23-08-12

Dolce far niente (Amsterdam, J. C. Bloem)

 

Dolce far niente

 

 

 

 

De Dapperstraat

 

 

 

De Dapperstraat

 

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

 

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

 

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

 

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

 

 

 

 

J. C. Bloem (10 mei 1887 - 10 augustus 1966)




Zie voor de schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

20:57 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolce far niente, j. c. bloem, romenu |  Facebook |

10-05-12

J.C. Bloem, Herman Leenders, Didi de Paris, Petra Hammesfahr, Ralf Rothmann, Jeremy Gable, Roberto Cotroneo


De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook alle tags voor J. C. Bloem op dit blog.

 

 

Zondag

 

De stilte, nu de klokken doven,
Wordt hoorbaar over zondags land
En dorpse woningen, waarboven
Een schelpenkleurge hemel spant

De jeugd keert weer voor d' in gedachten
Verzonkene, die zich hervindt
Een warm, van onbestemd verwachten,
In zondagsstilte eenzelvig kind.

En tussen toen en nu: 't verwarde
Bestaan, dat steeds zijn heil verdreef;
De scherpe dagen, waar de flarde
Van 't wonde hart aan hangen bleef.

Niet te verzoenen is het leven.
Ten einde is dit wellicht nog 't meest:
Te kunnen zeggen: het is even
Tussen twee stilten luid geweest.

 

 

 

In Memoriam

 

De blaren vallen in de gele grachten;
Weer keert het najaar en het najaarsweer
Op de aarde, waar de donkre harten smachten
Der levenden. Hij ziet het nimmermeer.

Hoe had hij dit bemind, die duistre straten,
Die atmosfeer van mist en zaligheid,
Wanneer het avond wordt en het verlaten
Plaveisel vochtig is en vreemd en wijd.

Hij was geboren voor de stille dingen,
Waarmee wij leven - maar niet even lang -
Waarvan wij 't wezen slaken in ons zingen,
Totdat wij zinken, en met ons de zang.

Het was een herfst als nu: de herfsten keren,
Maar niet de harten, na hun korte dag;
Wij stonden, wreed van menselijk begeren,
In de ademloze kamer, waar hij lag.

En voor altijd is dit mij bijgebleven:
Hoe zeer veel stiller dood dan slapen is;
Dat het een daaglijks wonder is, te leven,
En elk ontwaken een herrijzenis.

Nu weer hervind ik mij in het gewijde
Seizoen, waar de gevallen blaren zijn
Als het veeg zonlicht van een dood getijde,
En denk: hoelang nog leef ik in die schijn?

Wat blijft ons over van dit lange derven,
Dat leven is? Wat, dat ik nog begeer?
Voor hem en mij een herfst, die niet kan sterven:
Zon, mist en stilte, en dan voor immermeer.

 

 

 

J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 

Lees meer...

05-05-12

J. C. Bloem, Petra Else Jekel, Morton Rhue, Miklós Radnóti, Christopher Morley


Bij 5 mei

 



Bevrijding

Monument door Paul Elshout, Geertruidenberg

 

 

 

Na de bevrijding

 

Schoon en stralend is, gelijk toen, het voorjaar,
Koud des morgens, maar als de dagen verder
Opengaan, is de eeuwige lucht een wonder
Voor de geredden.

 

In 't doorzichtig waas over al de brake
Landen ploegen weder trage paarden
Als altijd, wijl nog de nabije verten
Dreunen van oorlog.

 

Dit beleefd te hebben, dit heellijfs uit te
Mogen spreken, ieder ontwaken weer te
Weten: heen is, en nu voorgoed, de welhaast
Duldloze knechtschap –

 

Waard is het, vijf jaren gesmacht te hebben,
Nu opstandig, dan weer gelaten, en niet
Eén van de ongeborenen zal de vrijheid
Ooit zo beseffen.

 

 

 


J. C. Bloem
(10 mei 1887 - 10 augustus 1966)

Lees meer...

29-04-12

Dolce far niente 6

 

Romenu heeft er nog wat vrije dagen aangeplakt. Binnenkort weer de gebruikelijke berichten.

 

 

 

Straatje in Elburg, Jan van Vuuren (1871 - 1941)

 

 

 

Zondag

 

De stilte, nu de klokken doven,
Wordt hoorbaar over zondags land
En dorpse woningen, waarboven
Een schelpenkleurge hemel spant

 

De jeugd keert weer voor d’ in gedachten
Verzonkene, die zich hervindt
Een warm, van onbestemd verwachten,
In zondagsstilte eenzelvig kind.

 

En tussen toen en nu: ‘t verwarde
Bestaan, dat steeds zijn heil verdreef;
De scherpe dagen, waar de flarde
Van ‘t wonde hart aan hangen bleef.

Niet te verzoenen is het leven.
Ten einde is dit wellicht nog ‘t meest:
Te kunnen zeggen: het is even
Tussen twee stilten luid geweest.



J.C. Bloem (10 mei 1887 - 10 augustus 1966)

20:18 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: j. c. bloem, romenu |  Facebook |

10-05-11

J.C. Bloem, Herman Leenders, Didi de Paris, Petra Hammesfahr, Ralf Rothmann, Jeremy Gable

 

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook mijn blog van 10 mei 2010 en eveneens alle tags voor J. C. Bloem op dit blog.

 

 

Rondeel

 

De korte liefde en 't lange lijden,
Het wordt een ding, dat men vergeet.
Herdenkt men 't nog, dan zegt men: 'k weet,
Het was destijds niet te vermijden.

Benijdt men soms de niet-bevrijden
Tot deze afwezigheid van leed?
Toch, korte liefde en langer lijden,
Het wordt een ding dat men vergeet.

's Verleden levens koud en heet
Voelt men zich in de loop der tijden
Vanzelf gelijk het uur ontglijden.
O jeugd, was 't dit waarom men kreet?
Men wordt een ding en men vergeet.

 

 

 

 

Herfst

 

Van 't najaar keren weer de schone dagen -

Van het hoeveelste? en hoeveel malen nog?

Tot het ontrijzen aan zijn nederlagen

Lokt den verslagene zijn zoet bedrog.

 

Dit is de tijd, dat men zou moeten lopen,

Gerooide velden langs of door een laan,

Aan 't eind waarvan een vergezicht gaat open

Op herfstland en een edeler bestaan.

 

En, thuisgekeerd, bij een vroeg vuur gezeten,

Den avond rekken met een schaarse kout,

Een enkel woord over de diepst-geweten

Bewogenheden, die het hart behoudt.

 

Of in de stad, voor licht-beslagen ruiten,
Terwijl een dunne mist de grijze gracht

Befloerst, te zien, hoe 't schemerende buiten

Geleidelijk teloor gaat in den nacht.

 

De nacht, die naderkomt, duister en heerlijk,

En even heul brengt voor de levenspijn

In de armen van het hier alleen begeerlijk

Geluk: bemind en niet gekend te zijn.

 

In stede: Dag. Een gemelijk ontwaken

In de slagschaduw der toekomstige plicht,

In slaafse haast zich wreevlig op te maken

Naar geestloze arbeid, wrokkende verricht.

 

Avond. De gang terug. Vermoeid, versmeten,

Voor elke daad te ledig, onbemind,

Den slaap te zoeken in dit ene weten:

Dat morgen 't eeuwig eendre herbegint.

 

Zo is het dag na dagen. Om der wille

Van wat? Van enkle verzen, die vergaan?

En de herfsthemel straalt, waar grote stille

Wolken verheven en doorschenen staan.

 

 

 

 

J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 

 

Lees meer...

01-01-11

Nieuwjaarsboudate (Jan Jacob Slauerhoff), Nieuwjaar (J. C. Bloem)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!

 

 

 

 

Cornelis Springer (25. Mai 1817 - 1891)

Gezicht op de Heerengracht bij de Amstel

 

 

 

 

Nieuwjaarsboudate

 

Wie in deze tijd nog gedichten schrijft
En zich richten wil tot een volk dat kijft,
Tot een volk dat niets dan welvaart wil
En bewilliging van iedre modegril,
Hij is meer dan rijp voor het gekkenhuis
En de gekken vinden hem ook niet pluis,
En dus moet hij naar een ballingsoord,
Waar papier en pennen zijn behekst,
Waar de kale muur siert de bijbeltekst:
(Slechts) In den beginne was het Woord.

 

 

 

 

Jan Jacob Slauerhoff (15 september 1898 - 5 oktober 1936)

 

 

 

 

 

Nieuwjaar

 

De nieuwjaarsklokken luiden door de radio.
Stortregen valt. De dag is onbeschrijflijk goor.
Men is alleen gelaten en aanvaardt het zo.
Men vraagt zich zelfs niet af: waarom is 't en waardoor ?

 

Tegen het leven is toch immers niets te doen;
de wereld heeft geen oorden meer om heen te gaan,
en 't hart wordt niet, gelijk de landen, jaarlijks groen:
er is geen vlucht uit een voorgoed mislukt bestaan.

 

 

 


J.C. Bloem (
10 mei 1887 - 10 augustus 1966)

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 1e januari ook mijn vorige blog van vandaag en eveneens mijn tweede en mijn eerste blog van vandaag.

 

10-05-10

J.C. Bloem, Herman Leenders, Jeremy Gable, Petra Hammesfahr, Roberto Cotroneo, Jayne Cortez, Ralf Rothmann

 

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook mijn blog van 10 mei 2009 en ook mijn blog van 10 mei 2008en ook mijn blog van 10 mei 2007 en mijn blog van 22 maart 2006.

 

 

Het voorjaar

 

De lente, en 't scheemren voor de duizlende ogen

Als bij de knapen, en vanaf de straat

De luidere geruchten, en 't gedogen

Van alles, wat het voorjaar lijden laat.

 

O hart, in 't eeuwig keren der seizoenen

Verlatener dan de eerste avondster,

En nòg begerig als een boom te groenen,

Maar steeds geknakt, en altijd eenzamer.

