12-08-17

Dolce far niente, Justus van Maurik, Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Marcellus Emants, Naoki Higashida

 

Dolce far niente

 

 
Amsterdam, Gemeentearchief vanaf de Weesperzijde

 

Uit: Amsterdam bij dag en nacht

“Evenals 't licht zich 't allereerst aan den uitersten rand van den gezichteinder vertoont, zóó ontwaakt ook ‘het leven’, de bedrijvigheid het eerst aan den zoom der stad.'t Is nog donker op den Sloter- en Amstelveenschen weg en de Weesper- en Utrechtsche zijden dommelen in grauw en nevelig duister. Op Y en Amstel glinstert 't maanlicht nog over 't ijs of spiegelt in de wakken, maar van alle kanten komen reeds ‘de boeren’ naar Amsterdam; zij brengen voedsel naar de slapende stad; voor hen is 't reeds dag en werktijd.
Ziet! daar naderen ze van Sloten, uit de polders, van Ouwerkerk en van Amstelveen. Met wagens en karren komen ze aangereden, - de groenteboeren het eerst; zij brengen kool, wortelen, rapen en meer andere wintergroenten voor de groenmarkt en lokken de negotianten uit het warme bed, naar de Prinsengracht. Dáár komen de kinderen Israëls hun te gemoet; zij hebben den naam van ‘vroeg op te staan’ - maar ze doen 't ook in werkelijkheid. Als er wat te verdienen is zijn zij, met loffelijken ijver, bij de hand, vóór anderen; zij duwen hun handkar voort en - moeder de vrouw zit er in! Waarom zou ze niet rijden? 't Kost niets meer en straks zal ze nog genoeg moeten loopen, als ze haar groenten gaat uitventen, want ‘moeder’ loopt even hard met de savooie kool of rapen, als ‘vader’ met Hoornsche wortelen en uien.
Na de groenten, de melk.
De melkboeren komen iets later naar stad, maar toch zijn ze van vijf uur af al op weg, omdat tusschen vijf en zes uur de ‘tollen’ open zijn. Achter en naast elkander rijden ze voort tot aan het ‘Stuivertje,’ op den hoek van de Vondel- en Stadhouderskade; dáár wordt 's morgens vroeg en ook tegen den avond, de melkmarkt gehouden. Alles en iedereen is daar druk in de weer; vóór de klok zes uur heeft geslagen wordt in ‘het Stuivertje’ reeds geloofd en geboden, gebitterd en gegeten, gekibbeld en weer vrede gemaakt.
De opkoopers wachten in die herberg de boeren af en voorzien zich van de noodige hoeveelheid melk die zij, op hunne beurt weer, aan de ‘slijters’ over doen. Veel buiten-boeren gaan zelf met hun wagens de stad in en enkelen onder hen bedienen zelfs particulieren, die liever niet van de Amsterdamsche melk-inrichtingen koopen, omdat ‘hun boer’ geen duinwater in zijn melk doet. - Gelukkig dat de kikkersloten niet klappen!”

 

 
Justus van Maurik (16 augustus 1846 - 18 november 1904)
Amsterdam, Overtoom. Vanaf de Stadhouderskade tot ongeveer bij de Anna Vondelstraat werd de Overtoom tot oktober 1901 de Vondelkade genoemd. Justus van Maurik werd geboren in Amsterdam.

Lees meer...

12-08-16

Dolce far niente, Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Marcellus Emants, Naoki Higashida

 

Dolce far niente

 

 
Uitgeest

 

 

Uitgeester volkslied

Dorpstrouw
(Melodie: 'Aan het Noordzeestrand', Will Tura)

Waar de golfjes kabbelen langs het Buitenmeer,
zet de binnenvisser 's avonds fuiken neer,
Waar de witte zeilen over het water gaan,
en het riet blijft groeien, eeuwig af en aan,
Daar in 't groen verscholen, ligt mijn mooi Uitgeest,
stipje op de landkaart, telt voor mij het meest.

Waar de gele treinen rijden af en aan.
vol met mensen die naar huis of werk toe gaan,
Waar men al 100 jaren melksuiker maakt,
en iedereen in juli, naar de kermis raakt,
Tussen boterbloemen traag het melkvee graast,
daar ligt mijn Uitgeest, dorpje zonder haast.

Waar de hopen staan van geurig goudgeel hooi,
en de tuintjes pronken met hun bloementooi,
Waar de twee spitse torens naar de hemel gaan,
en vijf watermolens in de polder staan,
Waar 't Oude Regthuis staat op het dorpsplein,
daar ligt mijn Uitgeest, daar leef ik pas fijn.

Waar in koude winters ligt een sprei van sneeuw,
op zijn wijde wieken drijft de zilvermeeuw,
Waar op gladde ijzers heel de dorpsjeugd zwiert,
over 't Binnenmeertje, dat de polder siert,
Heerlijk daar te wonen, dorp waar ik van hou,
jou, mijn mooi Uitgeest, blijf ik altijd trouw.

 

 
Poldermolen, Uitgeest

Lees meer...

12-08-15

Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Anthony Swofford, Stefano Benni, Marcellus Emants

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Dat is vandaag precies 60 jaar geleden. Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Tagebücher

„Geburtstag am D-Day
06.06.1944
Pacif. Palis., Dienstag den 6. Juni 1944. Invasion Frankreichs
Mein 69. Geburtstag. Stand ½ 9 auf. Es war neblig-aufklärend. Wurde von K. und der Schwarzen, die sang, empfangen. Während K. mir ihre Geschenke zeigte (Armstuhl fürs Schlafzimmer, Schlafrock, Platten, Ledernützlichkeiten, Seife, Süßigkeiten) rief Mrs. Meyer aus Washington an, von der ich, bevor ich die Zeitungen gesehen, erfuhr, dass die Invasion Frankreichs bei Caen, Calais, Le Havre begonnen hat. Eigentümliches Zusammentreffen. Beim Frühstück die Zeitungsnachrichten. Die Meyer erklärte, befriedigende direkte Nachrichten aus dem Kriegsministerium zu haben. Spannung auf coordinierte Aktionen der Russen. Telephon mit Franks. Man erwartet eine weitere Ansprache des Präsidenten. – Schrieb am Schluss des XVII. Kapitels. Besuch von Revy mit altem Goethe-Bändchen. Mittags auf der Promenade. Viel Post, Briefe von Kahler, Auerheimer. Nach Tische Gottlieb und Guggenheim mit Cigarren.

