13-02-17

Gerard Keller

 

De Nederlandse schrijver en krantenredacteur Gerard Keller werd geboren op 13 februari 1829 in Gouda. Keller studeerde aan de Technische hogeschool te Delft, maar was door omstandigheden genoodzaakt zijn studie af te breken. In 1850 werd hij stenograaf van de Staten-Generaal en 1864 werd hij redacteur van de "Arnhemsche Courant". Keller was een voor zijn tijd buitengewoon productief schrijver. Zijn werken omvatten romans, korte verhalen, reisverhalen en kunsthistorische artikelen. Bovendien werkte Keller als redacteur van het "Kunstkroniek" op het gebied van de Nederlandse kunstgeschiedenis en daarnaast was hij ook nog een populaire schrijver voor de jeugd en schreef hij komedies als: »De dochter van den barbier« (1878), »Het blauwe lint« (1881) en »Het gevaarlijk nichtje« (1884).

Uit: Het Servetje

‘Die ‘kleine leelijke Jood’, zooals hij wel eens genoemd werd, imposeerde niet door houding, gelaat of zeggingskracht, maar hij had iets in zich, dat terstond den indruk maakte, dat hij meer was dan wij allen. Groot geleerde, dichter in de hoogste beteekenis, maar bovenal man des geloofs en held zijner overtuiging.
Als men hem voor het eerst zag optreden en zijne eerste volzinnen hoorde op schreeuwenden, oosterschen toon met eenigszins joodsch dialect uitgesproken en men zag hem zich in zijn katheder bewegen, alsof er nooit regelen voor uiterlijke welsprekendheid waren vastgesteld, dan was men geneigd te glimlachen over zulk een redenaar.
Maar had men hem tien minuten aangehoord, dan werd men medegesleept door die vurige voordracht, door dat tintelen en flikkeren en bliksemen van zijn geest; men hoorde niet meer dat heesche schreeuwende orgaan, maar slechts de bezielde woorden, die met wonderlijke afwisseling van diepen ernst en hooge vlucht en alledaagschheid – trivialiteit zou men bijna zeggen – scherpe satire en gemoedelijken humor elkander volgden en verdrongen, zoodat men schier bedwelmd werd door die overstelpende welsprekendheid, die gepaard ging met groote rusteloosheid van beweging en de meest onverwachte en ongekendste gebaren’.
(…)

‘Hij (Da Costa) hield zich niet altijd ver van feestelijke of gezellige maaltijden met geestverwanten. Eens dat hij te Amsterdam aanzat en zijne plaats had in de buurt van Van Lennep, vroeg deze in antwoord op eene geloofstheorie van den antirevolutionair: ‘En indien ik U dan zeg, mijnheer da Costa, dat deze kippen zullen vliegen, gelooft gij dat dan ook?’ en hij wees op de gebraden kippen die op den schotel voor hem lagen.
‘Indien een geloofwaardig man als gij, mijnheer Van Lennep, mij dit in vollen ernst zegt, ja, dan geloof ik het’, was Da Costa’s antwoord. ‘Zeg het; ik zal gelooven’. Maar Van Lennep wachtte wel die verzekering te geven, omdat hij ze niet geven kon en hij verklaarde ridderlijk zich overwonnen’.

 

 
Gerard Keller (13 februari 1829 – 10 januari 1899)

14-01-17

John Dos Passos, Andreas Steinhöfel, Isaäc da Costa, Tillie Olsen, Marek Hlasko

 

De Amerikaanse schrijver John Dos Passos werd geboren op 14 januari 1896 in Chicago. Zie ook alle tags voor John Dos Passos op dit blog.

Uit: Manhattan Transfer

“Before the ferry leaves a horse and wagon comes aboard, a brokendown springwagon loaded with flowers, driven by a little brown man with high cheekbones. Jimmy Herf walks around it; behind the drooping horse with haunches like a hatrack the little warped wagon is unexpectedly merry, stacked with pots of scarlet and pink geraniums, carnations, alyssum, forced roses, blue lobelia. A rich smell of maytime earth comes from it, of wet flowerpots and greenhouses. The driver sits hunched with his hat over his eyes. Jimmy has an impulse to ask him where he is going with all of those flowers, but he stifles it.
(...)

He is walking up an incline. There are tracks below him and the slow clatter of a freight, the hiss of an engine. At the top of a hill he stops to look back. He can see nothing but fog spaced with a file of blurred archlights. Then he walks on, taking pleasure in breathing, in the beat of his blood, in the tread of his feet on the pavement, between rows of otherworldly frame houses. Gradually the fog thins, a morning pearliness is seeping in from somewhere. Sunrise finds him walking along a cement road between dumping grounds full of smoking rubbishpiles. The sun shines redly through the mist on rusty donkey-engines, skeleton trucks, wishbones of Fords, shapeless masses of corroding metal. Jimmy walks fast to get out of the smell. He is hungry; his shoes are beginning to raise blisters on his big toes. At a cross-road where the warning light still winks and winks, is a gasoline station, opposite it the Lightning Bug lunchwagon. Carefully he spends his last quarter on breakfast. That leaves him three cents for good luck, or bad luck for that matter. A huge furniture truck, shiny and yellow, has drawn up outside.
"Say will you give me a lift?" he asks the redhaired man at the wheel.
"How fur ye goin?"
"I dunno. . . . Pretty far."

 

 
John Dos Passos (14 januari 1896 – 28 september 1970)

Lees meer...

14-01-16

J. Bernlef, Chris de Stoop, Edward St Aubyn, Yukio Mishima, Anchee Min, Martin Auer, Isaäc da Costa

 

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef en alle tags voor Bernlef op dit blog.

Uit:Publiek geheim

“Clara schoof de papieren en boeken naar een hoek van de tafel, zodat er ruimte vrijkwam voor twee ontbijtborden en twee koppen koffie. ‘Hier.’ Ze gaf het stapeltje correspondentiekaarten aan Judith. ‘Daar staat alles op.’
‘Verhaal kuil. Dode Duitse soldaat. Vrouw met kar. Stilte in gevangenis. Koffiehuizen.’ Judith haalde haar schouders op. ‘Ik moet het materiaal eerst zien,’ zef ze.
Op het bed maakten ze twee stapeltjes. Links de perfotapes, rechts de losse filmstukken. Aan de hand van de nummering op de kaartjes zochten ze de corresponderende rolletjes bij elkaar. Judith legde de stroken op de montagetafel synchroon.
Twee uur lang keken ze naar de bevende beelden op het scherm. Clara had uit de keuken een tafeltje gehaald en het naast de montagetafel gezet. Daar lagen nu in drie keurige rijtjes de zwarte plastic rolletjes met de stukken film en perfotape. Drie rechte rijtjes. Plakkertjes met nummers erop. Zo zag het er heel ordelijk uit.
‘Wat vind je ervan?’
‘Hoe moet dat in godsnaam ooit een film worden,’ zei Judith.
‘Ik had gedacht...’ Clara's stem stokte. Ze had wel wat gedacht, maar nu ze haar gedachten moest formuleren kon ze er opeens geen woorden voor vinden. ‘Misschier moet het ook helemaal geen film worden.’
Judith las verstrooid in het stapeltje correspondentiekaartjes. ‘Een volgorde,’ mompelde ze. ‘Er moet toch een volgorde voor te bedenken zijn, een vorm.’
‘Ik bedoel dat we uit laten komen dat het maar fragmenten zijn, een soort gefilmde notities,’ zei Clara.
‘Maar dan nog,’ zei Judith. ‘Er ontbreekt gewoon te veel.’
‘Dit is wat we hebben. Tomas heeft wel gezegd dat hij nog wel dingen wil toelichten. Misschien dat we, als we een bandrecorder hebben, dat we hem dan nog dingen kunnen laten vertellen en die er dan gewoon met zwartbeeld tussen zetten.’

 

 
J. Bernlef (14 januari 1937 - 29 oktober 2012)

Lees meer...

14-01-15

J. Bernlef, Edward St Aubyn, Yukio Mishima, Anchee Min, Martin Auer. Isaäc da Costa

 

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog.

 

De rups trekt zichzelf in twijfel

De rups trekt zichzelf in twijfel
steigert op de twijg, lijkt blind rond
te tasten in de richting van de vlinder die hij wil
stort dan neer
recht voor de bek van de merel.
Hap!
Weg vlinder.

 

 

Liefde

Op een vluchtheuvel
kust een jongen een meisje
met paardentanden
bolle ogen achter een bril
zoeken de zijne fletse blauwe
in een gezicht vol pukkels

In zijn aktentas
dat weet ik zeker
zitten nog de broodkruimels van vorige week
en haar bloemetjesjurk
ruikt naar thuis en een keeshond van porselein
waarvan een poot is gebroken

en toch staat de stad
plotseling stil
straks in het warenhuis
een pakje shampoo vallen
zal deze vrouw zich wegen en
die man zijn voeten vegen

op een mat
waarop welkom staat geschreven

maar nu
staat de stad
stil

als blauwe ogen
fletse blauwe trouwen

 

 

Oom Karel: een familiefilmpje

Vanmiddag een familiefilmpje gezien. Oom Karel
niets vermoedend in een bootje bij Loosdrecht.
Drie weken later was hij dood, niet meer vatbaar voor
celluloid.

Hoe goed zou het zijn een filmpje van zijn sterven te bezitten
als operateur zijn laatste adem af te draaien
vertraagd het stollen van zijn blik, het vallen van die hand
langs ijzeren bedkant nog eens en nog eens te vertonen.

Of op topsnelheid, zodat het doodgaan van oom Karel
iets vrolijks krijgt, een uitgelaten dans op een krakend bed,
de omhelzing van een onzichtbare vrouw

die teruggedraaid hem wakker kust; de ogen
worden weer blik, kijken in de lens, de hand wijst.
Oom Karel leeft, oom Karel is dood.

 

 
J. Bernlef (14 januari 1937 - 29 oktober 2012)

Lees meer...

14-01-14

J. Bernlef, Edward St Aubyn, Yukio Mishima, Anchee Min, Isaäc da Costa


De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Bernlef overleed op 29 oktober van het afgelopen jaar op 75-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog.

 

Grote onbekende

En altijd die twee vogels aangestipt in het blauw
als roetvlokjes wegzeilend van eeuw naar eeuw

Altijd die twee vogels; met minieme wieken
schragen zij de hemel, dragen of slepen de wolken.

Altijd hebben mensen omhooggekeken
en daar van alles gezien

Nu de lucht leeg is, het landschap verlaten
hebben de twee vogels het rijk alleen

Ik kijk ze na, vliegend in stilstand
knipperen mijn ogen met ze mee.

 

De kleur

Mijn verleden, vastgelegd in foto’s met kartelrandjes
heeft nooit kleur gekend, in grijstinten tonen zij een bestaan
steeds verder van mij vandaan, ik kijk ernaar
probeer de kleur te raden van het tuinhek waar
ik toen tegen leunde. De lucht is blauw, dat weet ik zeker.

Zou de kleurenblinde hebben gemerkt hoe
technicolor de beelden in de bioscoop
deed opbloeien, het moet haast wel
de wereld raakte voor hem steeds verder uit het zicht
hij wist dat hij het anders zag.