 

 

 

Daaglijksheid

 

Niet hunner is het reddeloost gemis,

Die aan vervreemde omhelzingen ontkomen,

Wanneer het venster, waar de dag gaat domen,

Als lucht, weerkaatst in heimlijk water is.

 

Zij kunnen, als hen aanvuurt wat hen schiep,

Elkander met hun huiden toch bereiken,

Terwijl de harten van elkander wijken

Naar paradijzen in hun eigen diep.

 

Maar het ontwaken, zich wassen en kleden,

Het zitten aan 't gezamenlijk ontbijt,

Driehonderdvijfenzestig maal in 't jaar -

 

Dit maakt dat zij, die boven daaglijksheden

Elkaar voor immer dachten toegewijd,

Hoewel in tranen, scheiden van elkaar.

 

 

 

Rotterdam

 

Hoe vreemd ligt deze stad nu open,

Hoe is zij wonderlijk en licht:

De huizenlooze straten loopen

Van niets naar niets - toch niet ontwricht.

 

De hemel straalt als nooit te voren

Op waar der eeuwen bouw verdween -

De zomer heeft geen glans verloren,

De zon schijnt zooals ze altijd scheen.

 

Men gaat in innerlijke afzondering,

Herdenken hoe het is geweest,

En vindt zichzelf tot zijn verwondring

Geschokt veel minder dan bedeesd.

 

Klaag niet. Steeds bloesemen de tuinen

Boven verganklijkheid en wee

Een herder rust thans op de puinen

Van Babylon en Niniveh.

 

 

 

 

bloem
J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 

 

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver  Herman Leenders werd geboren te Brugge op 10 mei 1960. Zie ook mijn blog van 10 mei 2007 en ook mijn blog van 10 mei 2008 en ook mijn blog van 10 mei 2009.

 

 

Mei

In de lente is er moed nodig om te leven.
Schaduwen zijn zwaar om te dragen.
Het regent gras en bladeren
en boven het zaailand hangt

een kraai aan een draad.
Een luchtballon! Een parel. Een druppel weemoed.
De geur van deeg rijst op uit de aarde.
Een dorstige vlieg verdrinkt in een glas water.

 

 

 

Deemoed is een deugd

 

Deemoed is een deugd
van lage deuren
en van boer Bral. Hij loopt gebogen
zoals een dak verzakt van het dragen.

Zoals bomen naar het oosten groeien
met diepe kloven in hun schors
en ogen als verse wonden
in het uitgedroogde hout.

 

 

 

 

Leenders
Herman Leenders (Brugge, 10 mei 1960)

 

 

 

 

De Amerikaanse toneelschrijver Jeremy Gable werd geboren op 10 mei 1982 in Lakenheath, Suffolk, in Engeland.  Het volgdende fragment komt uit een script dat hij geheel (interactief) op Twitter heeft gepubliceerd. (Het moet dan ook van beneden naar boven worden gelezen) Lees het geheel op Twitter: http://twitter.com/twit_play  Zie ook mijn blog van 10 mei 2009.

 

Uit: The 15th Line

 

„THE END

9:16 PM Mar 25th via web

Reply Retweet    ANGELA: I just wish I knew what that was.

9:16 PM Mar 25th via web

Reply Retweet    ANGELA: It feels like everything’s gone off the rails in the past two months. But now I feel ready for the next part of my life.

9:15 PM Mar 25th via web

Reply Retweet    SETH: Not a coward, not a hero, not a lover, not a friend. What does that make me? That’s not a riddle, I’m genuinely confused.

8:52 PM Mar 25th via web

Reply Retweet    DUSTIN: This must be the final stage of grief. Acceptance. Now if only it felt more accepting.

8:23 PM Mar 25th via web

Reply Retweet    DUSTIN: @angiannini89 No worries. I wish you nothing but the best of luck.

8:13 PM Mar 25th via web

Reply Retweet    ANGELA: @turnbullseth No. No, it’s not.

6:59 PM Mar 25th via web

Reply Retweet    SETH: @angiannini89 That's okay. You’re still the Pepper Potts to my Tony Stark. That was the lamest thing I’ve ever said.

5:57 PM Mar 25th via web

Reply Retweet    ANGELA: @dustykinder Hey, I think I’m cool sticking with Dr. Wheeler. But I’m grateful for everything that you’ve done to help.

5:03 PM Mar 25th via web

Reply Retweet    ANGELA: @turnbullseth I can’t do the Peace Corps right now. I’m sorry.

5:03 PM Mar 25th via web

Reply Retweet    ANGELA: It’s time to Etch-A-Sketch all of this.“

 

 

 

gable

Jeremy Gable (Lakenheath, 10 mei 1982)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Petra Hammesfahr werd geboren in Immerrath op 10 mei 1951.

 

Uit: Der gläserne Himmel 

Tage wie dieser erinnern mich an einen Traum. Im Geist gehe ich noch einmal an der weißen Mauer entlang. Glasscherben auf ihrer Krone glitzern im Licht. Ich höre eine Frau singen und komme fast um vor Sehnsucht. Ich weiß, hinter der Mau­er ist alles, was ich vom Leben erhoffen kann.
Es ist sechs Jahre her, ich war gerade nach Kirchfelden gekom­men, da träumte ich das oft. Im Traum sprang ich. Erreichte nach vielen vergeblichen Versuchen die Mauerkrone. Die Scherben zerschnitten meine Hände, bohrten sich in meine Schenkel. Und hinter der Mauer war nichts. Eine öde weiße Fläche – wie ein unbeschriebenes Blatt, durch eine Lupe be­trachtet.

Inzwischen kenne ich die Bedeutung dieses Traumes. Ich soll­te vorbereitet werden auf einen Moment wie diesen. Ich sollte begreifen, was es heißt, einen Menschen ausgelöscht zu ha­ben. Ich sollte endlich gestehen: »Ich habe getötet!«

An Tagen wie diesem wird aus Zweifel Gewissheit. Der Him­mel ist bewölkt; der heraufziehende Abend lässt ihn dunkel werden. Am Nachmittag hat es geregnet. Man sieht nichts mehr davon. Der Wind hat die Steinplatten im Hof längst wie­der getrocknet. Nun treibt er sein Spiel mit den letzten Wolken und bringt den Geruch feuchter Erde ins Zimmer.

Ein würziger Geruch. Ich liebe ihn. In den sechs Jahren hier war er ein Teil meines Lebens. Er gehört zum Sommer und zum Frühherbst, wie Sina zu mir gehörte. Sie liebte ich auch, liebe sie immer noch. Der Gedanke, dass sie mich betrog, machte mich rasend. Der Gedanke, dass ich sie verloren habe, bringt mich um den Verstand. Ich habe Angst.“


 

petra_hammesfahr
Petra Hammesfahr (Immerrath, 10 mei 1951)

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver Roberto Cotroneo werd op 10 mei 1961 geboren in Alessandria.

 

Uit: Diese Liebe (Vertaald door Karin Krieger)

 

"Was war die Liebe zuvor gewesen?", sinniert Anna, "Wo war sie mir begegnet? Diese Frage hatte sich die meiste Zeit meines Lebens nicht oft gestellt. Ich denke nicht, dass die Liebe an und für sich existiert, ich glaube, sie ist ein Kleid, das man sich auf den Leib schneidert, und dies über einen Zeitraum, der lange währen kann. Hin und wieder ein Nadelstich, und gelegentlich vielleicht sogar die eine oder andere aufgetrennte Naht, die in Ordnung gebracht werden muss. (...) vielleicht liegt das Ewige gerade in der Fähigkeit, einen flüchtigen Horizont lebendig zu halten und darauf zu warten, dass er noch einmal erscheint."

(...)

 

"Vielleicht ist es an uns, in den Dingen der Welt eine Spur des Paradieses wiederzufinden. Wie Archäologen, die ihre Fundstücke mit einem Pinsel säubern. / Ich wusste immer, dass unsere Buchhandlung das Paradies ist, eine Kabbala aus Sätzen; Kombinationen, die es zu finden gilt, Glückssplitter in Buchstabenform. Starkes Licht von Bedeutung."

 

 

 

cotroneo

Roberto Cotroneo (Alessandria, 10 mei 1961)

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Ralf Rothmann werd op 10 mei 1953 geboren in Schleswig.

 

 

Restherz

Kein Geld für Pleiten,
kaum Zeit für Glück,
          ich lebe so panisch gern.
Verdunkeln mich auch die Motoren der Sonne,
scheint auch der Mond auf Bullen und Blut:
aushalten. Das Ende vor Augen
Anfänge machen,
gepanzert mit Verwundbarkeit,
bis an die Zähne bewaffnet mit Angst.

 


 

rothmann

Ralf Rothmann (Schleswig, 10 mei 1953)

 


 

Zie voor de drie bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 10 mei 2008 en ook mijn blog van 10 mei 2009.

 

 

 

De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook mijn blog van 10 mei 2009.

 

 

There It Is


And if we don't fight
if we don't resist
if we don't organize and unify and
get the power to control our own lives
Then we will wear
the exaggerated look of captivity
the stylized look of submission
the bizarre look of suicide
the dehumanized look of fear
and the decomposed look of repression
forever and ever and ever
And there it is

 

 

 

Rose Solitude


"I am essence of Rose Solitude
my cheeks are laced with cognac
my hips sealed with five satin nails
i carry dreams and romance of new fools and old
flames
between the musk of fat
and the side pocket of my mink tongue."

 

 

 

Jayne Cortez
Jayne Cortez (Fort Huachuca, 10 mei 1936)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

10-05-09

J.C. Bloem, Herman Leenders, Roberto Cotroneo, Ralf Rothmann, Petra Hammesfahr, Jayne Cortez, Barbara Taylor, Antonine Maillet, Benito Pérez Galdós, Johann Peter Hebel, Ivan Cankar, Fritz von Unruh, Martin Boelitz, Jeremy Gable, Ariel Durant, Leonard Buys

 

De Nederlandse dichter Jakobus Cornelis (Jacques) Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook mijn blog van 10 mei 2008en ook  mijn blog van 10 mei 2007 en mijn blog van 22 maart 2006.