 

 
De villa die Thomas Mann liet bouwen in Pacific Palisades

 

Zum Thee Neumanns, ebenfalls mit Blumen und den rar gewordenen Cigarren. Telephon mit Heinrich. Blumen-Arrangements von der Meyer. 7 Uhr Werfels und Franks mit französ. Champagner, großer Ascheschale, Abendessen zu sechsen mit Champagner. Nach dem Kaffee auf Werfels Wunsch Vorlesung aus dem Roman: da Schleppfuß fehlte, das Kapitel mit Adrians Brief. Gespräch über die Welt des Buches. Nach Wefels Weggang liest Frank die für mich geschriebene Kino-Novelle. Gut gemacht. – Hörten 11 Uhr ausführliche Invasionsnachrichten aus Hollywood und London. – Blumentelegramme von Oprechts-Giese, Bermanns.“

 

 
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

Lees meer...

12-08-14

Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Anthony Swofford, Stefano Benni, Marcellus Emants

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Der kleine Herr Friedemann

„Die Amme hatte die Schuld. – Was half es, dass, als der erste Verdacht entstand, Frau Konsul Friedemann ihr ernstlich zuredete, solches Laster zu unterdrücken? Was half es, dass sie ihr ausser dem nahrhaften Bier ein Glas Rotwein täglich verabreichte? Es stellte sich plötzlich heraus, dass dieses Mädchen sich herbeiließ, auch noch den Spiritus zu trinken, der für den Kochapparat verwendet werden sollte, und ehe Ersatz für sie eingetroffen war, ehe man sie hatte fortschicken können, war das Unglück geschehen. Als die Mutter und ihre drei halbwüchsigen Töchter eines Tages von einem Ausgange zurückkehrten, lag der kleine, etwa einen Monat alte Johannes, vom Wickeltische gestürzt, mit einem entsetzlich leisen Wimmern am Boden, während die Amme stumpfsinnig daneben stand.
Der Arzt, der mit einer behutsamen Festigkeit die Glieder des gekrümmten und zuckenden kleinen Wesens prüfte, machte ein sehr, sehr ernstes Gesicht, die drei Töchter standen schluchzend in einem Winkel, und Frau Friedemann in ihrer Herzensangst betete laut.

 

 
Kamer in het Buddenbrookhaus in Lübeck

 

Die arme Frau hatte es noch vor der Geburt des Kindes erleben müssen, dass ihr Gatte, der niederländische Konsul, von einer ebenso plötzlichen wie heftigen Krankheit dahingerafft wurde, und sie war noch zu gebrochen, um überhaupt der Hoffnung fähig zu sein, der kleine Johannes möchte ihr erhalten bleiben. Allein nach zwei Tagen erklärte ihr der Arzt mit einem ermutigenden Händedruck, eine unmittelbare Gefahr sei schlechterdings nicht mehr vorhanden, die leichte Gehirnaffektion, vor allem, sei gänzlich gehoben, was man schon an dem Blicke sehen könne, der durchaus nicht mehr den stieren Ausdruck zeige wie anfangs ... Freilich müsse man abwarten, wie im übrigen sich die Sache entwickeln werde – und das Beste hoffen, wie gesagt, das Beste hoffen ...“
Das graue Giebelhaus, in dem Johannes Friedemann aufwuchs, lag am nördlichen Thore der alten, kaum mittelgrossen Handelsstadt. Durch die Hausthür betrat man eine geräumige, mit Steinfliesen versehene Diele, von der eine Treppe mit weissgemaltem Holzgeländer in die Etagen hinaufführte. Die Tapeten des Wohnzimmers im ersten Stock zeigten verblichene Landschaften, und um den schweren Mahagoni-Tisch mit der dunkelroten Plüschdecke standen steiflehnige Möbel.

 

 
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

Lees meer...

12-08-11

Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Marguerite Radclyffe Hall, Marcellus Emants

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

 

Uit: Buddenbrooks

 

Die allgemeine Munterkeit hatte nun ihren Gipfel erreicht, und Herr Köppen verspürte das deutliche Bedürfnis, ein paar Knöpfe seiner Weste zu öffnen; aber das ging wohl leider nicht an, denn nicht einmal die alten Herren erlaubten sich dergleichen. Lebrecht Kröger saß noch genau so aufrecht an seinem Platze wie zu Beginn der Mahlzeit, Pastor Wunderlich blieb weiß und formgewandt, der alte Buddenbrook hatte sich zwar ein bißchen zurückgelegt, wahrte aber den feinsten Anstand, und nur Justus Kröger war ersichtlich ein wenig betrunken.
Wo war Doktor Grabow? Die Konsulin erhob sich ganz unauffällig und ging davon, denn dort unten waren die Plätze von Mamsell Jungmann, Doktor Grabow und Christian frei geworden, und aus der Säulenhalle klang es beinahe wie unterdrücktes Jammern. Sie verließ schnell hinter dem Folgmädchen, das Butter, Käse und Früchte serviert hatte, den Saal - und wahrhaftig, dort im Halbdunkel, auf der runden Polsterbank, die sich um die mittlere Säule zog, saß, lag oder kauerte der kleine Christian und ächzte leise und herzbrechend.
"Ach Gott, Madamchen!" sagte Ida, die mit dein Doktor bei ihm stand, "Christian, dem Jungchen, ist gar so schlecht... "

 

 

 

Het graf van Thomas Mann in Kilchberg bij Zürich

 


"Mir ist übel, Mama, mir ist verdammt übel!" wimmerte Christian, während seine runden, tiefliegenden Augen über der allzu großen Nase unruhig hin und her gingen.
Er hatte das "verdammt" nur aus übergroßer Verzweiflung hervorgestoßen, die Konsulin aber sagte:
"Wenn wir solche Worte gebrauchen, straft uns der liebe Gott mit noch größerer Übelkeit! "
Doktor Grabow fühlte den Puls; sein gutes Gesicht schien noch länger und milder geworden zu sein.
"Eine kleine Indigestion... nichts von Bedeutung, - Frau Konsulin!" tröstete er. Und dann fuhr er in seinem langsamen, pedantischen Amtstone fort: "Es dürfte das beste sein, ihn zu Bette zu bringen... ein bißchen Kinderpulver, vielleicht ein Täßchen Kamillentee zum Transpirieren ... Und strenge Diät, - Frau Konsulin? Wie gesagt, strenge Diät. Ein wenig Taube, - ein wenig Franzbrot..."

