13-10-16

Colin Channer, Herman Franke, Sebastian Fitzek, Richard Howard, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie, Frank Witzel

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Colin Channer op dit blog.

Uit: The Girl with the Golden Shoes

“So while the others ran, she hid behind the almond tree and watched in fearful fascination as the creature loomed.
It wasn’t until the mask had been removed that Estrella, who’d never been to school or traveled much on her tiny island, understood that what she thought had been a monster was a human being—a scuba diver in a rubber suit.
She stepped out from behind the tree and walked toward him in her old blue frock with eyelet lace around the hem, hips moving widely underneath the faded fabric, giving insight to the marvel of her shape. She was tall and big-boned with mannish shoulders and a long face with sharp cheeks. Her eyes were bright and slanted, and although her skin was darker than a Coke, she had a length of wavy hair.
“What are you wearing?” she asked in English, which she rarely had the need to use, since everyone around her spoke Sancoche.
“It lets me breathe beneath the water.”
They talked for several minutes, during which he explained some of his duties; then he disappeared below the surf.
In Sancoche, her native dialect, Estrella kept repeating as the ripples disappeared, “I never even thought to dream of seeing a thing like that.”

 

 
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

Lees meer...

13-10-15

Colin Channer, Herman Franke, Richard Howard, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Colin Channer op dit blog.

Uit: Waiting in Vain

“The juice was inking the nib between her legs, making her want to draft an epic on his face. Couldn't he just screw her? She'd take just that. So what if the love was gone? The first time had been just a screw. And she had no regrets. Seeing him nude that first time had made her think of holidays, of turkey legs slathered with gravy. At first she thought he'd be a rammer, a longhorn bedroom bully, which would've been fine. She liked a little roughness at times. But he held her like a dancer, assumed that he would lead, and frigged her with finesse. He understood her needs. Wordplay for him was foreplay. Her thighs were the covers of an open book--a journal lined with fantasies and fears. He read her like a child read, slowly, with his nose against the page, using a finger to guide his way. So he knew when to baby her and when to bitch her up.
If he didn't want to screw her, she thought, couldn't they just flirt? Flirting was more than his pastime. It was an addiction. He couldn't help himself. He was intelligent and amusing, which was why women fell for him. That's why she had fallen. In the days when he loved her, his wordskissed her ears like butterfly wings. Now they stung like wasps: "I don't want you anymore. Leave me alone. I don't care how you feel."
She forced a smile. He didn't respond, but she knew he wanted her. She could feel it. What to do? What to say? She wanted to be the mango so he could suck her down to the seed.
"Kiss me."
The words were hers. He tried to resist. Thought he had, until his tongue was a honey stick in hot tea. Soon he was melting into memory . . . into their first kiss ten years ago in Cuba.”

 

 
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

Lees meer...

13-10-14

Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

Uit: De ziel van Nederland

“Schrijvers zijn misdadigers. Mij duidt men vaak aan als schrijver en criminoloog. Daar schemeren duistere verbanden, maar het zal nog even duren voordat ik iets over Klinkhamer en consorten opmerk. Zoals het een wetenschapper betaamt, begin ik gewoon met een inleiding en eindig, des schrijvers eigen, en als God het wil, met een verhaaltje. Het is de bedoeling dat daartussenin Jean Genet, Raskolnikov, Moll Flanders, Andreas Burnier, Charles Dickens, Oscar Wilde, Václav Havel en Breyten Breytenbach nog ter sprake komen, maar je weet het maar nooit. Toen Dostojevski voor het vuurpeloton op de kogel stond te wachten, duidde niets erop dat hij een van de grootste schrijvers van de wereld zou worden.
Door de titel van deze beschouwing zit ik vast aan een januskop. Die moet er dan eerst maar af, met bekentenissen en al.
Zie-ief!
Dat hebben geguillotineerde misdadigers waarschijnlijk gehoord voordat hun hoofd in het mandje rolde. Maar zeker kun je dat nooit weten. Daar kun je geen research naar doen. Research. Zo heet dat. Wetenschappers in dit land verrichten gewoon onderzoek, maar Nederlandse schrijvers doen aan research. Zij doelen met research heel gewichtig op de werkzaamheden die voorafgaan aan het schrijven van hun romans, zoals gericht om zich heen kijken, wat non-fictieboeken uit de bibliotheek halen, reizen maken op kosten van het Fonds voor de Letteren, een vraaggesprekje voeren met deze of gene en participerend observeren tot hoereren en vreemdgaan toe. Voor de roman waaraan ik nu werk, heb ik ook research gedaan. Ik heb mij onder meer een tijdje verdiept in de fascinerende en verbijsterende subcultuur van de plastische chirurgie. Ik las over een jonge vrouw die na haar gezichtsoperatie in onmin raakte met haar familie, omdat ze niet meer het karakteristieke paardenbekje had van haar oma, moeder, ooms, tantes, neefjes, nichtjes, zusters en broers. Haar gezicht was ook hun gezicht, vonden ze, daar had ze niet zomaar zonder hun toestemming aan mogen sleutelen. Haar zusje vond het heel erg dat ze nu niet meer op haar zusje leek. Ze werd van familieverraad beschuldigd en leidde sindsdien het treurige bestaan van een verstotene. O, had zij haar paardenbekje nog maar.”

 

 
Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

Lees meer...

