17-11-16

Joost van den Vondel, Guido van Heulendonk, Pierre Véry, Auberon Waugh, Dahlia Ravikovitch, Rebecca Walker, Christopher Paolini, Archibald Lampman

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zie ook Zie ook alle tags voor Joost van den Vondel op dit blog.

Uit: Joseph In Egypten

Het eerste bedryf

REY VAN ENGELEN:
Daer schijnt de zon op 't hof, en zijn vergulde tinnen,
En weckt heel Memphis op, en schiet heur straelen binnen
Dit hoffelijcke huis, en alle zalen van
Den grooten Potiphar, dien koningklijken man;
Wien Joseph, Jakobs zoon, als een gewenschte zegen,
Weleer lijfeigen wert; toen hy van verre wegen
(In Kanaän van zijn gebroederen verkocht,
Aen Arabiers, en over Nijl te merckt gebroght,
En weder opgeveilt) te hoof in dienst geraeckte,
By Pharoos amptenaer, die hem goetwilligh slaeckte,
En zette dien Hebreeuw, geleert, van elck bezint,
En zynen meester trouw, in top van 't huisbewint.
De heer, door 's dienaers trouw, ontlast van alle zorgen,
Hecht, nacht en dagh gerust, den avont aen den morgen;
Maer niet zijn gemaelin, vrouw Jempsar, die, ontroert
In haeren geilen geest, zoo schendigh wort vervoert,
Om, buiten spoor van eere en van betaemlijckheden,
Het vier van deze pest (die ziel en lijf en leden
Zoo dootelijck besmet) te koelen met een' kus
Van Josephs schoonen mont, en kuische lippen: dus
Verslingert op zijn jeught en deught, en zuivre zeden,
Heeft zy nu, dagh op dagh, den jongeling bestreden;
Die noit op haer geboôn noch lockaes acht wou slaen,
En nu den jongsten storm groothartigh uit moet staen.
Het huis van Potiphar wil een tooneel verstrecken
Van 's helts godtvruchtigheit, die wy om strijt bedecken,
Met deze vleugelen, waer meê wy zijn gedaelt
Op d'aerde, uit 't eeuwigh licht, dat van Godts aenschijn straelt,
In Josephs aengezicht, en elckontvonckende oogen,
Waer uit dees Hofmeestres haer koortsen heeft gezogen.



 
Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)
Jozef en de vrouw van Potifar door Bartolomé Esteban Murillo, 1640-1645

Lees meer...

17-11-15

Joost van den Vondel, Guido van Heulendonk, Pierre Véry, Auberon Waugh, Dahlia Ravikovitch, Rebecca Walker, Christopher Paolini, Archibald Lampman

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zie ook Zie ook alle tags voor Joost van den Vondel op dit blog.

 

Uit: Gysbreght van Aemstel

Willebrord
(Gekleed iin katholieke pij)
Myn welgeboren heer, de zoete Jesus zy
Met u en uwe stadt, en sta u eeuwigh by,
In allerhande nood. De Broeders van ons orden
En ick, zijn zoo verblijd, als ofwe levend worden
Geen hair is ons gekrenckt, geen overlast gebeurt.
Men heeft het klooster noit in zijnen dienst gesteurt.
Wij hebben staegh volhard in onzen ouden yver.
De boomgaerd leed geen scha aen vruchten, noch de vyver
Aen visschen, noch de kerck aen d’allerkleensten ruit.
Gysbreght
Wie heeft dan des soldaets baldaedigheid gestuit?
Willebrord
Verwonder u niet eens, de nood heeft hen gedrongen.
Gysbreght
Godvruchte vader, spreeck, ik luister na’et verslagh.
Willebrord
Na dat ick d’oversten een wijl had hooren mompelen
Van Amsterdam, al stil, by duister t’overrompelen
Rees tussen Diedrick zelf en Egmond een krackeel,
Dat uitborst meer en meer, en yeder trock een deel
Van t krijgsvolck op zijn zy, en zocht het stuck te stijven,
En na zijn eigen hoofd den aenslagh door te drijven.
Veel hoplien yverden te slissen het gheschil.
Maer Diedrick stijf van kop, die nimmer luisteren wil
Na reden, noch bescheid, en t veld behoud met kryten
Men brack al heimlijck op, en zonder eenigh teecken
Van horen en trompet, of hut in brand te steecken.
Gijsbreght
Ghy hebt de stad, en my geen kleinen dienst gedaen:
Een deughd, die nimmer zal uit mijn gedachten gaen.
Gedenck my in t gebed, voor uw autaer, ten goede.
Willebrord
De lieve Jesus neem u eeuwigh in zijn hoede.

 

 
Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)
Scene uit een opvoering in Amsterdam, 2002 met o.a.
Mark Rietman, Daan Schuurmans en Bart Klever

Lees meer...

17-11-14

Joost van den Vondel, Auberon Waugh, Dahlia Ravikovitch, Rebecca Walker, Christopher Paolini, Max Barthel, Pierre Véry

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zie ook Zie ook alle tags voor Joost van den Vondel op dit blog.

 

Op de Vijf Zinnen

’t Misbruik der zinnen werkt in ’t einde pijn en smart,
Doch ’t redelijk gebruik vernoegt des mensen hart;
Dat ’s aardse zaligheid. Wie wenst hier groter goed,
Als, in ’t gezonde lijf, een gans vernoegd gemoed?

HET GEZICHT.

De blinde, die weleer aanschouwde ’t lieve licht,
Kan tuigen, wat het zij te missen het gezicht,
Te wroeten, als de mol, in duisternisse en dromen.
De blinde is hallef dood; men leeft door ’t oog volkomen.

HET GEHOOR.

Het redelijk begrijp, in ons het Godlijk deel,
Veroorzaakt tussen mens en dier een groot verscheel;
Maar och! wat zou het zijn, ontbeerden wij de spraak?
En nog waar beide niet, zo ons ’t gehoor ontbraak’.