 

 

 

Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

Lees meer...

12-08-10

Thomas Mann, Marguerite Radclyffe Hall, Marcellus Emants, Anthony Swofford, Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Jacinto Benavente, Réjean Ducharme, Robert Southey

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 12e augustus mijn blog bij seniorennet.be

  

Thomas Mann, Marguerite Radclyffe Hall, Marcellus Emants, Anthony Swofford

 

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 12e augustus ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Jacinto Benavente, Réjean Ducharme, Robert Southey

 

12-08-09

Hans-Ulrich Treichel, Thomas Mann, Stefano Benni, Jacinto Benavente


De Duitse dichter en schrijver en germanist Hans-Ulrich Treichel werd geboren op 12 augustus 1952 in Versmold. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2007 en ook mijn blog van 12 augustus 2008.

 

 

 

Prometheus

Von weit her
schaue ich hinab auf eure
blutroten Landschaften.

Was kümmern mich
eure Geschäfte; der dunkle Atem,
der aus euren Städten schlägt. Was kümmert
mich das ewige Kriegsgeschrei.

Fern von euch
bin ich frei von euch.

Gebunden an die einzige meiner
Gewohnheiten: den immerwährenden Schmerz.
Gebunden an das einzige meiner Laster:
die Unsterblichkeit.

 

 

 

 

So viel Vergessen

 

So viel Laub,
die krachenden Zweige,
scharfe Schläge ins
kalte Gesicht

Was ich auch sage
und was ich verschweige:
vergib es mir nicht.

So viel Vergessen, die
schreiende Lust. Mein Herz in
den Wolken und ein Stein
in der Brust.

 

 

 

 

 

 

 

hans-ulrich-treichel
Hans-Ulrich Treichel (Versmold, 12 augustus 1952)

 

 

 

 

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2006 . Zie ook mijn blog van 12 augustus 2007 en ook mijn blog van 12 augustus 2008.

 

Uit: Buddenbrooks

 

„Hiermit begannen schöne Sommerwochen für Tony Buddenbrook, kurzweiligere und angenehmere, als sie jemals in Travemünde erlebt hatte. Sie blühte auf, nichts lastete mehr auf ihr; in ihre Worte und Bewegungen kehrten Keckheit und Sorglosigkeit zurück. Der Konsul betrachtete sie mit Wohlgefallen,

wenn er Sonntags mit Tom und Christian nach Travemünde kam. Dann speiste man an der Table d’hoˆ te, trank bei der Kurmusik den Kaffee unter dem Zeltdach der Konditorei und sah drinnen im Saale der Roulette zu, um die lustige Leute, wie Justus Kröger und Peter Döhlmann, sich drängten: Der Konsul spielte niemals. –

Tony sonnte sich, sie badete, aß Bratwurst mit Pfeffernußsauce und machte weite Spaziergänge mit Morten: den Chausseeweg zum Nachbarort, den Strand entlang zu dem hoch gelegenen »Seetempel«, der eine weite Aussicht über See und Land beherrschte, oder in das Wäldchen hinauf, das hinterm Kurhause lag und auf dessen Höhe die große Table d’hoˆ te-Glocke hing . . . Oder sie ruderten über die Trave zum  »Priwal«, wo es Bernstein zu finden gab . . .

Morten war ein unterhaltender Begleiter, wiewohl seine Meinungen ein wenig hitzig und absprechend waren. Er führte über alle Dinge ein strenges und gerechtes Urteil mit sich, das er mit Entschiedenheit hervorbrachte, obgleich er rot dabei  wurde. Tony ward betrübt und sie schalt ihn, wenn er mit etwas

ungeschickter aber zorniger Geste alle Adeligen für Idioten und Elende erklärte; aber sie war sehr stolz darauf, daß er ihr gegenüber offen und zutraulich seine Anschauungen aussprach, die er den Eltern verschwieg . . . Einmal sagte er:

»Dies muß ich Ihnen noch erzählen: Auf meiner Bude in Göttingen habe ich ein vollkommenes Gerippe . . . wissen Sie, so ein Knochengerippe, notdürftig mit etwas Draht zusammengehalten.

Na, diesem Gerippe habe ich eine alte Polizistenuniform angezogen . . . ha! Finden Sie das nicht ausgezeichnet?

Aber sagen Sie es um Gottes Willen nicht meinem Vater!« –

Es konnte nicht fehlen, daß Tony oftmals mit ihrer städtischen Bekanntschaft am Strande oder im Kurgarten verkehrte, daß sie zu dieser oder jener Re´union und Segelpartie hinzugezogen wurde. Dann saß Morten »auf den Steinen«. Diese  Steine waren seit dem ersten Tage zwischen den beiden zur stehenden Redewendung geworden. »Auf den Steinen sitzen« das bedeutete: »Vereinsamt sein und sich langweilen«. Kam ein Regentag, der die See weit und breit in einen grauen Schleier hüllte, daß sie völlig mit dem tiefen Himmel zusammenfloß der den Strand durchweichte und die Wege überschwemmte, dann sagte Tony:

»Heute müssen wir beide auf den Steinen sitzen . . . das heißt in der Veranda oder im Wohnzimmer. Es bleibt nichts übrig, als daß Sie mir Ihre Studentenlieder vorspielen, Morten, obgleich es mich greulich langweilt.«

»Ja«, sagte Morten, »setzen wir uns . . . Aber, wissen Sie, wenn Sie dabei sind, so sind es keine Steine mehr!«

 

 

 

 

Mann
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

 

 

 

 

 

Buddenbrookhaus
Katia und Thomas Mann voor het in WO II
verwoeste Buddenbrookhaus, 1953

 

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver, satiricus en journalist Stefano Benni werd geboren op 12 augustus 1947 in Bologna. Benni brak als schrijver door in 1983 met zijn roman Terra!. Hij is een van de succesvolste schrijvers van Italië met 2,5 miljoen verkochte boeken. In 1989 regiseerde hij de film Musica per vecchi animali. Ook schrijft hij toneelstukken en colums.