Kleurenfoto’s stellen mij teleur
het is allemaal net echt, niet wat ik wil;
liever kijk ik naar die grijze beelden
ze kleuren mijn denken tot de dag van vandaag.

 

Na een depressie

Hij tekent geraamtes op de rand van een krant
probeert wat te huilen maar het aloude gevoel
verdampt in de luide kop van de zon – dan maar
koffie gezet in het bittere besef dat de wereld
nog niets van zijn sterven wil weten

Hij kruipt uit zijn horloge zijn kleren in
scheert zich en ziet in de spiegel iemand met
glimmend geheven kin zijn handen wrijven
klaar om in te grijpen in sterrenstelsels en tabellen.

 

 
J. Bernlef (14 januari 1937 - 29 oktober 2012)

Lees meer...

30-04-13

Bij de inhuldiging van koning Willem-Alexander


 

Bij de inhuldiging van koning Willem-Alexander

 

 

 

 

Willem I van Nassau, portret door Antonio Moro

 

 


WILLEM DE EERSTE.

                                     Unus, qui restituit rem.

Der Middeneeuwen Zon ging in Euroop verdwijnen,
   en Staatskunst trad in ’t Recht van Ridderoorlogsmoed,
toen ’t Willem van Oranje, ontzagvol, zag verschijnen,
   in staat- en oorlogskunst door Karel opgevoed;
die by de heldenkracht van Ridderlijke Vaderen
   de Wijsheid schittren deed van een verlichten tijd,
en, op de stem van ’t bloed in de onverbasterde aderen,
   aan des Gewetens recht die beiden had gewijd.
Standvastig, moedig, vroom, doordringend, ondoordringbaar,
   beleidvol in den raad, beleidvol in het veld,
door list, noch nood, noch ramp in zijn besluit verwringbaar,
   tot wijken onbekwaam voor de almacht van ’t geweld,
het oog met kalme hoop tot God den Heer geslagen,
   met de eene hand aan ’t zwaard, met de andre aan ’t roer van Staat,
dorst hy den stoutsten kamp, dien ooit Euroop zag, wagen,
   en temde uitheemsch geweld en binnenlandschen haat.
Wat drijfveêr deed die reeks van deugden samenwerken
   tot een zoo grootsch bestaan, tot een zoo heerlijk doel?
Was ’t roemzucht? zucht naar macht, ontspattend aan haar perken?
   Neen! Godsdienst was ’t alleen, en heilig plichtgevoel!
Wie twijfle, de Almacht zelf verklaarde hier haar oordeel!
   Toen Hollands vrije Maagd, beveiligd door zijn hand,
min uit erkentenis dan tot haar eigen voordeel,
   zijn kruin ging sieren met den Vorstelijken band;
toen was het einde daar van dat doorluchtig leven,
   waarnaar zoo menige arm tot dien dag vruchtloos dong.
De kogel des verraads deed grooten Willem sneven —
   hem was een martelkroon bestemd, geen Gravenwrong.

 

Lees meer...

14-01-13

J. Bernlef, Edward St Aubyn, Yukio Mishima, Anchee Min, Isaäc da Costa

 

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Bernlef overleed op 29 oktober van het afgelopen jaar op 75-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog.

 

 

Schaduwtheater

 

De wijze die zei dat van
alle schilderijen ooit gemaakt
maar een klein deel bleef bewaard
dat het werkelijk genie schuilgaat
in wat voorgoed is zoekgeraakt.

Zo met alles.
De doden, de gebeurtenissen
die niemand onthield of net niet
aan de oppervlakte kwamen,
zij vormen ons schaduwtheater.

 

 

 

Met wortel en tak

 

Twee handen woelen
in vochtige bosgrond

Een stem. 'Tien dagen geleden - hier -
veertig of vijftig.'

Binnen de jaarringen
is dit moment nog geen
tiende milimeter dik.

't Graven stokt
het licht druipt
langs de stammen.

Twee handen
de polsen gebonden
steken zwart biddend
uit de aarde omhoog.

 

 

 

Hazepad

 

Het zijden overhemd zakt door het geraamte
het sjaaltje vat vlam
zijn lach gist na op zijn lippen.

Nu wordt hij geïntoneerd, niet de vleugel.

Wie verliet daar zo schielings de woning
zonder om te kijken naar het kind
dat de man nazwaait die het werd?

Waarom kiest iemand voor vernietiging?

Zonder begeleiding koos hij
voor een andere toestand:
het hazepad der extase.

 

 

 

J. Bernlef (14 januari 1937 -  29 oktober 2012)

Lees meer...

14-01-12

Rudolf Hagelstange, Mary Robison, Martin Auer, Isaäc da Costa

 

De Duitse dichter en schrijver Rudolf Hagelstange werd geboren op 14 januari 1912 in Nordhausen. Dat is vandaag precies 100 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 14 januari 2009 en ook mijn blog van 14 januari 2010 en ook mijn blog van 14 januari 2011.

 

Uit: Venezianisches Credo.

 

Sonett 1


Ich habe lange, lange wie ein Stein geschwiegen
und mehr noch als ein Stein, in dessen Schweigen
Vergangenes fortlebt wie an kahlen Zweigen,
die noch berührt sind von der Vögel Wiegen.

 

Denn noch ist Krieg, und Blut wird ausgegossen.
Wie aus der Wolke stürtzt es aus den Leibern
und wird nicht aufgefangen von den Weibern,
für die es süßer wallend einst geflossen.

 

Vergessen schießt wie Unkraut um die Kinder,
und Sorge wuchert üppig in den Seelen,
und die Zerstörung maßt sich an, Gericht

 

zu sein, und Urteil spricht der Überwinder.
Wie kann man singen, wenn aus allen Kehlen
der Angstschrei und die Klage bricht?

 

 

 

Sonett 3

 

Ihr sollt sie essen lernen wie der Wurm die Erde.
In ihr schwillt süß das Blut von all denen,
die Ihr erschlugt, und beißt das Salz der Tränen,
die Ihr vergießt, der bittere Schweiß der Herde,

 

der großen namenlosen, die geduldig
- und Ihr in ihr - zum großen Opfer drängte.
Ihr habr das Leben, das Euch neu geschenkte.
Ihr steht in der Schuld. Und Ihr seid schuldig.

 

Wohin Ihr geht, in Länder und auf Meere -
Euch wird die bittersüße Frucht begegnen.
Sie wird im Tau vom Frühlingshimmel regnen.

 

Sie gattet sich der reifen Sommerbeere.
Das Wasser, das Ihr trinkt, ja selbst der Kuß
birgt ihren Saft. An ihr ist Überfluß.

 

 

 

Rudolf Hagelstange (14 januari 1912 – 5 augustus 1984)

Lees meer...

14-01-11

Anatoli Rybakov, Werner Helwig, Zacharias Topelius, Isaäc da Costa, Ida Dehmel

 

De Russische schrijver Anatoli Rybakov werd geboren op 14 januari 1911 in Tsjernihiv. Zie ook mijn blog van 14 januari 2009 en ook mijn blog van 14 januari 2010. 

 

Uit: The Children of the Arbat

 

„This was the reasoning of an emigre who did not know Russia or the Russian village or the peasant. What had happened to the famous electric plow that Lenin had gazed on with such naive hope in 1922? Where was it now? It wasn’t that Lenin didn’t understand technology, just that he didn’t understand the Russian village and the Russian peasant. In order to make the peasant literate and cultured and in order to safeguard the village from famine and so on, we needed not decades but centuries.

That approach, the approach that tried to inculcate the psychology of the farmer, was alien to the peasant. The farmer didn’t need the dictatorship of the proletariat. The farmer, the private farmer and the individualist, has to be stifled at birth in the Russian peasant. As for cooperatives, by all means, but the kind in which the peasant will be a simple worker. That’s what he had accomplished: the second Russian revolution, and it was no less important than the first one.

In the October Revolution we had the peasants on our side, and in the collectivization we had them against us. Yes, of course we need books and science and protection against crop failure, but we need all that, not as preliminaries of collectivization, but on the basis of it. Lenin had said: first culture, then collectivization. Stalin’s way was: first collectivization, then culture.“

 

 

 

Anatoli Rybakov (14 januari 1911 – 23 december 1998)

 

 

Lees meer...

14-01-10

Marek Hlasko, Tillie Olsen, Rudolf Hagelstange, Anatoli Rybakov, Werner Helwig, Zacharias Topelius, Isaäc da Costa, Ida Dehmel


De Poolse schrijver Marek Hlasko werd geboren op 14 januari 1934 in Warschau. Zie ook mijn blog van 14 januari 2009.

 

Uit: The Beautiful Twenty-Year-Olds

 

"I remember my first visit paid to Sandauer; I went to borrow some money. Sandauer started to read Białoszewski's poems to me, I was sitting, understanding nothing. Finally Sandauer stopped reading.
    -"Do you understand?"
    -"No", said I.
    -"Please listen", said he and resumed reading. I was sitting, still understanding nothing.
    -"Do you understand?"
    -"No", said I.
    -"Nothing?"
    -"Nothing at all".
    -"Please listen", said Sandauer and again resumed reading ... After a few séances Sandauer concluded I was an idiot and threw me out of his flat. It was at the time when he resolved to crush on the Polish literature, making no allowances. As far as I remember, Adolf Rudnicki was the first one to come under his fire. Sandauer read to me his manuscript, in which he wrote down those sentences from Adolf's prose where he failed to express himself accurately in Polish. I was surprised that a man of such intelligence should be glad to have found such failings. A critic is entitled to despair, but he is not entitled to what they call Schadenfreude.

(…)

 

    -"What are you aiming for", interrupted Sandauer.
    -"I don't know", said I. "But I hope you can explain it to me using this opportunity".
    -So he explained: it was when I received the Publishers' Award; Sandauer was the first to start persecuting me, he was indeed doing it without making any allowances. At that time they would not print me any more; the publishers had rejected my two new books, and all the Marxist critics found me a pervert and a degenerate.

 

 

 

 

Hlasko
Marek Hlasko (14 januari 1934 – 14 juni 1969)

 

 

 

 

 

De Joods-Amerikaanse schrijfster, dichteres en feministe Tillie Lerner Olsen werd geboren in Omaha (Nebraska) op 14 januari 1912. Zie ook mijn blog van 14 januari 2009.

