22-08-17

Dolce far niente, Jacob Israël de Haan, Griet Op de Beeck, Jeroen Theunissen, Annie Proulx, Krijn Peter Hesselink, Willem Arondeus

 

Dolce far niente

 

 
Amsterdam, Marnixstraat

 

Uit: Pijpelijntjes

“Geen mensch op straat, de witte lichten flatterden wild in de wind en wuifden hun lichtbossen door de donkere waterplassen heen en weer.
‘Wat krijg je d'rop?’
‘Een daalder... of misschien vijf en dertig stuivers, dat hangt d'r van af.’
‘Zoo, nou moet je d'res hooren wat ik doe. Laten we nou rekenen, dat je op 't ringetje 'n daalder krijgt, ik heb nog 'n stuiver of vijftien en jij zeven, dan lossen we mijn klok; daar staat 'n rikspop op, en dan brengen we die naar de Marnixstraat, daar krijg ik d'r drie gulden op’....
‘'t Regent zoo, laten we dat nou niet doen, ik ben zoo koud, we komen d'r nou immers toch wel.’
‘Nee, laten we dat nou wel doen, die tien stuivers zijn gauw verdiend, zoo ver is dat nou ook niet, en die regen, nou ja, die regen... ik ga immers mee.’
Z'n fijne vleiing maakte mij flauw en van binnen streelde zijn stem in mij.
‘Goed, laten we dan maar.’
Op 't ringetje kregen we één vijf en zeventig en Sam brutaal in eens opdriestend, nou die wat inloste, eischte de klok terug.
Toen, door de regenPijp marcheerden we samen, de donkere Stadhouderskade dan.
Tegen de zwarte regenlucht geelde het pleklicht van de stad, bleek-goud, maar verder alles nat en zwart. En de kade leeggewaaid, en zwarter, waar geen tram meer liep te lichten.
‘Sam.’...
‘Ja, boy.’...
‘Dàg... 'n eind hè?’
Mijn koudgeregende hand nam hij beet en hield hem vast, warm in de zijne, omdat hij z'n handen altijd in z'n zak had. Dicht naast mekaar liepen we voort, gebogen tegen de wind in.
Het Leidscheplein, mal-licht, schater-licht, de drukke tintellichtlachjes van de gloeilampjes en de witte kousjes en de kalme bleekblauwe doodslach van de boogbollen, die wit blauw-grijnzend schommelden op de wind.
De menschen vlug-an uit de zwarte pleinhoeken 't licht in, en weg weer in een andere donkerte. Op 't plein liet Sam m'n hand los en we liepen gauw schuin over, 't zwarte straatgat tusschen het witte Américainhotel en de roode stadsschouwburg in. De Marnixstraat zwart met wat geel, stilte na 't pleingeluid, de kale boomen druipend van dichtebij; brandde druk de lichte muur van de suikerfabriek, het zwarte stuk er achter, spokig.
‘Jezes, wat is zoo'n stad toch een beroerd beest’....”

 

 
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 - 30 juni 1924)
Smilde, de Hoofdvaart. Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde.

Lees meer...

31-12-16

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

 

We weten nog niet hoe

snel alles, hoe snel je zicht verandert
tot je bent wat je verandert,
hoe snel het kind zich in je opbergt.

We weten nog niet hoe ver alles,
hoe ver de echo van je zang reikt,
hoe ver je gaat of buigt.

We weten nog niet hoe licht alles-
hoe licht het dragen van je geluk-
hoe licht van details het gewicht-

We weten nog niet hoe vaak alles,
hoe vaak de stad schittert in je ogen,
hoe vaak de liefde een daad is van genot.

“Kijk, de stad drijft langs!”
“Zie je iets?”
“Zei je iets?”

Je tekent een bed op het water.
“Wacht je daar op me?”
We weten nog niet wanneer je een godensprong waagt.

 

 

Het geheim van de boekhandelaar

Je verkoopt boeken maar eigenlijk geef je liefde door
je geeft adviezen maar eigenlijk wijs je op vergezichten
je noemt een auteur maar eigenlijk raad je een verlangen
je wacht op een vraag maar eigenlijk stel je vragen

Je verkoopt boeken maar eigenlijk verplaats je taal
je wijst op de kasten maar eigenlijk zijn het horizonnen
je zegt omzet maar eigenlijk fluister je kapitaalbandje
je noemt een titel maar eigenlijk deel je vleugels uit

Je verkoopt boeken maar eigenlijk vertel je verhalen
je wordt getipt maar eigenlijk ben je een lezers lezer
je citeert ‘mooi is de menselijke rede, en onoverwinnelijk’
je bent een eiland maar eigenlijk verkoop je lifelines

 

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Lees meer...

31-12-15

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

 

Showen en trippen

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk met vertedering naar buren
te kijken die rond middernacht hun afvalzak in een container doen.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk een taxi aan te houden die onwillig is
je tot buiten de stad te rijden waar loofwoud staat dat zich voortplant.

Er is zielsveel geluk nodig deze jurk dronken en klaarwakker naar een show
te brengen, blind een deur te vinden waardoor je het toneel verlaat.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk iets te slikken, een ballonvaart
te maken en op het mozaïek van je land neer te kijken als een slome astronaut.

Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken.
Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.

 

 

Welkom in Nederland

Iemand zei geschiedenis zoekt naar evenwicht.
De tellingen hebben ons overtuigd:
mensen en mogendheden in ongelijke mate.
Nu lopen de cijfers langs de wegen van Europa
vol speeksel, vol tranen, vol dringende verwachtingen.
En waar zou jij op hopen als je verhaal, je land,
je stad, je monument, je berg, je dorp, je eer,
je school, je huis, je deken, je matras,
je nachtrust dagelijks aan stukken werd gerukt?
Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.
En onze harten slaan de tijd, beng, beng,
om het logeermatras te kloppen.

 

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Lees meer...

31-12-14

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

 

MH 17

Twintig keer naar het journaal gekeken en het is nog steeds waar: zomaar in het web gevlogen van de oorlog van anderen.

Bestaat er in het Russisch ook een woord voor schuld,
woord voor genade, noem het woord dat macht niet duldt:

voor zulke pijn heb je niet eens een woord.

Twintig keer naar het journaal gekeken en het is nog steeds moord. Je zoekt de weefsels van dit abrupt verhaal. Je vindt

het woord, who cares of het bestaat of niet. Wereldverdriet.

 

 

GEBED VOOR IEDEREEN

Nog trekt het zich terug als in twee vuisten, reculer pour mieux sauter.
Nog lift het vrolijk mee als op het stuur van een weesfiets, zwenkt uit.
Nog loopt het mee in de optocht van iedereen, het spreekt verdwenen taal.
Nog verstopt het zich in geluidsfragmenten, applaus en partituren.
Nog nestelt het gebed zich in het Nederlands en biedt royaal onthaal.
BENG! KLEDDERRRRR! KLENG!
Een opstelling van stokken en tomaten, stenen uit de straat, de verf.
Tongen die spugen op gebed: ,,Niet buigen broddah! Strek je op!''
Wereldvreemden die maar wat floepen: ,,Wie de staat kent, kent zichzelf.''
Nieuwe talen zingen, roepen: ,,Niks kebed, suster, komt niet koed.''
Daar de mening, hier de uitspraak. Het Laatste Oordeel is bankroet,
roept uit nood en overvloed. Het kruipt door puin en bloeit op stank.
Hecht zich aan honger en verruilt een koninkrijk voor voedselbank,
kijkt, verwart, merkt op. Niet schadevrij, er heerst het schrale tij.
Het lacht en lijdt maar in gelijke mate, dat is de vrijheid van de poëzie.
Bemint een land uit een verlangen naar dat land: gebed laat liefde vrij.
LEVE
majesteit boven dit krachtenveld. Zo’n spiedend oog over de dijk.
Het soort alwetendheid ten dienste van het Crisisrijk. Verheft
in majesteit saamhorigheid tot kunst. Zo dus. O lieve koningin
die levenslang het hele land voorbij zag gaan, nu mag het zomaar,
lekker zomaar in de rij gaan staan.

 

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Lees meer...

31-12-13

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

 

Wisselende posities

Zijn de coördinaten waarop jij je bevindt veranderlijk,
reis dan minder grillig. Zo krijg ik geen vlaggetje in de kaart.

Ik wilde je route volgen, je strategie:
< nieuw is het allemaal niet > je komt terug om te gaan.

Je schrijft aan alles te merken dat je in het hoge noorden bent.
Ondanks geringe hoogte liggen gletsjerdelen langs de weg.

Uitglijden zou rampzalig zijn, schrijf je, kranten kopten
je vermissing. Ik schrijf zeur niet, vlucht voor je vertrek.

Die jou niet noemen slapen zoet, morgen willen ze best
een tekening over je maken < niet langer lastigvallen met de eigen,

weinig kan al gezin zijn >. Tragische humor kan wonderen:
je verzoek per sms om een opbeurend woordje. Ik raad je angst

verschijnsel na verloren samenhangen. Helpe iets dierbaars
dat de weg smelt: een sneeuwkonijn. Nog beter: weten. Liefst:

goedzicht.

 

 

Showen en trippen

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk met vertedering naar buren
te kijken die rond middernacht hun afvalzak in een container doen.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk een taxi aan te houden die onwillig is
je tot buiten de stad te rijden waar loofwoud staat dat zich voortplant.

Er is zielsveel geluk nodig deze jurk dronken en klaarwakker naar een show
te brengen, blind een deur te vinden waardoor je het toneel verlaat.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk iets te slikken, een ballonvaart
te maken en op het mozaïek van je land neer te kijken als een slome astronaut.

Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken.
Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.

 

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Lees meer...

31-12-12

Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert

 

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook alle tags voor Arjen Duinker op dit blog.

 

 

Leve de camouflage!

 

Het oninteressante is concreet als een hond.
Vorstelijk als een rog, uniek als een kikker,
Het oninteressante is sentimenteel als een vlo,
Ruimhartig als een baviaan, zacht als een raaf.

Laten we de dierenwereld verder vergeten...

Het oninteressante is aandoenlijk als een tas,
Abstract als een koekje, schoon als een bril.
Het oninteressante is nieuwsgierig als een kapstok,
Vrij als een zeem, schitterend als een tafel.

Laten we de wereld van de dingen vergeten, en snel...

Het oninteressante is magazijnchef,
Loodgieter, demagoog, landmeter,
Psychiater, laborant, vuilnisman,
Hofnar, touwslager, empirist.

laten we ook de wereld van de functies onmiddellijk vergeten!

Leve de camouflage!

 

 

 

Plattegrond

 

Ik liet mijn stad zien
Aan drie duidelijke mannen.
De eerste zei: je stad lijkt op een arend.
De tweede zei: je stad lijkt op een dingo.
De derde zei: je stad lijkt op een slang.

De poorten gingen dicht
En de lichten werden zwart
Door het zwijgen van de muren.

Ik liet mijn stad zien
Aan drie duidelijke mannen.
De eerste zei: je stad lijkt op een bizon of op een tijger.
De tweede zei: je stad lijkt op een snoek of op een eland.
De derde zei: je stad lijkt op een havik of op een giraf.

Er kwam beweging in het water,
Er verscheen enige wildernis op de stoep
Maar de mannen ontkenden geluk.


 

Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

Lees meer...

31-12-10

Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho

 

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008 en ook mijn blog van 31 december 2009.

 

 

Zon en maan

 

Wat een geluiden, wat een oceanen!

Elke letter opent de verte.
Door op een knop te drukken,
Door aan een touw te trekken,
Door een handel over te halen.

Elke lettergreep opent de verte.
Met een donkere zucht uit de diepte,
Met een kameraadschappelijke lach van opzij,
Met een schrille kreet in de wolken.

Elk woord opent de verte
En ruikt de vruchten van geordende plantages
En ruikt cellulose en staal en triplex
En ruikt de inhoud van de tijd.

Wat een stiltes, wat een orkanen!

 

 

 

Tafel

 

Alles is twee keer zo groot.
Het verdriet twee keer de stilte.
De trots twee keer het verdriet.
De zijgevel twee keer de dikte van de huid.

Handen zijn het dubbele van de taal.
Het hemd is het dubbele van de tafel.
Het motorblok is twee keer het hemd.
De herrie is twee keer de geste.

 

 

 

 

Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

 

 

Lees meer...

23-02-10

Elisabeth Langgässer, Amoene van Haersolte, B. Traven, David Kalisch, Samuel Pepys, Josephin Soulary, Henri Meilhac


De Duitse dichteres en schrijfster Elisabeth Langgässer werd geboren op 23 februari 1899 in Alzey. Zie ook mijn blog van 23 februari 2009.

 

 

Mein Ursprung ...

 

Begreift ihr nun? Mein Ursprung ist der Hauch.

Ein Hauch ist nichts. Und ist der Name auch.

 

Erfühlt es tief. Mein Ende ist der Duft.

Sehr sanft entläßt ihn meines Namens Gruft.

 

Die Gruft ist leer. O neu gehauchtes Glück:

Die Welt strömt ein. Ich atme sie zurück.

 

 

 

 

Aufzuspringen rot vor Glück

   

Aufzuspringen rot vor Glück,

drängt jetzt auch das Jahr.

Weiß die Rose, daß ihr Blick

eine traf, die - denk' zurück! -

schon im sechsten war ?

 

In dem sechsten Monat ist

heute alles Kraut.

Nur sie selbst, ohne Zwist,

ohne Paarung, Trug und List

Mutter bleibt und Braut.

 

 

 

 

Langgaesser
Elisabeth Langgässer (23 februari 1899 – 25 juli 1950)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Amoene van Haersolte (eig. Ernestine Amoene Sophia van Haersolte-van Holthe tot Echten)  werd geboren in Utrecht op 23 februari 1890. Ze trouwde op 7 maart 1916 met Johan Frederik baron van Haersolte, wethouder van Zwolle, rechter-plaatsvervanger en dijkgraaf. Zij kregen samen vier kinderen. Van Haersolte publiceerde onder andere in Onze Eeuw, Leven en Werken en Den Gulden Winckel. Na de Tweede Wereldoorlog publiceerde ze in De Nieuwe Stem en Overijssel, Jaarboek voor cultuur en historie.

 

Uit: Het joodsche lied’ door Jacob Israël de Haan

 

„Er ligt geen verwijt aan den auteur De Haan in deze woorden. We moeten daarlaten, of er een kleineering van den mensch in gezocht moet of kan worden. Want wie zal bepalen of de bron van een geluk de waarde van hem dien ze gelukkig maakt doet tanen? Voor den ingewijden beschouwer dezer verzen zal het schokkend, verontrustend blijken, dat Gods woord -

 

En God sprak: ‘Ik, Ik vaag de wolken voort,

Als wolken veeg Ik uw zonden voorbij.

Want uw hartdaad was en uw drijvend woord

Als Mijn open hemel is uw hart Mij.

