10-06-17

Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow

 

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Langs lijnen van geleidelijkheid.

“Het pension van de marchesa Belloni was gelegen in een van de gezondste, zoo niet dichterlijkste wijken van Rome: de helft van het huis was een gedeelte van een villino der oude Ludovisi-tuinen; de oude mooie tuinen, betreurd door een ieder, die ze gekend had, vóór de nieuwe kazernewijken verrezen waren, waar eerst het Romeinsche villa-park zich had uitgestrekt. Het pension stond in de Via Lombardia; het oude villino-gedeelte had voor de locataires van de marchesa zekere antieke bekoring gehouden, en het nieuw aangebouwde perceel bood aan: ruime kamers, moderne waterleiding en electrisch licht. Het pension had een zekere reputatie van goed en goedkoop en aangenaam gelegen te zijn; enkele minuten wandelens van den Pincio af, hoog gelegen, behoefde men er niet voor malaria te vreezen, en de prijs, dien men er voor een langer verblijf betaalde, en die acht lire nauw-lijks te boven ging was buitengewoon voor Rome, bekend als duurder dan iedere andere Italiaansche stad. Zoo was het pension dan ook meestal vol: de reizigers kwamen reeds in October - die het vroegst in den season kwamen, betaalden het minst; en behalve enkele haastige toeristen, bleven zij meest allen tot Paschen, om na de groote kerkfeesten naar Napels af te zakken.
Het pension was door Engelsche reiskennissen zeer aanbevolen aan Cornélie De Retz van Loo, die alleen in Italië reisde, en uit Florence geschreven had aan de marchesa Belloni. Het was de eerste keer, dat zij in Italië reisde; het was de eerste keer, dat zij uitstapte aan het groote holle station bij de Thermen van Diocletianus, en op het plein, in de gouden zonnelucht van Rome, terwijl de groote fontein van de Acqua Marcia ruischte, en de koetsiers klapperden met de zweepen en met de tong - om haar aandacht te trekken - kreeg zij hare ‘lieve Italiaansche sensatie’, zooals zij dacht, en was blij in Rome te zijn.
Zij zag een oud moeilijk loopend mannetje op haar toe komen, met het instinct van een oud-gedienden portier, die zijn reizigers dadelijk herkent, en zij zag op zijn pet: Hôtel Belloni, en wenkte hem, en glimlachte. Hij begroette haar als een oude kennis, met familiariteit en eerbied tegelijk, als was hij blij haar te zien - vroeg of zij prettig gereisd had, of zij niet moê was, geleidde haar naar de victoria, schikte haar plaid, haar valies, vroeg het biljet van hare koffers, en zeide, dat zij maar gaan moest: in tien minuten volgde hij met de bagage. Zij kreeg een gevoel van gezelligheid, van verzorgd te worden door het oude hinkende mannetje, en knikte hem vriendelijk toe, terwijl de koetsier wegreed. Zij gevoelde zich licht en luchtig, met even den weemoed van iets onbekends, dat haar gebeuren ging: en zij zag links en rechts, als om nu te zien de straten van Rome: zij zag alleen maar huizen en huizen, kazernehuizen; toen een groot wit paleis: het nieuwe Palazzo Piombino - waar zij wist, dat de Juno Ludovisi was - en toen hield hij stil, en een knoopenjongetje kwam naar haar toe.”

 

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Hier met zijn hond Brinio

Lees meer...

10-06-16

Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow, Ion Creanga

 

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan...