 

Uit: Silences

 

What is it that happens with the creator, to the creative process, in that time? What are creation’s needs for full functioning? Without intention of or pretension to literary scholarship, I have had special need to learn all I could of this over the years, myself so nearly remaining mute and having to let writing die over and over again in me. These are not natural silences–what Keats called agonie ennuyeuse (the tedious agony)–that necessary time for renewal, lying fallow, gestation, in the natural cycle of creation. The silences I speak of here are unnatural: the unnatural thwarting of what struggles to come into being, but cannot. In the old, the obvious parallels: when the seed strikes stone; the soil will not sustain; the spring is false; the time is drought or blight or infestation; the frost comes premature. The great in achievement have known such silences–Thomas Hardy, Melville, Rimbaud, Gerard Manley Hopkins. They tell us little as to why or how the creative working atrophied and died in them–if ever it did. Kin to these years-long silences are the hidden silences; work aborted, deferred, denied–hidden by the work which does come to fruition. Hopkins rightfully belongs here; almost certainly William Blake; Jane Austen, Olive Schreiner, Theodore Dreiser, Willa Cather, Franz Kafka, Katherine Anne Porter, many other contemporary writers. Censorship silences. Deletions, omissions, abandonment of the medium (as with Hardy); paralyzing of capacity (as Dreiser’s ten-year stasis on Jennie Gerhardt after the storm against Sister Carrie). Publishers’ censorship, refusing subject matter or treatment as “not suitable” or “no market for.” Self-censorship. Religious, political censorship–sometimes spurring inventiveness–most often (read Dostoyevsky’s letters) a wearing attrition. The extreme of this: those writers physically silenced by governments. Isaac Babel, the years of imprisonment, what took place in him with what wanted to be written? Or in Oscar Wilde, who was not permitted even a pencil until the last months of his imprisonment?”

 

 

 

 

olsen
Tillie Olsen (14 januari 1912 – 1 januari 2007)

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Rudolf Hagelstange werd geboren op 14 januari 1912 in Nordhausen. Zie ook mijn blog van 14 januari 2009.

 

 

Die Hummel

 

Heidekraut und Heckenrose,

Himmelsschlüssel, Hahnenfuß –

seht die Hummel, wie sie lose

jeden Kelch beschnüffeln muss!

Grade steck sie ihren Rüssel

in den gelben Himmelsschlüssel.

Wenn sie dabei brummt, so wisst,

dass es nicht vor Ärger ist.

Manche brummen vor Vergnügen,

wenn sie was Besondres kriegen.

 

 

 

 

Denn Freiheit...

 

Denn Freiheit ist der Odem unseres Lebens,
das Salz der Speise und der Wind im Segel,
der Stolz des Löwen und das Glück der Vögel;
das Recht des Mannes. Und es lebt vergebens,

 

wer dieses nicht mehr hat: ein freies Lachen,
ein eigen Lied und seines Herzens Glauben.
Sie haben Stummen und sie haben Tauben
nur noch die Scham voraus, und ihr Erwachen

 

ist Gang ins Joch und Treten in den Schatten.
Und, ach, wie bald ist mit des Freien Rede
auch Haus und Hof und alles, was sie hatten,

 

verwirkt, verloren, und sie tragen jede
Erniedrigung. Ach, hätten sie erkannt:
Nur Freien bleibt ein freies Vaterland.

 

 

 

 

hagelstange
Rudolf Hagelstange (14 januari 1912 – 5 augustus 1984)

 

 

 

 

De Russische schrijver Anatoli Rybakov werd geboren op 14 januari 1911 in Tsjernihiv. Zie ook mijn blog van 14 januari 2009.

 

Uit: The Children of the Arbat

 

To whom had Lenin been indebted? Some emigres in London and Geneva? And Peter the Great? To Menshikov and Lefort? The fact that his power had been inherited didn't change the essence of the point. To reach the pinnacle of power, the monarch had to destroy the entourage that had become accustomed to seeing him as a puppet. That's how it had been with Peter, and the same was true of Ivan the Terrible.

Stalin hadn't become leader because he had managed to wipe out his opponents. He had wiped out his opponents because he was leader. It was he who had been destined to run the country. His enemies hadn't understood that and therefore they were defeated. They still didn't understand it, and so they had to be destroyed. The failed pretender is always a potential enemy.

History's choice had fallen on him because he was the only one who understood the secret of supreme power in this country, the only one who knew how to rule this nation, the only one who knew its every virtue and shortcoming. Especially its shortcomings.

The Russians were a nation of the collective. The commune had been their way of life since time immemorial; equality was at the root of their national character. This provided the right conditions for the sort of society the people were building now in Russia. Tactically, Lenin's NEP had been the right maneuver, but the idea that it should be applied "seriously and for a long time" had been mistaken. The move had been a temporary deal with the peasants in order to get more food. "Seriously and for a long time" implied a policy based on the wealthy land-owning farmer, the kulaks. Farmers implied the path of inequality, and that was contrary to the psychological makeup of the people.

Stalin went to the bookshelf and took down a volume of Lenin and reread the passage where Lenin had said: "To get every member of the population to take part in the cooperative venture by way of the NEP would take an entire historical epoch. Without universal literacy and adequate know-how, and without teaching the population how to use books, without the material basis and some measure of assurance against, say, crop failure or famine and so on, without all this we will not attain our goal." He closed the book and put it back.“

 

 

 

 

rybakov
Anatoli Rybakov (14 januari 1911 – 23 december 1998)

Met zijn vrouw 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Werner Helwig werd op 14 januari 1905 in Berlijn geboren. Zie ook mijn blog van 14 januari 2009.

 

Uit: Das Steppenverhör

 

„Ich verhalte mich unbeweglich, mit höchstens einer kleinen Tätigkeit in den Fingerspitzen, in den Knien, am Ende der Wirbelsäule oder im Kopf. Mein Geist weilt weit ab, in einem hohen Gebirge. Meine Augen werfen Licht zurück, brechen Strahlen, lassen Sonnenflecken springen. Ich habe keine Wurzeln. Ich lasse nichts anderes hinter mir zurück als eine Spur in weißem Staub. Ich lege die Betonung auf Atem. Politik ist für den Geschmack des Tages arrangierte Geschichte. Die Termitenlogik der Parteibonzen ist ohne Salz. Die Erlösungslehren, die der Staat bereithält, haben keine Seele. Das Gerede vom Fortschritt ist Aberglaube. Großartig ist allein der Gleichmut der Schöpfung. Jede Nacht hißt der Himmel seine Tätowierungen. Jeden Morgen verwüstet ein Brand die einförmige Steppe des Dunkels. Jeder Mittag gießt dem Schläfer im Freien kochendes Öl in die Ohren. Jeden Tag sammeln sich erneut die Fäserchen eines prähistorischen Schmutzes unter den Fingernägeln. Ich strenge mich an, nichts Verpflichtendes zu sprechen. Ich will nicht zu diesen, ich will nicht zu jenen gehören. Die Statik der Zeit und des Raums, für mich ist sie in diesem Moment, in dieser miesen Hütte zusammengedrängt. Mein klappriger Gaul ist wirklicher als eure Radaranlagen. Stellt mich dem Atommeiler eurer unermüdlichen Produktivität gegenüber - ich niese ihn weg.“

 

 

 

 

Helwig1954
Werner Helwig (14 januari 1905 – 4 februari 1985)

Helwig in 1954

 

 

 

 

De Finse dichter en schrijver Zacharias Topelius  werd geboren in Nykarleby op 14 januari 1818. Zie ook mijn blog van 14 januari 2009.

 

Uit: The King's Ring

 

The old grandmother sat on the stuffed sofa in her brown woollen shawl, and near her the schoolmaster, Svenonius, with his blue handkerchief and brass spectacles. Captain Svanholm, the postmaster, who had lost a finger in the last war, was on the right; on the left pretty Anne Sophie, eighteen years old, with a high tortoise-shell comb in her long brown hair; and around them, on the floor or on stools, sat six or seven playful children, with mouths now wide open, as if they had heard a ghost story. The first to disturb the silence was Anne Sophie, who sprang with a cry from her chair, stumbled, and fell into the schoolmaster's arms. The entranced company, who were still at Liitzen, were as much disturbed by this interruption as if Isolani's Croats had suddenly broken into the room. The postmaster, still in the midst of the battle, sprang up and trod heavily upon old grandma's sore foot with his iron heel. The schoolmaster was quite upset, not at all realising the value of the burden in his arms —perhaps the first and also the prettiest in his whole life; the children fled in all directions, and some crept behind the surgeon's high chair. But Andreas, who had just followed the Finnish cavalry in theircharge over the trenches, seized the surgeon's silver- headed Spanish cane, and prepared to receive the Croats at the point of the bayonet Old Back was undisturbed; he produced his tobacco box, bit off a piece, and mildly said, " What is the matter with you, Anne Sophie?"

 

 

 

 

topelius
Zacharias Topelius (14 januari 1818 – 12 maart 1898)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Isaäc da Costa werd geboren in Amsterdam op 14 januari 1798. Zie ook mijn blog van 14 januari 2007 en ook mijn blog van 14 januari 2009.

 

 

 

De verlossing van Nederland (Fragment)

 

Als 't aardrijk weêr begint te bloeien,

Als 't land zich dekt met geurig groen,

De stroomen onverhinderd vloeien,

Na 's harden winters hevig woên;

Als blad en bloem de sneeuw vervangen,

Een Zefir d' onbetoombren storm,

Dan klinken Philomeles zangen,

De mensch herleeft - de kleinste worm.

 

Zoo grijp ik ook, schoon dicht'ren zingen,

Het speeltuig in de zwakke hand;

Ook ik, ik wil de either dwingen

Voor 't vrij geworden Vaderland.

Hoe flaauw mijn laaggespannen snaren,

Hoe kunsteloos mijn zangster zij,

Mijn hart gebiedt, dat 'k uw altaren,

O Nederland! dit offer wij'!

 

 

 

Wy zijn dan eind'lijk vrij! Wy zijn den ijz'ren band

o Dwing'land! dan ontrukt, waarin gy Nederland

Zoo lang gekluisterd hieldt. De ketens zijn aan stukken,

Waarvoor de fiere kop van Hollands leeuw moest bukken,

Dien leeuw, te lang door u en door uw volk veracht,

Dien leeuw, die reeds te lang naar wraak, naar vrijheid smacht.

 

Gelijk de reiziger, die aan 't geweld der baren

Ontrukt, zijn Vaderland na duizend doodsgevaren

Herziet, met warm gevoel dien dierbren grond betreedt,

En sprakeloos van vreugd, 't geleden kwaad vergeet,

Het zoetst genoegen smaakt, nu hy het woên der winden,

De golf die 't ranke schip al draaiend ging verslinden,

Al d' ijsselijken nood, waaraan 't ten prooie lag,

In veiligheid aan gade en kind'ren schetsen mag,

Zoo moet ge, o Hollandsch volk! het slaafsche juk herdenken,

Waardoor een vreemd tiran uw voor'ge roem dorst krenken,

En zweren by de deugd der vad'ren, by het bloed

Van hen, door wie weleer uw vrijheid is behoed:

(Wier geesten tot uw heil nog om dees landen zweven)

Dat ge eer uw stad, uw land der vlam ten prooi zult geven,

Of dat ge uw dijken eer doorbreken zult, uw werk

Vernielen, en de zee doen dondren uit haar perk,

Eer vreemde meesters weêr van vrijheid u berooven,

En in vergetelheid uw' schoonen naam verdoven. -

o Hoon! o slavernij! o nooit vergeetbre schand!

 

 

 

 

DaCosta

Isaäc da Costa (14 januari 1798 – 28 april 1860)

 

 

 

 

De Duitse dichteres en strijdster voor vrouwenrechten Ida Dehmel werd geboren op 14 januari 1870 in Bingen. Zie ook mijn blog van 14 januari 2007 en ook mijn blog van 14 januari 2009.