13-10-13

Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

 

Uit: Wolfstonen

 

“Hij betwijfelde of die oude huizen het zouden pikken. Anders dan de overbuurvrouw geloofde hij wel in bezielde materie en hij dacht aan een harem vol oude wijven met verdorde schaamlippen waar een jong, stralend meisje werd binnengebracht; haar billen glommen als goud, op haar borsten schitterden zilverkleurige sieraden, tussen haar benen gloorde een vochtige hemel en haar liefdeszuchten klonken als engelengezang. De oude vrouwen maakten krabbend, schoppend en bijtend een wrak van haar. Maar zo fantasierijk en poëtisch waren de anderen niet. Zij herinnerden zich het gat dat tientallen jaren lang in de huizenrij gegaapt had en de vlakte met puinresten en uitbundig opschietend onkruid maar al te goed. Het gat werd rechts en links begrensd door de bontgekleurde tussenmuren van de belendende percelen, die buitenmuren waren geworden op de dag van de sloop. Je kon nog zien waar de vloeren en trappen hadden gezeten. De witte uitsparing in een geel geschilderde kamerwand verried waar een rechthoekige kast had gestaan. Je zag de betegelde wanden van doucheruimtes. This wall is now available in paperback, was er met een spuitbus op de rechtermuur geschreven, die opbolde en gestut werd door boomstammen. Er liepen altijd katten op het door een gazen hekwerk afgezette terrein, dat in feite de enige groenvoorziening in de wijk was maar als zodanig werd de plek niet gewaardeerd. Integendeel, het gat was iedereen een doorn in het oog. Er werd huisvuil en andere rotzooi gedumpt dat ging rotten en stinken en ongedierte aantrok. Ouders verboden hun kinderen het terrein te betreden maar via kleine openingen in het hek kropen zij stiekem toch naar binnen. Kort daarna kregen ze last van huiduitslag en misselijkheid. Er zouden giftige planten groeien. Er zou illegaal gif zijn gestort. Er zou ontucht bedreven worden door homo’s en kinderlokkers.”

 

 

 

Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

Lees meer...

13-10-12

Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

 

Uit: Traag licht

 

De vrouwen in mijn leven hielden mij ieder op hun eigen manier een spiegel voor. Mannen deden dat niet, zelfs mijn beste vrienden niet. Mannen bevechten elkaar of steunen elkaar onvoorwaardelijk. Ze houden elkaar een masker voor, wat op zijn tijd veel prettiger is dan een spiegel. Hoe het met vrouwen zit, weet ik niet zeker, maar ik denk dat vrouwen tegenover elkaar juist hun masker afleggen. Ik had wel een vrouw willen zijn.'

(…)

 

'Dat deze vrouw dood was, fascineerde me. Dood zijn en toch lust weten aan te wakkeren van de man die naar die naaktfoto van je kijkt, daarin schuilt een mysterieuze biologische tegenstrijdigheid die mijn zinnen extra prikkelde. […] Misschien komt het doordat seks zich op deze foto's dwars door de dood heen manifesteert, lak heeft aan de voortplanting en daardoor zelfs meer aan botte levensdrift appelleert dan de aanblik van een blote prachtvrouw in levende lijve. Het kan ook zijn dat die oude naaktfoto's je laten voelen dat al die maatschappelijke veranderingen er niet zo veel toe doen. De mens blijft zichzelf gelijk, nu en toen, hier en daar, in weer en wind, door de eeuwen heen. Je waant je een ogenblik een met alle mensen die er zijn en waren. Dus als seks een verlangen naar eenwording is, wordt door de vrouwen op die oude foto's niet alleen die eenwording maar ook het verlangen daarnaar tot de zoveelste macht verheven.'

 

 

Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

In 1990

Lees meer...

13-10-11

Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie, Peter Buwalda

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

 

Uit: De ironie van de romantiek (Kellendonk lezing 2000)

`Er waren eens een vader en een zoon'. Zo begint een van de ontroeren­dste verhalen die ik ken. Het gaat over de dagelijkse omgang tussen een vader en een zoon. Zij voeren opgewekte, leven­dige gesprekken met elkaar, hoewel ze erg zwaarmoedig zijn. Beiden geloven dat ze schuld dragen aan het verdriet van de ander, zonder dit ooit uit te spreken. Maar heel af en toe blijft de vader voor de zoon staan, laat een bekom­mer­de blik op hem rusten en zegt: arm kind, jij leeft in een stille ver­twijfe­ling. Dan sterft de vader. En de zoon ziet veel, hoort veel, beleeft veel en wordt be­proefd in velerlei verzoe­kingen, maar er is maar één ding waar hij naar verlangt, maar één ding dat hem zou kunnen ontroeren: dat zijn die woor­den, en de stem van zijn vader die ze spreekt. En de enige troost die hij op zijn eigen oude dag heeft is dat zijn stem zo sterk op die van zijn vader is gaan lijken, dat hij tot zich­zelf kan zeg­gen: arm kind, jij leeft in een stille vertwijfe­ling. De schrij­ver van dit verhaal is de Deense filosoof Soren Kierkegaard die leefde in de eerste helft van de negentiende eeuw. Hij zag eruit als Jannes van der Wal, was zeker zo excentriek, werd op straat in Kopenhagen uitgelachen om zijn spillebenen en bouwde een bizar maar indruk­wekkend oeuvre op zijn existen­tieel getob over de verbreking van zijn verlo­ving met de 18-jarige Regine Olsen. Dat was in 1841 nog iets waar­van iedereen schande sprak. Op internet zijn portret­jes van Regine te vinden. Het is een wreedheid van de tech­nische voor­uit­gang dat honderden mil­joe­nen mensen nu kunnen zien hoe lief het meisje eruit zag dat hij hardhandig maar ook vol rijk gescha­keerd schuldge­voel van zich afstootte, nadat genade­loos zelfon­derzoek hem tot de conclusie had ge­bracht dat hij niet voor het huwe­lijk geschikt was en een andere taak had te volbren­gen, te weten het eenzaam leren leven met ver­twij­feling en angst en het zoeken naar een reli­gieuze uitweg, zeg maar troost.

Het verhaal over die vader en zoon is opgenomen in zijn Stadia op de levensweg dat in 1845 verscheen. In mijn herinne­ring was het veel langer dan de ene bladzijde die het in werke­lijkheid beslaat. Het is zo'n verhaal dat pas in de ver­beelding van de lezer een echt verhaal wordt, wat misschien wel de mooiste verhalen zijn. Ik las het bijna tien jaar geleden. Het was een zomerse dag en ik zat drie hoog achter op mijn balkon onder een bont­ge­kleurde para­sol.“

 

 

Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

Lees meer...

