 1940 – 18 januari 1989)

 

 

 

 

 

De Britse schrijfster Daphne du Maurier werd geboren in Londen op 13 mei 1907. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007 en ook mijn blog van 13 mei 2008.

 

Uit: The Parasites

 

Someone from a newspaper had telephoned him the other day. ‘Mr Delaney, we are running a series shortly in our paper, “What Success has done for Me.” Can we have your contribution?’ No, they could not have his contribution. All success had done for him was to make it impossible to pay his super-tax. ‘But what is your recipe, Mr Delaney, for the short road to success?’ Mr Delaney had no recipe.

Success. Well, what did it mean, to him? Supposing he had answered the newspaper and spoken the truth? A song burning in his head for two days until he had written it down, when he was purged; when he was free again. Until the next pain came. And the performance was repeated. The disillusion came when the songs were plugged upon the air, moaned by crooners, whispered by wailing women, clanged by orchestras, hummed by housemaids; so that what had been once his little private pain became, to put it bluntly, everyone’s diarrhoea. Which was cheapening and intolerable. Negroes offered thousands for the rights to sing his songs. God! The cheques that had rolled in from coloured crooners. Too many cheques, all in one year. Niall had to attend conferences in the City with hard-faced men round desks, all because of some little song that had come into his head one afternoon, when lying on his back in the sun. How to escape? Travel. He could always travel.“

 

 

 

 

DuMaurier
Daphne du Maurier (13 mei 1907 – 19 april 1989)

 

 

 

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007 en ook mijn blog van 13 mei 2008.

 

 

Julian of Norwich

 

Everything I do I do for you.

Brute. You inform the dark

inside the stones, the winds draughting in

 

from this world and that to come,

but never touch me.

You took me on

 

but dart like a rabbit into holes

from the edges of my sense

when I turn, walk, turn.

 

*

 

I am the hermit whom you keep

at the garden’s end, but I wander.

I am wandering in your acres

 

where every step, were I

attuned to sense them,

would crush a thousand flowers.

 

(Hush, that’s not the attitude)

I keep prepared a room and no one comes.

(Love is the attitude.)

 

*

 

Canary that I am, caged and hung

from the eaves of the world

to trill your praise.

 

He will not come.

Poor bloodless hands, unclasp.

Stiffened, stone-cold knees, bear me up.

 

(And yet, and yet, I am suspended

in his joy, huge and helpless

as the harvest moon in a summer sky.)

 

 

 

 

 

jamie
Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

 

 

 

 

De Japanse schrijver Koji Suzuki werd geboren op 13 mei 1957 in Hamamatsu. Hij studeerde af aan de Keio universiteit. Kôji Suzuki werd wereldberoemd door zijn bestseller Ring, tot tweemaal toe is verfilmd en waarvan wereldwijd meer dan 3 miljoen exemplaren zijn verkocht.

 

Uit: Ring

 

„A row of condominium buildings, each fourteen stories high, ran along the northern edge of the housing development next to the Sankeien garden. Although built only recently, nearly all the units were occupied. Nearly a hundred dwellings were crammed into each building, but most of the inhabitants had never even seen the faces of their neighbors. The only proof that people lived here came at night, when windows lit up.

Off to the south the oily surface of the ocean reflected the glittering lights of a factory. A maze of pipes and conduits crawled along the factory walls like blood vessels on muscle tissue. Countless lights played over the front wall of the factory like insects that glow in the dark; even this grotesque scene had a certain type of beauty. The factory cast a wordless shadow on the black sea beyond.

A few hundred meters closer, in the housing development, a single new two-story home stood among empty lots spaced at precise intervals. Its front door opened directly onto the street, which ran north and south, and beside it was a one-car garage. The home was ordinary, like those found in any new housing development anywhere, but there were no other houses behind or beside it. Perhaps owing to their inconvenience to mass transit, few of the lots had been sold, and For Sale signs could be seen here and there all along the street. Compared to the condos, which were completed at about the same time and which were immediately snapped up by buyers, the housing development looked quite lonely.“

 

 

 

 

koji_suzuki
Kōji Suzuki (Hamamatsu, 13 mei 1957)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Armistead Jones Maupin Jr. werd geboren op 13 mei 1944 in Washington. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007 en ook mijn blog van 13 mei 2008.

 

Uit: Tales of the City

 

“Mary Ann Singleton was twenty-five years old when she saw San Francisco for the first time.

She came to the city alone for an eight-day vacation. On the fifth night, she drank three Irish coffees at the Buena Vista, realized that her Mood Ring was blue, and decided to phone her mother in Cleveland.

"Hi, Mom. It's me."

"Oh, darling. Your daddy and I were just talking about you. There was this crazy man on McMillan and Wife who was strangling all these secretaries, and I just couldn't help thinking . . ."

"Mom .

"I know. just crazy ol' Mom, worrying herself sick over nothing. But you never can tell about those things. Look at that poor Patty Hearst, locked up in that closet with all those awful

"Mom ... long distance."

"Oh ... yes. You must be having a grand time."

"God ... you wouldn't believe it! The people here are so friendly I feel like I've ...

"Have you been to the Top of the Mark like I told you?" "Not yet."

"Well, don't you dare miss that! You know, your daddy took me there when he got back from the South Pacific. I remember he slipped the bandleader five dollars, so we could dance to 'Moonlight Serenade,' and I spilled Tom Collins all over his beautiful white Navy . . ."

"Mom, I want you to do me a favor."

"Of course, darling. Just listen to me. Oh ... before I forget it, I ran into Mr. Lassiter yesterday at the Ridgemont Mail, and he said the office isjust falling apart with you gone. They don't get many good secretaries at Lassiter Fertilizers."

"Mom, that's sort of why I called."

"Yes, darling?"

"I want you to call Mr. Lassiter and tell him I won't be in on Monday morning."

"Oh ... Mary Ann, I'm not sure you should ask for an extension on your vacation."

"It's not an extension, Mom."

 

 

 

 

maupin
Armistead Maupin ( Washington, 13 mei 1944)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver en acteur Gregor von Rezzori werd geboren op 13 mei 1914 in Czernowitz. In Wenen studeerde hij architectuur en medicijnen. Deze studies onderbrak hij om zijn dienstplicht in Roemenië te vervullen. Daarna bleef hij schilderend en tekenend vier jaar lang in Boekarest om vervolgens weer in Wenen een kunststudie te voltooien. In 1938 ging hij naar Berlijn waar hij begon te schrijven. Na de oorlog werkte hij als journalist en voor de radio. Bij de radio begon hij zijn Maghrebinischen Geschichten te schrijven en te vertellen, waarmee hij als schrijver beroemd werd.

