01-05-16

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

 

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

 

Peren

Gebogen hangt het perenhout,
bevallig, onder ‘t menigvoud
gedrag, dat hem bewonderen laat
alom, en op de bomen staat.

Zo druiven, in malkaâr geklist,
bij grote en dikke krabben is ‘t,
dat top en takken, scheefgelaân,
bezwijkend, van de peren staan.

Hoe schone, als ‘t lieve zonnelicht
daarop zijn mooie stralen zicht;
en, geluw-, groen- en grauwgeveld,
fijn goud op al die peren smelt!

Hoe spannen ze, in hun ronde glans,
vol zerpe en zoete zeupen gans;
die, borstgeeene en lijfgenoot,
nog wassen, bij de moederschoot!

Het staat er die, vol rode schijn,
bloedverwig als de kaken zijn
van menig menig mensenkind,
dat m'hier en daar ten boere vindt.

Het staat er, effenbruin van bast,
aan klene, tere takken vast;
die ‘k puilen zie, alhier, aldaar,
ter pelen uit en... ponden zwaar.

Vaarwel, die zulke giften laat,
o zonne, aleer gij henengaat,
en elders weunt, de lange tijd
dat ‘t wintert, en ge onzichtbaar zijt.

Dat ‘t donker is, dat ‘t waait en buist;
dat verre is al het groen verhuisd;
dat, naakt, of heel met ijs belaân,
onvriendelijk de bomen staan.

Vaarwel, o zonne!... Hij is groot,
diens hand u in de hemel schoot;
diens goedheid, die geen' beurte en kent,
bij beurten, ons die zomer zendt.

o Eeuwig goede, om al het goed
dat ‘t bakelen van de zonne doet
onze onbeholpen schamelheid,
zij lof en ere u toegezeid!

 

 

Het kruis

Het kruis ontliet de mens
uit 's vijands helse banden;
met 't kruise wijden hem,
in 't doopsel, 's priesters handen;
gebiecht, gevormd, berecht,
getrouwd, gezalfd in 't kruis,
nog wijst hem 't kruis de weg
naar hier, zijn laatste thuis.
o kruise, dat daar staat,
och, of zij 't allen wisten,
gij zijt het teken en
de hoop van elke christen:
zo Christus leefde en stierf,
in kruisen en verdriet,
zo zult gij, of ge en volgt
in Zijn triomf hem niet!

 

 

Ach licht en is het lot van al

Ach licht en is het lot van al,
zo menig band wordt keten;
zo menige en zo groot getal
die 't blijzijn haast vergeten!

 

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Standbeeld in Brugge

Lees meer...

02-11-15

Allerzielen (Guido Gezelle)

 

Bij Allerzielen

 

 
Am Allerseelentage Auf Dem Friedhofe door Wilhelm Ludwig Friedrich Riefstahl, 1869

 

 

Allerzielen

'k Heb zo menigmaal gegaan
waar de wilgen te treuren staan,
buiten stad, naar 't dodenveld ...
'k Heb bij woeste windgeweld
't geel gebladert dwarren zien
en onwetend op de knien
neergezakt en nagedacht
dat de dood met 't mensdom lacht
lijk de wind met 't dorre blad ...
Kranke mensdom, sta hier wat
bij de graven. 't Wormgekriel
knaagt aan 't lichaam; maar de ziel,
waar is zij? En lijdt zij niet
't snoerend vagevuurverdriet,
waar zij naar verlossing smacht
en naar uw gebeden wacht?
Allerzielen! Bededag
die ik niet vergeten mag ...
Allerzielen! Vader weent,
moeder kermt zo vereend ...
Vrouw of man of wie het is
roepen ons om lavenis.

 

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Het oude kerkof van Brugge

 

 

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

 

Zie voor de schrijvers van de 2e november ook mijn vorige blog van vandaag.