 

in precies gelijke mate syncopisch gerythmeerd klinkt als het relaas van Jacob Israël de Haan's jeugdvaart van het ouderlijke Zaandam naar het groote Amsterdam:

 

Toen mijn vader, des morgens in den zomer,

Mij plotsling verrast op reis medenam.

Klaar als een waker, verrukt als een droomer,

Verliet ik met de boot den lagen Dam.

 

Ook zal het dien beschouwer in onrust brengen, dat iedere zinsdeel-combinatie tot drie-, vier- of vijfvoudige alliteratie aanleiding moet geven. De Haan is in zijn gedichten de functioneele afgedwongenheid van de alliteratie allang voorbij; hij kruidt er zijn wijsgeerig-huppelende zinnen mee, tot een samengaan van klankdrachtigheid en denkbeelden-hypertrophie ze te gronde voert. Daaraan werken het stuipachtige der zinsformatie en de onophoudelijke zelfherhaling van zijn, uit wonderbaarlijke taal-abyssen opgediepte, naamwoorden mee. En nogmaals, door niets zoo hevig als door deze verwrongen onevenredigheden toont De Haan - hem ten heil! - zijn ‘kunst’ onafhankelijk te kunnen houden van zijn kameleontische menschelijkheid. Want meer waarachtig dan fraai is het gezegd: het kunstwerk is een edel gerecht, uit tallooze ingrediënten toebereid; maar welken weg uit alle de maatschappelijke wegen zij volgden, het kunstwerk verliest zijn adel, zoo men, elk der wegen terug-zoekende, den oorsprong niet vindt in de humaniteit.“

 

 

 

Utrecht_Oudegracht_Domtoren

Amoene van Haersolte (23 februari 1890 - 1 augustus 1952)
Utrecht (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

De Duitstalige schrijver B. Traven werd (vermoedelijk op 23 februari) 1890 geboren. Er is heel weinig over hem bekend, omdat hij nooit interviews toestond en opzettelijk iedere poging tot demystificatie dwarsboomde. Over het algemeen wordt hij geïdentificeerd met Ret Marut, het pseudoniem van een Duitse schrijver die zich in anarchistische kringen bewoog. B. Traven werd beroemd met de romans das Totenschiff en Der Schatz der Sierra Madre, maar hij maakte zijn debut met Die Baumwollpflücker in 1925.  Niet alleen over de identiteit van de schrijver bestaat veel onduidelijkheid, ook zijn biografie is in nevelen gehuld. De man die we als "B. Traven" kennen overleed in 1969 in Mexico. Hij stond officieel bekend als Bernhard Traven Torsvan en had het verhaal dat hij de autoriteiten verteld had oncontroleerbaar gemaakt. Volgens zijn papieren was hij geboren in 1892 in San Francisco geboren, een stad die in 1905 volkomen was verwoest door een aarbeving, waardoor alle archieven verloren gingen. Zijn testament vermeldde echter dat hij in 1890 in Chicago geboren was. Als hij dezelfde is als Ret Marut die van 1919 tot 1921 in het anarchistische tijdschrift Der Ziegelbrenner publiceerde, wat waarschijnlijk lijkt, zou hij, als deelnemer aan de Beierse Revolutie standrechtelijk worden geëxecuteerd, maar wist te ontvluchten en publiceerde zijn tijdschrift vanuit Keulen. In 1923 duikt zijn spoor op in de archieven van de Britse vreemdelingenpolitie; de foto van „Otto Feige“ uit Schwiebus is onmiskenbaar Traven. Men vermoedt dat Traven van hier naar Canada is vertrokken en vandaar naar Mexico.

 

Uit: Das Totenschiff

 

Nach dem Aussehen eines Schiffes kann man genau die Beköstigung und Behandlung der Mannschaft beurteilen, sobald man erst einmal eine Weile Salzwasser gerochen hat. Da bildet sich manch einer ernsthaft ein, daß er vom Meere, von Schiffen und Seeleuten etwas verstünde, wenn er ein dutzendmal auf einem Passagierschiff, vielleicht sogar Staatskabine, über Ozeane gefahren ist. Aber ein Fahrgast lernt weder etwas vom Meer noch etwas von einem Schiff und noch viel weniger etwas vom Leben der Mannschaft. Die Stewards sind keine Mannschaft, und die Offiziere sind auch keine Mannschaft. Die einen sind nur Kellner und Hausdiener, und die anderen sind nur Beamte mit Pensionsberechtigung. Der Skipper kommandiert das Schiff, aber er kennt es nicht. Wer auf dem Kamel reitet und den Ort angibt, wo er hinreiten will, weiß nichts von dem Kamel. Der Kameltreiber allein kennt das Kamel, zu ihm spricht das Kamel, und er spricht zu dem Kamel. Er allein kennt seine Sorgen und seine Schwächen und seine Wünsche. So ist es auch mit einem Schiff. Der Skipper ist der Kommandant, der Vorgesetzte, der immer anders will, als das Schiff will. Ihn haßt das Schiff, wie alle Vorgesetzten und Kommandanten gehaßt werden. Und lediglich wenn Kommandanten wirklich einmal geliebt werden, oder es wird gesagt, daß sie geliebt seien, so werden sie nur darum geliebt, weil man in dieser Weise am besten mit ihnen und mit ihren Schrullen zurechtkommt. Aber die Mannschaft ist es, die das Schiff liebt. Die Mannschaft sind die echten und wahren Kameraden des Schiffes. Sie putzen an dem Schiff herum, sie streicheln es, sie kosen es, sie küssen es. Die Mannschaft hat häufig kein andres irgendwo auf dem Lande, er hat seine Frau, er hat seine Kinder. Es haben auch manche Seeleute eine Frau oder Kinder, aber ihre Arbeit mit dem Schiff und auf dem Schiff ist so hart und ermüdend, daß sie nur an das Schiff denken können und die Familie daheim völlig vergessen, weil sie keine Zeit haben, an ihr Zuhause zu denken. Denn wenn sie anfangen wollen, an das Zuhause zu denken, dann beginnen sie gleich zu schlafen, weil sie zu müde sind. Das Schiff weiß ganz genau, daß es keinen Schritt gehen könnte, wenn die Mannschaft nicht wäre.“

 

 

 

 

Traven
B. Traven (vermoedelijk 1890 - 26 maart 1969)

 

 

 

 

De Duitse schrijver David Kalisch werd geboren op 23 februari 1820 in Breslau. Zie ook mijn blog van 23 februari 2009.

 

Uit: Berlin, wie es weint und lacht

 

BERNHARD gewinnt und verliert.

SCHLEPPER die leere Flasche sehend. Ist denn kein Stoff mehr da? Heda, Ferdinand!

FERDINAND. Hm! Was denn?

SCHLEPPER. Sekt her!

FERDINAND sitzen bleibend, laut für sich. I bewahre! Noch länger hier sitzen bleiben. Es kann ja nicht weit vom Morgen sein. Was ist denn die Uhr? – Er sieht nach. Dreiviertel auf Sechs! – Er sieht durchs Fenster. Heller, lichter Tag! Die schöne Nacht wieder um die Ohren geschlagen! Wenn man nicht seinen Profit davon hätte, es wäre nicht zum Aushalten. Aber ich denke, man muß sich nichts daraus machen. Andere Leute leben in den Tag hinein und kommen zu nichts, unsereins lebt in die Nacht hinein und kommt dadurch zu etwas. Er liest in dem Buche.

BERNHARD. Den letzten Louis auf die sept.

EISLEBEN wie oben. Madame et deux! Sept et roi!

BERNHARD. Pfui! – Alles fort! – Alles verloren!

EISLEBEN. Dix et l'as!

BERNHARD. Attention! Zwanzig Louisdor auf die neuf!

EISLEBEN zögert, den Einsatz des Geldes erwartend. Wenn ich bitten darf.

BERNHARD. Auf Ehrenwort!

EISLEBEN. Auf Ehrenwort! Gut! Er zieht ab. Roi et dix! – Roi et Madam! – Neuf et trois! – Sie haben verloren.“

 

 

 

kalisch
David Kalisch (23 februari 1820 – 21 augustus 1872)

 

 

 

 

De Engelse schrijver Samuel Pepys werd geboren op 23 februari 1633 in Londen. Zie ook mijn blog van 23 februari 2007 en ook mijn blog van 23 februari 2009.

 

Uit: The Diary of Samuel Pepys

 

„Friday 22 February 1666/67

Up, and to the office, where I awhile, and then home with Sir H. Cholmly to give him some tallies upon the business of the Mole at Tangier, and then out with him by coach to the Excise Office, there to enter them, and so back again with him to the Exchange, and there I took another coach, and home to the office, and to my business till dinner, the rest of our officers having been this morning upon the Victuallers’ accounts. At dinner all of us, that is to say, Lord Bruncker, [Sir] J. Minnes, [Sir] W. Batten, [Sir] T. Harvy, and myself, to Sir W. Pen’s house, where some other company. It is instead of a wedding dinner for his daughter, whom I saw in palterly clothes, nothing new but a bracelet that her servant had given her, and ugly she is, as heart can wish. A sorry dinner, not any thing handsome or clean, but some silver plates they borrowed of me. My wife was here too. So a great deal of talk, and I seemingly merry, but took no pleasure at all. We had favours given us all, and we put them in our hats, I against my will, but that my Lord and the rest did, I being displeased that he did carry Sir W. Coventry’s himself several days ago, and the people up and down the town long since, and we must have them but to-day. After dinner to talk a little, and then I away to my office, to draw up a letter of the state of the Office and Navy for the Duke of York against Sunday next, and at it late, and then home to supper and to bed, talking with my wife of the poorness and meanness of all that Sir W. Pen and the people about us do, compared with what we do.“

 

 

 

samuel_pepys1
Samuel Pepys (23 februari 1633 – 26 mei 1703)

Portret door J. Hayles, 1666

 

 

 

De Franse dichter Josephin Soulary werd geboren op 23 februari 1815 in Lyon. Zie ook mijn blog van 23 februari 2009.

 

 

Sonnet De Decembre

 

L’hiver est là. L’oiseau meurt de faim; l’homme gèle.

Passe pour l’homme encor ; mais l’oiseau, c’est pitié !

Dans un bouquin rongé des rats plus qu’à moitié

j’ai lu qu’il paie aussi la faute originelle.

 

La bise a mangé l’air, durci le sol, lié

Les ruisseaux. - Temps propice aux heureux ! La flanelle

Les couvre ; au coin du feu le festin les appelle.

Mais les autres ?.. Sans doute ils auront mal prié !

 

Le soleil disparaît sous la brume glacée ;

C’est l’acteur des beaux jours qui, la toile baissée,

Prépare sa rentrée au prochain renouveau ;

 

et, tandis qu’on grelotte, il vient, par intervalle,

regarder plaisamment, l’oeil au trou du rideau,

La grimace que fait son public dans la salle.

 

 

 

 

Soulary
Josephin Soulary (23 februari 1815 – 28 maart 1891)

Muurportret in Lyon

 

 

 

 

De Franse schrijver Henri Meilhac werd geboren op 23 februari 1831 in Parijs. Zie ook mijn blog van 23 februari 2009.

 

Uit: Carmen

 

„SCÈNE PREMIÈRE

MORALÈS, MICAËLA, Soldats, Passants.

Au lever du rideau, une quinzaine de soldats (Dragons du régiment d’Alcala) sont groupés devant le corps de garde, les uns assis et fumant, les autres accoudés sur la balustrade de la galerie. – Mouvement de passants sur la place : des gens pressés, affairés, vont, viennent, se rencontrent, se saluent, se bousculent, etc.

 

CHŒUR

Sur la place

Chacun passe,

Chacun vient, chacun va ;

Drôles de gens que ces gens-là !

MORALÈS.

À la porte du corps de garde,

Pour tuer le temps,

On fume, on jase, l'on regarde

Passer les passants.

[ 396 ]

REPRISE DU CHŒUR

Sur la place

Etc.

Depuis quelques minutes, Micaëla est entrée : – jupe bleue, nattes tombant sur les épaules ; – hésitante, embarrassée, elle regarde les soldats avance, recule.

MORALÈS, aux soldats.

Regardez donc cette petite

Qui semble vouloir nous parler…

Voyez, elle tourne, elle hésite…“

 

 

 

 

Meihac
Henri Meilhac (23 februari 1831 – 6 juli 1897)

Portret door Jules Elie Delaunay

 

 

01-01-10

E. M. Forster, J.D. Salinger, Sven Regener, Rascha Peper, Douglas Kennedy, Rüdiger Safranski, Carry van Bruggen, Joe Orton, Mariano Azuela, René de Ceccatty, Ashfaq Hussain, Kristijonas Donelaitis, Johannes Kinker, Sándor Petőfi, Anne Duden


De Engelse romanschrijver en essayist Edward Morgan Forster werd geboren op 1 januari 1879. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2008 en ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: Howards End

 

ONE MAY as well begin with Helen's letters to her sister.
Howards End,
Tuesday.

