02-02-16

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce, Kees Torn, Eriek Verpale, Santa Montefiore

 

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit De verborgen bron

"Ik heb mijn onrust, mijn onbehagen, trachten te sussen; blijkbaar ben ik al die jaren lang de waarheid stelselmatig uit de weggegaan. Ik ken je níét, Rina. Je bent mijn vrouw, wij hebben acht jaar onder hetzelfde dak gewoond, tafel en bed gedeeld; maar ik ken je niet, ik weet minder van jouw wezen dan van de schim van haar die je moeder is geweest.Jij bent een vreemde voor mij. Ik geef mij rekenschap van iets, dat ik, onbewust, al gevoeld moet hebben, telkens wanneer ik in jouw tegenwoordigheid overrompeld werd door het besef onverklaarbaar, ondraaglijk eenzaam te zijn. Je liep heen en weer, bezig met huishoudelijk werk, je zat voor je spiegel, je stond gebogen over de gasvlam in het laboratorium; ik was bij je, ik kon je aanraken, je zou antwoorden wanneer ik tegen je sprak, maar toch was ik alleen."
(…)

"Dit is, voor zover ik het mij herinneren kan, de geschiedenis van Arethusa, de nimf die in een bron veranderde. Zij behoorde tot het gevolg van Artemis, de godin van de jacht en van de maan. Eens daalde Arethusa af in de golven van de rivier de Alpheus om daar te baden. De stroomgod zag haar en begeerde haar. Zij vluchtte, maar de rivier trad uit zijn bedding om haat te achtervolgen. Arethusa, bevreesd voor de hartstochtelijk schuimende stortvloed, riep haar meesteres aan, de kuise eenzame Artemis, De godin veranderde haar in een bron, maar ook in die gedaante herkende haar Alpheus. Door een spleet in de rotsachtige bodem verdween de bron in ondergrondse spelonken. zo meende zij te kunnen ontkomen aan eenwording met de wilde stroom. zij baande zich een weg door de duisternis van de onderwereld; maar toen zij, na een eindeloze zwerftocht, weer te voorschijn sprong uit de grond, vond zijn daar Alpheus, de rivier, die haar gevolgd was door de grotten van de hades.

 

 
Hella Haasse (2 februari 1918 - 29 september 2011)

Lees meer...

02-02-15

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce, Kees Torn, Eriek Verpale

 

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Oeroeg

““Hij had, op het zadel tussen twee bergtoppen in, een oude hut ontdekt, en die tot jachthuis gepromoveerd. Dit verblijf dankte zijn fantastisch uiterlijk aan de door Gerard aangebrachte reparaties. Deksels van koekjesblikken, stukken hout in de meest verschillende kleuren en vormen, en primitief vlechtwerk van uit het bos gekapte luchtwortels, stopten de gaten in dak en muren. Een wand die dreigde te verzakken, werd door zorgvuldig opgestapelde stenen gesteund. Het inwendige van de hut bestond uit twee ingebouwde slaapkooien, door Gerard de ‘konijnehokken’ genoemd, een wankele tafel en een paar stompjes van boomstammen, die tot zitplaatsen moesten dienen. Een rij spijkers, in het stevigste gedeelte van de wand geslagen, vervulde de functie van kast. Hier hingen wij kroezen, kledingstukken en wapens aan op. Onder een der kooien haalde Gerard een enigszins beschadigd houtskoolkomfoor, dat kwam te staan op de zwartgeblakerde plek grond onder het afdak voor de hut. Een pan en een leeg margarineblik vormden ons kookgerei. Ali, de koelie die Gerard altijd vergezelde, zocht droog hout bij elkaar, terwijl Oeroeg en ik water gingen tappen in de beek achter de hut.

 

 
Scene uit de Nederlands-Belgisch-Indonesische film uit 1993

 

Met behulp van een kunstmatige waterval en een stuk uitgeholde bamboe had Gerard een leiding gefabriceerd, die bij allerlei voorkomende huishoudelijke bezigheden van groot nut bleek. Onveranderlijk verbonden met de bittere rooklucht van brandend hout blijft voor mij het beeld van deze maaltijden voor de hut: Gerard, die, gezeten op een stuk boomstam, de inhoud van een blik cornedbeef roert door de rijst; Ali, hurkend, met zijn armen neerhangend over zijn wijd uit elkaar gespreide knieën; Oeroeg en ik, nauwelijks in staat tot stilzitten van opwinding en honger; en voor ons, voorbij de kale, steenachtige helling van het bergzadel, over de boomtoppen van het daar beneden gelegen oerwoud heen zichtbaar, het afdalende bergland, in alle schakeringen van blauw, grijs en groen, met scherp getekende schaduwplekken in de kloven en ravijnen, en nog dieper omlaag, rondom, naar de horizon toe verdwijnend in nevels van hitte, de vlakte, waarover de voortdrijvende wolken grote schaduwen wierpen.”

 

 
Hella Haasse (2 februari 1918 - 29 september 2011)

Lees meer...

02-02-14

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce, William Rose Benét

 

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Het woud der verwachting

“Dicht tegen elkaar aangedrukt naderden de paarden trappelend en struikelend door de diepe modder in het laagste gedeelte van de vallei. Maar nu stormden uit de bossen op de helling voor Maisoncelles méér boogschutters te voorschijn, die daar tot dit doel in hinderlaag gelegen hadden. De ruiterij, door een regen van pijlen in de flank getroffen, leed zware verliezen; van meer dan duizend ruiters bereikten maar enkele honderden de smalle terreinstrook tussen de beide legers. De gewonde, dodelijk verschrikte paarden gehoorzaamden hun berijders niet meer. Zij steigerden briesend zijwaarts op de rijen geharnaste ridders in en stichtten daar meer onheil dan de Engelsen teweeggebracht hadden. Mannen en dieren tuimelden over elkaar heen, tussen staal en staal werden lichamen vermorzeld.
(…)

Het kostte Charles, nu hij Boucicauts gezelschap moest missen, grote moeite de lange dagen zonder aanvallen van zwaarmoedigheid en wanhoop door te komen. Te Westminster en Windsor had men hem en zijn lotgenoten nog wat vertier toegestaan, een valkenjacht, wandelingen in nevelige, bladerloze parken, ritten te paard. Maar de Tower was een doolhof van dikke, stenen muren; er groeide wat gras op de binnenplaats, er stond een enkele boom. Hij had horen vertellen dat op die plek terechtstellingen plaatsvonden. ‘Daarom blijft het gras hier kort en bruinachtig,’ zei Richmont. ‘De grond is verzadigd van bloed.’
Charles kwam overigens niet veel op de binnenplaats. Het lopen in de kille, vochtige lucht stemde hem zo mogelijk nog somberder dan het verblijf in zijn kamer.”

 

 
Hella Haasse (2 februari 1918 - 29 september 2011)
Borstbeeld door Ellen Wolff voor de Openbare Bibliotheek, Amsterdam

Lees meer...

02-02-13

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce

 

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

 

Uit: Doodijs en hemelsteen (Over W. F. Hermans)

“De kracht van De donkere kamer van Damocles (1958) schuilt in de geraffineerde wijze waarop Hermans speelt met de mogelijkheden van de verhouding Osewoudt-Dorbeck. Osewoudt wórdt zijn tegenvoeter, maakt zichzelf tot de zowel bewonderde en benijde, als heimelijk gevreesde en zelfs gehate Dorbeck, het handelende, indrukwekkende negatief van hemzelf. Hij kan dat omdat het imago van de zelfbewuste officier, die in oorlogstijd het recht en de plicht heeft te doden, al in hem bestond als wensdroom, gevoed door zijn eigen gevoel van onmacht en zijn minderwaardigheidsbesef. Osewoudt is de moordenaar die door de omstandigheden de kans krijgt misdaden te plegen welke men eventueel als heldenfeiten zou kunnen interpreteren. Naïef ervaart hij, na de bevrijding, dat hij verdacht wordt van verraad. Door Dorbeck te worden dacht hij de mislukkeling Osewoudt in zichzelf te verstikken. Als hij later inziet dat hij Dorbecks bestaan - onafhankelijk van hemzelf - niet bewijzen kan, vlucht hij in paniek, wordt neergeschoten. De ingewikkelde, illegale acties waarbij Osewoudt/Dorbeck betrokken is, doen denken aan een vergroting van de ondoorzichtige situatie aan het einde van ‘Een ontvoogding’, die Bahloul de kans biedt zich van Mohammed te ontdoen, en dan zelf de plaats van Mohammed in te nemen.

Wat een man van zichzelf verwerkelijkt, schijnt ten nauwste samen te hangen met de rol die de vrouwen in zijn leven vervullen. Arthur in De tranen der acacia's leeft, zoals zijn oorspronkelijke achternaam Muttah al suggereert, in de ban van dominerende vrouwen als zijn grootmoeder en zuster, tot hij zich in de verhouding met Andrea voor het eerst bewust wordt van zijn mannelijkheid en zijn ambities. De vrouwen die het bestaan van Osewoudt bepalen, zijn krankzinnige moeder en de oudere nicht met wie hij getrouwd is, moet hij kwijt om Dorbeck te kunnen zijn. Marianne, de uit zelfbehoud geblondeerde joodse geliefde van Osewoudt in zijn donkere Dorbeck-gedaante (zij is het ook die hem in haar rol van kapster letterlijk ‘zwart maakt’, en hem in haar omarming een ongekende gewaarwording van viriliteit schenkt), verdwijnt uit zijn leven wanneer hij weer zijn Osewoudt-gedaante aanneemt."

 

 


Hella Haasse (2 februari 1918 - 29 september 2011)

Lees meer...