 

 

Psalm zweier Sterblichen

Der Mann:
Göttin Zukunft,
mit gefesselten Händen hältst du
eine geschlossene Schriftrolle,
drin mein Schicksal verzeichnet steht.
Langsam, Tag für Tag,
ringe ich deinen Fingern
Zoll für Zoll die Urkunde ab,
Zeile für Zeile.
Bis der Augenblick kommt,
wo das entrollte Papier,
eh ich das letzte Wort noch las,
meinem erschöpftem Arm entfällt;
und mit gefesselten Händen
gibst du den Winden zur Sage anheim,
was ich tat.

Das Weib:
Schicksalsgöttin,
ich liege vor dir auf den Knieen.
Du hältst in deinen, ach, gefesselten Händen
eine goldene Tafel,
drin die Namen nur derer eingegraben stehn,
die Unvergeßliches taten.
Auf den Knieen, Schicksalsgöttin,bitte ich dich:
Laß mich nicht ins Namenlose versinken !
Spreng deine Fesseln - oder
nur einen Augenblick
reich mir die goldenen Tafel,
und neben die Runen der Helden und der Weisen
schreib ich hinsinkend:
Ich liebte.

 

 

 

Ida und Richard Dehmel

 

 

 

 

dehmel
Ida Dehmel (14 januar 1870 - 29 september 1942)

 

 

14-01-09

J. Bernlef, Yukio Mishima, John Dos Passos, Edward St Aubyn, Anchee Min, Mary Robison, Martin Auer, Marek Hlasko, Tillie Olsen, Rudolf Hagelstange, Anatoli Rybakov, Werner Helwig, Zacharias Topelius, Isaäc da Costa, Ida Dehmel


De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook mijn blog van 14 januari 2007 en ook mijn blog van 14 januari 2008.

 

 

Prachtig

 

Beroemd maar dood vroeg hij: en
wat bleef er van mij over?

Ik wees op een losse regel
een uit zijn verband gerukt citaat
meestal toegeschreven aan een ander.

Voetafdruk op een verlaten strand
vol lege, uitgewoonde schelpen.

Prachtig is de onsterfelijkheid
maar wat doen wij in de tussentijd?

 

 

                        *

 

 

Tule, riet, papier, taf,

gaas, bombazijn, maar

Leonardo's vleugels vlogen niet

 

Engelen bestaan in gedichten

of op schilderijen waar zij

roerloos in beweging zijn.

 

Hij maakte de mens open

hij maakte de vogel open

vergeleek en zag dat het niet kon.

 

En toch; tule, riet, papier, taf,

gaas, bombazijn dat door zijn vingers glijdt

zijn vingers die een schaduw

laten vliegen op de muur.

 

 

 

 

 

Transparant

Hoe fragiel ons denkwerk
(hoe simpel uit te halen niet)

Tot wij volkomen in de war
de wereld ondergaan zoals zij is
voordat wij er waren.

Er zijn.
Wat anders dan
staren door mazen?

O, oogverblindend kind
dat zingend alles verbindt
met van licht trillende vingers.

 

 

 

 

 

 

bernlef
J. Bernlef (Sint Pancras, 14 januari 1937)

 

 

 

 

 

 

De Japanse schrijver Yukio Mishima werd geboren op 14 januari 1925 in Tokyo. Zie ook mijn blog van 14 januari 2007  en ook mijn blog van 14 januari 2008.

 

Uit:  Une histoire sur un promontoire

 

Pouvait-on imaginer un paysage aussi élégant qui fût à ce point chargé de mélancolie? On n'apercevait ça et là rien que des bosquets de pins et d'arbustes. D'innombrables petits reliefs transformaient cette montée en suite de lacets, et il aurait été impossible de dire le nombre de villas qu'on entrevoyait entre les bois et les rochers [...]
Ce secret d'une subtile configuration semblait conférer à ce magnifique paysage du promontoire encore plus de mystérieuse et érémitique beauté. L'habitant d'une des villas devait finir par croire qu'il n'y avait ni maison ni âme qui vive à plusieurs lieues à la ronde, jusqu'au jour où, au détour d'une promenade, il tomberait, tout près de chez lui, sur une roseraie d'un charme enchanteur, devant une petite maison, et il ne voudrait pas en croire ses yeux; s'il touchait une fleur, aussi bien le diapré de la couleur rose et moite, que l'ombre nette se découpant sur les feuilles vertes prouverait la réalité des roses, et, dans sa stupeur, il verrait des volets s'ouvrir, avec un grincement de loquet, et leurs ombres courir, puis, apparaissant à la fenêtre, l'habitant des lieux lui adresser un salut amical... la sensation d'étrangeté atteindrait alors à son comble. Sur ce promontoire, dix ou vingt minutes de promenade suffisaient pour pénétrer dans un univers de conte de fées et pour en ressortir.

 

 

 

 

Mishima
Yukio Mishima (14 januari 1925 - 25 november 1970)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver John Dos Passos werd geboren op 14 januari 1896 in Chicago. Zie ook mijn blog van 14 januari 2007  en ook mijn blog van 14 januari 2008.

 

Uit: Three Soldiers

 

The company stood at attention, each man looking straight before him at the empty parade ground, where the cinder piles showed purple with evening. On the wind that smelt of barracks and disinfectant there was a faint greasiness of food cooking.
At the other side of the wide field long lines of men shuffled slowly into the narrow wooden shanty that was the mess hall. Chins down, chests out, legs twitching and tired from the afternoon’s drilling, the company stood at attention. Each man stared straight in front of him, some vacantly with resignation, some trying to amuse themselves by noting minutely every object in their field of vision,—the cinder piles, the long shadows of the barracks and mess halls where they could see men standing about, spitting, smoking, leaning against clapboard walls. Some of the men in line could hear their watches ticking in their pockets.
Someone moved, his feet making a crunching noise in the cinders.
The sergeant’s voice snarled out: “You men are at attention. Quit yer wrigglin’ there, you!”
The men nearest the offender looked at him out of the corners of their eyes.
Two officers, far out on the parade ground, were coming towards them. By their gestures and the way they walked, the men at attention could see that they were chatting about something that amused them. One of the officers laughed boyishly, turned away and walkedslowly back across the parade ground. The other, who was the lieutenant, came towards them smiling. As he approached his company, the smile left his lips and he advanced his chin, walking with heavy precise steps.“

 

 

 

 

DosPassos
John Dos Passos (14 januari 1896 – 28 september 1970)

 

 

 

 

 

De Britse schrijver en journalist Edward St Aubyn werd geboren op 14 januari 1960 in Cornwall in een adelijke familie. Door zijn vader werd hij jarenlang mishandeld en sexueel misbruikt. Opgegroeid is hij in St Aubyn in Engeland en in het zuiden van Frankrijk. Hij bezocht de Westminster School en de universiteit van Oxford, Beroemd werd St Aubyn door de autobiografische  romantrilogie Some Hope. Zijn zesde roman Mother's Milk kwam in 2006 op de shortlist van de Booker Prize.

 

Uit: Mother's Milk

 

Why had they pretended to kill him when he was born? Keeping him awake for days, banging his head again and again against a closed cervix; twisting the cord around his throat and throttling him; chomping through his mother’s abdomen with cold shears; clamping his head and wrenching his neck from side to side; dragging him out of his home and hitting him; shining lights in his eyes and doing experiments; taking him away from his mother while she lay on the table, half-dead. Maybe the idea was to destroy his nostalgia for the old world. First the confinement to make him hungry for space, then pretending to kill him so that he would be grateful for the space when he got it, even this loud desert, with only the bandages of his mother’s arms to wrap around him, never the whole thing again, the whole warm thing all around him, being everything. The curtains were breathing light into their hospital room. Swelling from the hot afternoon, and then flopping back against the French windows, easing the glare outside. Someone opened the door and the curtains leaped up and rippled their edges; loose paper rustled, the room whitened, and the shudder of the road works grew a little louder. Then the door clunked and the curtains sighed and the room dimmed. “Oh, no, not more flowers,” said his mother. He could see everything through the transparent walls of his fish tank crib. He was looked over by the sticky eye of a splayed lily. Sometimes the breeze blew the peppery smell of freesias over him and he wanted to sneeze it away. On his mother’s nightgown spots of blood mingled with streaks of dark-orange pollen. “It’s so nice of people…” she was laughing from weakness and frustration. “I mean, is there any room in the bath?” “Not really, you’ve got the roses in there already and the other things.” “Oh, God, I can’t bear it. Hundreds of flowers have been cut down and squeezed into these white vases, just to make us happy.” She couldn’t stop laughing. There were tears running down her face. “They should have been left where they were, in a garden somewhere.”

The nurse looked at the chart. “

           

 

 

 

SrAubyn
Edward St Aubyn (Cornwall, 14 januari 1960)

 

 

 

 

 

De Chinese schrijfster Anchee Min werd geboren in Shanghai op 14 januari 1957. In 1976 werd Anchee Min gerekruteerd om in een propagandafilm van de Shanghai Film Studio de rol van mevrouw Mao te spelen. Anchee Min woont sinds 1984 in de Verenigde Staten. Van Rode Azalea -het autobiografische relaas van haar jeugd in communistisch China- werden de rechten verkocht aan twintig landen. Daarna verschenen haar succesvolle romans Mevrouw Mao en Wilde Gember.

 

Uit: Becoming Madame Mao

 

„Can't you lift a finger? the mother yells. It's my last wish, for heaven's sake!

Save me, Nah. Any day a bullet will be put into my head. Can you picture it? Don't you see that there has been a conspiracy against me? Do you remember the morning when Deng Xiao-ping came to your father's funeral and what he did? He just brushed fingers with me - didn't even bother to shake my hand. It was as if he questioned that I was Mao's widow. He was aware of the cameras - he purposely let the journalists catch the scene. And the other one, Marshal Ye Jian-ying. He walked past me wearing an expression as if I had murdered the Chairman myself!

Your father warned me about his comrades. But he didn't do anything to protect me. He could be heartless. His face had a vindictive glow when he made that prediction. He was jealous that I got to go on living. He would have liked to see me buried with him, like the old emperors did with their concubines. One should never have delusions about your father. It took me thirty-eight years to figure out that sly fox. He could never keep his hands away from deception. He couldn't survive a day without trickery. I had seen ghosts in his eyes stretching out their claws. A living god. The omniscient Mao. Full-of-mice-shit.“

 

 

 

min$anchee
Anchee Min (Shanghai, 14 januari 1957)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Mary Robison werd geboren op 14 januari 1949 in Washington D.C. Zij studeerde aan de Johns Hopkins University. Zij publiceerde al vier verhalenbundels en drie romans, waaronder Why Did I Ever waarvoor zij in 2001 de Los Angeles Times Book Prize for fiction kreeg.

 

Uit: Why Did I Ever?

 

10

The name I use is an annoying problem. Everyone wonders about it. No one doesn't ask.

My name is Money. I picked it up and kept it and now it's what I'm called.