13-10-10

Herman Franke, Colin Channer, Edwina Currie, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 13e oktober mijn blog bij seniorennet.be

 

Herman Franke, Colin Channer, Edwina Currie

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 13e oktober ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter

16-08-10

In Memoriam Herman Franke

 

In Memoriam Herman Franke

 

De Nederlandse schrijver en ex-criminoloog Herman Franke is op 61-jarige leeftijd overleden. Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Hij werkte al jaren aan een doorlopende romancyclus. Het laatste deel is af en zal postuum verschijnen. Franke overleed op zaterdag 14 augustus in zijn woning in Amsterdam, zo maakte zijn uitgeverij Podium vandaag bekend. Pas op zijn vijftigste brak Franke echt door als schrijver, met De verbeelding (1998). Met deze roman won hij de Generale Bank Literatuurprijs (Nu AKO Literatuurprijs). Daarna was het even stil rond de auteur, pas met de roman Wolfstonen (2003) beleefde hij een nieuw groot succes.

Zie ook mijn blog van 13 oktober 2006en ook mijn blog van 13 oktober 2007 en ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009.

 

Uit: De tuinman en de dood van Diana 

 

“Je bent met wie je omgaat. En het is onmogelijk je niets van die anderen aan te trekken. Met de dood van intieme anderen sterven stukjes van je zelf. Daar staat tegenover dat nieuwe vrienden dode stukjes van je zelf tot leven kunnen wekken. Juist mensen van wie je niet meteen inziet dat ze uniek zijn, willen hier niet aan. Zij maken zelf wel uit hoe ze zijn. Ze geloven zelfs dat ze na hun dood in het hiernamaals precies zo zijn als tijdens hun leven. In paravisische pulpbladen- en programma's doen ze alsof dit platte geloof buitengewoon interessant en mysterieus is. Het onkenbare en daardoor zozeer tot de verbeelding sprekende hiernamaals wordt door hen en passant teruggebracht tot een plaats waar vader zich nog steeds drukt maakt over de laffe smaak van moeders spruitjes of waar de overledenen niets anders te doen hebben dan op muren te kloppen, tafels op te tillen of ons in Engelse landhuizen achterbaks langs het hoofd te strijken, zodat we ons wezenloos schrikken. Vanuit een opgefokt ik-gevoel ontdoen zij zelfs de dood van zijn mystiek. Maar daar trekt hij zich gelukkig niets van aan.
Ik hecht niet zo aan mijn ik. Na mijn dood blijven er miljoenen mensen over die sprekend op mij lijken. Dus zo erg is het niet als ik verdwijn. Ik vloei weer terug in datgene waarvan ik vanaf mijn geboorte een eenzame, naar eenwording hunkerende verbijzondering was: het mens-zijn. Als ik dood ben, zit ik in alle mensen en ga dagelijks door de pieken en dalen van Het Menselijk Gevoel. Als ik dood ben, doe ik aan alle vrijpartijen van de wereld mee, terwijl ik in levende lijve alleen maar kan vrijen met een paar anderen. Ik ben nu eenmaal veel meer mens dan `ik'. En alles wat mij tot mens maakt blijft zolang als de aarde om de zon draait; of nog langer als de NASA bijtijds een ander zonnig stekje voor ons in de ruimte heeft gevonden.
`Alles verandert, niets vergaat', schreef Ovidius en zo is het.”

 

 

 

  

Herman Franke (13 oktober 1948 - 14 augustus 2010)

 

Lees meer...

13-10-09

Deutscher Buchpreis voor Kathrin Schmidt, Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter

 

In het kader van de Frankfurter Buchmesse is aan de  Duitse schrijfster Kathrin Schmidt de Deutsche Buchpreis 2009 toegekend voor haar roman Du stirbst nicht. Zie ook mijn blog van 12 maart 2009.

 

Uit:Du stirbst nicht

 

„Es klappert um sie herum._ Als ihre Schwester heiratete, hatte die Mutter das Silberbesteck in eine Blechschüssel gelegt, auf eine Alufolie. Heißes Salzwasser darüber. Das saubere Besteck wurde nach einiger Zeit aus der Schüssel genommen und abgetrocknet: Es hatte genauso geklappert.

Wer heiratet denn? Sie versucht die Augen zu öffnen. Fehlanzeige. Mehr als Augenöffnen versucht sie nicht. Ist genügsam. Sie kann aber sehr deutlich die Stimme ihrer Mutter hören. Ah, also doch das Besteck! Was sagt ihre Mutter?

Die rechte Hand ist aber viel kälter als die linke, sagt sie, und der rechte Fuß genauso.

Warum hat die Mutter eine kalte rechte Hand?, fragt sie sich. Muss lächeln, als sie sich vorstellt, sie überprüfe die Temperatur ihrer Füße.

Sie lacht!, sagt ihre Mutter.

Sie verzieht nur das Gesicht.

Hat das ihr Vater gesagt? Aber ja, das war unzweifelhaft die Stimme ihres Vaters! Jetzt möchte sie doch die Augen öffnen. Was hat sie in der Küche ihrer Eltern zu suchen, wo mit Besteck geklappert und die Hand- und Fußtemperatur untersucht wird und sie ihre Augen nicht öffnen kann?

O, where do you come from? From London?

Das hat sie zu ihrer Tochter gesagt. Hat sie? Ein Auge kann sie öffnen. Sie tut es. Vierzehn ist das Mädchen und heute auf eine Sprachreise nach England gefahren. Warum ist sie schon wieder da? Sie heult. Aus irgendeinem Grund heult sie. Deshalb hat sie ja auch englisch sprechen wollen, um sie aufzumuntern. Es scheint nichts zu nützen, dass sie fröhlich ist. Das Mädchen hat Kummer. Aber welchen?

Wen könnte sie fragen? Der Blick wandert. Da! Neben der Tochter steht ihr Mann. My husband, sagt sie. Darüber wird aber doch hoffentlich gelacht werden …

Nichts.

Wenigstens lächelt der Mann. Je länger sie ihn anschaut, umso seltsamer findet sie sein Lächeln. Angepflockt hängt es zwischen den Wangenknochen wie eine Salzgurke.