“Hij vond zich geen man om te trouwen. Hij was nog wel jong, acht-en-dertig; hij zag er zelfs véel jonger uit; hij verdiende geld genoeg met zijn artikels, om, met wat Elly meêkreeg van grootpapa Takma, het er zuinigjes op te wagen, maar hij vond zich toch volstrekt geen type om te trouwen. Zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid, zijn egoïste bewegelijkheid, die waren hem het liefst; en trouwen, dat was zich met gebonden handen en voeten overgeven aan een vrouw. Hartstochtelijk verliefd was hij niet op Elly - hij vond haar een intelligent en artistiek vrouwtje; om wat zij van grootpapa Takma zoû erven, deed hij het heùsch niet. Waaròm deed hij het dan - vroeg hij zich af, als hij zich reeds had afgevraagd, dag aan dag, gedurende die week, die gevolgd was op zijn aanzoek.
- Mama... kan jij me ook zeggen... waarom ik Elly gevraagd heb?
Mama Ottilie zag op. Ze was wel gewend aan zonderlinge en geestige vragen van Lot, en dan antwoordde ze hem in dien toon, voor zoo ver zij vermocht, maar deze vraag deed haar een stekel voelen van jaloezie, een stekel, die héel erg pijn deed, als een doorn, fyziek, in vleesch.
- Waarom je Elly gevraagd hebt? Ik weet het niet... We doen altijd dingen, en weten niet waarom...
Zoo zacht treurigjes klonk hare stem, boudeerend na de stoute-kindstem van zoo even. Had zij niet àlles verloren, wat zij ooit had gehad? Zoû zij Lot niet verliezen, hem moeten afstaan aan Elly... zoo als zij alles had moeten afstaan...
- U antwoordt zoo ernstig, mama. Dat ben ik niet van u gewoon.
- Mag ik dan alléen niet eens ernstig zijn...
- Waarom de laatste dagen, zoo ernstig, en treurig, en prikkelbaar... Is het omdat ik trouwen ga...
- Misschien is het wel daarom...
- U houdt toch wel van Elly...
- Ja wel, ze is lief...
- We moesten maar samen blijven wonen; Elly houdt ook van u; met Steyn heb ik er over gesproken...
Want zijn stiefvader, zijn twéeden stiefvader noemde Lot Steyn, kort-weg, nadat hij zijn eersten genoemd had, - hij toen een jongen, - ‘meneer’ Trevelley. Mama Ottilie was driemaal getrouwd geweest.”

 

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Scene uit de tv-serie met o.a. Caro van Eyck, Joan Remmelts en Paul Steenbergen, 1975-1976

Lees meer...

21-07-15

Dolce far niente, Jacques Perk, Ernest Hemingway, Belcampo, Hart Crane

 

Dolce far niente

 

 
Oosterpark door Isaac Israels. ca. 1895

 

Hemelvaart
Est deus in nobis.
 
De ronde ruimte blauwt in zonnegloed
En wijkt ver in de verte en hoog naar boven:
Mijn ziel wiekt als een leeuwriklied naar boven
Tot bóven 't licht zij lichter licht ontmoet.
 
Zij baadt zich in den lauwen aethervloed
En hoort met hosiannaas 't leven loven;
Het floers is wèg van de eeuwigheid geschoven
En godd'lijk leven gloeit in mijn gemoed.
 
De hemel is mijn hart en met den voet
Druk ik loodzwaar den schemel mijner aard',
En nederblikkend, is mijn glimlach zoet.
 
Ik zie daar onverstand en zielevoosheid...,
Genoegen lacht... ik lach... en met een vaart
Stóot ik de wereld weg in de eindeloosheid.

 

 
Jacques Perk (10 juni 1859 - 1 november 1881)
Monument voor de Tachtigers door Jan Wolkers in het Oosterpark, Amsterdam
Bovenstaand gedicht van de Tachtiger Perk staat erbij te lezen

Lees meer...

10-06-15

Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Oktay Rifat

 