 

Uit: Frankreich

 

„Immer noch scheint Frankreich der Hort aller musisch beflügelten abendländischen Kulturwerte zu sein. Zwar geht auch Frankreich mit der Zeit, sogar mit offenen Augen, die freilich von sehr bestimmt gestellten Scheuklappen vor allzu breitwinkeliger Sicht beschirmt sind. Die Franzosen, voran wie immer die Französinnen, stellen sich der Gegenwart - und damit der Zukunft - sozusagen in einem trotzigen Kulturstarrsinn (der freilich abzubröckeln beginnt). Immerhin, der Glaube der Franzosen - und der Französinnen - an die eigene Unfehlbarkeit ist so ehern, daß er die Vermutung gar nicht zuläßt, es könnte auch in Frankreich so steil bergab in die Barbarei der gegenwärtigen Weltzeit gehen wie bei uns. Es herrscht also in Frankreich auch nicht der leidige Pessimismus, der dem europäischen Geistesleben die Sauerstoffzufuhr abschnürt. Man atmet freier in Frankreich, wennglich doch ein wenig eingeschüchtert vom generellen Mißmut der Franzosen. Es ist der Mißmut der Alleingelassenen: Niemand ist so gescheit, so raffiniert und - eingebildet wie sie.“

 

 

 

 

rezori
Gregor von Rezzori (13 mei 1914 – 23 april 1998)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en godsdiensthistoricus Theo van  Baaren werd op 13 mei 1912 geboren in Utrecht. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007 en ook mijn blog van 13 mei 2008.

 

 

Groenplaats

 

Het wijde park van onze kinderdagen

waarin wij ruige beren konden jagen

en felle leeuwen in de zomerzon

is nu een grasveld tussen schrale struiken

waar enkel honden wat opwindens ruiken,

alsof er zoiets nog gebeuren kon.

 

Aan alle kanten kijk je op de daken

die toen nog niet boven het gras uitstaken

(als kinderen waren wij nog veel te klein),

maar gisteren is daar het lijk gevonden

van een van onze vriendjes door de honden

die altijd naar sensatie zoekend zijn.

 

 

 

 

VanBaaren
Theo van  Baaren
(13 mei 1912  -  4 mei 1989)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter Reinhold Schneider werd op 13 mei 1903 geboren in Baden-Baden. Zie ook mijn blog van 13 mei 2006.

 

 

Lebenslauf

Die Nähe sah ich und die Ferne prangen,
Ich durfte Städte ohne Zahl durchmessen
Und habe viel des Herrlichsten besessen,
Allein am Süden hat mein Herz gehangen.

Doch hab ich mehr entbehrt noch als empfangen
Und nie im Glücke meinen Gram vergessen;
An mein erschauernd Herz ein Herz zu pressen,
Das sollt´ ich nie auf dieser Welt erlangen.

Hart war die Zeit; sie warf auf ihre Waage
Die Täter und die Träumer auch und rührte
Die Toten an mit kaltem Richterschwerte.

Ich dankte Gott für meine dunkeln Tage,
Und leichter atmend, seit das Licht ich spürte,
Verließ ich ohne Schmerzen diese Erde.

 

 

 

 

 

Schneider
Reinhold Schneider (13 mei 1903 – 6 april 1958)

Portret door Ewald Vetter

 

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver en literatuurwetenschapper Adolf Muschg werd geboren op 13 mei 1934 in Zollikon, kanton Zürich. Zie ook  mijn blog van 13 mei 2007.

 

Uit: Mitgespielt

 

Unterwegs war von Herrn Weils Dissertation die Rede: er bearbeitet den Umstand, daß der Mensch am Morgen ein paar Millimeter größer ist als am Abend. Das ist eine Frage des Turgors, und es ist das wenigste, womit Herr Weil sich beschäftigt. Sein Feld ist die Parapsychologie; es kommt heraus, daß er selbst dies und das praktiziert, was Raoul den Atem stocken ließe, hätte er ihn zum Aufstieg nicht so nötig und läge ihm nicht noch etwas anderes schwer auf der Seele. Herr Weil schließt nicht aus, daß er in der Hütte Proben seiner Kunst ablegen wird. Vorläufig aber wirft er den Rucksack gegen einen Stein, läßt den Zug an seiner Gestalt auflaufen und bringt ihn so zum Stehen. Man verteilt sich ein wenig über die Blöcke hin. Nicht alle Blöcke eignen sich zum Sitzen, außerdem sind sie beschlagen, denn es ist eine sumpfige Stelle und nebelt gerade ein bißchen, was dem Eindruck von Herrn Weils Gestalt zustatten kommt. Der scheue Briner wirkt dagegen wie einer von den Schülern und benimmt sich auch so.
Andres schleppt seinen Sack noch ein paar Blöcke weiter zu einem Findling und läßt ihn dahinter ins Wollgras fallen. Ulrichs Brote liegen zuoberst; er hat sich nicht getäuscht, sie sind mit etwas leicht Ekligem beschmiert, das nur eine Delikatesse sein kann, Schnepfendreck oder Rebhuhnpastete; die Frischluft zwischen den Zähnen geht eine aparte Mischung damit ein. Andres hat Hunger. Er genießt es, ins Abseitige hinauszukauen, Brot mit Nebel abzubeißen ; die Stimmen der ändern Esser klingen nah, aber so ist das in den Bergen; sie könnten weit weg sein. Andres hört die Reden der Kameraden wie Stichworte eines absurden Theaters, zusammenhanglos, aber scharf herauspräpariert, von tröstlicher Gleichgültigkeit. Da tappt einer in der Nähe im Dunst herum; was will er? Pissen. Nein, er sucht etwas, er bleibt stehen, als er Andres hinter seinem Findling ausmacht, er kommt langsam herbei. Es ist Raoul.
»Entschuldige, Andres«, sagt Raoul und setzt sich.
Es gibt, wenn man nicht an Andres lehnen will, keinen Platz mehr am Findling; Raoul muß sich ins nasse Gras setzen, unter Wollgrasfusseln;...”

 

 

 

 

Muschg
Adolf Muschg (Zollikon
, 13 mei 1934)

 

 

 

 

 

De Canadese schrijver Roch Carrier werd geboren op 13 mei 1937 in Sainte-Justine, Quebec. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007.

 

Uit: La guerre, yes sir!

 

"Joseph ne haletait pas. Il venait comme l'homme qui marche vers son travail. Sur la bûche, mettrait-il sa main droite ou sa gauche ? Sa main droite était plus forte, travaillait mieux. Sa main gauche était forte aussi. Joseph étendit les cinq doigts de sa main gauche sur la bûche. Il entendit une respiration derrière lui. Il se retourna. C'était la sienne. Ses autres doigts, son autre main, saisirent la hache. Elle s'abattit entre le poignet et la main qui bondit dans la neige et se noya lentement dans son sang."

(..)

 

— Comveau est plutôt notre premier enfant que les gros nous arrachent Les gros, moi, je leur chie dessus. Ils sont tous sem-blables et je leur chie dessus. Ils sont tous semblables : les Alle-mands, les Anglais, les Français, les Russes, les Chinois, les Japons ; ils se ressemblent tellement qu'ils doivent porter des costumes différents pour se distinguer avant de se lancer des grenades. Ils sont des gros qui veulent rester gros. Je chie sur tous les gros mais pas sur le bon Dieu, parce qu'il est plus gros que les gros. Mais il est gros. C'est tous des gros. C'est pourquoi je pense que cette guerre, c'est la guerre des gros contre les petits. Corriveau est mort. Les petits meurent. Les gros sont éternels."