 

 

Eerste lentedag

 

Weer de lente. De verbijsterde ogen,

Falende in het winters-bleek gezicht,

Zien de huizen en de bruggebogen

Op en neer gaan in het wankel licht.

 

Zien en zien niet door de duizelingen

Van de weer oneindige rivier;

Zon en water kruisen daar hun klingen

En het hart is bonzend en niet hier.

 

Weer een lente en de bitter-eigen

Zilte geur, die langs de kade glijdt.

Is 't tij, dat stroomopwaarts komt stijgen -

Of de zeelucht van de eeuwigheid?

 

 

 

 

Het portret

 

Wanneer ik dood ben en de donkren komen,

Geef me 't portret niet mee, dat altijd mij

Ten hoofdeneinde stond en in mijn dromen.

Ik merk er toch niets van. Het is voorbij.

 

Neen, ik wil niet, dat na de laatste morgen

De beeltenis van dit bemind gelaat,

In een tot molm geworden kist geborgen,

Diep in de muffe grond met mij vergaat.

 

Doch als ik stervend ben, maar nog niet henen,

Dan wil ik 't houden in mijn vege hand.

Mijn laatste denken moet nog zijn doorschenen

Door 't liefste waar het zich aan had verpand.

 

Want ik berust erin. 'k Heb in mijn streven

Naar iedere andre liefde om niet gehaakt -

Door deze alleen is dit rampzalig leven

Tot onuitsprekelijk geluk gemaakt.


 

Grafschrift


Het in zijn roes slechts half geleegde glas

Staat naast de stoel, waar hij heeft uitgestreden;

Het laatste boek is op de grond gegleden

In de om de kachel heen gemorste as.

 

Wat geeft het of men zo of anders leeft?

Dit zagen de verschrikten, die hem vonden:

Een mens, die niet meer bloedt uit duizend wonden,

Maar 't leven eindlijk overwonnen heeft.

 


 

Bloem
J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)
Paasloo, Monument J.C.Bloem



 

De Vlaamse dichter en schrijver  Herman Leenders werd geboren te Brugge op 10 mei 1960. Zie ook mijn blog van 10 mei 2007 en ook mijn blog van 10 mei 2008

 

 

Museum

 

Alles blijft rustig staan zoals het stond.

Het speelgoed slingert voorbeeldig rond.

Er is geen vaat, geen strijk,

nergens een natte dweil.

 

Geen kruimels, geen beschimmeld

brood onderaan in de doos.

En ook de suppoost

ademt voorzichtig door z'n neus.

 

 

 

Rijm

 

Als in het kasteel van de schone slaapster

hangt in alle hoeken een web

en tussen de spijlen van het hek

een landschap dat sinds honderd jaar

 

verlaten lijkt.

De geluiden bevroren aan het gras,

de bomen gesneden uit melkglas.

Zonder rijm zou dit geen poezie zijn.

 

 

 

 

Leenders
Herman Leenders (Brugge, 10 mei 1960)

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver Roberto Cotroneo werd op 10 mei 1961 geboren in Alessandria. Zie ook mijn blog van 10 mei 2008

 

Uit: Presto con fuoco (Vertaald door François Rosso)

 

“Pourtant, on doit pouvoir déchiffrer l'écriture des passions. Trouver du sens dans un signe au tracé plus délicat, la queue d'une croche qui descend trop bas, le flottement indécis d'un soupir, une pression plus forte de la plume sur la page, presque une griffure, un outrage à ce papier épais, laineux, qu'on utilisait autrefois pour écrire la musique. On doit discerner çà et là sur la portée une lueur d'hésitation, la brusque folie d'un presto con fuoco, le resserrement des traits d'encre sur ce bref espace d'une page, comme s'il fallait comprimer le temps, le faire tenir tout entier dans ces quelques lignes irrésolues et ces espacements irréguliers: ces cascades de notes, comme on les appelle souvent, ou, parfois, ces «gouttes d'eau». Il y a même un de ses préludes - de Frédéric Chopin, bien sûr - qu'on appelle ainsi, La goutte d'eau. Un de ces noms inventés plus tard, par les disciples, les critiques: affectifs, descriptifs, quelquefois délétères. Ils cherchent, ces noms, à faire en sorte que la musique signifie autre chose que ce qu'elle est. Terrible dérive de ceux qui vinrent après les romantiques et voulurent que la nature, l'analogie s'introduisissent au cœur de ces signes et les guidassent comme s'ils étaient les cristaux d'argent d'un daguerréotype. Et pourtant rien, pas même le souvenir du grand arbre devant sa fenêtre de la maison de Nohant, n'a dû entrer dans la recomposition de ces signes incertains, malades, épuisés que j'ai sous les yeux. Sublimes assurément, géniaux, mais minés par l'extrême fatigue, par la crainte de ne pas arriver au terme. Rien de commun avec les gouttes d'eau, avec les plaines polonaises, rien de commun, même, avec les vers du poète Mickiewicz qui l'ont, paraît-il, inspiré lorsqu'il composait les Ballades. »

 

 

 

Controneo
Roberto Cotroneo (Alessandria, 10 mei 1961)

 

 


 

De Duitse schrijver Ralf Rothmann werd op 10 mei 1953 geboren in Schleswig. Zie ook mijn blog van 10 mei 2008

 

Uit: Feuer brennt nicht

 

„Wie alltäglich oder unbedeutend die Reise auch sein mag, wie trist der Bahnhof und wie voll das Abteil mit den lärmenden Kindern, den ungelenk sich abmühenden Kofferträgern und den Keuchenden, die es gerade noch geschafft haben: Wenn alle Ansagen gemacht und alle Türen geschlossen sind und jeder auf das Anrucken des Zuges wartet, gibt es nicht selten einen Moment der Stille, der mehr zu meinen scheint als das unausgesprochene »Endlich!« oder die Entfernungen

zwischen hier und da, der einem wie ein geheimnisvolles Innehalten vorkommt, ein Atemholen der Zukunft, und die meisten Menschen, selbst die misslaunigen oder ungeduldigen, einen Herzschlag

lang demütig aussehen lässt.

Wir wissen nichts, wenn jemand stirbt, nicht viel, wir stehen vor einem Rätsel, und will man Obskures vermeiden, schweigt man besser. Zwar haben wir uns angewöhnt zu sagen, die oder der Verstorbene lebt in uns, unserem Gedenken, weiter; aber irgendwann sind auch wir vergessen, und was dann? Sicher ist nur so viel: Niemand auf der Welt kann ein Leben, sei es nun lang oder kurz gewesen, ungeschehen machen. Es hat einmal für immer stattgefunden, es hat eingewirkt auf den vergangenen, es wirkt ein auf den gegenwärtigen und wird einwirken auf den künftigen Zustand der Mysterien; und wie die Natur, der physische Bereich, in Wahrheit keinen Tod kennt, sondern immer nur Verwandlung, endlos, so wird es im metaphysischen Bereich eine Entsprechung geben. Jetzt, in diesem Moment, schließen unzählige Menschen zum letzten Mal die Lider, und gleichzeitig schlagen unzählige andere sie zum ersten Mal auf, und sieht man einmal ab von allem Persönlichen, könnte man den Eindruck gewinnen, das ganze Dasein, das leidige Werden und Vergehen, sei nichts als ein Blinzeln oder Augenzwinkern auf dem Grund einer allumfassenden Gelassenheit. Wäre das ein Trost?“

 


 

Rothmann
Ralf Rothmann (Schleswig, 10 mei 1953)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Petra Hammesfahr werd geboren in Immerrathop 10 mei 1951. Zie ook mijn blog van 10 mei 2008

 

Uit: Erinnerung an einen Mörder

 

„Es gab für mich nie einen Grund, meinen Vater zu fürchten.

Das habe ich nach dem Mittwoch im Oktober -1978 allen gesagt, die von mir wissen wollten, wer mich in den Hals ge­stochen hatte: den Ärzten und Polizisten, Großmutter Meiler - seiner Mutter -, die mich weinend an sich drückte und «armes Bübchen» schluchzte, Birgit und Peter, die ich zu der Zeit noch Tante und Onkel nannte. Und dieser Psychologin, die meine Täterbeschreibung so schnell einzuordnen wusste. Egal, was ich gefragt wurde, meine Antworten gipfelten immer in dem Satz: «Ich hatte keine Angst vor meinem Papa, ehrlich nicht, er hat mir nie wehgetan.»

Was hätte ich sonst noch sagen sollen? Dass ich meinen Vater über alles geliebt hatte, interessierte niemanden mehr, höchstens noch Großmutter Meiler, die darauf beharrte: «Mein Junge hätte so was nicht getan.

Eine Frau namens Berta Eberlein hatte mich gegen vier Uhr nachmittags in der Wehrhahnstraße aufgegriffen. Daran erinnere ich mich bis heute nicht. Ich sei gelaufen, hieß es, nur gelaufen, ohne zu schreien, ohne zu weinen. Keine Ahnung, an wie vielen Leuten ich bis dahin vorbeigelaufen war, die geflissentlich wegge­sehen hatten. Niemand handelt sich gerne Scherereien ein, und ich sah nach einer Menge Scherereien aus. Mein Gesicht war blutig, mein Hals, mein Haar, mein Nacken, meine Hände, Jacke, Hose, Schuhe, alles war blutig. Berta Eberlein schaute nicht weg und fackelte nicht lange. Sie setzte mich auf ihr Fahrrad und brachte mich schnurstracks zum Krankenhaus.“

 

 

Petra_hammesfahr
Petra Hammesfahr (Immerrath, 10 mei 1951)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Sinds 1980 wordt zij bij haar lezingen ondersteund door de band The Firespitters, geleid door haar zoon Denardo Coleman. Zij heeft inmiddels concerten en lezingen over de hele wereld gegeven. In 1987 ontving zij de Poetry-Award van de New York Foundation for the Arts.