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Extaze

“Dolf Van Attema was op zijne wandeling na den eten aangegaan bij de zuster zijner vrouw, Cecile Van Even, op den Scheveningschen weg, en hij wachtte in den kleinen voorsalon, wandelend tusschen de rozenhouten meubeltjes en de vieux roze moiré cauzeuses met de drie, vier groote passen, waarmeê hij de nauwte van het vertrekje telkens en telkens scheen over te meten. Achter de chaise-longue brandde op een onyxen zuil eene lamp van onyx, onder hare kanten kap zacht gloeiend als eene groote, zeshoekige lichtbloem.
Mevrouw was nog bij de jongens, die juist naar bed gingen, had de meid tot Van Attema gezegd en het speet hem zijn petekind, den kleinen Dolf, dien avond niet meer te zullen zien; hij had reeds even naar boven willen loopen om met Dolf in zijn bedje te stoeien, maar ook had hij zich aanstonds Cecile's verzoek herinnerd, dit toch nooit meer te doen; de jongen bleef uren wakker liggen na zoo een gedartel met oom. En hij wachtte dus nu, met een glimlach om die gehoorzaamheid, zijne schoonzuster af, steeds metende den kleinen salon met zijn pas van een stevig, kort man, ineengedrongen en breed, niet jong meer en wat ivoorachtig kalend onder zijn kort, donkerblond haar, zijne oogen klein-vriendelijk en prettig blauw-grijs, zijn mond beslist flink, - al glimlachte hij ook - in het rossige gekroes van zijn korten Germaan-baard.
Een houtblok brandde met een paar kronkeltongen in het haardje van nickel en verguld, als een vuurtje van stille intimiteit, als eene vlam van discretie, in die schemeratmosfeer van, met kant gedekt, lampeschijnsel, intimiteit en discretie verspreidden ook door geheel het nauwe vertrekje iets als een aroom van viooltjes, eene nuance van viooltjes-geur, die school in de zachtheid der tinten van behang en meubelen, - fletsch roze moiré en rozehout, - die hing in het hoekje der kleine rozehouten schrijftafel, met hare enkele zilveren zaakjes om te schrijven en hare portretten in gladde, glazen Mora-lijstjes; een kleine, witte, Venetiaansche spiegel daar boven."

 

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Lees meer...

10-06-14

Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Oktay Rifat

 

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit De lof der luiheid

“Orlando ligt lang uit. Hij ligt uitgestrekt op den langen stoel, zijn donker hoofd tegen een rood leêren kussen en nooit heb ik zoo een rust bewonderd als in de houding van Orlando. Hij is de kalme, harmonische rust. Hij zoû op dit oogenblik kunnen pozeeren voor den god van de rust. Zijn groot, mooi, sterk lichaam ligt lang uit, op den rug; zijn donkere haren en verbruind gezicht komen prachtig uit op het lichtere rood leêren kussen; zijn eene sterke hand hangt af van de leuning van den stoel; zijn andere houdt de sigarette aan zijn lippen. Zijn oogen zien recht voor zich uit, naar den zilverigen beker der zee daar ginds. Zijn oogleden knippen soms zachtjes. Hij blaast kalm de rook uit. Zijn adem gaat regelmatig en zijn borst is heel breed in zijn slappe hemd, waarlangs zijn flanellen jas wegvalt, ontdekkend de breed leêren bretels, die vast geknoopt zijn aan den heel hoogen band van zijn broek. In zijn houding van volmaakte rust, blijft hij er sterk, gezond en daarom harmonisch uitzien.
(…)

Zit je goed? vraagt Orlando.
- Ja.
- Vindt je de cypressen mooi?
- Ja.
Zijn stem heeft een beetje gespot. Ik sluit mijn oogen.
- Slaap! zegt Orlando, en drukt mij tegen zich.
… Dit even nu vast te houden. Een oogenblik rust te hebben in mijn bewegelijke, veranderlijke ziel. Niemand dan Orlando kan het mij geven. Slaap, heeft hij gezegd, meer uit liefkoozing, dan uit ernst. Maar niet IK… HIJ slaapt binnen twee minuten, tegen mij aan, zijn hoofd tegen mijn hoofd. Wat is hij kalm, wat slaapt hij kalm! Wat is het heerlijk, zóo kalm te zijn! Het is bijna niet van de wereld. Het is als iets bovenaardsch. Hoe regelmatig gaat zijn korte adem. Hoe kan je, zoo in eens, slapen! En zelve héel kalm geworden, verroer ik mij niet, en zie naar de cypressen. Ik voel mij, bijna, gelukkig. Maar op den grond van mijn ziel blijft iets trillen, een weemoed… en een nooit te stillen onrust… naar verandering, naar verandering… Ik ben het, die opzucht en Orlando wordt wakker.
- Heb je geslapen? vraagt hij.
Ik lach. Hij lacht ook."