Dearest Meg,
It isn't going to be what we expected. It is old and little, and altogether delightful—red brick. We can scarcely pack in as it is, and the dear knows what will happen when Paul (younger son) arrives tomorrow. From hall you go right or left into dining-room or drawing-room. Hall itself is practically a room. You open another door in it, and there are the stairs going up in a sort of tunnel to the first-floor. Three bed-rooms in a row there, and three attics in a row above. That isn't all the house really, but it's all that one notices—nine windows as you look up from the front garden.
Then there's a very big wych-elm—to the left as you look up—leaning a little over the house, and standing on the boundary between the garden and meadow. I quite love that tree already. Also ordinary elms, oaks—no nastier than ordinary oaks—pear-trees, apple-trees, and a vine. No silver birches, though. However, I must get on to my host and hostess. I only wanted to show that it isn't the least what we expected. Why did we settle that their house would be all gables and wiggles, and their garden all gamboge-coloured paths? I believe simply because we associate them with expensive hotels—Mrs. Wilcox trailing in beautiful dresses down long corridors, Mr. Wilcox bullying porters, etc. We females are that unjust.
I shall be back Saturday; will let you know train later. They are as angry as I am that you did not come too; really Tibby is too tiresome, he starts a new mortal disease every month. How could he have got hay fever in London? and even if he could, it seems hard that you should give up a visit to hear a schoolboy sneeze. Tell him that Charles Wilcox (the son who is here) has hay fever too, but he's brave, and gets quite cross when we inquire after it. Men like the Wilcoxes would do Tibby a power of good. But you won't agree, and I'd better change the subject.
This long letter is because I'm writing before breakfast. Oh, the beautiful vine leaves! The house is covered with a vine. I looked out earlier, and Mrs. Wilcox was already in the garden. She evidently loves it. No wonder she sometimes looks tired. She was watching the large red poppies come out. Then she walked off the lawn to the meadow, whose corner to the right I can just see. Trail, trail, went her long dress over the sopping grass, and she came back with her hands full of the hay that was cut yesterday—I suppose for rabbits or something, as she kept on smelling it.“

 

 

 

 

Forster

Edward Morgan Forster (1 januari 1879 - 7 juni 1970)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Jerome David Salinger werd in New York geboren op 1 januari 1919. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2008 en ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: The Catcher in the Rye

 

'What?' I said to old Phoebe. She said something to me, but I didn't hear her.  
'You can't even think of one thing.'  
'Yes, I can. Yes, I can.'  
'Well, do it, then.'  
'I like Allie,' I said. 'And I like doing what I'm doing right now. Sitting here with you, and talking, and thinking about stuff, and -'  
'Allie's dead. You always say that! If somebody's dead and everything, and in Heaven, then it isn't really -'  
'I know he's dead! Don't you think I know that? I can still like him though, can't I? Just because somebody's dead, you don't just stop liking them, for God's sake - especially if they were about a thousand times nicer than the people you know that're alive and all.'  
Old Phoebe didn't say anything. When she can't think of anything to say, she doesn't say a goddam word.  
'Anyway, I like it now,' I said. 'I mean right now. Sitting here with you and just chewing the fat and horsing -'  
'That isn't anything really!'  
'It is so something really! Certainly it is! Why the hell isn't it? People never think anything is anything really. I'm getting goddam sick of it.'  
'Stop swearing. All right, name something else. Name something you'd like to be. Like a scientist. Or a lawyer or something.'  
'I couldn't be a scientist. I'm no good in Science.'  
'Well, a lawyer - like Daddy and all.'  
 'Lawyers are all right, I guess - but it doesn't appeal to me,' I said. 'I mean they're all right if they go around saving innocent guys' lives all the time, and like that, but you don't do that kind of stuff if you're a lawyer. All you do is make a lot of dough and play golf and play bridge and buy cars and drink martinis and look like a hot-shot. And besides. Even if you did go around saving guys' lives and all, how would you know if you did it because you really wanted to save guys' lives, or you did it because what you really wanted to do was be a terrific lawyer, with everybody slapping you on the back and congratulating you in court when the goddam trial was over, the reporters and everybody, the way it is in the dirty movies? How would you know you weren't being a phoney? The trouble is, you wouldn't.'  
I'm not too sure old Phoebe knew what the hell I was talking about. I mean she's only a little child and all. But she was listening, at least. If somebody at least listens, it's not too bad.  
'Daddy's going to kill you. He's going to kill you,' she said.“

  
 
 

SalingerTime
J.D. Salinger (New York, 1 januari 1919)

Cover Time van 15 september 1963

 

 

 

 

De Duitse schrijver en musicus Sven Regener werd geboren op 1 januari 1961 in Bremen. Zie ook mijn blog van 1 januari 2008  en ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: Neue Vahr Süd

 

1. HARRY Am letzten Tag, bevor er zur Bundeswehr mußte, war Frank Lehmann in keiner guten Stimmung. Es war der 30. Juni, ein Montag, und er hatte nichts zu tun, es gab nicht einmal irgendwelche Scheinaktivitäten, in die er sich hätte stürzen können, um seine Gedanken von der unausweichlichen Tatsache abzulenken, daß er sich am nächsten Tag in der Niedersachsen-Kaserne in Dörverden/Barme einzufinden hatte, um dort seinen Dienst als Soldat zu beginnen. Das schöne Wetter machte die Sache nicht besser, im Gegenteil, hätte es wenigstens geregnet, dann hätte er vielleicht zu Hause in seinem Zimmer bleiben können, wäre mit einem Buch und einer Tasse Tee auf seinem Bett liegengeblieben und hätte den Tag vergammelt, aber das ging bei schönem Wetter nicht.
Genau das impfen sie einem als kleinem Kind schon ein, dachte er, als er am Vormittag in seinem alten Opel Kadett sinnlos durch Bremen fuhr, daß man bei schönem Wetter auf keinen Fall zu Hause bleiben darf, das kriegt man nie wieder raus, dachte er, als er sich ein bißchen am Osterdeich ans Weserufer setzte und darauf wartete, daß ein Bockschiff vorbeikäme, dem er hinterherschauen konnte, dabei ergibt das für jemanden, der zwanzig Jahre alt ist und gerade ausgelernt hat, überhaupt keinen Sinn, bei schönem Wetter draußen herumzuhängen, dachte er, als er wieder im Auto saß und zurück in die Neue Vahr Süd fuhr, einem großen Neubauviertel im Osten von Bremen, wo er noch immer bei seinen Eltern wohnte, und das ist ja auch Quatsch, mit zwanzig noch bei seinen Eltern zu wohnen, dachte er, eigentlich ist das eine Schande, Manni wäre das nie passiert, dachte Frank und merkte wieder einmal, wie sehr ihm sein großer Bruder fehlte, seit der aus Bremen weg nach Berlin gegangen war. Mit Manni hätte er sich jetzt gerne unterhalten, Manni hätte irgendwas gesagt, das einen aufgemuntert hätte, dachte er, als er durch das Einkaufszentrum Berliner Freiheit schlenderte,
Manni weiß immer irgendeinen Ausweg, oder jedenfalls sagt er immer etwas, das die Sache in einem anderen Licht darstellt, dachte er, oder er hat irgendeine Idee, obwohl er, was diese Bundeswehrsache betrifft, auch nur Quatschideen im Kopf hatte, dachte Frank, aber ich habe noch nicht einmal das, dachte er, bei mir reicht's noch nicht einmal für Quatschideen, ich weiß noch nicht einmal, wie alles überhaupt so weit kommen konnte.“

 

 

 

 

Sven_Regener
Sven Regener (Bremen, 1 januari 1961)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Rascha Peper (pseudoniem van Jenneke Strijland) werd geboren op 1 januari 1949 in Driebergen. Peper studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Amsterdam. Na haar studie werkte ze enige tijd als lerares. Ze verhuisde in 1983 vanwege het werk van haar partner naar Wenen. Daar begon ze met schrijven. In 1990 debuteerde ze met de verhalenbundel De waterdame. Haar eerste roman, Oesters, verscheen in 1991. De roman Rico's vleugels werd in 1994 genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In 1996 won ze de Multatuliprijs voor Russisch blauw. In het najaar van 1999 verhuisde Peper naar New York.

 

Uit: Russisch blauw

 

Wensen? Nee, hoor, nee. Een bloeiende plant vond ze altijd leuk. Maar dat was niets bijzonders. Was er niet iets speciaals dat ze graag wilde hebben, een echt cadeau?
Het bleef even stil aan de andere kant. Dit waren moeilijke vragen voor zijn moeder.
‘Nou,’ zei ze toen, ‘nu je het vraagt: gisteren brak het handdoekenrekje in de keuken opeens af. Waar ik altijd de handdoek en theedoek aan heb hangen, weet je wel? Misschien is een nieuw han…’
‘Mamma!’ riep hij. ‘Als u een nieuw handdoekenrekje wilt hebben, dan breng ik dat met plezier een keer mee. Maar u denkt toch niet dat ik op uw zestigste verjaardag met een handdoekenrekje aan kom zetten.’
‘O, nee, nee…’ zei zijn moeder geschrokken. ‘Dan… dan moet je zelf maar wat bedenken, jongen. Ik vind alles leuk, hoor, gerust wel. Doe maar niet te veel moeite.’

 

 

 

 

raschapeper
Rascha Peper (Driebergen, 1 januari 1949)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Douglas Kennedy werd geboren op 1 januari 1955 in New York. Hij studeerde in Dublin en woont in Londen. Hij werkte onder andere als journalist voor The Sunday Times en Esquire en schreef hoorspelen voor de BBC. Zijn eerdere boeken waren thrillers, een ervan werd in vijftien talen vertaald. Met de The Pursuit of Happiness (2001) sloeg hij een nieuwe weg in. Er volgden o.a. A Special Relationship,State of the Union. The Woman in the Fifth en Leaving The World. In 2007 ontving hij de Franse onderscheiding Chevalier de l'Ordre des Arts et des Lettres. Zijn roman The Dead Heart was de basis voor de film Welcome to Woop Woop uit 1997.


Uit: State Of The Union

 

„AFTER HE WAS arrested, my father became famous.
It was 1966 - and Dad (or John Winthrop Latham, as he was known to everyone except his only child) was the first professor at the University of Vermont to speak out against the war in Vietnam. That spring, he headed a campus-wide protest that resulted in a sit-down demonstration outside the Administration Building. My dad led three hundred students as they peacefully blocked the entrance for thirty-six hours, bringing university executive business to a standstill. The police and National Guard were finally called. The protestors refused to move, and Dad was shown on national television being hauled off to jail.
It was big news at the time. Dad had instigated one of the first major exercises in student civil disobedience against the war and the image of this lone, venerable Yankee in a tweed jacket and a button-down Oxford blue shirt, being lifted off the ground by a couple of Vermont state troopers, made it on to newscasts around the country.
'Your dad's so cool!' everybody told me at high school the morning after his arrest. Two years later, when I started my freshman year at the University of Vermont, even mentioning that I was Professor Latham's daughter provoked the same response.
'Your dad's so cool!' And I'd nod and smile tightly, and say, 'Yeah, he's the best.'
Don't get me wrong, I adore my father. Always have, always will. But when you're eighteen - as I was in '69 - and you're desperately trying to establish just the smallest sort of identity for yourself, and your dad has turned into the Tom Paine of both your home town and your college, you can easily find yourself dwarfed by his lanky, virtuous shadow.
I could have escaped his high moral profile by transferring to another school. Instead, in the middle of my sophomore year, I did the next best thing: I fell in love.
Dan Buchan was nothing like my father. Whereas Dad had the heavyduty WASP credentials - Choate,
Princeton, then Harvard for his doctorate - Dan was from a nowhere town in upstate New York called Glens Falls. His father was a maintenance man in the local school system, his late mother had run a little manicure shop in town and Dan was the first member of his family to go to college at all, let alone medical school.“


 

Douglas_Kennedy
Douglas Kennedy (New York, 1 januari 1955)

 

 

 

 

De Duitse schrijver en filosoof Rüdiger Safranski werd geboren op 1 januari 1945 in Rottweil. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: Romantik

 

„Was man um 1800 die ›Romantische Schule‹ genannt hat, was sich um die Gebrüder Schlegel versammelte, was sich in deren kurzlebiger, aber heftiger Zeitschrift »Athenäum« selbstbewußt und bisweilen doktrinär zu Wort meldete, dieser entfesselte Spekulationsgeist des philosophischen Beginns von Fichte und Schelling, was in den frühen Erzählungen von Tieck und Wackenroder bezauberte als Vergangenheitssehnsucht und als neu erwachter Sinn für das Wunderbare, diese Hinneigung zur Nacht und zur poetischen Mystik bei Novalis, dieses Selbstgefühl des Neuanfangs, dieser beschwingte Geist einer jungen Generation, die zugleich gedankenschwer und verspielt auftrat, um den Impuls der Revolution in die Welt des Geistes und der Poesie zu tragen – diese ganze Bewegung hat selbstverständlich eine Vorgeschichte, einen Anfang vor dem Anfang.

Die jungen Leute, denen es nicht an Selbstbewußtsein mangelte, wollten einen neuen Anfang setzen, aber sie setzten doch auch fort, womit eine Generation früher der ›Sturm und Drang‹ begonnen hatte.

Johann Gottfried Herder, der deutsche Rousseau, hatte den Anstoß dazu gegeben. Und deshalb kann man die Geschichte der Romantik mit dem Augenblick beginnen lassen, da Herder 1769 zu einer Seereise nach Frankreich aufbrach, überstürzt und fluchtartig, überdrüssig der beengenden Lebensverhältnisse in Riga, wo sich der junge Prediger mit den Orthodoxen herumschlagen mußte und in ärgerliche literarische Fehden verwickelt war. Unterwegs kommen ihm Ideen, die nicht nur ihn beflügeln werden.

Herder sticht also in See. Hier beginnt unsere Reise auf den Spuren der Romantik und des Romantischen in der deutschen Kultur. Sie führt nach Berlin, Jena, Dresden, wo die Romantiker ihre Hauptquartiere aufgeschlagen hatten und wo sie das Feuerwerk ihrer Ideen abbrannten. Wo sie träumten, kritisierten und phantasierten.

Die Epoche der Romantik im engeren Sinne endet bei Eichendorff und E.T.A. Hoffmann, romantische Entfesselungskünstler und doch auch anderweitig gebunden. Der eine ein guter Katholik und Regierungsrat, der andere ein liberaler Kammergerichtsrat. Beides Doppelexistenzen, die nicht auf Romantik festgelegt sind. Eine kluge, eine lebbare Form der Romantik.“

 

 

 

 

safranski
Rüdiger Safranski (Rottweil, 1 januari 1945)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Carry van Bruggen (eig. Caroline Lea de Haan) werd geboren in Smilde op 1 januari 1881. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: Palestina

 

„Nu zal het weldra weer een jaar geleden wezen, dat hij viel, Jacob Israël de Haan, mijn broer. Tot flauwe echo's zijn ze geworden, uit een verleden dat soms al ver lijkt, de vele betuigingen: hoe jammer het was dat hij zoo jong en zoo gewelddadig sterven moest. Het leek ook wel wreed en onnatuurlijk. Maar nu het zoo was.... waar is het onderscheid tusschen veertig en tachtig, tusschen niet meer te zijn en nooit geweest te zijn?

Dan, het gewelddadige van zijn einde. Ik heb dat toch al vrij gauw in harmonie met zijn leven kunnen voelen. Hij paste niet bij de menschen en daarom hebben ze hem uit hun midden, uit hun wereld verwijderd. Om twee dingen was het dat hij niet bij hen paste. Het eerste dat hij veel te veel gaf, het tweede dat hij veel te veel vorderde.

Nooit in mijn leven heb ik iemand gekend, in wien de ‘sense-of-property’ zoo volkomen ontbrak als in hem. De minste vleug, de flauwste schijn van liefde, vriendschap of maar wederzijdsche ingenomenheid was hem kostbaarder dan het kostbaarst bezit. Tot het scheppen, bevestigen, bestendigen van liefde, vriendschap of maar ingenomenheid zou hij zijn mooiste, zijn beste weggegeven hebben. Wilden we dat een geschenk, een boek, ook wezenlijk van hem zou zijn, dan schreven we erin: ‘Dit mag niet weggegeven worden.’ Niet om hem te dwingen het te behouden, maar om anderen te dwingen het af te wijzen! Zoo gaf hij zijn geld, zijn tijd, zijn nachtrust, zijn groote, vele talenten -, altijd meer aan menschen dan aan idealen, aan geïdealiseerde menschen, om met hen in die atmosfeer van liefde, vriendschap, toegenegenheid, die hem onontbeerlijk was, te mogen ademen. Tegen elke evidentie in, tegen beter weten in. Wat kunnen de menschen daarvan begrijpen? De menschen en de wereld van ‘Al te goed is buurmans gek’, van ‘Les bons comptes font les bons amis,’ van ‘Handel scheidt vriendschap’ en ‘Zaken vóór het meisje?’. Wij hoorden die dingen al in onze jeugd en ze deden ons beiden pijn, maar hij bleef ze loochenen metterdaad en leefde ertegen in. Hebben niet zijn felste vijanden zijn belangeloosheid luid geprezen? Dat hij werkte voor anderen en zelfs geen kosten vergoed wilde, toen hij nauwelijks leven kon. De volupteit van het geven werd verhoogd door de ontbering. Maar de wereld weet dat niet en zelfs de bevoordeelden, de begiftigden stoot het vaak af. Want het is immers niet ‘normaal’. Velen heeft hij vervreemd door te snel en te veel te willen geven.“

 

 

 

 

VanBruggen
Carry van Bruggen (1 januari 1881 - 16 november 1932)

 

 

 

 

 

De Britse schrijver Joe Kingsley Orton werd geboren in Leicester op 1 januari 1933. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: Leonie Orton Barnett on her brother Joe Orton (door Aleks Sierz)

 

Did you always know that Joe was gay?