02-02-12

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, Kees Torn, James Joyce, Eriek Verpale

 

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

 

Uit: Inkijk

 

“De hoofdpersoon van Het martyrium (Die Blendung), dr. Peter Kien, ‘geleerde en bibliothecaris’, een sinoloog van wereldreputatie, dwangmatig ordelievend en punctueel, een mensenhater, altijd op zijn hoede ten opzichte van hen die hij ‘de mensen der menigte’ noemt, de massa, die hij gevaarlijk acht omdat zij geen ontwikkeling en geen verstand heeft, leeft letterlijk verschanst binnen de Chinese muur van zijn boeken, zijn prive-bibliotheek. Zijn blindzijn voor de werkelijkheid is de zwakke plek waardoor duivelse hardnekkige domheid zijn wereld binnen dringt in de gedaante van Therese, de huishoudster, belichaming van de materie, de grove zinnelijkheid, de gevreesde massa. Kien loopt te pletter op de Chinese muur van haar cirkelvormig gesteven rok. Haar hebzucht en nieuwsgierigheid en zijn volstrekt subjectieve interpretatie van het begrip ‘leren’ brengen hen tot elkaar. Voor Therese is leren identiek aan ‘mores leren’ volgens fatsoens. en gezagsnormen die de domme massa regeren, en voor Kien is ‘leren’ alleen kennis vergaren uit boeken. Hij geeft aan deze beginnelinge in de cultuur, de draagster van de voor hem zo angstwekkende rok, het enige boek te leen waarvoor hij zich heimelijk schaamt, De broek van Herr von Bredow. Voor Therese is de broek echter symbool van het heiligste, van hem die de broek aanheeft, de door de hysterische oude juffrouw zo vurig begeerde man. Als een priesteres aan een altaar legt zij de beduimelde roman op een fluwelen leeskussen, trekt zij witte handschoenen aan voor zij de bladzijden omslaat. Deze magie-rondom-de-broek legt Kien uit als uitzonderlijke eerbied-voor-het-boek, met verschrikkelijke gevolgen. Het huwelijk met Therese zal regelrecht leiden tot zijn ondergang en die van zijn geliefde bibliotheek. Kien, de eenling, die geen contact, geen aanraking duldt, wil noch kan overgaan tot ‘gemeenschap hebben’. Het is hem niet om een vrouw te doen, maar om een moeder voor zijn boeken. Therese kent nu zijn zwakke plek, zij gaat zijn angst voor hem letterlijk te gelde maken. Kien roept de bescherming in van de conciërge van het flatgebouw, de ex-politieman Benedikt Pfaff, een sentimentele sadistische bruut die zijn vrouw en dochter misbruikt en doodgeranseld heeft, en zich nu uitleeft op bedelaars en op huurders die in gebreke blijven.”

 

 

Hella Haasse (2 februari 1918 - 29 september 2011)

 

Lees meer...

02-02-11

Hella Haasse, James Joyce, Eriek Verpale, Monica Camuglia, Michel Marc Bouchard

 

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008 en ook mijn blog van 2 februari 2009 en ook mijn blog van 2 februari 2010. 

 

Uit: De scharlaken stad

 

„Hij wist nauwelijks hoeveel maanden er waren voorbijgegaan sinds zijn terugkeer in Florence. Hij had zich ingegraven in het werk, zoals een mol zich ingraaft in zijn onderaardse koker. Hij was blind en doof voor de buitenwereld. Toen hij, in Rome, onder het vaderlijk knikken en aanmoedigend gesticuleren van paus Clemens, tenslotte zijn handtekening zette onder het nieuwe contract met de heren Della Rovere, had hij beseft dat hij zichzelf onherroepelijk veroordeelde tot dwangarbeid. Hij was bereid slaaf te zijn, niets dan slaaf, verbeten te zwoegen aan zijn taak. Hij wist wel dat hij zich nooit bevrijd zou voelen van schuld vóór die taak beëindigd was. Maar waarom werd hem niet de genade gegund ongestoord te volbrengen wat hij zijn plicht achtte, ongestoord te boeten voor een oud verzuim? In een slotwoord, vóór de audiëntie beëindigd werd, had de paus het vonnis over hem uitgesproken, luid: 'Het grafmonument wordt voltooid, heren, dat staat nu vast, onze waarde kunstenaar hier heeft het zojuist zwart op wit bevestigd, nu is deze onaangename kwestie wel uit de wereld hopen wij,' en, fluisterend, alleen voor hém verstaanbaar: 'maar vergeet intussen het werk aan de Medici-kapel niet, ik reken erop dat u zich ook houdt aan het contract dat u met mij gesloten hebt.'

Sindsdien weer die innerlijke verscheurdheid waarbij ieder ander leed in het niet verzonk. In zijn dromen rees Julius' mausoleum voor hem op, gezwollen tot geweldige afmetingen, een groep van gestalten reikend tot in de wolken, Mozes, Paulus, Rachel en Lea, giganten van marmer, omhoog gestoten door de aarde zelf, zoals gebergten ontstaan. Langs de plooien van hun gewaden, reusachtige stenen riffen, trachtte hij omhoog te klimmen. een mier, een pover zwak wezen op trillende poten, hoger, hoger, tot waar de personificaties van hemel en aarde de sarcofaag hieven waarin zijn kwelgeest sliep, Julius, wiens hoogmoed hem dit had aangedaan. De macht van die paus-veroveraar verheerlijken, meer dan tien jaren na diens dood, op een tijdstip dat het pauselijk gezag een aanfluiting was en de veroverde gebieden beefden voor de komst van een nog gevreesder vijand - dat scheen hem méér dan dwaasheid, een smaad, een leugen.“

 

 


Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

Lees meer...

29-08-10

Hugo Brandt Corstius, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn, Lukas Hartmann, Edward Carpenter, Elma van Haren, Herbert Meier, Jacques Kruithof, Djamel Amrani, Valery Larbaud

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 29e augustus mijn blog bij seniorennet.be

  

Hugo Brandt Corstius, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn, Lukas Hartmann, Edward Carpenter

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 29e augustus ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag. 

 

Elma van Haren, Herbert Meier, Jacques Kruithof, Djamel Amrani, Valery Larbaud

 

25-02-10

Anthony Burgess, Amin Maalouf, Aldo Busi, Robert Rius, Friedrich von Spee, Franz Xaver Kroetz, Gérard Bessette


De Britse dichter en schrijver Anthony Burgess werd geboren op 25 februari 1917 in Manchester, Engeland. Zie ook mijn blog van 25 februari 2007 en ook mijn blog van 25 februari 2008 en ook mijn blog van 25 februari 2009.

 

Uit: ReJoyce

 

'I start thus book on January 13th, 1964 - the twenty-third anniversary of the death of James Joyce. I can think of no other writer who would bewitch me into making the beginning of a spell of hard work into a kind of joyful ritual, but the solemnisation of dates came naturally to Joyce and it infects his admirers. Indeed, this deadest time of the year (the Christmas decorations burnts a week ago, the children back at school, the snow come too late to be festive) is brightened by being a sort of Joyce season. It is a season beginning in Advent and ending at Candlemas. January 6th is the Feast of the Epiphany, and the discovery of epiphanies - 'showings forth' - of beauty and truth in the squalid and commonplace was Joyce's vocation. February 1st is St Bridget's Day. February 2nd is Joyce's birthday, and two massive birthday presents were the first printed copies of Ulysses and Finnegans Wake; it is also Candlemas Day and Groundhog Day. One is being very Joycean if one tempers the solemnity by remembering the groundhogs. Overlooked by Christmas shoppers, Saint Lucy, Santa Lucia, celebrated her feast on December 13th. To Joyce, who struggled most of his life against eye-disease, she had a special meaning, being the patron saint of sight, and his daughter Lucia was named for her. The theme of the whole season is light-out-of-darkness, and it is proper to rejouce (Joyce was well aware of the etumology of his name) in the victory of the light. We are to rejouce even in the death of the first Christian martyr on Boxing Day, and we remember why Joyce appears under the name of Stephen in his autobiographical novels. He too was a martyr, though to literature; a witness for the light, self-condemned to exile, poverty, suffering, vilification and (perhaps worst of all) coterie canonisation in life, that the doctrine of the Word might be spread. He was a humorous martyr, though, full of drink and irony. Out of the stones that life threw at him he made a labyrinth, so that Stephen earned the surname Dedalus. The labyrinth is no home for a monster, however; it is a house of life, its corridors ringing with song and laugher.'

 

 

 

 

Burgess
Anthony Burgess (25 februari 1917 – 22 november 1993)

 

 

 

 

De Franstalige schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook mijn blog van 25 februari 2007 en ook mijn blog van 25 februari 2008 en ook mijn blog van 25 februari 2009.

 

Uit: Examen Identité

 

„Depuis que j’ai quitté le Liban en 1976, pour m’installer en France, que de fois m’a-t-on demandé, avec les meilleurs intentions du monde, si je me sentais « plutôt français » ou « plutôt libanais ». Je réponds invariablement : « L’un et l’autre ! » Non par quelque souci d’équilibre ou d’équité, mais parce qu’en répondant différemment, je mentirais. Ce qui fait que je suis moi même et pas un autre, c’est que je suis  ainsi à la lisière de deux pays, de deux ou trois langues, de plusieurs traditions culturelles. C’est précisément cela qui définit mon identité. Serais-je plus authentique si je m’amputais d’une partie de moi-même ?

            A ceux qui me posent la question, j’explique donc, patiemment, que je suis né au Liban, que j’y ai vécu jusqu’à l’âge de vingt-sept ans, que l’arabe est ma langue maternelle et que c’est d’abord en traduction arabe que j’ai découvert Dumas et Dickens et Les Voyages de Gulliver, et que c’est dans mon village de la montagne, le village de mes ancêtres, que j’ai connu mes premières joies d’enfant et entendu certaines histoires dont j’allais m’inspirer plus tard dans mes romans. Comment pourrais-je l’oublier ? Comment pourrais-je m’en détacher ? Mais, d’un autre côté, je vis depuis vingt-deux ans sur la terre de France, je bois son eau et son vin, mes mains caressent chaque jour ses vieilles pierres, j’écris mes livres dans sa langue, jamais plus elle ne sera pour moi une terre étrangère.

            Moitié français, donc, et moitié libanais ? Pas du tout ! L’identité ne se compartimente pas, elle ne se répartit ni par moitiés, ni par tiers, ni par pages cloisonnées. Je n’ai pas plusieurs identités, j’en ai une seule, faite de tous les éléments qui l’ont façonnée, selon un « dosage » particulier qui n’est jamais le même d’une personne à l’autre.

            Parfois, lorsque j’ai fini d’expliquer, avec mille détails, pour quelles raisons précises je revendique pleinement l’ensemble de mes appartenances, quelqu’un s’approche de moi pour murmurer, la main sur mon épaule : « Vous avez eu raison de parler ainsi, mais au fin fond de vous-mêmes, qu’est-ce que vous vous sentez ? »

 

 

 

Maalouf
Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver en vertaler Aldo Busi werd geboren op 25 februari 1948 in Montichiari, Brescia. Zie ook mijn blog van 25 februari 2009.

 

Uit: Standard Life of a Temporary Pantyhose Salesman (Vertaald door Ercole Guidi)

 

„MONDAY

Giuditta drags a cloth doll and looks fixedly ahead. Angelo drives dead slow, turns his head toward her.

The little girl is unperturbed. She walks barefoot in her little blue costume and the dusty road has the sinuosities of a dried-up brook.

Giuditta advances solemnly like a betrayed, yet proud bather upon the blistering coal of the tar. Angelo smiles at her, in vain.

To take her with him to the lake, to watch her in the water, dry her, comb her, put her before the kiosk of the ice creams.