Salt cucumber, sagt sie. Gibt es das überhaupt auf Englisch?

… geboren am 3. 12. 1972, wohnt in Hückelhoven …

Halt! Das ist sie aber nicht! Warum kann sie das nicht so laut ausrufen, wie sie möchte? Verdammt, das muss doch gehen!

Nun regen Sie sich aber mal schön ab, wir kommen ja gleich zu Ihnen!

Wer hat das gesagt? Der junge Mann da? Sie kann, glaubt sie, beide Augen gleichzeitig öffnen. Es geht ein bisschen schwer, irgendetwas scheint auf den Lidern zu liegen. Der junge Mann lächelt, aber das beruhigt sie kaum.

Das ist sie doch nicht! Sie ist vierzehn Jahre älter und wohnt doch nicht in Hückelhoven!

I don’t … I don’t …

Warum kommt sie nicht weiter mit dem Satz? Jetzt sagt der junge Mann den anderen Männern in blauen Kitteln, dass es beinahe so klinge, als ob sie englisch zu sprechen versuche, seit sie hin und wieder wach werde. Die Männer lachen. Sie sucht nach einer Frau. Hinter den Männern steht eine, aber die scheint mit irgendetwas beschäftigt zu sein.

Einer der Männer beugt sich über sie.

Können Sie mich hören?

Sie wird dem doch nicht sagen, ob sie ihn hören kann. Soll er ruhig weiter so brüllen.

Augen zu.

 

 

kathrin_schmidt
Kathrin Schmidt (Gotha, 12 maart 1958)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2006 en ook mijn blog van 13 oktober 2007 en ook mijn blog van 13 oktober 2008.

 

Uit: Weg van loze dromen 

 

„Een dodelijk sombere proloog

Het was in de herfst van een buitengewoon zomers jaar dat Lucien een Amsterdams allemanscafé binnen stapte en een dodelijk sombere monoloog afstak, eerst tegen een mooi meisje dat niet wilde luisteren, toen tegen een jongen met krullend haar en droevige ogen die alleen in ruil voor veel drank bereid bleek hem tot het uitzichtloze einde aan te horen. Het was de herfst die volgde op de herfst waarin de Berlijnse muur viel. De tussenliggende zomer was zo heet geweest dat de damp nog van de daken sloeg, alsof Nederland zojuist uit de oven was gehaald. Het was een monoloog die eerder Luciens beste vriend Jos Oldemonnikhof fataal was geworden en die nog veel en veel eerder romantische jongelingen uit Weltschmerz tot zelfmoord bracht. De monoloog had ook het leven van Sanne ingrijpend beïnvloed. Op een krakende stoel aan een tafeltje met een truttig rood-wit geblokt kleedje bracht Lucien plompverloren de beste van alle mogelijke werelden van de grote Duitse filosoof Leibniz ter sprake. Om het moeilijke gespreksonderwerp toch nog een beetje in overeenstemming te brengen met de volkse entourage, sprak hij de beroemde naam Amsterdams uit. Lààpnis. Dat was een voorbarige tegemoetkoming aan het vermeende intellectuele peil van zijn gesprekspartner want voor een werkende jongere bleek deze redelijk ontwikkeld te zijn. Hij had uit vrije wil boeken gelezen, wat lang niet alle studenten van zichzelf konden zeggen. Lucien putte er moed uit. `Als het alwetende onbewuste, God voor mijn part, zich een betere wereld had kunnen voorstellen, dan was die wereld er wel geweest,' zei hij tegen de argeloze krullekop. Daar viel geen speld tussen te krijgen. Het probleem was dat de best mogelijke wereld heel goed een puinhoop kon zijn vol verdriet en ellende. En als de best mogelijke wereld meer ongeluk dan geluk voortbracht, kon zij beter niet bestaan.“

 

 

Franke
Herman Franke (Groningen, 13 oktober 1946)

 

 

 

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008.

 

Uit: Satisfy My Soul

 

„Up ahead a herd of cattle toddle down a path. They moo and jostle as they splash into the ocher river, triggering the flowers on a tree festooned with Spanish moss to burst into a spray of screeching birds.

In theory this is stunning. But in Jamaica, an island that produces elemental drama daily, no one stops to look. Not the women spreading clothes on white boulders. Not the naked children swinging out on leafy vines. Not the men in trunks and soccer shorts who wade upstream, waist deep, empty bamboo rafts in tow, hunched against the current, delivering the vessels to the starting point for tips.

Fifteen feet away from us the captain of our raft is punting with a slender pole. The braided muscles in his back are coiling. His navy polo shirt is snug. Water tongues the grooves between the knuckled stems that form the hull. In essence we are sailing on a fence.

People are watching me. Waiting. A bead of perspiration stretches from my beard and bursts against my shirt.

Then as the captain steers around a bar of silt I find a question.

“Okay, Chadwick, on the night before you’re set to go to the gallows you get a set of choices. A last book. A last song. A last meal with any writer living or dead. And the chance to sleep with anyone in the whole wide world—a living anyone, of course.”

The producer on the raft beside us smiles and makes a fist. This is how she told me that she wants the show to be—arch and energetic.

I am a guest on Trapped in Transit, a travel show on A&E.

Each week on TIT, as all the members of the crew appear to call it, an odd couple chosen from the worlds of politics and entertainment take a journey: Howard Stern and Yasir Arafat canoeing in Mongolia. Martha Stewart and Biz Markie on a llama in Peru.

Chadwick is a congressman. If his reparations bill is passed, every black American will receive a million dollars in exchange for relocation to Liberia.

I’m a playwright and director whose grandfather moved to Harlem from West Africa in the twenties. Chadwick is fifty. I am thirty-eight. Chadwick is married. I will never be. He is a Republican. I like to call myself a negro. He is bald. My locks are wrapped around my head to form a turban.

His freckled cheeks are settling into jowls. His nose is sharp and owlish. He does not have an upper lip. His forehead lasts forever.

