04-11-16

Judith Herzberg, Willem van Toorn, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, Klabund, Charles Frazier

 

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

Oude vrouw

De fantasieën die ik vroeger als ik ziek was had!
Filosofie, polyandrie, Andalusië,
wat al niet, en nu? Ik zou de bladeren
weer aan de takken willen hangen.
Tweemaal daags wankel ik door de gang.

 

 

Navy Blue

Kom laat mij je kietelen, befietelen,
vergiechelen, het is geen oorlog meer.
Ook is het haast geen winter meer,
geen winterweer geen onderweer
No underwear wanted.

Kom laat mij je bepoedelen verloederen
bemoederen, ik heb je geld geteld
Change, Cambio, en je bent welgesteld.
Ik heb mijn zaken op wèl gesteld,
niet voor niets, niets voor niets.

Kom laat ik je bespelen, bestelen
bestrelen, terecht of onterecht
zijn wij terecht gekomen. Te recht
of te krom, wie geeft er om? Echt
is but real in reality.

Doe wel en zie niet om.

 

 

JIDDISH

Mijn vader zong de liedjes
die zijn moeder vroeger zong
later voor mij, die ze half verstond.

Ik zing dezelfde woorden weer
heimwee fladdert in mijn keel
heimwee naar wat ik heb.

Zing voor mijn kinderen
wat ik zelf niet versta
zodat zij later, later?

Voor de rozen verwelkt zijn
drinken wij al het bloemenwater.

Verdrietige intieme taal
het spijt me dat je in dit hoofd
verschrompelde.
Het heeft je niet meer nodig
maar het mist je wel.

 

 
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

Lees meer...

04-11-15

Judith Herzberg, Willem van Toorn, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, Klabund, Charles Frazier

 

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

Alleen in een klein huis

Alleen in een klein huis kan je behoorlijk denken
de muren zijn dichtbij genoeg
weren de regen met gesneden voegen
die regen moet je kunnen horen
het dak lekt op bekende plekken
daar heb je plastic neergelegd
emmers gezet, als er een raam is
zelfs een plant, alleen
in een klein huis
kan je behoorlijk denken.

 

 

Keer om, keer om

Keer om, keer om
mooi meisje keer om!

Je danst in je sandalen
met voeten die groeten
met heupen als schakels
gemaakt om te draaien.

Ga mee in de velden
dan gaan we slapen
dan gaan we daar kijken
hoe alles gegroeid is
of de knoppen al botten
de blaadjes al groenen,

daar ga ik je zoenen
en bij onze deur
ligt allerlei fruit klaar
rijp en groen
speciaal mijn lief
voor jou bewaard.

 

 

Vader en zoon in hevige regen

Je zoon op je schouders.
Boven hem je paraplu
een lopend torentje
In regen van nu.
Zelf wees geweest
en wees gebleven
zit je daar zelf
op schouders
van ouders, zelf
in de vorm
van een zoontje,
en boven de hoofden
een ronde en kleine
maar troostende droogte.

 

 

 
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

Lees meer...

14-02-15

Je zoenen zijn zoeter (Judith Herzberg), Ischa Meijer, Alexander Kluge, Hanna Bervoets, Piet Paaltjens, Robert Shea, Frank Harris

 

Bij Valentijnsdag

 

 
Sint Valentijn door Lucas Cranach de Oudere, ca. 1553

 

 

Je zoenen zijn zoeter

Je zoenen zijn zoeter dan
zoeter dan honing en ik vind je
mooier en liever, liever
en aardiger nog dan de koning.
We gaan samen liggen
een eind hier vandaan
we maken van takken
van takken en blaadjes
een vloer en een dak,
dat was onze woning,
of ik was het tuintje
en jij was de tent
daar gingen wij wonen
en blijven en horen
o rep je mijn liefje
ik heb je zo graag
nu of nooit samen slapen
want we zijn er
alleen maar vandaag.

 

 

 
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

Lees meer...

04-11-14

Judith Herzberg, Willem van Toorn, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, René de Clercq, Klabund

 

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

Toegift

Natuurlijk haal je liever iemand uit het water
die nog te redden is. Maar stel dat hij nog leefde
wat hadden we dan voor hem kunnen doen. Hem vragen
waar zijn wanhoop op berustte, hem zijn geliefde
weer terugbezorgen, of zijn werk, of zijn zelfvertrouwen?

Nu kunnen we een heel klein beetje rouwen
niet eens om hem, omdat we hem niet kennen,
maar uit een vaag gevoel van menselijk fatsoen.

De bijna-liefde, bijna aandacht die hij straks nog
meekrijgt in zijn kist was misschien nèt dat
kleine beetje dat hem had kunnen redden,
dat hij bij leven heeft gemist.

 

 

Beroepskeuze

En toen ze vroegen wat ze later wilde worden
zei ze 'Graag invalide' en zag zich al,
benen onbeweeglijk in bruin-geruite plaid
door toegewijde man en bleke zonen
voortgeduwd, geen zegel zelf te plakken,
geen brief te schrijven, geen reis te maken.
Dan zou ze eindelijk echt vrij zijn
zo treurig kijken als ze wou, in winkels
voor haar beurt gaan, bij optochten
vooraan staan, geen mooie kleren aan
en elke avond zachtjes snikkend
zou ze zeggen heus niet om mij
maar om die last voor jou.
En beide zonen zouden altijd
bij haar blijven, hun leven
aan haar wijden en nooit
zou haar iets overkomen,
nooit, nooit zou ze slijten.

 

 

Spelletjes

Stel je voor dat ellende echt was.
Stel je voor dat die oude mensen bang waren voor de dood.
En als de dwerg en het meisje met één arm
echt pijn voelen? Stel je voor hoe onmogelijk het zou zijn
om te leven als sommige mensen
alleen waren en hun leven lang bang.

naar Jack Gilbert

 

 
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

Lees meer...

04-11-13

Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, Charles Frazier, Klabund

 

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

 

Hiernamaals

 

Als ik, nadat ik dood ben, nog
ergens rond mag dolen, laat het dan
op de markt zijn, in geur en kleur.
En mag die markt dan open zijn
onder de blote hemel. En mag ik dan
als vroeger met mijn moeder
zo'n puntzak gloeiend hete frites
(met veel zout uit zo'n gebutste
strooibus) met haar delen.

 

 

 

Kauwtje II

 

Hij vindt het rot om in een kooi te slapen.
Wanneer de avond op komt zetten en gaat waaien
wil hij de wolken in, maar weet niet
dat hij niet kan vliegen, alleen
dat hij vliegen wil. Wil vliegen. Zijn wakker
kraaloog houdt de tralies in de gaten
zodra hij kans ziet gaat hij, maar
weet niet dat de katten onder lage
takken liggen, wachten. Zijn harde snavel
staat half open, hij wil niet eten.
Kwaad hakt hij stukken uit de tak waarop hij zit.
Hij is alleen, zwart, vreemd
zoals de Griek, met zijn gebroken been,
die ook de warme kamer met stapelbedden
uit zou willen, de lucht in, meisjes zien,
nu op het draagbare radiootje naast zijn bed
ondraaglijk verre muziek heeft aangezet
even meeslepend en kleinerend als het kauw! kauw!
van torenkraaien hangend op de wind.