 

Uit: Papa komt op TV (Vertaald door Marc Vingerhoedt)

 

Alles is klaar in huize Minardi. Mevrouw Leo heeft het televisiescherm schoongemaakt met alcohol, ze heeft haar trouwfoto op het toestel gezet en ze heeft de hoes van de sofa gehaald zodat die met zijn wervelende zonnebloemen nu een schitterende aanblik biedt. Ze heeft een schaal zoutjes klaargezet, een panettone, Schotse Whisky en sinaasappellimonade voor de kinderen. De bladeren van de ficus glimmen en op het glazen tafeltje ligt het mooiste kleedje. De drie kinderen volgen haar met hun blik, terwijl ze controleert of alles in orde is, door de krullen van haar permanent woelt en met haar hoge hakken de geboende vloer teistert. Ze hadden haar thuis nooit gezien zonder pantoffels.
Ook de drie kinderen zijn klaar.
Patrizio, twaalf jaar, zit op de sofa in zijn geliefkoosde, vuurrode joggingpak en met een petje van de Chicago Bulls op het hoofd.
Lucilla, zeven jaar, draagt een pyjama met dinosaurusjes en heeft een zwangere Barbie op de arm.
Pastrocchietto, twee jaar, zit vastgebonden in zijn kinderstoel. Hij kan nauwelijks bewegen en speelt met een lepel. Hij heeft siroop met codeïne gekregen om hem rustig te houden.
Er wordt aan de deur gebeld. Het is de buurvrouw, Mariella, met haar man Mario. Ze hebben chocolaatjes meegebracht en ijs dat meteen de diepvriezer ingaat zodat het niet kan smelten.
Mario draagt voor de gelegenheid een pak en een das. Hij groet de kinderen en schudt krachtig de hand van Patrizio.“

 

 

 

 

stefano_benni
Stefano Benni (Bologna,12 augustus 1947)

 

 

 

 

 

De Spaanse dichter en schrijver Jacinto Benavente werd geboren in Madrid op 12 augustus1866. Hij was de zoon van een bekende arts en genoot een uitstekende opvoeding temidden van een goede culturele en economische omgeving. Reeds vroeg las hij boeken in drie talen zodat hij de universele klassiekers leerde kennen en hij vertaalde zelfs Molière en Shakespeare naar het Spaans. Hij begon ingenieursstudies en rechten in Madrid onder druk van zijn vader maar gaf die op wanneer zijn vader stierf om zich nadien helemaal aan de literatuur te wijden. Zijn eerste werk dat werd opgevoerd was El nido ajeno (1894) en onmiddellijk daarna Gente conocida (1896), waarmee hij zich een plaats veroverde in de Spaanse theaters. Zijn eerste succes kwam er met La noche del sábado (1903) en hij bereikte zijn hoogtepunt met Los intereses creados in 1907. In 1919 werd hij lid van de Academia Española en in 1922 kreeg hij de Nobelprijs literatuur, waarbij men uitdrukkelijk de verdiensten vermeldde van zijn belangrijkste werk, Los Intereses creados en van zijn pogingen om de traditie van het Spaanse theater waardig voort te zetten. Hij reisde drie maal naar Amerika als auteur of artistiek directeur en maakte verschillende reizen door Europa.

 

Uit: No Smoking  (No Fumadores, vertaald door John Garrett Underhill)

 

„LADY: For goodness' sake, don't stop upon our account! Smoke as much as you want to--it doesn't bother me, or my daughter, either. We are used to it. Her poor father, my first husband--who is now in glory--was never without a cigar in his mouth. As he bit off one, it lit it with the butt of the other. And my second husband--who now rests in peace--they were alike as two buttons; you could scarcely tell the difference. I had a difficulty at one time myself, a suffocating feeling, all stuffed up here--terrible distress--and the doctors were telling me that it was asthma and that it wasn't asthma-- Well, I smoked then myself--aromatic cigarettes--which didn't do me any good, either, by the way, I can say that. So you see as far as we are concerned, you needn't think you are inconveniencing us. You can't annoy us by smoking. Before we changed we were travelling in the ladies' compartment, and we transferred to this one as soon as we could because there were people in it one simply couldn't travel with; they were out of the question. You would think that people who travelled first class would have manners, that they would know something. But not a bit of it! Believe me, if you want to find out what people are like, play cards with them, or watch them eat, or else go travelling. You'll find out soon enough. There was a woman in that compartment--I say she was a woman because I don't know what else to call her--with her companion--she must have been her companion, she was with her anyway--well, I can tell you I was mortified. I was ashamed--such a conversation! Between the two of them! They might as well have been sitting in their own parlors. As far as that goes, you know, speaking for myself, a widow twice, it was nothing to me; but before my daughter.... I had to make her sit with her head out of the window all the way. It was pretty chilly for her. You can see for yourself she has taken cold. And she's got a cinder in her eye, too--worse luck! Her eyes are the best part of her.“

 

 

 

 

Benavente
Jacinto Benavente (12 augustus 1866 – 14 juli 1954)

 

 

12-08-08

Marguerite Radclyffe Hall, Réjean Ducharme, Marcellus Emants, Hans-Ulrich Treichel, Thomas Mann


De Engelse schrijfster Marguerite Radclyffe Hall werd geboren op 12 augustus 1880 in Bournemouth. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2007.

