11-07-16

Jhumpa Lahiri, Herman de Man, Helmut Krausser, Giuseppe Bonaviri, Henri Coulonges, Marjan Berk

 

De Amerikaanse schrijfster Jhumpa Lahiri Vourvoulias werd geboren op 11 juli 1967 in Londen. Zie ook alle tags voor Jhumpa Lahiri op dit blog.

Uit: Unaccustomed Earth

“After her mother's death, Ruma's father retired from the pharmaceutical company where he had worked for many decades and began traveling in Europe, a continent he'd never seen. In the past year he had visited France, Holland, and most recently Italy. They were package tours, traveling in the company of strangers, riding by bus through the countryside, each meal and museum and hotel prearranged. He was gone for two, three, sometimes four weeks at a time. When he was away Ruma did not hear from him. Each time, she kept the printout of his flight information behind a magnet on the door of the refrigerator, and on the days he was scheduled to fly she watched the news, to make sure there hadn't been a plane crash anywhere in the world.
Occasionally a postcard would arrive in Seattle, where Ruma and Adam and their son Akash lived. The postcards showed the facades of churches, stone fountains, crowded piazzas, terra-cotta rooftops mellowed by late afternoon sun. Nearly fifteen years had passed since Ruma's only European adventure, a month-long EuroRail holiday she'd taken with two girlfriends after college, with money saved up from her salary as a para-legal. She'd slept in shabby pensions, practicing a frugality that was foreign to her at this stage of her life, buying nothing but variations of the same postcards her father sent now. Her father wrote succinct, impersonal accounts of the things he had seen and done: "Yesterday the Uffizi Gallery. Today a walk to the other side of the Arno. A trip to Siena scheduled tomorrow." Occasionally there was a sentence about the weather. But there was never a sense of her father's presence in those places. Ruma was reminded of the telegrams her parents used to send to their relatives long ago, after visiting Calcutta and safely arriving back in Pennsylvania.
The postcards were the first pieces of mail Ruma had received from her father. In her thirty-eight years he'd never had any reason to write to her. It was a one-sided correspondence; his trips were brief enough so that there was no time for Ruma to write back, and besides, he was not in a position to receive mail on his end. Her father's penmanship was small, precise, slightly feminine; her mother's had been a jumble of capital and lowercase, as though she'd learned to make only one version of each letter. The cards were addressed to Ruma; her father never included Adam's name, or mentioned Akash. It was only in his closing that he acknowledged any personal connection between them. "Be happy, love Baba," he signed them, as if the attainment of happiness were as simple as that.”

 

 
Jhumpa Lahiri (Londen, 11 juli 1967)

Lees meer...

11-07-15

Jhumpa Lahiri, Pai Hsien-yung, Herman de Man, Helmut Krausser, Giuseppe Bonaviri, Kurt Klinger, Henri Coulonges

 

De Amerikaanse schrijfster Jhumpa Lahiri Vourvoulias werd geboren op 11 juli 1967 in Londen. Zie ook alle tags voor Jhumpa Lahiri op dit blog.

Uit: The Lowland

“Normally she stayed on the balcony, reading, or kept to an adjacent room as her brother and Udayan studied and smoked and drank cups of tea. Manash had befriended him at Calcutta University, where they were both graduate students in the physics department. Much of the time their books on the behaviors of liquids and gases would sit ignored as they talked about the repercussions of Naxalbari, and commented on the day’s events.
The discussions strayed to the insurgencies in Indochina and in Latin American countries. In the case of Cuba it wasn’t even a mass movement, Udayan pointed out. Just a small group, attacking the right targets.
All over the world students were gaining momentum, standing up to exploitative systems. It was another example of Newton’s second law of motion, he joked. Force equals mass times acceleration.
Manash was skeptical. What could they, urban students, claim to know about peasant life?
Nothing, Udayan said. We need to learn from them.
Through an open doorway she saw him. Tall but slight of build, twenty-three but looking a bit older. His clothing hung on him loosely. He wore kurtas but also European-style shirts, irreverently, the top portion unbuttoned, the bottom untucked, the sleeves rolled back past the elbow.
He sat in the room where they listened to the radio. On the bed that served as a sofa where, at night, Gauri slept. His arms were lean, his fingers too long for the small porcelain cups of tea her family served him, which he drained in just a few gulps. His hair was wavy, the brows thick, the eyes languid and dark.
His hands seemed an extension of his voice, always in motion, embellishing the things he said. Even as he argued he smiled easily. His upper teeth overlapped slightly, as if there were one too many of them. From the beginning, the attraction was there.”

 

 
Jhumpa Lahiri (Londen, 11 juli 1967)

Lees meer...