 

 

Push back the catastrophers

 

I don't want a drought to feed on itself

through the tattooed holes in my belly

I don't want a spectacular desert of

charred stems & rabbit hairs

in my throat of accumulated matter

I don t want to burn and cut through the forest

like a greedy mercenary drilling into

sugar cane of the bones

 

Push back the advancing sands

the polluted sewage

the dust demonsthe dying timber

the upper atmosphere of nitrogen

push back the catastrophes

 

 

Enough of the missiles

the submarines

the aircraft carriers

the biological weapons

No more sickness sadness poverty

exploitation destabilization

illiteracy and bombing

Let's move toward peace

toward equality and justice

that's what I want

 

 

To breathe clean air

to drink pure water to plant new crops

to soak up the rain to wash off the stink

to hold this body and soul together in peace

that's it

Push back the catastrophers

 

 

 

 

Cortez
Jayne Cortez (Fort Huachuca, 10 mei 1936)

 

 

 

 

De Engelse schrijfster Barbara Taylor Bradford werd geboren in Leeds, West Yorkshire op 10 mei 1933. Zie ook mijn blog van 10 mei 2008

 

Uit: The Triumph of Katie Byrne

 

“The girl sat on a narrow bench, center stage, her body bent forward, one elbow on her knee, a hand supporting her head.  The thinker, deeply thinking, her body language seemed to convey.

She was dressed very simply, boyishly, in a loose grey knitted tunic cinched by a black leather belt,

worn with black tights and ballet slippers. Her long reddish-gold hair was plaited, the plaits wound tightly  around her head, so that the finished effect was like a burnished-copper cap gleaming under the pinspot shining down.  The girl’s name was Katie Byrne and she was seventeen and acting was her entire life.

She was about to act for her favorite audience--an audience of two, her best friends, Carly Smith and Denise Matthews.  They sat on straight-backed wooden chairs in front of the makeshift stage in the old barn which belonged to Ted Matthews,  Denise’s uncle. Both girls were the same age as Katie, and had been friends since childhood; all three were fellow members of the amateur acting group at the high school in the rural Connecticut area where they all lived.

Katie had chosen to perform a speech from one of Shakespeare’s plays at the school’s upcoming Christmas concert.  It was only two months away, and she had recently begun to rehearse the piece; Carly and Denise were also perfecting  their chosen speeches for the same concert, rehearsing with her in the barn almost every day.”

 

 

bradford
Barbara Taylor Bradford (Leeds, 10 mei 1933)

 

 


 

 

De Canadese schrijfster Antonine Maillet werd geboren op 10 mei1929 in Bouctouche, New Brunswick. Zij studeerde aan de Université de Moncton en aan de Université Laval. Aan de laatste universiteit doceerde zij literatuur en folklore. Later werkte zij ook voor radio Canada. In 1979 ontving zij de Prix Goncourt voor Pélagie-la-Charrette.

 

Uit: Evangeline the Second (Vertaald door Luis De Céspedes)

 

« EVANGELINE : That's it, yes. That's what Cyprien used to tell me. He took to the sea like a man takes a wife, to try 'n find something out there, something a person looks for all his life 'n only finds once in a blue moon, at daybreak. That's what he'd say. He called it paradise too. (Pause) But after he was gone, I never found that paradise again, never. / THE BRETON : And what if it was still there waiting for us far beyond the open sea? / EVANGELINE : You only take to the sea once...and you gotta be young and strong. / THE BRETON : ...young, surrounded by the horizon 'n with a whole world to conquer... / THE RABBI : ...at an age you can't possibly know how dearly life is going to make you pay for each one of your paradises. »

 

 

mailletantonine
Antonine Maillet (Bouctouche, 10 mei 1929)

 

 

 

 

 

De Spaanse schrijver Benito Pérez Galdós werd geboren in Las Palmas op 10 mei 1843. Zie ook mijn blog van 10 mei 2008

 

Uit: Juan Martín el Empecinado ("Juan Martin the Stubborn", vertaald door Dennis Mangan)

 

"The War of Independence was the great academy of disorder. Nobody takes away its glory, no, sir; it is possible that without the guerilla fighters the intruder dynasty would have become established in Spain, at least until the Restoration in France. To them is owed national permanence, the respect which the name of Spain still instills in foreigners, as well as this vainglorious but just security we have had which for half a century ensuring that no one would dare to mix it up with us. But the War of Independence, I repeat, was the great school of leadership, because in it the Spaniards became supremely skilled in the art, incomprehensible to others, of improvising armies and dominating a region for more or less time; they studied the science of insurrection, and for the marvels of that time we have weeped afterwards with tears of blood. But, why such sentimentality, sirs? The guerrilla fighters constitute our national essence. They are our body and our soul; they are our spirit, our genius, the History of Spain; they are everything, greatness and misery, a formless conjunction of contrary qualities, the dignity disposed toward heroism, the cruelty inclined to pillage."

 

 

BenitoPérezGaldós
Benito Pérez Galdós (10 mei 1843 - 4 januari 1920)

 

 

 

 

De Duitse dichter,schrijver, pedagoog en theoloog  Johann Peter Hebel werd geboren op 10 mei 1760 in Basel. Zie ook mijn blog van 10 mei 2008

 

Uit: Kannitverstan

 

Der Mensch hat wohl täglich Gelegenheit, in Emmendingen und Gundelfingen so gut als in Amsterdam Betrachtungen über den Umstand aller irdischen Dinge anzustellen, wenn er will, und zufrieden zu werden mit seinem Schicksal, wenn auch nicht viel gebratene Tauben für ihn in der Luft herumfliegen.  Aber auf dem seltsamsten Umweg kam ein deutscher Handwerksbursche in Amsterdam durch den Irrtum zur Wahrheit und zu ihrer Erkenntnis.  Denn als er in diese große und reiche Handelsstadt voll prächtiger Häuser, wogender Schiffe und geschäftiger Menschen gekommen war, fiel ihm sogleich ein großes und schönes Haus in die Augen, wie er auf seiner ganzen Wanderschaft von Tuttlingen bis Amsterdam noch keines erlebt hatte.  Lange betrachtete er mit Verwunderung dieses kostbare Gebäude, die sechs Kamine auf dem Dach, die schönen Gesimse und die hohen Fenster, größer als an des Vaters Haus daheim die Tür.  Endlich konnte er sich nicht enthalten, einen Vorübergehenden anzureden.  "Guter Freund", redete er ihn an, könnt Ihr mir nicht sagen, wie der Herr heißt, dem dieses wunderschöne Haus gehört mit den Fenstern voll Tulipanen, Sternenblumen und Levkojen?" - Der Mann aber, der verwunderlich etwas Wichtigeres zu tun hatte und zum Unglück gerade soviel von der deutschen Sprache verstand, als der Fragende von der holländischen, nämlich nichts, sagte kurz und schnauzig: "Kannitverstan", und schnurrte vorüber.  Dies war ein holländisches Wort, oder drei, wenn man's recht betrachtet, und heißt auf deutsch soviel als: "Ich kann Euch nicht verstehen Aber der gute Fremdling glaubte, es sei der Name des Mannes, nach dem er gefragt hatte.  Das muß ein grundreicher Mann sein, der Herr Kannitverstan, dachte er und ging weiter.  Gassaus, gassein kam er endlich an den Meerbusen, der da heißt: Het Ey, oder auf deutsch: das Ypsilon.  Da stand nun Schiff an Schiff und Mastbaum an Mastbaum, und er wusste anfänglich nicht, wie er es mit seinen zwei einzigen Augen durchfechten werde, alle diese Merkwürdigkeiten genug zu sehen und zu betrachten, bis endlich ein großes Schiff seine Aufmerksamkeit an sich zog, das vor kurzem aus Ostindien angelangt war und jetzt eben ausgeladen wurde.“

 

 

johann-peter-hebel
Johann Peter Hebel (10 mei 1760 – 22 september 1826)

Monument in het Hebelpark in Lörrach

 

 

 

 

De Sloveense schrijver, dichter en toneelschrijver. Ivan Cankar werd geboren in Vrhnika op 10 mei 1876. Zie ook mijn blog van 10 mei 2008

 

Uit: Weiße Chrysantheme: Kritische und politische Schriften (Vertaald door  Erwin Köstler)

 

„Wenn der Arbeiter sonstwo ein Sklave war, war er in unseren slowenischen Gegenden doppelt versklavt! Woanders beutete man seine Hände und seinen Kopf aus, bei uns nahm man ihm darüber hinaus noch den Stolz, man sprach ihm die Seele ab und schnitt ihm die Zunge heraus. Für den fremden Kapitalisten und Beamten war der slowenische Arbeiter ein Tier, das schweigen muß, weil es nicht sprechen kann »wie ein Mensch«. Mit übernatürlicher Anstrengung, mit einer Opferbereitschaft sondergleichen erweckten einzelne es waren wenige! diese unsere Arbeiterschaft zu einem höheren kulturellen Leben, verhalfen ihr mit Hilfe der Organisation nach langen Kämpfen zu einem Stück besseren Brots, bemühten sich gleichzeitig, ihr die nötige geistige Nahrung zu geben. Was das letztere betrifft aber fehlte es an Kräften, an Arbeitern. Die kleine Zahl derer, die sich um die kulturelle Bildung der Arbeiter bemühten, waren meist Autodidakten, Arbeiter, die in ihrem bitteren und schweren Alltagsleben das Bedürfnis nach höherer Bildung, nach der Schau weiterer Horizonte verspürten. Sie arbeiteten, wie sie eben konnten, doch sie errichteten die Fundamente für die Arbeit jener, die nach ihnen arbeiten und bauen würden.“

 

 

Cankar
Ivan Cankar (10 mei 1876 - 11 december 1918)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Fritz von Unruh werd geboren op 10 mei 1885 in Koblenz. Hij volgde een opleiding aan de militaire academie. Al met zijn eerste stuk Offiziere uit 1911 over de verveling tijdens het kazerneleven haalde hij zich moeilijkheden met zijn meerderen op de hals, maar het werd wel een succes bij het publiek. Tijdens WO I diende hij als officier, maar de oorlog maakte een pacifist van hem. In het verhaal Opfergang (1916) beschreef hij zijn ervaringen bij de slag om Verdun. Na de oorlog schreef hij tal van romans en drama’s in de stijl van het expressionisme. In 1932 ging hij via Frankrijk uiteindelijk in Amerikaans ballangschap. Na WO II keerde hij naar Duitsland terug.