 

 

 

 

Het doorgestreepte blijft te lezen

 

Zo zijn het vaak onze meest eigene gedachten
de meest nabije, de meest schrijnende,
die wij door moeten strepen,
uit moeten krassen.

Wij praten, een gat in de nacht.

Dit is het schrikkeluur, de uitgesponnen
schrikseconde. Als honden
zetten wij de tanden in het vod
dat ons zo dierbaar is.

 

 

 

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

Lees meer...

04-11-12

Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, René de Clercq

 

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

 

Ziekenhuistuin

 

Midzomer met zijn overdonderende volte
bladergevaarte van zo moet het zijn, dit
is de vorm die elk van ons vond dit is ons
diepste groen en groen ons wezen, tak aan zijn tak
de grond op de grond, stevig, voldragen,
nergens vermoeden van molm, geen huiver
van langzaam en knisperend stuiptrekkend
stervende wespen.
Alleen wie zelf sterft wordt expert, licht
dit graafrandige voldane op en helpt
zijn bezoeker een feit verder, maar niet ver.

 

 

 

Daglicht

 

Uit de chaos van lakens en
voorgevoel opgestaan, gordijnen
open, de radio aan, was
plotseling Scarlatti
heel helder te verstaan:
Nu alles is zoals het is geworden,
nu alles is zoals het is
komt het, hoewel, misschien
hoewel, tenslotte nog in orde.

 

 

 

 

De herenfiets spreekt

 

'Madame, mijn spaken zijn gekraakt
sinds ik hier sta, mijn zadel raakte
kaal, mijn stuur lijkt nog wel stevig
maar ik sta aan de brug geleund voor eeuwig.

Daarom, Madame, wil ik u vragen
het roesten samen te verdragen
want ook het slot dat in mij knijpt
grijpt ons dan beide tegelijk.

Mijn bel begint zelfs te verruwen
laten wij samen zijn en huwen
hier is mijn wiel, Madame, en daar het Uwe
wil toch voorgoed het Uwe naast het mijne duwen.'

 

 

 

 

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

Lees meer...

04-11-11

Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, René de Clercq

 

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

 

Een vlieg die een toneelstuk speelt

 

Een vlieg die een toneelstuk speelt
klopt aan en ja hoor hij mag binnen komen
wordt door de butler opengedaan.
Jaren ervaring van de vliegentemmer gaan hier in
en niemand die het hoort of ziet
wat het publiek betreft wàs hij er niet
dat zou een grote kunst zijn vind je niet?

 

 

 

Meisje

 

Keert zich een paar keer voor de spiegel
heen en weer
zoals een vogel voor een andere vogel doet
bekijkt zichzelf als voor het eerst
schikt en herschikt aan schouder, kraag,
likt aan haar lipstick, tuit,
fluit als een vogel, rekt zich van graagte
strekt haar nek,
lokroept in zich, giechelt, vliegt.

 

 

 

Verrassing

 

Een vrouw van zesenzestig
doet een draad door een naald.
D.w.z. probeert. Nu weer
wil de draad niet, buigt,
splitst zich, vervaagt,
dan weer lijkt er nauwelijks
een oog in de naald, (zo er al
een oog in zit dan is dat
erg smal en scheef)
als de naald beweegt,
beeft, alsof bang
voor die draad,
maar de draad is zelf
ook niet zo zeker -
Boven haar komt
iemand met een bom gevlogen.
Een jongen. Precisie.

 

 

 

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

Lees meer...

04-11-10

Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, René de Clercq, Charles Frazier, C. K. Williams, Marc Awodey, Klabund, Felix Braun

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 4e november mijn blog bij seniorennet.be

 

Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, René de Clercq

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 4e november ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Charles Frazier, C. K. Williams, Marc Awodey, Klabund, Felix Braun

 

 

04-11-09

Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, René de Clercq, Klabund, Felix Braun, Marc Awodey, Charles Frazier, C. K. Williams


De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2006 en ook mijn blog van 4 november 2007 en ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

Leven/sloop

 

Zijn dagen vulde hij met ongedaan maken

meestal in de kou, want meestal was het winter.

Hij kende alle vogels, maar niet meer bij naam.

Toen hij bijna klaar was met ongedaan maken

is hij gaan liggen en dood geworden.

 

Ook bij de stroeve tulpen naast zijn bed

heeft een vrolijke rigor mortis ingezet.

 

 

 

 

Een kinderspiegel

 

'Als ik oud word neem ik blonde krullen

ik neem geen spataders, geen onderkin,

en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben

dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond

alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.

 

Ik ga nooit liegen of bedriegen, waarom zou ik

en niemand gaat ooit liegen tegen mij.

Ik neem niet van die vieze vette

grijze pieken en ik ga zeker ook niet

stinken uit mijn mond.

 

Ik neem een hond drie poezen en een geit

die binnen mag, dat is gezellig,

de keutels kunnen mij niet schelen.

De poezen mogen in mijn bed

de hond gaat op het kleedje.

 

Ik neem ook hele leuke planten met veel bloemen

niet van die saaie sprieten en geen luis, of zoiets raars.

Ik neem een hele lieve man die tamelijk beroemd is

de hele dag en ook de hele nacht

blijven wij als maar bij elkaar.'

 

 

 

 

Vader en zoon in hevige regen

 

Je zoon op je schouders.

Boven hem je paraplu

een lopend torentje

In regen van nu.

Zelf wees geweest

en wees gebleven

zit je daar zelf

op schouders

van ouders, zelf

in de vorm

van een zoontje,

en boven de hoofden

een ronde en kleine

maar troostende droogte.

 

 

 

 

 

Herzberg

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

Foto Valti van Leeuwen

 

 

 

 

 

De  Nederlandse dichter Peter W.J. Brouwer werd op 4 november 1965 in Eindhoven geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

 

Bepaling van de tijd

Ik kwam als kind en overzag
een wereld losgedooid uit
het laatste ijs, millennia lang
bedekt met weiden
met stille bloemen
ik zag de vogels erboven
en de dieren die tot aan het water graasden
in één oogopslag

tijd, het grootste was hier
in dit onvoltooid verleden landschap
het kleinste gebleken

 

 

 

 

Beginnen

 

Zelfs als de vogel in mijn hand valt
uit mijn oog ik de wolk pluk
die ik terug in de zomer pas

 

en de puzzel van een tijd
weer compleet maak

 

maak ik daarmee
zijn vlucht niet ongedaan

 

want ook een gedicht
heeft een geheugen
en binnen in de kamer
tussen twee regels

 

lees ik door
wat niet vergeten is
vogel die ik losliet

 

zal hij zich ooit weer vertonen
zich in de palm van mijn hand
zachtjes vlijen
hij zal dezelfde, maar anders zijn

 

buiten in de zomer is de hemel
leeg en opgeruimd schoon
daar is een ander al begonnen

 

ik zie hem verslinden
een landschap
zo groot als een oog

 

ik kijk en denk
als nieuwsgierigheid kon worden overgedaan
en onze geheugens ons nu maar
in de steek lieten, ja dan

 

zouden we voor altijd
een ander zijn,
we zouden van niets weten

 

en van elkaar de zoetste
droom opnieuw beginnen

 

 

 

 

Brouwer
Peter W.J. Brouwer (Eindhoven,  4 november 1965)

 

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter, politiek activist en componist René Desiderius de Clercq werd geboren in Deerlijk op 4 november 1877. Zie mijn blog van 4 november 2008.