“I think I’d have a rack of lamb,” he answers. “And it is always hard for me to sleep without my wife. My favorite book has always been Heart of Darkness. Conrad is amazing. You should read him. I would dine with Rudy Kipling. As a boy in Oklahoma I felt connected to his stories . . . all the Indians. I know that our natives aren’t the same as Kipling’s Hindus, but I could still relate. As far as music is concerned I think I’d listen to Aretha Franklin. And you—you asked the question. What would you do?”

 

 

colinchanner
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

 

 

 

De Albanese dichter Migjeni (eigen. Millosh Gjergj Nikolla) werd geboren op 13 oktober 1911 in Shkodra. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008.

 

 

Autumn on parade

 

Autumn in nature and autumn in our faces.

The sultry breeze enfeebles, the glowering sun

Oppresses the ailing spirit in our breasts,

Shrivels the life trembling among the twigs of a poplar.

The yellow colours twirl in the final dance,

(A frantic desire of leaves dying one by one).

Our joys, passions, our ultimate desires

Fall and are trampled in the autumn mud.

 

An oak tree, reflected in the tears of heaven,

Tosses and bleeds in gigantic passion.

"To live! I want to live!" - it fights for breath,

Piercing the storm with cries of grief.

 

The horizon, drowned in fog, joins in

The lamentation. In prayer dejected fruit trees

Fold imploring branches - but in vain, they know.

Tomorrow they will die... Is there nowhere hope?

 

The eye is saddened. Saddened, too, the heart

At the hour of death, when silent fall the veins

And from the grave to the highest heavens soar

Despairing cries of long-unheeded pain.

 

Autumn in nature and autumn in our faces.

Moan, desires, offspring of poverty,

Groan in lamentation, bewail the corpses,

That adorn this autumn among the withered branches.

 

 

 

Vertaald door Robert Elsie

 

 

 

Migjeni
Migjeni
(13 oktober 1911 – 26 augustus 1938)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Arna Wendell Bontemps werd geboren op 13 oktober 1902 in Alexandria in Louisiana. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008.

 

 

Reconnaissance

 

After the cloud embankments,

the lamentation of wind

and the starry descent into time,

we came to the flashing waters and shaded our eyes

from the glare.

 

Alone with the shore and the harbor,

the stems of the cocoanut trees,

the fronds of silence and hushed music,

we cried for the new revelation

and waited for miracles to rise.

 

Where elements touch and merge,

where shadows swoon like outcasts on the sand

and the tried moment waits, its courage gone--

there were we

 

in latitudes where storms are born.

 

 

 

 

Length of Moon

 

Then the golden hour

Will tick its last

And the flame will go down in the flower.

A briefer length of moon

Will mark the sea-line and the yellow dune.

Then we may think of this, yet

There will be something forgotten

And something we should forget.

It will be like all things we know: .

A stone will fail; a rose is sure to go.

It will be quiet then and we may stay Long at the picket gate

But there will be less to say.

 

 

 

bontemps
Arna Wendell Bontemps (13 oktober 1902 – 4 juni 1973)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Conrad Richter werd geboren op 13 oktober 1890 in Pine Grove, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008.

 

Uit: The Trees

 

And still Worth wouldn't stop. Not till he had worked out his mind. He had to make a last splurge. This would be a mortal handy thing for a house, something you had to pay tax on if you had one down in Pennsylvania. He steadied the logs with wedges, marked them with a straight edge and chopped out a hole, dressing it smooth with axe and knife. Over the hole he plastered a few cross sticks and fast to the sticks the marriage paper the Conestoga dominie had given them. Worth had always plagued Jary for lugging such a useless thing around with her. But now that he greased it with bear's oil, he reckoned it might be of some account. It let the sun through like glass. Oh, then it was a sight to see in that dark cabin, a window light blazing up like it was a fire and making all the cubbyholes and corners plain as outside till you could see the marks the barkworms left on the logs.”

 

 

richter
Conrad Richter (13 oktober 1890 – 30 oktober 1968)

 

13-10-08

Herman Franke, Migjeni, Colin Channer, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2006 en ook mijn blog van 13 oktober 2007.

 

Uit: Zoek op liefde

 

‘Er zit een enorme mol in de tuin,’ zei zijn zusje die avond. Maar niemand luisterde naar haar want de kamer zat vol met ooms, tantes, buren en politiemensen die zich keer op keer in steeds weer andere bewoordingen  afvroegen waar de jongen gebleven kon zijn.

    ‘Het heeft vast met die vlekken te maken,’ snikte zijn moeder maar zijn vader meende stellig dat je van de zenuwen niet vermist kon raken.

    ‘Dan is het eind zoek,’ zei hij. Niemand vroeg hem wat hij daar mee bedoelde.

    Pas de volgende dag onderzocht een politieman de grote molshoop in de tuin. Hij ontdekte een diepe gang waar met gemak de speurhond doorheen kon die hij eerst aan oude kleren van de jongen had laten ruiken. Na enkele minuten kwam deze hond  boven met een onderarm die aan de ene kant zo puntig was als een pijl en die aan de andere kant de vorm had van een graafschepje. Even later legde de hond nog zo’n onderarm neer voor de voeten van de wit weggetrokken politieman. Onderzoek zou uitwijzen dat het inderdaad de onderarmen waren van de verdwenen jongen. Maar hoe goed men die dag en de dagen daarna ook zocht, meer lichaamsdelen werden niet gevonden. Op het houten kruis dat zijn vader en moeder op de plek van de lugubere vondst plaatsten, verschenen precies een jaar na zijn verdwijning bloedrode vlekken die wegtrokken zodra de zon onderging. Buurtgenoten zagen er een wonder van God in, een waarschuwing aan de zondige wereld, en ze vertelden het door. Al gauw kwamen er dagelijks tientallen mensen die voor het kruis op hun knieën zonken en hun zonden beleden of voor de gezondheid van zichzelf en hun geliefden baden…. dus toen ik in die bokstent om me heen ‘dood, dood, dood’ hoorde roepen, liet ook ik me voor het kruis op de grond vallen en vroeg aan God mijn vader te sparen. Ik beloofde nooit in mijn leven geweld te zullen gebruiken als Hij ervoor zou zorgen dat mijn vader straks heelhuids de bokstent kon verlaten.“