11-07-14

Willie Verhegghe, Pai Hsien-yung, Herman de Man, Helmut Krausser

 

 

Bij de Tour de France

 

 

 
             François Faber                                Octave Lapize                             Lucien Petit-Breton

 

 

Les vrais héros du Tour

Ze zijn met velen, de helden van de Tour
die nu al honderd maal dit gezegend heidens land
van bloedrode wijnen en vrouwelijke wellust
met hun overvloedig rennerszweet besprenkelen,
zout wijwater uit kervend fietslabeur geboren.
Ik groet hen nederig, doe mijn petje voor hen af en
schrijf hun namen sierlijk in een goudgeel boek.
Maar zij die in Parijs ooit de ultieme lauwerkrans
om hun scherpgekoerste kop hebben gevoeld en
daarna in de Grote Oorlog met kogels en schrapnels
uit het rijk van de waanzin werden weggestuurd
zijn mij lief als waren ze mijn vaders.
De gesneuvelde klanken van hun namen stijgen op
uit verlaten graven waar geen bloemenkrans op rust,
heel even nog buigen Alpen- en Pyreneeëncols
hun stenen hoofd en daarna niets meer, vanaf 1919
ging alle Tourgeweld opnieuw zijn gewone gang
van vallen en weer opstaan en creëerden kranten
elk jaar ondoordacht en nonchalant hun nieuwe helden.
Ik denk hier piëteitsvol aan piloot Octave Lapize
die als een fazant uit de lucht geschoten werd,
aan Lucien Petit-Breton die met een legerauto
in een laatste dodenrit over stukgeschoten Franse wegen reed.
Maar de Reus van Colombes, Francois Faber, blijft
met zijn geronnen bloed en een kogelgat in het hoofd
het scherpst op mijn gescheurd netvlies gevangen:
toen hij een gekwetste makker wou ontzetten
werd hij barbaars met de heldendood beloond,
de uitgedroogde en verwelkte zegebloemen van Parijs
liggen kleurloos op zijn groot en stilgevallen hart.

 

 
Willie Verhegghe (Denderleeuw, 22 juni 1947)

 

Lees meer...

11-07-13

Jean Nelissen, Jan Siebelink, Pai Hsien-yung, Herman de Man

 

Bij de Tour de France

 

 

 

Luis Ocaña, na een val in de Tour van 1971

 

 

 

Uit: De Bijbel Van De Tour De France (door Jean Nelissen)

 

“Een ronde waarin sommige renners tot idolen worden verheven, wier faam zelfs hun dood overleeft. Zoals Fausto Coppi, die op een bergtop in het gehucht Castellania ligt begraven, omringd door aarde van de beruchte col Izoard. Een Tour waarvan de geschiedenis is doordrenkt met dramatiek van de relatief talrijke winnaars die vermoord werden of zelfde dood zochten, zoals René Pottier, Ottavio Bottecchia, Henri Palissier, Hugo Koblet en Luis Ocana. Van oorsprong eenvoudige mannen met een aanvankelijk bescheiden verwachtingspatroon, die echter door hun sportieve successen in een andere wereld werden gekatapulteerd en er hun geestelijk evenwicht verloren. Dat is een van de gevaren van deelname aan de Tour. De verleiding om een sportheld te worden, de massa te ontstijgen, roem en rijkdom te vergaren, zal echter altijd sterker blijven.”

 

 

 

Jean Nelissen (2 juni 1936 - 1 september 2010)

 

 

 

Uit: Pijn is genot (door Jan Siebelink)

 

Jean Nelissen. Le vélo, c’est la vie.

 

“Grote hitte. De renner pakt zijn bidon. Drinkt. In die situatie zal Jean Nelissen als een literair motief altijd dezelfde woorden uitspreken: “Wie bij deze temperaturen niet drinkt, beste mensen…. Een lichaam kan niet zonder water…Weet je nog Mart, het was op 12 juli 1978, op het heetste van de dag, en Bernard Thévenet, die dat jaar de Tour zou winnen, stapte af bij een bergwand waarlangs water droop. Mensen, hij likte het op metr zij tong. Hij wilde het water er wel uitwringen. Zonder water begint een levend organisme niets…”

Het tere blauw van de ochtend, het waas over de Maasvallei, de van dauw doordrenkte velden, het wisselende spel van de wolken daarboven. Ik glimlachte in mijzelf, was al bezig met de pittoreske details waarom wielercommentator Jean Nelissen zo vermaard is, de wereld om mij heen te beschrijven. Ik was op weg naar zijn woonplaats Maastricht, en verkeerde in een lichte koortsachtige stemming. Er ligt voor mij altijd grote bekoring aan te komen op een onbekende plek. Nu kwam daar nog bij dat ik naar een man ging wiens stem mij zo vertrouwd voorkwam dat ik die uit duizenden zou herkennen, maar hoe zag die man eruit die bij die stem hoorde?

Die vraag had ik mij nooit eerder gesteld. Je kende zijn gezicht niet, in tegenstelling tot dat van zijn kompaan Smeets. Je wilde het ook niet weten. Zijn rustige, innemende, licht meridionale stem was voldoende. In die zijn heeft hij voor mij altijd tot het radiotijdperk gehoord.”

 

 

 

 

Jan Siebelink (Velp, 13 februari 1938)

Lees meer...

11-07-11

Pai Hsien-yung, Helmut Krausser, Giuseppe Bonaviri, Herman de Man, Kurt Klinger, Henri Coulonges

 

De Taiwanees-Amerikaanse schrijver Pai Hsien-yung werd geboren op 11 juli 1937 in Guilin, Guangxi in China. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007 en ook mijn blog van 11 juli 2009 en ook mijn blog van 11 juli 2010.

 

Uit: Crystal Boys (Vertaald door Howard Goldblatt)

 

„Little Jade, Mousey, and Wu Min were sitting around the table eating and arguing about something. The sight of the food reminded me that I was hungry. Might as well eat something before going to the hospital.When Little Jade saw me he pointed and laughed:

“Here comes another one! What’ll we call him? How about a carp fairy!”