 

 

 

 

Carrier_Roch1
Roch Carrier (Sainte-Justine, 13 mei 1937)

 

 

 

 

De Franse schrijver Alphonse Daudet werd geboren in Nîmes op 13 mei 1840. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007 en ook mijn blog van 13 mei 2008.

 

Uit:  Notes sur la vie

 

„Un Songe d’Alphonse Daudet

Le Calvaire dans les cerises. – Une montagne noire ; une aube blanche illuminant le haut ; sur ce fond blanc, à la cime extrême du mont, un grand cerisier, un cerisier sauvage, chargé de milliers de cerises, de ces petites cerises noires avec lesquelles on fait le kirsch. Et, de ces cerises, il y en avait des millions, des milliards de mille. Seulement, les oiseaux en mangeaient beaucoup, et les paysans, pour leur faire peur, avaient mis dans le cerisier trois croix, et, sur ces trois croix, des simulacres du Christ et des deux larrons, simulacres faits de haillons avec de grossiers visages en terre blanche.

Et les petites cerises pendaient par grappes sur ces croix, le vent les faisait danser en agitant les haillons. Mais les oiseaux n’avaient pas peur : il en venait, il en venait... le ciel en était criblé ; ils picoraient, et les cerises qu’ils becquetaient rendaient un suc d’un rouge noir, tellement que le Christ et les deux larrons étaient tout éclaboussés d’une lie, comme tachés de sang.

Et tout cela flottait, dansait sur le fond blafard du ciel, avec une horrible couleur vineuse qui me faisait peur, et cela s’appelait : le Calvaire dans les cerises.

Le jour, j’avais assisté à un enterrement avec musique noire, procession, Christ au fond du chœur dans les cierges. Le soir, j’avais causé au café avec B.... nous avions bu du kirsch, j’avais raconté mes voyages dans les Vosges, parlé des cerisiers sauvages et des myrtilles.“

 

 

 

 

daudet
A
lphonse Daudet (13 mei 1840 - 17 december 1897)

Buste in Fontvielle

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Franz Michael Felder werd geboren op 13 mei 1839 in Schoppernau. Zie ook  mijn blog van 13 mei 2007.

 

Uit: Reich und arm

 

„Mit aller möglichen Pracht und Herrlichkeit ward am Karsamstag abends in der Auer Pfarrkirche die Auferstehung des Herrn gefeiert. Unzählige Lichter erhellten die überall verhängte Kirche und beleuchteten das unter Singen und Glockenläuten hinter dem Heiligen Grabe in die Höhe gezogene Auferstehungsbild. Kurz, es war himmlisch, göttlich, flüsterten hernach die aus der Kirche kommenden Weiber und Mädchen einander zu, während sie sich die von der Tageshelle erschreckten Augen rieben. Sogar die zarten, schneeweißen Hände der armen Stickerinnen legten rasch einen Taglohn auf den Teller, welcher zur Aufnahme freiwilliger Beiträge für das neuerrichtete Heilige Grab vor der Kirchentür angebracht war. Die roten Kupferkreuzer, die sich wie recht verdächtige Kerle hinter breiten Sechsbätzlern versteckten, waren wohl nur aus engen Lederhosentaschen herausgelangt worden. Wenigstens war nicht zu leugnen, daß fast alle Männer das »Schauspiel« etwas kühl aufnahmen; sogar einiges Kopfschütteln war zu bemerken. Auf dem Platz neben der Kirche stellten sie sich schweigend zusammen. Jeder schien warten zu wollen, bis das rechte Wort zur Beurteilung der etwas teuern »neuen Mode«, die zwar alles in die Kirche lockte, doch keine Andacht in derselben aufkommen ließ, gefunden sein würde. Lächelnd schauten sie hinauf zu den glühenden und leuchtenden Bergen oder hinaus über den schon etwas dunkeln, geheimnisvoll rauschenden Schnepfauer Wald, neben welchem die Ach den bereits zu Wasser gewordenen Winter laut scheltend hinaustrug. Rechts ob dem Wald erhob sich die stolze Liggsteinpyramide, die kühn emporragte zum blauen Himmel, welchen links neben der Ach die Kanisfluh zu tragen schien.“

 

 

 

 

Felder
Franz Michael Felder (13 mei 1839 – 26 april 1869)

Tentoonstelling in het museum van Schoppernau

 

 

 

 

 

De Duits-Nederlandse schrijver Jacob Gottfried Haafner werd geboren op 13 mei (volgens anderen op 13 maart) 1754 in Halle an der Saale. Zie ook  mijn blog van 13 mei 2007.

 

Uit: De werken van Jacob Haafner

 

Worden de beide Indiën niet al sedert lange tijd als het rasphuis van Europa aangemerkt en gebruikt? alle boeven, alle misdadigers, die het zwaard en de straffe van den regter ontvlugt zijn, of zich voor dezelve zoeken te verbergen, alle deugnieten, gevoegd bij luijaards, ledigloopers, vagebonden, avonturiers en bankeroutiers; allen ijlen zij derwaarts (vervuld met de hoop en de brandende begeerte om zich te verrijken) als naar een algemeenen roof; als verscheurende en uitgehongerde wolven, die de barre winter uit het gebergte jaagt, vallen zij onder de onschuldige en zachtzinnige Indianen. Niets is hun heilig, voor niets staan zij, alles zullen zij ondernemen, om maar hunne zakken te kunnen vullen. (-) Van de tien die vandaar rijk terugkomen, hebben er gewis negen hun buit op die manier verkregen. (-) En terwijl zij aan den eenen kant alle hunne boosheden en geweld tegen de ongelukkigen uitoefenen, zwerven aan de andere zijde hunne zendelingen bij deze volken rond, om hen tot het aannemen van het geloof en de gebruiken dezer wreede tirannen over te halen. Zag men ooit zulk eene tegenstrijdigheid? zulk eene huichelarij? zulk eene openbare bespotting van God en godsdienst?”

 

 

 

HAAFNER
Jacob Haafner
(13 mei 1754 – 4 september 1809)

 

 

13-05-08

Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Alphonse Daudet, Kathleen Jamie, Armistead Maupin, Reinhold Schneider, Adolf Muschg, Franz Michael Felder, Jacob Gottfried Haafner, Roch Carrier


De Engelse schrijver Bruce Chatwin werd op 13 mei 1940 in Sheffield geboren. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007.

 

Uit: In Patagonia

 

In my grandmother's dining-room there was a glass-fronted cabinet and in the cabinet a piece of skin. It was a small piece only, but thick and leathery, with strands of coarse, reddish hair. It was stuck to a card with a rusty pin. On the card was some writing in faded black ink, but I was too young then to read.

'What's that?'

'A piece of brontosaurus.'

My mother knew the names of two prehistoric animals, the brontosaurus and the mammoth. She knew it was not a mammoth. Mammoths came from Siberia.