Giuditta vanishes down the road; voices soar calling out her name. The doll transfixed in the prickle of an agave leaf. Is this the end reserved for the «puttanoes»?

One of the central themes of Angelo's cogitations, even when he's at the wheel, is the impossibility of flash-retribution, of wreaking vengeance «now».

To concoct it it's to see it fraying through one's fingers by way of perfecting its plot.

 

Now, one of the most intense, exhilarating moments of his improper past, one of those that justify the existing of existence, is tied to a revenge, which, by fortuity, and indigestion of the enemy, could fulfill itself concurrently, or almost, to the yearning for revenge that had scarcely preceded it

It happened at the so called Grotte di Catullo, at Sirmione, last year, in the summer of '82, when he decided to do the nose-throat baths passed by the SAUB.

As he finished the inhalations, he'd go up to the Grotte, an archaeological place so to speak: all crests, little or nothing sinks into excavations.

He'd climb in over the grating and walk down a dilapidated staircase, alongside the eastern part of the peninsular head.

On reaching the kiosk, he would leap to the other side of a fence amidst a vegetation of «Soleil d'Or» defiled with coffee scum and sugar bags, and he found himself on the rocky beach.“

 

 

 

aldo-busi
Aldo Busi (Montichiari, 25 februari 1948)

 

 

 

 

De Franse dichter Robert Rius werd geboren op 25 februari 1914 in Castle-Roussillon. Zie ook mijn blog van 25 februari 2009.

 

 

Une vague de vie

 

Etoile blanchâtre
des dimanches aux chairs vives
escalade de désirs
le sillage de ta voix
fait mousser des furolles nues

 

Tu éblouis la pâleur des tropiques

 

Tu terrasses l’envie de mordre
aux versants de ta bouche azurée

 

J’ai suivi la courbe de tes hanches
élastiques
soleil des lumières
flèche des soirs de mai
ton remous nageait
dans le jeu des feuilles de marronniers

 

L’éclair ramifié de tes dents
échauffait la vie hallucinante
de boire à souhait pour goutter ton délire
les voluptés de ta peau
récif des frissons de corail

 

Je t’érige la statue du désir

 

 

 

Rius

Robert Rius (25 februari 1914 - 21 juli 1944)

 

 

 

 

De Duitse jezuïet en dichter Friedrich von Spee werd op 25 februari 1591 in Kaiserswerth bij Düsseldorf geboren. Zie ook mijn blog van 25 februari 2007 en ook mijn blog van 25 februari 2009.

 

 

Der trübe Winter

 

Der trübe Winter ist vorbei,

die Kranich wiederkehren.

Nun reget sich der Vögel Schrei,

die Nester sich vermehren.

Laub allgemach

nun schleicht an Tag,

die Blümlein sich nun melden,

wie Schlängelein krumm

gern lächelnd um

die Bächlein kühl in Wäldern.

 

 

 

Ermahnung zur Buße

 

Tu auf, Tu auf, du schönes Blut,

sich Gott zu dir will kehren:

O Sünder greif nun Herz und Mut,

Hör auf die Sünd zu mehren:

Wer Buß zur rechten Zeit verricht

Der soll gewißlich leben:

Gott will den Tod des Sünders nicht,

Wann willst du dich ergeben?

 

 

 

 

Von Spee
Friedrich von Spee
  (25 februari 1591 – 7 augustus 1635)

Reliëf van Bert Gerresheim aan de Suitbertus Basiliek in Düsseldorf

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver, regisseur en acteur Franz Xaver Kroetz werd geboren op 25 februari 1946 in München. Zie ook mijn blog van 25 februari 2009.

 

 

Schlachtschüssel

 

Ich trug diese Tage

schwer am Herzen.

Mit einem gefrorenen Hasen

und einer heißen Katze

hielt ich Mahl.

 

Da schlug der Sturm

die Faust in die Felder.

Der Blitz zog der Nacht

ein weißes Kleid an.

Vier Höfe brannten ab.

Sämlinge trieben an der Alz.

 

Ich sank besoffen ins Bett.

Das Donnerwetter ließ nach.

Der Sturm schnürte sein Bündel,

warf es nach mir und ging.

 

Da wurds mir leichter.

Nach so einem Donnerwetter

hungern alle

Es roch nach Schnee.

Nach Schnee und Schreiben.

Es gab zuerst Schlachtschüssel,

dann Blut, Sperma und Tränen.

Köstlich!

 

 

 

 

Kroetz
Franz Xaver Kroetz (München, 25 februari 1946)

 

 

 

 

De Canadese schrijver Gérard Bessette werd geboren op 25 februari 1920 in Sainte-Anne-de-Sabrevois, Quebec. Zie ook mijn blog van 25 februari 2009.

 

Uit: Le libraire

 

 

„De Léon Chicoine donc, je ne me plains pas, ou très peu. Les chalands, c'est une autre histoire. Tout d'abord, ils ont le tort d'être plusieurs, tandis que lui, le patron, est seul. De cela, en toute justice, il est difficile de blâmer les clients individuellement. Ça représente toutefois un désavantage initial insurmontable. Je serais pourtant prêt à passer l'éponge là-dessus. La preuve, c'est que certains clients ne me portent pas sur les nerfs. Quand ils savent ce qu'ils veulent et le disent tout de suite, je le leur donne, je prends leur argent, je le mets dans le tiroir-caisse, puis je me rassieds; ou bien je leur dis que nous ne l'avons pas. Là-dessus, rien à redire, même quand des bouquineurs traînassent le long des rayons, ouvrent et ferment tranquillement des livres pourvu qu'ils restent silencieux, je ne m'y oppose pas non plus. Je me contente de ne pas les regarder ce qui est facile grâce à une grande visière opaque que je me rabats sur le nez. Je me dis qu'ils finiront bien par fixer leur choix ou ficheront le camp sans m'adresser la parole.

Mais ceux que je peux difficilement supporter, ce sont les crampons qui s'imaginent que je suis là pour leur donner des renseignements, des consultations littéraires. Seule la pensée que je serai obligé de déménager si je les rudoie trop m'empêche de les foutre à la porte. «Que pensez-vous de tel auteur? Avez-vous lu tel livre? Ce roman contient-il assez d'amour? Croyez-vous que celui-ci soit plus intéressant que celui-là?» À ces dégoûtants questionneurs, malgré l'effort plutôt vigoureux que l'opération exige, je serais tenté de mettre mon pied au cul. Mais je ne peux m'y risquer. Je dois me contenter de leur passer les livres que je crois le moins susceptibles de les intéresser. Cela requiert de ma part une concentration d'esprit qui me fatigue, mais on n'a rien sans peine. En effet, je ne peux leur suggérer des titres sans avoir une idée de leurs goûts; et il me faut, pour cela, leur poser quelques questions.“

 

 

 

bessette_gerard
Gérard Bessette (25 februari 1920 – 21 februari 2005)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

02-02-10

Hella Haasse, James Joyce, Eriek Verpale, Michel Marc Bouchard


De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008 en ook mijn blog van 2 februari 2009.

 

Uit: Heren van de thee

 

„Verborgen in de diepten van het woud ruiste een waterval. Zij gingen op het geluid af en kwamen bij een stroom die breder en woester was dan de andere riviertjes. Hij begreep dat dit de Tjisondari moest zijn; de steile oever aan de overkant leek hem de natuurlijke grens van de plantage. Maar Djengot, die de omgeving kende, hield vol dat dit niet zo was. Zij liepen langs de Tjisondari totdat zij een plek vonden waar zij wadend en springend van steen op steen konden oversteken. Inderdaad ontdekte hij nog oude tuinen waarvan hij het bestaan niet had vermoed, en enkele min of meer open plekken die geschikt leken voor nieuwe veldjes.
Het liefst was hij dadelijk naar de top van de Goenoeng Tiloe geklommen, om vandaar de omvang van zijn gebied te kunnen schatten – nog had hij geen flauw idee hoe hij de grenzen van de her en der over de berghelling verspreide koffietuinen in kaart moest brengen. Landmeten zou zijn eerste taak zijn. Hij had daar echter deskundige hulp bij nodig. De talloze ravijnen, onbruikbaar voor aanplant, vormden moeilijk te becijferen enclaves.

(…)

 

Er trok een wolk voor de zon, de eerste van de gestaag rijzende wal die later in de middag in een stortbui uiteen zou breken. Dat het op Gamboeng zo vaak en zo hevig zou regenen, had hij niet voorzien. Die regen en de eenzaamheid (hij had nu in bijna drie maanden geen woord Nederlands gehoord of gesproken) waren de schaduwzijden van zijn Eldorado. Hij dacht soms met een vleug zelfspot aan de grenzeloze verrukking die hem had bevangen toen hij voor de eerste maal op de bergkam stond. Nog beleefde hij dergelijke ogenblikken van puur geluk, wanneer na noodweer bij de uitgang van het druipende oerwoud, of ’s ochtends als hij zijn deur opendeed, het grandioze panorama van de Pantjoer, de Patoeha en de Tambagroejoeng zich voor hem ontvouwde, de Gedeh op de achtergrond, in schakeringen van blauw en violet zichtbaar was, terwijl vlakbij de drietoppige Goenoeng Tiloe zich machtig verhief. Hij ervoer telkens weer dat dit landschap – al meende hij het nu beter te kennen omdat hij het in alle richtingen doorkruist had – zich als het ware terugtrok in een niet te doorgronden eigen bestaan. Hij begreep ook waarom voor de mensen die hier woonden elke boom, steen en bergstroom bezield was, een wezen met een naam, een bijzondere macht.“

 

 

 

 

Hella_Haasse
Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

 

 

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en mijn blog van 16 juni 2006 en ook mijn blog van 2 februari 2008 en ook mijn blog van 2 februari 2009.

 

Uit: A Portrait of the Artist as a Young Man

 

"Et ignotas animum dimittit in artes."
ovid, metamorphoses, viii., 18.

ONCE UPON a time and a very good time it was there was a moocow coming down along the road and this moocow that was down along the road met a nicens little boy named baby tuckoo. . . .
His father told him that story: his father looked at him through a glass: he had a hairy face.
He was baby tuckoo. The moocow came down the road where Betty Byrne lived: she sold lemon platt.
O, the wild rose blossoms
On the little green place.
He sang that song. That was his song.

O
, the green wothe botheth.
When you wet the bed, first it is warm then it gets cold. His mother put on the oilsheet. That had the queer smell.
His mother had a nicer smell than his father. She played on the piano the sailor's hornpipe for him to dance. He danced:

Tralala lala,
Tralala tralaladdy,
  Tralala lala,
  Tralala lala.