 

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Cover

Lees meer...

10-06-13

150 jaar Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken

 

150 jaar Louis Couperus

 

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Dat is vandaag precies 150 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

 

Uit: De stille kracht

 

« Maar al mijmerde hij niet, de stemming was onafweerbaar, als een druk op zijn breede borst, als een ziekte van teederheid, een malaise van sentimentaliteit in zijn anders heel praktisch gemoed van hoofdambtenaar, die hield van zijn werkkring, van zijn gewest; die hart had voor de belangen er van, en wien het bijna onafhankelijk gezag van zijn betrekking geheel in harmonie was met zijne heerschersnatuur; die met zijn krachtige longen zijn atmosfeer van wijden werkkring en ruim veld van zoo verscheiden arbeid, met even veel genot gewoon was te ademen, als hij nu ademde, den wijden wind van de zee. De begeerte, het verlangen, een heimwee, waren dien avond vooral, vol in hem. Hij voelde zich eenzaam, niet alléen om het izolement, dat een hoofd van gewestelijk bestuur altijd min of meer omringt, wien men òf nadert conventioneel glimlachend-eerbiedig, om conversatie, òf kort, zakelijk-eerbiedig, om zaken. Hij voelde zich eenzaam, hoewel hij vader was van een huisgezin. Hij dacht aan zijn groote huis, hij dacht aan zijn vrouw en zijn kinderen. En hij voelde zich eenzaam, en alleen gedragen door het belang, dat hij stelde in zijn werk. Het was hem alles in zijn leven. Het vulde al zijne uren. Er over denkende sliep hij in, zijn eerste gedachte was voor het een of ander gewestelijk belang.

In dit oogenblik, moê van het cijferen, opademende in den wind, ademde hij tegelijk met de frischheid van de zee den weemoed van de zee in, den geheimzinnigen weemoed der Indische zeeën, den opspokenden weemoed der zeeën van Java; de weemoed, die aanruischt van verre als op suizende wieken van geheimzinnigheid. Maar zijn natuur was niet om zich over te geven aan mysterie. Hij ontkende het mysterie. Het was er niet: er was alleen de zee en de wind, die frisch was. Er was alleen de walm van die zee, als iets van visch en van bloemen en zeewier; walm, die de frissche wind uitwoei. Er was alleen het oogenblik van herademing, en wat hij, onafweerbaar, voor geheimzinnigen weemoed voelde toch sluipen in zijn, dien avond, wat weeke gemoed, dacht hij te zijn om zijn huislijken kring, dien hij liever wat nauwer gevoeld had, dichter sluitende om wat in hem was vader en echtman. Was er van weemoed noch iets, dan was het dàt. Uit de zee kwam het niet; uit de lucht aan, van verre, niet. Hij gaf zich niet over aan een allereerste sensatie van wonderlijkheid... En hij plantte zich steviger, welfde zijn borst, richtte-op zijn flinken, militairen kop en snoof, en snoof den walm in en den wind...

De hoofdoppasser, neêrgehurkt, met zijn gloei-vuurtouw in de hand, gluurde aandachtig op naar zijn heer, als dacht hij: wat doet hij hier zoo vreemd te staan bij den vuurtoren... Zoo vreemd, die Hollanders... Wat denkt hij nu... Waarom doet hij zoo... Juist op dit uur op deze plek... De zeegeesten waren nu om... Er zijn kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest... Zie, daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den vuurtoren... Wat doet de Kandjeng Toean nu hier... Het is hier niet goed, het is hier niet goed... tjelaka, tjelaka... En zijn spiedende oogen gleden op en neêr langs den breeden rug van zijn heer, die maar stond en uitzag... Waar zag hij naar toe...? Wat zag hij aanwaaien in den wind...? Zoo vreemd, die Hollanders, vreemd... »

 

 

 

Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Met zijn vrouw (rechts) op Sumatra, 1921 

Lees meer...