The brontosaurus, I learned, was an animal that had drowned in the Flood, being too big for Noah to ship aboard the Ark. I pictured a shaggy lumbering creature with claws and fangs and a malicious green light in its eyes. Sometimes the brontosaurus would crash through the bedroom wall and wake me from my sleep.

This particular brontosaurus had lived in Patagonia, a country in South America, at the far end of the world. Thousands of years before, it had fallen into a glacier, travelled down a mountain in a prison of blue ice, and arrived in perfect condition at the bottom. Here my grandmother's cousin, Charley Milward the Sailor, found it.

Charley Milward was captain of a merchant ship that sank at the entrance to the Strait of Magellan. He survived the wreck and settled nearby, at Punta Arenas, where he ran a ship-repairing yard. The Charley Milward of my imagination was a god among men--tall, silent and strong, with black mutton-chop whiskers and fierce blue eyes. He wore his sailor's cap at an angle and the tops of his sea-boots turned down.

Directly he saw the brontosaurus poking out of the ice, he knew what to do. He had it jointed, salted, packed in barrels, and shipped to the Natural History Museum in South Kensington. I pictured blood and ice, flesh and salt, gangs of Indian workmen and lines of barrels along a shore--a work of giants and all to no purpose; the brontosaurus went rotten on its voyage through the tropics and arrived in London a putrefied mess; which was why you saw brontosaurus bones in the museum, but no skin.

Fortunately cousin Charley had posted a scrap to my grandmother.

My grandmother lived in a red-brick house set behind a screen of yellow-spattered laurels. It had tall chimneys, pointed gables and a garden of blood-coloured roses. Inside it smelled of church.

I do not remember much about my grandmother except her size. I would clamber over her wide bosom or watch, slyly, to see if she'd be able to rise from her chair. Above her hung paintings of Dutch burghers, their fat buttery faces nesting in white ruffs. On the mantelpiece were two Japanese homunculi with red and white ivory eyes that popped out on stalks. I would play with these, or with a German articulated monkey, but always I pestered her: 'Please can I have the piece of brontosaurus.'

 

 

 

Chatwin
Bruce Chatwin (13 mei 1940 – 18 januari 1989)

 

 

 

 

De Britse schrijfster Daphne du Maurier werd geboren in Londen op 13 mei 1907. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007.

 

Uit: Jamaica Inn

 

It was a cold grey day in late November, The weather had changed overnight when a backing wind brought a granite sky and a mizzling rain with it,and although it was now only a little after two o'clock in the afternoon the pallour of a winter evening seemed to have closed upon the hills, cloaking them in mist. It would be dark by four. The air was clammy cold, and for all the tightly closed windows It penetrated the interior of the coach. The leather seats damp to the hands, and there must have been a small crack in the roof, because now and again little drips of rain fell softly through, smudging the leather and leaving a dark blue stain like a splodge of ink. The Wind came in gusts, at times shaking the coach as it travelled round the bend of the road, and in the exposed places on the high ground it blew with such force that the whole body of the coach trembled and swayed, rocking between the high wheels like a drunken man.

The driver, muffled in a greatcoat to his ears, bent almost double in his seat; in a faint endeavour to gain shelter from his own shoulders, while the dispirited horses plodded sullenly to his command, too broken by the wind and the rain to feel the whip that now and again cracked above their heads, while it: swung between the numb fingers of the driver.

The wheels of the coach creaked and groaned as they sank onto the rats on the road, and sometimes they flung up the soft spattered mud against the windows, where it mingled with the constant driving rain, and whatever view there might have been of the countryside was hopelessly obscured.

The few passengers huddled together for warmth, exclaiming in unison when the coach sank into a heavier rut than usual, and one old fellow, who had kept up a constant complaint ever since he had joined the coach at Truro, rose from his seat in a fury, and, fumbling with the window sash, let the window down with a crash, bringing a shower of rain in upon himself and his fellow passengers. He thrust his head out and shouted up to the driver, cursing him in a high petulant voice for a rogue and a murderer; that they would all be dead before they reached Bodmin if he persisted in driving at breakneck speed; they had no breath left in their bodies as it was, and he for one would never travel by coach again.

Whether the driver heard him or not was uncertain; it seemed more likely that the stream of reproaches was carried away in the wind, for the old fellow, after waiting a moment, put up the window again, having thoroughly chilled the interior of the coach, and, settling himself once more in his comer, wrapped his blanket about his knees and muttered in his beard.”

 

 

 

 

Daphne_du_Maurier2
Daphne du Maurier (13 mei 1907 – 19 april 1989)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Alphonse Daudet werd geboren in Nîmes op 13 mei 1840. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007.

 

Uit: La chèvre de monsieur Seguin

 

Tu seras bien toujours le même, mon pauvre Gringoire !
  Comment ! on t'offre une place de chroniqueur dans un bon journal de Paris, et tu as l'aplomb de refuser... Mais regarde-toi, malheureux garçon ! Regarde ce pourpoint troué, ces chausses en déroute, cette face maigre qui crie la faim. Voilà pourtant où t'a conduit la passion des belles rimes ! Voilà ce que t'ont valu dix ans de loyaux services dans les pages du sire Apollo... Est-ce que tu n'as pas honte, à la fin ?
 Fais-toi donc chroniqueur, imbécile ! Fais-toi chroniqueur ! Tu gagneras de beaux écus à la rose, tu auras ton couvert chez Brébant, et tu pourras te montrer les jours de première avec une plume neuve à ta barrette...
  Non ? Tu ne veux pas ?... Tu prétends rester libre à ta guise jusqu'au bout... Eh bien, écoute un peu l'histoire de la chèvre de M. Séguin. Tu verras ce que l'on gagne à vouloir vivre libre. 
  M. Séguin n'avait jamais eu de bonheur avec ses chèvres.
  Il les perdait toutes de la même façon : un beau matin, elles cassaient leur corde, s'en allaient dans la montagne, et là-haut le loup les mangeait. Ni les caresses de leur maître, ni la peur du loup, rien ne les retenait. C'était, paraît-il, des chèvres indépendantes, voulant à tout prix le grand air et la liberté.
  Le brave M. Séguin, qui ne comprenait rien au caractère de ses bêtes, était consterné. Il disait :
  - C'est fini ; les chèvres s'ennuient chez moi, je n'en garderai pas une.
  Cependant, il ne se découragea pas, et, après avoir perdu six chèvres de la même manière, il en acheta une septième ; seulement, cette fois, il eut soin de la prendre toute jeune, pour qu'elle s'habituât à demeurer chez lui.
  Ah ! Gringoire, qu'elle était jolie, la petite chèvre de M. Séguin ! qu'elle était jolie, avec ses yeux doux, sa barbiche de sous-officier, ses sabots noirs et luisants, ses cornes zébrées et ses longs poils blancs qui lui faisaient une houppelande ! C'était presque aussi charmant que le cabri d'Esméralda, tu te rappelles, Gringoire ? - et puis, docile, caressante, se laissant traire sans bouger, sans mettre son pied dans l'écuelle. Un amour de petite chèvre...
  M. Séguin avait derrière sa maison un clos entouré d'aubépines. C'est là qu'il mit la nouvelle pensionnaire.”