Mousey and Wu Min laughed.

“What the hell is that supposed to mean?” I sat down and slid Little Jade’s bowl and chopsticks over. I quickly shoveled some rice into my mouth. “I think you’re a fox fairy!”

Mousey jumped up and pointed at Little Jade.

“See there, Wu Min and I said you were a fox fairy, but you didn’t believe us. Now it’s unanimous!”

“Okay, okay, then I’m a fox fairy,” Little Jade said as he thumped his chest. “You’re a rat fairy.

And you,” he pointed at Wu Min, “you’re a rabbit fairy.” Then he turned to me. “You’re a carp fairy, the chief’s an old tortoise fairy, and A-xiong’s a gorilla fairy . . . so our ‘den of fairies’ has one of every kind.

Tonight if people come over to gawk at the fairies, we’ll sell tickets at a hundred yuan apiece. If they look too long it’ll be another hundred. That way we won’t have to sell booze to stay in business.” Little Jade snatched Mousey’s chopsticks out of his hand, banged them against the side of his bowl, and sang the children’s song “Two Little Tigers” with new words:

 

Four little fairies

Four little fairies

 

All the same height

All the same height

 

This one has no pecker

That one has no nuts

 

Isn’t that wonderful

Isn’t that wonderful

 

We laughed like crazy and joined in the next chorus of our “Fairy Song.”

 

 

 


Pai Hsien-yung (Guilin, 11 juli 1937)

Lees meer...

11-07-09

Pai Hsien-yung, Helmut Krausser, Giuseppe Bonaviri, Herman de Man, Kurt Klinger, Henri Coulonges, Luis de Argote y Góngora, Léon Bloy, Marjan Berk, Johanna Schouten-Elsenhout, Richard Beer-Hofmann, Jean-François Marmontel


De Taiwanees-Amerikaanse schrijver Pai Hsien-yung werd geboren op 11 juli 1937 in Guilin, Guangxi in China. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007.

 

Uit: Jongens van glas (Vertaald door Mark Leenhouts)

 

Ik moest weg zijn voor hij thuiskwam, om een confrontatie te vermijden. Voor ik ging liep ik nog even door de kamer van Broertje en mij. Zijn beddengoed was weg, er stond alleen een leeg bamboe bed. Het mijne was nog opgemaakt, met matje en kussen. Op het kussen lag zelfs nog mijn schooluniform, netjes opgevouwen. Mijn kleren, schoenen, sokken, boeken en schrijfgerei, alles lag nog op zijn plaats, alleen was de hele kamer bedolven onder een dikke laag stof, alsof er al maanden niet was schoongemaakt. Ik nam niets mee, deed de kamerdeur dicht en verliet het huis. Buiten sloegen zwiepende regenvlagen in mijn gezicht, dat tintelde van de pijn. Tegen de wind in liep ik de steeg uit, sneller en sneller, tot ik begon te rennen, net als toen. Aan het einde van de steeg keek ik om, opeens voelde ik mijn neus prikken en ten slotte begonnen de tranen te stromen. Dit keer ervoer ik pas echt hoe vreselijk het was om van huis weg te lopen.“

 

 

 

 

Pai_Hsien-yung
Pai Hsien-yung (Guilin, 11 juli 1937)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Helmut Krausser werd geboren op 11 juli 1964 in Esslingen am Neckar. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007 en ook mijn blog van 11 juli 2008.

 

 

 

 

Das Leben ist nur einen Traum weit weg.

Ich müßte träumen, daß ich träume, um

in ihren Armen zu erwachen, ohne

Angst, ein Lidschlag könne das beenden.

Sie redet, wie ein Blatt vom Baum zur Erde

schaukelt. Lacht, als suchten Stürme unter

allen Blättern das, worauf ein Gott sich

den Sinn des Suchens überhaupt notiert

und weggeworfen hat. Es gibt nichts mehr

zu suchen, sie ist hier und sagt: Vergiß,

was nichts zur Sache tut, die Namen, in den

Stamm geritzte Wunden. Alles heilt, sei

stolz auf mich und halt mich fest, erzähl

uns nicht, die Worte sind noch ungeboren.

Triff mich im Unendlichen und schweig.

Dann komm ich dir so nah wie nichts zuvor.

 

 

 

 

Wiedergutmachung

 

Grabräuber gaben zu Protokoll,

sie hätten die Pharaonengrüfte

geplündert in einer einzigen Nacht,

Edelsteine aus den Geschmeiden

mit Messern gestemmt, das Gold

im Uferfeuer geschmolzen,

hölzerne Sarkophage in

Brand gesteckt und brennend

den Nil nordwärts treiben lassen.

Sei sehr schön gewesen, das.

 

 

 

 

 

 

Helmut_Krausser
Helmut Krausser (Esslingen am Neckar, 11 juli 1964)

Foto: Lutz Hagestedt

 

 

 

 

 

De Italiaanse dichter en schrijver Giuseppe Bonaviri werd geboren in Mineo op 11 juli 1924. Bonaviri studeerde in Catania geneeskunde en werkte als cardioloog in Frosinone bij Rome. Zijn eerste roman, Il sarto della stradalunga, werd in 1954 gepubliceerd. In 2000 werd hij genomineerd voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Hij publiceerde 9 romans en vele gedichten- en verhalenbundels. Hij kreeg diverse onderscheidingen, w.o. de Premio Elio Vittorini. Giuseppe Bonaviri overleed op 21 maart van dit jaar.