 

 

Haastige bloemen

 

Haastige bloemen bloeien.

Kan de tijd niet staan?

Ziet uw kindren aan,

Hoe ze groeien.

 

Allen, allen, allen,

IJlen, wijlen, vallen,

Bloeien op en af

Als de bloem op 't graf.

 

Aarde, groen en sneeuwig,

Voer ons, die vergaan,

Waar de sterren staan

Als gedachten eeuwig.

 

 

 

Best geborgen

 

Best geborgen

In de zorgen,

Liefde, leer mij schoon geduld.

Laat mij dragen

Zonder klagen,

Laat mij lijden zonder schuld.

 

 

 

 

Kerstverlangen

 

Hoe zacht der klokken klagen,

Uitzindrend op mijn hert!

Het sneeuwt op donkre smert.

En vromen hoor ik vragen,

Terwijl de dag komt dagen,

Wat groots geboren werd.

 

Gebogen mensen rijzen

En zien elkander aan.

Voorbij de bloedige waan!

De volkren zijn te prijzen

Waar Koningen en Wijzen

Langs witte wegen gaan.

 

O gij, die recht en rede

Begeert, genoeg gedwaald.

De zoen des hemels daalt.

Verheugt u telkerstede:

Geboren is de Vrede

Die godlijk ademhaalt.

 

 

 

 

 

de_clercq

René de Clercq (4 november 1877 - 12 juni 1932)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Klabund werd als Alfred Henschke geboren op 4 november 1890 in Crossen an der Oder. Zie ook mijn blog van 4 november 2006 en ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

Mohammed

 

Ihn warf die Mutter winselnd in die Wüste,

Umschritten vom Gefolg gestreifter Panther.

Sie fühlte frei der Löwin sich verwandter,

Die ihres Sohnes Sein mit Blut versüsste.

 

Er wuchs verwunschen. Wild. Und bunter büsste

Er das Gelüst, zu leben. Schön entschwand er

In das Gebirge. Als des Gotts Gesandter

Stand steinern er im Steine, den er grüsste.

 

Es durfte mancher höher sich erheben,

Und mancher stürzte tiefer in den Schacht,

Wo schwarz von Russ die dunklen Engel schweben.

 

Doch keiner hat so licht wie du gelacht,

Und keiner konnte himmlischer verweben

Geist, Güte, Liebe, Macht, ja: Tag und Nacht.

 

 

 

 

Zuweilen

 

Mir sind die Frauen fremd,

Ich hasse ihre Schritte.

Ich wünschte, daß ich ganz

In mich entglitte.

 

Nur ich bin in der Welt,

Nur ich geschlechtlich einsam.

Ein Brunnen, der in sich fällt,

Eine Brücke, zweiufergemeinsam.

 

 

 

 

Der Friedhof

 

In graden Reihen epheudichtbedeckt,

Gleich Betten im Spital, stehen die Gräber.

Ein Kreuz aus Stein vernarrte Neugier weckt,

Wer hier verscharrt. Der Tag, der helle Weber,

Webt Lichterfäden um der Treu Geranien,

Ein leiser Widerschein spielt in den Sarg.

Sie ruhen unter blühenden Kastanien,

Ihr Lebenssaft steigt denen tief ins Mark.

Zwischen zwei Gräbern welken rote Blumen,

Das Erdreich ist zerdrückt, das Laub zerfetzt.

Hier wälzten sich die Nacht auf weichen Krumen

Zwei Wildverliebte, von der Brunst gehetzt.

In ihre Schreie sprangen klirrend Knochen

Und Schädel, die nach reifem Heumond rochen.

 

 

 

 

 

klabupor
Klabund (4 november 1890 – 14 augustus 1928)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Felix Braun werd op 4 november 1885 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

Die Berge 
 

Wir waren arm, und so fuhren wir lang
Mit dem Personenzug.
Meine Mutter hatte nur Wien gesehn,
Und ich war jung genug.
Wir fuhren lang über hügliges Land,
Ich zählte jede Station,
Ich trug sie wohl ein in mein Schönschreibheft,
An vierzig waren es schon.

 

Dann wurde ich müd, und ich schlief ein. -
Auf einmal - wie ward ich wach? -
Was donnerte her? Was brach herein?
Was rauschte und sauste nach?
Es war so kühl und so finster das Grün,
Als schatteten Wände nah.
Meine Mutter zog mich zum Fenster hin -
Und ich sah:

 

Da ragten die Berge himmelan,
Grünmoosig und felsigkahl,
Und einzelne Fichten hingen daran,
Und ein Wasser stürzte zu Tal.
Das Wasser, ja, das brauste so laut,
Weiß schleiernd mit gläsernem Bug -
Kalt wars - mir schaudert es über die Haut -
Dumpf fort stampfte der Zug.

 

Und höher und höher stieg das Gewänd.
Woher soviel Wasser quoll?
Es floß vielleicht aus dem Firmament,
Dunkelblau und wolkenvoll.
"Das ist das Gesäuse", sprach jemand.
Meine Mutter nickte bloß.
Heftig griff sie nach meiner Hand
Und ließ sie nicht mehr los.

 

Und die Berge blieben. Zum erstenmal
Im Sommer sah ich Schnee.
"Eine Gemse!", rief meine Mutter. "Da!"
Aber es war nur ein Reh.
Unter hölzerner Brücke die Ache warf
Grünweißen Wellengischt.
Ah, wehte die Luft eisigkühl und scharf,
Mit Nadel- und Harzduft vermischt! -

 

Es war schon Abend, da stiegen wir aus,
Das Dorf lag so fremd, voll Gefahr.
Unser Haus war ein altes Bauernhaus,
Alles war wunderbar.
Mein Bett nur war zu früh gemacht,
Es gab noch so vieles zu schaun. -
Meine Mutter weinte die ganze Nacht -
So laut rauschte die Traun.

 

 

 

 

 

Braun

Felix Braun (4 november 1885 – 29 november 1973)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Marc Awodey werd geboren op 4 november 1960 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

September

 

In a curvilinear spell
autumn reconnoitered hillsides
beneath dove clouds.

 

Summer was more than lustrous.
Teal threads fused beguiled moments
into an elaborate delusion
under August's decoupage.

 

Canary birch leaves
and rouged maples must soon turn
beneath hazel limbs
to uphold winter's grim paradise.