 

Uit: Opfergang

 

“Clemens stand auf, als der Hauptmann in die Revierstube kam und den Kellner – „was machst du für Geschichten?“ – begrüßte. Der Kranke konnte nichts anderes hervorbringen als: „Verdun!“ Werner richtete ihm Stroh unter dem Kopf: „Ja, Verdun!“ und sah Clemens an: „Siebenhunderttausend Köpfe und zweihundertfünfzigtausend Pferde am gleichen Strang: Verdun!“ – Aus des Kellners Tasche ragte ein Zettel, er zog ihn heraus und las: „Einhunderteinundzwanzig Kassenverwaltungen, sechsundvierzig Sanitätsformationen, zweihundertfünfundachtzigtausend Wolldecken, dreizehntausend Tonnen Kohle, dreihundertsechsundzwanzigtausendzweihundertundfünfzig Bettsäcke, dreitausend Werkzeuge, Gießkannen, äxte, Hämmer, Essenträger, Löffel, Schöpfer wöchentlich! – Und täglich.“ über des Kellners Kopf strich er hin: „Täglich sechzig Kilometer Stacheldraht, achttausend Nägel, zwei Waggon Wellblech! Ja! Ja, verschlänge er das allein, der Rachen Verdun! Aber die Menschen.“ – Während er das Papier in den Ofen warf, lachte er bitter: „Das verfluchte Papier!“ Clemens sah Werner mit großen Augen an; „haben Mensch, Tier oder Material überhaupt noch Bedeutung?“ – „Nur im Hinblick auf das Gesamtziel, Clemens. Der einzelne biegt oder bricht, nicht wahr, mein Junge?“ Er klopfte den Kellner und verließ – „ich will mit dem Arzt sprechen“ – das Zimmer. Clemens eilte ihm nach, doch als er die Türklinke schon in der Hand hielt, machte er kehrt. „Besser nicht, besser nicht, – eigene Gefühle abschneiden wie Blätterüberfluß zugunsten der Frucht; welcher Frucht? Rot aus der Zukunft leuchtet sie mir.“ Als der Krankenwärter eintrat, ging er, die Hände auf des Kellners Stirn legend, „auch Du sollst von ihr essen“, hinter dem Hauptmann her zu Tisch.”

 

 

unruh_fritz_von
Fritz von Unruh (10 mei 1885 – 29 november 1970)

 

 

 

De Duitse dichter Martin Boelitzwerd geboren op 10 mei 1874 in Wesel. Vanaf 1902 leidde hij de uitgeverij Nieter in Nürnberg. In 1914 keerde hij terug naar Wesel waar hij boekhandelaar werd en uitgever van de Weseler Zeitung. Hij schreef voornamelijk gedichten.

 

 

Knecht Ruprecht

 

Draussen weht es bitterkalt,
wer kommt da durch den Winterwald?
Stipp - stapp, stipp - stapp und huckepack -
Knecht Ruprecht ist's mit seinem Sack.
Was ist denn in dem Sack drin?
Äpfel, Mandeln und Rosin'
und schöne Zuckerrosen,
auch Pfeffernüss' fürs gute Kind;
die andern, die nicht artig sind,
die klopft er auf die Hosen.

 

 

 

Wesel_Dom
Martin Boelitz (10 mei 1874 – 5 december 1918)

Wesel, dom (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 mei 2008

 

De Amerikaanse toneelschrijver Jeremy Gable werd geboren op 10 mei 1982 in Lakenheath, Suffolk, in Engeland

 

De Amerikaanse schrijfster Ariel Durant (eig, Chaya Kaufman) werd geboren op 10 mei 1898 in Proskoeriv, tegenwoordig Chmelnytsky in de Oekraïne.

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 mei 2007.

 

De Vlaamse schrijver en dichter Leonard Buyst (ook wel Léonard) werd geboren in Lokeren op 10 mei 1847.

 

 

 

10-05-08

J.C. Bloem, Herman Leenders, Ralf Rothmann, Jeremy Gable, Ariel Durant, Barbara Taylor Bradford, Benito Pérez Galdós, Roberto Cotroneo, Johann Peter Hebel, Ivan Cankar, Petra Hammesfahr, Leonard Buyst

 

De Nederlandse dichter Jakobus Cornelis (Jacques) Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook mijn blog van 10 mei 2007 en mijn blog van 22 maart 2006.

 

 

Vroege Voorjaarsavond

 

Het ongelezen boek viel naast hem neder;

Hij streek langs de oogen met een vage hand,

En keek naar buiten: 't eerste lenteweder

Betooverde het schemerende land.

 

Er was een waas van het aanvanklijk loover

Om het afzonderlijke, zwarte hout,

En iets als zoelte zweemde de avond over,

Maar waar de wind zijn vleugel sloeg was 't koud.

 

De lenten gingen en de lenten komen;

De wereld is een onverganklijk oord,

Waaraan de harten, eenmaal opgenomen,

Niet meer ontwijken dan door de ééne poort.

 

Waarom dan zich in droomen te vergeten?

Laat het boek ongelezen. Wie, dien 't deert?

Er is maar één ding, dat wij zeker weten:

Dat eens de lente ons nimmer wederkeert.

 

 

 

 

De nachtegalen

Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht,
't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? - In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

 

 

 

De gelatene

 

Ik open 't raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatste te beminnen.

Er was in 't leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.

Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onverganklijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.

Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden,
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.

 

 

 

Bloem
J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 

 

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver  Herman Leenders werd geboren te Brugge op 10 mei 1960. Zie ook mijn blog van 10 mei 2007.

 

Biljart

God speelt drieband. Hij houdt van
het droge tikken van de ballen
in de lege gelagzaal.
Hij gebruikt mij om jou te treffen.

Ik bots tegen de rand en door die ander
te kussen bereik ik jouw kant.
Wij naderen elkaar volgens een wetmatig verband.
God glundert als ik bij jou stilval

grijpt naar het krijt ondertussen.

 

 

 

Jongen die in boom klimt

Schrijf huis
Schrijf tuin
Schrijf boom in de tuin
Schrijf jongen die in boom klimt

Schrap het huis
Schrap de tuin
Schrap de boom in de tuin
Hou dit over

 

 

 

Leenders
Herman Leenders (Brugge, 10 mei 1960)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Ralf Rothmann werd op 10 mei 1953 geboren in Schleswig. Hij groeide op in het Ruhrgebied en volgde onder andere een opleiding tot metselaar. Later werkte hij als chauffeur, kok, verpleger en drukker. Sinds 1976 woont hij in Berlijn waar hij in 1984 debuteerde met de gedichtenbundel Kratzer. Zijn eerste roman Stier verscheen in 1991.

 

Uit: Ein Winter unter Hirschen

 

„Berlin ist ein Dorf, jedenfalls für den, der länger hier lebt und sich nicht mehr blenden läßt vom dem bunt flackernden Groß- oder gar Weltstadtgehabe auf allen Bildschirmen. Und wie man in gewissen Reiseländern irgendwann müde wird angesichts der Tempel, Paläste und Säulenreste aus grauer Vorzeit, trümmermüde, und nichts weiter will als ein Glas Wein im Schatten, hat man in Berlin irgendwann die Nase voll von der Zukunft, die angeblich überall beginnt und doch nirgends zu sehen ist.
Mich jedenfalls erinnern diese Baukrater und Betongerippe eher an Vergangenheit, und auch das sogenannte urbane Leben, das Tempo, der Nervenkitze oder gar „die Vielfalt des kulturellen Angebots“ lassen einen bloß noch gähnen. Alles immer nur Kunst.
So beschränkt man sich auf einen Stadtteil, den Kiez, läuft seine Trampelpfade ab und wird von dem, was die Welt bewegt oder lähmt, am Ende so viel oder wenig berührt wie vom Gardinenwechsel in der Eckkneipe oder der neuen Brotsorte beim Bäcker im Souterrain.
Seit fünfundzwanzig Jahren lebe ich hier, meistens in Kreuzberg, und alle bisherigen Wohnungen lagen, Zufall oder nicht, in der Nähe des Landwehrkanals. Darum gehört es zu meinen dörflichen Freuden, fast täglich dort spazierenzugehen. Die sogenannte Kanalrunde erstreckt sich von der Waterloobrücke an der Brachvogelstraße bis hin zu dem kleinen Rest der früher großen Synagoge, ein von Kastanien, Platanen und Trauerweiden gesäumter Weg, und man passiert vier Brücken, einen Minigolfplatz, das Zollhaus und ein Jugendheim – und wird in regelmäßigen Abständen überholt von Brigitte, Kehrwieder und Pik-As, den Rundfahrtschiffen aus dem Urbanhafen.
Zu einem Dorf gehören bekanntlich auch Trottel, und ich will nicht leugnen, daß ich seit jeher Sympathien für diese etwas abseitigen Existenzen hege, die mir auf den Spazierwegen begegnen und mir oft sogar zunicken, zuzwinkern, als wären wir alte Bekannte. Und wir sind es wohl auch. Jedenfalls habe ich dem einen oder anderen im Lauf der Jahre schon mal eine Gefälligkeit erwiesen oder ihm aus einer Bedrohung, einem Desaster gar, herausgeholfen, denn: „Müßiggänger werden immer als Retter mißbraucht.“ Sagt meine Freundin Nora.
Ich will jetzt gar nicht von den vielen Kindern reden, die mich vor dem Freizeitheim oder der Skater-Rampe anhalten und Rotz und Wasser heulend darum bitten, ihnen ihre Walkmen, Handys oder „Chiemsee“-Jacken, gerade von einer Bande Älterer gestohlen, zurückzuerobern. Für mutig und stark gehalten zu werden, nur weil man erwachsen aussieht, habe ich seit jeher als Zudringlichkeit empfunden, und wenn ich die D-Mark-schweren Ausrüstungen der Kids von heute sehe und an die Pfennige für „Prickelpit“ in meinen Kindershorts denke, will der wahre kriminalistische Eifer auch nicht aufkommen.“

 

 

Ralf-Rothmann-3
Ralf Rothmann (Schleswig, 10 mei 1953)

 

 

 

 

De Amerikaanse toneelschrijver Jeremy Gable werd geboren op 10 mei 1982 in Lakenheath, Suffolk, in Engeland. Bekend werd hij met stukken als "American Way", "Giant Green Lizard! The Musical", "The Flying Spaghetti Monster Holiday Pageant", "Re: Woyzeck", die werden opgevoerd in Los Angeles en Orange County. Hij woont tegenwoordig in Fullerton en werkt ook als artistiek directeur van het The Hunger Artists Theatre Company.