I say I'm tired of telling how I got the name. Or that the story isn't all that great.

Still Something Missing

"I need plywood," said my son, Paulie, in his sleep. Or I heard wrong. I know it was "need" something.

That was my first day there, at his flat on St. Anne, before NYPD began hiding him.

He looked like this: in white cotton socks and frayed blue jeans, a cowhide belt and a petal-green sweater. His hands in their horrible bandage gloves must've been on his lap and I couldn't see them because he was bent over, with his plate pushed aside and his face on the dining table, and he was all-the-way asleep, with a tiny chip of emerald glinting there in the lobe of his ear.

 

12

Days went by and he still kept ignoring all the stuff I'd brought for him. Fine stuff, but Paulie couldn't get in the mood. And he was in something like pain when I finally set each thing out and presented it as though it were for sale. What, could've been wrong with me? Handkerchiefs! I told him about the quality. "Just wait'll you go to use one of these." He was three weeks out of the hospital. I should have ground the things up into bits and shreds in the garbage disposal.

A World of Love

I'm a script doctor, as far as I know this afternoon at three o'clock central time. And I'm due back at the studio according to Belinda who's the development producer or whatever is her job.

She has some hair shirt or other laid out for me.

Belinda is not warm. She's small-minded, mean, picky-petty.

Someday I will learn kickboxing and I will show up at Mercury Brothers and kickbox the stuffings out of her“

 

 

 

 

MaryRobison
Mary Robison (Washington, 14 januari 1949)

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver, musicus en cabaretier Martin Auer werd geboren op 14 januari 1951 in Wenen. Van 1971 toto 1977 werkte hij als dramaturg, acteur en musicus aan het Theater im Künstlerhaus in Wenen. Daarna werd hij zelfstandig schrijver en songwriter. Bovendien was hij enige tiijd werkzaam als journalist en in de reclamebranche.

 

 

Ich bin eine Nixe, sagt sie

 

o Mann, o Mann!

Ich bin eine Nixe, sagt sie,
ich kann nicht ertrinken.
Aber immer, wenn ich Goldfische seh,
wird mir ganz furchtbar schlecht.
Und vielleicht bricht morgen der Frieden aus,
dann gehn wir ganz groß einen saufen.
Und vielleicht bricht er nicht aus,
aber das erfahrn wir dann schon.

Ich bin eine Nixe, sagt sie,
ich komm durch die Wasserleitung.
Meine Familie zog aus dem Süden
herauf in die Stadt.
Meine Familie wohnt in einem
Aufzug im achtzehnten Postbezirk.
wenn sie beim Frühstück sitzen,
tunkt immer der Zahnarzt aus dem zwölften Stock
seinen Mantel in ihren Kaffee.
     Und sie sagt:
     O Mann, o Mann, o Mann,
     wie ich dich liebe!
     Und sie sagt:
     o Mann, o Mann, o Mann,
     o Mann, o Mann!

 

Und im Stadtpark ist es so hell heut,
die Luft ist wie Silber.
Und Baby kriegt Eiskrem
und bekommt einen Erstickungsanfall.
Und eine kleine fliegende Kamera
macht Fotos von uns mit rosa Schleifchen.
Und der Brezelmann geht Pleite
vor unsern Augen.
     Und sie sagt:
     O Mann, o Mann, o Mann,
     wie ich dich liebe!
     Und sie sagt:
     o Mann, o Mann, o Mann,
     o Mann, o Mann!

 

Das sind vielleicht herrliche Zeiten, sagt sie,
für alles gibt es Gratisgutscheine.
Und gestern hab ich mich versichern lassen
gegen Todesangst und Melancholie.
Und alle haben jetzt Telefon im Auto,
eine Kreditkarte und eine Versicherungsnummer.
Und sogar die Polizisten
tragen Lebkuchenherzen im Haar.
     Und sie sagt:
     O Mann, o Mann, o Mann,
     wie ich dich liebe!
     Und sie sagt:
     o Mann, o Mann, o Mann,

 

 

 

Martin_Auer
Martin Auer (Wenen,14 januari 1951)

 

 

 

 

 

De Poolse schrijver Marek Hlasko werd geboren op 14 januari 1934 in Warschau. Hij had allerlei baantjes tot hij in 1955 groot opzien baarde met zijn eerste verhalen. Zijn schokkende taalgebruik maakte van hem de woordvoerder van een hele generatie. Van 1955 tot 1957 was hij redacteur van het weekblad "Po Prostu" , waarin de toonaangevende intelligentia publiceerde. In 1958 reisde hij naar Westeuropa. Toen zijn visum niet verlengd werd keerde hij niet naar Polen terug.  Hij stierf al op 35-jarige leeftijd aan een overdosis tabletten en alcohol in Wiesbaden.

 

Uit: Piekni dwudziestoletni / The Beautiful Twenty-Year Olds (1966)

 

"I have come to know many cunning people in my life: I have known those who sold sugar for morphine, the sellers of Persian carpets which were made two hours earlier in Tel-Aviv's Ben-Jehuda Street; during the occupation I knew a guy who loaded himself with diamonds by selling flour to Jews and telling them it was poison that would save them from suffering when there was no way out … but I have never met a man as faultlessly cunning as Ford.
I think I can write so with confidence, for I know how many people, ideas and films this man has wasted, being most cunning and foxy opportunist who pretended to be most embittered and infuriated by the stupidity of the authorities. 'Osmy dzien' was a bad story, yet could have been turned into a good film. But you need to be able to make good films. Ford, who knows Warsaw only through his car windows, moved the plot to the Old Town; Agnieszka wanders along sugary-sweet streets; those streets are filled with extras dressed in T shirts and pretending to be lumpenproletariat elements who accost her. The point of the story, which I unfortunately bungled, though I like its idea, was as follows: the girl who can see the grime and sleaze of it all wants only one thing for herself and her boyfriend - a beautiful start to their love. The idea of Ford's film is that people have nowhere to fuck, which is obviously untrue, for you can fuck anywhere … The film was to win him a Cannes award, recognition by the Marxist critics [who had made a spectacular, adaptive conversion after the "breakthrough"] and subtle criticism from party authorities. It turned out a piece of shit - unluckily for Ford, but luckily for myself.“

 

 

 

 

hlasko
Marek Hlasko (14 januari 1934 – 14 juni 1969)

 

 

 

 

 

De Joods-Amerikaanse schrijfster, dichteres en feministe Tillie Lerner Olsen werd geboren in Omaha (Nebraska) op 14 januari 1912. Olsen die een zeer linkse politieke overtuiging was toegedaan en onder meer allerlei vakbondsactiviteiten ondernam (ze kwam er zelfs een tijdje voor in de gevangenis), schreef over de beslommeringen van 'gewone' vrouwen en andere alledaagse sociale onderwerpen. Haar literaire werk diende tot inspiratie van diverse feministische schrijfsters. Alhoewel ze slechts weinig boeken heeft geschreven, worden het feministische "Tell Me a Riddle" uit 1961 (een bundel van vier korte verhalen) en het niet afgemaakte "Yonnondio: From the Thirties" uit 1974 (laatste gaat over de Grote Depressie) als klassieke meesterwerken beschouwd. Voor de eerste won ze de O. Henry Award.

 

 

i want you women up north to know

 

i want you women up north to know
how those dainty children's dresses you buy
    at macy's, wannamakers, gimbels, marshall fields,
are dyed in blood, are stitched in wasting flesh,
down in San Antonio, "where sunshine spends the winter."

 

I want you women up north to see
the obsequious smile, the salesladies trill
    "exquisite work, madame, exquisite pleats"
vanish into a bloated face, ordering more dresses,
    gouging the wages down,
dissolve into maria, ambrosa, catalina,
    stitching these dresses from dawn to night,
    in blood, in wasting flesh.

 

 

 

 

Olsen
Tillie Olsen (14 januari 1912 – 1 januari 2007)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Rudolf Hagelstange werd geboren op 14 januari 1912 in Nordhausen. Van 1931 tot 1933 studeerde hij filologie in Berlijn. In 1939 bezocht hij de Reichspresseschule. Tijdens WO II diende hij als inlichtingenofficier. In 1944 was hij oorlogsverslaggever in Frankrijk en Italië. Na de oorlog verscheen zijn eerste dichtbundel met 35 sonnetten: Venezianisches Credo. Behalve gedichten schreef hij ook essays en romans en was hij als uitgever werkzaam.

 

Uit: Venezianisches Credo.

 

Sonett 11

 

Wie faß ich ihn, den dreimal Hochgebauten,

den Alterslosen und Unbenennbaren!

Wo ist ein Wort, das seinen Urstand wahren

und seinen Glanz auffangen kann. Wir schauten

 

die Sterne an und wurden sein nicht inne;

und nicht des Mondes Strahl, der träumerische,

und nicht das Schuppenkleid der Fische

genügen ihm. Und der Gebirge Zinne,

 

die höchste, und des Adlers kühne Schwinge,

die Wolke und der Blitz - sie sind nur Blicke,

zu ihm gerichtet, ohne ihn zu sehn.

 

Er atmet aus den Winden, die ihm wehn,

und duftet aus der Rose, die ich pflücke,

Er ist die Melodie, nach der ich singe.

 

 

 

 

hagelstange
Rudolf Hagelstange (14 januari 1912 – 5 augustus 1984)

 

 

 

 

 

 

De Russische schrijver Anatoli Rybakov werd geboren op 14 januari 1911 in Tsjernihiv. Rybakov wijdde zich na de oorlog geheel aan de literatuur. De enige roman, die van hem in het Nederlands verscheen was 'Het zware zand' over het antisemitisme. 'De kinderen van de Arbat' betekende in de Sovjetunie een sensatie omdat dit grotendeels autobiografische werk een radicale afrekening met het stalinisme inhield. De Arbat is een bekende hoofdstraat in Moskou, waar enkele van de figuren uit het boek wonen. Het verhaal speelt in 1934 aan de vooravond van de grote politieke processen, waarbij bekende politieke leiders op instigatie van Stalin werden geliquideerd. Rybakov beschrijft het lot van een jonge student, die onschuldig in de gevangenis belandt en later naar Siberië wordt verbannen. Opmerkelijk is, dat in deze roman Stalin zelf als een van de hoofdfiguren optreedt.

 

Uit: The Children of the Arbat

 

Stalin put aside his book, got up, and paced around the room clutching his pipe. He stopped at the window and gazed out at the familiar sight of the yellow and white Arsenal building and the bronze cannons lined up along its facade.

The diplomat from Motovilikha! It wasn't an unarmed Germany that posed a threat, it was Japanese troops in Manchuria, in our rear in the Far East. Budyagin knew that perfectly well, however limited his outlook. He hadn't come to talk about Hitler.

He'd come to make it known that there were people in the Party who had their own point of view, and that they were defending their right to their point of view, and that at the proper time they would advance it against his point of view. Budyagin hadn't come on his own initiative, he was too unimportant. He'd come on instructions from the same people who had allegedly helped him, Stalin, to rout his enemies, the same people he was supposed to rely on, and was relying on, because he had to, otherwise they'd get rid of him the way they'd got rid of the others. They thought he was indebted to them for everything.