Oh no. I don’t think he was gay when he left Leicester [in 1951]. He’d only had very mild sexual experiences. There was that guy in the pictures [cinema] who was masturbating and all that. And there were the women that he met through the amateur dramatics. And he was really smitten with them. But women gave him a hard time. They didn’t take him seriously. To them, he was just a little boy. He was 16 and 17, but he looked younger.
Of course, he was looking for love. He was looking for somebody who was on his wavelength, and he found that in London. I think he really respected Kenneth. And I think that John Lahr makes the point that the idea was always that they would read and they would write together. They would get published. Or rather he, Kenneth, would get published. And he would be famous. And he would always have this pretty boyfriend. This pretty thing, Joe.

Joe was your Mum’s favourite?

Oh, absolutely. Her first child. And she was much kinder to her boys than she was to her girls. That’s all standard for the time.

I
n Lahr’s book, it sounds like everybody hated Halliwell. Is that true?

No, it’s not. I just don’t know where he got that from. Because Peggy certainly never gave him that idea. Peggy always said about Kenneth, after Joe’s success, “Poor Kenneth, he fell behind.” And that’s a direct quote. And I suppose that [after Joe’s success] people didn’t want Kenneth. Joe had outgrown that life. That monkish existence that they lived in the early days, in the flat. He clearly left it behind, and then you see Kenneth became, as they say, the fly in the ointment.
Don’t forget that in the beginning Kenneth was Joe’s mainstay; Kenneth was the mentor. He said, “This is what we’re going to read; this is how we’re going to think,” you know. He taught him manners, he taught him mannerisms, he taught him all sorts of fundamental stuff that Joe wouldn’t have known. Joe wouldn’t have known how to socialise with people. But then Joe took to it like a fish to water and satirised it all. He challenged society’s fervently held moral values through satire, exploding myth after myth. So Peggy’s right in many ways. Poor Kenneth did fall behind. And then he was ill. And I think it is significant that Joe’s last play [
What the Butler Saw] was set in a psychiatrist’s clinic. Poor Kenneth was in an absolute mess. He was taking anti-depressants, Mogadon to make him sleep. It’s a bit like Michael Jackson, isn’t it? Uppers and downers all over the place.“

 

 

 

Orton
Joe Orton (1 januari 1933 - 9 augustus 1967)

 

 

 

 

 

De Mexicaanse schrijver en medicus Mariano Azuela González werd geboren in Lagos de Moreno op  1 januari 1873. Azuela studeerde chirurgie aan de Universiteit van Guadalajara. Azuela is vooral bekend wegens zijn romans over de Mexicaanse Revolutie, die hij van dictbij meemaakte. Onder Francisco I. Madero was hij regionaal leider (jefe politico) van zijn geboortestreek en na Madero's dood sloot hij zich aan bij de troepen van Pancho Villa, waar hij werkte als dokter. Na diens nederlaag zag hij zich gedwongen naar Texas te vluchten, waar hij Los de abajo (Engels: The Underdogs) schreef, zijn bekendste werk. In 1917 keerde hij terug naar Mexico en ging in Mexico-stad wonen, waar hij tot zijn dood in 1952 als dokter werkzaam bleef.

 

Uit: The Underdogs (Vertaald door E. Munguia jr.)

 

„That's no animal, I tell you! . . . Listen to Palomo barking! It must be a human being.
The woman stared into the darkness of the sierra.
"What if they're Federals?," said a man who sat squatting and eating, a coarse earthenware plate in his right hand, three folded tortillas in the other.
The woman made no answer; all her senses were directed outside the hut.
The beat of horses' hoofs rang in the quarry nearby. Palomo barked again, louder and more angrily.
"Well, Demetrio, I think you had better hide, all the same."
Stolidly, the man finished eating; he reached for a water jug and gulped down the water in it. Then he stood up.
"Your rifle is under the mat," she whispered.
A tallow candle illumined the small room. In one corner stood a plow, a yoke, a goad, and other agricultural implements. An old adobe mold hung by ropes from the roof and served as a bed; on it a child slept, covered with rags.
Demetrio buckled his cartridge belt about his waist and picked up his rifle. Tall and well built, with a sanguine, beardless face, he wore shirt and trousers of white cloth, a broad-brimmed straw hat, and leather sandals.
With slow, measured step, he left the room, vanishing into the impenetrable darkness of the night.
Palomo, excited to the point of fury, had jumped over the corral fence. Suddenly a shot rang out. The dog moaned, then barked no more.
Men on horseback rode up, shouting and swearing. Two of them dismounted, while the other hung back to watch the horses.
"Hey, there, woman, we want food! Eggs, milk, beans, anything you've got! We're starving!"

"Damned sierra! It would take the Devil himself not to lose his way!"
"Sergeant, even the Devil would go astray if he were as drunk as you are."
One of them wore chevrons on his shoulders, the other red stripes on his sleeves.
"Whose place is this, old woman? . . . What the . . . Isn't anybody home?"
"What about that light and that child there? Look here, woman, we want to eat, and damn quick, too! Are you coming out, or are we going to make you?"

 

 

 

Mariano_Azuela
Mariano Azuela (1 januari 1873 - 1 maart 1952)

 

 

 

 

De Franse schrijver, essayist en vertaler René de Ceccatty werd geboren op 1 januari 1952 in Tunis. Hij vertaalt vooral uirt het Japans en het Italiaans en is en van de beste kenners van het werk van Pier Paolo Pasolini, Violette Leduc en van de Italiaanse literatuur in het algemeen. Zijn romans Aimer (1996), Consolation provisoire (1998), L'Éloignement (2000) en Une fin (2004) vormen een tetralogie en kan men scharen onder de noemer auto-fictie.

 

Uit: Une fin

 

„On pourra appeler ça de la folie. Et c'est probablement le mot qui reviendra le plus souvent pour décrire cette période de ma vie qui suivit non la rupture, mais l'acceptation de la rupture.J'ai d'abord été le seul témoin de la dégradation de ma personnalité : c'est en ces termes que je résumais le spectacle quej'offrais à mon oeil intérieur. Même évidence que celle que me livrait le reflet de mon visage du délabrement des traits, affaissement des muscles, ouverture des plis, ternissement des cristaux, engrisaillement du teint, de la progression de l'inexpressivité ou de l'expression involontaire.“

 

 

 

 

ceccatty
René de Ceccatty (Tunis, 1 januari 1952)

 

 

 

 

De Canadess-Pakistaanse (Urdu) Ashfaq Hussain werd geboren op 1 januari 1951 in Karachi, Pakistan. Hij publiceerde al meer dan tien bundels met gedichten en literaire kritieken. Ook wordt hij beschouwd als een van de grootste experts op het gebied van leven en werk van grote Urdu dichters als Faiz Ahmed Faiz en Ahmad Faraz.

 

 

A Suggestion

 

You think
that by wearing a green spectable
these dry meadows
will turn verdant and fresh
these hapless harvests
will pluck out their autumnal garb
like a dry leaf
at the hands of which merciless winds,
loses its being.

 

You think
that just because of the laughter on your lips
the bitterness of this environment
will self-destruct and die
but this is not possible.

 

Why not snatch the trembling helplessness
from the lips of our environment?
Let us pluck out the moonlight
which hides behind a ruined wall,
let us look for light.
Life is our birthright
Let us save it from death.

 

 

 

 

AshfaqHussain
Ashfaq Hussain (Karachi, 1 januari 1951)

 

 

 

 

 

De Pruisische-Litouwse dichter Kristijonas Donelaitis werd geboren op 1 januari 1714 in Lasdinehlen bij Gumbinnen in het oostelijk deel van Oost-Pruisen. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

 

Winter Cares (Fragment)

 

Look yon! What great, fierce fangs the beast of winter bares !
What sullen northern winds roll here to harry us !
On the grim lakes and ponds translucent windows form,
Like shining mirrors fashioned by a glazier's hand.
The pools, where swam the fish and leaped and dived the frogs,
Because of winter's threats, have put on armor plate,
So now in dark retreats drowse all the water folk.
See how the winter's breath enthralls the barren fields,
How lowland, swamp, and marsh all hard-fixed frowns take on,
And how the mire has stubborn grown and ceased to splash.
The dreary autumn roads, struck by the north wind's might,
Under the wagon wheels resound like kettle drums,
And pound the human ear many a league away.
So now the world salutes the winter on the march.

 

Yea, 'tis a proper time; the Yuletide feast is near,
And the Advent in a few days will be no more.
The autumn, like an elephant asplashing mire
And rolling in the mud, had all of us worn out.
While putting on bast shoes or pulling up high boots,
We cursed the autumn rains and never-ending slush.
Even the noble lords, racing by on horse back,
Wrapped tight in rain-proof coats and wearing new high-boots,
Splashed through the squashy mud and roundly cursed the fall.
And so the populace, with eyes upon the north,
Denounced the autumn's mire and longed for winter's haste.

 

 

 

 

Bust_of_Kristijonas_Donelaitis_in_Tolminkiemis
Kristijonas Donelaitis (1 januari 1714 – 18 februari 1780)

Buste, gemaakt door Rimantas Lazdynas, in Tolminkiemis

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, filosoof en advocaat Johannes Kinker werd geboren in Nieuwer-Amstel op 1 januari 1764. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Nieuwejaarswensch van Thomas en Pieternel, in de Bruiloft van Kloris en Roosje, voor den eersten van louwmaand 1802. Op verzoek van eenige tooneelkunstenaars van den Amsterdamschen schouwburg vervaardigd, doch niet uitgesproken. (Fragment)

 

Tweespraak.

 thomas.

 Wel, pieternel, ik laat me hangen! -

 Ik weet niet hoe ik 't aan zal vangen:

 Want Nieuwjaarsdag komt altijd weêr,

 't Is altijd wenschen keer op keer.

 't Verveelt me om (hoe ik 't aan mag leggen)

 Op nieuwe-jaar iets ouds te zeggen.

pieternel.

 Zeg dan wat nieuws van 't oude jaar:

 Zulks wacht men toch niet thomas-vaâr!

 thomas.

 Laat ik me daar eens op bezinnen! -

 Ei kijk! - Daar schiet het me te binnen.

 't Verloopen jaar was juist 't jaar Één,

 Dat, eer het uit ons oog verdween,

 Het nieuw weêr oud, en de oude zaken

 Behendig weder nieuw kwam maken.

 Dat is (ten minste, 't heugt me niet)

 Nog nooit in zulk een jaar geschied.

 

 (Zich tot de aanschouwers wendende.)

 

 Gij zaagt daarin, ô Amstelaren!

 Het woest gedruisch des krijgs bedaren;

 God Mavors naar Sint-Felten varen;

 Ons Staatsschip dobbren op de baren,

 En naar een andre haven varen,

 Om 't voor het stranden te bewaren.

 Gij zaagt twee dingen zamen paren,

Die eerst elkaâr vijandig waren;

 Het oude naast het nieuwe scharen,

 Om zóó 't verstrooide te vergâren,

 En elk de moeite te besparen

 Van regts en averregts te varen,

 Gelijk men deed sinds vele jaren.

 Gij zaagt 't verwarde kluwen garen,

 Waarmeê men 't langer niet kon klaren,

 Met fijne politieke scharen,

 Door Meesters, in de kunst ervaren,

 Aan endjes knippen en bewaren,

 Om 't oude speeltuig te besnaren.

 ô Ja, dit zaagt gij Amstelaren! -

 

 

 

 

kinker
Johannes Kinker (1 januari 1764 – 16 september 1845)

 

 

 

De Hongaarse dichter Sándor Petőfi werd geboren in Kiskőrös op 1 januari 1823. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

 

 

I'll Be a Tree

 

I'll be a tree, if you are its flower,

Or a flower, if you are the dew- 

I'll be the dew, if you are the sunbeam,

Only to be united with you.

 

My lovely girl, if you are the Heaven,

I shall be a star above on high;

My darling, if you are hell-fire,

To unite us, damned I shall die.

 

 

 

Vertaald door Egon F. Kunz

 

 

 

 

 

Der Traum

 

Der Traum,
der uns ins Land erfüllter Sehnsucht lenkt,
ist wohl das Schönste, was Natur uns schenkt,
ein Glück, das uns vergönnt im Wachen kaum.
Der Arme friert im Traum nicht mehr,
die Qual des Hungers ist gestillt,
er geht in schöne Kleider eingehüllt,
im herrlichsten Gemach auf Teppichen umher.
Der König selbst vergißt,
daß es sein Amt zu strafen und zu richten ist,
schläft friedlich, unbeschwert.
Der Jüngling, dessen Herz verzehrt
verschmähte Liebeslust,
schmilzt hin an der begehrten Brust.
Ich aber brech entzwei
im Traum die Ketten aller Sklaverei!

 

 

 

 

Wie der Rosenbusch

 

Wie der Rosenbusch am Hügel dort
lehne dich an mich, geh nicht mehr fort!
Flüstre mir ins Ohr: Ich bin dir gut!
Ach, wie wohl das meinem Herzen tut!

 

Wie der Sonne Bild sich badend schmiegt
in den Fluß, von seiner Flut gewiegt,
schmiege, Liebste, dich an meine Brust!
Wiegen will ich dich nach Herzenslust!

 

Gottesleugner nennt mich manch ein Wicht,
doch, mein Engel, glaub den Schwätzern nicht.
Betend lausch ich deines Herzens Schlag,
fromm, wie es kein andrer wohl vermag.

 

 

 

 

Vertaald door Martin Remané

 

 

 

 

schilderijpetöfibekangepast
Sándor Petőfi (1 januari 1823 - 31 juli 1849)

Schilderij van Mihály Munkácsy

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 1 januari 2009.     

 

De Duitse dichteres en schrijfster Anne Duden werd geboren op 1 januari 1942 in Oldenburg.