 

Uit: Jeremy's Ramblings, Babblings, and Other Pretentious Bullshit (Zijn blog)

 

However, there are things that have emerged in the show that are offensive to the Japanese culture. I am not one who is a firm believer in being politically correct all the time. I quote “Avenue Q”: Everyone’s a little bit racist. And yet several of the laughs to be had in this show are easy laughs at the expense of a careless, lazy stereotype. If you leave the theater feeling uncomfortable (like some of my friends) or just plain wondering if I’m racist (like my mom), know that you’re not alone. Since the theater already put their own disclaimer on the postcards (“If you come expecting a play with substance, you won’t get your money back”), I offer my own words as to why a seemingly harmless show can seem so hurtful.

Before proceeding, I feel inclined to say that “Giant Green Lizard - The Musical” is, first and foremost, a piece of entertainment, meant to amuse. When I was asked to write it, it was to be understood that this was something to make audiences laugh and cheer, a spectacle as never before seen on a storefront theater stage. It was never meant as a show that someone could read into or pull special meanings from. Being a writer who naturally feels the need to provoke an audience into thinking about whatever happens to be on my mind, I found the prospect of writing something purely for the entertainment value an interesting experiement.”

 

 

Gable
Jeremy Gable (Lakenheath, 10 mei 1982)

 

 

 


De Amerikaanse schrijfster Ariel Durant (eig, Chaya Kaufman) werd geboren op 10 mei 1898 in Proskoeriv, tegenwoordig Chmelnytsky in de Oekraïne. In 1901 vertrok zij met haar moeder naar de VS. Haar man Will leerde zij aan de Ferrer Modern School in New York kennen; zij trouwden in 1913. Hij gaf zijn lerarenbaan op om zich geheel aan het schrijven te kunnen wijden. Samen met hem schreef zij The Story of Civilization.. Voor het tiende deel van deze omvangrijke cultuurgeschiedenis kreeg zij in 1968 de Pulitzer Prijs.

 

Uit: The Story of Civilization

 

“In an apartment at Versailles, under the rooms and the favoring eye of Mme. de Pompadour, that economic theory took form which was to stir and mold the Revolution, and shape the capitalism of the nineteenth century.

The French economy had been struggling to grow despite the swaddling clothes of regulations — by guilds and Colbert — and the Midas myth of a mercantilism that mistook gold for wealth. To increase exports, diminish imports, and take the “favorable balance” in silver and gold as a prop of political and military power, France and England had subjected their national economies to a mesh of rules and restraints helpful to economic order but harming production by hampering innovation, enterprise, and competition. All this — said men like Gournay, Quesnay, Mirabeau pere, Du Pont de Nemours, and Turgot — was quite contrary to nature; man is by nature acquisitive and competitive; and if his nature is freed from unnecessary trammels he will astonish the world with the quantity, variety and excellence of his products. So, said these “physiocrats,” let nature (in Greek, physis) rule (kratein); let men invent, manufacture, and trade according to their natural instincts; or, as Gournay is said to have said, laissez faire—”let him do” as he himself thinks best. The famous phrase was already old, for about 1664, when Colbert asked businessman Legendre, “What should we [the government] do to help you?” he answered, “Nous laisser faire — let us do it, let us alone.

Jean-Claude Vincent de Gournay was the first clear voice of the physiocrats in

France. Doubtless he knew of the protests that Boisguillebert and Vauban had made to Louis XIV against the stifling restrictions laid upon agriculture under the feudal regime. He was so impressed by Sir Josiah Child’s Brief Observations Concerning Trade and

Interest (1668) that he translated it into French (1754); and presumably he had read Richard Cantillon’s Essay on the Nature of Commerce (c. 1734) in its French form (1755). Some would date from this last book the birth of economics as a “science” — a reasoned analysis of the sources, production, and distribution of wealth. “Land,” said Cantillon, “is the source of material from which wealth is extracted,” but “human labor is the form which produces wealth”; and he defined wealth not in terms of gold or money, but as “the sustenance, conveniences, and comforts of life.” This definition was itself a revolution in economic theory.”

 


 Durant

 
Ariel Durant (10 mei 1898 – 25 oktober 1981)
Met haar man Will Durant

 

 

 

De Engelse schrijfster Barbara Taylor Bradford werd geboren in Leeds, West Yorkshire op 10 mei 1933. Zij begon haar koopbaan als journaliste bij Woman's Own Magazine en als redactrice en columniste voor de London Evening News. Haar eerste roman uit 1979, A Woman of Substance,  werd een lang lopende bestseller en er volgden nog meer dan twintig andere succesvolle boeken.

 

Uit: Three Weeks in Paris

 

“It was her favorite time of day. Dusk. That in-between hour before night descended when everything was softly muted, merging together. The twilight hour.

Her Scottish nanny had called it the gloaming. She loved that name; it conjured up so much, and even when she was a little girl she had looked forward to the late afternoon, that period just before supper. As she had walked home from school with her brother Tim, Nanny between them, tightly holding on to their hands, she had always felt a twinge of excitement, an expectancy, as if something special awaited her. This feeling had never changed. It had stayed with her over the years, and wherever she was in the world, dusk never failed to give her a distinct sense of anticipation.

She stepped away from her drawing table and went across to the window of her downtown loft, peered out, looking toward the upper reaches of Manhattan. To Alexandra Gordon the sky was absolutely perfect at this precise moment…its color a mixture of plum and violet toned down by a hint of smoky gray bleeding into a faded pink. The colors of antiquity, reminiscent of Byzantium and Florence and ancient Greece. And the towers and spires and skyscrapers of this great modern metropolis were blurred, smudged into a sort of timelessness, seemed of no particular period at this moment, inchoate images cast against that almost-violet sky.”

 

 

 

bradford_barbara_taylor
Barbara Taylor Bradford (Leeds, 10 mei 1933)

 

 

 

 

De Spaanse schrijver Benito Pérez Galdós werd geboren in Las Palmas op 10 mei 1843. Hij schreef romans, toneelstukken en artikelen. Hij wordt gezien als de belangrijkste Spaanse schrijver van de negentiende eeuw. Hij publiceerde een enorm aantal romans die onder te verdelen zijn in de Novelas españolas contemporáneas (contemporaine romans) en de Episodios nacionales (historische romans).

 

Uit:  Our friend Manso(Vertaald door Robert Russell)

 

“I DO NOT EXIST. And just in case some untrusting, stubborn, ill- meaning person should refine to believe what I say so plainly, or should demand some sort of sworn testimony before believing it--I swear, I solemnly swear that I do not exist; and I likewise protest against any and all inclinations or attempts to consider me as being endowed with the unequivo­ cal attributes of real existence. I declare that I am not even a portrait of any­ body, and I promise that if one of our contemporary deep-thinkers were to start looking for similarities between my fleshless, boneless being and any individual susceptible to an experiment in vivisection, I should rush to the defense of my rights as a myth, demonstrating with witnesses called forth
from a place of my own choosing that I neither am, nor have been, nor ever will be, anybody.
I am--putting it obscurely in order for you to understand it better--an artistic, diabolical condensation, a fabrication born of human thought (ximia Dei) which, whenever it grasps in its fingers a bit of literary style, uses it to start imitating what God has done with material substance in the physical world; I am one more example of those falsifications of a man which from the dawn of time have been sold on the block by people I call idlers--and by so doing I fail in my filial duties--though an undiscerning and overgenerous public confers on them the title of artist, poet, or something of the sort. I am a chimera, dream of a dream, shadow of a shade, suspicion of a possibility: I enjoy my nonexistence, I watch the senseless passing of infinite time, which is so boring that it holds my attention, and I begin to wonder whether being nobody isn't the same as being everybody, whether my not possessing any personal attributes isn't the same as possessing the very attributes of existence itself. This is a matter which I haven't clarified as yet, and I pray God I never may, lest I be deprived of that illusion of pride which always alleviates the frigid boredom of these realms of pure thought.”

 


 

galdos1
Benito Pérez Galdós (10 mei 1843 - 4 januari 1920)

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver Roberto Cotroneo werd op 10 mei 1961 geboren in Alessandria. Hij studeerde filosofie in Turijn. Zijn literaire loopbaan begon hij in 1983 bij het tijdschrift L'Europeo. Van 1987 tot 2003 werkte hij als redacteur voor L'Espresso. In 1991 verscheen zijn eerste boek All'Indice. Sulla cultura degli anni Ottanta, waarin zijn voornaamste literaire kritieken waren gebundeld. Drie jaar later publiceerde hij de essaybundel Se una mattina d’estate un bambino. Lettera a mio figlio sull'amore per i libri, waarin hij aan zijn toendertijd twee jarige zoontje over de schrijvers vertelt die invloed op hem gehad hebben (T.S. Eliot, J.D. Salinger und Thomas Bernhard bis zu Umberto Eco). Zijn eerste roman Presto was in 1996 goed voor de Italiaanse literaire prijs Premio Selezione Campiello.