 

 

 

 

Alphonse_Daudet_2
Alphonse Daudet (13 mei 1840 - 17 december 1897)

 

 

 

 

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007.

 

Arraheids

 

See thon raws o flint arraheids
in oor gret museums o antiquities
awful grand in Embro -
Dae'ye near'n daur wunner at wur histrie?
Weel then, Bewaur!
The museums of Scotland are wrang.
They urnae arraheids
but a show o grannies' tongues,
the hard tongues o grannies
aa deid an gaun
back to thur peat and burns,
but for thur sherp
chert tongues, that lee
fur generations in the land
like wicked cherms, that lee
aa douce in the glessy cases in the gloom
o oor museums, an
they arnae lettin oan. But if you daur
sorn aboot an fancy
the vanished hunter, the wise deer runnin on;
wheesht... an you'll hear them,
fur they cannae keep fae muttering
ye arnae here tae wonder,
whae dae ye think ye are?

 

 

 

 

 

Speirin

 

Binna feart, hinny
yin day we’ll gang thegither
tae thae stourie
blaebellwids
and loss wirsels-

 

see, I’d rather
whummel a single oor
intae the blae o thae wee flo’ers
than live fur a’ eternity
in some cauld hivvin.

 

Wheest, nou, till I spier o ye
will ye haud wi me?

 

 

 

 

 

kathleenJamie
Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Armistead Jones Maupin Jr. werd geboren op 13 mei 1944 in Washington. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007.

 

Uit: 'MICHAEL TOLLIVER LIVES'

 

Several times a month I pick up fruit trees at a nursery on Clement Street called Plant Parenthood. That always makes me nostalgic, since I ran the place for twelve years before selling it to my business partner, Brian Hawkins. My T cells had begun to climb by then, and I was sick of pushing Tuscan flowerpots to bored housewives. I wanted to plant something serious for once, to leave my mark on the earth before somebody planted me. I've never regretted that decision. I'm now tending at least a dozen mature gardens that I myself created years ago: lush green kingdoms seeded from my own imagination.

Not that it's getting easier. My arthritis seems to be here for good, and the sheer grunt work of the job can put me out of commission for days on end. I'm my own boss, of course, so I can adjust my schedule accordingly, and I do have an assistant now -- the aptly named Jake Greenleaf -- who helps me with the trimming and hauling. But the big question remains: How long can I keep this up? The topic is almost unavoidable at Plant Parenthood, since Brian turned sixty-one this year, and retirement is his chief preoccupation.“

 

 

 

Maupin
Armistead Maupin ( Washington, 13 mei 1944)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en godsdiensthistoricus Theo van  Baaren werd op 13 mei 1912 geboren in Utrecht. Zie ook mijn blog van 13 mei 2007.

 

Neptunus

 

De schaduw hangt over het bleek gazon,

de sparren worden zwarte silhouetten;

Neptunus met zijn drietand staat te letten

op 't schuchter ruisen van een kleine bron,

 

vergeefs geboren, want de zomerzon

staat haar niet toe het gele gras te betten,

reeds hier en daar gezengd door sigaretten,

de stank waarvan hij nooit verdragen kon.

 

Alleen de nacht verlost hem uit zijn pijn

en hij verheugt zich op de milde reuken

van dauw en nevel als op ambrozijn,

die helen zal zijn schaarden en zijn deuken,

maar aan zijn voeten ligt, rokend, onrein,

een tweetal tartende sigarettenpeuken.

 

 

 

Studeerkamer bij avond

 

Een verre trein. Het tikken van een klok.

En zo vertrouwd de boeken om mij heen.

Wat stille dingen. En dan ik, alleen,

temidden dezer afgesloten wereld:

een kleine bol en ik het middelpunt,

waar buiten langs de grote wereld glijdt

en dwarrelt.

Het oude kleed dat op mijn tafel ligt,

het zachte schijnsel van een kleine lamp

wordt deel van mij: ik dek het naakte hout

en schuchter schijn ik door de kamer heen.

Ik ben niet meer een levend ding alleen,

omgeven door een massa dode dingen:

wat is hier levend en wat is hier dood?

wat is hier klein en wat hier groot?

wie is hier schipper en wat is hier boot?

Ik weet het niet: 'k ben mèt de dingen dood

en leef met hen, hier 's avonds laat alleen.

 

 

 

 

VanBaaren
Theo van  Baaren
(13 mei 1912  -  4 mei 1989)

 

 

 

 

De Duitse dichter Reinhold Schneider werd op 13 mei 1903 geboren in Baden-Baden. Zie ook mijn blog van 13 mei 2006.

 

Meiner Seele tiefe Trauer

 

Meiner Seele tiefe Trauer
Stillt keines Sommersleuchtens Glut
Wohl tut mir des Herbstes Schauer
Und des Daseins flüchtige Dauer
Und die immer ziehende Flut.

Meines Gartens Bäume neigen
Tief sich auf den Grund herein
Schlummernd unter ihren Zweigen
Fühl ich die Gestirne steigen
Auf geschloß'nen Augen ihren Schein.

Nie hör' ich ein Lachen klingen
Auf der immerstillen Flur;
Nur die fernen Geigen singen
Von denen, die vorübergingen
In diesem Leben ohne Spur.

 

 

 

 

An den Turm des Freiburger Münsters 
 
Steh' unzerstörbar herrlich im Gemüte 
Du großer Beter glaubensmächtiger Zeit! 
Wie dich verklärt des Tages Herrlichkeit, 
Wenn längst des Tages Herrlichkeit verglühte: 

 

So will ich bitten, daß ich treulich hüte 
Das Heilige, das Du ausstrahlst in den Streit 
Und will ein Turm sein in der Dunkelheit, 
Des Lichtes Träger, das der Welt erblühte. 

 

Und sollt' ich fallen in dem großen Sturm,

So sei's zum Opfer,daß noch Türme ragen 
Und daß mein Volk der Wahrheit Fackel werde. 

 

Du wirst nicht fallen, mein geliebter Turm. 
Doch wenn des Richters Blitze Dich zerschlagen,

Steig' in Gebeten kühner aus der Erde. 

 

 

 

 

Schneider
Reinhold Schneider (13 mei 1903 – 6 april 1958)

 

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook  mijn blog van 13 mei 2007.

 

De Zwitserse schrijver en literatuurwetenschapper Adolf Muschg werd geboren op 13 mei 1934 in Zollikon, kanton Zürich.

 

De Oostenrijkse schrijver Franz Michael Felder werd geboren op 13 mei 1839 in Schoppernau.

 

De Duits-Nederlandse schrijver Jacob Gottfried Haafner werd geboren op 13 mei (volgens anderen op 13 maart) 1754 in Halle an der Saale.

 

De Canadese schrijver Roch Carrier werd geboren op 13 mei 1937 in Sainte-Justine, Quebec.