 

 

Franke_2
Herman Franke (Groningen, 13 oktober 1946)

 

 

 

 

 

De Albanese dichter Migjeni (eigen. Millosh Gjergj Nikolla) werd geboren op 13 oktober 1911 in Shkodra. Na de servisch talige basisschool in zijn geboorteplaats bezocht hij het Sveti Jovan seminarie in Bitola (Toen Joegoslavië, nu Macedonië). Daar leerde hij o.a. Frans, Russisch, Grieks en Latijn. Toen hij was teruggekeerd naar Albanië gaf hij zijn plan om priester te worden op en werd leraar. Hij begon toen ook gedichten en proza in de Albanese taal te schrijven. Migjeni kreeg tbc en zoch tevergeefs genezing in Torre Pellice in Noord-Italië. Toen hij stierf was hij pas 26 jaar. Tijdens zijn leven werd een gedichtenbundel Vargjet e Lira (Vrije Verzen) gedrukt in Tirana, maar even later ook weer door de autoriteiten verboden. Ondanks zijn kleine oeuvre wordt hij in Albanië nog steeds gewaardeerd.

 

 

 

Song of Youth

 

Sing, youth, the loveliest song you know!
Sing the song that seethes within your breast,
Let your joy burst forth in passion...
Don't hold back your song! Let it soar.

 

Sing your song, youth. I beg you sing...
Let it seize you, kiss you, inspire you to love
With youthful ardour... Let the foaming wave of feelings
Which your song arouses surge over us.

 

Sing your song, youth, and laugh like children!
Let the sound of your voice rise to the heavens
And echo back to us again, from the envious stars.

 

For we adore you, as we adore the sun.
Sing, youth! Sing your joyful song!
Laugh, youth, laugh! The world is yours.

 

 

 

 

Broken Melody

 

Broken melody -- tear sparkling in the eye
Of a woman loved...
Please past,
Jewel lost,
A trampled dream
Lips unkissed
In the broken melody.

 

With silent sobs the naked shoulders shake,
Their whiteness dazzling...
Stabbed, stabbed with remorse
For the moments of mindlessness,
For her ruined fate,
For the happiness lost
In the broken melody.

 

Face hidden in her hands in shame,
Remorsefully the woman weeps,
With heart despairing
(A broken guitar,
A voice stifled
On lips kissed by pain
In the broken melody).

 

Silent he stands beside the woman weeping
Scolding tears of shame
That dim her eyes.
Some money on the table quickly lays
And goes away,
Leaving the woman lost
In the broken melody.

 

But when another comes, lust mounts again,
The heated blood
Pounds furiously through the veins,
Benumbing mind
... and only gasps
And grants are heard
In the horrid melody.

 

 

Vertaald door Robert Elsie

 

 

 

migjeni
Migjeni
(13 oktober 1911 – 26 augustus 1938)

 

 

 

 

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Hij begon op zijn middelbare school met het schrijven van liefdesgedichten en brieven die hij voor een dollar per stuk verkocht aan zijn mannelijke medeleerlingen. De gedichten kostten trouwens vijftig cent meer. In 1982 verhuisde hij naar New York om journalist te worden. Hij haalde een B.A. in Media Communications aan CUNY Hunter College. Na drie jaar in Atlanta gewerkt te hebben kwam hij in 1991 terug in New York en begon hij zijn eerste roman te schrijven. Ook schreef hij korte verhalen en een elevisiespel, zonder de garantie dat iets ervan gepubliceerd zou worden. De roman verscheen uiteindelijk in 1998 als Waiting In Vain en werd uitverkoren als de Critic’s Choice door The Washington Post. Een van zijn korte verhalen groeide uit tot zijn tweede roman Satisfy My Soul uit 2002. In 2004 verscheen de verhalenbundel Passing Through.

 

Uit: Waiting in Vain

 

„On the day he met Sylvia, Fire woke up in Blanche's arms with a numbness in his soul. It was his ninetieth day of celibacy, and the night before had almost been his last, for Blanche had tied his wrists in his sleep and mounted him.

He wanted to talk to her but didn't know how. Couldn't decide how to do it without losing his temper or his pride. He searched the room for answers--the arched windows . . . the rattan chairs . . . the hardwood floors with the swirling grain . . .

The mattress stirred. He heard the strike of her match. Felt the heat. And the tidal pull of her lips. She was naked, and the urgency of smoking did not disturb her breasts, hard and still like turtles.

A lizard crawled from the windowsill to the peak of the angled ceiling and slid down the pole of the old brass fan whose blades were sheathed in straw. It flicked its tongue and wagged its head, shook loose a fold of skin and puffed a red balloon.

Fire watched it closely, enchanted by its beauty; Blanche sucked her teeth and said it was a nuisance. He didn't answer, and she began to taunt it, choking it with rings of smoke till it arched its back and sprang. It fell on her belly with a thwack and did a war dance on her birthmark, a swatch of brown below her navel. She watched it for a while, amused by its bravery, then whipped her body sideways, shimmering the flesh on her hips, and spilled the lizard to the floor.

Fire closed his eyes.

Last night he'd dreamed that they'd wallowed in a muddy ditch in a sunflower field. Her belly was wet with almond oil and her nipples were gummed with molasses. A believer in fate and the wisdom of dreams, he'd been dreaming of molasses for months now. Blanche was not the woman, though. He was sure. And denial was a way of preparing for her . . . whoever she might be.

Blanche watched as he rose, snatched glances as he dressed. He was tall and rangy. His hair was a cluster of twists and curls. His body looked like a pencil sketch, proportioned but not detailed, except in the chest and upper back.

He went to the terrace and sat in a rocker beneath a brace of ferns, which rustled and fluttered like moody hens. The land cruised away below him, drained through an orchard to an old stone fence, then plunged in an avalanche of crabgrass and buttercups to a terraced farm. Beyond the valley, surreal through the mist, was the broad, flat face of Kingston.