Uncle Charles and Dante clapped. They were older than his father and mother but Uncle Charles was older than Dante.
Dante had two brushes in her press. The brush with the maroon velvet back was for Michael Davitt and the brush with the green velvet back was for Parnell. Dante gave him a cachou every time he brought her a piece of tissue paper.
The Vances lived in number seven. They had a different father and mother. They were Eileen's father and mother. When they were grown up he was going to marry Eileen. He hid under the table.
His mother said:
—O, Stephen will apologise.
Dante said:
—O, if not, the eagles will come and pull out his eyes—

Pull out his eyes,
  Apologise,
  Apologise,
Pull out his eyes.

 Apologise,
Pull out his eyes,
Pull out his eyes,
  Apologise.

The wide playgrounds were swarming with boys. All were shouting and the prefects urged them on with strong cries. The evening air was pale and chilly and after every charge and thud of the foot-ballers the greasy leather orb flew like a heavy bird through the grey light. He kept on the fringe of his line, out of sight of his prefect, out of the reach of the rude feet, feigning to run now and then. He felt his body small and weak amid the throng of players and his eyes were weak and watery. Rody Kickham was not like that: he would be captain of the third line all the fellows said.“

 

 

James_Joyce_Statue
James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)

Standbeeld in Zürich, Zwitserland

 

 

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008 en ook mijn blog van 2 februari 2009.

 

Uit: Katse nachten

 

„Ik leg de hoorn neer, neem mijn sigaretten en begeef mij naar een aangrenzend vertrek (’t drukkerskot) alwaar ik haastig in De Standaard begin te bladeren. En daar staat het. In de nacht van eergisteren op gisteren is in de Brugse St-Lucaskliniek op 21-jarige leeftijd de veelbelovende Vlaamse dichter Jotie T’Hooft overleden. Een overdosis. Ik vouw de krant dicht en ga voor het raam staan: achter mijn rug hoor ik de Marchands ratelen, telefoons rinkelen en buiten worden lege goederenwagons gerangeerd. T’Hooft is dood.
Ik heb weinig van hem gelezen en ontmoet heb ik Jotie eigenlijk maar één keer: op een donkere namiddag in december, in Gent, op een of andere redactievergadering. Buiten was het al zo donker dat het wel leek alsof al het nacht was. Het redactielokaal was niet veel meer dan een krottig hok en ook daar was alles duister, zó duister dat ik bij de begroeting "Dag juffrouw" tegen Jotie zei. Ik hield hem voor een meisje. Maanden later stuurde hij nog een briefje waarin hij me in het Zwarte Huis uitnodigde om eens over de Baal Sjem Tov te spreken maar ik moest wel mijn eigen bokes meebrengen.
Ik ben nooit gegaan.“

 

 

 

 

Verpale
Eriek Verpale (Zelzate, 2 februari 1952)

 

 

 

 

De Zwitserse schrijfster Monica Camuglia werd geboren op 2 februari 1960 in St. Gallen. Zie ook mijn blog van 11 januari 2010.

 

Uit: IRRTUM 2012

 

Eine Stunde vor Mitternacht, das Jahr 2013 beginnt in 59 Minuten und 20 Sekunden. Steht dieses eine Jahr tatsächlich für den Beginn einer neuen Epoche?

Ein Glas Limoncello in der einen, eine Zigarette in der anderen Hand wiege ich in der Hängematte, die zwischen zwei weiß verputzten Säulen aufgespannt ist. Die beiden Säulen stützen auch das Dach der kleinen, liebevoll eingerichteten und fürsorglich gepflegten Veranda vor unseren beiden Schlafzimmern. Das Bistro und die acht Schlafräume der schmucken Pension sind auf vier verschiedene Terrassen verteilt und fügen sich so perfekt in die Wölbungen des Hanges, sodass ihre

Größe von außen betrachtet unterschätzt wird. Der steile Hang reicht vom vulkanischen Grat bis hinab zum pechschwarzen Meer nach Filicudi Porto. Aus dieser etwas erhobenen Perspektive wirken die Schiffe auf dem Meer wie Spielzeug; und doch erreichen wir über den Fußpfad durch den Kakteenwald den Badestrand in zwanzig Minuten. Mein Blick schweift am Dach vorbei nach oben; der Himmel ist übersät mit funkelnden Punkten, nur der Mond versteckt sich noch hinter dem Krater. Sobald er zum Vorschein kommt, verwandelt sich das dunkle Wasser in einen Teppich goldener

Plättchen. Eines von der Sorte Wunder, die nur in der Poesie angemessen gewürdigt werden.

So wie es aussieht, muss ich um Mitternacht alleine auf das neue Jahr anstoßen. Nathan ist erschöpft und vor einer Stunde in einen tiefen Schlaf gefallen. Das ist völlig in Ordnung. Außerdem habe ich so ein fantastisches inneres Gefühl, das ich auch gut alleine auskosten kann. Morgen um elf werde ich das Schiff nach Hause nehmen und zu Lia, meiner Tochter zurück- kehren. Sie ist bei ihrem Vater in Zürich. Nathan bleibt noch ein paar Tage.”

 

 

 

 

Camuglia
Monica Camuglia (St. Gallen, 2 februari 1960)

 

 

 

 

 

De Canadese toneelschrijver Michel Marc Bouchard werd geboren op 2 februari 1958 in Saint Coeur-de-Marie, Quebec. Zie ook mijn blog van 2 februari 2009.

 

Uit: La Contre-Nature de Chrysippe Tanguay, écologiste

 

"Encore au lit? Debout! Il y a une heure que vous devriez être dans la grande salle en train d'y laver les planchers. Laïos, debout! Qui a couché avec vous? Qui a couché avec vous? Mon dieu! Quelle puanteur!v Quelle orgie! J'aurais les mains en sang que vous ne comprenderiez rien encore. Savez-vous ce que la Bible raconte à ce sujet? Diane/La Religieuse.

(...)

 

:"Quand la police est arrivée, y t'ont trouvé caché dans le placard. Y ont dessiné le profil d'Alice, ta femme, avec un craie. T'as pris la craie pis sur le profil, t'as dessiné les yeux, la bouche, les seins, le ventre d'Alice. T'as rajouté un pénis, des testicules, pis t'a écrit sur le ventre "Sébastien". Après tu t'es mis à brailler devant ton chef d'oeuvre. Y a un photographe du journal où tu travaillais qu'y a mis sa main sur ton épaule pis y t'a dit; Braille pas chum, à c't'heure, t'es une vedette!" LAÏOS.“

 

 

 

Michel_Marc_Bouchard

Michel Marc Bouchard (Saint Coeur-de-Marie, 2 februari 1958)

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

02-02-09

Hella Haasse, James Joyce, Eriek Verpale, Michel Marc Bouchard, James Dickey, Xuân Diệu, Ayn Rand, Johann Ch. Gottsched, William Rose Benét, Gostan Zarian, Ludwig Eichrodt, Michael Öchsner


De Nederlands schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008.

 

Uit: Zelfportret als legkaart

 

„Zodra de dag aanbreekt, meestal nog vóór het ogenblik waarop wij vanzelf opduiken uit de slaap, komt de kleine cavalcade uit de kinderkamer aan iedere vorm van geleidelijk ontwaken bij voorbaat paal en perk stellen. Twee paar snelle beentjes trappelen over het zeil, twee energieke kleine lichamen storten zich op ons. Ik houd mij slapende, maar zij laten zich niet voor de gek houden. Door mijn oogharen heen zie ik boven mij het onderzoekende waakzame gezichtje van de jongste: onder verwarde krullen breed voorhoofd, bolle wangetjes, twee blinkende bedrieglijk onschuldige ogen. Terwijl zij dromerig ea schalks tegelijk naar mij tuurt, als een van die barok-engeltjes bij wie zij in molligheid en buitelzucht niet achterstaat, knijptzij mij deskundig hard in mijn arm en eist: mamma opstaan, pap koken.

De oudste heeft een rutschbaan ontdekt, de dekenhelling tussen mijn opgetrokken knieën en het bed, en laat zich daar gillend van plezier met veel overbodig gespartel telkens opnieuw langs omlaagglijden. Er is geen ontkomen meer aan, wij moeten er iut. In de buizen van de waterleiding het ruisende en gorgelende geluid, signaal van ochtendacdviteit bij zij- en bovenburen. Op straat nadert het flessengerinkel van de melkboer. De kinderen trekken de overgordijnen open, melden dat de zon schijnt, dat er vogels in de tuin zitten. Het kleintje, wijdbeens voor de glazen deur, herhaalt tot in het oneindige de bezwerende tweetonige kreet in mineur die zij iedere ochtend tot de vogels richt: Duifie... kom nou...

Dit is het ogenblik waarop dromen en halfdromen verbannen, ideeën, visioenen en projecten die zich in de korte spanne tijds tussen slapen en waken op de voorgrond van het denken dringen, aandacht, vormgeving eisend, tijdelijk teruggewezen moeten worden. Nu komt, langzaam maar onafwendbaar, het oppermachtige mechaniek van de werkdag op gang, de motor die van pool tot pool door alle etmalen heen de menselijke bedrijvigheid aanzet. De vroege ochtend is nog chaos. In een onderdeel van een seconde moet de eerste beslissende slag geleverd worden om tegenzin en moedeloosheid, de afweerhouding van de onwillige geest voor de Sisyphus-arbeid die te wachten ligt, te overwinnen.“

 

 

 

haase
Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

 

 

 

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en mijn blog van 16 juni 2006 en ook mijn blog van 2 februari 2008.

 

Uit: Dubliners

 

“There was no hope for him this time: it was the third stroke. Night after night I had passed the house (it was vacation time) and studied the lighted square of window: and night after night I had found it lighted in the same way, faintly and evenly. If he was dead, I thought, I would see the reflection of candles on the darkened blind for I knew that two candles must be set at the head of a corpse. He had often said to me: "I am not long for this world," and I had thought his words idle. Now I knew they were true. Every night as I gazed up at the window I said softly to myself the word paralysis. It had always sounded strangely in my ears, like the word gnomon in the Euclid and the word simony in the Catechism. But now it sounded to me like the name of some maleficent and sinful being. It filled me with fear, and yet I longed to be nearer to it and to look upon its deadly work.

Old Cotter was sitting at the fire, smoking, when I came downstairs to supper. While my aunt was ladling out my stirabout he said, as if returning to some former remark of his: "No, I wouldn't say he was exactly . . . but there was something queer . . . there was something uncanny about him. I'll tell you my opinion. . . ." He began to puff at his pipe, no doubt arranging his opinion in his mind. Tiresome old fool! When we knew him first he used to be rather interesting, talking of faints and worms; but I soon grew tired of him and his endless stories about the distillery.

"I have my own theory about it," he said. "I think it was one of those . . . peculiar cases. . . . But it's hard to say. . . ." He began to puff again at his pipe without giving us his theory. My uncle saw me staring and said to me: "Well, so your old friend is gone, you'll be sorry to hear."