DE REUK.

D’ ontloken rode roos heeft niet dan blad en kleur,
Bij reukeloze neus, niet snuffende de geur;
De reuk des geurs verkwikt het kwijnend hart des zieken,
En bindt aan ’t lijf de ziel, die vlug was met haar wieken.

DE SMAAK.

De smakeloze tong wordt met geen lust gevoed,
Zij weet van wrang noch zout, noch bitterheid, noch zoet.
De zoete saus is smaak, al schafte zelf Jupijn;
Want, waar de smaak ontbreekt, daar kan niet lekkers zijn.

HET GEVOEL.

’t Gevoelen is de min, waar naar het alles jankt.
Het kittelt zelf Jupijn, zodat hij ’t zich bedankt.
Men neem ’t gevoelen weg, zo treurt het welig wicht,
Met fakkel zonder vlam, met koker zonder schicht.

 

 
Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)
Portret door Jan Lievens, 1660

Lees meer...

17-11-13

Rebecca Walker, Joost van den Vondel, Auberon Waugh, Christopher Paolini, Dahlia Ravikovitch, Max Barthel, Pierre Véry

 

De Amerikaanse schrijfster, uitgeefster en politiek activiste Rebecca Walker werd geboren op 17 november 1969 in Jackson, Mississippi. Zie ook alle tags voor Rebecca Walker op dit blog.

 

Uit: Baby Love

 

“And then I had what could only be the first twinges of the maternal instinct. Healthy and robust? A huge smile spread across my face. That's my baby! And then it was as if the synapses in my brain sending exploratory signals to my uterus finally made contact. Aye, mate, is it a go down there? Yes, yes, Captain, we're full steam ahead!

I was convinced that getting off the phone would exponentially increase my chances of reverting to not-pregnant, but I released Becky anyway and stumbled over to the bathroom, where Glen, my life partner and father of our soon-to-be-born baby, was shaving. I looked into his eyes and tried to keep myself from screaming and jumping up and down. We did it, I said. He grinned. Well, I guess that puts the whole motility question to rest. And I said, I guess it does. Then I wrapped my arms around him and buried my face in his chest, and he wrapped his arms around me and rested his chin on the top of my head.

I was in ecstatic bliss for about ninety seconds, and then it hit me: an avalanche of dread that took my breath away. Pregnant? A baby? What have I done? I looked at Glen. He was going through his own reality check, which brought me even closer to the brink of total hysteria. But then, before I could burst into tears and run screaming out of the room, he pulled me into his arms. You are going to be a fantastic mother, he said to me, to my fear. His love overwhelmed me, and I started to cry big, wet tears onto his favorite black shirt.

We're going to have a baby.”

 

 


Rebecca Walker (Jackson, 17 november 1969)

Lees meer...

17-11-12

Rebecca Walker, Joost van den Vondel, Auberon Waugh, Christopher Paolini, Dahlia Ravikovitch

 

De Amerikaanse schrijfster, uitgeefster en politiek activiste Rebecca Walker werd geboren op 17 november 1969 in Jackson, Mississippi. Zie ook alle tags voor Rebecca Walker op dit blog.


Uit: Black, White, and Jewish: Autobiography of a Shifting Self

 

“I was born in November 1969, in Jackson, Mississippi, seventeen months after Dr. King was shot. When my mother went into labor my father was in New Orleans arguing a case on behalf of black people who didn't have streetlights or sewage systems in their neighborhoods. Daddy told the judge that his wife was in labor, turned his case over to co-counsel, and caught the last plane back to Jackson.

When I picture him, I conjure a civil rights Superman flying through a snowstorm in gray polyester pants and a white shirt, a dirty beige suede Wallabee touching down on the curb outside our house in the first black middle-class subdivision in Jackson. He bounds to the door, gallantly gathers up my very pregnant mother who has been waiting, resplendent in her African muumuu, and whisks her to the newly desegregated hospital. For this final leg, he drives a huge, hopelessly American Oldsmobile Toronado.

Mama remembers long lines of waiting black women at this hospital, screaming in the hallways, each encased in her own private hell. Daddy remembers that I was born with my eyes open, that I smiled when I saw him, a look of recognition piercing the air between us like lightning.

And then, on my twenty-fifth birthday, Daddy remembers something I've not heard before: A nurse walks into Mama's room, my birth certificate in hand. At first glance, all of the information seems straightforward enough: mother, father, address, and so on. But next to boxes labeled "Mother's Race" and "Father's Race," which read Negro and Caucasian, there is a curious note tucked into the margin. "Correct?" it says. "Correct?" a faceless questioner wants to know. Is this union, this marriage, and especially this offspring, correct?

A mulatta baby swaddled and held in loving arms, two brown, two white, in the middle of the segregated South. I'm sure the nurses didn't have many reference points. Let's see. Black. White. Nigger. Jew. That makes me the tragic mulatta caught between both worlds like the proverbial deer in the headlights. I am Mammy's near-white little girl who plunges to her death, screaming, "I don't want to be colored, I don't want to be like you!" in the film classic Imitation of Life. I'm the one in the Langston Hughes poem with the white daddy and the black mama who doesn't know where she'll rest her head when she's dead: the colored buryin' ground behind the chapel or the white man's cemetery behind gates on the hill.”

 

 

Rebecca Walker (Jackson, 17 november 1969)

Lees meer...

15-08-12

Dolce far niente (Enkhuizen, Joost van den Vondel, Harme Bevoort)

 

Dolce far niente

 

 

 

Stadhuis Enkhuizen

Beneden links het kanon, daarboven het klinckdicht van Vondel

 

 

 

Op het Roode Paert met zijn metaelen Kanon, uit den overwonnen Duinkercker, onder den zeestrijt, in hopman Volkaert Kanonijx oorlogsschip Oorloghsschip overgesprongen, in den jaere 1622, den 3 in Wijnmaent.