 

 

13-05-07

Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Alphonse Daudet, Adolf Muschg, Kathleen Jamie, Franz Michael Felder, Jacob Haafner, Armistead Maupin, Roch Carrier, Theo van Baaren


De Engelse schrijver Bruce Chatwin werd op 13 mei 1940 in Sheffield geboren. In plaats van architectuur te gaan studeren werkte hij als achttienjarige als bode voor het veilibghuis Sotheby’s. Vier jaar later was hij al directeur van de afdeling impressionistische kunst. Wegens een oogkwaal gaf hij deze baan op. Hij studeerde korte tijdarcheologie, maar werd in 1973 medewerker van de Sunday Times, eerst als adviseur voor kunst. Al snel reisde hij voor interviews en raportages over de hele wereld. In 1974 nam hij ontslag met een telegram: „Voor vier maanden naar Patagonië.“ Tijdens die reis ontdekte hij dat vertellen en schrijven zijn roeping was

Uit: Gone to Timbuctoo

“There are two Timbuctoos. One is the administrative centre of the Sixth Region of the Republic of Mali, once French Sudan -- the tired caravan city where the Niger bends into the Sahara, "the meeting place of all who travel by camel or canoe," though the meeting was rarely amicable; the shadeless Timbuctoo that blisters in the sun, cut off by grey-green waterways for much of the year, and accessible by river, desert caravan or the Russian airplane that comes three times a week from Bamako.

And then there is the Timbuctoo of the mind -- a mythical city in a Never-Never Land, an antipodean mirage, a symbol for the back of beyond or a flat joke. "He has gone to Timbuctoo," they say, meaning "He is out of his mind" (or drugged); "He has left his wife" (or his creditors); "He has gone away indefinitely and will probably not return"; or "He can't think of anywhere better to go than Timbuctoo. I thought only American tourists went there."

"Was it lovely?" asked a friend on my return. No. It is far from lovely; unless you find mud walls crumbling to dust lovely -- walls of a spectral grey, as if all the colour has been sucked out by the sun.

To the passing visitor there are only two questions. "Where is my next drink coming from?" and "Why am I here at all?" And yet, as I write, I remember the desert wind whipping up the green waters; the thin hard blue of the sky; enormous women rolling round the town in pale indigo cotton boubous; the shutters on the houses the same hard blue against mud-grey walls; orange bower-birds that weave their basket nests in feathery acacias; gleaming black gardeners sluicing water from leather skins, lovingly, on rows of blue-green onions; lean aristocratic Touaregs, of super-natural appearance, with coloured leather shields and shining spears, their faces encased in indigo veils, which, like carbon paper, dye their skin a thunder-cloud blue; wild Moors with corkscrew curls; firm-breasted Bela girls of the old slave caste, stripped to the waist, pounding at their mortars and keeping time with monotonous tunes; and monumental Songhai ladies with great basket-shaped earrings like those worn by the Queen of Ur over four thousand years ago.”

 

 

Chatwin
Bruce Chatwin (13 mei 1940 – 18 januari 1989)

 

De Britse schrijfster Daphne du Maurier werd geboren in Londen op 13 mei 1907. Haar bekendste werk, Rebecca (1938), is een klassieker geworden en vormde de basis voor een met een Oscar bekroonde film. Haar eerste roman, The Loving Spirit, werd uitgegeven in 1931.

Hoewel zij jarenlang getrouwd was met luitenant-generaal Sir Frederick Browning, en zij moeder was van een zoon en twee dochters, had zij ongetwijfeld lesbische gevoelens en intieme relaties met verschillende vrouwen, onder wie Gertrude Lawrence. Haar werk won in de loop van de jaren aan kwaliteit. Bekend is het al genoemde Rebecca. Daarnaast werd een aantal van haar andere werken verfilmd, zoals het spannende in Cornwall spelende Jamaica Inn (1936), Frenchman's Creek (1942), and My Cousin Rachel (1951). De Alfred Hitchcock film The Birds is gebaseerd op een van haar korte verhalen, evenals de film Don't Look Now. Zij schreef ook non-fictie. In The Glass-Blowers beschrijft zij haar Franse voorgeslacht. Zij werd Dame of the British Empire en stierf in 1989 in haar huis in Cornwall, waar vele van haar werken zich afspeelden. Haar lichaam werd gecremeerd en de as verstrooid over de rotsen van Cornwall.

 

Uit: Rebecca

 

“Last night I dreamt I went to Manderley again. It seemed to me I stood by the iron gate leading to the drive, and for a while I could not enter, for the way was barred to me. There was a padlock and a chain upon the gate. I called in my dream to the lodge keeper, and had no answer, and peering closer through the rusted spokes of the gate I saw that the lodge was uninhabited.

No smoke came from the chimney, and the little lattice windows gaped forlorn. Then, like all dreamers, I was possessed of a sudden with supernatural powers and passed like a spirit through the barrier before me. The drive wound away in front of me, twisting and turning as it had always done, but as I advanced I was aware that a change had come upon it; it was narrow and unkept, not the drive that we had known. At first I was puzzled and did not understand, and it was only when I bent my head to avoid the low swinging branch of a tree that I realised what had happened. Nature had come into her own again and, little by, little, in her stealthy, insidious way had encroached upon the drive with long tenacious fingers. The woods, always a menace even in the part, had triumphed in the end. They crowded, dark and uncontrolled, to the borders of the drive. The beeches with white, naked limbs leant close to one another, their branches interested in a strange embrace, making a vault above my head like the archway of a church. And there were other trees as well, trees that I did not recognize, squat oaks and tortured elms that straggled cheek by jowl with the beeches, and had thrust themselves out of the quiet earth, along with monster shrubs and plants, none of which I remembered.”

 

 

 

Maurier
Daphne du Maurier (13 mei 1907 – 19 april 1989)

 

De Franse schrijver Alphonse Daudet werd geboren in Nîmes op 13 mei 1840. Toen hij zeven jaar oud was, verhuisde hij om tragische redenen naar noord-Frankrijk. Hij heeft er gewoond aan het Place des Vosges 8 in Parijs. Door zijn gedwongen vertrek uit het zuiden op jonge leeftijd heeft Daudet waarschijnlijk altijd een geromantiseerde hang gehouden naar de zuid-Franse Provence. Daudet raakte bevriend met de zuid-Franse schrijver Frédéric Mistral en trad toe tot diens Félibrige, een genootschap van schrijvers en dichters, die gezamenlijk het Occitaans, de oude zuid-Franse taal, nieuw leven wilden inblazen. Daudet heeft niet de grote bekendheid en populariteit gekend als zijn vriend Mistral. Toch wordt Daudet wel de ambassadeur van de Provence genoemd, en zijn ook naar hem in Frankrijk straten en scholen genoemd.