31-12-09

Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Arjen Duinker, Kingbotho, Irina Korschunow, Nicholas Sparks, Stephan Krawczyk, Nicolas Born, Dieter Noll


De Duitse dichter schrijver Bastian Böttcher werd op 31 december 1974 in Bremen geboren. Zie ook mijn blog van 31 december 2006 en ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

 

Dran glauben

 

Häng deine Hoffnung

an ein Plastikschwein made in Taiwan

Häng deine Hoffnung

an ein Pflasterstein und andern Kleinkram

Zur Show gibt es Kitsch

Zum Popstar das Image

Zur Schönheit die Bräunung

Zum Glück gibt’s die Täuschung

Also:

Dran glauben!

Kram kaufen!

Augen schließen!

Den Schwindel genießen!

Häng deine Ziele an den Masterplan von Microsoft

Häng deine Ziel an die Straßenbahn zum Luxusloft

Zum Reichtum gibt’s Schätze

Zum Brechen Gesetze

Zur Unschuld die Leugnung

Zum Glück gibt’s die Täuschung

 

 

 

 

Babylon 2.8

 

Berlin, Paris, London, Ballermann, Balaton.

Wir leben in Babylon 2.8.

Reden wie im Mythos – verdreifacht geregeltes Mediengerede,

und speisen’s in Festplatten, Köpfe und Geräte.

So wie in Babel in der Bibel lieben People die Piepen,

und die, die dienen, verdienen viel weniger, als sie verdienten.

Google mal Babylon! Babel mal Googylon,

Bubblegum, Goodie, Booty, Party on, Babylon!

Während wir Wörter wie Werte verwirren,

werden wagenweise Waren vertrieben. Und im Gehirn

platzen Dotcom-Hypotheken-Sprechblasen wie Pustefix.

Komplett Geplättete fragen mich, warum tuste nix.

Propaganda geht runter wie Öl und rauf wie Ölpreise,

nur wer sich selbst umschaut, wird auf seine Weise weise.

Google mal Babylon! Babel mal Googylon,

Bubblegum, Goodie, Booty, Party on, Babylon!

Bubble ma goodylon! Goody ma Babylon,

Berlin, Paris, London, Ballermann, Balaton.

 

 

 

 

 

BastianBoett01
Bastian Böttcher (Bremen, 31 december 1974)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter, publicist, rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde op 31 december 1881. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

 

Antwerpsche libertijnen

 

1

Uw stad was machtig en uw vorstlijk volk van zinnen fel,

In koop- en kaapvaart kloek.

Hoe klaar beeldt gij hun werk en spel

In uw schoon boek.

 

Ik las, ik las verheugd en vond voor het hongrend hart schoon,

In vreugdenloozen tijd

Dus worde u, veel of weinig loon

Mijn lied gewijd.

 

 

2

Geen kapers kloeker en in geene stormen stouter schuimer

Dan een Antwerpsche maat

Zij meten zeeën, ruwer, ruimer

Dan één volk gaat.

 

Maar werven winsten ook méér dan één volk, het vol vertier

Dringt over brug, door poort

Langs weg en water, vaart en veer

Ter Scheldeboord.

 

Daar woelt de vlotte vreugd, vrij door de bonte havenbuurt

Tot in den laten nacht,

Want elk schip boordvol uitgestuurd

Keert schatbevracht.

 

En elke maat, die met zijn zeiler veilig binnenkomt

Brengt van zijn blijde jeugd

Schat, ongewogen, onbesomd

Aan lust en vreugd.

Want in geen stad bloeien zoo schoon de zinnelijke knapen,

Handen smal, rank van voet,

De mond voor lach en min geschapen,

Het hart in gloed.

 

O, jeugd, o jeugd, o schat, die zonder zorgen uitgegeven,

Herwint geen spaarzaamheid,

O, lieve lente van het leven,

Meer dan de oogsttijd.

 

Als drijvers jeugd en lust dringen wilden in ban en band,

Streed het volk nooit getemd,

En brak met wraakwoedende hand,

Wat zinnen klemt.

 

Gent, Brugge noch Brussel, waar het volk voor zijn zinnenvrijheid

Zóó juichend streed en viel

Zijn leus: ‘Niet min der zinnen blijheid

Dan 't heil der ziel.’

 

 

 

 

dehaan_als_arabier
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 - 30 juni 1924)

De Haan hier gekleed als Arabier

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

 

De steen bloeit

 

De steen bloeit.
De steen die niet kan bloeien,
Wat bloeit die steen.

Zijn bloesems zijn veelkleurig.
Gekleurd als de wolken wanneer de maan hen beschijnt,
Gekleurd als jouw ogen, liefste,
En warm.
Gekleurd als vrolijke ideeën,
Veelkleurig als golven die tot aan de horizon golven.

Wat bloeit de steen,
Wat bloeit de steen die niet kan bloeien...

Hij geurt naar de wind die het gehuil uiteenslaat,
Hij geurt naar het vanzelfsprekende,
Naar bloed,
Gepofte kastanjes,
Drukte in de straten.
Hij geurt naar een vrijheid van zien en voelen
En betovert veelkleurige vlinders.

Zo bloeit de steen,
De steen die niet kan bloeien.
Ik kom terug,
Ik kom terug, liefste, met een van zijn bloesems.

 

 

 

 

Overzicht

 

Toen je ouder dan 50 was,
At je alleen nog kreeften en splinters.

Toen je ouder dan 40 was,
Keek je naar gozers met flitsende heupen.

Toen je ouder dan 30 was,
Bezocht je Romaanse kerkjes op dinsdag.

Toen je ouder dan 20 was,
Luisterde je steeds naar kale geluiden.

Toen je ouder dan 10 was,
Begon je al van de hel te dromen.

Toen je ouder dan 0 was,
Kocht je een ouderwetse vissersboot.

Toen je ouder dan -10 was,
Sneed je bij herhaling je polsen door.

Toen je ouder dan -20 was,
Hield je erg van oorlogsdocumentaires.

Toen je ouder dan -30 was,
Spiegelde je graag aan discuswerpers.

Toen je ouder dan -40 was,
Vond je een plek om krankzinnig te zwijgen.

 

 

 

 

arjenduinker
Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

 

 

 

 

De Surinaamse dichter (Kingbotho), percussionist, beeldend kunstenaar, Surinamist, toneelschrijver, regisseur, acteur en maatschappelijk werker Noeki André Mosis werd geboren in het District Marowijne op 31 december 1954. Hij is een marron, behorend tot het Ndyuka-volk, en sinds 1990 woonachtig in Nederland. Van 1972 tot 1980 werkte Mosis voor de Surinaamse Dienst Bodemkartering (voor het in kaart brengen van het binnenland). Van 1980 tot 1990 was hij verbonden aan de afdeling Cultuurstudies van het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Cultuur.

Mosis werkte van 1991 tot 1993 als magazijnmedewerker bij AT&T in Den Haag, en van 1996 tot 1999 als toezichthoudend medewerker bij Werkraat in dezelfde stad. Sinds 1990 is hij verbonden aan de Stichting Het Koorenhuis in Den Haag als medewerker communicatie en voorlichting, en docent Afro-Surinaamse en Afrikaanse percussie. Noeki André Mosis schreef poëzie onder de naam Kingbotho. Van zijn hand verscheen nooit een complete bundel, maar hij gebruikte zijn gedichten wel voor zijn voordrachten. Verspreid werden enkele gedichten in het Ndyuka gepubliceerd, zoals `Mi tyubua' [Mijn woon¬plaats] in de Spiegel van de Surinaamse poëzie.

Tussen 1990 en 1997 schreef en regisseerde Mosis diverse dansdrama’s: Bro [Adem/Geest], Fri Yeye [Vrije geest], Het kapsel en Voetspoor, die zich afspelen binnen verschillende contexten van de Surinaamse samenleving. Buba [Lippen] en Mooi benadrukken het integratieproces in multicultureel Nederland.  Zijn beeldend werk werd geëxposeerd in Suriname, Nederland en Frans-Guyana en bevindt zich ook in collecties elders in de wereld, o.m. in Washington D.C., New York en Hong Kong.

 

 

 

Mijn vaste woonplaats

Loop voorbij dat deel van mijn land,
waar eb en vloed in oneindige beweging
altijd zorgdragen voor het overbrengen van al
wat drijvend is, van de overstromingsvlakten naar de oceaan.

Voorbij dat deel van mijn land,
waar het maaiveld van de klei-afzettingen
onder de waterspiegel ligt.
Sta op een der schollen en rust.

Ga erdoorheen, de dagamabossen in het deklandschap,
waar de pegassen zich ophopen
in de geulen over uitgestrekte arealen.
Sta in het gebleekte broszand van de savana en tuur.

Loop verder, voorbij de plateau’s en de heuveltoppen
van de residuaire gronden, waar ferriet en kwartsgrind
het palet domineren tussen het verweerde graniet
in de dalen, op de hellingen.

De paadjes onder de bossen van de granietgronden
lemig en vruchtbaar,
leiden naar de dorpen
midden in de rivieren.

Daar woon ik.
Een dorp te midden der stroomversnellingen.
De hutten zijn beschilderd met kleuren die spreken:
Harmonische wereld.

Gasten die mijn voetsporen hebben betreden
om mij te bezoeken ontvang ik als mijn vrienden.
Zij die over mijn voetsporen heen willen vliegen
zal ik ontvangen als mijn aartsvijanden.

Ik ben waar ik thuis hoor.

 

 

 

 

 

andremosis
Kingbotho (District Marowijne, 31 december 1954)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Irina Korschunow werd geboren op 31 december 1925 in Stendal in Sachsen-Anhalt. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Uit: Die Sache mit Christoph

 

„Heute haben wir Christoph begraben.

Nein, nicht wir.

Sie haben ihn begraben.

Ich war nicht dabei.

In die Kirche bin ich noch gegangen. Sie liegt oben auf einem Hügel, mitten zwischen den Gräbern,

eine kleine weiße Dorfkirche mit rundem Turm und einem Altarbild ganz in Rosa und Hellblau, von dem Christoph einmal gesagt hatte, dass es sicher ein Gemeinschaftswerk des Oberrieder Jungfrauenvereins sei.

Jetzt stand sein Sarg vor dem Bild. Die Beerdigung sollte um elf anfangen. Kurz vor elf, als ich kam, war die Kirche schon voll. Das halbe Dorf war da, und die Schule natürlich: unsere Klasse, die Parallelklassen, fast sämtliche Lehrer. Die meisten wohnen nicht in Oberried. Sie waren zusammen mit der Bahn herausgefahren, wie bei einem Schulausflug, und eine halbe Stunde zu früh eingetroffen. Ich bekam keinen Platz mehr und musste stehen. Ich stand an der Wand und sah sie

in den Bänken sitzen, einen neben dem andern, die Göbler, Mathe-Mayer, Bio-Mayer, Hansen, den

Musiklehrer. . . Nur der Hansen hatte Christoph gemocht, die anderen nicht, und ich konnte sie kaum aushalten mit ihren dunklen Kleidern und diesen passenden Gesichtern dazu. Der dicke Morgenfeld bekam es sogar fertig, unglücklich auszusehen. Vor ein paar Tagen hatte er noch zu Christoph gesagt: »Das Leben wird Ihnen schon genug blaue Flecken verpassen, Sie arroganter Kerl, und weiß Gott, die gönne ich Ihnen.«

Dass er es überhaupt gewagt hatte herzukommen, nach allem, was geschehen war. Er hätte in die Schule gehen sollen, er und die anderen, vor allem die Göbler, bei der wir im letzten Jahr Deutsch hatten und die wenigstens ehrlich genug war keine Trauermiene aufzusetzen. Niemand von denen hätte kommen dürfen, auch die Klasse nicht. »Die Meute« hatte Christoph sie genannt, obwohl sie ihn nicht gehetzt hatten, weil es nicht ging, weil sie sich nicht rantrauten. Nur Ulrike hätte dabei sein dürfen, Ulrike und ich. Aber da saßen sie und glotzten auf den Sarg und ich biss mir die Lippen kaputt, weil ich es nicht aushalten konnte, dass sie ihn anstarrten, den braunen Sarg

mit Christoph darin, und sich vorstellten, wie er aussähe, vielleicht in einem weißen Hemd und die

Hände gefaltet. Ja, so war es, ich hielt es nicht aus.“

 

 

 

korschunowirina
Irina Korschunow (Stendal, 31 december 1925)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Nicholas Charles Sparks werd geboren in Omaha, Nebraska op 31 december 1965. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Uit: The Wedding

 

It's heartbreaking to think that your wife may not love you, and that night, after Jane had carried the perfume up to our bedroom, I sat on the couch for hours, wondering how this situation had come to pass. At first, I wanted to believe that Jane was simply reacting emotionally and that I was reading far more into the incident than it deserved.
Yet the more I thought about it, the more I sensed not only her displeasure in an absentminded spouse, but the traces of an older melancholy-as if my lapse were simply the final blow in a long, long series of careless missteps.
Had the marriage turned out to be a disappointment for Jane? Though I didn't want to think so, her expression had answered otherwise, and I found myself wondering what that meant for us in the future. Was she questioning whether or not to stay with me? Was she pleased with her decision to have married me in the first place? These, I must add, were frightening questions to consider—with answers that were possibly even more frightening—for until that moment, I'd always assumed that Jane was as content with me as I'd always been with her.
What, I wondered, had led us to feel so differently about each other?
I suppose I must begin by saying that many people would consider our lives fairly ordinary. Like many men, I had the obligation to support the family financially, and my life was largely centered around my career. For the past thirty years, I've worked with the law firm of Ambry, Saxon and Tundle in New Bern, North Carolina, and my income-while not extravagant-was enough to place us firmly in the upper middle class. I enjoy golfing and gardening on the weekends, prefer classical music, and read the newspaper every morning. Though Jane was once an elementary school teacher, she spent the majority of our married life raising three children. She ran both the household and our social life, and her proudest possessions are the photo albums that she carefully assembled as a visual history of our lives. Our brick home is complete with a picket fence and automatic sprinklers, we own two cars, and we are members of both the Rotary Club and the Chamber of Commerce. In the course of our married life, we've saved for retirement, built a wooden swing set in the backyard that now sits unused, attended dozens of parent-teacher conferences, voted regularly, and contributed to the Episcopal church each and every Sunday. At fifty-six, I'm three years older than my wife.“

 

 

 

sparks
Nicholas Sparks (Omaha, 31 december 1965)

 

 

 

 

De Duitse schrijver en musicus Stephan Krawczyk werd geboren op 31 december 1955 in Weida in Thüringen. Hij studeerde muziek in Weimar. Vanaf 1984 was hij liederenmaker en protestzanger in Oost-Berlijn. In 1985 kreeg hij een „Berufsverbot“ en drie jaar later werd hij gearresteerd en uitgezet naar het westen. Hij publiceerde o.a. "Das irische Kind" (1996) en recent  "Feurio" alsook de cd "Die Queen ist in der Stadt".

 

Uit: Steine hüten

 

„Manche sind schöner, wenn sie angezogen sind, bei Margaretha ist es anders, nicht umgekehrt, denn wer nackt schön ist, wäre bekleidet ja nur dann weniger schön, wenn es am Geschmack haperte.