 

Fatalis Equs Saltu Super Ardua Venit

 

 

Klinckdicht

 

Wat heeft de stoffery der ouden ons vervaert
Met Perseus, en Pegaes die, over zee gevlogen
De werelt sloegh voor ’t hooft met een gedichte logen
Een logen, in’t gestarnt gesteigert hemelwaert

Het brave Enckhuizen draeft, vol moedts, op ’t Roode Paert
Met zijnen kopren mont, dat glo
ê
nde blixems braeckte,
En donderklooten, daer Noortzee en lucht af kraeckte,
Een paert, op ‘t Prinsenhof in Eeuwigheid bewaert.

Het quam , toen Volckaert dien Duinkercker hadt gedrongen,
Uit ‘s meesters zeekasteel, in’t Hollantsch slot gesprongen.
De Zeehelt greep het by den zeetoom zonder last.

Het opent met zijn hoef een Bronaêr voor den Zanger.
Wij drincken op Parnas noch Helikon niet langer.
Dit is ons paerdebron, hier is geen droom aen vast.

 

 

 

Joost van den Vondel (17 november 1587 - 5 februari 1679)

Lees meer...

10-08-12

Dolce far niente (Amsterdam, Joost van den Vondel)

 

Dolce far niente

 

 

 

Gerrit Toorenburgh (1732–1785)

Gezicht op de Binnen-Amstel richting Blauwbrug met links het Diaconaal Weeshuis

 

 

 

Op Amstelredam

 

Het IJ en d'Amstel voeren de hoofdstad van Europe,
Gekroond tot Keizerin, des nabuurs steun en hope,
Amstelredam, die 't hoofd verheft aan 's hemels as,
En schiet, op Pluto's borst, haar wortels door 't moeras.
Wat waatren worden niet beschaduwd van haar zeilen?
Op welke markten gaat zij niet haar waren weilen?
Wat volken ziet ze niet beschijnen van de maan,
Zij die zelf wetten stelt de ganse Oceaan?
Zij breidt haar vleugels uit, door aanwas veler zielen,
En sleept de wereld in, met overladen kielen.
De welvaart stut haar Staat, zo lang d'aanzienlijkheid
Des Raads gewetens dwang zijn boze wil ontzeit.

 

 

 

Joost van den Vondel (17 november 1587 - 5 februari 1679)

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

17-11-11

Joost van den Vondel, Christopher Paolini, Max Barthel, Pierre Véry

De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zie ook Zie ook alle tags voor Joost van den Vondel op dit blog.

 

 
Opp Amstelredam

 

Het IJ en d'Amstel voeren de hoofdstad van Europe,
Gekroond tot Keizerin, des nabuurs steun en hope,
Amstelredam, die 't hoofd verheft aan 's hemels as,
En schiet, op Pluto's borst, haar wortels door 't moeras.
Wat waatren worden niet beschaduwd van haar zeilen?
Op welke markten gaat zij niet haar waren weilen?
Wat volken ziet ze niet beschijnen van de maan,
Zij die zelf wetten stelt de ganse Oceaan?
Zij breidt haar vleugels uit, door aanwas veler zielen,
En sleept de wereld in, met overladen kielen.
De welvaart stut haar Staat, zo lang d'aanzienlijkheid
Des Raads gewetens dwang zijn boze wil ontzeit.

 

 

 
Zomermaand

 

Bedaagde Zomermaand, men laat geen schaap verlegen;
Indien het gaat vermast, zo neem het op uw schoot:
Maar scheert gij ’t om de wol, zo scheer het niet te bloot,
En was het wit als sneeuw, dat u de Hemel zegen’.
Drijf, vroeg en spa, de kudde in ’t veld, en naar het hok:
Zij loont u met haar melk, en spier, en ruige lok.

 

 

 
Klachten des Poëets

 

Wat ramp, wat ongeluk plaagt nog mijn grijze haren!
Wat schande moet mij nog, eilacy! wedervaren!
Wat droefheid, wat verdriet, wat leed komt mij nog aan,
In dees mijn wintertijd, die haast zou zijn gedaan!
Wanneer ik overdenk èn ’tgeen ik was vóór dezen,
En wat ik, tot mijn smaad, moet tegenwoordig wezen;
Wanneer ik mij bezie in dees mijn hoogste nood,

Mijn lijden is te zwaar, mijn ongeluk te groot.
Maar doch, indien mij ’t leed, indien de hoge stromen
Van zo veel lijdens mij zal moeten overkomen,
Ik lijd ze, zo ik kan, ik wacht ze met geduld,
Ik voeg mij na de tijd, hoe ’t ongeval ook brult.
Maar gij, Mary! en gij, o rei der Heil’ge Maagden!
Die ’t al, èn lijf èn goed, ook voor de Godsdienst waagden,
Ai, ziet mij gunstig aan, hebt achting op mijn druk
Hebt meelij met mijn lot, en dit mijn ongeluk!
U heb ik toevertrouwd, U heb ik, al mijn dagen,
Nadat ik ben verlicht, mijn liefde toegedragen;
’k Heb U mij toegewijd, en U ik mij nog geef
Ai, maakt weer (want gij kunt), dat ’k eeuwig met U leef!

 

  




Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)

Borstbeeld door Lucas Hoek

Lees meer...

17-11-10

Joost van den Vondel, Christopher Paolini, Pierre Véry, Max Barthel

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zie ook mijn blog van 17 november 2006 en ook mijn blog van 17 november 2008 en ook mijn blog van 17 november 2009. 

 

Uit: Lucifer 

 

Het Tweede Bedryf

 

LUCIFER.