 

Uit: The Well of Loneliness

 

Sir Philip never knew how much he longed for a son until, some ten years after marriage, his wife conceived a child; then he knew that this thing meant complete fulfilment, the fulfilment for which they had both been waiting. When she told him, he could not find words for expression, and must just turn and weep on her shoulder. It never seemed to cross his mind for a moment that Anna might very well give him a daughter; he saw her only as a mother of sons, nor could her warnings disturb him. He christened the unborn infant Stephen, because he admired the pluck of that Saint. He was not a religious man by instinct, being perhaps too much of a student, but he read the Bible for its fine literature, and

Stephen had gripped his imagination. Thus he often discussed the future of their child: 'I think I shall put Stephen down for Harrow', or: 'I'd rather like Stephen to finish off abroad, it widens one's outlook on life'.

 

And listening to him, Anna also grew convinced; his certainty wore down her vague misgivings, and she saw herself playing with this little Stephen, in the nursery, in the garden, in the sweet-smelling meadows.

'And himself the lovely young man,' she would say, thinking of the soft Irish speech of her peasants; 'And himself with the light of the stars in his eyes, and the courage of a lion in his heart!'

 

When the child stirred within her she would think it stirred strongly because of the gallant male creature she was hiding; then her spirit grew large with a mighty new courage, because a man-child would be born. She would sit with her needle-work dropped on her knees, while her eyes turned away to the long line of hills that stretched beyond the Severn valley. From her favourite seat underneath an old cedar, she would see these Malvern Hills in their beauty, and their swelling slopes seemed to hold a new meaning. They were like pregnant women, full-bosomed,

courageous, great green-girdled mothers of splendid sons! thus through all those summer months she sat and watched the hills, and Sir Philip would sit with her--they would sit hand in hand. And because she felt grateful she gave much to the poor, and Sir Philip went to church, which was seldom his custom, and the Vicar came to dinner, and just towards the end many matrons called to give good advice to Anna.

 

But: 'Man proposes--God disposes', and so it happened that on Christmas Eve, Anna Gordon was delivered of a daughter; a narrow-hipped, wide-shouldered little tadpole of a baby, that yelled and yelled for three hours without ceasing, as though outraged to find itself ejected into life.’

 

 

 

 

radclyffe_hall

Marguerite Radclyffe Hall (12 augustus 1880 – 7 oktober 1943)

 

 

 

 

De Canadese Franstalige schrijver Réjean Ducharme werd geboren op 12 augustus 1941 in Saint-Félix-de-Valois, Québec. Ducharme leeft teruggetrokken in Montreal en sinds het verschijnen van zijn debuut in 1966 is hij nauwelijks geintersseerd in publiciteit. Naast schrijver is hij ook beeldend kunstenaar en maakt hij sculpturen. Zijn debuutroman, L'avalée des avalés, won

Le combat des livres, een wedstrijd die was uitgeschreven door de Canadese radio. Tevens werd het werk voorgedragen voor de

Prix Goncout.

 

Werk o.a.: Le nez qui voque (1967), La fille de Christophe Colomb (1969), Les enfantomes (1976), Va savoir (1994)

 

Uit: L'Hiver de force

 

"On sent qu'on va se sentir mieux quand on sentira bon. Frotte-moi fort, que ça parte en lambeaux, comme une mue. La peau de mon dos dort; frotte, frotte-la-moi bien fort. Cours chercher les ciseaux puis coupe mes cheveux. Ras! Comme un soldat qui a de l'estomac puis qui se dégonfle pas! Donne ton sein, agnus dei pour planter mes poignards, pour éclater mes obus, pour que ma bouche pourrie morde et loge son venin, pour emmitoufler mon cri, l'endormir, le faire rêver. Mange mon nez, mange mes pieds, vorace-moi toute; que tes dents crèvent les ampoules qui soulèvent ma peau, que tu lèches les gousses éclatées de tout ce mal. L'extrémité des caresses, c'est la mort; arrêtons-nous en pleine rage, au coeur du geste. Mourir, il ne faut pas être bien intelligent pour se donner la peine de faire ça, car c'est sans conséquences. Le propre de ta mort, c'est de ne rien te faire."

 

 

 

 

 

rejeanducharme_1975

Réjean Ducharme (Saint-Félix-de-Valois, 12 augustus 1941)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Marcellus Emants werd op 12 augustus 1848 in Voorburg geboren. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2007.

 

Uit: Lilith

 

Voltooid is 't grootsche werk. Het heerlijk beeld,

Dat scheppend zich Jehova dacht, zweeft vrij

In d' aether rond, door zonnegloed gedragen.

Aanbiddend staren de englen 't wonder aan,

Tot plotseling Jehova's heilge naam,

Door millioenen lippen uitgegalmd,

            Een donderslag gelijk, veel duizend malen

Van ster naar ster door 't eindloos ruim weerkaatst.

 

‘Looft, looft den Heer, die in ons sluimrend oog,

Den glans deed stralen van zijn majesteit!

Stort allen juichend neer, aanschouwt de wereld,

Welke uit het niet zijn blik te voorschijn riep!

Ziet hoe in de aarde een kiem van godlijk leven,

Op zijn gebod, in wondren zonder tal

Weldra zijn heerlijkheid zal openbaren’!

 

Zoo klinkt der englen zang door de eeuwge zalen,

Terwijl op aarde de eerste morgen daagt. -

Gelijk een kus van goddelijke lippen

Zinkt de eerste zonnestraal in Edens hof.

Het duister wijkt, het eeuwig zwijgen sterft,

En overal ontwaakt des levens pracht.

Een gouden gloed doorstroomt den morgenhemel,

Het koeltje suist, uit bloemengeur geboren,

De starre stroom verbreekt zijn winterboeien,

Het zwellend zaad ontkiemt in vruchtbare aarde,

Uit grauwe knoppen bloost een bloemtapijt

Met nooit aanschouwden glans van frissche kleuren,

Een dartle vlinderschaar zweeft fladdrend rond,

           

            Het stralend licht in bonte tinten brekend,

En door de bosschen ruischt een dankend lied

Vol morgenrood en goddelijke liefde. -

In 't midden van den hof blikt Edens heer

Nog spraakloos op de wondren om zich henen.