They were profoundly misguided. The true leader emerges by himself, he owes his power to himself alone. Otherwise he is not a leader, but a puppet. They hadn't chosen him, he had chosen them. They hadn't pushed him to the front, he had pulled them along behind him. It wasn't they who had helped him to consolidate himself, it was he who had raised them to the pinnacles of state power. They had become what they were solely because they had taken their places alongside him.“

 

 

 

 

Rybakov
Anatoli Rybakov (14 januari 1911 – 23 december 1998)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Werner Helwig werd op 14 januari 1905 in Berlijn geboren. De toenmalige jeugdbeweging is van grote invloed op zijn werk geweest. Helwig behoorde tot de Nerother Wandervogel en bracht midden jaren twintig lang door op de burcht Waldeck, waar het landelijke centrum van de Wandervogel gevestigd was. Ook maakte hij jarenlang trektochten door Scaninavië, Ijsland, Ierland, Spanje en Griekenland. De oorlogsjaren bracht hij door in Liechtenstein, daarna woonde hij tot aan zijn dood in Genève.Internationaal bekend werd Helwig met het eerste deel van zijn Hellas-trilogie: Raubfischer in Hellas uit 1939.

 

Uit: Raubfischer in Hellas

 

„Ich gab nicht nach und hielt ihm entgegen, daß der Mensch, der in den Zentralen der Hochzivilisation lebe, sozusagen in der Urzelle seiner selbst bedroht sei. Die Luft sei nicht mehr in Ordnung, an den Nahrungsmitteln wirkten sich schädliche, kaum kontrollierbare Einflüsse aus, wegen der Übervölkerung nehme der Verkehr ständig zu. Man wisse nicht mehr, wohin das führen solle. Es sei keine Zukunft mehr da, der man geruhig und in Erwartung eines vergnüglichen Lebensabends entgegengedeihen könne. Man müsse von Moment zu Moment überleben und freue sich der erfochtenen Siege kaum. Denn schon wäre die nächste Sorge da und würde die Kraft von gestern und morgen zugleich verbrauchen. Er jedoch hätte sich in eine, wie er selbst dargestellt - Räubergesellschaft zurückgezogen, die sich, alles überspringend, an die Spitze des Vernichtungszuges gesetzt hätte, der, man wisse nicht wann, jedenfalls irgendwo im neunzehnten Jahrhundert, aufgebrochen sei, um der Welt die letzte ihrer Stunden aufzuzwingen. Was aber unternähme er, um diese Entwicklung zu stoppen? Während in den Städten Gegenmaßnahmen durchberaten und erprobt würden, hätten seine Freunde nichts Besseres im Sinn, als das Meer, die Lebensweide von einigen hunderttausend Wesen, lahmzulegen und der künftigen Weltverödung die ersten gelungenen Entwürfe zu liefern!

 

 

 

WernerHelwig
Werner Helwig (14 januari 1905 – 4 februari 1985)

 

 

 

 

 

De Finse dichter en schrijver Zacharias Topelius  werd geboren in Nykarleby op 14 januari 1818. Topelius was zweedstalig, zoals destijds zovelen in de hogere maatschappelijke klassen, en hij schreef dan ook in het Zweeds. Wel zeer bijzonder in die tijd was dat hij het Fins ook goed beheerste. In 1831, op dertienjarige leeftijd, ging hij naar Helsinki, waar hij al snel in contact kwam met Johan Ludvig Runeberg, de belangrijkste Finse dichter van de 19e eeuw. Hij woonde zelfs enige tijd bij Runeberg thuis. Topelius haalde zijn eerste graad in 1840, en zijn licentiaat in 1844. In 1848 werd hij doctor in de filosofie. In 1854 werd hij benoemd tot rector de Universiteit van Helsinki. Ook gaf hij Geschiedenis, Zweeds en Statistiek op het lyceum van Helsinki. Van 1841 tot 1860 was hij tevens hoofdredacteur van de krant Helsingfors Gazette. Parallel aan zijn universitaire carrière hield Topelius zich bezig met literatuur. Hij was tamelijk veelzijdig; zo schreef hij honderden gedichten, sprookjes en liederen. Ook schreef hij het libretto voor de eerste Finse opera Kung Karls jakt (De jacht van koning Karel), alsmede de eerste Finse historische roman Hertiginnan af Finland (De Hertogin van Finland). Vandaag de dag worden vooral zijn sprookjes nog het meest gelezen.

 

Uit: The Birch and The Star


“I still know an old story about a boy and a girl who throughout their life only wanted to reach one single goal. How many of us could say the same? Nearly two hundred years ago there was a big distress in Finland. The war raged around the country, towns and houses were burnt, the fields were trod and hundreds of thousands of people died of sword, of hunger, in exile and of frightening diseases. Then neither seen nor heard nothing else but sighs and tears, moans, sorrow, pain and blood; and those who had any hope remaining, could no longer know what to wish for, as the plague of God crossed our country disciplining it strictly; those memories are never forgotten.
During this big distress many families were also divided so that a few were taken to the enemies' country, others fled into the forests and woods or to far-away Sweden; the wife knew nothing any more about her husband, the brother about his sister and the father and the mother did not know about their children if they were still alive or already dead. That´s why, when peace came at last and those still being alive returned home, only sparse could not miss a relative nor cry.
It is told in a story of Knight Bluebeard that he sent his sister to the tower from which one could see far to the road and every little while was asking her: "Anna, my sister, do you see anyone coming ?" Likewise many asked each other when the cottage seemed gloomy and the dear ones did not arrive: "Is anybody coming?" And usually the answer was: "No one !"-But sometimes it happened as in the fairy-tale of Bluebeard that from far away a small dust cloud was seen on the road and at last a group of refugees who were lookig for their close relations was seen... „

 

 

 

 

topelius_sakarias
Zacharias Topelius (14 januari 1818 – 12 maart 1898)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Isaäc da Costa werd geboren in Amsterdam op 14 januari 1798. Zie ook mijn blog van 14 januari 2007.

 

Uit: Bezwaren tegen den geest der eeuw

 

„Verdraagzaamheid is mede een dier tooverwoorden, waarmede men het onnadenkende verstand van menig welmeenende begoochelt, en hem de verschriklijkste misbruiken onder den naam der heiligste deugden weet op te dringen; een dier leuzen, waarmede men een halve wereld te wapen roept, en ten strijde geleidt tegen alles wat aan de heerschzuchtige oogmerken van hen, die niets in den hemel noch op de aarde boven zich verdragen willen, den minsten tegenstand durft bieden. Zekerlijk noemen het de wolven verdraagzaamheid, wanneer de herders en de honden sluimeren, of zich sluimerend houden, en de schapen ten prooi

[p. 19]origineel laten aan het verscheurende gedierte, hetwelk zy verplicht waren van de kudde te weren en te verdrijven: en de bewoners van alle tucht en strafhuizen zouden het ongetwijfeld zeer verdraagzaam vinden, indien de Overheden de banden, waarin zy tot behoud der maatschappy wederhouden worden, goed vonden los te maken, en hun de vrije macht gaven om naar welgevallen te plonderen en te moorden. Zullen wy dit mede verdraagzaamheid heeten? Neen waarlijk! het staat niet in de macht, noch van weinigen, noch van velen, om door eene willekeurige en partydige naamgeving misbruiken en verkeerdheden tot deugden te heiligen.“

 

 

 

DaCosta
Isaäc da Costa (14 januari 1798 – 28 april 1860)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijfster ook mijn blog van 14 januari 2007.


De Duitse dichteres en strijdster voor vrouwenrechten Ida Dehmel werd geboren op 14 januari 1870 in Bingen.

 

 

14-01-08

J. Bernlef, Yukio Mishima, John Dos Passos, Isaäc da Costa, Ida Dehmel


De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook mijn blog van 14 januari 2007.

 

Uit: Boy

 

"William liep terug naar de redactie. Ooit had er een bord aan het gebouw gehangen met de naam van de krant erop, maar dat was er tijdens een herfststorm twee jaar geleden afgewaaid. Flannery had het niet nodig gevonden een nieuw bord te laten maken. 'Iedereen weet ons te vinden', zei hij Moshe Lachmon na. De mensen in Flatbush waren snel tevreden. Ze keken niet verder dan hun neus lang was. Het leek alsof ze de filosofie van Flannery ter harte hadden genomen en besloten hadden dat de wereld buiten Flatbush niet bestond of slechts een hersenschim was. William had er wel eens over gedacht bij de Flatbush Chronicle weg te gaan. Maar wat moest hij dan? Zijn staat van dienst bij Flannery's krantje was niet van dien aard dat die als introductie bij een grote krant kon dienen."

 

 

Heel iemand anders

 

Volgens de bovenmeester was ik een mulo-kandidaat
voorbeeld van grijze middelmaat, onopvallend
verlegen, tot niet bijster veel in staat

Toen mijn vader verhaal kwam halen
keek meester peinzend voor zich uit
zat zo'n jongen werkelijk in zijn klas?

Vader kwam briesend thuis: hij wist
niet eens je naam of wie je was
ik knikte maar wist: meester had gelijk

Hij kon mij niet zien omdat ik jaren
getraind had op onzichtbaarheid
die kunst tot in de puntjes meester was

Vader kwam er later vaak op terug
wilde dat ik van alle markten thuis
de enig juiste richting vond

Ik trainde omgekeerd tot ik
tenslotte plotseling heel iemand
anders geworden voor hem stond.

 

 

 

 

Een chirurg weet van geen pijn

 

Stuurloos staart hij naar de patient
hoe de pijn vrij te krijgen
los te maken in heldere cesuren
wat voor hem onzichtbaar blijft

Hij snijdt in wat zeer zichtbaar is
een bloederige troep: de mens in
zijn algemeenheid beent hij
zorgvuldig uit.

Gaaf en glanzend onder de operatielamp
restanten van actie: de patiënt is bevrijd
van zijn pijn maar hij, het heft in handen
hem is zij opnieuw ontsnapt.

 

 

 

 

Bernlef
J. Bernlef (Sint Pancras, 14 januari 1937)

 

 

 

 

De Japanse schrijver Yukio Mishima werd geboren op 14 januari 1925 in Tokyo. Zie ook mijn blog van 14 januari 2007.

 

Uit: Patriotism

 

On the twenty-eighth of February, 1936 (on the third day, that is, of the February 26 Incident), Lieutenant Shinji Takeyama of the Konoe Transport Battalion—profoundly disturbed by the knowledge that his closest colleagues had been with the mutineers from the beginning, and indignant at the imminent prospect of Imperial troops—took his officer’s sword and ceremonially disemboweled himself in the eight-mat room of his private residence in the sixth block of Aoba-chô, in Yotsuya Ward. His wife, Reiko, followed him, stabbing herself to death. The lieutenant’s farewell note consisted of one sentence: “Long live the Imperial Forces.” His wife’s, after apologies for her unfilial conduct in thus preceding her parents to the grave, concluded: “The day which, for a soldier’s wife, had to come, has come…” The last moments of this heroic and dedicated couple were such as to make the gods themselves weep. The lieutenant’s age, it should be noted, was thirty-one, his wife’s twenty-three; and it was not half a year since the celebration of their marriage.