Ghy, snelle Geesten, houdt nu stant met onzen wagen:

Al hoogh genoegh in top Godts Morgenstar gedragen;

Al hoogh genoegh gevoert: ’t is tijt, dat Lucifer

Nu duicke, voor de komst van deze dubble star,

Die van beneden rijst, en zoeckt den weg naer boven,

Om met een’ aertschen glans den hemel te verdooven.

Borduurt geen kroonen meet in Lucifers gewaet;

Vergult zijn voorhooft niet met eenen dageraet

Van morgenstarre en strael, waer voor d’ Aertsenglen nijgen;

Een andre klaerheit komt in ’t licht der Godtheit stijgen,

En schijnt ons glansen doot; gelijck de zon by daegh

De starren dooft, voor ’t oogh der schepselen, om laegh.

’t Is nacht met Engelen en alle hemelzonnen:

De menschen hebben ’t hart des Oppersten gewonnen,

In ’t nieuwe Paradijs: de mensch is ’s hemels vrient:

Ons slaverny gaet in. Gaet heene, viert en dient

En eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen:

De menschen zijn om Godt, en wy om hen geschapen.

’t Is tijt, dat ’s Engels neck hun voeten onderschraegh’,

Dat ieder op hun passe, en op de handen draegh’,

Of op de vleugels voere, in d’ allerhooghste troonen:

Onze erfenis komt hun, als uitverkore zoonen.

Ons eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijck.

De zoon des zesten daghs, den Vader zoo gelijck

Geschapen, strijckt de kroon. Met recht is hem gegeven

De groote staf, waer voor alle eerstgeboornen beven

En sidderen. Hier gelt geen tegenspraeck: ghy hoort

Wat Gabriël bazuint voor ’s hemels goude poort.

 

 

 

 

Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)

Standbeeld in het Vondelpark, Amsterdam

 

 

Lees meer...

26-12-09

Kerstlied (Joost van den Vondel)



Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 

 

 

 

 

announci
Govert Teunisz. Flinck,  Aankondiging aan de herders
, 1639

 

 

 

 

Kerstlied

 

O wat zon is komen dalen
In den Maagdelijken schoot!
Ziet hoe schijnt ze met heur stralen
Alle glanzen doof en dood.
Ay, hoe schijnt dit hemels kind,
Aller zielen licht en hoeder,
Zon en maan en starren blind,
Uit den schoot der zuiv’re moeder!
Eng’len, daalt van ’t Paradijs:
Zingt den hemel eer en prijs,
En met vree de harten kroont,
Daar een goede wil in woont.

 

 

 

Joost van den Vondel

 

 

 

 

vondel

Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 26e december mijn vorige twee  blogs van vandaag.

12:00 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: joost van den vondel, kerstmis, romenu, vondel |  Facebook |

17-11-09

Dahlia Ravikovitch, Joost van den Vondel, Christopher Paolini, Pierre Véry, Max Barthel


De Israëlische dichteres en schrijfster Dahlia Ravikovitch werd geboren op 17 november 1936 in een voorstad van Tel Aviv. Zie ook mijn blog van 17 november 2006 en ook mijn blog van 17 november 2007 en ook mijn blog van 17 november 2008.

 

 

The Roar of Waters

 

A bird twittered like a madwoman
Until it was spent
And then it wept.
I sank in a cloud of tenderness,
I sank
I dissolved.
But no, I was drowned in the ocean,
There a man loved me
Didn't leave me a fingernail.
His hand grasped my hair,
In the hammering ocean
I was set to be wrecked.
His hand pulled at my hair
In the swarms of the ocean
I no longer remember a thing.

 

 

 

 

The Love of an Orange

 

An orange did love   

The man who ate it.  

A feast for the eyes  

Is a fine repast;  

Its heart held fast  

His greedy gaze.  

 

A citron did scold:  

I am wiser than thou.  

A cedar condoled:  

Indeed thou shalt die!  

And who can revive  

A withered bough?  

 

The citron did urge:  

O fool, be wise.  

The cedar did rage:  

Slander and sin!  

Repent of thy ways  

For a fool I despise.  

 

An orange did love  

With life and limb  

The man who ate it,  

The man who flayed it.  

 

An orange did love  

The man who ate it,  

To its flayer it brought  

Flesh for the teeth.  

 

An orange, consumed  

By the man who ate it,  

Invaded his skin  

To the flesh beneath.

 

 

 

Vertaald door Chana Bloch and Chana Kronfeld

 

 

 

 

ravikovitch
Dahlia Ravikovitch (17 november 1936 – 21 augustus 2005)

Hier met haar zoon

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zie ook mijn blog van 17 november 2006 en ook mijn blog van 17 november 2008.

 

 

Uit: Gysbreght van Aemstel

 

Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten

Erbarremt over my, en mijn benaeuwde vesten,

En arme burgery; en op mijn volx gebed,

En dagelix geschrey, de bange stad ontzet.

De vyand, zonder dat wy uitkomst durfden hopen,

Is, zonder slagh of stoot, van zelf het veld verlopen.

Mijn broeder jaeght hem na, zy neemen vast de wijck,

En vlughten haestigh langs den Haerelemmer dijck.

Zoo stuift de zee voor wind met haer gedreve golven.

Zoo zaghmen menighmael een kudde wreede wolven,

En felle tigers vlien, voor 't ysselijck geschreeuw

Van aller dieren vorst, den hongerigen leeuw,

Om niet al te levendigh en versch te zijn verslonden

Van hem, die op zijn jaght geen aes en had gevonden.

Hoe snel, hoe onverziens is deze kans gedraeit?

Alhier, daer 't leger lagh, is 't veld alsins bezaeit

Met wapens en geweer, verbaest van 't lijf gereten,

Van ingebeelden schrick, en uit der hand gesmeeten,

Om zonder hindernis te vlieden langs den wegh.

Ja op 't verjaeren zelf van 't jaerige belegh

Word d'afgestrede muur van 't lang belegh ontslaegen.