 

 

 

 

 

Awodey
Marc Awodey (Ann Arbor,4 november 1960)

 

 

De Amerikaanse schrijver Charles Frazier werd geboren op 4 november 1950 in Asheville, North Carolina. Zie ook mijn blog van 4 november 2008.

 

Uit: Thirteen Moons

 

“Thereis no scatheless rapture. love and time put me in this condition. I amleaving soon for the Nightland, where all the ghosts of men and animalsyearn to travel. We?re called to it. I feel it pulling at me, same aseveryone else. It is the last unmapped country, and a dark way gettingthere. A sorrowful path. And maybe not exactly Paradise at the end. Thebelief I?ve acquired over a generous and nevertheless inadequate timeon earth is that we arrive in the afterlife as broken as when wedeparted from the world. But, on the other hand, I?ve always enjoyed ajourney.

Cloudy days, I sit by the fire and talk nothing butCherokee. Or else I sit silent with pen and paper, rendering thelanguage into Sequoyah?s syllabary, the characters forming under myhand like hen- scratch hieroglyphs. On sunny days, I usually rock onthe porch wrapped in a blanket and read and admire the vista. Manydecades ago, when I built my farm out of raw land, I oriented the frontof the house to aim west toward the highest range of mountains. It is agrand long view. The river and valley, and then the coves and blueridges heaved up and ragged to the limits of eyesight.Bear andI once owned all the landscape visible from my porch and a great dealmore. People claimed that in Old Europe our holdings would have beenenough land to make a minor country. Now I have just the one littlecove opening ontothe river . The hideous new railroad, of which I ownquite a few shares, runs through my front yard. The black trains comesmoking along twice a day, and in the summer when the house windows areopen, the help wipes the soot off the horizontal faces of furniture atleast three times a week. On the other side ofthe river is a road thathas been there as some form of passway since the time of elk andbuffalo, both long since extinguished. Now, mules drawing wagons flaresideways in the traces when automobiles pass.”

 

 

 

 

Frazier
Charles Frazier (Asheville, 4 november 1950)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Charles Kenneth Williams werd geboren op 4 november 1936 in Newark, New Jersey. Zie ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

First Desires

 

It was like listening to the record of a symphony before you knew

anything at all about the music,
what the instruments might sound like, look like, what portion of the

orchestra each represented:
there were only volumes and velocities, thickenings and thinnings,

the winding cries of change
that seemed to touch within you, through your body,

to be part of you and then apart from you.
And even when you’d learned the grainy timbre of the single violin,

the aching arpeggios of the horn,
when you tried again there were still uneases and confusions left, an

ache, a sense of longing
that held you in chromatic dissonance, droning on beyond the

dominant’s resolve into the tonic,
as though there were a flaw of logic in the structure, or in (you knew

it was more likely) you.

 

 

 

 

ckwilliams
C. K. Williams
(Newark, 4 november 1936)

04-11-08

Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, René de Clercq, Felix Braun, Marc Awodey, Charles Frazier, C. K. Williams


De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2006 en ook mijn blog van 4 november 2007.

 

Zoals

Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor
en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling,
zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt
en pas als je het hebt, weet wat het was,
zoals je soms een pakje ergens heen brengt
en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt,
dat je te licht bent, zoals je je, wachtend,
minutenlang hevig verlieft in elk nieuw mens
maar toch het meeste wachtend bent,
zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waar het om ging
en je een geur te binnen schiet bij wijze van
herinnering, zoals je weet bij wie je op alert
en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen,
zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.

 

 

 

 

 

Nog raarder dan dat

 

Nog raarder dan dat
we niet meer kunnen lachen
praten elkaar aanraken
is dat ik je portret
heb neergezet en dat je
nu al bent veranderd
in verhalen.
Dat je over nog wat jaren
via de prullenmand
bij oud papier belandt
vergeeld, een beau
van oma, geen één
van je opeens extravagante
gepassioneerde onberedeneerde
jongehonderigheden heel.
Geen één voorstelbaar.
En deze regels lezen
nu al vreemden.

 

 

 

 

 

Botshol

 

Altijd bang in nachtdiep water
dat is bang aan land.

Dit is geen hol, eerder een leegte
geen stootrand voor begrip, begeerte,

noch een grot met ruwe wanden
waarin op de tast.

Zonder randen ligt het zonder
berm, horizon, houvast.

Geen bodem waarop schaduw meevaart.
Helder het zwartst.

Onttrekt zich in verte aan verte
onttrekt zich in vlakte.

Water onder water
luistert niet. Likt niets los.

 

 

 

 

 

 

herzberg
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

 

 

 

 

 

De  Nederlandse dichter Peter W.J. Brouwer werd op 4 november 1965 in Eindhoven geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2006 en ook mijn blog van 4 november 2007.

 

 

GEHEIM

 

Er zijn geen onvermelde feiten
er is nauwelijks extra kleur
voor een ander
achter mijn ogen, vanuit mijn lendenen
het vermelden waard
er is geen ander
die het anders doet dan jij
er is geen donkerder, dieper
vrouw in wie ik al mijn weten
vind en bezeten en bevlogen kwijt

en al zou het zo zijn
dat ik een tweelingzuster had
die mij vanuit mijn lendenen regeert
door wie ik de dag voor nacht aanzie
moet ik mijn ziel daarom dan
een pseudoniem aanmeten?

wat zij mij ook toevertrouwt
wat zij ook fluistert in de wind
welk parfum jou ook ontgaat
het enige geheim dat bestaat
en dat verdeelt
deel ik met mij
ik, in wie geen donkerder, dieper
geen ander weten is dan
ik, in wie alle dromen één zijn
in wie de een de ander is
in wie alles wat eindigen wil
wel ooit beginnen zal

 

 

 

 

 

OVER GROOTOUDERS


Op een avond liep
een schelpenpad tot aan het huis

waar mijn grootmoeder
als engel de deur opende

in zoveel licht
had ik haar nog niet gezien

een fossiel was haar stem en
mijn herinnering het huis geworden

we groetten elkaar en spoelden aan
terwijl ik mijn grootvader slapend zag wijken

ik kon zijn huis en dieren met hokken
tot wrakhout bedenken

zijn appelboom tot klokhuis kijken
mezelf een nachtegaal
horen zingen

 

 

 

 

 

Peter_Brouwer
Peter W.J. Brouwer (Eindhoven,  4 november 1965)

 

 

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter, politiek activist en componist René Desiderius de Clercq werd geboren in Deerlijk op 4 november 1877.  Hij ging in 1896 eerst geneeskunde studeren aan de Universiteit van Gent maar schakelde al snel over op Germaanse filologie. De Clercq raakte via Emmanuel Bom betrokken bij het literair tijdschrift Van Nu en Straks en in 1901 was hij voorzitter van Rodenbach's Vrienden, Taalkundig Studentengenootschap, dat Julius Mac Leod steunde in zijn strijd voor vernederlandsing van de universiteit. In het literair blad Jong Vlaanderen publiceerde hij het euforisch essay "Krachtstorm", over de ontvoogding van het cultuurarme Vlaanderen. Hij ging na zijn promotie in 1902 les geven in Nijvel, Oostende en Gent. De Duitse inval in augustus 1914 bracht De Clercq ertoe te vluchten naar Nederland, waar hij aan de Belgische School in de Van Ostadestraat in Amsterdam les ging geven. Hij werd redacteur van het literair tijdschrift "De Vlaamsche Stem". Het blad geraakte in mei 1915 toen het blad met Duitse financiële hulp werd overgenomen door de Groot-Nederlandsgezinde Carel Gerretson onder Vlaams-nationale invloed. Ook De Clercq evolueerde mee en werd een Vlaams activist. Het blad ging in 1916 ter ziele wegens geldgebrek, nadat het de censuur aan geallieerde zijde niet meer doorkwam en dus ook niet meer aan het IJzerfront geraakte.