 

Uit: Lettres de Mon Moulin

 

« Le soleil déjà très bas, descendait vers l'eau de plus en plus vite, entraînant tout l'horizon après lui. Le vent fraîchissait, l'île devenait violette. dans le ciel, près de moi un gros oiseau passait lourdement : c'était l'aigle de la tour génoise qui rentrait... Peu à peu la brume de mer montait. Bientôt on ne voyait plus que l'ourlet blanc de l'écume autour de l'île... Tout à coup, au-dessus de ma tête, jaillissait un grand flot de lumière douce.. Le phare était allumé. Laissant toute l'île dans l'ombre, le clair rayon allait tomber au large sur la mer, et j'étais là perdu dans la nuit, sous ces grandes ondes lumineuses qui m'éclaboussaient à peine en passant... Mais le vent fraîchissait encore. Il fallait rentrer. »

 

 

Daudet
Alphonse Daudet (13 mei 1840 - 17 december 1897)

 

De Zwitserse schrijver en literatuurwetenschapper Adolf Muschg werd geboren op 13 mei 1934 in Zollikon, kanton Zürich.  Hij studeerde germanistiek, filosofie en Engels in Zürich en Cambridge. Daarna was hij op diverse plaatsen docent aan gymnasia en hogescholen, o.a. in Duitsland, Japan en de VS. Van 1970 tot 1999 was hij hoogleraar Duitse Taal- en Literatuur aan de Eidgenössischen Technischen Hochschule Zürich.

 

Uit: Der Zusenn oder das Heimat

 

„Ich wusste es ja selbst nicht, dass ich als 57-Jähriger nochmals geplagt würde, und war es auch ein kalter Morgen. Ich wollte zum Füttern und sah, dass sie [Lina] noch kein Feuer gemacht hatte, sondern die Küche leer war, und der Atem blieben Ihnen vor der Nase stehen. Ich war erschrocken, liebes Untersuchungsgericht, denn kann nur sagen, dass so etwas in 10 Jahren noch nicht passiert war, auch wenn sie Bauchweh hatte, sie schleppte sich hinunter und stellte den Kaffee auf den Herd. Alle Fenster waren gefroren und alles wie in einem Friedhof, da hätte ich Sie sehen sollen, denn so still war es seit dem Tod meiner Frau nie mehr gewesen.“

 

 

MUSCHG
Adolf Muschg (Zollikon
, 13 mei 1934)

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh. Zij behaalde een graad in filosofie aan de University of Edinburgh. Haar eerste bundel, Black Spiders, verscheen in 1982. On 2004 won zij de Forward Poetry Prize voor The Tree House. Andere bundels van haar zijn The Queen of Sheba, (1994), The Way We Live (1987), Jizzen (1999), A Flame In Your Heart

 

 

Mr and Mrs Scotland Are Dead

On the civic amenity landfill site,
the coup, the dump beyond the cemetery
and the 30-mile-an-hour sign, her stiff
old ladies’ bags, open mouthed, spew
postcards sent from small Scots towns
in 1960: Peebles, Largs, the rock-gardens
of Carnoustie, tinted in the dirt.
Mr and Mrs Scotland, here is the hand you were dealt:
fair but cool, showery but nevertheless,
Jean asks kindly; the lovely scenery;
in careful school-room script –
The Beltane Queen was crowned today.
But Mr and Mrs Scotland are dead.

Couldn’t he have burned them? Released
in a grey curl of smoke
this pattern for a cable knit? Or this:
tossed between a toppled fridge
and sweet-stinking anorak: Dictionary for Mothers
M:- Milk, the woman who worries…;
And here, Mr Scotland’s John Bull Puncture Repair Kit;
those days when he knew intimately
the thin roads of his country, hedgerows
hanged with small black brambles’ hearts;
and here, for God’s sake, his last few joiners’ tools,
SCOTLAND, SCOTLAND, stamped on their tired handles.

Do we take them? Before the bulldozer comes
to make more room, to shove aside
his shaving brush, her button tin.
Do we save this toolbox, these old-fashioned views
addressed, after all, to Mr and Mrs Scotland?
Should we reach and take them? And then?
Forget them, till that person enters
our silent house, begins to open
to the light our kitchen drawers,
and performs for us this perfunctory rite:
the sweeping up, the turning out.

 

 

 

Jamie
Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

De Oostenrijkse schrijver Franz Michael Felder werd geboren op 13 mei 1839 in Schoppernau. Ondanks zijn vroege dood heeft hij nog een behoorlijk oeuvre achtergelaten. Zijn sociaalkritische romans en verhalen richtten zich op de dorpsgeschiedenis, vergenwoordigen echter ook het poëtisch realisme.

 

Uit: Aus meinem Leben

 

Der Frühling zog wieder warm und prächtig ins Land. Er kam ziemlich spät und schien jetzt zeigen zu wollen, daß er in der Welt draußen denn doch noch nicht alle seine Herrlichkeiten

vertan habe. Früher schien mir das manchesmal der Fall – vielleicht gerade darum, weil ich’s ihm nicht verargt und an seinem Platze so gemacht hätte. Dachte ich mir doch Herrliches und Großes nur in die Welt hinaus, von der unsere Berge mich abschlossen. Jetzt aber war’s anders. Ich las ja täglich Zimmermanns Klagen über die Welt, ihre vergängliche, auch an und für sich elende Herrlichkeit, deren Schein nur oberflächliche Menschen zu blenden vermochte.

Selbst Wielanden – ich kannte nur seine »Sympathien« und ähnliche fromme Schriften – sah ich eine geistige Gemeinde um sich versammeln, gerade wie ich es nicht nur in schlaflosen Nächten, sondern zuweilen auch in lauter Gesellschaft versuchte, wo ich mich allein und unverstanden sah. Ich war also doch nicht ein ganzer Sonderling. Andere hatten ähnliche Gefühle. Ich begann mich für etwas zu halten, gönnte meinen Altersgenossen ihre lärmenden Vergnügungen und fühlte mich in meiner Welt des Herzens, die ich mit Klopstock jetzt Wingolf nannte, glücklich und groß. Ins Wirtshaus kam ich schon darum nie, als wenn es durchaus sein mußte, weil das Geld immer zu Büchern gespart wurde.“

 

 

FELDER
Franz Michael Felder (13 mei 1839 – 26 april 1869)

 

De Duits-Nederlandse schrijver Jacob Gottfried Haafner werd geboren op 13 mei (volgens anderen op 13 maart) 1754 in Halle an der Saale. Haafner beschreef als eerste uitvoerig in het Nederlands zijn liefde voor een vrouw uit een ander werelddeel. Zijn levendige, leesbare proza wordt gedreven door zijn overtuiging: de aanwezigheid van de Europeanen in de tropen heeft vaak een fatale invloed op de plaatselijke mensen. Haafner was tot voor kort een `vergeten' schrijver van `vergeten' boeken; sinds 1992 worden zijn Werken heruitgegeven. De reisverhalen van Jacob Gotfried Haafner behoren tot de meest enerverende lectuur die in de jaren rond 1800 in Nederland is voortgebracht. Haafner woonde ruim dertien jaar in India en op Ceylon.  Zijn avontuurlijke leven en zijn directe schrijfstijl maakten dat zijn boeken ogenblikkelijk populair werden. Toen Multatuli later in de negentiende eeuw werd gevraagd om een oordeel te geven over een bloemlezing van de Nederlandse literatuur, vond hij alleen Haafners werk de moeite van het lezen waard.