Wel hoort zijn oor de reine accoorden trillen,

Wel dwaalt zijn oog door 't bont gekleurd tafreel,

En drinkt zijn ziel der bloesems frissche geuren,

Maar 't brein kan nog de heerlijkheid niet vatten,

Die aan zijn blik eensklaps ontsloten werd. -

 

Nu stijgt de zon omhoog, en allerwege

Verkwijnt het grauw der laatste schaduwtint.

Daar dringt op eenmaal in den morgennevel,

Die over Adam's ziel ligt uitgespreid,

Verblindend helder de eerste lichtstraal door.

Hij heft de handen op, zijn doffen blik

Doorstroomt een gloed uit zonneglans gesproten,

En dankend paart zijn stem zich aan den jubel,

Welke al wat leeft in 't paradijs ontstijgt:

 

‘O! heerlijkheid, als mijn bewondrend oog

Tot op dees' dag er geene mocht aanschouwen,

Wie schiep uw pracht, wie schonk u aan mijn blik?

 

 

 

 

 

EMANTS

Marcellus Emants (12 augustus 1848 – 14 oktober 1923)

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver en germanist Hans-Ulrich Treichel werd geboren op 12 augustus 1952 in Versmold. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2007.

 

 

Halbinsel Gower

 

Die Luft liegt wie Molke auf Sträuchern
und Hecken. Hier hören die Barden
die Wildpferde singen. Ich höre nichts.
Seh nur zwei Schafe, die am Bushäuschen warten.
Das liegt an der Molke. Oder am Bier. Wir trinken
noch drei im Pub König Artus: der Zauberer
Nebel, Prinzessin Wolke und ich.

 

 

 

Erinnerung

 

Ich weiß nicht, woher ich den Apfelbaum
nehme, die Katze, den Schatten, der Großvater
saß nicht vorm Haus, und nirgendwo war da
ein Sommer, ein Schwimmbad,
kein Mädchen in Rosa und keine Kabine,
ich weiß nicht, woher ich die Brombeeren nehme,
die Frau mit der Schürze, den Mann auf dem Sofa,
das Fahrrad, das Fieber, der Fleck auf der Kachel.
Was wollten noch gleich die Schwalben am Himmel?
Wer waren die Leute am Küchentisch?

 

 

 

 

Hans-Ulrich_Treichel
Hans-Ulrich Treichel (Versmold, 12 augustus 1952)

 

 

 

 

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2006 en ook mijn blog van 12 augustus 2007.

 

Uit:  Buddenbrooks

 

Und es kam, es war nicht mehr aufzuhalten, die Krämpfe der Sehnsucht hätten nicht mehr verlängert werden können, es kam, gleichwie wenn ein Vorhang zerrisse, Tore aufsprängen, Dornenhecken sich erschlössen, Flammenmauern in sich zusammensänken. . . Die Lösung, die Auflösung, die Erfüllung, die vollkommene Befrie­digung brach herein, und mit entzücktem Aufjauchzen ent­wirrte sich alles zu einem Wohlklang, der in süßem und sehn­süchtigem Ritardando sogleich in einen anderen hinüber sank ... es war das Motiv, das erste Motiv, was erklang! Und was nun begann, war ein Fest, ein Triumph, eine zügellose Orgie eben dieser Figur, die in allen Klangschattierungen prahlte, sich durch alle Oktaven ergoss, aufweinend im Tremolando verzit­terte, sang, jubelte, schluchzte, angetan mit allem brausenden, klingenden, perlenden, schäumenden Prunk der orchestralen Ausstattung sieghaft daherkam. ..

Es lag etwas Brutales und Stumpfsinniges und zugleich etwas asketisch Religiöses, etwas wie Glaube und Selbstaufgabe in dem fanatischen Kultus dieses Nichts, dieses Stücks Melodie, dieser kurzen, kindischen, har­monischen Erfindung von anderthalb Takten… etwas Laster­haftes in der Maßlosigkeit und Unersättlichkeit, mit der sie genossen und ausgebeutet wurde, und etwas zynisch Verzwei­feltes, etwas wie Wille zu Wonne und Untergang in der Gier, mit der die letzte Süßigkeit aus ihr gesogen wurde, bis zur Erschöpfung, bis zum Ekel und Überdruss, bis endlich, endlich in Ermattung nach allen Ausschweifungen ein langes, leises Arpeggio in Moll hineinrieselte, um einen Ton emporstieg, sich in Dur auflöste und mit einem wehmütigen Zögern erstarb. ­

Hanno saß noch einen Augenblick still, das Kinn auf der Brust, die Hände im Schoß. Dann stand er auf und schloss den Flügel. Er war sehr blass, in seinen Knien war gar keine Kraft, und seine Augen brannten. Er ging ins Nebenzimmer, streckte sich auf der Chaiselongue aus und blieb so lange Zeit, ohne ein Glied zu rühren.”

 

 

 

 

Thomas_Mann
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

Thomas Mann op 9 jarige leeftijd

 

 

 

 

 

Buddenbrookhaus_um_1870
Het Buddenbrook huis rond 1870

 

 

 

12-08-07

Marcellus Emants, Marguerite Radclyffe Hall, Hans-Ulrich Treichel, Thomas Mann


De Nederlandse schrijver Marcellus Emants werd op 12 augustus 1848 in Voorburg geboren. Na zijn eindexamen aan het Haags gymnasium wilde Emants ingenieur worden, maar hij ging overeenkomstig de wens van zijn vader rechten studeren in Leiden. Hij publiceerde in deze periode essays, beschouwingen en poëzie in het mede door hem opgerichte tijdschrift Quatuor.