"Who?" said I.

"Father Flynn."

"Is he dead?"

"Mr. Cotter here has just told us. He was passing by the house."

I knew that I was under observation so I continued eating as if the news had not interested me. My uncle explained to old Cotter.

"The youngster and he were great friends. The old chap taught him a great deal, mind you; and they say he had a great wish for him."

"God have mercy on his soul," said my aunt piously.”

 

 

 

 

james_joyce
James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)

Standbeeld in Dublin

 

 

 

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008.

 

 

 

Hoog bezoek

 

Er is altijd een zonderling
die mij wil spreken,
bijvoorbeeld als ik uien sta te bakken,
gezouten kaantjes of tout court spek.
Die zonderling is God.

Hij belt nooit aan.
Hij komt mijn keuken zomaar binnen,
neemt mij de pan uit de handen.
O Veni, Veni Creator!
Alles brandt aan.

Want God houdt niet van orde,
niet van regelmaat, heeft geen gezag.
De vlam in de pan. Precies zijn schepping:
te veel hartstocht en te weinig maat.

 

 

 

 

Verpale
Eriek Verpale (Zelzate, 2 februari 1952)

 

 

 

 

 

De Canadese toneelschrijver Michel Marc Bouchard werd geboren op 2 februari 1958 in Saint Coeur-de-Marie, Quebec. Hij studeerde theaterwetenschappen aan de universiteit van Ottawa. Sinds zijn debuut in 1983 heeft hij al 25 stukken op zijn naam gebracht. Hij ontving o.a de Prix Journal de Montreal en de Prix du Cercle des critiques de l'Outaouais

 

Uit: Des Yeux de verre / Something In Their Eyes

 

"Les journalistes vont faire un maudit saut en me voyant. Le buffet va leur rester pris dans le gosier. « Chers journalistes… » Moi aussi, j’suis capable de parler à du monde qui sont pas là. « Chers journalistes, comme toutes les ptites filles, je veux me marier avec mon père. » Photos! Chers journalistes : « Je le veux! Pour le meilleur pis pour le pire pis disons que le pire est faite. Ça va être la première fois qu'une mariée va rentrer à l'église, pas au bras de son père, mais au bras de son futur mari, qui est son père!"
Brigitte, troisième acte.

 

 

 

Bouchard
Michel Marc Bouchard (Saint Coeur-de-Marie, 2 februari 1958)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008.

 

 

The Dusk of Horses    

 

Right under their noses, the green

Of the field is paling away

Because of something fallen from the sky.

 

They see this, and put down

Their long heads deeper in grass

That only just escapes reflecting them

 

As the dream of a millpond would.

The color green flees over the grass

Like an insect, following the red sun over

 

The next hill. The grass is white.

There is no cloud so dark and white at once;

There is no pool at dawn that deepens

 

Their faces and thirsts as this does.

Now they are feeding on solid

Cloud, and, one by one,

 

With nails as silent as stars among the wood

Hewed down years ago and now rotten,

The stalls are put up around them.

 

Now if they lean, they come

On wood on any side. Not touching it, they sleep.

No beast ever lived who understood

 

What happened among the sun's fields,

Or cared why the color of grass

Fled over the hill while he stumbled,

 

Led by the halter to sleep

On his four taxed, worthy legs.

Each thinks he awakens where

 

The sun is black on the rooftop,

That the green is dancing in the next pasture,

And that the way to sleep

 

In a cloud, or in a risen lake,

Is to walk as though he were still

in the drained field standing, head down,

 

To pretend to sleep when led,

And thus to go under the ancient white

Of the meadow, as green goes

 

And whiteness comes up through his face

Holding stars and rotten rafters,

Quiet, fragrant, and relieved.

 

 

 

 

Dickey
James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

 

 

 

 

De Viëtnamese dichter Xuân Diệu werd geboren op 2 februari 1916 in Gò Bồi, gemeente Tùng Giản. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008.

 

 

The Sea

 

I don't deserve to be the ocean blue
But I want thee to be the white beach sand
The sandy beach stretching calmly its hue
Under the crystal sun.

 

The comely beach of yellow sand
Extending to the rows of pine
So dreamily and quietly
For eons by the roaring brine.

 

Let me be the clear turquoise swells
That kiss ceaseless thy yellow sand
The gentle kiss that softly dwells
The quiet kiss that has no end.

 

I will kiss thee again, again
From here clear to eternity
Till none of this wide world remains
Before my heart can beat calmly.

 

There're times when I would fain surge in
As if to crush thy edges dear
It's when my billows roar passion
To drown thee in ceaseless love sheer.

 

I don't deserve to be the ocean blue
But want to be the turquoise sea
To sing eternal songs by thee
In endless love for dear thee true.

 

So when the foam comes boiling white
And wind gusts in from everywhere,
Insatiably I'll kiss with might
'Cause I love so thy sand edge bare.

 

 

Vertaald door Thomas D. Le

 

 

 

XuanDieu
Xuân Diệu (2 februari 1916 - 18 december 1985)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster van Russische komaf Ayn Rand (eig. Alissa "Alice" Zinovievna Rosenbaum) werd geboren in Sint-Petersburg op  2 februari 1905. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007

 

Uit: The Fountainhead

 

Our country, the noblest country in the history of men, was based on the principle of individualism. The principle of Man's inalienable rights. It was a country where a man was free to seek his own happiness. To gain and produce, not to give up and renounce. To prosper, not to starve. To achieve, not to plunder. To hold as his highest possession, a sense of his personal value. And as his highest virtue, his self-respect. Look at the result. That is what the collectivists are now asking you to destroy. As much of the earth has been destroyed. I am an architect. I know what is to come by the principle on which it is built.

We are approaching a world in which I cannot permit myself to live. My ideas are my property. They were taken from me by force, by breach of contract. No appeal was left to me. It was believed that my work belonged to others - to do with as they pleased. But they had a claim upon me, without my consent. That it was my duty to serve them, without choice or reward. Now you know why I dynamited Cortlandt. I designed Cortlandt. I made it possible. I destroyed it. I agreed to design it for the purpose of seeing it built as I wished. That was the price I set for my work. I was not paid.“

 

 

 

Rand_Ayn
Ayn Rand (2 februari 1905 – 6 maart 1982)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Johann Christoph Gottsched werd geboren in Juditten (bij Koningsbergen) op 2 februari 1700. Hij hervormde het theater in classicistische zin: met name het drama is op zijn instigatie een hoog ontwikkelde kunstvorm geworden. Hij was de zoon van een protestants dominee en studeerde theologie en filologie. In 1724 verhuisde hij naar Leipzig; vanaf 1730 werkte hij er als professor aan de universiteit, alwaar hij de filosofie van Christian Wolff onderwees, alsmede logica en poëtica. Hij leidde van de ideeën van Wolff een regelsysteem voor het theater af, dat hij in 1730 publiceerde als Versuch einer Critischen Dichtkunst vor die Deutschen. Hiermee oogstte hij een aantal jaren grote belangstelling: de grondgedachte was dat een toneelstuk, en de dichtkunst in het algemeen, een afspiegeling van de realiteit moet zijn. Dit, op zijn beurt, hield een radicale zuivering van alle barokke elementen in, ten gunste van een bijzonder rigoureuze aristotelische eenheid van plaats, handeling en tijd.

 

Uit: Sterbender Cato

 

Cato
Prinzessin, diese Stadt kann Eure Zuflucht sein,
Selbst Cato schließet sich in ihre Mauren ein.
Rom seufzet, und es steht das Capitol in Flammen!
Hier zieht die Freiheit noch die letzte Kraft zusammen,
Mit der die Republik gewiß zugrunde geht,
Und wenn sie einmal fällt, wohl niemals aufersteht.
Das beste Kriegesvolk hat sich hieher gezogen;
Doch ist uns sonderlich die Tugend selbst gewogen:
Sie schützet Turn und Wall, ja selbst die Billigkeit
Scheut hier die Waffen nicht und folgt uns in den Streit.
Hier laß ich unsern Rat noch einst zusammenkommen;
An Anzahl hat er zwar sehr merklich abgenommen:
Doch an der Hoheit nicht, so ihm die Tugend gibt,
Die mehr ein redlich Herz als Glanz und Ansehn liebt.
Hier können Könige noch eins so sicher wohnen,
Als wo man sie verehrt, als auf den höchsten Thronen.
Das Recht beschützt Euch selbst; drum dämpfet Gram und Pein
Und bauet nur, wie Rom, hinfort auf mich allein.
Mein Schicksal lenkt mich stets, die Bosheit zu bestreiten,
Und sollt ich mir dadurch mein eigen Grab bereiten!

Arsene
Nein, Herr, ich bitte, gebt der Ahndung kein Gehör!
Das höchstbedrängte Rom braucht so ein Haupt noch mehr,
Denn zweene können itzt nicht wohl entbehret werden,
Im Himmel Jupiter und Cato hier auf Erden.
Wiewohl, es kömmt vielleicht Pharnaz in kurzem her;
Darum entfern ich mich.
Sein Anblick fällt mir schwer.

 

 

gottsched
Johann Ch. Gottsched (2 februari 1700 - 12 december 1766)

 

 

 

De Amerikaanse dichter en uitgever William Rose Benét werd geboren op 2 febrari 1886 in Fort Hamilton, Brooklyn, New York. Hij studeerde aam Yale University, waar hij de Yale Record en Yale Courant  uitgaf. Na WO I begon hij te werken voor The Nation’s Business, vanaf 1920 voor de New York Evening Post waarvoor hij samen met anderen de Literary Review en de Saturday Review of Literature bedacht.

 

Mad Blake

 

Blake saw a treeful of angels at Peckham Rye,

And his hands could lay hold on the tiger's terrible heart.

Blake knew how deep is Hell, and Heaven how high,

And could build the universe from one tiny part.

Blake heard the asides of God, as with furrowed brow

He sifts the star-streams between the Then and the Now,

In vast infant sagacity brooding, an infant's grace

Shining serene on his simple, benignant face.

 

Blake was mad, they say, -- and Space's Pandora-box

Loosed its wonders upon him -- devils, but angels indeed.

I, they say, am sane, but no key of mine unlocks

One lock of one gate wherethrough Heaven's glory is freed.

And I stand and I hold my breath, daylong, yearlong,

Out of comfort and easy dreaming evermore starting awake, --

Yearning beyond all sanity for some echo of that Song

Of Songs that was sung to the soul of the madman, Blake!