Daran hapert es bei ihr nicht, man kann sogar sagen, ihr Geschmack weiß die Nacktheit zu berücksichtigen, sie trägt keinen Schmuck, ihr Hals, zum Beispiel, braucht weder Kette noch Klunkern, ihre Ohrläppchen bieten sich dem Betrachter nackt und auch seinen Lippen, wenn ihm Margaretha gnädig ist.

Ich empfinde dies als Vorteil an einer Begehrten, weil mir persönlich Metall nicht schmeckt. Wenn ich mich auf einen Abstand von etwa zehn Zentimetern an sie herangepirscht habe - sagen wir, ich sitze mit ihr in einem Strandkorb, warme Sommernacht, alles die Paarung Begünstigende wurde herbeirufen, ist gekommen und anwesend -, tauche ich in ihren Duft ein, und dies ist kein künstlicher Lockstoff, er ist von dem edlen Weibe höchstselbst hergestellt.

Dann fange ich an zu vergessen:

Eigentlich wollte ich mit ihr besprechen, daß es so mit uns nicht mehr weitergeht. Es geht von allein weiter. Sie wölbt ihre Stirn gen Himmel. Wann lag die Nacht heller im Vollmondlicht? Ich sehe sie so gern lächeln, wenn ich ihr Ohrläppchen küsse. Sie schließt die Augen und lächelt beseelt. "Mein Kätzchen", flüstere ich und greife nach ihrer Hand. Die ist feucht geworden. Manchmal wischt sie die Hände vorher am Kleid ab. Aber das nützt meist nichts, bald ist sie wieder feucht. Jetzt ist es ihr egal. Unsere Finger spielen Betasten, Umschließen, Verschränken, während mein Mund immer noch an ihrem Ohrläppchen nuckelt - bis sie schnurrt.“

 

 

 

 

StephanKrawczyk
Stephan Krawczyk (Weida, 31 december 1955)

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Nicolas Born werd geboren op 31 december 1937 in Duisburg. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

 

 

Selbstbildnis

 

»Oft für kompakt gehalten

für eine runde Sache

die geläufig zu leben versteht –

doch einsam frühstücke ich

nach Träumen

in denen nichts geschieht.

Ich mein Ärgernis

mit Haarausfall und wunden Füßen

einssechsundachtzig und Beamtensohn

bin mir unabkömmlich

unveräußerlich kenne ich

meinen Wert eine Spur zu genau

und mach Liebe wie Gedichte nebenbei.

Mein Gesicht verkommen

vorteilhaft im Schummerlicht

und bei ernsten Gesprächen.

Ich Zigarettenraucher halb schon Asche

Kaffeetrinker mit den älteren Damen

die mir halfen

wegen meiner sympathischen Fresse und

die Rücksichtslosigkeit mit der

ich höflich bin.«

 

 

 

 

Miniatur


Käfersammlung, begrenzte Farben, blaue Kohle
meine Taschenuhr hab ich zum Reinigen gebracht
nun ist der Uhrmacher gestorben
Fahrräder surren an seinem Laden vorbei
meine Handschrift, liebesunfähig
unter dem Aschenbecher mit Kippen, Kronkorken
Kugelschreiber schwarz, Not am Mann
Kontoauszug als Lesezeichen im Nabokov (Ada)
das Gesicht unserer Erde: eine Riesenlibelle
vor dick aufgetragenem Abendrot
Großer Teddy auf dem Fenstersims im Hof

 

 

 

 

SchriftstellerNicolasBorn1972

Nicolas Born (31 december 1937 – 7 december 1979)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Dieter Noll werd geboren op 31 december 1927 in Riesa. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Uit: Die Abenteuer des Werner Holt

Dieter ist der Sohn einer halbjüdischen Mutter, die 1943 nach Theresienstadt eingeliefert wurde, und eines nichtjüdischen Apothekers. Ich bin Sprößling einer Frau, die in der Zeit der Weltwirtschaftskrise vom Protestantismus zu den "Zeugen Jehovas" konvertierte - welches Faktum ihr ab 1938 weit über ein halbes Jahrzehnt lebensbedrohlichen Aufenthalts im Frauenkonzentrationslager Ravensbrück einbrachte - und eines Mannes, der als Stabsoffizier der Fliegertruppe und am Ende des Krieges als Kommandeur eines Luftwaffenfeldregiments Dienst tat.
Wir beiden Halbwüchsigen schlossen Freundschaft, wie das so unter 15- (ich) bis 16jährigen (Dieter) Jungen so üblich ist, ohne es zunächst zu bemerken. Ab der 5. oder 6. Klasse der "Oberschule für Jungen", wie das Realgymnasium in der sächsischen Großstadt seinerzeit firmierte, schrieb ich vor Unterrichtsbeginn seine Mathe- und Physikarbeiten ab. Im Gegenzug warnte ich ihn vor Übergriffen der Mitschüler, die ihn mehr als einmal verprügeln wollten. Ohne jeden ersichtlichen Grund, nur so, möglicherweise, weil er ihnen irgendwie fremd anmutete. Mich erinnerte die aggressive Haltung seiner "Kameraden" an das Verhalten meiner früheren Berliner Volksschulklasse gegen einen Buben mit Familiennamen Mangold. Wir haben den armen Kerl mehrfach auf dem Schulweg verhauen, wohl weil wir wußten, daß er Jude war. Ich schäme mich noch heute dafür und hoffe von Herzen, daß das Knäblein den wenige Jahre später einsetzenden Holocaust überlebt hat.“

 

 

 

 

Noll
Dieter Noll (31 december 1927 – 6 februari 2008)

Noll (helemaal rechts) als hulpje van de luchtmacht, midden 1944.

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e december ook mijn vorige blog van vandaag.

31-12-08

Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Arjen Duinker, Irina Korschunow, Nicholas Sparks, Nicolas Born, Dieter Noll, Gottfried August Bürger, Marie d'Agoult, Connie Willis, Giovanni Pascoli


De Duitse dichter schrijver Bastian Böttcher werd op 31 december 1974 in Bremen geboren. Zie ook mijn blog van 31 december 2006 en ook mijn blog van 31 december 2007.

 

 

Alles in Allem

 

Im Kino kann man all das in groß angucken,
was man sonst nur in klein oder gar nicht angucken kann.
Im Kino kann man was erleben ohne sich zu bewegen.
Im Kino kann man Spaß haben auch wenn der Film schlecht ist
Doch das beste am Kino ist, dass auch du ein Teil vom Kino bist.

 

In Anbetracht dessen und ganz allgemein
kann man sagen im Großen und Ganzen
ist alles in Allem das Kino nicht schlecht
Aber schau mal dagegen: Die Großstadt!

 

In der Großstadt wohnen hauptsächlich Großstädter.
Aus der Großstadt kann man jederzeit ins ländliche Umland fliehen.
In der Großstadt kann man anonym bleiben, ohne dass es überhaupt jemand bemerkt.
Doch das beste an der Großstadt ist, dass auch du ein Teil der Großstadt bist.

 

Und außerdem enthält halt
die Großstadt sowieso schon Kino.

 

In Anbetracht dessen und ganz allgemein
kann man sagen im Großen und Ganzen
ist alles in Allem das Kino nicht schlecht
und auch alles in Allem die Großstadt nicht schlecht
Aber schau mal dagegen: Die Welt!

 

Die Welt ist so wunderbar, dass sich sogar eine Zeitung nach ihr benannt hat.
Die Welt schenkt uns ihre Schätze, obwohl wir sie täglich mit füßen treten.
Die Welt übt auf alle ihrer Bewohner eine ganz besondere Anziehungskraft aus.
Doch das beste an der Welt ist, dass auch du ein Teil der Welt bist.

 

Und außerdem enthält halt
die Welt all die Großstädte sowieso und Kino.

 

In Anbetracht dessen und ganz allgemein
kann man sagen im Großen und Ganzen
ist alles in Allem das Kino nicht so schlecht
Und auch alles in Allem die Großstadt nicht schlecht
Und auch alles in Allem die Welt nicht schlecht
Aber schau mal dagegen: Das Weltall

 

Das Weltall ist einfach das Größte
Das Weltall ist so wunderbar und unerforscht,
dass man noch nicht einmal weiß, wie wunderbar und wie unerforscht es eigentlich ist.
Doch das beste am Weltall ist, dass auch du ein Teil vom Weltall bist.

 

Und außerdem enthält halt das Weltall
das Sonnensystem und die Welt all
die Großstädte sowieso und Kino.

 

In Anbetracht dessen und ganz allgemein
kann man sagen im Großen und Ganzen
ist alles in Allem das Kino nicht schlecht
Und auch alles in Allem die Großstadt nicht schlecht
Und auch alles in Allem die Welt nicht so schlecht
Und auch alles in Allem das Weltall nicht schlecht
Aber schau mal dagegen: Die Liebe!

 

 

 

 

boettcher
Bastian Böttcher (Bremen, 31 december 1974)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter, publicist, rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde op 31 december 1881. Zie ook mijn blog van 31 december 2007.

 

 

Aan eenen jongen visscher

 

Rozen zijn niet zoo schoon als uwe wangen,

Tulpen niet als uw bloote voeten teer,

En in geen oogen las ik immer meer

Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen.

 

Achter ons was de eeuwigheid van de zee,

Boven ons bleekte grijs de eeuwige lucht,

Aan 't eenzaam strand dwaalden alleen wij twee,

Er was geen ander dan het zeegerucht.

 

Laatste dag samen, ik ging naar mijn Stad.

Gij vaart en vischt tevreden, ik dwaal rond

En vind in stad noch stiller landstreek wijk.

 

Ik ben zóo moede, ik heb veel liefgehad.

Vergeef mij veel, vraag niet wat ik weerstond

En bid dat ik nooit voor uw schoon bezwijk.

 

 

 

Het kleine dorp

 

Laat ik u schrijven vriend, hoe zalig stil

Het dorpjen is waar ik nu woon, gevlucht

Voor schrille stad en havenend gerucht,

Heelend mijn ziel en mijn verwoesten wil.

 

't Heeft weinig huizen rond een ouden toren

Om ieder huis een mildbloeiende heg

Geen luide straat, maar smallen zachten weg

Van zand waarin geen stappen zijn te hooren.

 

De school is kleiner dan ons steedsche huis,

Van alle kindren ken ik stem en oogen,

In alle woningen voel ik mij thuis.

 

En van het duin gezien, het zonnig-hooge

Ligt het klein dorp zoo zonnekleurig dat

Ik met één blik van liefde het omvat.

 

 

 

 

Aan Oscar Wilde

 

Reading: schrei niet, hier is het wreed gebouw

Waar een dichter in den tredmolen liep,

Dorst leed, honger, op een plankenbed sliep

Teedre handen stuktrok aan 't geteerd touw.

 

In een tredmolen: loop, dat niet de grond

Uw voeten breekt, die onder uw voet wijkt;

Kramp vast uw handen, als uw kracht bezwijkt

Slaan wentlende treden uw voeten wond.

 

Honger en dorst, altijd de strenge cel

Enge beklemming om uw hijgen heen,

Muur noch deur wijkt voor uw gesmoord geween

En waanzin wenkt naar zijn glimlachend spel.

 

Wat is hier hemel? Achter 't matte raam

Een grauwe plek, eender of de zon straalt

In lente, in zomer, één of 't najaar vaalt.

Wat is hier dag? Verneedring zonder naam

 

 

 

 

DeHaan
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 - 30 juni 1924)

Tekening in houtskool door Maurits de Groot

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook mijn blog van 31 december 2007.

 

 

Mijn gemoed is als de wind

 

Ik ben geen tacticus die men prijst

Voor zijn slimme aanpak van wat belang heeft.

Ik hou mijn mond als het me uitkomt

En laat de bomen met rust

Zonder van hen te houden.

 

In mijn hart is een snerpende ijzige wind,

In mijn hart is een zachte zilte wind van zee.

Geen van beide heeft mijn definitieve voorkeur

Zodat de noord- en de zuidpool

Mijn route bepalen.

 

Ik bemin wat er zoal is, zoals het is,

Bemin op weinig doeltreffende wijze.

De wind zal overleven,

Ik daarentegen zal absoluut sterven.

Dat is, voor zover ik kan zien, het verschil tussen ons.

 

 

 

 

Papiertje

 

De paarse vlinder is veelbetekenend.

De gepassioneerde bloem iets minder.

Het gras is zijn betekenis voorbijgegroeid.

Ik zit zonder.

 

Kijk, daar gaat de man wiens buurvrouw we delen.

Halfzes, op weg dus naar de verzamelplaats

Voor de leden van het irreëel genootschap:

Zij die eeuwig leven.

 

Hij rent, schuddend met zijn boordevolle kop,

Rent op een mengsel van prehistorische olie

En vergetelheid uit dertienhonderd.

Maar hij verliest een rood papiertje.

 

Het valt, nee, dwarrelt uit zijn broek.

Een geur is het, zonder rust, geen gewicht,

Het dwarrelt, begint te buitelen,

Galoppeert achter de broekzak aan.

 

Vlinder, bloem, gras, ik,

We kijken het papiertje na

Met verschillende soorten van ontzag.

De avond wordt voelbaar.

 

 

 

 

Duinker-klein
Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Irina Korschunow werd geboren op 31 december 1925 in Stendal in Sachsen-Anhalt. Zie ook mijn blog van 31 december 2007.