13:17 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (1) | Tags: allerzielen, guido gezelle, romenu |  Facebook |

01-05-15

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos, Ignazio Silone

 

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

 

Een dreupel poësij

Aan Gustaf Verriest

Hoe blij is de arme vogel toen
hij, lange lang geboeid,
weerom zijn vlerk mag opendoen
en in de hemel roeit!
En hoe is 't arme viske blij,
dat, in mijn net gepakt,
half dood gesperteld, los van mij,
weerom in 't water smakt!
Het gouden vliegsk' hoe blijde ruist
het, werk- en worstelensmoe,
wanneer ik zijn gevang, mijn vuist,
ontluikend opendoe!
Zo blij en is mijn ziele niet,
maar zeven maal zo blij,
wanneer ik, moe en mat, geniet
een dreupel poësij. -
In 't vrij bewind des vogels en
in 't koele ruim daarvan,
en 'k weet niet waar ik nog al ben
wanneer ik dichten kan:
't gedacht springt als de vis, die zeer
in 't waterkrystalijn
blank blinkt en weerom blinkt, aleer
'k hem wel gewaar kan zijn;
bepereld als het vliegske, licht
en schitterend in de zon,
zo vliegt en lacht het los gedicht
met zijne Dichter ton:
neen, blij en is mijn ziel toen niet,
maar is iets meer als blij,
wanneer zij, God zij dank, geniet
een dreupelke poësij!

 

 

Spreeuwen

„’k Zie-’t!” zo vliggert, vlug te vlerke,
recht de torre in van de kerke,
daar ze is nest aan ’t bouwen!... „’k zie-’t!”
piept de spreeuwe, en anders niet.

Maar wat is mij, scherpgebekte,
zwart-halfgroen gevliggervlerkte,
vage vogel, dan ’t bedied
van uw eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”

Ziet gij, daar omhoog aan ’t broeden,
ziet ge, aan ’t blijde jongskes voeden,
in uw pierende oogskes, iet
dat elk mense niet en ziet?

Zeg, of is ’t de zonne rijzen,
dat gij ziet, is ’t buien bijzen;
kwade wichten of kwa died
zitten ievers, diepe in ’t riet?

„’k Zie-’t!” zo piept gij; ziet gij, binnen
deze borst, mij iet beminnen,
haten, willen, wensen iet,
blijdschap hebben en verdriet?

„’k Zie-’t!” uw roepwoord doet mij delven
diepe in ’t diepste diep mijns zelven,
en ontdekken daar ’t bedied
van uw eeuwig zeggen „’k zie-’t!”

Een daar is, die aan de leeuwen
’t leven gaf, en aan de spreeuwen,
Een die, vrij van al ’t verdriet,
hoge zit en verre ziet.

Een... Hij zit in zijnen torre,
zonder schaaltje en zonder schorre;
en, van ’t gene in mij geschiedt,
Hij mag eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”

 

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Borstbeeld in Brugge

Lees meer...

01-05-14

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

 

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

 

O Perenboom belaên

O Perenboom, belaên
met al goudgeelwe blaên,
oktoberziek en treurig,
de winter is 't, die naast,
en 't al het land uit blaast
dat groeizaam is en geurig!

Nog onlangs stond gij daar,
o schone perelaar,
één witte wolke blommen,
die 't weerd was om te zien,
en die naar u de biên
van verre en na deed kommen.

De zomer ging voorbij,
en dan bekroondet gij
uw edel hoofd met bruine,
zoetvleesde peren, van
daar schier mijn hand aan kan
tot in uw hoogste kruine.

Nu staat gij daar en treurt,
ontkinderd en ontkleurd,
en schijnt alom te vragen:
zal niemand, die mij zag
in mijne schone dag,
me een meêlijend herte dragen?

o Perenboom, vaar wel;
'n wilt vóór winter fel
noch weemoed buigen neder:
de winter komt en gaat,
o Perenboom: weêrstaat,
verrijzen zult gij weder!

 

 

De macht ontvalt de mense aleer hij ’t weet

De macht ontvalt de mense aleer hij 't weet;
wat baat hem dat hij werkt, en leeft, en eet?
Het leven zelf doet 't leven dood, en 't is
dat wij geen duur en hebben, 't grootst gemis
van al dat ons ontbreekt. o Duurzaamheid
oneindig, al omvattend, uitgebreid,
die, onbegonnen, nimmer sterven zult;
die 't wezen van het wezen heel vervult,
u ken ik, ja, heb dank; u ben ik? Neen:
want duurzaamheid, o God, zijt Gij alleen!

 

 

Tempus edax...

't Is stille! Neerstig tikt het ongedurig
hangend wezen,
waarop de weg naar 't eeuwige, in
twaalf stappen, staat te lezen.

't Is stille en middernacht! Alsof
ik blind ware, om mij henen,
in donkere diepten schijnt het al
verduisterd en verdwenen.

't Is stille! Niets te zien en niets
te horen, 't doet mij beven!
als 't altijd neerstig bijten van
den tijdworm aan ons leven!