 

 

 

benet

William Rose Benét (2 februari 1886 – 4 mei 1950)

Portret door Luis Quintanilla

 

 

 

De Armeense schrijver Gostan Zarian werd geboren op 2 februari 1885 in Shemakha, voormalige hoofdstad van Azerbeidzjan. Hij werd in 1895 door familie naar de College Germain in Asniere, nabij Parijs, gestuurd. Hij zette zijn studies voort in Brussel, waar hij al in het Frans en het Russisch publiceerde en uiteindelijk van Emile Verhaeren het advies kreeg in het Armeens te gaan schrijven. Ook daarna heeft hij buiten de Kaukasus gewoond om zo nu en dan alleen op vakantie terug te keren naar zijn geboorteland Azerbaijan en zijn moederland Armenie. Tussen 1925 en 1963 leidde hij een nomadisch bestaan tussen plaatsen als Parijs, Rome, Florence, het eiland Korfu, het eiland Ischia en New York. In 1963 keerde hij definitief terug naar het toenmalige Sovjet Armenie waar hij nog een boek schreef dat gecensureerd werd gepubliceerd (The Ship on the Mountain).

 

Uit: The Ship On The Mountain (Vertaald door Shant Norashkharian)

 

As he was coming down he stopped in front of the ancient church which stood above the monastery.

What a miracle it was, that this temple still remained standing! Built on the foundations of a former pagan altar, from the first centuries of Christianity, it had witnessed fierce, dreadful centuries loaded with events and eras molded with iron blood. Dead were great nations, gone were peoples and races, yet it had remained standing.

Unmaintained, orphaned, miserable.

A twisted roof, stones emptied of their cement and eaten by seasons. The broken windows were full of mislaid stones, the doors destroyed, the rafters fallen down.

It was a poor silhouette. A soul beggar.

Inside a few candles were shimmering. Herian, whose attention and mind were directed downward, where Zvart was, wanted to pass by the church in a hurry, but did not, and instead stopped in front of the door and without negotiating with himself, entered inside.

As if someone was calling him.

The church was empty. Humid, cold. There was the smell of honey-candle and putrid vegetation. He stood in front of the altar, the only lighted area. A large Bible with yellowed pages sat open. Small candle-holders supported dripping candles. The murky lights of the flames were disturbing the surrounding darkness by throwing large shadows.”

 

 

 

zarian-kostan
Gostan Zarian (2 februari 1885 – 11 december 1969)

 

 

 

 

De Duitse dichter Ludwig Eichrodt werd geboren op 2 februari 1827 in Durlach bij Karlsruhe. Sinds 1845 studeerde hij in Heidelberg en Freiburg rechten, filosofie en geschiedenis. In 1871 werd hij in Lahr Oberamtsrichter. Samen met zijn studievriend Adolf Kußmaul schiep hij de figuur van de Schwabische dorpsschoolleraar Gottlieb Biedermeier voor wie „seine kleine Stube, sein enger Garten, sein unansehnlicher Flecken und das dürftige Los eines verachteten Dorfschulmeisters“ het hoogste geluk op aarde betekenen. Naar deze figuur is een een hele periode in de kunst- en literatuurgeschiedenis genoemd: De Biedermeier.

 

 

Der Kunstdichter

 

Auf das Sonett ein nett Sonett zu machen,

Darauf verfallen wird alsbald ein Dichter,

Sofern ihm sonst nichts beifällt, und der Richter

Wird leicht bestochen durch die Siebensachen.

 

Die guten Freunde halten schon das Lachen,

Gerne zufrieden ist das Zunftgelichter,

Das, selbstbeseelt vom Nürenberger Trichter,

Unendlich fühlt, es könn' es auch so machen.

 

So den Beruf zur Dichtung aufzuzeigen,

Muß ich nur schnelle das Sonett besingen,

Jedoch ich glaub', ich darf sofort schon schweigen;

 

Ist Alles doch bekannt, was mag entflammen,

Gottlob, die Form schon stutzet uns die Schwingen,

Auch sind die vierzehn Zeilen jetzt beisammen.

 

 

 

 

nach_eichrodt
Ludwig Eichrodt (2 februari 1827 – 2 februari 1892)

 

 

 

De Duitse dichter en leraar Michael Öchsner werd geboren op 2 februari 1816 in München. Hij is vooral bekend gebleven als tekstschrijver van de oorspronkelijke hymne van Beieren uit 1860. Naast gedichten en liederen schreef hij schoolboeken en gaf hij een schoolkrant uit.

 

Für Bayern (Fragment)

 

Gott mit dir, du Land der Bayern,
Deutsche Erde, Vaterland!
über deinen weiten Gauen
ruhe Seine Segenshand!
Er behüte deine Fluren,
schirme deiner Städte Bau
und erhalte dir die Farben
Seines Himmels Weiß und Blau.

 

 

 

oechsner
Michael Öchsner (2 februari 1816 – 8 oktober 1893)

 

 

02-02-08

Hella Haasse 90 jaar! James Joyce, Eriek Verpale, James Dickey, Xuân Diệu, Ayn Rand


Hella Haasse 90 jaar!

De Nederlands schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Dat is vandaag precies 90 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

Uit: Oeroeg

 

‘Je moet maar een verlanglijst maken,’ begon mijn vader. Ik knikte. Ik was van plan voor Oeroeg en mij buksen te vragen, die wij mee op jacht zouden kunnen nemen, maar ik betwijfelde sterk, of mijn vader de noodzaak van een dergelijk geschenk zou inzien. ‘Over een paar maanden krijg ik verlof,’ ging mijn vader voort. ‘Ik wil graag wat gaan reizen, wat van de wereld zien, nu ik het me nog kan permitteren. Je begrijpt wel, dat ik je niet mee kan nemen. Ik heb er over gedacht om je naar Holland te sturen, naar een kostschool of iets dergelijks. Aan het eind van deze cursus doe je toelatingsexamen, dan zul je toch naar de HBS moeten. En het leven hier...’ hij maakte een gebaar om zich heen. ‘Je komt veel te kort, op deze manier. Je verindischt helemaal, dat hindert me.’ Ik zette me schrap bij de wastafel. ‘Ik wil niet naar Holland,’ stootte ik uit. De verhalen van Gerard flitsten mij door het hoofd: regen en kou, bedompte kamers, saaie stadsstraten. ‘Ik wil hier blijven,’ herhaalde ik, ‘en Oeroeg...’ Mijn vader onderbrak me met een ongeduldige beweging. ‘Oeroeg, Oeroeg,’ zei hij, ‘altijd Oeroeg. Je zult ééns zonder Oeroeg moeten. Die vriendschap duurt me lang genoeg. Ga je nooit om met jongens uit je klas? Vraag er een paar hier, als je jarig bent. Ze kunnen gehaald en thuisgebracht worden met de auto. Ik begrijp wel, dat je aan Oeroeg gehecht bent,’ voegde hij er aan toe, toen hij mijn gezicht zag. ‘Het was ook onvermijdelijk. Ik moest iets voor die jongen doen. Maar Oeroeg gaat aan het werk, als hij van school komt, en jij moet verder leren. Bovendien -’ hij aarzelde even, vóór hij er aan toevoegde: ‘Je kunt dat toch begrijpen, jongen. Jij bent een Europeaan.’ - Ik dacht er over, maar de belangrijkheid van dit laatste feit, dat ik een Europeaan was, vermocht niet tot mij door te dringen.

 

(……)

 

‘Oeroeg zei ik, halfluid. De woudduif vloog klapwiekend uit de bomen. Ik weet niet echt hoe lang wij daar tegenover elkaar stonden, zonder te spreken. Ik verroerde me niet, hij evenmin. Ik wachtte, maar zonder angst, in volkomen ontspanning. Het kwam mij voor dat dit het moment was waartoe alle gebeurtenissen, sinds de geboorte van Oeroeg en mij, onherroepelijk geleid hadden. Hier was, voor het eerst, het kruispunt waarop wij elkaar in uiterste eerlijkheid konden ontmoeten. Hij hief zijn wapen. ‘Ik ben niet alleen; zei ik, hoewel ik niet geloof dat het angst was die me daartoe dreef.Het liet mij werkelijk onverschillig of hij me neer zou schieten of niet. ‘Ga weg; zei hij in het Soendanees, ‘ga weg, anders schiet ik. Je hebt hier niets te maken.’

 

 

 

Haasse2
Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

 

 

 

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en mijn blog van 16 juni 2006.

 

Uit: Ulysses

 

He mounted to the parapet again and gazed out over Dublin bay, his fair oakpale hair stirring slightly.--
----
--God, he said quietly. Isn't the sea what Algy calls it: a grey sweet mother? The snotgreen sea. The scrotumtightening sea. Epi oinopa ponton. Ah, Dedalus, the Greeks. I must teach you. You must read them in the original. Thalatta! Thalatta! She is our great sweet mother. Come and look.

Stephen stood up and went over to the parapet. Leaning on it he looked down on the water and on the mailboat clearing the harbour mouth of Kingstown.

--Our mighty mother, Buck Mulligan said.

He turned abruptly his great searching eyes from the sea to Stephen's face.

--The aunt thinks you killed your mother, he said. That's why she won't let me have anything to do with you.

--Someone killed her, Stephen said gloomily.

--You could have knelt down, damn it, Kinch, when your dying mother asked you, Buck Mulligan said. I'm hyperborean as much as you. But to think of your mother begging you with her last breath to kneel down and pray for her. And you refused. There is something sinister in you . . .

He broke off and lathered again lightly his farther cheek. A tolerant smile curled his lips.

--But a lovely mummer, he murmured to himself. Kinch, the loveliest mummer of them all.

He shaved evenly and with care, in silence, seriously.

Stephen, an elbow rested on the jagged granite, leaned his palm against his brow and gazed at the fraying edge of his shiny black coat-sleeve. Pain, that was not yet the pain of love, fretted his heart. Silently, in a dream she had come to him after her death, her wasted body within its loose brown grave-clothes giving off an odour of wax and rosewood, her breath, that had bent upon him, mute, reproachful, a faint odour of wetted ashes. Across the threadbare cuffedge he saw the sea hailed as a great sweet mother by the wellfed voice beside him. The ring of bay and skyline held a dull green mass of liquid. A bowl of white china had stood beside her deathbed holding the green sluggish bile which she had torn up from her rotting liver by fits of loud groaning vomiting.

 

 

 

james-joyce-by-jacque-emile-blanche
James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)

Geschilderd door Jacque Emile Blanche

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

 

Lied der scheepvaart

 

Ze wilden wel nog iets zeggen

maar niet zoveel: met andere woorden

misschien scherpe ankers slaan

in het dure weefwerk van hun geweten.

 

En ze dróómden het natuurlijk nog wel:

elkander met een voorzichtige hand

binnen praaiafstand naar oud verlangen

loodsen.

 

Nog een oceaan van tijd, dachten ze,

ligt voor ons open. In het vooronder van een rok

zouden weldra weer handen streng de wacht

of wild van stapel lopen.