Hoe zal het gansche land van ons verlossing waegen.

De Kermerlander had met Waterlander dier

Gezworen duizendwerf, dat hy met zwaerd en vier

Vernielen zou eerlang de menschen en de daecken,

En tot een kerreckhof en asch en puinhoop maecken

Mijn oud mijn wettigh erf, en delven  al mijn eer

In eenen poel , tot wraeck van Floris hunnen heer:

Om wiens vervloeckte dood ick lijde zoo onschuldigh,

Als yemant lijden magh, doch draegh mijn kruis geduldigh:

Of zoo ick schuldigh ben, en heeft het my gemist,

't Is uit onnozelheid, en zonder argh of list.

 

 

 

 

vondel
Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Christopher Paolini in Los Angeles County, California, op 17 november 1983. Zie ook mijn blog van 17 november 2008.

 

Uit: Eldest

 

The Council of Elders
Saphira's breathing quickened, and she opened her eyes, yawning expansively. Good morning, little one.
Is it? He looked down and leaned on his hands, compressing the mattress. It's terrible . . . Murtagh and Ajihad . . . Why didn't sentries in the tunnels warn us of the Urgals? They shouldn't have been able to trail Ajihad's group without being noticed. . . . Arya was right, it doesn't make sense.
We may never know the truth, said Saphira gently. She stood, wings brushing the ceiling. You need to eat, then we must discover what the Varden are planning. We can't waste time; a new leader could be chosen within hours.
Eragon agreed, thinking of how they had left everyone yesterday: Orik rushing off to give King Hrothgar the tidings, Jörmundur taking Ajihad's body to a place where it would rest until the funeral, and Arya, who stood alone and watched the goings-on.
Eragon rose and strapped on Zar'roc and his bow, then bent and lifted Snowfire's saddle. A line of pain sheared through his torso, driving him to the floor, where he writhed, scrabbling at his back. It felt like he was being sawed in half. Saphira growled as the ripping sensation reached her. She tried to soothe him with her own mind but was unable to alleviate his suffering. Her tail instinctually lifted, as if to fight.
It took minutes before the fit subsided and the last throb faded away, leaving Eragon gasping. Sweat drenched his face, making his hair stick and his eyes sting. He reached back and gingerly fingered the top of his scar. It was hot and inflamed and sensitive to touch. Saphira lowered her nose and touched him on the arm. Oh, little one. . . .
It was worse this time, he said, staggering upright. She let him lean against her as he wiped away the sweat with a rag, then he tentatively stepped for the door.
Are you strong enough to go?
We have to. We're obliged as dragon and Rider to make a public choice regarding the next head of the Varden, and perhaps even influence the selection. I won't ignore the strength of our position; we now wield great authority written the Varden. At least the Twins aren't here to grab the position for themselves. That's the only good in the situation.
Very well, but Durza should suffer a thousand years of torture for what he did to you.
He grunted. Just stay close to me.
Together they made their way through Tronjheim, toward the nearest kitchen. In the corridors and hallways, people stopped and bowed to them, murmuring, "Argetlam," or "Shadeslayer." Even dwarves made the motions, though not as often. Eragon was struck by the somber, haunted expressions of the humans and the dark clothing they wore to display their sadness. Many women dressed entirely in black, lace veils covering their faces.”

 

 

 

 

Paolini
Christopher Paolini (California, 17 november 1983)

 

 

 

 

De Franse schrijver Pierre Véry werd op 17 november 1900 in Bellon geboren. Zijn bekendste roman is waarschijnlijk Goupi-Mains rouges waarvan tijdens de bezetting van Frankrijk tijdens WO II een zeer succesvolle film gemaakt werd.  Na Conde-sur-Noireau en Angoulême bezocht hij in 1913 de school van Sainte-Marie de Meaux, waar hij het geheime genootschap van Chiche-Capon oprichtte en waar hij zal deel uitmaakte van de Disparus de Saint-Agil.  Na diverse baantjes en een aantal wielerwedstrijden en pogingen de wereld rond te reizen met zijn vriend Pierre Bearn opende Pierre Véry in 1924 de Galerie du Zodiaque,, een tweedehands boekwinkel, 52 rue Monsieur le Prince,  in Parijs. Tot 1932, toen hij de boekwinkel verkocht aan Peter Beam, ontmoette hij er vele schrijvers, met name vrienden van boekhandel Shakespeare and Company: Andre Gide, Valery Larbaud . Hij schreef voor Journal littéraire et Paris Journal en bleef ook schrijven voor zichzelf. In 1930 ontving hij de eerste prijs voor de beste roman voor Le Testament de Basil Crookes. In 1938, ontdekte het grote publiek hem via de bioscoop door de verfilming van Disparus de Saint-Agil.

 

Uit: Signé Alouette

 