 

Uit: Werken

 

“Kotzebue in zijne reize naar Napels, roept gansch Europa tot getuigen, dat er op zekeren dag eene vrouw van honger in die stad is gestorven, terwijl de koning met wel gevoede en gemeste honden ter jagt ging. Ik nu verklaar dat er in 1782 dagelijks 500 menschen te Madras van honger stierven, terwijl de Engelschen in dien stad hunne pakhuizen vol graanen hadden, en dagelijks feesten en danspartijen gaven.”

 

 

Haafner
Jacob Haafner
(13 mei 1754 – 4 september 1809)

 

De Amerikaanse schrijver Armistead Jones Maupin Jr. werd geboren op 13 mei 1944 in Washington, groeide op in North Carolina en bezocht als rechtenstudent de Universiteit van North Carolina. Hij maakte zijn studie niet af. Hij meldde zich aan bij de U.S. Navy en werd verschillende malen uitgezonden, onder meer naar Vietnam. Na jaren van omzwervingen komt hij uiteindelijk terecht in Californië, waar hij in 1976 gaat werken voor de San Francisco Chronicle. In deze krant publiceerde hij jarenlang het feuilleton Tales of the City. De wekelijkse afleveringen werden later in boekvorm uitgegeven. Alleen het zesde en laatste deel van de reeks verscheen nooit in de krant, maar werd direct als bundel uitgegeven. Zijn bekendste werk is de zesdelige reeks Tales of the City. De eerste drie delen zijn bewerkt tot een televisieserie. De reeks vormt een uniek historisch document van de ontwikkelingen van de homogemeenschap in de Verenigde Staten: van de seksuele revolutie van de jaren zeventig, de impact van de AIDS-epidemie tot de verovering van een plaats in de maatschappij. Na zijn zes Tales-boeken publiceerde hij tot op heden twee losstaande romans, getiteld Maybe the Moon (1992) en The Night Listener (2001)

 

Uit: The Night Listener

 

“I know how it sounds when I call him my son. There's something a little precious about it, a little too wishful to be taken seriously. I've noticed the looks on people's faces, those dim, indulgent smiles that vanish in a heartbeat. It's easy enough to see how they've pegged me: an unfulfilled man on the shady side of fifty, making a last grasp at fatherhood with somebody else's child. That's not the way it is. Frankly, I've never wanted a kid. Never once believed that nature's whim had robbed me of my manly destiny. Pete and I were an accident, pure and simple, a collision of kindred spirits that had nothing to do with paternal urges, latent or otherwise. That much I can tell you for sure.
Son isn't the right word, of course.
Just the only one big enough to describe what happened.
I'm a fabulist by trade, so be forewarned: I've spent years looting my life for fiction. Like a magpie, I save the shiny stuff and discard the rest; it's of no use to me if it doesn't serve the geometry of the story. This makes me less than reliable when it comes to the facts. Ask Jess Carmody, who lived with me for ten years and observed this affliction firsthand. He even had a name for it 'The Jewelled Elephant Syndrome' after a story I once told him about an old friend from college.
My friend, whose name was Boyd, joined the Peace Corps in the late sixties. He was sent to a village in India where he fell in love with a local girl and eventually proposed to her. But Boyd's blue-blooded parents back in South Carolina were so aghast at the prospect of dusky grandchildren that they refused to attend the wedding in New Delhi.”

 

 

Maupin
Armistead Maupin ( Washington, 13 mei 1944)

 

De Canadese schrijver Roch Carrier werd geboren op 13 mei 1937 in Sainte-Justine, Quebec. Hij studeerde aan het Collège St-Louis in New Brunswick, de Université de Montréal in Quebec en de Sorbonne in Parijs, waar hij een graad behaalde in literatuur. Carrier schrijft romans en vooral zogenaamde “contes”, een zeer korte versie van de short story. Een fragment van "Le chandail de hockey" ("The Hockey Sweater"), een van zijn beroemdste “contes” staat gedrukt op de rug van het Canadese vijfdollar biljet.

Uit: The Hockey Sweater

“The winters of my childhood were long, long seasons. We Iived in three places - the school, the church and the skating-rink - but our real life was on the skating-rink. Real battles were won on the skating-rink. Real strength appeared on the skating-rink. The real leaders showed themselves on the skating-rink. School was a sort of punishment. Parents always want to punish children and school is :heir most natural way of punishing us. However, school was also a quiet place where we could prepare for the next hockey game, lay out our next strategies. As for church, we found there the tranquility of God: there we forgot school and dreamed about the next hockey game. Through our daydreams it might happen that we would recite a prayer: we would ask God to help us play as well as Maurice Richard.

We all wore the same uniform as he, the red white and blue uniform of the Montreal Canadiens, the best hockey team in the world; we all combed our hair in the same style as Maurice Richard, and to keep it in place we used a sort of glue - a great deal of glue. We laced our skates like Maurice Richard, we taped our sticks like Maurice Richard. We cut all his pictures out of the papers. Truly, we knew everything about him.

On the ice, when the referee blew his whistle the two teams would rush at the puck; we were five Maurice Richards taking it away from five other Maurice Richards; we were ten players, all of us wearing with the same blazing enthusiasm the uniform of the Montreal Canadiens. On our backs, we all wore the famous number 9”.

 

 

carrier
Roch Carrier (Sainte-Justine, 13 mei 1937)

 

De Nederlandse dichter en godsdiensthistoricus Theo van  Baaren werd op 13 mei 1912 geboren in Utrecht. Behalve gedichten schreef Van Baaren toneel, romans en een aantal godsdiensthistorische publicaties. Op het gebied van de beeldende kunst maakte hij collages.

Hij studeerde egyptologie en theologie in Utrecht, waar hij ook promoveerde. Van 1952 tot 1980 was hij hoogleraar geschiedenis der godsdiensten en de Egyptische taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. In de oorlogsjaren brachten Van Baaren en zijn latere echtgenote Gertrude Pape het tijdschrift De schone zakdoek uit. Dit had een oplage van één exemplaar en verscheen in de periode april 1941 tot maart 1944. Met een aantal andere schrijvers en dichters experimenteerden zij met verschillende vormen van poëzie en schrijftechnieken. Ook werden foto's en collages ingeplakt. Het is het enige surrealistische tijdschrift dat in Nederland is verschenen. In de periode 1952 tot 1976 verscheen geen literair werk van zijn hand. In 1976 bracht hij weer een dichtbundel uit. Zijn poëzie is verwant met het surrealisme.

 

Utrecht

 

De grachten kruipen door de dode stad
als evenvele volgevreten slangen
en de barok verzakte huizen hangen
moe op elkaar, de kelders altijd nat

 

van grondrig water, bruin en slijmig, dat
de smaak heeft van bedorven minverlangen;
onder de straten lopen lage gangen

het zwart domein van basilisk en rat.

 

Want hield een draak niet deze stad in stand,

in ’t bannet van zijn ogen ingesloten
(bestaat ze soms alleen nog in zijn blik?)

 

dan was Utrecht allang slechts puin en zand,
waar ieder fundament op graven stoot en
schedels slingren in het singelslik.

 

 

 

VANBAAREN
Theo van  Baaren
(13 mei 1912  -  4 mei 1989)