 

 

Uit: Die blaue Gasse (Vertaald door  Annette Kopetzki)

 

“In jenen Tagen tauchte in unserem Viertel ein alter Mann auf, den wir Mastro Ciccio Pisciacane nannten. Er trug eine zerrissene Jacke und Schuhe mit löchrigen Sohlen, lebte von Almosen oder vom Verkauf selbstgebundener Kränze und schlief unter den Brücken, die manche Straßen im Ort miteinander verbanden. Oder er wurde in einem catoio beherbergt und durfte neben dem Esel schlafen, wenn draußen der Wind pfiff, der aus Schluchten, Abgründen und Gräben aufstieg.

Da keiner genau wußte, woher er kam, wer er war und ob er womöglich übers Meer gefahren war, um nach Sizilien zu gelangen, hatten sich Legenden um ihn gebildet.

Linuccia Osario mit den sehr lebhaften Augen sagte zum Beispiel, daß der Alte ein Heiliger sei. Er wolle die Menschen erretten, die sich dem Verfall und der Sünde ergeben hätten. Da er über neunzig Jahre alt war, vergaß er manchmal, wer er war, und fragte uns: «Heda, ihr kleinen Wichte, wißt ihr, wer ich bin? Erinnert ihr euch daran?» Er hatte nur noch zwei Eckzähne und wenige, gräßlich schwarze Backenzähne, er trug einen kleinen, gelben Hut und sehr schmutzige weiße Handschuhe.

Zu der Zeit hatte ich mir vorgenommen, eine Quelle zu suchen, die sich meiner Meinung nach in der Gegend des Trezzito oder auf dem Querceto befinden mußte und wahrscheinlich kühl und frisch in einer Höhle entsprang. Ich war überzeugt, dieses Wasser würde uns, wenn wir es auffingen und über unser Glied strömen ließen, mit seinem unablässigen Aufschäumen einen immensen sinnlichen Genuß bereiten. Pino Lauria jedoch entgegnete, dies sei das Wasser, aus dessen winzigen hervorquellenden Wellen Gott entstehe.

«Du denkst immer nur an die körperlichen Freuden», fügte er hinzu.

Egal – gemeinsam hatten wir, Turi Simili, Nico Giostra, Santo Cunsolo, Kòlovoz und auch Pino Lauria, der zum Zeichen der Trauer am linken Jackenärmel eine schwarze Stoffbinde trug, beschlossen, in die Wälder von Trezzito zu gehen. Doch die Anwesenheit des Alten weckte unsere Neugierde und lenkte uns von dem Vorhaben ab. Don Ciccio war ein sonderbarer alter Mann, recht schrullig. Wenn er zum Beispiel Wasser lassen mußte, ging er zu einem Hund und bespritzte ihn mit seinem Urin. Darum wurde er Pisciacane, «Hundepisser», genannt.

Ein plötzlicher trüber Aufruhr in seinen Gedanken trieb ihn, stillende Mütter zu fragen, ob sie ihn ihre Milch saugen lassen würden.

Er würde ihnen dafür Kränze aus Lorbeerzweigen, aus biegsamem Olivenlaub oder den dichten Blättern der Myrte, aber auch Fächer aus Schilfrohr und Flußbinsen geben. Er machte sogar welche aus den winzigen Blüten der Feige.”

 

 

 

 

bonaviri
Giuseppe Bonaviri (11 juli 1924 - 21 maart 2009)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Herman de Man (eig. Salomon Herman (Sal) Hamburger) werd geboren in Woerden op 11 juli 1898. Hij groeide op in de Lopikerwaard en omgeving. Zijn ouderlijk gezin woonde achtereenvolgens in Woerden, Benschop, Oudewater en Gouda. Veel van zijn latere romans zijn gesitueerd in de plaatsen, waar hij opgroeide. Ook zijn roman Het wassende water, waarvan de dertigste druk in 1991 verscheen, is gesitueerd in de Lopikerwaard. Het boek verkreeg mede doordat de NCRV er in 1986 een achtdelige TV-serie van maakte, ruime bekendheid: zes miljoen kijkers bekeken in dat jaar deze serie. De serie werd daarna meerdere malen herhaald, voor het laatst in 2009.

 

Uit: Weideweelde

 

“De woeste wind hield de regen hoog. Soms vielen enkele verwaaide droppen die lekker over hun wangen striemden, maar 't mocht geen naam van regen hebben. Ze zagen nog juist dat het Vechtwater hoog tegen de wallen opdeinde, ze vlogen langs een vernielde roeiboot die half op 't droge lag geslingerd, maar wijderop boog de rivier links af, want ze reden recht op Nederhorst den Berg aan. Daggelderswijven langs den dijk, de rokken stijf tegen de beenen gesloten, hadden allerlei dingen buiten te doen. Ze wilden natuurlijk in den zomerwind zijn, ze gilden naar elkander en grepen zich vast aan hekken en palen; haren woeien uit en petten woeien weg, rokken klepperden, takken zweepten. Rrang, daar woei de gek van een dak en kletterde op de steenen. De wind greep in de brokkelige rietdaken en wierp bossen vol groengeweerd dakriet neer, sleepte blanke lappen onderriet mee, die eerst nog rukkend weerstand boden om dan wijduitwaaierend neer te dalen, draalend, en duiklend al naar believen van den moedwilligen zomerstorm. Al het etgras lag plat tegen de wereld, zelfs de bonte blommen in de voortuintjes bij de boeren hadden kwaaie zaak met dien wind. En een regen, neen een bekogeling van appels en peren en ander fruit geschiedde in de boogerden waar ze langs reden. Ze zagen het niet. Ze zagen trouwens niets meer dan wind. De wind zat in àl hun zintuigen; ze roken, hoorden, zagen en proefden en voelden den wind...”