 

Uit: Tempestad(Per un attimo immenso ho dimenticato il mio nome, Vertaald door Karin Krieger)

 

„‚Byrne’, sagte ich zu ihm verwundert, ‚aber Sie spielen doch gegen sich selbst.’
Diesmal drehte er sich um: ‚Nein, ich spiele gegen einen Schatten (ombra). Aber Du, Luis, bist kein guter Beobachter’.
‚Warum?’, fragte ich.
‚Schau genau hin, erscheint Dir das wie die gleiche Partie? Der Springer auf c3 wird im Spiegel dort ein Springer auf f6; verstehst Du, was das heißt?’
‚Er ist verkehrt (capovolto).’
‚Ja’, fügte Byrne hinzu. ‚Nur dass das Schach ein symmetrisches Spiel ist. Die Türme, die Springer und die Läufer haben eine symmetrische Position. Nur die Königin und der König durchbrechen die Symmetrie. Der Springer, den Du jetzt im Spiegel siehst, ist nicht einfach derselbe Springer nur gespiegelt (capovolto), es ist der andere Springer. Wenn ich es Dir in der Schachsprache sagen müsste, dann ist es der Springer auf f, nicht der auf c, verstehst Du? Noch nicht mal die Hand ist dieselbe. Die, die sich im Spiegel bewegt, ist die linke, während ich die Figuren doch mit der rechten verrücke.’
Was bedeutete das? Es bedeutete vor allem, dass Byrne ein gespiegeltes Selbst spielte (giocava un se stesso capovolto): ‚und dass die Spiegel sich im Schach nicht wie zu den anderen Gegenständen verhalten. Sie verleihen ihnen einen Wert (valore). Es ist nicht mehr dieselbe Figur, Luis, es ist eine andere Figur. … Die Figuren erhalten eine andere Bedeutung und wechseln die Identität. Während in allen andern Fällen es den Spiegeln lediglich gelingt, die Position der Gegenstände zu verändern’“

 

 

Cotroneo
Roberto Cotroneo  (Alessandria, 10 mei 1961)

 

 

 

 

De Duitse dichter,schrijver, pedagoog en theoloog  Johann Peter Hebel werd geboren op 10 mei 1760 in Basel. Beroemd werd hij met zijn verhalenbundel Schatzkästlein des rheinischen Hausfreundes. Hebel studeerde theologie in Erlangen, was een tijdje huisleraar en werd toen docent aan het gymnasium in Karlsruhe en in 1808 directeur van deze school. Ook bekleedde hij diverse functies binnen de Evangelische Kerk.

 

Uit: Ein Wort gibt das andere

 

‘Ein reicher Herr im Schwabenland schickte seinen Sohn nach Paris, dass er sollte Französisch lernen und ein wenig gute Sitten. Nach einem Jahr oder drüber kommt der Knecht aus des Vaters Haus auch nach Paris. Als der junge Herr den Knecht erblickte, rief er voll Staunen und Freude aus: "Ei, Hans, wo führt dich der Himmel her? Wie steht es zu Hause, und was gibt's Neues?" - "Nicht viel Neues, Herr Wilhelm, als dass vor zehn Tagen Euer schöner Rabe krepiert ist, den Euch vor einem Jahr der Weidgesell geschenkt hat."

"O das arme Tier", erwiderte der Herr Wilhelm. "Was hat ihm denn gefehlt?"

"Drum hat er zu viel Luder gefressen, als unsere schönen Pferde verreckten, eins nach dem andern. Ich hab's gleich gesagt."

"Wie! Meines Vaters vier schöne Mohrenschimmel sind gefallen?", fragte der Herr Wilhelm. "Wie ging das zu?"

"Drum sind sie zu sehr angestrengt worden mit Wasserführen, als uns Haus und Hof verbrannte, und hat doch nichts geholfen."

"Um Gottes willen!" rief der Herr Wilhelm voll Schrecken aus. "Ist unser schönes Haus verbrannt? Wann das?"

"Drum hat man nicht aufs Feuer achtgegeben an Ihres Herrn Vaters seliger Leiche, und ist bei Nacht begraben worden mit Fackeln. So ein Fünklein ist bald verzettelt!"

"Unglückliche Botschaft!", rief voll Schmerz der Herr Wilhelm aus. "Mein Vater tot? Und wie geht's meiner Schwester?"

"Drum eben hat sich Ihr Herr Vater seliger zu Tod gegrämt, als Ihre Jungfer Schwester ein Kindlein gebar und hatte keinen Vater dazu. Es ist ein Büblein.

Sonst gibt's just nicht viel Neues", setzte er hinzu.”

 

 

 

Hebel
Johann Peter Hebel (10 mei 1760 – 22 september 1826)

 

 

 

 

De Sloveense schrijver, dichter en toneelschrijver. Ivan Cankar werd geboren in Vrhnika op10 mei 1876 als achtste kind van een proletarisch handelsgezin. Zijn vader verdiende zijn brood als kleermaker, wat hij echter niet lang volhield. Hij liet de productie vallen rond de tijd dat de confectie zijn intrede deed in Vrhnika. Hij verliet zijn gezin en ging in Bosnië werken. Zijn moeder, die alleen met de kinderen overbleef moest nu het gezin onderhouden. Na zijn eindexamen, waarvoor hij in 1896 slaagde, ging hij in Wenen architectuur studeren. Al gauw bedacht hij zich en hij schakelde over op slavistiek. Ivan Cankar wordt tussen de vier vertegenwoordigers van het Sloveense modernisme gezet. Hij begon reeds met schrijven in zijn scholierenjaren. Hij publiceerde gedichten in Vrtec en Ljubljanski Zvon. In zijn periode in Wenen maakte hij deel uit van een literaire kring van Sloveense studenten. Cankar schreef verder in de realistische stroming, en later schakelde hij over naar neo-romantische stromingen, vooral decadentisme en symbolisme. In 1899 kwamen de dichtbundel Erotika en novelle Vinjete uit. Door de publicatie van Cankars Erotika, en Oton Župančič' Čaše Opojnosti ziet men het jaar 1899 als het begin van het Sloveense Modernisme.

 

Uit: Am Hang (Vertaald  door Erwin Köstler)

 

“Der Morgen brach an, der Morgen der Armen, finster und neblig. Francka stand müde vom Träumen auf, sie dachte im selben Moment an den Dornenweg, der ihr bevorstand, und es lief ihr kalt hinunter. In der Stube war es stickig, es roch noch nach der Toten, nach Kerzen und Schnaps. Auf dem Tisch lag das Stück Brot, das der Schuster gebracht hatte, auch Kaffee war im Schrank, und Francka ging das Frühstück kochen. Sie warf vom Flur einen Blick auf den Hang – alles war noch still, das Schlammwasser lief durch den schrundigen Straßengraben ins Tal und plätscherte leicht. Nirgends noch knarrte eine Tür – der Hang schlief den schweren und stickigen Schlaf des betrunkenen Bettlers, der aus dem Haus in die Regennacht gejagt worden ist und sich in den Graben gelegt hat.”

 

 

Cankar
Ivan Cankar (10 mei 1876 - 11 december 1918)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Petra Hammesfahr werd geboren in Immerrathop 10 mei 1951. Zij woont in Kerpen in de buurt van Keulen. Haar roman Der stille Herr Genardy werd in meerdere talen vertaald en er met succes een film naar gemaakt. Voor haar roman Der gläserne Himmel ontving zij in 1995 Rheinische Literaturpreis Siegburg. In 2000 volgde voor „Die Mutter“ de Wiesbadener FrauenKrimiPreis.

 

Uit: Der Puppengräber

 

„Es ist in den vergangenen Jahren etwas Gras gewachsen über den furchtbaren Sommer, der fünf Menschenleben gekostet hat. Es wurde viel darüber geredet, zuviel disku­tiert, gestritten, spekuliert und Schuld zugewiesen. Alte Feindschaften flammten neu auf, alte Freundschaften verbrannten in der Glut. Jeder im Dorf wußte etwas, und jeder, der bis dahin geschwiegen hatte, riß das Maul auf, als nichts mehr zu ändern war.

Ich habe mit allen gesprochen, die noch reden konnten. Ich habe mir ihre Erklärungen, ihre Entschuldigungen und ihre faulen Ausreden angehört. Ich habe ihre Ver­säumnisse gesehen und ihre Irrtümer erkannt. Nun will ich für den sprechen, der niemandem sagen konnte, was er fühlte. Für Ben.

Es wird nicht leicht, das weiß ich. Es gab nicht für alles Zeugen. Trotzdem bin ich sicher, daß auch die Situatio­nen, die niemand beobachtet hat, sich in etwa so abge­spielt haben, wie ich sie schildern werde. Warum sollte ein Mensch mit beschränkten intellektuellen Fähigkeiten ausgerechnet in den entscheidenden Momenten sein Ver­halten ändern?

Über mich gibt es dabei nicht viel zu sagen. Ich war das Schlußlicht, nur eine Randfigur mit einer erfolglosen Rolle in einem Zwischenakt und am Ende die ermittelnde Hauptkommissarin Brigitte Halinger. Im Sommer 95 war ich dreiundvierzig Jahre alt, verheiratet und Mutter eines siebzehnjährigen Sohnes. Das ist vermutlich mein Pro­blem bei der Sache.“

 

hammesfahr
Petra Hammesfahr (Immerrath, 10 mei 1951)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 mei 2007.

 

De Vlaamse schrijver en dichter Leonard Buyst (ook wel Léonard) werd geboren in Lokeren op 10 mei 1847.

 

 

10-05-07

J.C. Bloem, Herman Leenders, Leonard Buyst

 

De Nederlandse dichter Jakobus Cornelis (Jacques) Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Bloem stamde uit een stijlvolle, patricische familie. Ten tijde van zijn geboorte was zijn vader burgemeester van Oudshoorn, en was diens vader, J.C. Bloem minister van Financiën in het derde ministerie-Heemskerk. De aristocratisch-traditionele levensstijl enerzijds en de bezorgde, warme verbondenheid van het gezin anderzijds, hebben de dichter voorgoed gestempeld. De kinderen kregen aanvankelijk huisonderwijs van een Franse gouvernante en bezochten eerst later de dorpsschool. Als 12-jarige ging Bloem naar de HBS in Leiden, waar hij gedurende de week in huis was bij een leraarsgezin. Hij voelde zich daar ontheemd en eenzaam, en ook dat heeft zijn sporen nagelaten. Zijn schoolcarrière was weinig indrukwekkend; hij spande zich alleen in voor de vakken die zijn belangstelling hadden: Nederlands, Frans, geschiedenis. In 1903 vestigde vader Bloem zich, 45 jaar oud na zijn vaderlijk erfdeel ontvangen te hebben, als ambteloos burger in Amersfoort. Nadat hij op zijn 19e was geslaagd, wilde hij Nederlands studeren, maar de vader verzette zich en zo zou het rechten worden. De weg naar het staatsexamen nam ook weer drie jaar in beslag, zodat in 1909 zijn studie in Utrecht kon beginnen. Het gezin was in 1904 in één slag zijn vermogen kwijtgeraakt, iets dat Bloem ervoer als een vernedering. Voor de studie koesterde Bloem niet de minste belangstelling: na talrijke mislukkingen slaagde hij eerst op 10 mei 1916 voor het doctoraal. Op 30 november vond de promotie plaats op stellingen - dezelfde waarop zijn vriend P.N. van Eyck twee en een half jaar eerder in Leiden was gepromoveerd.