He took a mango from a bowl and peeled it with his teeth. What would he say to her? How would he say it? She was singing in the shower now. He imagined her body--the swell of her thighs, the rise of her ass. And, of course, her breasts. When would he say it? Soon, he thought . . . but not right now.

Resting the fruit on a stack of books, he picked up the poem he'd begun the day before.

I dare not love you as you deserve.

It is not that I don't know how.“

 

 

channer1
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Arna Wendell Bontemps werd geboren op 13 oktober 1902 in Alexandria in Louisiana. Toen hij drie was verhuisde zijn familie naar Los Angeles. Hij studeer af aan het Pacific Union College en ging in 1923 naar New York om les te geven aan de Harlem Academy.  Als student was hij al begonnen met schrijven. Voor zijn belangrijke werk The Story of the Negro (1948) ontving hij de Jane Adams Book Award. Het beroemdste boek van hem is de roman novel God Sends Sunday uit 1931. Na een graad behaald te hebben in bibliotheekwetenschappen werkte Bontemps vanaf 1943 als bibliohecaris aan de Fisk University in Nashville. Door zijn werk leverde hij een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de Afrikaans-Amerikaanse literatuur. Bontemps was een vooraanstaand exponent van de Harlem Renaissance.

 

 

Southern Mansion


Poplars are standing there still as death
And ghosts of dead men
Meet their ladies walking
Two by two beneath the shade
And standing on the marble steps.


There is a sound of music echoing
Through the open door
And in the field there is
Another sound tinkling in the cotton:
Chains of bondmen dragging on the ground.


The years go back with an iron clank,
A hand is on the gate,
A dry leaf trembles on the wall.
Ghosts are walking.
They have broken roses down
And poplars stand there still as death.

 

 

 

 

 

Nocturne of the Wharves


All night they whine upon their ropes and boom
against the dock with helpless prows:
these little ships that are too worn for sailing
front the wharf but do not rest at all.
Tugging at the dim gray wharf they think
no doubt of China and of bright Bombay,
and they remember islands of the East,
Formosa and the mountains of Japan.
They think of cities ruined by the sea
and they are restless, sleeping at the wharf.


Tugging at the dim gray wharf they think
no less of Africa. An east wind blows
and salt spray sweeps the unattended decks.
Shouts of dead men break upon the night.
The captain calls his crew and they respond--
the little ships are dreaming--land is near.
But mist comes up to dim the copper coast,
mist dissembles images of the trees.
The captain and his men alike are lost
and their shouts go down in the rising sound of waves.


Ah little ships, I know your weariness!
I know the sea-green shadows of your dream.
For I have loved the cities of the sea,
and desolations of the old days I
have loved: I was a wanderer like you
and I have broken down before the wind.

 

 

 

 

arna_bontemps
Arna Wendell Bontemps (13 oktober 1902 – 4 juni 1973)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Conrad Richter werd geboren op 13 oktober 1890 in Pine Grove, Pennsylvania. Hij werd redacteur bij een plaatselijke krant toen hij negentien was. In 1911 verhuisde hij naar Cleveland, Ohio en werd hij de privé-secretaris van een welgestelde familie. Om gezondheidsredenen trok hij later naar Albuquerque, New Mexico. Enkele van zijn boeken, zoals The Sea of Grass en The Light in the Forest werden later verfilmd. Voor The Town kreeg hij in 1951 de Pulitzer Prize for Fiction.

 

Uit: The Light in the Forest

 

The boy was about fifteen years old. He tried to stand very straight and still when he heard the news, but inside of him everything had gone black. It wasn't that he couldn't endure pain. In summer he would put a stone hot from the fire on his flesh to see how long he could stand it. In winter he would sit in the icy river until his Indian father smoking on the bank said he could come out. It made him strong against any hardship that would come to him, his father said. But if it had any effect on this thing that had come to him now, the boy couldn't tell what it was.

For days word had been reaching the Indian village that the Lenni Lenape and Shawanose must give up their white prisoners. Never for a moment did the boy dream that it meant him. Why, he had been one of them since he could remember! Cuyloga was his father. Eleven years past he had been adopted to take the place of a son dead from the yellow vomit. More than once he had been told how, when he was only four years old, his father had said words that took out his white blood and put Indian blood in its place. His white thoughts and meanness had been wiped away and the brave thoughts of the Indian put in their stead. Ever since, he had been True Son, the blood of Cuyloga and flesh of his flesh. For eleven years he had lived here, a native of this village on the Tuscarawas, a full member of the family. Then how could he be torn from his home like a sapling from the ground and given to the alien whites who were his enemy!

The day his father told him, the boy made up his mind. Never would he give up his Indian life. Never! When no one saw him, he crept away from the village. From an oldcampfire, he blackened his face. Up above Pockhapockink, which means the stream between two hills, he had once found a hollow tree. Now he hid himself in it. He thought only he knew the existence of that tree and was dismayed when his father tracked him to it. It was humiliating to be taken back with his blackened face and tied up in his father's cabin like some prisoner to be burned at the stake. When his father led him out next morning, he knew everybody watched: his mother and sisters, the townspeople, his uncle and aunt, his cousins and his favorite cousin, Half Arrow, with whom he had ever fished, hunted and played. Seldom had they been separated even for a single day.“

 

 

conrad-richter-2-sized
Conrad Richter (13 oktober 1890 – 30 oktober 1968)

 

 

13-10-07

Herman Franke

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2006.