 

 

 

 

deMan
Herman de Man (11 juli 1898 - 14 november 1946)

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en criticus Kurt Klinger werd geboren op 11 juli 1928 in Linz. Vanaf 1953 studeerde hij germanistiek en filosofie in Wenen. Daarna werkte hij meer dan twintig jaar als dramaturg. Vanaf eind jaren zeventig was hij zelfstandig schrijver. Hij werkte bovendien als uitgever en redacteur van het tijdschrift Literatur und Kritik. Behalve gedichten en romans schreef hij ook hoorspelen en toneelstukken. Ook schreef hij voor film en televisie.

 

 

Vita

Aus einem Land, in dem ich nicht leben kann
in ein Land, in dem ich nicht leben möchte
in ein Land, in dem man das Leben nicht liebt.
Über drei Grenzen hinweg, einen Wall und über ein Weltmeer
in ein Land, in dem das Leben nicht lohnt
in ein Land, in dem niemand sein Leben begreift
in ein Land, in dem man sein Leben vergeudet
in ein Land, in dem Leben gefährlich ist.
Weiter zu großen und weiter zu kleineren Inseln
eingeschifft, verfrachtet, auf Kais abgestellt,
auf Handelsstraßen unter kriegerischen Flaggen
in ein Land, in dem man zu leben vergißt
in ein Land, in dem man das Leben nimmt
in ein Land, in dem man sein Leben verbüßt
in ein Land, das erst morgen zu leben beginnt.
Über drei Grenzen hinweg, einen Wall und über ein Weltmeer
zurück in das Land, in dem ich nicht leben kann
in das Land, in dem ich nicht leben will.

 

 

 

 

 

linz1
Kurt Klinger (11 juli 1928 – 23 april 2003)

Linz (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Henri Coulonges werd geboren op 11 juli 1936 in Deauville. Hij publiceerde in 1975 zijn eerste roman Les Rives de l'Irrawaddy, waarmee hij meteen succes oogste. Voor zijn tweede boek L'Adieu à la femme sauvage uit 1979 ontving hij de Grand Prix du roman de l'Académie française.

 

Uit: Six oies cendrées

 

Vous conviendrez, dom Mauro, qu'à votre âge on ne pouvait tout de même plus vous laisser grimper seul sur ces escabeaux glissants et instables... dit le père prieur en évitant de regarder son interlocuteur.

- Mais quoi ? répliqua avec indignation le vieux bibliothécaire. Je vous semble soudain si podagre ? Si impotent ? Si diminué ?

- Vous oubliez que vous venez d'avoir quatre-vingts ans, père ! Vous pourriez glisser et vous rompre les os au pied de ces rayonnages... Personne ne vous entendrait.

- Et alors, dom Gaetano ? Il y a pire mausolée que des murs tapissés de livres ! Cela me permettrait peut-être de continuer à étudier, là-haut... »

Un mince sourire vint éclairer le visage du père prieur.

« Sachez que nous tenons à vous garder encore longtemps parmi nous, dom Mauro ! répliqua-t-il avec élan. Ce que je vous demande en revanche, ajouta-t-il à voix plus basse tout en s'approchant de lui, c'est de ne pas trop morigéner le jeune frère Corrado. Vous risquez de le décourager, si ce n'est pas déjà fait... Nous voulions juste que vous ayez à votre disposition un jeune novice qui puisse vous soulager des tâches les plus astreignantes. »

Le vieux religieux se retourna avec vivacité.

« A ma disposition ! répéta-t-il sur un ton d'irritation. Mais justement, je ne veux disposer de personne, dom Gaetano... La vérité c'est que le père abbé m'a imposé ce jeune vaurien. Je vous fiche mon billet que ce n'est pas de la bonne graine de bénédictin.

 

 

 

 

HenriCoulonges
Henri Coulonges (Deauville, 11 juli 1936)

 

 

 

 

 

De Spaanse dichter Luis de Góngora y Argote werd geboren op 11 juli 1561 in Cordoba. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007 en ook mijn blog van 11 juli 2008.

 

 

Wil ik van de sterren leren

 

Wil ik van de sterren leren

waar gij, Tijd, gebleven zijt,

blijkt dat gij met hen verglijdt

zonder met hen terug te keren.

hoe kan ik uw loop traceren,

niemand houdt u immers bij?

Maar ach, wat verbeeld ik mij

dat gij telkens zijt vervlogen;

zij blijft, Tijd, steeds onbewogen

en slechts ik, ik ga voorbij.

 

 

 

Vertaald door G. J. Schoute

 

 

 

 

 

Tijd

 

Wil ik van de stenen leren

Waar gij, Tijd, gebleven zijt,

Blijkt dat gij met hen verglijdt

Zonder met hen terug te keren.

Hoe kan ik uw loop traceren,

Niemand houdt u immers bij?