« J N Q P T T J C M F… Le panneau mystérieux avait disparu. Mais Dominique avait eu le temps de noter les lettres. Ce fut un jeu pour lui de déchiffrer ce cryptogramme, rédigé selon un code d’ailleurs enfantin. Il suffisait tout bêtement de remplacer chaque lettre par la lettre qui la précède directement dans l’alphabet. Cela donnait : I M P O S S I B L E Le panneau reparut. C’était l’autre face que l’on montrait à présent. B W B O U T B N F E J Le rideau retomba. – « Avant samedi », traduisit Dominique. Impossible avant samedi… Qu’est-ce que ça veut dire ? Qu’est-ce qu’il va se passer dans le coin, samedi ? Il se frappa le front. – La bijouterie. J’aurais dû m’en douter tout de suite. Le faux aveugle n’est pas un policier, ni un espion. C’est un gangster. Il fait partie d’une bande qui prépare un hold-up. Et ils ont un complice dans la maison d’en face. Groslier objecta que c’était une curieuse façon, de la part du faux aveugle, de tourner le dos à la bijouterie pour recevoir des messages. – Et les lunettes noires, qu’est-ce que tu en fais ? Il y a un des verres qui est une glace : il fait rétroviseur, répliqua Dominique. Au sortir du cours, il se hasarda dans la maison d’en face et, sans être vu du concierge, grimpa au premier. Dans un couloir, une porte non fermée à clef ouvrait sur un débarras où étaient rangés des instruments de ménage : balai, pelle, seau, une cireuse, un aspirateur. Une fenêtre donnait sur la rue. Il écarta le rideau. Les camarades aux aguets sur le trottoir opposé firent signe qu’il s’agissait bien de cette fenêtre. Minutieusement, Dominique inspecta le débarras en s’inspirant des méthodes chères à Sherlock Holmes. Il ne recueillit aucun indice qui pût révéler l’identité de l’auteur des messages.
Tout ce qu’il trouva, ce fut, dans le tiroir d’une petite table boiteuse, un fusain à dessin. Il avait servi à rédiger le message, évidemment. Question : le fusain garde-t-il les empreintes digitales ? C’était peu probable. Néanmoins Dominique, à tout hasard, emporta le fusain enveloppé dans son mouchoir – comme l’on doit faire, ainsi qu’il l’avait lu dans un traité de technique criminelle. Puis il rejoignit ses camarades. Impossible avant samedi. Samedi : cambriolage de la bijouterie ! « Si l’on pouvait assister au cambriolage, c’est ça qui serait… qui serait… » La cervelle de Dominique, ce chasseur-né, était en ébullition. – Si l’on pouvait capturer un des bandits ? Alors, là, ce serait… ce serait… – Tu es fou, Grand Chef ! jeta Baba au Rhum, terrifié. Le gangster aurait vite fait de t’expédier un « pruneau ». Ou de te démolir d’un seul coup de poing ! Ce qu’il faut, c’est aller au commissariat de police. – Tu me prends pour un indicateur ? – Non, bien sûr, Grand Chef. Moi, je disais ça…, bafouilla Baba au Rhum.“

 

 

 

 

Pierre-Very-terrasse
Pierre Véry
(17 november 1900  -  12 oktober 1960)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 17 november 2008.

 

De Duitse dichter en schrijver Max Barthel werd geboren in Dresden-Loschwitz op 17 november 1893.

17-11-08

Dahlia Ravikovitch, Joost van den Vondel, Anthon Koolhaas, Max Barthel, Christopher Paolini


Er schijnt sprake van een bug te zijn in de toplijsten. Men heeft beloofd dit te verhelpen. Wij wachten nog even af. Voorlopig blijf ik hier mijn summiere berichten plaatsen en verwijs ik naar mijn blog Romenu II  op Seniorennet.

 

 

De Israëlische dichteres en schrijfster Dahlia Ravikovitch werd geboren op 17 november 1936 in een voorstad van Tel Aviv.

 

PRIDE

 

Even rocks crack, I'm telling you,

and not on account of age.                

For years they lie on their backs

in the heat and the cold,

so many years,

it almost creates the illusion of calm. 

They don't move, so the cracks stay hidden.       

A kind of pride.

Years pass over them as they wait.

Whoever is going to shatter them

hasn't come yet.

And so the moss flourishes, the seaweed

whips around,

the sea bursts forth and rolls back --   

(...)

 

Lees meer...

 

 

 

ravikovitch-d-web-dp
Dalia Rabikovich (17. November 1936 - 21. August 2005)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers mijn andere blog, Romenu II, van vandaag.

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen.

 

De Nederlandse schrijver Anton Koolhaas werd op 16 november 1912 in Utrecht..

 

De Duitse dichter en schrijver Max Barthel werd geboren in Dresden-Loschwitz op 17 november 1893.

 

De Amerikaanse schrijver Christopher Paolini in Los Angeles County, California, op 17 november 1983.

 

 

17-11-07

Dahlia Ravikovitch, Joost van den Vondel


De Israëlische dichteres en schrijfster Dahlia Ravikovitch werd geboren op 17 november 1936 in een voorstad van Tel Aviv. Zie ook mijn blog van 17 november 2006.

 

 

Hovering at a low altitude


I am not here.
I am on those craggy eastern hills
streaked with ice
where grass doesn't grow
and a sweeping shadow overruns the slope.
A little shepherd girl
with a herd of goats,
black goats,
emerges
from an unseen tent.
She won't live out the day, that girl,
in the pasture.

I am not here.
Inside the gaping mouth of the mountain
a red globe flares,
not yet a sun.
A lesion of frost, flushed and sickly,
flickers in that gorge.

And the little one rose up so early
to go to the pasture.
She doesn't walk with neck outstretched
and wanton glances.
She doesn't adorn her eyes with kohl.
She doesn't ask, Whence cometh my help.

I am not here.
I've been in the mountains many days now.
The light will not scald me. The frost cannot touch me.
Nothing can amaze me now.
I've seen worse things in my life.

I tuck my dress tight around my legs and hover
very close to the ground.
What could she be thinking, that girl?
Wild to look at, unwashed.
For a moment she crouches down.
Her cheeks soft silk,
frostbite on the back of her hands.
She seems distracted, but no,
in fact she's alert.

She still has a few hours left.
But that's hardly the object of my meditations.
My thoughts, soft as down, cushion me comfortably.
I've found a very simple method,
not so much as a foot-breadth on land
and not flying, either —
hovering at a low altitude.

But as day tends toward noon,
many hours
after sunrise,
that man makes his way up the mountain.
He looks innocent enough.
The girl is right there, close by,
not another soul around.
And if she runs for cover, or cries out —
there's no place to hide in the mountains.

I am not here.
I'm above those savage mountain ranges
in the farthest reaches of the east.
No need to elaborate.
With a single hurling thrust one can hover
and whirl about with the speed of the wind,
make a getaway and take comfort in saying:
I haven't seen a thing.
And the little one, her eyes start from their sockets,
her palate is dry as a potsherd,
when a hard hand closes over her hair, grasping her
without a shred of pity.
 