Those who saw the bride and bride-groom in the commemorative photograph—perhaps no less than those actually present at the lieutenant’s wedding—had exclaimed in wonder at the bearing of this handsome couple. The lieutenant, majestic in military uniform, stood protectively beside his bride, his right hand resting upon his sword, his officer’s cap held at his left side. His expression was severe, and his dark brows and wide-gazing well conveyed the clear integrity of youth. For the beauty of the bride in her white over-robe no comparisons were adequate. In the eyes, round beneath soft brows, in the slender, finely shaped nose, and in the full lips, there was both sensuousness and refinement. One hand, emerging shyly from a sleeve of the over-robe, held a fan, and the tips of the fingers, clustering delicately, were like the bud of a moonflower.

 

 

 

 

 

yukio-mishima
Yukio Mishima (14 januari 1925 - 25 november 1970)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver John Dos Passos werd geboren op 14 januari 1896 in Chicago. Zie ook mijn blog van 14 januari 2007.

 

Uit: The Camera Eye (50)

 

“they have clubbed us off the streets they are stronger they are rich they hire and fire the politicians the newspaper editors the old judges the small men with reputations the college presidents the wardheelers (Listen businessmen college presidents judges America will not forget her betrayers) they hire the men with guns the uniforms the policecars the patrolwagons

 

all right you have won you will kill the brave men our friends tonight

there is nothing left to do we are beaten we the beaten crowd together in these old dingy schoolrooms on Salem Street shuffle up and down the gritty creaking stairs sit hunched with bowed heads on benches and hear the old words of the haters of oppression made new in sweat and agony tonight

 

our work is over the scribbled phrases the nights typing releases the smell of the printshop the sharp reek of newprinted leaflets the rush for Western Union stringing words into wires the search for stinging words to make you feel who are your oppressors America

America our nation has been beaten by strangers who have turned our language inside out who have taken the clean words our fathers spoke and made them slimy and foul

their hired men sit on the judge’s bench they sit back with their feet on the tables under the dome of the State House they are ignorant of our beliefs they have the dollars the guns the armed forces the powerplants

 

they have built the electric chair and hired the executioner to throw the switch all right we are two nations America our nation has been beaten by strangers who have bought the laws and fenced off the meadows and cut down the woods for pulp and turned our pleasant cities into slums and sweated the wealth out of our people and when they want to they hire the executioner to throw the switch

 

but do they know that the old words of the immigrants are being renewed in blood and agony tonight do they know that the old American speech of the haters of oppression is new tonight in the mouth of an old woman from Pittsburgh of a husky boilermaker from Frisco who hopped freights clear from the Coast to come here in the mouth of a Back Bay socialworker in the mouth of an Italian printer of a hobo from Arkansas the language of the beaten nation is not forgotten in our ears tonight the men in the deathhouse made the old words new before they died”

 

 

 

DosPassos
John Dos Passos (14 januari 1896 – 28 september 1970)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 14 januari 2007.

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Isaäc da Costa werd geboren in Amsterdam op 14 januari 1798.

 

De Duitse dichteres en strijdster voor vrouwenrechten Ida Dehmel werd geboren op 14 januari 1870 in Bingen.

 

 

14-01-07

J. Bernlef, Yukio Mishima, John Dos Passos, Isaäc da Costa, Ida Dehmel


De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef (pseudoniem voor Hendrik Jan Marsman werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zijn jeugd brengt hij in Amsterdam-West door. In 1949 verhuist hij met zijn ouders naar Haarlem en bezoekt daar de HBS. In 1954 verhuist de familie Marsman weer naar Amsterdam. Hendrik komt in de vierde klas van de HBS-a terecht en maakt nieuwe vrienden; Gerard Brom (= G. Brands), Gerard Stigter (= K. Schippers) en later Sipke Huismans. Hun leraar Nederlands, de schrijver Rob Nieuwenhuys, zet de vrienden op het spoor van Nescio, Elsschot en Carmiggelt. Bernlef bezoekt in die tijd ook avonden waar de dichters Lucebert en Elburg uit eigen werk voorlezen.

Na zijn eindexamen in 1955 is Bernlef een half jaar student aan de Politiek-Sociale faculteit van de Universiteit van Amsterdam en werkt hij als vrijwilliger bij een Amsterdamse boekhandel. Tijdens zijn militaire dienst debuteert hij onder zijn eigen naam met het korte verhaal 'Mijn zusje Olga' in het tijdschrift Hoos. Tussen 1958 en 1960 is Bernlef veel in Zweden en werkt hij aan verhalen en gedichten, die hij instuurt voor de Reina Prinsen Geerligsprijs 1959. De prijs krijgt hij in november 1959 ook voor Kokkels en de eerste tien verhalen uit Stenen spoelen. Inmiddels heeft hij samen met G. Brands en K. Schippers het tijdschrift voor teksten Barbarber opgericht, waarvan hij tot de opheffing in 1971 redacteur bleef. Vanaf 2002 publiceert hij onder het pseudoniem Bernlef (zonder de initiaal J.). Hij debuteerde in 1960 als dichter met Kokkels, en in hetzelfde jaar als prozaïst met Stenen spoelen. Voor Kokkels ontving hij in november 1960 de Reina Prinsen Geerligsprijs. In 1984 werd hij bij het grote publiek bekend met zijn roman Hersenschimmen, waarin hij het dementeringsproces uitvoerig beschrijft vanuit het oogpunt van een dementerende man. De roman werd in 1987 verfilmd door Heddy Honigmann, en in 2006 in bewerking als toneelstuk uitgevoerd door het ro theater, onder regie van Guy Cassiers. Bernlef heeft ook gepubliceerd onder andere pseudoniemen. Het pseudoniem Bernlef is ontleend aan de blinde Friese dichter Bernlef uit de 8e eeuw.

 

 

Na de depressie

Hij tekent geraamtes op de rand van een krant
probeert wat te huilen maar het aloude gevoel
verdampt in de luide kop van de zou – dan maar
koffie gezet in het bittere besef dat de wereld
nog niets van zijn sterven wil weten

Hij kruipt uit zijn horloge zijn kleren in
scheert zich en ziet in de spiegel
iemand in zijn handen wrijven
klaar om toe te slaan, in te grijpen
in sterrenstelsels en tabellen.

 

 

de machtige losbol indachtig


I

De kleine jongens van het grote kwaad
maken de kachel aan met oude idealen

Daartussen scharrelen de torretjes van het
wederzijds begrip hun kostje nijver bij elkaar

Oude standbeelden worden opgewonden maar
vallen ’s nachts al schimmelend uit elkaar.

Flexibel werkend tot de dood hem strekt
maakt de mens een leven van jewelste: hij speelt

Hij speelt op electrisch brakende gitaren
zo dalend op verzakte altaren naait men elkaar

De nacht valt en de dichter zwoegend aan
de laatste woorden rond de heetste brij valt ook

Valt rond en rijp als glanzende vrucht wordt hij
stralend in dundruk opgeborgen, krijsend en blij.


II

Zinnen woordbrokken losgeschud
zoals de jogger in het bos zijn benen

Zo gaat een ieder op eigen wijze de tijd te lijf
zijn lijf ingesnoerd in het korset van de vorm
tot alles loslaat, niet een knal of wat gejammer

Ideeën en utopieën bleven als afval achter
op de mesthoop der komende geschiedenis
hij bezag de ontmanteling en hing haar zonder aarzelen om

Misschien was hij de laatste vorst van de grote dorst
die met zevenmijlslaarzen alle tuinierende dwergen vertrapte
zodat nachtegalen uit bevrijde priëlen eindelijk uit volle borst zingen konden

Zo zong hij mij en u en alle zinnen los
tot diep in het bos waar geen paden meer zijn
geen paddestoelen maar chaos alleen en schone schijn.

 

 

 

 

BERNLEF
J. Bernlef (Sint Pancras, 14 januari 1937)

 

Yukio Mishima werd geboren als Kimitake Hiraoka op 14 januari 1925 in Tokyo. Hij schreef romans, toneelstukken, essays, gedichten, en een libretto. Mishima is bekend om zowel zijn nihilistische naoorlogse schrijven en de omstandigheden rondom zijn zelfmoord. Mishima was de zoon van Azusa Hiraoka, vice-directeur van het Ministerie van Visserijen in het Ministerie voor Landbouw, en Shizue Hara. Hij werd in zijn jonge jaren erg beïnvloed door zijn grootmoeder Natsu. Zij haalde hem uit zijn familie, en stimuleerde zijn interesse in het Kabuki-theater en het idee van een elitegeschiedenis.

Mishima deed het goed op de elite Peers School, en behoorde tot het literaire milieu. Er werd ten onrechte tuberculose bij hem vastgesteld, en hierdoor hoefde hij - zeer tegen zijn zin - tijdens WO II geen legerdienst te verrichten. Hij studeerde af van de Universiteit van Tokio in 1947. Hij werkte hierna in het Ministerie van Financiën, maar nam binnen een jaar ontslag om zich volledig aan het schrijven te kunnen wijden. Hij schreef Kamen no kokuhaku (Bekentenissen van een gemaskerde), een autobiografisch werk over een jonge homoseksueel die zich achter een masker moet verschuilen om in de samenleving te passen. Dit werk is ook in het Nederlands vertaald, net als onder meer Het gouden paviljoen en Een zeeman door de zee verstoten.

In de jaren zestig schreef Mishima een aantal van zijn meest succesvolle romans die door de literatuurcritici goed werden ontvangen. Ook speelde hij in films. Hij werd in deze periode drie keer genomineerd voor de Nobelprijs voor de Literatuur.

In zijn belangrijkste essay, Bunka beiron (Een verdediging van cultuur), beargumenteert hij dat de keizer van Japan de bron was van de Japanse cultuur, en de keizer verdedigen was dus de Japanse cultuur verdedigen. Hij vormde zijn eigen privé-leger, de Tatenokai (Gilde van het Schild), om de keizer te beschermen.

Op 25 november 1970, bezetten Mishima en leden van de Tatenokai het hoofdkantoor van het Japanse Zelfverdedigingkorps in Tokio. Hij verlangde dat het leger naar zijn toespraak luisterde, maar de soldaten waren niet geïnteresseerd in zijn ideeën. Mishima en één van zijn volgers pleegden hierna seppuku (hara-kiri), rituele zelfmoord.

 

Uit: Geständnis einer Maske (Vertaling: Helmut Hilzheimer)

 

„Jahrelang hatte ich behauptet, ich könne mich noch an Dinge erinnern, die ich im Augenblick meiner Geburt sah. Immer wenn ich das sagte, lachten die Erwachsenen zunächst, doch dann fragten sie sich verwundert, ob ich sie verspotte und blickten voller Misstrauen und Unwillen in dies bleiche unkindliche Kindergesicht. Manchmal behauptete ich es auch in Gegenwart von Besuchern, die nicht zum intimen Freundeskreis unserer Familie gehörten. Doch dann wurde ich jedesmal von meiner Großmutter, die fürchtete, man könne mich für einen Idioten halten, in scharfem Ton unterbrochen und aufgefordert, hinauszugehen und zu spielen. 