De Nederlandse dominee uit Gent Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard haalde hem in 1916 over lid te worden van Jong-Vlaanderen. Na de oprichting van de Raad van Vlaanderen in mei 1917 keerde hij  in juli 1917 terug naar Vlaanderen. Hij opteerde als lid van de Raad voor een zelfstandig Vlaanderen dat op zou gaan in een Groot-Nederland en verwerkte dat in zijn gedichten van die tijd. In januari 1918 werd hij ondervoorzitter van de Raad van Vlaanderen en bereidde hij de "volksraadplegingen" voor. Ook bij de oprichting in Vlaanderen van afdelingen van de Deutsch-Vlämische Gesellschaft was hij betrokken. De vrees voor Repressie na de wapenstilstand deed De Clercq terugvluchten naar Nederland waar hij het over hem in België in 1920 uitgesproken doodvonnis per brief vernam. Hij bracht zijn verdere leven door met het onderwijzen van kinderen van andere gevluchte Vlaamse activisten en het publiceren van zijn werken.

 

 

 

Den Avond zijgt als zegen

 

Den avond zijgt als zegen

Om heide, weide en zand.

Vaag worden al de wegen

Eéndonker met het land.

 

De grijze verte nadert

Onhoorbaar, kalm en zacht;

In 't blauwende gebladert

Daalt stille vredenacht.

 

De hemel heeft zich rustig

Om de aarde heengespreid

En zoent haar nu wellustig

In zwijgende eenzaamheid.

 

 

 

 

 

Herfstwee

 

In reke

langs de beke

en lijk bijeengevlucht,

vol schamelheid en schaamte,

geraamte bij geraamte,

de boomen in de schemerlucht.

Hoog rijzen ze in hun rildheid

die reuzen, bronzig-bruin,

en steken vol gestildheid,

lijk stommen, kruin bij kruin.

Hun breede voeten

duiken ze in het boordevolle bed

der beeweggaande wateren, die met

een lage trage zang, hun hooge smert verzoeten.

Grauw omendomme ligt de wee

die 's zomers groenegroeiend deinde

en zong gelijk een zachte zee,

geluidloos in een weedom zonder einde.

Geen kalfjes rond een luie koe

geen koeier kerft een wilgeroe

tot wissen en tot knuppelen.

Alleenig ligt het gers nu, moe

en tenden tot bestervens toe,

vol dikke matte druppelen.

En lijze, onhoorbaar haast,

doch zichtbaar aan den drijf der avonddoomen,

blaast

een doodenadem nog een looverke uit de boomen,

rolt het, glazig-nat en nersch,

al over 't streuvelende gers

tot in de biezen die de beek omzoomen

en laat het dan

gevallen van

het laagste lisch, heel langzaam boven 't water stroomen.

 

 

 

 

 

DeClerq
René de Clercq (4 november 1877 - 12 juni 1932)

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Klabund werd als Alfred Henschke geboren op 4 november 1890 in Crossen an der Oder. Zie ook mijn blog van 4 november 2006. 

 

Uit: Die Liebenden in Dalmatien

 

„Die Liebe, wie sie von verständigen Männern sehr richtig geschildert worden, ist nichts anderes als eine unvernünftige Sehnsucht und eine rastlose Leidenschaft, die vermöge unzüchtiger Gedanken sich in das Herz geschlichen hat. Ihre heillosen Folgen sind: Verschwendung der irdischen Güter, Vergeudung der Kräfte des Körpers, Verwirrung des Geistes und Verlust der Freiheit. Es ist in ihr kein Grund, keine Ordnung und gar keine Beständigkeit. Sie ist die Mutter der Untugend, die Feindin der Jugend und des Alters Tod. Daß sie selten, wenn überhaupt, zu einem glücklichen, ruhmwürdigen Ausgange führt, mag hiermit auch die Geschichte von einer Jungfrau aus der Familie Spoletina beweisen, die der Liebe zufolge elendiglich endete.

Unfern der namhaften, am Meere gelegenen dalmatischen Stadt Ragusa liegt eine kleine, gemeinhin die mittlere genannte Insel, auf der sich ein festes, wohlbegründetes Schloß befindet. Zwischen Ragusa und dieser Insel ragt eine Klippe aus der See empor, auf der man weiter nichts als eine äußerst kleine Kapelle und eine schlechte Bretthütte antrifft. Es wohnen dort keine Menschen, weil der Boden unfruchtbar und die Luft ungesund ist, und nur ein Jüngling namens Calogero Teodoro brachte vor Zeiten einmal auf dem Felsen, einem um seiner Sünden willen getanen Gelübde gemäß, sein Leben im Dienste des armseligen Gotteshauses zu. Weil er seinen Unterhalt nicht mit diesem Amte zu verdienen vermochte, ging er dann und wann nach Ragusa oder nach der mittleren Insel und bettelte, und so trug es sich zu, daß Teodoro, seiner Gewohnheit nach auf der Insel Brot als Almosen einsammelnd, eines Tages fand, was er nimmermehr zu finden vermeint hatte.“

 

 

 

 

 

 

Klabund
Klabund (4 november 1890 – 14 augustus 1928)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Felix Braun werd op 4 november 1885 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2006. 

 

Uit: Der Sternenschiffer

 

Manchmal gesellte sich der Pfarrfischer zu ihm, und dann sprachen sie von den Sternen. Der Pfarrfischer meinte, sie wären im Garten des Paradieses, die goldenen Früchte der blauen und weißen Bäume, und wenn sie so zitterten, so geschähe es, weil der himmlische Wind sie bewege. Aber manche fielen dennoch ab und sänken ins Meer, gegen Hesperien zu. Dann erhöben sich Hände aus den Wassern und fingen sie auf, und oft habe er Gelächter gehört von Seemädchen, wenn er manchmal des Nachts einsam am Strande gehe.

Der Sternenschiffer hörte zu und merkte sich alles. Aber das Paradies dachte er sich wohl anders: Da müssten Ölbäume sein mit silbernen Blättern, Zypressen, Feigen- und Orangenbäume. Ob die Sterne wohl Orangen wären oder Zitronenfrüchte?