Maar ach, wat verbeeld ik mij

Dat gij telkens zijt vervlogen;

Gij blijft, tijd, steeds onbewogen

En slechts ik ga voorbij.

 

 

 

Vertaald door Jean-Pierre Rawie

 

 

 

 

 

 

Gongora
Luis de Argote y Góngora (11 juli 1561 – 24 mei 1627)

Portret door Diego Velázquez

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Léon Marie Bloy werd geboren op 11 juli 1846 in Périgueux. Zie ook mijn blog van 11 juli 2006. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007 en ook mijn blog van 11 juli 2008.

 

Uit: Journal

 

« 1896, fevrier, 1er.

Si Zola était écrivain, -- ce que Dieu, j'en conviens, aurait pu permettre -- une ou deux pages lui eussent amplement suffi, depuis longtemps, pour empiler toute sa sécrétion intellectuelle. La petite couillonnade positiviste dont il s'est fait le Gaudissart n'est vraiment pas une Somme philosophique très-encombrante et peut aisément s'abriter sous n'importe quoi. Les quatre cents lignes nauséeuses que le Figaro nous étala, se réduisent en fin de compte à la trouvaille peu transcendante, à la truffe modeste que voici : Tout écrivain qui ne gagne pas d'argent est un raté. Je défie qu'on trouve autre chose.

Pauvre Verlaine au tombeau ! Dire pourtant que c'est lui qui nous a valu cette cacade ! Pauvre grand poète évadé enfin de sa guenille de tribulation et de péché, c'est lui que le répugnant auteur des Rougon-Macquart, enragé de se sentir conchié des jeunes, a voulu choisir pour se l'opposer démonstrativement à lui même, afin qu'éclatassent les supériorités infinies du sale négoce de la vacherie littéraire sur la Poésie des Séraphins. Il a tenu à piaffer, à promener toute sa sonnaille de brute autour du cercueil de cet indigent qui avait crié merci dans les plus beaux vers du monde

« -- Te voilà donc une bonne fois enterré ! semble-t-il dire. Ce n'est vraiment pas trop tôt. A côté de toi, je ressemblais à un vidangeur et mes vingt volumes tombaient des mains des adolescents lorsqu'ils entendaient tes vers. Mais, à cette heure, je triomphe. Je suis de fer, moi, je suis de granit, je ne me soûle jamais, je gagne quatre cent mille francs par an, et je me fous des pauvres. Qu'on le sache bien, que tous les peuples en soient informés, je me fous absolument des pauvres et c'est très-bien fait qu'ils crèvent dans l'ignominie. La force, la justice, la gloire solide, la vraie noblesse, l'indépassable grandeur, c'est d'être riche. Alors seulement on est un maître et on a le droit d'être admiré. Vive mon argent, vivent mes tripes et bran pour la Poésie ! Je suis le plus adorable génie des siècles ».

 

 

 

 

bloy
Léon Bloy (11 juli 1846
- 3 november 1917)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster en coumniste Marjan Berk werd geboren op 11 juli 1932 in Zeist als Marie-Janne van Baaren. Zie ook mijn blog van 11 juli 2008. en ook mijn blog van 11 juli 2007.en ook mijn blog van 11 juli 2006.

 

Uit: Boek voor Belle

 

“Ik beleefde dolle jaren in Zeist, ik heb flink gestapt, van alles geproefd en gegeten. Tot het op was. Veel geld, weinig geld: ik heb het allemaal meegemaakt. De talenten waren overboord gezet, ik ontmoette geen musici meer, alleen nog jongens waar ik mee ging stappen. Dan sla je geen noot meer raak. Het bracht me nergens en steeds weer op m’n kamertje terug.”

(…)

“Omdat zij zelf helemaal ging voor het wonder van de genezing, hadden we nooit over de dood gesproken. Ze had me wel beloofd dat ze zou aangeven wanneer het zover zou zijn.We hebben maar kort de tijd gehad de dingen te bespreken… “

 

 

 

 

 

Berk
Marjan Berk (Zeist, 11 juli 1932)

 

 

 

 

 

De Surinaamse dichteres Johanna Isidoro Eugenia Schouten-Elsenhout werd geboren in Paramaribo op 11 juli 1910. Zie ook mijn blog van 11 juli 2007.

 

 

 

Tears

 

Look!

Smoke comes

from my thin mosquito net.

Whence comes the fire?

A soft smile

is hidden

there where my blood

to water turns

to heat up my innermost.

Fix your eyes to the middle

of the fast-flowing stream:

my long, long tears

send out a message

to those of mine

far across on the other side,

that my breath

is almost stilled.

Not even a scribble is returned,

never.

Stay well then, my soft smile.

Fare thee well,

my long, long tears.

 

 

 

 

Schouten
Johanna Schouten-Elsenhout  (11 juli 1910 - 23 juli 1992)

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Richard Beer-Hofmann werd geboren op 11 juli 1866 in Wenen. Hij bezocht het gymnasium in Wenen en studeerde er daarna rechten. In 1890 maakte hij kennis met de schrijvers Hugo von Hofmannsthal, Hermann Bahr en Arthur Schnitzler met wie hij een leven lang bevriend zou blijven. Beer-Hofmann was vermogend genoeg om zich geheel aan het schrijven te kunnen wijden. In 1893 verscheen een bundel novellen (Das Kind, Camelias), gedichten volgden. In 1900 publiceerde hij de romanl Der Tod Georgs en in 1904 het drama Der Graf von Charolais.