 

 

 

When the eyes open


Snow on the mountains
above the High Places
and above Jerusalem.
Come down O Jerusalem
and return my child to me.
Come O Bethlehem
and return my child to me.
Come high mountains
come winds
come floods in the harbors
and return my child to me.
And even you, O bent bulrush,
thin stalk in the stream,
stringy desert bushes,
return my child to me
as the soul returns to the body
when the eyes open.

 

 

 

Vertaald door Chana  Bloch and Chana Kronfeld 

 

 



Dahlia Ravikovitch
Dahlia Ravikovitch (17 november 1936 – 21 augustus 2005)

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zie ook mijn blog van 17 november 2006.

 

 

 

AFBEELDINGE VAN DE HALS VRIENDSCHAP

TUSSCHEN

 

ORESTES en PYLADES,

VOOR DEN E. HEER FILIPS VAN HAERLEM.

Aº. 1656?

 

Fortunati ambo.
(Gelukkig tweetal)

   

Zoo ’t hart zich zelf uitbeelden kan
Door ’t zichtbre merk, vergunt dat Koning
    Ontvouw’ voor Haerlem, zijn genan,
Iet koninkljks, en een vertooning
    Van halsgetrouwheid, in Orest
En Pylades, zou klaar gebleken
    Voor Thoas, in het Noordsch gewest;
Daar geen van beide in trouw bezweken,
    En elk voor ander sterven woû.
    Geen schrik des doods scheidt ware trouw

 

 

 

 

KINDER-LYCK.

Aº. 1633?

 

Constantijnt je, ’t zaligh kijntje
     Cherubijnt je, van om hoogh,
D’ydelheden, hier beneden,
     Vitlacht met een lodderoogh.
Moeder, zeit hy, waarom schreit ghy?
     Waarom greit ghy, op mijn lijck?
Boven leef ick, boven zweef ick,
    Engeltje van ’t hemelrijck:
En ick blinck’ er, en ick drincker
     ’t Geen de schincker alles goets
Schenckt de zielen, die daar krielen,
     Dertel van veel overvloets.
Leer dan reizen met gepeizen
     Naar pallaizen, uit het slick
Dezer werrelt, die zoo dwerrelt.
     Eeuwigh gaat voor oogenblick.

 

 

 

 

vondel
Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)

 

 

17-11-06

Dahlia Ravikovitch , Joost van den Vondel, Anton Koolhaas


De Israëlische dichteres en schrijfster Dahlia Ravikovitch werd geboren op 17 november 1936 in een voorstad van Tel Aviv. Na het overlijden van haar vader werd ze naar een kibuts gestuurd. Zij studeerde aan de Hebreeuwse universiteit van Jeruzalem en werkte als journaliste, docente en vertaalstervan onder andere het werk van W. B. Yeats en T. S. Eliot. Ook was zij actief in de vredesbeweging. Dahlia Ravikovitch publiceerde 10 bundels poëzie, 3 boeken met korte verhalen en vijf kinderboeken. Haar gedichten zijn in meer dan twintig talen vertaald. Veel zijn er ook op muziek gezet. Haar beroemdste gedicht is Buba Memukenet (Mechanische Pop).

 

A DRESS OF FIRE


You know, she said, they made you
a dress of fire.
Remember how Jason's wife burned in her dress?
It was Medea, she said, Medea did that to her.
You've got to be careful, she said,
they made you a dress glowing like an ember,
burning like coals.

Are you going to wear it, she said, don't wear it.
It's not the wind whistling, it's the poison
oozing.
You're not even a princess, what could you do to Medea?
Can't you tell one sound from another, she said,
it's not the wind whistling.

Remember, I told her, that time when I was six?
They shampooed my hair and I rushed out into the street.
That shampooing
trailed its scent after me like a cloud.
Then I got sick from the wind and the rain.
I didn't yet know how to read Greek tragedies,
but the scent of the perfume spread
and I was very sick.
Now I can see it was an unnatural perfume.

What will become of you, she said,
they made you a burning dress.
They made me a burning dress, I said. I know.
So why are you just standing around, she said,
you've got to be careful.
You know what a burning dress is, don't you?


I know, I said, but not about
being careful.
One whiff of that perfume and I'm all confused.
I said to her, No one has to agree with me,
I don't trust Greek tragedies.

But the dress, she said, the dress is on fire.
What are you saying, I shouted,
what are you saying?
I'm not wearing a dress at all,
what's burning is me
.

 

 

In the year to come, in the days to come


My mother lies in bed, trying to die.
Eight years have passed, morning
the same as evening,
and all the hours seconds minutes between them
lean and empty.
My mother wouldn't give the time of day
to flowers and all that blooming nonsense,
the beauty of nature, lightning storms.
Eight years and not one moment has made her
any the wiser, raised her up on her feet
or restored her will power,
the Joy of Labor, the power to recall
something so vital to her being
as the Ethical Precepts of Judaism.
My mother lies in bed, trying to die.
Suddenly she rises up like a lioness
in protest, and says without speaking: I've had my fill
I've had it with living
in the days to come
in the year to come
all the glorious flowers in the Galilee will just have to grow
without me.

 

Vertaling:  Chana Bloch and Ariel Bloch

 

 

 

RAVIKOVITCH
Dahlia Ravikovitch (17 november 1936 – 21 augustus 2005)

 

Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zijn ouders waren doopsgezind en waren voor de Contrareformatie op de vlucht geslagen uit Antwerpen. In 1597 vestigden zij zich in Amsterdam. In 1610 trouwde hij met Mayke de Wolff (Keulen, 1586 - Amsterdam, 15 februari 1635). Vondel verdiende zijn brood in de kousenhandel die hij van zijn vader had overgenomen. Na de dood van prins Maurits in 1625 schreef Joost van den Vondel het treurspel Palamedes. De controverse rond Johan van Oldenbarneveldt en prins Maurits was de aanleiding. Vondel moest voor het werk terechtstaan. De forse boete van 300 gulden is door Albert C. Burgh betaald. In 1641 ging Joost van den Vondel over tot de Rooms-Katholieke Kerk, wat hem veelal niet in dank werd afgenomen in de hoofdstad van de Republiek waar het calvinisme de belangrijkste religie was.