09-05-13

Jacques Perk, Pieter Boskma, Jotie T'Hooft, Charles Simic, Jan Drees, Leopold Andrian

 

Bij Hemelvaartsdag

 

 

 

The Ascension door Benjamin West, 1801

 

 

 

Hemelvaart

Est deus in nobis

 

De ronde ruimte blauwt in zonnegloed

En wijkt ver in de verte en hoog naar boven:

Mijn ziel wiekt als een leeuwriklied naar boven

Tot boven ‘t licht haar lichter licht gemoet.

 

”Zij baadt zich in den lauwen aethervloed,

En hoort met hosiannaas ‘t leven loven;

Het floers is wèg van de eeuwigheid geschoven

En goddlijk leven gloeit in mijn gemoed.

 

De hemel is mijn hart en met den voet

Druk ik loodzwaar den schemel mijner aard’,

En, nederblikkend, is mijn glimlach zoet.

 

Ik zie daar onverstand en zielevoosheid…

Genoegen lacht… ik lach… en met een vaart

Stoot ik de wereld weg in de eindeloosheid.-

 

 

 

 

JacquesPerk (10 juni 1859 – 1 november 1881)

Lees meer...

10-06-12

Jacques Perk, Louis Couperus, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken

 

De Nederlandse dichter Jacques Fabrice Herman Perk werd geboren in Dordrecht op 10 juni 1859. Zie ook mijn blog van 10 juni 2011.

 

 

Twee rozeblaadjes

 

Zie, hoe de beek langs enge boorden schiet,
En 't rozeblaadje met zich mede-draagt,
Dat vrolijk langs de harde oever vliet,
En draait en wendt, naar 't aan zijn hart behaagt.

Dat andre zoekt de grauwe rots, waar niet
Die domme beek zijn vrije wil belaagt;
En toen 't uit vrije keus te bersten stiet,
Had het zich toch tot volgen niet verlaagd:

Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft;
Dat iets verrichten kán het, want het moet,
En 't voelt zich vrij in 't slaaf-zijn van een wet:

Slaaf, wie zich tegen wat hij moet, verzet,
Maar vrij de wil, van wie al willend doet
De wil van wat geluk en vrede geeft!

 

 

 

 

Dorpsvesper

 

Heen is de dag - de nacht nog niet geboren
En langs de bergen wademt avond-dauw
De vogel laat een laatst geneurie horen
In roerloze aandacht luistert de landouw

De zwerver daalt, in zielsgepeins verloren
In 't dal, en naar 't gehucht van wit en grauw
Daar klinken vrome tonen uit de toren -
De star der liefde flinkert zilver-blauw

Het kerkje bracht, wie danken wilden, samen
En wierook en gezang golft uit de poort
En op het dankgebed zegt alles "amen" -

De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weer voort;
Waar zoveel eensgezinden samenkwamen,
Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord

 

 

 

Avond

 

Wanneer in ademloze schemerschijn
De vleermuis zwijgend wiekt in lage kringen,
En de aarde staart naar de eerste tintelingen
Der zilvren spangen van het nachtgordijn;

Als dan door 't loof der luistrende jasmijn
De luwtjes geur'ge wiegeliedren zingen,
En sluimer daalt op brede duivezwingen...
Dan is het zalig, om alleen te zijn.

Dan is het zalig, 't lachend oog te luiken,
Waar fulpen rust op neerzijgt, die verkwikt,
En leeft van 't zoete liefdedromen sluiken.

O, driewerf zalig, wie het werd beschikt,
Om in de zee der sluimring neer te duiken
Als daar een lief gelaat hem tegenblikt!

 



Jacques Perk (10 juni 1859 - 1 november 1881)
Portret door
Herman van der Voort in de Betouw. 1870

Lees meer...