Dazu wären sie zu klein, meinte der Pfarrfischer. Eher goldene Kirschen. Sie könnten auch Blumen sein. Gewiß: Blumen im blauen Grase.

Der Sternenschiffer fand auch dies gut, doch wußte er, daß der Pfarrfischer um nichts mehr kundig der Weltdinge war als er selbst. Und dann dachte er stets, daß alles immer irgendwie anders sein müsse. Gerne hätte er einen gelehrten Mann gefragt. Allein die Jahre vergingen, ohne daß einer kam, und wenn ein Schiffer von den Nachbarinseln einmal landete, so wußte der auch nicht mehr, als daß ein Stern nach Norden weist.

Eines Tages erschien ein junger Mann auf der Insel, städtisch gekleidet, eine grüne Büchse umgehängt, eine Brille auf der Nase, mit wehendem, blondem Haar. Er fragte die Fischer nach einem Wirtshaus, aber es gab keines, darin man auch hätte wohnen können. So wiesen ihn die Leute an den Sternenschiffer. Dieser räumte dem jungen deutschen Studenten gern seine gute Stube ein, er selbst schlief in der Nebenkammer, doch zumeist, da nun die Nächte warm wurden und vom süßen Duft der Zitronenblüte erfüllt, lag er am Strande unter dem Sternenhimmel.

Der Student hatte eine Arbeit über die Fora des Quarnero zu verfassen, um Doktor der Philosophie und dann Lehrer der Naturwissenschaft an einer Mittelschule zu werden. Den ganzen Tag über ging er umher, pflückte Blumen, grub sie aus, betrachtete sie, legte sie in seine grüne Büchse oder preßte sie in dem großen Herbarium, das er stets mit sich trug, setzte sich dann auf einen Stein, nahm jedes einzelne Stück wieder hervor, prüfte, zerschnitt, zerlegte und verbrachte wahrhaftig mit diesem Tun die lange Zeit bis zum Abend. Dann setzte er sich oft neben den alten Schiffer auf die Bank, sie schwiegen zusammen oder sprachen ein paar Worte, wie milde und schön doch der Abend sei. Der alte Mann sah zu den Sternen auf, der junge blickte aufs Meer und dachte bald an ein Mädchen, das ferne wohnte und ihm gut, aber vielleicht nicht mehr treu war, bald an seine Mutter und seine Freunde oder seinen Lehrer und was einem eben durch den Kopf geht, wenn man so aufs Meer hinausschaut.“

 

 

 

 

Braun
Felix Braun (4 november 1885 – 29 november 1973)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Marc Awodey werd geboren op 4 november 1960 in Ann Arbor, Michigan. Hij studeerde schilderkunst aan de Cranbrook Academy of Art. Zijn laatste solo tentoonstelling was in februari 2008 in de lobby van het Vermont Supreme Court. Naast kritieken over schilderkunst voor o.a. Art New England schreef Awodey een naantal dichtbundels, waaronder Telegrams from the Psych Ward (1999), New York; A Haibun Journey (2003) en Senryu and Nudes (2008).

 

 

Songs

Let us speak of birth
for a quiet change
for I heard the airy utterances
of a crested cardinal shielded
under foliage today.

Its speech was berry red.
Its ribbon of whistling streamed
over triangles of morning shade
signaling to a lover perhaps
above layers of whispering leaves.

I did not see its scarlet
but I heard its succulent color
and timbre in my complicated wood
clear over the staccato babble
of less luminous birds.

All of the nesting races
dangled in arboreal mobiles
now squirming full of hatchling mouths
delicately beaked and tongued
woven shrewdly together with songs.

 

 

 

 

 

Embarkation

 

Reembarked toward no particular locus;

trestles, ties, and open deltas

undulate in seasons.

 

Emancipated loam on eroded hillocks,

is awake for the entrance of burrowing

forms.

Strips of greedy worm headless, mindless

in witless participation aerate substrata.

Foothills trammel successive epochs,

to hunch

over threadbare meadows marked by cairns,

 

miserly shrubs, and small game. Granite

mountains ooze blue springs

frozen into odd shapes, freshened by

renewed dark

ribbons that trace quivering lines below

naked terraces of ledge. Animal and plant

form a sorority of soil tiers where

sovereign mortality lives in all spheres.

 

 

 

 

 

awodey
Marc Awodey (Ann Arbor,4 november 1960)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Charles Frazier werd geboren op 4 november 1950 in Asheville, North Carolina. Hij studeerde Engels aan de University of North Carolina en fokt tegenwoordig paarden in Raleigh. Zijn eerste roman Cold Mountain verscheen in 1997 en vertelt het verhaal van een gewonde deserteur uit de Amerikaanse burgeroorlog. Het boek won in 1997 de National Book Award en werd in 2003 verfilmd. Zijn tweede roman Thirteen Moons werd gepubliceerd in 2006. Gebaseerd op het succes van zijn eerste boek werd Frazier al een voorschot van $8 million aangeboden voor deze tweede roman.

 

Uit: Cold Mountain

 

„The man wore a suit of black clothes, a white shirt. He held a horse by a lead rope tied around its neck. In the light Inman could see that the horse carried a burden, an unformed white thickness across its back like a drooping bundle of linen. As Inman watched, the man sat down in the road and drew his knees up toward his chest with one arm. The elbow of his torch arm rested in the notch between the knees so that his fist stuck out before him and held the fire as steady as if fixed in a sconce. He let his head sink down until the hat brim touched his extended arm. He made a kind of illuminated dark wad in the road.

He's going to fall asleep with that torch blazing, Inman thought. In a minute he'll have his feet on fire.

But the man was not dozing; he was in despair. He looked up toward the horse and let out a moan.

--Lord, Oh Lord, he cried. We once lived in a land of paradise.

He rocked from side to side on the bones of his ass and said again, Lord, Oh Lord.

What to do? Inman wondered. Another stone in his passway. Couldn't go back. Couldn't go around. Couldn't stand there like a penned heifer all night. He took out the pistol and held it up to catch what light reached him from the torch and checked his loads.

Inman was about ready to make his move when the man stood and worked the base of the torch around in the dirt until it held upright. He rose and walked to the horse's far side. He began trying to lift the bundle from the horse, which shifted about nervously and put back its ears, the whites of its eyes visible all along the lower rims.“

 

 

 

frazier
Charles Frazier (Asheville, 4 november 1950)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Charles Kenneth Williams werd geboren op 4 november 1936 in Newark, New Jersey. Hij bezocht de Columbia High School in Maplewood en daarna de University of Pennsylvania. In de jaren zestig begon hij met het schrijven van gedichten. Voor Flesh and Blood kreeg hij de National Book Critics Circle Award en voor Repair (1999) kreeg hij de Pulitzer Prize for Poetry en de Los Angeles Times Book Prize. In 2003 ontving hij voor The Singing de National Book Award. Williams doceert creatief schrijven aan de Princeton University en verdeeld zijn tijd tussen Princeton and Parijs.