Eines Tages ging ich mit einer Gruppe meiner Mitschüler nach der Schule spazieren. Wir diskutierten ziemlich laut das Gerücht, dass sich einer unserer Freunde, der nicht zugegen war, in die Schaffnerin des Autobusses verliebt habe, mit dem er jeden Tag zur Schule fuhr. Sehr rasch wandte sich der Klatsch der theoretischen Auseinandersetzung zu, ob man sich überhaupt in eine Autobus-Schaffnerin verlieben könne. In dem Moment mischte ich mich ein, nahm mutwillig einen kaltschnäuzigen Ton an und sprach brüsk, als stieße ich die Worte hervor: "Aber weshalb denn nicht? Es liegt eben an ihren Uniformen! Sie liegen doch so eng am Körper an -"
Ich brauche nicht erst zu sagen, dass ich im Gegensatz zu der Vermutung, die meine Worte nahe legte, noch nie zuvor die geringste sexuelle Anziehung zu Bush-Schaffnerinnen empfunden hatte. Meine Äußerung war einfach durch eine gewisse Analogie entstanden - eine vollkommene Analogie, ich stellte mir die gleiche Uniform auf einem ganz anderen Körper vor  -, und außerdem wollte ich unbedingt in den Augen meiner Mitschüler als routinierter, zynischer Lüstling gelten, der in solchen Dingen Bescheid wusste.“

 

 

MISHIMA
Yukio Mishima (14 januari 1925 - 25 november 1970)

 

John Dos Passos werd geboren op 14 januari 1896 in Chicago. De kleinzoon van Portugese immigranten Dos Passos was een geëngageerd schrijver. Volgens hem moest de literatuur de confrontatie aangaan met 'de moorddadige krachten van de geschiedenis'. Van l'art pour l'art moest hij weinig hebben, al verwerkte hij in zijn realistische boeken over gewone mensen de 'stream of consciousness' en de collage-technieken uit de modernistische traditie van Hemingway en Faulkner. In zijn eerste romans keerde hij zich tegen de zinloosheid van de oorlog, die hij had meegemaakt als ambulancerijder aan het front in Frankrijk en Italië tijdens WO I. Daarna schreef hij meesterwerken als Manhattan Transfer en de trilogie 'U.S.A.'. In 'U.S.A.', dat bestaat uit The 42nd Parallel (1930), 1919 (1932) en The Big Money (1936), schetste hij een somber panorama van kapitalistische hebzucht en degeneratie in de Verenigde Staten tussen 1900 en 1927; het resultaat is een compendium van krantenartikelen, ironische biografietjes van beroemde en beruchte Amerikanen, monologues intérieurs die zich laten lezen als prozagedichten en levensbeschrijvingen van een aantal doorsnee-Amerikanen. Voor hen is er na de 1200 bladzijden niet veel hoop over: Dos Passos' Amerika is een corrupte, cynische en ontwortelde grootmacht.

 

Uit: U.S.A

“The Camera Eye (50)

they have clubbed us off the streets they are stronger they are rich they hire and fire the politicians the newspaper editors the old judges the small men with reputations the college presidents the wardheelers (Listen businessmen college presidents judges America will not forget her betrayers) they hire the men with guns the uniforms the policecars the patrolwagons

all right you have won you will kill the brave men our friends tonight

there is nothing left to do we are beaten we the beaten crowd together in these old dingy schoolrooms on Salem Street shuffle up and down the gritty creaking stairs sit hunched with bowed heads on benches and hear the old words of the haters of oppression made new in sweat and agony tonight

our work is over the scribbled phrases the nights typing releases the smell of the printshop the sharp reek of newprinted leaflets the rush for Western Union stringing words into wires the search for stinging words to make you feel who are your oppressors America

America our nation has been beaten by strangers who have turned our language inside out who have taken the clean words our fathers spoke and made them slimy and foul

their hired men sit on the judge’s bench they sit back with their feet on the tables under the dome of the State House they are ignorant of our beliefs they have the dollars the guns the armed forces the powerplants

they have built the electric chair and hired the executioner to throw the switch all right we are two nations America our nation has been beaten by strangers who have bought the laws and fenced off the meadows and cut down the woods for pulp and turned our pleasant cities into slums and sweated the wealth out of our people and when they want to they hire the executioner to throw the switch”

 

 

 

DosPassos
John Dos Passos (14 januari 1896 – 28 september 1970)

 

Isaäc da Costa werd geboren in Amsterdam op 14 januari 1798. Hij was afkomstig uit een patricische Portugees-joodse familie. Van 1811 tot 1815 bezocht hij het Athenaeum Illustre. In 1818 promoveerde Da Costa in de rechten; in 1821 ook in de letteren. Kort daarop trouwde hij met zijn nicht Hanna Belmonte. In 1822 werden zij gedoopt door Ds. Lucas Egeling in de St. Pieterskerk te Leiden. Hij werd de verdediger van de leer van Bilderdijk, in proza en poëzie; als dichter de man van ‘eene lier met ééne snaar’ (Busken Huet), waarmee hij zijn orthodox-Gereformeerde beginselen bezong. David Jacob van Lennep leerde hem de schoonheid der Klassieken kennen, die hij huldigde in zijn eerste gedicht Lof der Dichtkunst, 1812. In 1818 gaf Da Costa een romantisch treurspel uit, Alfonsus I, koning in Spanje in de 11e eeuw. Zijn volgende stukken verschenen in 1821 en '22 als twee bundels Poëzy met de verheerlijking van ‘gevoel, verbeelding, heldenmoed’, moed vooral om te strijden tegen de vrijheidsbegrippen van de Liberalen en tegen de ‘rampzaal'ge volksverlichting’. In augustus 1823 verschenen Bezwaren tegen den Geest der Eeuw, een prozageschrift tegen de Verlichting, de verdraagzaamheid, de wijsbegeerte van Kant, de vrijheid van drukpers. Dominees preekten, kranten schreven er tegen. Da Costa begon in 1823 met zijn lezingen; deze voordrachten wekten zelfs de argwaan der Regering, die reeds in 1824 liet nagaan, wie er kwamen.

Aan een jongen vriend,

Op zijn vijftiende verjaardag,

 

Verheug u, Jongeling! ten dag van uw jeugd!
geen ouderlijk gemoed wraakt argelooze vreugd.
Ja, gulle scherts kan vaak den geest weldadig wetten,
gelijk de Lentewind het jonge gras verfrischt.
Maar wen u te gelijk op d’ uitgang streng te letten
van ’t hart dat, onbewaakt, zich-zelf zoo licht vergist.
’t Hart, o mijn jonge Vriend! dan vroeg gekeerd naar Boven!
Men zoekt zijn Heiland nooit òf te ijvrijg òf te vroeg.
Van dat uw moeder u naar ’t heilig doopbad droeg
ontfingt gy stof en wenk, om biddend Hem te loven.
Wees vrolijk, jongeling! ten dage van uw jeugd.
Maar meng’ zich de ernst dier vraag, beslissend voor het leven:
„wien hoor ik? wie alleen kan my behoudnis geven?”
by de u van gantscher ziel gegunde levensvreugd
.

 

 

 

 

Costa
Isaäc da Costa (14 januari 1798 – 28 april 1860)

 

De Duitse dichteres en strijdster voor vrouwenrechten Ida Dehmel werd geboren op 14 januari 1870 in Bingen als Ida Coblenz. Zij werd bekend als de tweede vrouw van schrijver Richard Dehmel. Als dochter van een rijke, conservatieve, joodse familie had zij eerst moeten trouwen met de koopman Leopold Auerbach. Dat huwelijk verliep erg ongelukkig. In Bingen leerde zij Stefan George kennen. Met haar eerste man trok zij naar Berlijn, waar zij Richard Dehmel ontmoette. Na talloze reizen trokken zij in het zogenaamde Dehmelhaus in Hamburg.

Na de dood van haar man in 1920 richtte zij GEDOK op (Gemeinschaft deutscher und österreichischer Künstlerinnen aller Kunstgattungen). In 1933 werd zij van deze groep uitgesloten. Daardoor raakte zij geisoleerd, en toen zij ook nog zwaar ziek werd, maakte zij een eind aan haar leven.

 

Das Perlgewebe

Ich sitze dunkle Frau in meinem Zimmer,
stille, dunkle, große Frau.
Weiß ist das Zimmer, weit seine Wände;
weiß ist mein Kleid, mein Webstuhl weiß.
Und vor mir buntgehäuft ein Schatz Perlschnüre.
Was will ich dunkle Frau denn weben? - Mein Leben.

Weiß, weiß und golden sind die Farben meiner Jugend,
ein morgenblauer Himmel über mir.
Himmelschlüssel blühn auf unsern Wiesen.
Viele kleine Blumen will ich weben,
zart ein glückliches Lachen dazwischen,
Alles leuchtet dem spielenden Kind.

Mutter starb. Die Farben werden blasser.
Dunkle Trauerzweige sprießen auf,
schwanke Linien aus schimmerndem Grund,
Thränen glitzern, Sehnsuchtsthränen.
Kind, ich große Frau möcht gern dich trösten;
sieh, ich setz ein funkelnd Sternlein über dich.

Und nun mischen sich die bunten Perlen:
stolz und heftig schießt ein Blutrot hoch
durch ein trotziges Gelb in schroffen Kanten,
hell im Kampf mit strengen grauen Mächten
bäumt die aufwärtsflammende Seele sich:
rot und golden sind die Farben dieser Jungfrau.

Und aus Rot und Gold paart sich ein Schrei nach Liebe.
Rosen blühn aus meinen Händen auf,
jeder Kelch voll Tau und Sonnentraum;
schwer in Büscheln rankt sich ein Klematisstrauch
um die Rosen lilasanft ins Blaue;
die Verheißung glüht aus allen Blüten.

Die Erfüllung log. Nun wirren sich die Fäden.
Fahl und grell verschlingen sich die Schnüre.
Jeder Weg ein Irrweg, und kein Kreis geschlossen.
Zuchtlos drängt sich wides Gestrüpp
über meine Wiesen, meinen Blumenteppich;
und der Stern der Mutter birgt sich hinter Nebeln.

Da - ein klarer Klang: stark: eines Helden Ton.
Schwarz wie der Ursprung, golden wie das Licht,
und moosgrün wie der Wald, aus dem die ersten Menschen kamen
Auch blau sein Himmel, aber mittagsblau;
auch rot sein Blut, doch nordlichtnächtig rot.
Und über Alles breitet sich sein Glanz.

O wie sich unsre Farben herrlich einen:
Leere wird Fülle, und sie strömt wie Quellen,
aus ihren Fluten steigt des Schöpfungstages Feste,
mein Stern strahlt durch des Weltbaums Blütenäste -
so kann ich meine Träume und mein Leben
zum Werk verwebt in Gottes Hände geben.

 

 

 

 

Dehmel
Ida Dehmel (14 januar 1870 - 29 september 1942)