 

Uit: Fallschirmseide

 

Martin Cramme war noch nicht neunzehn, als er im Wald von Hannoversch Münden liegenblieb, müde und zufällig, während der Rest der Kompanie den amerikanischen Panzern entgegenmarschierte. Und zufällig fand ihn Hertha Oelschläger, die ihn im Keller versteckt über das Kriegsende brachte, ihn hochpäppelte und weiterschickte. Wohin? Seine Eltern lagen unter den Trümmern von Magdeburg, er brauchte nicht nur eine neue Heimat, sondern auch Trost. Aber Trost und Hilfe brauchten in dieser Zeit viele, die Frauen ohne Männer, die Mütter ohne ihre Söhne. Doch das Leben ist ein Netz aus Zufällen, zum Guten oder zum Bösen. Für Martin Cramme hatte die gute Fee die ersten Maschen geknüpft, und sie klöppelte weiter - zunächst eine Bleibe in Wolfenbüttel im Haus von Dr. Beyfuhr, dann traf er Dora, entdeckte sein Organisationstalent auf dem Schwarzen Markt, fand die Fallschirmseide in der alten Ziegelei, und alles nahm seinen wundersamen Lauf. Blusen aus Fallschirmseide - der Nachkriegshit. Zuerst ein Wohnstuben-, dann ein Waschküchenunternehmen, schließlich über die Stunde Null hinaus die florierende Firma DoMa-Textil. Ein Aufstieg wie aus dem Bilderbuch der neuen Republik. Vergessen die Zukunftsträume im Keller von Hertha Oelschläger - lernen, studieren, Philosophie, Literatur. "Eigentlich wollten wir doch...", sagte Dora noch manchmal zu Martin, aber der Rest blieb ein Lächeln, mit dem man einer alten Illusion hinterherwinkt. "Wir haben uns durchsetzen müssen", erklärte Martin später Verena und Julian, den Kindern des Wirtschaftswunders, in Gelsenkirchen-Buer, wo inzwischen zweihundert Näherinnen für seinen Reichtum arbeiteten. "Eure verdammte Härte!" antwortete Julian, und nur Dora ahnte, daß ihr Sohn einen anderen Weg gehen würde, einen, den auch sie viel lieber gegangen wäre.“

 

 

 

Korschunow-Koenig
Irina Korschunow (Stendal, 31 december 1925)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Nicholas Charles Sparks werd geboren in Omaha, Nebraska op 31 december 1965. Sparks is Rooms-katholiek opgevoed en heeft Duitse, Tsjechische, Engelse, en Ierse voorouders. Omdat zijn vader nog studeerde toen Nicholas geboren was verhuisde het gezin vaak. Nog voordat hij acht jaar was had hij in Minnesota, Los Angeles, en Grand Island, Nebraska, gewoond. In 1974 settelde zijn gezin zich in Fair Oaks, Californië en bleven daar wonen totdat Nicholas naar de middelbare school ging. Hij slaagde in 1984 aan de “Bella Vista High School”. Hij studeerde af in ”Business Finance” en slaagde in 1988. In 1985 schreef Nicholas zijn eerste roman, The Passing. Het is nooit gepubliceerd en evenmin zijn tweede roman. In 1994, schreef hij in een periode van zes maanden zijn eerste gepubliceerde roman The Notebook. Hij werd ontdekt door Theresa Park, die The Notebook las en aanbood Nicholas te vertegenwoordigen. In oktober 1995, regelde Park een voorschot $1 miljoen voor The Notebook van Time Warner Book Group. De roman werd in oktober 1996 gepubliceerd en belandde zelfs op de eerste week op de New York Times bestseller lijst. Na zijn eerste succes, schreef hij nog een aantal internationale bestsellers, die allemaal in meer dan 35 talen werden vertaald. Drie van zijn boeken werden verfilmd.

 

Uit: The Notebook

 

„Who am I? And how, I wonder, will this story end?

The sun has come up and I am sitting by a window that is foggy with the breath of a life gone by. I'm a sight this morning: two shirts, heavy pants, a scarf wrapped twice around my neck and tucked into a thick sweater knitted by my daughter thirty birthdays ago. The thermostat in my room is set as high as it will go, and a smaller space heater sits directly behind me. It clicks and groans and spews hot air like a fairytale dragon, and still my body shivers with a cold that will never go away, a cold that has been eighty years in the making. Eighty years, I think sometimes, and despite my own acceptance of my age, it still amazes me that I haven't been warm since George Bush was president. I wonder if this is how it is for everyone my age.

My life? It isn't easy to explain. It has not been the rip-roaring spectacular I fancied it would be, but neither have I burrowed around with the gophers. I suppose it has most resembled a blue-chip stock: fairly stable, more ups than downs, and gradually trending upward over time. A good buy, a lucky buy, and I've learned that not everyone can say this about his life. But do not be misled. I am nothing special; of this I am sure. I am a common man with common thoughts, and I've led a common life. There are no monuments dedicated to me and my name will soon be forgotten, but I've loved another with all my heart and soul, and to me, this has always been enough.

The romantics would call this a love story, the cynics would call it a tragedy. In my mind it's a little bit of both, and no matter how you choose to view it in the end, it does not change the fact that it involves a great deal of my life and the path I've chosen to follow.“

 

 

 

Sparks
Nicholas Sparks (Omaha, 31 december 1965)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Nicolas Born werd geboren op 31 december 1937 in Duisburg, maar groeide op in de buurt van Emmerich en in Essen. In 1965 debuteerde hij met zijn eerste roman „Der Zweite Tag". In 1967 verscheen de eerste dichtbundel "Marktlage". Hij nam deel aan het International Writing Program van de universiteit van Iowa en keerde na het verschijnen van zijn tweede bundel "Wo mir der Kopf steht" met nieuwe invloeden uit de pop & beatcultuur uit de VS terug. In 1972 verscheen zijn bekendste bundel „Das Auge des Entdeckers". Borns bekendste roman „Die Fälschung“ die vlak voor zijn dood in 1979 verscheen, werd in 1981 door Volker Schlöndorff verfilmd.

 

 

 

Drei Wünsche

 

Sind Tatsachen nicht quälend und langweilig?

Ist es nicht besser drei Wünsche zu haben

unter der Bedingung daß sie allen erfüllt werden?

Ich wünsche ein Leben ohne große Pausen

in denen die Wände nach Projektilen abgesucht werden

ein Leben das nicht heruntergeblättert wird

    von Kassierern.

Ich wünsche Briefe zu schreiben in denen ich

    ganz enthalten bin -,

Ich wünsche ein Buch in das ihr alle vorn hineingehen

    und hinten herauskommen könnt.

Ich möchte nicht vergessen daß es schöner ist

dich zu lieben als dich nicht zu lieben

 

 

 

Nachruf

 

Ein Mädchen das nicht viel auf sich hielt

war Yvonne (bürgerl. Karin Fell).

Jedem nahm sie die Not ab

das hielt ihr Körper nicht.

Ihr Lieblingsgetränk war Wodka

ihr Stolz der kommunistische Vater hinter Gittern.

 

Sie nahm Jungunternehmer

und Landtagsabgeordneter aus

und war die erste in ihrem Revier

die mit keinem Louis teilte.

Aber es gibt eine Menge Vorbestrafter

die sich durchfraßen bei ihr.

Sie liebte ihre kleine Schwester Veronika

der sie eine Summe mündelsicher hinterließ.

Sie war katholisch und bekam

ein schönes Begräbnis.

 

 

 

 

Born
Nicolas Born (Duisburg, 31 december 1937)

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Dieter Noll werd geboren op 31 december 1927 in Riesa. Sinds 1946 was hij lid van de KPD en van 1964 toto 1967 lid van de SED-Bezirksleitung in Berlijn. Toen in 1976 allerlei DDR schrijvers protesteerden tegen de uitburgering van Wolf Biermann bleef hij trouw aan de SED. In een brief aan  Erich Honecker noemde hij schrijvers als  Stefan Heym, Joachim Seyppel en Rolf Schneider in 1979 nog „kaputte Typen“. In de vroege jaren vijftig schreef Noll vooral reportages over de opbouwfase in de DDR. Zijn hoofdwerk is de tweedelige roman Die Abenteuer des Werner Holt, waarvan sinds begin jaren zestig meer dan twee miljoen exemplaren werden verkocht.

 

Uit: Die Abenteuer des Werner Holt

 

„Wolzow hing unbeweglich an der Brunnenfigur. Die SS- Männer standen scharf und deutlich auf dem Visier. Holt zog ab. Ein Feuerstoß schmetterte heraus. Es war soweit. Die Rechnung wurde beglichen, für die Sagemühle, für die Gestreiften, für Gundels Eltern... Ihm war, als falle die Vergangenheit wie eine Last von ihm ab. Die erste Garbe warf drei oder vier SS-Männer vor dem Brunnen nieder. Die zweite Garbe fasste Wehnert und einen bulligen Kerl und Meißner, und Wehnert schlug über den Brunnenrand, während Meißner aufs Pflaster stürzte. Die anderen sprangen mit Panthersätzen in die Ruinen. Aber da stiebten vor dem Kellerloch Sand und Steinsplitter auf. Holt war schon entdeckt worden und erhielt von allen Seiten Feuer.

Vorsicht, die sind gefährlich, die haben Routine! Da krochen sie schon näher. Aber ich bin auch gefährlich, ich stell mich tot. Das MG schwieg. Fünf, sechs Mann sprangen aus den Trümmern und stürmten heran. Die Garbe fasste sie und warf sie zu Boden. Kommt doch, kommt! Aber die SS war auf einmal unkonzentriert. Holt sah die versteckten Gestalten nach rechts feuern, als vermuteten sie auch dort einen Gegner. Holt schoss. Die SS erwiderte das Feuer. Dreck stiebte vor dem Fenster auf. Holt legte einen neuen Gurt ein. Da hackte Vetters Maschinenpistole los, hinten, wo der Kellergang in den Garten mündete.

Vetter schrie: „Die Amiiiis!" Die Amis? Holt feuerte auf einen SS-Mann, der von rechts nach links über den Markt floh und im Laufen das Gewehr fallen ließ, ehe er auf das Pflaster stürzte. Schieß auf die SS! Schieß um dich, wo immer sich was rührt.“

 

 

 

Dieter_Noll
Dieter Noll (31 december 1927 – 6 februari 2008)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Gottfried August Bürger werd geboren op 31`december 1747 in Molmerswende. Zie ook mijn blog van 31 december 2006  en ook mijn blog van 31 december 2007.

 

 

Seufzer eines Ungeliebten.

Hast du nicht Liebe zugemessen
Dem Leben jeder Kreatur?
Warum bin ich allein vergessen,
Auch meine Mutter du! Natur!

Wo lebte wohl in Hain und Hürde,
Wo wallt' in Luft und Meer ein Tier,
Das nimmermehr geliebet würde?
Geliebt wird alles, außer mir!

Wenn gleich in Hain und Wiesenmatten
Sich Baum und Staude, Moos und Kraut
Durch Lieb' und Gegenliebe gatten,
Vermählt sich mir doch keine Braut.

Mir wächst vom süßesten der Triebe
Nie Honigfrucht zur Lust heran;
Denn ach! mir mangelt Gegenliebe,
Die Eine nur gewähren kann!

 

 

 

 

 

 

buerger_1
Gottfried August Bürger (31 december 1747 – 8 juni 1794)

 

 

 

 

 

De Franse schrijfster gravin Marie de Flavigny d'Agoult werd in 1805 geboren in Frankfurt Am Main. Zij werd ook bekend onder de naam Daniel Stern. Marie trad in 1827 in het huwelijk met de twintig jaar oudere kolonel Charles d'Agoult. Het huwelijk voldeed niet aan haar verwachtingen en nadat ze componist Franz Liszt ontmoette, besloot ze d'Agoult te verlaten.Uit de relatie met Franz List kwam een dochter voort, Cosima, die later in het huwelijk zou treden met componist Richard Wagner. Liszt maakte echter in 1839 een einde aan de relatie. Marie de Flavigny d'Agoult werd in de jaren veertig het stralende middelpunt van het socety-leven in Parijs. Zij publiceerde de roman "Nélida" en werd een vriendin van George Sand. D'Agoult leidde een salon die werd bezocht door de belangrijkste schrijvers, kunstenaars, muzikanten en filosofen van haar tijd.

 

Uit: Essai sur la liberté

 

Dans l'état de choses encore subsistant, malgré tous les progrès accomplis, rien n'est encore réglé ; tout demeure arbitraire, inconséquent ; tout est hasard. La destinée des femmes varie autant que peut varier le caprice d'un individu, contenu, il est vrai, par la douceur des mours, mais en dernier ressort maître absolu ; et le plus souvent l'homme, qui ne devrait avoir que des rapports d'égalité avec sa compagne, demeure dans des rapports de supériorité qui faussent les indications de la nature. La loi et les coutumes ne lui donnent, suivant le rang qu'il occupe dans la hiérarchie sociale, qu'une servante utile ou une esclave gracieuse ; il en résulte que ses devoirs envers elle participent plus de la paternité que de la fraternité ou conjugalité.

 

 

 

Marie-D-Agoult-1843
Marie d'Agoult (31 december 1805 – 5 maart 1876)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse (sciencefiction) schrijfster Connie Willis werd geboren in Denver (Colorado) op 31 december 1945. Na afgestudeerd te zijn in letteren aan de University of Northern Colorado startte ze haar schrijverscarrière in 1971 met het verhaal The Secret of Santa Titicaca in het tijdschrift World of Fantasy. Willis is een van de meest gelauwerde schrijvers in het genre. Ze heeft als enige de prestigieuze Hugo Awards en Nebula Awards gewonnen in alle verhaalcategorieën (novel, novella, novelette en short story). Niemand heeft haar nog geëvenaard in het aantal prijzen in één jaar: ze won er acht in 1993.

 

Uit: Miracle and Other Christmas Stories

 

„I love Christmas. All of it--decorating the tree and singing in the choir and baking cookies and wrapping presents. I even like the parts most people hate--shopping in crowded malls and reading Christmas newsletters and seeing relatives and standing in baggage check-in lines at the airport.

Okay, I lied. Nobody likes standing in baggage check-in lines. I love seeing people get off the plane, though, and holly and candles and eggnog and carols.

But most of all, I love Christmas stories and movies. Okay, I lied again. I don't love all Christmas stories and movies. It's a Wonderful Life, for instance. And Hans Christian Andersen's "The Fir Tree."

But I love Miracle on 34th Street and Christopher Morley's "The Christmas Tree That Didn't Get Trimmed" and Christina Rosetti's poem "Midwinter." My family watches The Sure Thing and A Christmas Story each year, and we read George V. Higgins's "The Snowsuit of Christmas Past" out loud every Christmas Eve, and eagerly look for new classics to add to our traditions.

There aren't a lot. This is because Christmas stories are much harder to write than they look, partly because the subject matter is fairly limited, and people have been writing them for nearly two thousand years, so they've just about rung all the changes possible on snowmen, Santas, and shepherds.

Stories have been told from the point of view of the fourth wise man (who got waylaid on the way to Bethlehem), the innkeeper, the innkeeper's wife, the donkey, and the star. There've been stories about department-store Santas, phony Santas, burned-out Santas, substitute Santas, reluctant Santas, and dieting Santas, to say nothing of Santa's wife, his elves, his reindeer, and Rudolph.

 

 

 

willis
Connie Willis (Denver, 31 december 1945)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 31 december 2006.

 

De Italiaanse dichter Giovanni Pascoli werd geboren op 31 december 1855 in San Mauro di Romagna.

 

 

 

31-12-07

Bastian Böttcher, Gottfried August Bürger, Irina Korschunow, Jacob Israël de Haan, Giovanni Pascoli, Arjen Duinker


De Duitse dichter schrijver Bastian Böttcher werd op 31 december 1974 in Bremen geboren. Zie ook mijn blog van 31 december 2006.

 

 

Coolawinta

 

das war´n cooler wintertag!