 

 

Schlaflied für Mirjam

 

Schlaf mein Kind, schlaf, es ist spät -

Sieh wie die Sonne zur Ruhe dort geht.

Hinter den Bergen stirbt sie in Rot.

Du, weißt nicht von Sonne und Tod.

Wendest die Augen zum Licht und zum Schein.

Schlaf, es sind so viel Sonnen noch dein.

Schlaf mein Kind, mein Kind schlaf ein.

 

Schlaf mein Kind, der Abendwind weht.

Weiß man woher er kommt, wohin er geht?

Dunkel verborgen die Wege hier sind

Dir und auch mir und uns allen mein Kind.

Blinde so gehn wir und gehen allein.

Keiner kann keinem Gefährte hier sein.

Schlaf mein Kind, mein Kind schlaf ein.

 

Schlaf mein Kind, und horch nicht auf mich.

Sinn hats für mich nur und Schall ists für dich.

Schall nur wie Windes wehn, Wassergerinn,

Worte vielleicht eines Lebens Gewinn!

Was ich gewonnen gräbt man mit mir ein.

Keiner kann Keinem ein Erbe hier sein.

Schlaf mein Kind, mein Kind schlaf ein.

 

Schläfst du Mirjam, Mirjam mein Kind?

Ufer nur sind wir und tief in uns rinnt

Blut von Gewesnen, zu Kommenden rollts.

Blut unsrer Väter voll Unruh und Stolz.

In uns sind alle, wer fühlt sich allein?

Du bist ihr Leben, ihr Leben ist dein.

Mirjam mein Leben, mein Kind, schlaf ein.

 

 

 

 

 

 

beer-hofmann
Richard Beer-Hofmann (11 juli 1866 – 26 september 1945)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Jean-François Marmontel werd geboren op 11 juli 1723 in Bort-les-Orgues. Hij behoorde tot de encyclopedisten en was bevriend met Voltaire. In zijn wijsgerige roman Bélisaire uit 1767 verdedigde hij de ‘natuurlijke godsdienst’ en de verdraagzaamheid; het boek werd door de Sorbonne veroordeeld. Een ander beroemd werk van Marmontel, Les Incas uit 1777, de geschiedenis der Inca's in Peru, was wederom een pleidooi tegen vervolging van andersdenkenden.

 

Uit: Mémoires

 

„14 Juillet 1789. La Prise de la Bastille.

Dès que le grand pont fut baissé ( et il le fut sans qu'on ait su par quelle main ), le peuple se jeta dans la cour du château, et, plein de furie, il se saisit de la troupe des invalides. Les Suisses, qui n'étaient vêtus que de sarraux de toile, s'échappèrent parmi la foule; tout le reste fut arrêté. Élie et les honnêtes gens qui étaient entrés les premiers avec lui firent tous leurs efforts pour arracher des mains du peuple les victimes qu'eux-mêmes ils lui avaient livrées; mais sa férocité se tint obstinément attachée à sa proie.

Plusieurs de ces soldats, à qui on avait promis la vie, furent assassinés, d'autres furent traînés dans Paris comme des esclaves. Vingt-deux furent amenés à la Grève, et, après des humiliations et des traitements inhumains, ils eurent la douleur de voir pendre deux de leurs camarades. Présentés à l'Hôtel-de-Ville, un forcené leur dit : "Vous avez fait feu sur vos concitoyens; vous méritez d'être pendus, et vous le serez sur-le-champ." Heureusement les gardes françaises demandèrent grâce pour eux; et le peuple se laissa fléchir; mais il fut sans pitié pour les officiers de la place. De Launay, arraché des bras de ceux qui voulaient le sauver, eut la tête tranchée sous les murs de l'Hôtel-de-Ville. Au milieu de ses assassins, il défendit sa vie avec le courage du désespoir; mais il succomba sous le nombre. Delorme-Salbrai, son major, fut égorgé de même. L'aide-major, Mirai, l'avait été près de la Bastille. Pernon, vieux lieutenant des invalides, fut assassiné sur le port Saint-Paul, comme il retournait à l'hôtel. Un autre lieutenant, Caron, fut couvert de blessures. La tête du marquis de Launay fut promenée dans Paris par cette même populace qu'il aurait foudroyée s'il n'en avait pas eu pitié.

Tels furent les exploits de ceux qu'on a depuis appelés les héros et les vainqueurs de la Bastille. Le 14 juillet 1789, vers les onze heures du matin, le peuple s'y était assemblé; à quatre heures quarante minutes, elle s'était rendue. A six heures et demie on portait la tête du gouverneur en triomphe au Palais-Royal. Au nombre des vainqueurs qu'on a fait monter à huit cents, ont été mis des gens qui n'avaient pas même approché de la place.“

 

 

 

 

Marmontel_Roslin
Jean-François Marmontel (11 juli 1723 – 31 december 1799)

Portret door Alexandre Roslin

 

 

11-07-06

Léon Bloy / Herman de Man / Marjan Berk


Léon Marie Bloy werd geboren op 11 juli 1846 in Périgueux. Het visionaire genie van deze christelijke waarheidsfanaticus, van de “eeuwige bedelaar”, gelovige katholiek en strijdbare geest werd pas na zijn dood erkend en gewaardeerd. Bloy geldt als wegbereider van de “renouveau catholique”. De visionair Bloy, door de protestantse theoloog Walter Nigg “de blaffende hond van God” genoemd, geldt als een van de radicaalste critici van het verburgerlijkte Christendom aan het eind van de 19e eeuw. Als extatisch verheerlijker van de armoede verschijnt zijn positie nu, in de 21e eeuw, als de antithese tegen de vermaak –en consumptiemaatschappij.  Bloy stond als “nar in Christo” voor een naar het verleden gerichte utopie. Hij wilde terug naar het Oerchristendom en propageerde een radicale navolging van Christus in totale armoede.