Toen zijn vader in 1871 overleed, stopte Emants, vlak voor zijn doctoraalexamen, met zijn studie. Door de erfenis van zijn vader was hij financieel onafhankelijk geworden en hij besloot te gaan reizen en zich geheel aan de literatuur te wijden. Tot op zekere hoogte kon Emants gezien worden als één van de eerste naturalisten in Nederland. Naturalistisch was in elk geval zijn streven naar wetenschappelijkheid en objectiviteit. Ook zijn voorkeur voor het beschrijven van pathologische figuren was een typisch naturalistische trek. Toen Emants in een voorwoord zijn Een drietal novellen (1879) verdedigde tegen de kritiek, beriep hij zich op Taine en de door Zola van Taine overgenomen wetmatigheden in de bepaaldheid van de mens: ras, milieu en moment. Van al zijn romans en novellen is het vooral de roman Een nagelaten bekentenis (1894) die nog herhaaldelijk herdrukt is. In 1994 verscheen van deze roman een herdruk in de reeks Nederlandse Klassieken.

 

Uit: Een nagelaten bekentenis

 

“Mijn vrouw is dood en al begraven.

Ik ben alleen in huis, alleen met de twee meiden.

Dus ben ik weer vrij; maar wat baat me nu die vrijheid?

Ten naastenbij kan ik krijgen, wat ik sinds twintig jaar - ik ben vijf en dertig - verlangd heb; maar thans durf ik 't niet nemen en zoo heel veel zou ik er toch niet meer van genieten.

Ik ben te bang voor elke opwinding, te bang voor een glas wijn, te bang voor muziek, te bang voor een vrouw; want alleen in mijn nuchtere morgenstemming ben ik me zelf meester en zeker te zullen zwijgen over mijn daad.

Toch is juist die morgenstemming ondraaglijk.

In geen mensch, geen werk, geen boek zelfs eenig belang te stellen, doel- en willoos om te dwalen door een leeg huis, waarin alleen het onverschillig schuwe gefluister van twee meiden rondwaart als het verre gepraat van bewakers om de cel van een afgezonderde krankzinnige, nog maar aan één ding te kunnen denken met het laatste beetje begeerte van een uitgedoofd zenuwleven en voor dat ééne ding te sidderen als een eekhoorntje voor de fascineerende blik van een slang... hoe houd ik zoo'n afschuwelijk leven dag in dag uit, ten einde toe, nog vol?

Zoo dikwijls ik in de spiegel kijk - nog altijd mijn gewoonte - verbaast het me, dat zoo'n bleek, tenger, onbeduidend mannetje met doffe blik, krachteloos geopende mond - velen zullen zeggen: dat mispunt - in staat is geweest zijn vrouw.... de vrouw, die hij op zijn manier toch lief heeft gehad..... te vermoorden.”

 

 

emants
Marcellus Emants (12 augustus 1848 – 14 oktober 1923)

 

De Engelse schrijfster Marguerite Radclyffe Hall werd geboren op 12 augustus 1880 in Bournemouth. Ze was enig kind van gescheiden ouders. Haar vader, Radclyffe Radclyffe-Hall, zag ze zelden. Hij stierf toen ze achttien was en liet haar een vermogen na dat haar toeliet vanaf haar eenentwintigste een zelfstandig leven te leiden. Met haar moeder en stiefvader had ze een moeilijke relatie. Op een occasioneel gedicht na, vulde ze haar dagen met jagen, plezier maken en vrouwen het hof maken. Tussen 1901 en 1907 reisde Hall in Amerika en het Europese vasteland in het gezelschap van vriendinnen met wie ze een romantische relatie had en die ze financieel onderhield. In 1906 publiceerde de jonge Hall een eerste dichtbundel: 'Twix Earth and Stars'. Aan deze manier van leven kwam een einde toen Hall haar eerste grote liefde ontmoette: Mabel Batten, door haar steevast 'Ladye' genoemd. Zelf werd ze door Mabel 'John' genoemd, een naam die ze voor de rest van haar leven zou gebruiken. Na een aantal gelukkige jaren begon het leeftijdsverschil door te wegen. In 1915 ging Radclyffe Hall een relatie aan met de zeven jaar jongere Una Troubridge, een nichtje van Mabel en getrouwd met Kapitein Ernest Troubridge. Una zou Halls tweede grote liefde worden, met wie ze samenbleef tot aan haar dood. Mabel voelde zich erg gekwetst door Halls ontrouw en tijdens een hoogoplopende ruzie tussen de drie kreeg Mabel een aanval. Ze stierf aan een hersenbloeding. In 1924 verscheen Radclyffe Halls debuutroman The Forge en daarna nam haar carrière een grote vlucht. Ze publiceerde in korte tijd nog drie romans (The Unlit Lamp – 1924, A Saturday Life – 1925 en Adam’s Breed – 1926), die allemaal op goede kritieken konden rekenen. Hoewel Radclyffe en Una heel open waren over de aard van hun relatie, werd Hall in 1928 pas echt een icoon en martelares van de lesbische levensstijl. In dat jaar verscheen haar deels autobiografische roman The Well of Loneliness.

Uit: The Well of Loneliness

 

“Love me, only love me the way I love you. Angela, for God's sake, try to love me a little don't throw me away because if you do I am utterly finished. You know how I love you, with my soul and my body; if it's wrong, grotesque, unholyhave pity. I'll be humble. Oh, my darling, I am humble now; I'm just a poor, heart-broken freak of a creature who loves you and needs you more than its life...I'm some awful mistakeGod's mistake I don't know if there are any more like me, I pray not for their sakes, because it's pure hell"

 

(…)

 

All the loneliness that had gone before was as nothing to this new loneliness of spirit. An immense desolation swept down upon her, an immense need to cry out and claim understanding for herself, an immense need to find an answer to the riddle of her unwanted being. All round her were grey and crumbling ruins, and under those ruins her love lay bleeding; shamefully wounded by Angela Crossby, shamefully soiled and defiled by her mother a piteous, suffering, defenceless thing, it lay bleeding under the ruins.”