 

 

THE SINGING

 

I was walking home down a hill near our house
on a balmy afternoon
under the blossoms
Of the pear trees that go flamboyantly mad here
every spring with
their burgeoning forth

When a young man turned in from a corner singing
no it was more of
a cadenced shouting
Most of which I couldn't catch I thought because
the young man was
black speaking black

It didn't matter I could tell he was making his
song up which pleased
me he was nice-looking
Husky dressed in some style of big pants obviously
full of himself
hence his lyrical flowing over

We went along in the same direction then he noticed
me there almost
beside him and "Big"
He shouted-sang "Big" and I thought how droll
to have my height
incorporated in his song

So I smiled but the face of the young man showed nothing
he looked
in fact pointedly away
And his song changed "I'm not a nice person"
he chanted "I'm not
I'm not a nice person"

No menace was meant I gathered no particular threat
but he did want
to be certain I knew
That if my smile implied I conceived of anything like concord
between us I should forget it

That's all nothing else happened his song became
indecipherable to
me again he arrived
Where he was going a house where a girl in braids
waited for him on
the porch that was all

No one saw no one heard all the unasked and
unanswered questions
were left where they were
It occurred to me to sing back "I'm not a nice
person either" but I
couldn't come up with a tune

Besides I wouldn't have meant it nor he have believed
it both of us
knew just where we were
In the duet we composed the equation we made
the conventions to
which we were condemned

Sometimes it feels even when no one is there that
someone something
is watching and listening
Someone to rectify redo remake this time again though
no one saw nor
heard no one was there

 

 

 

Williams
C. K. Williams
(Newark, 4 november 1936)

 

 

04-11-07

Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, Klabund, Felix Braun


De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2006.

 

 

Het gaat goed

 

Het gaat goed, het gaat zijn gang.

De eerste eenden zijn al uit het ei.

Er zijn ook hele gekke bij, gevlekte.

Honden lopen narcissen van de stelen.

Jongetje komt, raapt ze op, bij bossen.

Betrapt, zegt hij verlegen, verbazing-

wekkend snel: dit is geen stelen

ik neem alleen de losse.

Kan het niet vaker zo raar voorjaars-

achtig, wordend warmer, voller

wordend groener zijn?

Ja dat kan vaker.

Het is al veel vaker dan vroeger.

 

 

 

 

Ziekenbezoek

 

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.

Toen hij zijn hoed had opgezet

zei ik, nou, dit gesprek

is makkelijk te resumeren.

Nee, zei hij, nee toch niet,

je moet het maar eens proberen.

 

 

 

 

De visser

 

Er is verslaving in mijn staren

zodra ik uitgooi komt in mij

het woelen en het zoeken tot bedaren

mijn oog rust op de dobber, maar het is meer

dan rusten, het is alsof ik eindelijk

vrij ben op één plek te blijven,

en zo verstijft mijn blik - ik wacht niet

op het bijten van een vis - ik lijm

het ogenblik. Ik hoef niets hoef niet

te kijken. Bepaal mij tot de rimpelingen

bemoei mij niet in diepte door te dringen.

Los van wat boven of wat onder mij

verschijnt, verdwijnt, los van wat was

en los van wat nog te gebeuren staat.

De gladde kleuren die het vlakbij water glanst

zijn mij al veel te veel gebeuren

en kijk daar komt de eerste ring

van één of ander verre dompeling.

Wat kan ik beter doen dan niets,

dan niet bewegen. Zelfs het geringste

opslaan van een oog haalt onherstelbaar

overhoop en brengt teweeg en brengt teweeg.

 

 

 

 

HerzbergJudith
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

 

 

De  Nederlandse dichter Peter W.J. Brouwer werd op 4 november 1965 in Eindhoven geboren. Hij is vertaler en schrijver. Brouwer overwoog na zijn middelbare schooltijd een conservatoriumopleiding, maar besloot Duitse Taal- en Letterkunde te studeren (1984-1989). Hij studeerde af met een scriptie over de Nederlandse vertalingen van het werk van Franz Kafka. Na zijn studie begon hij met het vertalen van jeugdliteratuur en vertaalde hij ‘Blindenschrift’ van H.M. Enzensberger. Peter W.J. Brouwer woonde en werkte van 1984 tot 1997 in Utrecht.
Begin jaren ‘90 speelde hij enige tijd professioneel piano. Als begeleider van diverse zangers trad hij op in theaters en voor radio. Hij schreef als Brel-adept zijn eigen pianoarrangementen. In die periode stopte hij met het schrijven van gedichten, maar pakte in 1998 de draad weer op en heeft zich sindsdien volledig toegelegd op schrijven en vertalen.
Peter W.J. Brouwer woont en werkt in Velp met zijn vrouw, zoon en dochter. Hij treedt regelmatig op en publiceert in diverse tijdschriften. Daarnaast verleent hij zijn deelname als jurylid aan schrijfwedstrijden, waaronder de Guido Wulmsprijs en de Hendrik Prijs-Prijs.

 

 

ONEINDIG TRAAG


 Hoor hoe uit voetstappen
haar smalle voeten zich maken

zie haar dieper, kleiner gaan
een uur verglijdt
een dag voorbij

vanaf de heuvel loopt
alles traag, zie het
najaar in de bossen worden

de verre regen in haar haar
de kou in haar rug
drijven, tranen in haar
varen

denkend aan de
lege straten in haar ogen
zie haar
in het gewemel van steeds
meer kleinere vakjes

gaan, en onder je
veel minder verheven
ronduit pietluttig
de stad ontstaan

schud je hoofd
wil niet begrijpen
loop dan naar buiten

daar spoelt november
straat na straat, wat later komt

een nieuwe lente zonder bruid
krijgt juli
een vlinder in haar oog
een hit op zijn oren

en volgt er weer een nieuwe oogst
de ronding van een neus en mond
raken kleuren gaar
ganzen de horizon

wordt zij afwezig
hinderlijk na ieder woord
waar je je oor
te luisteren legt

zie de feiten, kijk haar aan
von Kopf bis Fuß
oneindig traag

zo gaat een jaar
gaat zij,
een meter zeventig in de tijd

 

 

 

 

 

Brouwer_Goed
Peter W.J. Brouwer (Eindhoven,  4 november 1965)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 4 november 2006.

 

De Duitse schrijver Klabund werd als Alfred Henschke geboren op 4 november 1890 in Crossen an der Oder.

De Oostenrijkse schrijver Felix Braun werd op 4 november 1885 in Wenen geboren.

 

 

04-11-06

Judith Herzberg, Klabund, Felix Braun


De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam als dochter van de schrijver Abel Herzberg. Ze woont afwisselend in Nederland en Israël. Herzberg debuteerde in 1961 als dichteres in het weekblad Vrij Nederland. Twee jaar later verscheen haar eerste dichtbundel Zeepost. Later volgden onder meer Beemdgras, Vliegen, Strijklicht, Botshol en Dagrest. Ook schreef ze de toneelstukken Leedvermaak en Rijgdraad, die beide verfilmd werden (de laatste onder de titel 'Qui vive') door Frans Weisz. Weisz verfilmde eerder haar scenario 'Charlotte'.