 

 

Uit: Le Désespéré  

 

“_Quand vous recevrez cette lettre, mon cher ami, j'aurai achevé de tuer mon père. Le pauvre homme agonise, et mourra, dit-on, avant le jour.

 

Il est deux heures du matin. Je suis seul dans une chambre voisine, la vieille femme qui le garde m'ayant fait entendre qu'il valait mieux que les yeux du moribond ne me rencontrassent pas et qu'on m'avertirait_ quand il en serait temps.

 

_Je ne sens actuellement aucune douleur ni aucune impression morale nettement distincte d'une confuse mélancolie, d'une indécise peur de ce qui va venir. J'ai déjà vu mourir et je sais que, demain, ce sera terrible. Mais, en ce moment, rien ; les vagues de mon coeur sont immobiles. J'ai l'anesthésie d'un assommé. Impossible de prier, impossible de pleurer, impossible de lire. Je vous écris donc, puisqu'une âme livrée à son propre néant n'a d'autre ressource que l'imbécile gymnastique littéraire de le formuler.

 

Je suis parricide, pourtant, telle est l'unique vision de mon esprit ! J'entends d'ici l'intolérable hoquet de cette agonie qui est véritablement mon oeuvre, -- oeuvre de damné qui s'est imposée à moi avec le despotisme du destin ! “

 

 

 

 

 

Léon Bloy (11 juli 1846 -
3 november 1917)

 

"In Hoenkoop, achter den IJsselstroom, daar ligt een zware kruishoef met breede lage stalling, twee vijfroei's hooibergen, zomerhuis en open wagenschuur, te midden van het vette land. Water-Snoodt is die woning geheeten. Dat is het onbezwaard bezit van de oude vrouw Beijen, de weeuw van Rijk Beijen verscheiden, die al zijn baasjaren Hoofdingeland, later Heemraad van de Vereenigde Waterschappen is geweest."

Zo begint Het wassende water, het bekendste boek van de schrijver Herman de Man.
De Nederlandse schrijver Herman de Man (1898-1946) werd geboren in Woerden als Salomon Herman Hamburger. Zoals zijn werkelijke naam reeds verraadt waren de ouders van De Man joods.
Na de ulo in Oudewater ging Herman de Man werken in de textielzaak van zijn vader.
In 1916 verhuisde het gezin naar Gouda waar de vader van Herman een winkel in tweedehands huisraad begon.

Herman de Man debuteerde in 1922 met de roman "Aardebanden". De bekendste roman van Herman de Man is "Het wassende water" uit 1925. Hierin wordt de geschiedenis verteld van een boerenzoon, die strijdt tegen het water en tegen zijn dominante moeder. De roman werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en veel later voor de t.v. verfilmd. In 1938 werd zijn werk bekroond met de Tollensprijs.

In het eerste oorlogsjaar verliet Herman de Man zijn vrouw en kinderen. Aanvankelijk wilde hij naar Nederlands-Indië, maar via Lissabon kwam hij in Londen terecht, waar hij ging werken voor Radio Oranje. In 1943 kreeg hij de leiding over de Curaçaose Radio-Omroep. Na terugkomst in Nederland kreeg Herman de Man te horen dat zijn vrouw en vier kinderen in Duitsland waren vergast. De oudste zoon was in Frankrijk gefusilleerd.

De Man kon niet meer schrijven en werd directeur van een auto- en motorbedrijf in Eindhoven. Hij kwam om bij een vliegtuigongeluk op Schiphol in 1946.

 

 

 

Herman de Man
(11 juli 1898 – 14 november 1946)

 

Marjan Berk werd geboren op 11 juli 1932 in Zeist als Marie-Janne van Baaren. Op haar achttiende ging zij de verpleging in, maar drie jaar later werd ze toegelaten tot de toneelschool. Vele jaren was ze werkzaam bij cabaret (Lurelei), toneel, musical en televisie (rol als geesje Zoet in Oebele). Ze was in de jaren '60 ook presentatrice van een NTS-zondagmiddagprogramma "Monitor". Ook speelde ze een rolletje in Grijpstra & De Gier (mevrouw Grijpstra). Later ging ze zich toeleggen op het schrijven van boeken, verhalen en series voor radio en televisie. De meest bekende serie waarvoor ze het scenario schreef was Vrouwenvleugel, die van 1993 tot 1995 werd uitgezonden

 

Citaat:

 

"Het leuke van fietsen is, dat je dicht genoeg bij de grond zit om de kleinste bloemetjes goed te kunnen zien, maar hoog genoeg boven de wereld om een staat van onthechtheid te bereiken'. 

(In FietsActief, juni 2000)  

 

 

 

Marjan Berk
(Zeist, 11 juli 1932)