Wir sind verreist in die vereiste weite

In verschneite entlegene gegenden

Durch die wir mit moonboots, skischuhen und schneestiefeln im

Tiefschnee stiefelten

Du schnieftest und schliefst dann mit pullmoll oder paroli

Im molligen wollpulli am bollerofen

Ich lag daneben mit rolli

Und frau hooles dicke schneedaunendecke

Hing über die hüttendecke

Wie´ ne Lawine kurz vorm absturz

Die rückkehr scheiterte. Wir schienen eingeschneit

Allein zu zweit weit und breit nur dunkelheit

Und im schneekleid funkelte unbewohnt der mond

Wenn´ s auf den klee schneit, glitzern alle eiskristalle ganz ungewohnt

Vom ofenfeuer blieb nur glut. Ich schob scheite nach

Funken flogen aus den lodernden flammen, fackeln flackerten

Schatten wackelten in den wellen deiner wolldecke

Der wasserkessel tütete. Ich schüttete´ ne tüte tee rein

Reichte dir ein´ becher. Und die hütte taute auf

Du schautest zu mir rauf ohne worte, wie die mit der yes torte

Vertrautest drauf, dass der schneesturm bald abflaute

Und das eis draußen abtaut

Während der winterwind die weißen wolken

Weich gegen die wand hauchte, graut draußen der tag

Und im bläulichen morgendlichen licht glich die gleiche gegend nun

Einem glitschigen rutschigen gletscher- fertig zur abfahrt!

Wir starteten die schlitterpartie, zersplitterten die eiszapfen

Und schnitten mit den schlittenkurven furchen in den schnee

Der bob schleuderte beim slalom aus den geschlängelten bahnen

Und überschlug sich im flug zum loop

Ich fing an zu zweifeln

Das war nicht wahr!

Wir war´ n wahnsinnig nah am nirvanar

Und schwebten schwerelos mit schwung in windgeschwindigkeit weiter

Huckel und hügel- die katapultierten unsere raumgleiter

Ins weltall und ins walhall überall war´ n wir traumreiter

Im durchgeknallten überschall

Prallte ich mit geballter power gegen die schallmauer

Die welt wurde wieder grauer

Ich fiel im freien fall aus allen wolken in die daunen- und sprungfedern

In den´ ich auf dem rücken lag

Das war´ n cooler wintertag!

 

 

 

 

 

boettcher_batian06
Bastian Böttcher (Bremen, 31 december 1974)

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Gottfried August Bürger werd geboren op 31`december 1747 in Molmerswende. Zie ook mijn blog van 31 december 2006.

 

 

 

Winterlied

 

Der Winter hat mit kalter Hand
Die Pappel abgelaubt,
Und hat das grüne Maigewand
Der armen Flur geraubt;
Hat Blümchen, blau und rot und weiß,
Begraben unter Schnee und Eis.

 

Doch, liebe Blümchen, hoffet nicht
Von mir ein Sterbelied.
Ich weiß ein holdes Angesicht,
Worauf ihr alle blüht.
Blau ist des Augensternes Rund,
Die Stirne weiß, und rot der Mund.

 

Was kümmert mich die Nachtigall,
Im aufgeblühten Hain?
Mein Liebchen trillert hundertmal
So süß und silberrein;
Ihr Atem ist, wie Frühlingsluft,
Erfüllt mit Hyazinthenduft.

 

Voll für den Mund, und würzereich,
Und allerfrischend ist,
Der purpurroten Erdbeer gleich,
Der Kuß, den sie mir küßt.
O Mai, was frag ich viel nach dir?
Der Frühling lebt und webt in ihr.

 

 

 

 

 

gottfried_august_buerger
Gottfried August Bürger (31 december 1747 – 8 juni 1794)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Irina Korschunow werd geboren op 31 december 1925 in Stendal in Sachsen-Anhalt. Haar moeder was Duits, haar vader Russisch. Door de afkomst van haar vader raaktse zij tijdens het nationaalsocialisme in een outsider positie. Na WO II studeerde zij germanistiek, Engels en sosiologie in Göttingen en München. Korschunow schreef talrijke romans en draaiboeken, en werd ook bekend als jeugdboekenschrijfster. Zij ontving diverse prijzen en woont tegenwoordig in München.

 

Uit: Das Luftkind

 

“Freda, die eigentlich Friederike hieß, Friederike von Rützow, war siebzehn, als sie in den Roggen geriet. Eine Katastrophe nannte es ihr Vater, doch des einen Eule ist des anderen Nachtigall, und Harro Hochberg, der damals noch mit seinen Rasseln und Klötzchen spielte, wird ihrem Fehltritt eines Tages seine Rettung verdanken. Zwei Geschichten, die eine hier, die andere dort, viel Zeit noch, bis beide sich mischen. Aber sie gehen aufeinander zu.

Es begann im Juli 1923, kurz vor der Ernte, der Roggen stand hoch. Gelber Roggen, wohin man sah, Klatschmohn und Kornblumen dazwischen, die Sommerfarben der Mark, und dass so etwas hier und in seiner Familie passieren könne, erklärte Herr von Rützow, liege an der Unordnung, die um sich greife nach dem verlorenen Krieg. Der Kaiser im Exil, das Reich zur Republik verludert, und nun dies.

»Und nun dies«, schrie er in seinem Zorn, der schnell hochschoss und wieder zusammenfiel, mankannte es und nahm es hin. Er war der Herr in Großmöllingen, alles seins, die Felder und Koppeln, die Scheunen und Remisen, das Schloss im Park, die niedrigen Katen an der Dorfstraße, eigentlich auch die Leute darin, obwohl jeder gehen konnte, falls es ihn juckte, nach Berlin oder Amerika. Die meisten jedoch blieben, wie ihre Väter und Großväter, weiterhin unter den Dächern des Herrn Baron, ein guter Herr im Allgemeinen, aufbrausend, aber gerecht und zugänglich für Sorgen und Nöte, wenn sie ihre Arbeit taten und den roten Agitatoren keine Chance gaben, die gewohnte Ordnung in Großmöllingendurcheinander zu bringen. Denn nur die Ordnung, so sein Credo, halte die Welt zusammen, im Großenwie im Kleinen. Und nun seine Tochter und dies. Gewalt, stammelte Freda und erzählte etwas von einem fremden Streuner, der sie in den Roggen gezerrt habe, lauter Lügen, Friedrich von Rützow glaubte kein einziges Wort. Doch weil der entschwundene Kindsvater als Ehemann ohnehin jenseitsjeder Debatte stand, sparte er sich die Mühe, hinter ihm her zu forschen, sondern tat das in solchen Fällen Übliche. Schweren Herzens, er liebte diese Tochter, wenn auch auf seine Weise, preußisch, doches gab nur den einen Weg, um das Schlimmste abzuwenden, und Freda fügte sich. Das Schlimmste, wird sie ihm irgendwann sagen, habe ihr seine Ordnung angetan. Aber noch senkte sie den Kopf und schwieg, was sonst auch nach den Jahren unter seiner Alleinherrschaft,immer nur du sollst, nie ich will.

 

 

 

korschunow_irina
Irina Korschunow (Stendal, 31 december 1925)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter, publicist, rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde op 31 december 1881 in een groot, orthodox joods gezin. Hij was de zoon van een Joodse voorzanger in de synagoge. Jacob was de broer van de latere schrijfster Carry van Bruggen. Beiden zijn in hetzelfde jaar geboren, en om die reden wordt vaak aangenomen dat zij een tweeling zijn. Dit is echter niet het geval: zijn zuster was op één dag na een jaar ouder. Het gezin verhuisde in 1885 naar Zaandam, en in 1896 ging Jacob naar de kweekschool (de toenmalige opleiding voor onderwijzers) in Haarlem. Hij werd marxist en lid van de SDAP, en was als letterkundig medewerker verbonden aan het socialistische dagblad Het Volk. Terwijl hij op school lesgaf, studeerde hij voor het staatsexamen, en ging vervolgens naar de universiteit, waar hij rechten studeerde. Hij deed doctoraalexamen in 1909 en promoveerde in 1916.

Ondertussen had De Haan het socialisme vaarwel gezegd, en werd hij zionist. Weer later werd hij religieus; daarna werd hij actief in de Edah HaChareidis, de rabbinale organisatie van de traditionele orthodoxe joden van Jeruzalem en het Heilig Land, die fel anti-zionistisch waren. Toen hij in 1919 naar Palestina emigreerde, werd hij een van de politieke leiders van de Edah HaChareidis. Hij was voorstander van een staat waarin Joden en Arabieren als gelijken zouden leven, en bepleitte onderhandelingen met Arabische leiders, om aldus te komen tot een vreedzame beëindiging van de tegenstelling tussen Joden en Arabieren. Deze opstelling van hem wekte de ergernis van zionistische leiders. Op maandag 30 juni 1924 werd De Haan met drie pistoolschoten om het leven gebracht op de trappen van het Sja'arei Tsedek ziekenhuis in Jeruzalem, toen hij terugkwam van het avondgebed in de synagoge.

De vroeg-20ste-eeuwse, impressionistische roman Pijpelijntjes vormt samen met de Open brief aan P.L. Tak echter een belangrijk literair document, dat helder de sociale situatie en het leven in een Amsterdamse volkswijk (De PijP) weergeeft. De vlijmscherpe dialogen waren eind jaren 1980 startpunt voor enkele succesvolle theaterbewerkingen. In 1908 verscheen een tweede roman met een homoseksueel thema: Pathologieën. De ondergang van Johan van Vere de With. Nog tijdens De Haans leven raakten zijn romans vergeten, en hij ging over op de dichtkunst. Het bekendst zijn de postuum uitgegeven Kwatrijnen, een omvangrijke bundel intieme, gevoelige poëzie.

 

Uit: Pijpelijntjes

 

Vlug kleedde hij zich uit... z'n jas, z'n vest... z'n borstrok, z'n hemd. Bruinprachtig naakt blootte zijn borst met een fijne weerschijn van lamplicht en langzaam genietend keek ik er naar. Z'n hals was recht en onder 't sleutelbeen schaduwloos.

‘Is 't goed?’

‘Tot zoover wel, doe nou de rest ook maar uit.’

Hij deed z'n schoenen uit, z'n kousen, trapte z'n bovenbroek af, de dikbruine onderbroek. Nu zag ik hem heelemaal in een tintelende roes van goudbruine vreugd.

‘Ga wat uit 't licht... zoo, 'n beetje meer naar rechts.’

Hij stond stil in de onbewogen schaduw en ik bekeek hem... wat een prachtjongen... wat was hij slankfijn en sterkgespierd. M'n adem heethijgde en heftig stond mijn verlangen om hem te nemen en te zoenen, overal.

‘Koos, kom eens hier.’

‘Ja, m'neer.’

Maar mijn koele kalmte tegen den gekochten jongen herwon ik toen 'k bedaard zei:

‘'t Is al goed, ik dacht, dat ik 'n vuile plek zag.’

Zachtbevendjes stond hij in zwarte lampschaduw.

‘Ga maar zitten en als je drinken wilt, dan kan je wel drinken... doe die witte doek van mij maar om... jou goed stinkt en dan ga jij ook stinken.’

 

Vreemdwitverlicht zat hij bij de tafel in felgouden lichtening en dronk. Onderwijl praatten we wat.

‘Wat doe je met 't geld?’

‘Ik weet 't nog niet... ik geef 't an m'n meissie.’

‘Zoo heb je een meisje... zeker ook elken avend 'n ander.’

‘Nee m'neer, ik heb al meer as 'n jaar dezelfde, we gaan misschien gauw trouwen.’

‘Zoo, 't is goed... drink nog maar wat, je krijgt nou nog 'n half uur om te drinken, maar dan moet 't ook uit zijn.’

 

Langzaam dronk hij zich dronkener, en prachtiger werd de gouden gloed van z'n oogen, die vreemdwijd en lichtoverwaasd glinsterden, maar dan strakblonken in één dronkenheid. Z'n slanke lijf beefde onder de witte doek, die lichtplooiig langs hem af viel. Eindelijk dronk hij niet meer, liet slap z'n arm neerhangen. Het was tijd.

Zachtjes ging ik naar hem toe en liet 'm opstaan. Warmwitte jenevergeur welde uit zijn mond.

Toen prachtig donkergebronsd, lei ik hem op de canapé en sloeg de witte doek van hem af.”

 

 

 

haan
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 - 30 juni 1924)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Duinker studeerde van 1975 tot 1977 psychologie in Amsterdam. Daarnaast studeerde hij filosofie: van 1976 tot 1977 in Amsterdam, van 1977 tot 1979 in Groningen en daarna tot 1982 in Leiden. Hij debuteerde in mei 1980 in Hollands Maandblad. Van 1982 tot 1986 publiceerde hij samen met de dichter K. Michel het tijdschrift Aap Noot Mies. Ook in 1982 publiceerde hij samen met K. Michel in Hollands Maandblad. Later verschenen er gedichten van hem in de tijdschriften Armada,Tirade, De Gids, Dietsche warande en Belfort, Ons erfdeel en Raster.

Zijn bundel De zon en de wereld bevat het gedicht 'De wereld', een tweespraak op papier, en 'De zon', tweestemmig op cd en gelezen door Arjen Duinker en Kees 't Hart. In 2005 was hij een van de tweeëntwintig dichters die meewerkten aan de vertaling van Walt Whitmans klassieker Leaves of Grass.Hij verzorgde onder meer cryptogrammen voor Het Vrije Volk, schreef sportcolumns voor De Krant op Zondag en had samen met Kees 't Hart (om en om) een column in De Groene Amsterdammer. Bundels van Duinker zijn verschenen in het Engels, Italiaans, Frans en Portugees.

 

 

Trouw

 

Maar de toekomstige roos is aan het bloeien geslagen.
De roodfluwelen blaadjes hebben zich al geopend,
Decennia te vroeg, niet op schema.
Nu hebben de kwekers een vergadering belegd,
Ze spreken in hun glazen stoelen.
Ze spreken zonder terughoudendheid.
Ze spreken wilskrachtig.

Ze sommen de gevaren op.
Zo'n eigengereide roos is funest voor de markt.
Ze stellen de oorzaak vast.
Natuur is per definitie tegendraads, ondankbaar ding.
Ze formuleren de oplossing.
Dat zij zich onder de rozen zullen mengen.

Inmiddels zijn ze geplant.
De bleke hoeden afgezet.
De vrouwen geven hun overspelige echtgenoten water.
Ze zijn niet jaloers, voelen slechts trots
En bemesten trouw de grond
Voor dit experimentele offer.

 

 

 

 

 

Evolutietheorie

 

Een keer of vier.
Misschien ook vijf.
De zon ging onder in het oosten,
De zon ging per ongeluk onder in het oosten
En een droeve dood manifesteerde zich.
Het was de droeve dood op haar droefst.

Ze steeg op uit de akkers,
Steeg op uit de wouden,
Dreef op de zeeën.

Een hond in de Donkerstraat
Spitste zijn langwerpige oren
En slaakte een zucht die versmolt
Met de zucht van een vliegje
Dat van de Koepoortbrug kwam.

Sindsdien zijn de mensen gaan rennen,
Alle kanten op, alle kanten uit.

 

 

 

 

duinker
Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 31 december 2006.

 

De Italiaanse dichter Giovanni Pascoli werd geboren op 31 december 1855 in San Mauro di Romagna.