10-06-11

Jacques Perk

 

De Nederlandse dichter Jacques Fabrice Herman Perk werd geboren in Dordrecht op 10 juni 1859. Jacques Perk was de zoon van een dominee, zijn tante Betsy Perk was een actief voorvechtster voor de rechten van de vrouw. Zijn vader had een grote literaire belangstelling en veel contacten in letterkundige kringen. Nadat het gezin in 1872 van Breda naar Amsterdam is verhuisde, volgde Perk de HBS. In 1878 ging hij voor het Algemeen Handelsblad werken. In die tijd schreef hij zijn eerste gedichten opgedragen aan zijn jeugdliefde Marie Champury, de dochter van zijn leraar Frans. Nadat een poging aan te monsteren op een schip, ging de zeer romantisch aangelegde Perk zich richten op de literatuur. Hij bestudeerde het werk van buitenlandse voorbeelden als Petrarca, Shakespeare en Goethe. In 1880 ging hij rechten studeren en ontmoette hij Willem Kloos met wie een intense vriendschap ontstond. Hij had toen al Mathilde, een sonnettenkrans geschreven naar aanleiding van een kortstondige ontmoeting tijdens een vakantie in de Belgische Ardennen met Mathilde Thomas. De vriendschap met Kloos inspireertdehem tot Verzen aan een vriend. Samen maakten ze een reis naar Brussel en Laroche. In zijn laatste levensjaar werd Perk opnieuw verliefd, dit keer op de al verloofde Joanna Blancke. Aan haar droeg hij zijn gedicht Iris op. Perk overleed al op 22-jarige leeftijd door een longaandoening, na een kort ziekbed.

 

 

Verzen voor een vriend

 

Mijn ziel gelijkt de blijde zomerdag
Die mij op deze lentedag doortrilt.
'k Gevoel mij als het wuivend windje mild
En om mijn lippen speelt een lentelach.

't Is me of ik nooit de zwarte ellende zag
En in mij jubelt weeldrig en wild
Een vogelkoor dat door zijn zangen stilt
De weemoed, die mij eer te kwellen plach.

Eens had ik oog en oor slechts voor het leed
En woest doorvlamde mij de droefenis
Die knagend zich in 't lachend harte vreet.

O wonder, vriend! dat me eenmaal schreien deed,
Hetgeen thans moeder mijner blijdschap is:
Jeugd, liefde, leven, vriendschap, zonde, zweet.

 

 

 

Aan Mathilde

Wanneer de moeder van het licht weêr licht,
En voor heur goud den zwarten mist doet wijken,
Dan laat ze ‘er stralen langs de bloemen strijken,
En dankbaar doet elk bloemeke zijn plicht.

Zoodra de bloem de lieve zon ziet prijken,
Dan wolkt ze wierook op in wolken dicht,
En geurenmoeder wordt het moederlicht…
Ik moet, Mathilde, u aan de zon gelijken!

Gij zijt de moeder van deez’ liederkrans:
Gij hebt dien met uw zonneblik geschapen
In ’t zwarte hart; zoo ’t glanst, ’t is door úw glans.

Met uwe bloemen krans ik u de slapen,
Uw eigen schepping leg ik om uw hoofd;
Zoo zij uw naam voor eeuwiglijk geloofd!

 

 


Aan de sonetten

 

Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten,

Gij, kindren van de rustige gedachte I

De ware vrijheid luistert naar de wetten:

Hij stelt de wet, die uwe wetten achtte:

 

Naar eigen hand de vrije taal te zetten

Is eedle kunst, geen grens, die haar ontkrachtte:

Beperking moet vemuft en vinding wetten;

Tot heerschen is, wie zich beheerscht, bij machte : -

 

De geest in enge grenzen ingetogen,

Schijnt krachtig als de popel op te schieten,

En de aard' te boren en den blauwen hoogen:

 

Een zee van Iiefde in droppen uit te gieten,

Zacht, een voor een - ziedaar mijn heerlijk pogen . . . .

Sonnetten, klinkt I U dichten was genieten. -

 

 


Portret door Johan Heinrich Neuman, 1882

 

 

 

 

 

11:16 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jacques perk, romenu |  Facebook |