 

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Zandsculptuur door Marielle Heessels, Blankenberge

Lees meer...

01-05-13

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

 

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder de tags voor Guido Gezelle.

 

 

Weldadig zonneweer

 

Weldadig zonneweer,
hoe lang heeft ons verlangen
gewacht naar uwe troost,
geveterd en gevangen
in ‘s winters lastigheid!
Zal ‘t zomer zijn voortaan,
of zult ge, wederher
al, zonne, u duiken gaan?

De mensen danken u
volmondig, en de hoven,
in ‘t eerst aanschouwde groen,
u dankbaarheid beloven;
de vogels vliegen los
en blij; het kwekenoot,
ontdonkerd hier en daar,
de staldeure openstoot.

Daar davert iet dwersdeur
elk wezen; daar zijn stralen
van louter levendheid,
die uit de hemel dalen:
of wat, ontdekt het mij,
wat is die geile stroom,
die alles blij zijn doet,
‘t zij mense, dier of boom?

‘t Is zonneweer; het is...
‘t is zomer; al ‘t geleden,
al ‘t uitgedoogde kwaad
is weg, uit lijf en leden;
de zonne lacht en laaft
het herte los en vrij
van kommer, of het ook
geen dag nog zonne en zij.

Wie zal de goedheid dan,
wie de eeuwig onbegonnen
mildadigheid van Hem,
de dageraad aller zonnen,
verstaande, ootmoediglijk
genoeg, op beide knie'n
aanbidden? wie de naam
vollovend zijn van Dien?

Door de eeuwige eeuwen heen,
geloofd zij ‘t eeuwig Wezen;
zij ‘t eeuwig Licht geloofd,
zo nu zo ooit nadezen:
zij ‘t eeuwig Liefdevier,
het leven van ‘t heelal,
geloofd, zo lange iet is,
of ooit iet wezen zal!

 




‘k Zal mij van te dichten zwichten

 

‘k Zal mij van te dichten zwichten,
zo ‘t mijn hart niet wel en gaat:
wie kan rijpe bezen lezen
van een tak die droge staat?

Laat de lieve wonnenbronne,
laat het leutig zonnenvier,
laat de verse blommen kommen,
laat weerom de lente, alhier!

Dan ja, zal ‘k genezen wezen,
opstaan en, gespannen fel,
of ‘t een klare snare ware,
dichten ende deunen wel!

 

 

 

 

Oneigene

 

Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten tot schande ?
Mijn herte en mijn tale, mijn
rede en mijn zin,
't is al zo van buiten, 't is
al zo van bin'
't ligt alles daar bloot op mijn handen !

Dan, weg met de oneigene
tale en de schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw, dat en
wille ik niet zijn ;
dat in mij en aan mij is,
dàt hete ik mijn
oneigene, ik late u, . . . . gaat reizen !

 

 

 

 

Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

Portret door  H. De Graer, 1905

Lees meer...

01-05-11

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

 

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder de tags voor Guido Gezelle.

 

 

Als de ziele luistert

 

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blâren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heilige voet,
talen ende vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!

 

 

 

Terug

 

Scheef is de poorte, van
oudheid geweken;
zaâlrugde 't dak van
de schure; overal
stro op de zwepingen
zit er gesteken;
vodden beveursten het
huis en de stal.

Boven die vodden zijn
blommen gesprongen;
onder die vodden zit
volk en gezin:
blommen van vrede, zo
ouden, zo jongen,
blommen van buiten en
blommen van bin.

Daar is 't dat moeder zat;
daar is 't dat vader
vond die hem arbeid en
herte bracht; daar
knielden wij, kinderen,
handen te gader,
baden wij, kleinen en
groten te gaâr.

Daar is de schippe nog,
daar is de tange;
't ovenbuur staat daar, zo
't vroeger daar stond;
't hondekot staat daar, en...
- 't is al zo lange! -
Hoe is de naam van die
andere hond?

Ach, hoe verheugen mij,
ach, hoe verheffen
de oudere dagen mijn
diepste gemoed!
Is er wel iemand, die 't
ooit kon beseffen
wat gij, oud hof, mij nu
zegt, mij nu doet?

Zalige lieden, al
te argloze mensen,
weinig begeerdet gij,
groot was uw hert!
- Kon het maar helpen, met
wenen en wensen,
weer ate ik roggenbrood,
naast u, aan 't berd!