Na het faillissement van de kousenzaak in de Warmoesstraat werd hij Suppoost bij de Bank van Lening, waar hij in 1668 gepensioneerd werd. Hij werd lid van de Brabantse rederijkerskamer "Het Wit Lavendel". Tijdens zijn carrière als kousenmaker begon hij, als bewonderaar van Seneca, en later de Griekse klassieken, zelf drama's te schrijven.Vondel stierf in armoede: als zijn laatste werk dichtte hij spottend zijn grafschrift:

 

Hier leit Vondel zonder rouw,

Hy is gestorven van de kouw

 

 

UITVAERT VAN MIJN DOCHTERKEN.

 

De felle Doot, die nu geen wit magh zien,

Verschoont de grijze liên.

Zij zit omhoogh, en mickt met haren schicht

Op het onnozel wicht,

En lacht, wanneer, in ’t scheien,

De droeve moeders schreien.

Zij zagh ’er een, dat wuft en onbestuurt,

De vreught was van de buurt,

En, vlugh te voet, in ’t slingertouwtje sprong;

Of zoet Fiane zong

En huppelde, in het reitje

Om ’t lieve lodderaitje:

Of dreef, gevolght van eenen wackren troep,

Den rinckelenden hoep

De straten door: of schaterde op een schop:

Of speelde met de pop,

Het voorspel van de dagen,

Die d’eerste vreught verjagen.

 

Of onderhiel, met bickel en boncket

De kinderlijcke wet,

En rolde en greep, op ’t springend elpenbeen

De beentjes van den steen;

En had dat zoete leven

Om geldt noch goet gegeven:

Maar wat gebeurt? terwijl het zich vermaackt

Zoo wort het hart geraackt,

(Dat speelzieck hart) van eenen scharpen flits,

Te dootlick en te bits

De Doot quam op de lippen

En ’t zieltje zelf ging glippen

Toen stont helaas! de jammerende schaar 

Met tranen om de baar,

En kermde noch op ’t ljck van haar gespeel, 

En wenschte lot en deel

Te hebben met haar kaartje,

En doot te zijn als Saertje

De speelnoot vlocht (toen ’t anders niet moght zijn)

Een krans van roosmarijn

Ter liefde van keur beste kameraat

O krancke troost! wat baat

De groene en goude loover?

Die staatsi gaat haast over.

 

 

 

VONDEL
Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)

 

 

(Nagekomen bericht)

Anton Koolhaas werd op 16 november 1912  geboren als jongste van 4 kinderen in Utrecht. Hij studeerde daar ook aan de universiteit. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij als buitenlandredacteur bij de Nieuwe Rotterdamse Courant. Anton Koolhaas is de vader van de architect Rem Koolhaas. Hij schreef onder meer de scenario's voor de films Bij de beesten af (1972) en Dokter Pulder zaait papavers (1975) van Bert Haanstra. In 1956 verscheen zijn eerste boek, de verhalenbundel Poging tot instinct. Koolhaas' romans handelen vaak over dieren. Deze dieren hebben vaak typisch menselijke eigenschappen.

Uit: Beroepsgeheim (een interview met Willem M. Roggeman, 1975)

 

“- Ik herinner me dat ik als kind in het gras zat bij mijn grootouders en dat ik toen al opgenomen werd in die wereld van kleine torretjes en zulks spul dat daar om me heen liep. Ik ben als kind reeds ontzettend gevoelig geweest voor sferen van bepaalde dieren, van bepaalde stukjes natuur. Als ik speelde verbond ik aan alle meubels in de huiskamer een geweldige sfeer. Toen ik in Rotterdam woonde, verdiende ik heel weinig en ik woonde in een soort van landverhuizershotel. Daar had ik een grote kamer, maar daar waren zo waanzinnig veel muizen dat niet ik, maar zij de hoofdbewoner waren. En op een gegeven ogenblik ga je dan zien dat jij niet de man bent, die last heeft van muizen, maar dat de muizen eigenlijk last hebben van een man. En dat brengt je in een soort van omgekeerde positie ten aanzien van die dieren. Je gaat ze dan ook op een heel andere manier observeren dan wanneer ze bv. een zekere schrik veroorzaken. Je geeft je gewoon gewonnen aan ze. Het eerste verhaal dat ik schreef was er dan ook één over muizen. Toen zijn er nog wat over muizen gekomen, maar toen herkreeg ik mijn belangstelling voor kippen uit mijn allervroegste jeugd en ben ik ook veel kippen gaan zitten waarnemen. De eerste verhalen gingen dus over muizen en kippen, en daarna kwamen er mierenverhalen, een lijsterverhaal, een duivenverhaal. Er kwamen langs om meer dieren bij. Maar ik geloof niet dat ik die gemaakt zou hebben als ik niet op die eerste kamer zo gevoelig was geworden of niet die ontdekking had gedaan van die mogelijkheid van een bijzonder vergaande inleving in dieren. En die inleving in dieren brengt uiteraard met zich mee een soort van identificatieproces. In dit proces kom je dan echt aan de essentiële dingen van hun leven toe en daarmee ook aan de dingen van hun dood, want de dood is in een dierenleven geen taboe, het is een vanzelfsprekende zaak.”

 

 

 

ANTOON_KOOLHAAS
Anthon Koolhaas (16 november 1912 – 16 december 1992)