In zijn burgerschooljaren al was Bloem gegrepen door de poëzie, en in 1905 deed hij een eerste poging om met een vers door te dringen tot Verweys blad De Beweging. Pas drie jaar nadien kwam zijn contact met een leeftijdgenoot die literaire aspiraties had tot stand: Jan Greshoff, en spoedig nadien ook met Van Eyck. De verzen die hij in die jaren schreef, vertoonden duidelijke invloeden van P.C. Boutens en Karel van de Woestijne, al gauw ook van Franse laat-symbolisten - onder wie vooral Charles Guérin (1873-1907) De eerste gepubliceerde verzen verschenen in De Beweging van december 1910, op de voet gevolgd door gedichten in Greshoffs Het jaar der dichters, Muzenalmanak voor 1911, en in de Utrechtse studentenalmanak.

Het einde van de studie bracht allerminst de verhoopte vrijheid: een drietal administratieve functies in Amsterdam, Almelo en weer in Amsterdam, onderging hij als een kwelling, en ze werden stuk voor stuk een mislukking. In 1920 werd Bloem nachtredacteur buitenland van de NRC. Hij zou het volhouden tot 1927. Op 12 mei 1921 verscheen eindelijk Het verlangen, vooral dank zij de krachtdadige hulp van zijn vriend Jan van Krimpen, die ook de typografie verzorgde

 

In 1925 ontmoette Bloem de 19-jarige Clara Eggink. Het volgende jaar trouwden zij. Vrijwel tegelijk met de geboorte van hun zoon Wim op 8 september 1927 werd Bloem ontslagen bij de NRC. In mei 1928 werd Bloem benoemd tot griffier aan het kantongerecht De Lemmer, uit welk 'Friesch Cayenne' hij in 1931 werd overgeplaatst naar Breukelen. Afgezien van kleine opflakkeringen in 1924/25 en 1929 (samen vijf verzen), duurde het tot 1930 voor hij weer 'aan de schrijverij' raakte. Dit resulteerde in het jaar daarop in de bundel Media vita.

Tussen 1934 en 1937, maar vooral in dat laatste jaar, schreef Bloem de verzen die uitkwamen als De nederlaag. Zijn Verzamelde gedichten verschenen in 1947, al spoedig enige malen herdrukt, en daarmee kwam eindelijk ook de officiële erkenning van zijn dichterschap: Constantijn Huygens-prijs (1949), P.C. Hooftprijs (1952), en ten slotte de grote Prijs der Nederlandse Letteren (1965). Na een langdurige ziekte die hem volstrekt hulpbehoevend maakte, overleed Bloem op 10 augustus 1966. Hij werd begraven in Paasloo (Overijssel).

 

Eerste volledige biografie van dichter J.C. Bloem

Hoewel er al heel wat over hem is geschreven, ontbrak nog een volledige biografie van Jacques Bloem. Uit oud en nieuw materiaal, zoals brieven, essays en interviews, stelde Bart Slijper een samenhangende biografie samen. Slijper promoveerde vandaag op deze biografie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

 

Zie ook mijn blog van 22 maart 2006.


Verlaine

 

De wereldwijzen zijn de onwijsten,

De onnoozle flinken, die vanzelf

Zich wringen in de krapste lijsten,

Zich krommen onder elk gewelf

 

Wat geeft het lot aan de gedweesten,

De dienenden mèt heug en meug? 

Een vorm, gebootst op geijkte leesten,

Een muffe bete, een zure teug.

 

De wereld is een sluw belover,

Een bieder vol arglistigheid;

Maar slaat gij toe - gij houdt niets over:

Gij zijt èn koop èn koopsom kwijt.

 

Waarom dan 't hart te laten derven,

Den weg langs naar het eind der reis,

En niet gelijk Verlaine sterven,

Dichter en dronken, vuil en wijs?

 
De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

 

 

NOVEMBER

Het regent en het is november
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is alengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.

 

INSOMNIA

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood,
En het leven vliet gelijk het vlood,
En elk zijn is tot niet-zijn geschapen.

Hoe onmachtig klinkt het schriel `te wapen',
Waar de levenswil ten strijd mee noodt,
Naast der doodsklaroenen schrille stoot,
Die de grijsaards oproept met de knapen.

Evenals een vrouw, die eens zich gaf,
Baren moet, of ze al dan niet wil baren,
Want het kind is groeiende in haar schoot,

Is elk wezen zwanger van de dood,
En het voorbestemde doel van 't paren
Is niet minder dan de wieg het graf.

 

 

 

JC_BLOEM
J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 


De Vlaamse dichter en schrijver  Herman Leenders werd geboren te Brugge op 10 mei 1960. Hij is licentiaat in de Germaanse filologie. Van 1983 tot 1991 woonde hij in Adegem. Sinds 1996 woont hij in Kanegem. Leenders debuteerde in 1982 met Mijn landschap, een beeldinventaris, een dichtbundel die verscheen in de Yang-poëziereeks. De dichtbundels Ogentroost (1992), Landlopen (1995) en Speelgoed (2000) verschenen bij De Arbeiderspers evenals de verhalenbundel Het mennegat (1994). Ogentroost werd bekroond met de C. Buddingh'prijs (1993), de Hugues C. Pernathprijs (1993) en de prijs van de provincie West-Vlaanderen 1995. Het mennegat werd bekroond met de prijs van de provincie West-Vlaanderen 1997.

 

 

Het huis van de dichter

Ik ben niet de dichter van een huis
of van een tuin, niet van een land of een dorp.
Ik ben niet de dichter van een vrouw,
een revolutie of een geschiedenis,
niet van een verzameling schelpen of stenen,
boeken of beelden.

Er is geen ander huis dan dit huis
geen andere tuin dan deze.
Elke vrouw die zich hierin kan vinden
elke geschiedenis die zich zal herhalen.
Er bestaat geen andere verzameling

dan woorden bijeengehouden door gedichten.

 

 

 

Bladspiegel

Het is een klap waar je van opkijkt.
Onder het raam ligt een vogellijkje.
Mijn fata morgana van glas:
koeien die bloeien tussen het gras

en wolken die drijven alsof ze echt zijn.
Achter het spiegelschrift van je dromen
kun je niet komen.
Dood zijn doet geen pijn.

 

 

 

Leenders
Herman Leenders (Brugge, 10 mei 1960)

 

De Vlaamse schrijver en dichter Leonard Buyst (ook wel Léonard) werd geboren in Lokeren op 10 mei 1847. Buyst was bureeloverste op het Belgisch ministerie van Binnenlandse Zaken. Onder leiding van zijn goede vriend Hendrik Conscience ontwikkelde hij zich op letterkundig gebied. Hij schreef het boek “Willem Sanger”, dat is opgedragen aan zijn vriend Conscience. Daarnaast schreef hij een zevental dichtbundels.

 

 

Naklank

 

O, gaarne had ik verzen veel geschreven,

die, als uit rots gehouwen, pal daar staan

en marmervast; die, wat ook al vergaan

moge in den stroom der tijden, eeuwig leven.

 

Alleen maar aan geniëen werd gegeven

de reuzenkracht, om machtig uit te slaan

de vleugels van den geest, en op de baan

van grootscher kunst een Vondel na te streven.

 

Doch klinkt mijn toon zoo vol bezieling niet,

de sterkste liefde voor mijn stamgenooten

omsluit mij eeuwig in haar machtgebied.

 

En gij, mijn volk, ge zult mij niet verstooten,

want het gevoel, opwellende in mijn lied,

is uit uw eigen rein gemoed gesproten.

 

 

 

LBuyst

Leonard Buyst (10 mei 1847 - ? 1918)

 

 

22-03-06

J.C. Bloem: met andere ogen

 

In de column van Frits Abrahams in het NRC vanavond een opmerkelijke bespreking over de dichter J.C. Bloem. Neerlandicus Gretha Donker vertelt hoe de toen 32-jarige Bloem in 1932 betrapt is op homoseksuele contacten langs de openbare weg in Blaricum. Hij had een jongen betast en hem ervoor betaald (twee gulden). Er is een proces-verbaal  boven water gekomen waarin staat opgetekend „dat hij, beklaagde, tevoren homosexueele neigingen heeft gehad en homosexueel is aangelegd en ook wel tevoren aan die neigingen heeft toegegeven.”

En al keek ik altijd al graag via de ogen van de dichter naar de herfst, de tuinders in de bruine hoven krijgen er nu toch een dimensie bij.

 


Herfstdag

De tuinders werkten in de bruine hoven,
De wereld was verlaten van gerucht,
En het oneindig najaar spande erboven
De paarlen sfeer van een gelaten lucht.

Zo was het hier, zo moest het elders wezen:
Herfst, land en mensen in een stil verband,
Waarboven, in berusting uitgerezen,
Een overal gelijke hemel spant.

Wat dan te doen, grijs landschap, grijze luchten,
Uit de oudste dromen van de ziel gemaakt,
Wat met dit hart te doen, welks diepste zuchten
Al haast niet meer naar deze dingen haakt?

 


J.C. Boem, 1887 - 1966

21:25 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: j. c. bloem, romenu |  Facebook |