Stadsgeluiden

Stadsgeluiden in de warme nacht
hebben, als op een schilderij, een achtergrond.
Een vliegtuig ronkt tegen een fond van auto's
een bromfiets schiet luidruchtig links omlaag.
Ik hoor het graag, het doet mij denken aan
22 juni 1964, dat is vanavond.

 

 

 

Au

Zou dat er zijn, een wet
tot het behoud van pijn?
Zodat, als wij hem hier bestrijden
iemand, ergens, pijn moet lijden
erger dan het woordje au?

Of zou pijn, als energie
(even nog, analogie)
zich omzetten, niet in warmte,
maar bijvoorbeeld in een armte
erger dan het woordje au?

Of zou de pijn die wij verdrijven
in een àndere vorm hier blijven
lachloos, zangloos doen verstijven
onze pijn-dorstige lijven
hunkerend naar het woordje au?

 

 

Spreeuw

 

Had niets te beweren

te klein voor veren

te nat om bruin te heten

en snavel dicht

ook tegen eten.

 

Maar werd een hoogst

warmpotige geleerde

specialistisch geïnteresseerde

zeehondgeveerde

vetervereerder.

 

Frivoolkelige imitator

een parel-bespetterde

wezel, een vliegende

ongeletterde triomfator.

 

 

 

 

JUDITHERZBERG
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

De Duitse schrijver Klabund werd als Alfred Henschke geboren op 4 november 1890 in Crossen an der Oder. Toen hij 16 jaar oud was kreeg hij tbc, hoewel zijn artsen aanvankelijk slechts de diagnose longontsteking stelden. De ziekte zou hem zijn korte leven door begeleiden. Na zijn eindexamen studeerde hij eerst scheikunde en farmacie in München, maar hij verruilde die vakken al snel voor filosofie, taalkunde en theaterwetenschappen in München, Berlijn en Lausanne. Al in München verkeerde hij in kringen van de bohème en maakte hij kennis met Frank Wedekind. In 1912 gaf hij de studie op en koos hij, na de eerste publicaties, het pseudoniem Klabund. Hij verklaarde zelf dit pseudoniem als een samenstelling uit de woorden „Vagabund“ en „Klabautermann“ (een goedaardige scheepsgeest). Zo suggereerde hij een zwervende poëet te zijn. In de jaren 20 vierde hij zijn grootste successen. Met gedichten, met teksten voor het cabaret, maar ook met zijn sruk „Der Kreidekreis“ dat Brecht later inspireerde tot zijn Kaukasischer Kreidekreis. Tijdens zijn leven raakte hij meerdere keren in morele en politieke schandalen verzeild, werd aangeklaagd wegens godslastering en majesteitsschennis en zelfs met de dood bedreigd. Hij stierf in Davos, waar hij voor zijn tbc behandeld werd, op 14 augustus 1928.

Melancholie

Schau, den Finger in der Nase
Oder an der Stirn,
Zeitigt manche fette Phrase
Das geölte Hirn.

Warum liebt der die Erotik?
Jener die Zigarrn?
Der die Aeropilotik?
Der den Kaiserschmarrn?

Warum geht's uns meistens dreckig?
Weshalb schreib ich dies Gedicht?
Warum ist das Zebra fleckig
Und Mariechen nicht?

Dennoch ahnt man irgendwie
Gottes Qualverwandtschaft,
Trifft man unerwartet sie
Draußen in der Landschaft.

 

Regen

Der Regen rinnt schon tausend Jahr,
Die Häuser sind voll Wasserspinnen,
Seekrebse nisten mir im Haar
Und Austern auf des Domes Zinnen.

Der Pfaff hier wurde eine Qualle,
Seepferdchen meine Nachbarin.
Der blonde Seestern streckt mir alle
Fünfhundert Fühler zärtlich hin.

Es ist so dunkel, kalt und feucht.
Das Wasser hat uns schon begraben.
Gib deinen warmen Mund – mich deucht,
Nichts bleibt uns als uns lieb zu haben.

 

 

 

Davoser Bar

Die rosa Sängerin mit jenem Juden,
Der achtungsheischend ein Monokel trägt,
Fühlt sich vom Lärm der laubenbunten Buden
Ersichtlich auf- und ab- und angeregt.

Er dreht mit ihr sich rund im Karusselle,
Er lüftet ihr den gelbpunktierten Sekt,
Indem die oberitalienische Kapelle
Sich selbst und andre mit Musik befleckt.

Ein Herr tanzt exaltiert wie ein Tuberkel,
Des Frackes Schöße zwitschern vogelgleich.
Die rosa Sängerin hält fürstlich Cercle.
Ein Oberleutnant pokert schreckensbleich.

Ein Jüngling träumt von einer fernsten Ferne.
Aus seiner ausgeschnittnen Weste stiert
Die Höhlung einer riesigen Kaverne,
In der die Nacht wie eine Palme friert.

 

 

 

 

KLABUND
Klabund (4 november 1890 – 14 augustus 1928)

 

De Oostenrijkse schrijver Felix Braun werd op 4 november 1885 in Wenen geboren. Zijn moeder stierf drie jaar later bij de geboortje van zijn zus Käthe die eveneens zou gaan schrijven. Felix Braun studeerde vanaf 1904 in Wenen germanistiek en kunstgeschiedenis. In 1905 publiceerde hij voor het eerst werk in de Neue Freie Presse, de Österreichische Rundschau, en de Neue Rundschau. In 1917 trad hij uit de joodse gemeenschap. Als lector bij de Verlag Georg Müller in München leerde hij belangrijke schrijvers kennen, zoals Hans Carossa, Thomas Mann en Rainer Maria Rilke. In 1935 werd hij opgenomen in de katholieke kerk. In 1939 emigreerde hij naar Engeland waar hij bleef tot 1951 en literatuur en kunstgeschiedenis doceerde. Terug in Wenen kreeg hij een aanstelling aan de Akademie für angewandte Kunst. Felix Braun was ook secretaris van de dichter Hugo von Hofmannsthal en met hem bevriend.

Der Leser

Sag: ist das nicht ein wunderliches Leid?
Um fremde Menschen trauern, die nicht leben,
und über Dinge, die sich nie begeben,
voll Sehnsucht träumen in der Einsamkeit.

Geheimnis, dessen Sinn ich nie verstand:
Sich über Worte atemlos zu zeigen
und zu vernehmen in gespanntem Schweigen,
was einer dachte, fühlte und erfand.

Wenn Zeile so nach Zeile still verrinnt,
sich wohlig weit zurück im Sessel lehnen,
die Arme breiten, lächeln unter Tränen.
Und wieder müßig blättern wie als Kind.

Und auf und ab in Abendgassen gehn
und Verse summen, darin Glocken läuten,
und ahnen, daß sie Welt und Leben deuten
und dennoch dunkel in den Wind verwehn....

 

 

 

FELIXBRAUN
Felix Braun (4 november 1885 – 29 november 1973)

 

 

20:36 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: judith herzberg, klabund, felix braun |  Facebook |