 

Maar ik zag het inmiddels wel:

hoe overboord gegooid

en buiten enterbereik reeds

hun laatste gebaren dreven,

zodat ik wist: aan dit tij

valt niets meer te keren.

 

 

 

 

Verpale
Eriek Verpale (Zelzate, 2 februari 1952)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

For the last wolverine

 

They will soon be down

To one, but he still will be
For a little while still will be stopping

The flakes in the air with a look,
Surrounding himself with the silence
Of whitening snarls. Let him eat
The last red meal of the condemned

To extinction, tearing the guts

From an elk. Yet that is not enough
For me. I would have him eat

The heart, and, from it, have an idea
Stream into his gnawing head
That he no longer has a thing
To lose, and so can walk

Out into the open, in the full

Pale of the sub-Arctic sun
Where a single spruce tree is dying

Higher and higher. Let him climb it
With all his meanness and strength.
Lord, we have come to the end
Of this kind of vision of heaven,

As the sky breaks open

Its fans around him and shimmers
And into its northern gates he rises

Snarling complete in the joy of a weasel
With an elk's horned heart in his stomach
Looking straight into the eternal
Blue, where he hauls his kind. I would have it all

My way: at the top of that tree I place

The New World's last eagle
Hunched in mangy feathers giving

Up on the theory of flight.
Dear God of the wildness of poetry, let them mate
To the death in the rotten branches,
Let the tree sway and burst into flame

And mingle them, crackling with feathers,

In crownfire. Let something come
Of it something gigantic legendary

Rise beyond reason over hills
Of ice SCREAMING that it cannot die,
That it has come back, this time
On wings, and will spare no earthly thing:

That it will hover, made purely of northern

Lights, at dusk and fall
On men building roads: will perch

On the moose's horn like a falcon
Riding into battle into holy war against
Screaming railroad crews: will pull
Whole traplines like fibers from the snow

In the long-jawed night of fur trappers.

But, small, filthy, unwinged,
You will soon be crouching

Alone, with maybe some dim racial notion
Of being the last, but none of how much
Your unnoticed going will mean:
How much the timid poem needs

The mindless explosion of your rage,

The glutton's internal fire the elk's
Heart in the belly, sprouting wings,

The pact of the "blind swallowing
Thing," with himself, to eat
The world, and not to be driven off it
Until it is gone, even if it takes

Forever. I take you as you are

And make of you what I will,
Skunk-bear, carcajou, bloodthirsty

Non-survivor.

Lord, let me die but not die
Out.

 

 

 

 

JamesDickey
James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

 

 

 

De Viëtnamese dichter Xuân Diệu werd geboren op 2 februari 1916 in Gò Bồi, gemeente Tùng Giản. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

 

Orange in green skin

When Autumn nears,
I like the scent of the orange's skin,
Still green, on my hand after peeling,
The perfume lingers.

Oh! Yellow flesh is sweet,
And the skin is not in a hurry,
Bitterness breaks in the nose
Like a wave of perfume.

In my youth, out of duty,
I returned from far away
Like Autumn nearing,
Crazy with first love.

My hand is eager,
Across thousands of miles of missing love.
For the excitement of peeling
An orange in green skin.

 

 

 

Dieu2
Xuân Diệu (2 februari 1916 - 18 december 1985)

 

 

 

 

 

Voor onderstaande schrijver zie ook mijn blog van 2 februari 2007

 

De Amerikaanse schrijfster van Russische komaf Ayn Rand (eig. Alissa "Alice" Zinovievna Rosenbaum) werd geboren in Sint-Petersburg op  2 februari 1905.

 

 

02-02-07

James Joyce, Hella Haasse, Eriek Verpale, James Dickey, Ayn Rand, Xuân Diệu


De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Hij studeerde literatuur aan het Dublin University College, alwaar hij het katholicisme afzwoer. Toen in 1902 zijn studie was afgerond, besloot hij schrijver te worden, en bezocht Parijs voor de eerste maal. In 1904 verhuisde hij met zijn kamermeisje Nora Barnacle naar het continent, en woonde 10 jaar in Triëst, in Italië. WO I dwong hen te verhuizen naar Zürich in het neutrale Zwitserland. Hier begon hij te werken aan 'Ulysses'. Na een korte terugkeer naar Triëst woonde hij vanaf 1920 in Parijs. In Ulysses gebruikt Joyce de mythen van Odysseus, Penelope en Telemachus in een moderne setting. Leopold Bloom, en respectievelijk zijn vrouw Molly Bloom en Stephen Dedalus vervullen de hoofdrollen, en tonen middels een parodie het contrast met hun mythische modellen. Het boek laat het leven in Dublin zien, met de nadruk op de vervallenheid en eentonigheid van de stad. In 1922 werd Ulysses uiteindelijk uitgebracht door een Parijse boekhandel (Shakespeare & Co), en het bleek een onmiddellijk succes. In 1939 werd de eerste versie van Finnegans Wake uitgebracht.

 

Uit: Ulysses

 

...I know them well who was the first person in the universe bnefore there was anybody that made it all who ah that they dont know neither do I so there you are they might as well try to stop the sun from rising tomorrow the sun shines for you he said the day we were lying among the rhododendrons on Howth head in the grey tweed suit and his straw hate the day I got him to propose to me yes first I gave him the bit of seedcake out of my mouth and it was leapyear like now yes 16 years ago my God after that long kiss I near lost my breath yes he said I was a flower of the mountain yes so we are flowers all a womans body yes that was one true thing he said in his life and the sun shines for you today yes that was why I liked him because I saw he understood or felt what a woman is and I knew I could always get round him and I gave him all the pleasure I could leading him on till he asked me to say yes and I wouldnt answer first onlly looked out over the sea and the sky I was thinking of so many things he didnt know of Mulvey and Mr Stanhope and Hester and father and old captain Groves and the sailors playing all birds fly and I say stoop and washing up dishes they called it on the pier and the sentry in front of the governors house with the thing round his white helmet poor devil half roasted and the Spanish girls laughing in their shawls and their tall combs and the auctions in the morning the Greeks and the jews and the Arabs and the devil knows who else from all the ends of Europe and Duke street and the fowl market all clucking outside Larby Sharons and the poor donkeys slipping half asleep and the vague fellows in the cloaks asleep in the shade on the steps and the big wheels of the carts of the bulls and the old castle thousands of years old yes and those handsome Moors all in white and turbans like kinds asking you to sit down in their little bit of a shop and Ronda with the old windows of the posadas 2 glancing eyes a lattic hid for her lover to kiss the iron and the wineshops half open at night and the castanets and the night we missed the boat at Algeciras the watchman going about serene with his lamp and O that awful deepdown torrest O and the sea the sea crimson sometimes like fire and the glorious sunsets and the figtrees in the Alameda gardens yes and all the queer little streets and the pink and blue and yellow houses and the rosegardens and the jessamine and geraniums and cactuses and Gibraltar as a girl where I was a Flower of the mountain yes when I put the rose in my hair like the Andalusian girls used or shall I wear a red yes and how he kissed me under the Moorish wall and I thought well as well him as another and then I asked him with my eyes to ask again yes and then he asked me would I yes to say yes my mountain flower and first I put my arms around him yes and drew him down to me so he could feel my breasts all perfume and yes his heart was going like mad and yes I said yes I will Yes.”

 

 

 

Joyce
James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)

 

De Nederlands schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Ze was één van de eersten die haar werk bekend maakte in het buitenland. Momenteel is zij een van de in het buitenland meest gelezen Nederlandse schrijvers. Met maar liefst zestig schrijversjaren is zij nog steeds actief. Zij begon haar carrière met het schrijven van cabaretteksten, onder andere voor Wim Sonneveld. Daarna legde zij zich toe op de literatuur. Een aantal boeken heeft het leven in Nederlands-Indië als onderwerp. Daarnaast heeft ze een aantal historische romans geschreven, waarvan de bekendste Het woud der verwachting is. In 1988 kreeg Haasse een eredoctoraat in de letterkunde van de Universiteit van Utrecht. Koningin Beatrix onderscheide haar met de prestigieuze Eremedaille voor Kunst en Wetenschap van de Huisorde van Oranje.

 

Uit: Het dieptelood van de herinnering

 

‘Soms, als ik toneelspeelde of voordroeg (...) overviel me dat gevoel waarvoor acteurs bereid zijn alle lasten van hun bestaan te dragen: de sterke, ja dwingende gewaarwording, dat het publiek mij wilde zien worden tot wat het zich droomde, maar zelf niet verwezenlijken kon. Ik moest hun fantasie gestalte geven. Dankzij dat collectieve verlangen kon ik het soms min of meer. Tegelijkertijd stond ik zeer kritisch tegenover deze plasticiteit, die me ook in het dagelijks leven kenmerkte, en die de oorzaak was van veel misverstanden, omdat ik - meegesleept door mijn eigen aanpassingsvermogen -  tot op zekere hoogte de gedaante aannam van wat men in mij wilde zien, maar het niet werkelijk kon worden. Aangevuurd door de wens van anderen om aangevuurd te worden, vuurde ik aan. Dit is een eigenschap, die tot grote waakzaamheid verplicht. Vaak heb ik- vele jaren later- als ik ergens een lezing hield, datzelfde fluïdum tussen mij en de toehoorders gevoeld, en waargenomen hoe bijna onmerkbaar de sfeer verandert, tot het niet langer gaat om de objectieve informatie, maar om de uitstraling van de persoonlijkheid (die weer te danken is aan de vonk die uit het publiek overspringt). Het heeft mij altijd weer overrompeld en soms verbijsterd, hoe dankbaar ik overigens ook mocht wezen voor zoveel warme aandacht. Ik houd niet van dat effect, want het bewijst hoe kwetsbaar de mensen zijn in hun overgave.’

 

 

 

 

haasse
Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

De Vlaamse schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Hij volgde economie-talen als interne leerling bij de broeders in Oostakker-Lourdes en studeerde aan de Universiteit Gent, toen nog RUG, 1 jaar Germaanse filologie en 1 jaar slavistiek (1970-1972). Opgevoed door zijn overgrootmoeder, die vlak naast hem woonde werd zijn belangstelling gewekt voor de joodse cultuur, hij heeft dan ook verschillende vertalingen uit het Jiddisch en Hebreeuws op zijn naam staan.

 

Innamorati

 

Hoe één mens zo soms

van een ander, en dat maar eens.

Hoe iemand in zijn leven van altijd

maar één vrouw, van haar.

Hoe ik, oud, van jou dus.

 

Hoe een man van geen andere vrouw

dit verdragen kan: een rimpel al,

kwaaltjes, zelfs de muren

van een andere man. En dat je

kunt weggaan, doodgaan, opgaan

in rook, zo simpel. Maar het niet doet.