 

Uit: Waarom vrouwen betere lezers zijn

 

“Het zijn immers vooral vrouwen die de Nederlandse literatuur nog een beetje bijhouden. Zij zitten in leesclubs, zij bezoeken literaire avonden, zij kopen en krijgen de boeken. Vrouwen zijn de pijlers onder de literatuur. Mannen lezen haast geen romans meer, blijkbaar ook niet wanneer ze tot de intellectuele elite behoren, en dat proberen ze te rechtvaardigen door niet zichzelf maar de hedendaagse Nederlandse literatuur te diskwalificeren.
Maar die testosterone zurigheid wijst volgens mij op nog iets heel anders. Mijn schrijversvooroordeel is dat vrouwen (nee, natuurlijk niet alle vrouwen) veel artistieker, emotioneler en poëtischer lezen dan mannen. Ze zijn meer bereid met personages mee te leven. Mannen lezen meer op het betoog, de redenering, de boodschap, de kennis. Zo moet je essays lezen maar romans niet. Mannen zijn, veel meer dan vrouwen, de behoefte aan eigentijdse literatuur kwijtgeraakt. Zij (nee, natuurlijk niet alle mannen) missen de emotionele honger naar kennis van hoe medemensen, hoe tijdgenoten de werkelijkheid beleven, hun leven betekenis geven, relaties aangaan, hun eigen universum scheppen, de geschiedenis bezien, zich staande houden in het tetterende duizendeilandenrijk dat de westerse samenleving tegenwoordig is. Mannen lezen, als ze al lezen, om cultureel bij te blijven, om mee te kunnen praten op recepties waar geld en roem verdeeld worden. Dan blader je Rosenboom eens door, je koopt de nieuwe Mulisch of een boek van die spraakmakende, God noch gebod kennende Grunberg. Je gaat niet gedreven op zoek naar schrijvers die je wat te zeggen hebben, je leest romans niet met een open hart en een open geest om medemensen, ja lotgenoten te ontmoeten, te begrijpen of juist niet te begrijpen. Vrouwen doen dat volgens mij wel. Vrouwen lijken meer ook dan mannen op zoek naar wat er buiten de dominante mediawerkelijkheid van belang is in het leven. Daarom zijn vrouwen betere lezers dan mannen, afgezien natuurlijk van de mannen die als vrouwen lezen. Die zijn er gelukkig ook.”

 

 

hermanfranke
Herman Franke (Groningen, 13 oktober 1946)

 

20:39 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: herman franke, romenu |  Facebook |

13-10-06

Herman Franke

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Hij studeerde socologie en werd later hoofddocent aan Universiteit van Amsterdam. Franke ontwikkelde zich tot een vooraanstaand criminoloog, die vaak de publiciteit zocht. Halverwege de jaren negentig besloot Franke op het hoogtepunt van zijn criminologische carrière zich geheel aan de literatuur te wijden en zegde zijn baan aan de universiteit op. Hij had inmiddels twee romans (Weg van loze dromen en Nieuws van de nacht) geschreven. De verbeelding, zijn derde roman, zorgde in 1998 voor zijn doorbraak bij het grote publiek en leverde hem de AKO-literatuurprijs (in de periode 1997-1999 Generale Bank Literatuurprijs genoemd) op. Franke publiceerde in dagbladen, weekbladen en literaire bladen als Het oog in ’t Zeil, Maatstaf en Optima. Een aantal beschouwingen werd opgenomen in zijn bundel De tuinman en de dood van Diana (1999). In 2000 hield hij de achtste Kellendonklezing (De ironie van de romantiek). Inmiddels is hij een vaste auteur van De Revisor. Voor Cicero, de boekenbijlage van de Volkskrant, schrijft hij tweewekelijks een spraakmakende column en literaire essays. In 2004 verscheen een compilatie van zijn columns onder de titel Waarom vrouwen betere lezers zijn. Een jaar eerder publiceerde hij zijn omvangrijke roman Wolfstonen en in 2004 de bundel Notulen met ultrakorte verhalen. Van een bekend criminoloog werd hij een nog bekendere schrijver.

 

Uit: Wolfstonen

OUVERTURE

“Later zeiden ze dat het noodlot als een zwartgele, dreigende lucht boven de stad hing. Om drie uur ’s middags ging de straatverlichting al aan. Honden gromden klagerig, katten kropen weg, de vogels zwegen. In werkelijkheid, zij het een werkelijkheid die voorbij was, scheen die dag volop de zon. Op de rand van het platte dak was een vlag geplaatst maar er stond geen wind zodat het doek slap naar beneden hing, lusteloos vond een overbuurvrouw, maar dat was onzin, bedacht ze, want een vlag had geen gevoel, ook niet als een windvlaag haar af en toe opschrikte, alsof ze angstig droomde over een stormachtige dag waarop ze het klapperend wapperen en de schurende pijn van het rafelen niet kon stoppen.
De bouwondernemer vierde de oplevering met exquise hapjes en drankjes voor de genodigden en een kratje bier voor de mannen die de appartementen gemetseld en getimmerd hadden. Uit een bestelwagen schalde keihard de vibrerende stem van een volkszanger, meezingmuziek die hoorde bij de bruine cafés in de buurt.
Niemand zal zeggen dat ik nooit geen geluk heb gekend.
De buurtbewoners schudden hun hoofd omdat het geen gezicht was, die gele, strakgevoegde muren, die aluminium vensters en dat trappenhuis van staal en glas te midden van de negentiende-eeuwse roodstenen gevels met hun scheefgezakte kozijnen en bladderende voordeuren, die stuk voor stuk anders van kleur en vorm waren. Het gebouw had zich brutaalweg tussen de oude huizen gewrongen, meedogenloos afwijkend in bouwstijl en materiaalkeuze. Verderop in de straat spiegelden schotelantennes van immigranten zich in het verweerde glas van ouderwetse spionnetjes. Exotisch versierde vensters met rieten rolgordijnen lichtten er vaal op, pal naast de blinkend schone ramen met bloeiende geraniums en grillig geplooide vitrages van autochtone buurtbewoners. Achter sommige ramen brandde altijd, zelfs overdag, een verlicht gondeltje, roze of lichtblauw met goudkleurige randjes.
Mooi is, wat mooi bevonden wordt, dacht een dichterlijk type, hoe zeer hij ook vond dat Bach mooier was, altijd en overal mooier dan de smartlappen waarvan volkse mensen, starend naar hun verlichte gondeltjes, de tranen in de ogen kregen.”

 

 

hermanFRANKE
Herman Franke (Groningen, 13 oktober 1946)

 

22:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: herman franke |  Facebook |