 

 

 

Hall
Marguerite Radclyffe Hall (12 augustus 1880 – 7 oktober 1943)

 

De Duitse schrijver en germanist Hans-Ulrich Treichel werd geboren op 12 augustus 1952 in Versmold. In zijn roman Der Verlorene uit 1998 verwerkte hij het verlies van zijn broer op de vlucht vanuit het oosten tijdens WO II en de traumatische ervaringen van zijn ouders die ook op zijn jeugd van invloed waren. Treichel studeerde in Berlijn germanistiek, filosofie en politicologie en promoveerde op een studie over Wolfgang Koeppen. Sinds 1995 doceert hij aan het Deutsche Literaturinstitut Leipzig.

 

Uit: Der irdische Amor (2002)

 

„Das einzige, was ihm wirklich helfen würde, war ein Anruf bei Elena. Doch er fürchtete eine Abfuhr. Er konnte nicht von sich behaupten, dass er besonders viele Lebensweisheiten erworben hatte. Aber eine dieser Weisheiten war: Wenn du bedürftig bist, sinken deine Chancen. Das hatte er schon sehr früh gelernt, im Grunde schon als Kleinkind. Obwohl er als Kleinkind überaus bedürftig gewesen war, glaubte er sich daran zu erinnern, dass ihm die Mutterbrust immer dann zur Verfügung stand, wenn er keinerlei Hungergefühle zeigte. Sobald er brüllte, strampelte und schrie, war keine Mutterbrust zu sehen. Wenn er aber gleichgültig dreinschaute, tauchte vor ihm dieser große weiße Mond mit Warze auf und drückte sich auf sein Gesicht. Also hatte er irgendwann nicht mehr gebrüllt, gestrampelt und geschrieen, sondern selbst während größter Hunger- und Durstattacken gleichgültig in die Welt geschaut.

Auch später hatte er versucht, sich nach diesem Muster zu verhalten, musste aber irgendwann einsehen, dass die Vortäuschung von Bedürfnislosigkeit zu dem Missverständnis führte, dass er auch bedürfnislos war. Er war aber nicht bedürfnislos. Schon als Kleinkind hatte er diese Hungerstürme gehabt, die ihn orkanartig in seinem Bettchen hin und her schüttelten. Zu den Hungerstürmen war später diese ebenfalls orkanartige Sehnsucht nach dem weiblichen Geschlecht hinzugekommen. Auch dem Hunger nach dem weiblichen Geschlecht hatte er lange Zeit damit zu begegnen versucht, dass er jedem Mädchen gegenüber, sobald es ihn auch nur ein wenig interessierte, ein gleichgültiges Gesicht aufsetzte. ALs Kleinkind war er trotz seiner gleichgültigen Miene gefüttert und versorgt worden. Wenn er aber einem Mädchen Gleichgültigkeit vorspielte, dann konnte er sicher sein, dass nichts geschah.“

 

 

 

treichel
Hans-Ulrich Treichel (Versmold, 12 augustus 1952)

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2006.

 

Anders dan zijn zoon Klaus Mann disciplineerde en sublimeerde Thomas Mann zijn liefde voor mooie, jonge mannen. Hij weerstond de verleiding en ontleende er kracht aan voor zijn werk. Toch overviel hem af en toe die betovering die ook een geheim thema van zijn eigen leven was. Tijdens een zomervakantie op het eiland Sylt in 1927 leerde hij de zeventienjarige Klaus Heuser kennen. Door de onverwachte hartstocht voor de jongen raakte hij bijna uit zijn evenwicht. Alleen zijn vrouw Katia vermoedde iets van deze ongeleefde liefdesgeschiedenis en tolereerde het. Mann nodigde de jongen uit voor een bezoek aan München. Later kwam hij op deze belevenis vaker terug in zijn Tagebüchern:

 

„24. Januar 1934

 

Gestern Abemd wurde es spät durch die Lektüre des alten Tagebuchbandes 1927/1928, geführt in der Zeit des Aufenthaltes von K. H. in unserem Hause und meiner Besuche in Düsseldorf. Ich war tief aufgewühlt, gerührt und ergriffen von dem Rückblick auf dieses Erlebnis, das mir heute einer anderen, stärkeren, Lebensepoche anzugehören scheint, und das ich mit Stolz und Dankbarkeit bewahre, weil es die unverhoffte Erfüllung einer Lebenssehnsucht was, das “Glück”, wie es im Buche des Menschen, wenn auch nicht der Gewöhnlichkeit, steht, und weil die Erinnerung daran bedeutet: “Auch ich”. Es machte mir hauptsächlich Eindruck, zu sehen, wie ich im Besitz dieser Erfüllung an das Früheste, an A. M. und ihm folgende zurückdachte und alle diese Fälle als mitaufgenommen in die späte und erstaunliche Erfüllung empfand, erfüllt, versöhnt und gut gemacht durch sie. –“

 

21. September 1935,

 

“Darin unterbrochen durch den Besuch Klaus Heusers, der über Zürich gereist, mich 10 Minuten wiederzusehen. Unverändert oder wenig verändert, zart, knabenhaft geblieben mit 24, die Augen die gleichen. Sah viel in sein Gesicht und sagte “Mein Gott”. Merkwürdig, daβ ich hier noch kürzlich seiner gedachte, mit der Dankbarkeit, die ich auch in seiner Gegenwart wieder für damals empfand. Er erwartete, daβ ich ihn küβte, ich tat es aber nicht, sondern sagte ihm nur vorm Abschied etwas Liebes. Er ging sehr rasch, er muβte bald fort.”

 

20. Februar 1942,

 

Las lange in alten Tagebüchern aus der Klaus Heuser-Zeit, da ich ein glücklicher Liebhaber. Das Schönste und Rührendste der Abschied in München. Als ich zum ersten Mal der “Sprung ins Traumhafte” tat und seine Schläfe an meine lehnte. Nun Ja – gelebt und geliebet. Schwarze Augen, die Tränen vergossen für mich, geliebte Lippen, die ich küβte, - es war da, auch ich hatte es, ich werde es mir sagen können, wenn ich sterbe.“

 

 

 

 

MannThomas
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)