Er woedt nog oorlog.

 

Want hoe een mens in zijn leven

maar één keer. Hoe een man van

altijd maar één vrouw het meisje,

de poppetjes in haar ogen, het haar

toch snipverkouden.

 

Hoe ik, een trage dwaas,

juist dààrom. En in al mijn winters.

 

 

VERPALE
Eriek Verpale (Zelzate, 2 februari 1952)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Hij diende zowel in WO II als in de Koreaanse oorlog. Daar tussenin studeerde hij filosofie en Engels. Zijn eerste boek, Into the Stone, werd gepubliceerd in 1962. Voor Buckdancer's Choice ontving hij in 1966 de National Book Award. Zijn populariteit steeg tot grote hoogte door de verfilming van zijn roman Deliverance in 1972, waarin hij zelf een bijrol speelde als sheriff.

 

In the Child's Night

 

On distant sides of the bed

We lie together in the winter house

Trying to go away.

 

Something thinks, "You must be made for it,

And tune your quiet body like a fish

To the stars of the Milky Way

 

To pass into the star-sea, into sleep,

By means of the heart of the current,

The holy secret of flowing."

 

Yet levels of depth are wrestling

and rising from us; we are still.

The quilt patterns—a child’s pink whale—

 

Has surfaced through ice at midnight

And now is dancing upon

The dead cold and middle of the air

 

On my son’s feet:

His short legs are trampling the bedclothes

Into the darkness above us

 

Where the chill of consciousness broods

Like a thing of absolute evil.

I rise to do battle

 

With my bare hands.

I enter the faraway other

Side of the struggling bed

 

And turn him to face me.

The stitched beast falls, and we

Are sewn warmly into a sea-shroud

 

It begins to haul through the dark.

Holding my son’s

Best kicking foot in my hand,

 

I begin to move with the moon

As it must have felt when it went

From the sea to dwell in the sky,

 

As we near the vast beginning,

The unborn stars of the wellhead,

The secret of the game.

 

 

dickey
James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

De Amerikaanse schrijfster van Russische komaf Ayn Rand (eig. Alissa "Alice" Zinovievna Rosenbaum) werd geboren in Sint-Petersburg op  2 februari 1905. Zij was de grote filosofe van het Objectivisme en heeft in de VS vele volgelingen. Hoewel ze in Rusland geboren is en in 1926 naar de VS kwam, heeft ze de theorieën van Aristoteles weer doen herleven, maar sloot haar eigen theorieën daarbij in (zoals haar bewondering voor het kapitalisme). Ze heeft de meeste bekendheid gekregen met haar boeken The Fountainhead (geïnspireerd op Frank Lloyd Wright) en Atlas Shrugged (geïnspireerd op de uitvinder Nikola Tesla) maar heeft nog vele andere boeken geschreven.

 

Uit: ATLAS SHRUGGED, CHAPTER VII, "THIS IS JOHN GALT SPEAKING" (1957)

“The doorbell was ringing like an alarm, in a long, demanding scream, broken by the impatient stabs of someone's frantic finger.
     Leaping out of bed, Dagny noticed the cold, pale sunlight of late morning and a clock on a distant spire marking the hour of ten. She had worked at the office till four A.M. and had left word not to expect her till noon.
     The white face ungroomed by panic, that confronted her when she threw the door open, was James Taggart.
     "He's gone!" he cried.
     "Who?"
     "Hank Rearden! He's gone, quit, vanished, disappeared!"
     She stood still for a moment, holding the belt of the dressing gown she had been tying; then, as the full knowledge reached her, her hands jerked the belt tight–as if snapping her body in two at the waistline–while she burst out laughing. It was a sound of triumph.
     He stared at her in bewilderment. "What's the matter with your?" he gasped. "Haven't you understood?"
     "Come in, Jim," she said, turning contemptuously, walking into the living room. "Oh yes, I've understood."
     "He's quit! Gone! Gone like all the others! Left his mills, his bank accounts, his property, everything! Just banished! Took some clothing and whatever he had in the safe in his apartment–they found a safe left open in his bedroom, open and empty–that's all! No word, no note, no explanation! They called me from Washington, but it's all over town! The news, I mean, the story! They can't keep it quiet! They've tried to, but...Nobody knows how it got out, but it went through the mills like one of those furnace break-outs, the word that he'd gone, and then...before anyone could stop it, a whole bunch of them vanished! The superintendent, the chief metallurgist, the chief engineer, Rearden's secretary, even the bastards! Deserting us, in spite of all the penalties we've set up! He's quit and the rest are quitting and those mills are just left there, standing still! Do you understand what that means?"

 

 

Rand
Ayn Rand (2 februari 1905 – 6 maart 1982)

 

De Viëtnamese dichter Xuân Diệu werd geboren op 2 februari 1916 in Gò Bồi, gemeente Tùng Giản als zoon van een leraar. Hij studeerde onder andere in Hanoi en haalde een graad als landbouwkundig ingenieur. Hij was een van de leiders van de literaire beweging Thơ Mới (New Poetry). Belangrijke werken van hem zijn Thơ Thơ (Poetry poem, 1938), Gửi Hương Cho Gió (Perfume Flies with the Wind, 1945), en de short story Phấn Thông Vàng (Golden Pine Pollen, 1939). In 1943 sloot hij zich aan bij de Viet Minh en werd een van de belangrijkste dichters die opriepen tot verzet tegen de Fransen.

 

On the phone

 

On the phone, suddenly I saw you clearly,
Your voice lovely familliar smooth smooth, warm warm.
We embraced forgetting days and nights,
The light of the soul crossed hundreds of miles!

Ten seconds... a half a minute... you speak with me.
We are together, the heart beats in the chest...
Like when thirsty, drinking soft kind water,
Like missing someone for a long time and suddenly meeting
them on the way...

"On the ferry crossing, take care back and forth"
In each of my step, your words echo...
We separate the waves, tear the water to look for each other,
The sea of distance stays quiet.

 

Vertaald door Hoang Giang en Beth Weatherby

 

 

 

Dieu
Xuân Diệu (2 februari 1916 - 18 december 1985)

 

 

16-06-06

Ulysses, Willemsen, Bart, café de Plak II


Eerste pagina uit Ulysses van James Joyce, een roman die speelt binnen het tijdsbestek van een dag: 16 juni.

 

 

- I --

 

“STATELY, PLUMP BUCK MULLIGAN CAME FROM THE STAIRHEAD, bearing a bowl of lather on which a mirror and a razor lay crossed. A yellow dressinggown, ungirdled, was sustained gently behind him by the mild morning air. He held the bowl aloft and intoned:

--INTROIBO AD ALTARE DEI.

Halted, he peered down the dark winding stairs and called out coarsely:

--Come up, Kinch! Come up, you fearful jesuit!

Solemnly he came forward and mounted the round gunrest. He faced about and blessed gravely thrice the tower, the surrounding land and the awaking mountains. Then, catching sight of Stephen Dedalus, he bent towards him and made rapid crosses in the air, gurgling in his throat and shaking his head. Stephen Dedalus, displeased and sleepy, leaned his arms on the top of the staircase and looked coldly at the shaking gurgling face that blessed him, equine in its length, and at the light untonsured hair, grained and hued like pale oak.

Buck Mulligan peeped an instant under the mirror and then covered the bowl smartly.

--Back to barracks! he said sternly.

He added in a preacher's tone:

--For this, O dearly beloved, is the genuine Christine: body and soul and blood and ouns. Slow music, please. Shut your eyes, gents. One moment. A little trouble about those white corpuscles. Silence, all.

He peered sideways up and gave a long slow whistle of call, then paused awhile in rapt attention, his even white teeth glistening here and there with gold points. Chrysostomos. Two strong shrill whistles answered through the calm.

--Thanks, old chap, he cried briskly. That will do nicely. Switch off the current, will you? “

 

 

James Joyce (
2 februari 1882 – 13 januari 1941)

 

August Willemsen is een Nederlandse vertaler van Portugese en Braziliaanse literatuur. Daarnaast heeft hij essays, dagboeken en brieven gepubliceerd. Willemsen staat bekend om zijn krachtige gebruik van het Nederlands en zijn puntgave stijl.

Na zijn middelbare school in Amsterdam, ging Willemsen in dezelfde stad naar het conservatorium, richting piano. Dit bleek geen succes en op vrij late leeftijd startte hij een studie Portugees. Door zijn vertalingen van de Portugese dichter Fernando Pessoa raakte hij bekend als een vooraanstaand vertaler. In 1983 werden zijn vertalingen bekroond met de Martinus Nijhoff-prijs. In 1986 ontving hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor Braziliaanse brieven. Op het moment werkt August Willemsen aan een vertaling van het volledige werk van Pessoa. Hier een gedicht van Pessoa in de vertaling van Willemsen:

 

 

Abdicatie

 

Neem mij in uw armen, o eeuwige nacht,
En noem mij – koning die ik ben – uw zoon.
Vrijwillig deed ik afstand van mijn troon
Van dromen, die mij slechts vermoeidheid bracht

Mijn zwaard, mijn armen zijn ontkracht,
een kalme, mannelijke hand heeft het genomen;
Mijn scepter heb ik neergelegd, mijn kroon,
Versplinterde symbolen vroeger macht.

Mijn maliënkolder, nu zo nutteloos,
Mijn sporen, rinkelend en waardeloos,
Heb ik achtergelaten op de koude trap.

’k Ontdeed mij, ziel en lichaam, van mijn koningschap
En keerde terug tot de aloude en kalme nacht
Gelijk het landschap bij het sterven van de dag.   

 

 

 

 

 

August Willemsen (Amsterdam, 16 juni 1936)

 

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

 

Bart, café de Plak II

 

Hij was zo jong en mooi, ik de verlegen
verkenner van een wereld buiten mij.
Er gingen jaren onverhoeds voorbij,
die toch verleden bergen en bewegen.

 

Ik heb hem zwijgende meer lief gekregen.
Geen ander was daar beter voor dan hij.
Hij danste, schonk de glazen vol en wij
begrepen zonder woorden en wij zwegen.

 

Zo raakte ik te midden van muziek,
gepraat en rinkelen van glas stilaan
met zijn bestaan vertrouwd en zijn ritmiek.

 

Als later elk geluid zal zijn verflauwd,
zal er dit beeld nog zijn: een bar, een kraan
en Bart, die onvermoeid zijn kauwgom kauwt.   

 

 

 

Frans Roumen, Uit: Navel van ’t land, Nijmegen in Gedichten,

Uitgeverij 521, Amsterdam 2005

 

Frans Roumen (16 juni 1957) woont en werkt in Nijmegen

 

 

07:07 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (1) | Tags: frans roumen, august willemsen, james joyce |  Facebook |