 

 

 

'k Hoore tuitend' hoornen

 

'k Hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij
voor mij:
de navond is nabij,
komt bij:
zegene u de Alderhoogste, want
de navond is nabij,
komt bij:
'k hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij,
voor mij!

 

 

 

Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

Beeld door Jules Lagae in Kortrijk

 

 

Lees meer...

03-06-10

Pedro Mir, Detlev von Liliencron, Friederike Brun, Eugène Van Oye, Carlo Michelstaedter, Otto Erich Hartleben, Philippe Quinault


De Domicaanse dichter en schrijver Pedro Mir werd op 3 juni 1913 in San Pedro de Macorís geboren. Zie ook mijn blog van 3 juni 2009.

 

Uit: Countersong to Walt Whitman (Vertaald door Jonathan Cohen)

 

9

 

For

         what has a great undeniable poet been

                but a crystal-clear pool

                       where a people discover their perfect

                              likeness?

What has he been

                              but a deep garden

                                     where all men recognize themselves

                                            through language?

And what

                 but the chord of a boundless guitar

                        where the fingers of the people play

                               their simple, their own, their strong and

                                      true, innumerable song?

For that’s why you, numerous Walt Whitman, who saw and ranted

just the right word for singing your people,

who in the middle of the night said

                                                         I

and the fisherman understood himself in his slicker

and the hunter heard himself in the midst of his gunshot

and the woodcutter recognized himself in his axe

and the farmer in his freshly sown field and the gold

panner in his yellow reflection on the water

and the maiden in her future town

                                                       growing and maturing

under her skirt

and the prostitute in her fountain of gaiety

and the miner of darkness in his steps beneath his homeland . . .

When the tall preacher, bowing his head

between his two long hands, said

                                                         I

and found himself united with the foundryman and the salesman

with the obscure traveler in a soft cloud of dust

with the dreamer and the climber,

with the earthy mason resembling a stone slab,

with the farmer and the weaver,

with the sailor in white resembling a handkerchief . . .

And all the people saw themselves

when they heard the word

                                          I

and all the people heard themselves in your song

when they heard the word

                                          I, Walt Whitman, a kosmos,

                                          of Manhattan the son . . . !

Because you were the people, you were I,

and I was Democracy, the people’s family name,

and I was also Walt Whitman, a kosmos,

of Manhattan the son . . . !

 

 

 

Pedro_Mir
Pedro Mir (3 juni 1913 – 11 juli 2000)

 

 

 

 

De Duitse dichter Detlev von Liliencron werd op 3 juni 1875 in Kiel geboren. Zie ook mijn blog van 3 juni 2007 en ook mijn blog van 3 juni 2008 en ook mijn blog van 3 juni 2009.

 

 

Italienische Nacht

 

I

                Weit fort, im südlichen Italien war es. -

Du schautest vom Altane in den Garten

Auf weiterhellte, festbelebte Wege.

Dann hob dein Auge sich, und deine Seele

Verlor sich in das Schweigen ferner Landschaft:

    Im Meer des Mondenlichtes liegen still

    Die weißen Schlösser, Schiffen gleich, vor Anker.

    Es dunkeln, Inseln, die Zypressenhaine,

    Wo Liebesworte und Gitarrenklang

    Im gleichen Fall der Brunnen sich vermischen.

Wie lange willst du träumen, deutsche Frau,

Von glutdurchtränkter Nacht des Romeo?

Weckt dir Erinnerung nicht liebe Bilder

Aus unbarmherzig strenger Winternacht,

Die mit gesenktem Augenlid umdämmert

Die Hünengräber deines rauhen Strandes?

 

II

 Im Nebelnorden, an der Ostseeküste,

Abseits der Städte und der großen Straßen,

Schläft einsam und vergessen, halb verweht

Im Schnee, von harten Stürmen oft gezaust,

Ein kleines Gut. Zwei ungeschlachte Riesen,

Uralte Tannen, strecken ihre Arme

Wie Speere vor zum Schutz des Herrenhauses.

Unhörbar, drinnen auf dem Smyrnateppich,

Geht eine junge Dame auf und nieder.

Bisweilen bleibt sie stehn, schraubt an der Lampe,

Schiebt auf dem Bechstein an das Notenpult

Die schweren Bronzekandelaber näher,

Zupft im Vorübergehen an der Decke

Des Sofatisches, horcht, und wandert, horcht,

Die grauen Augen auf die Tür gerichtet.

Bis endlich ihre schwere Stirn ein Schwarm

Von Sommervögeln lustig überflattert.

Nun schreitet langsam auf dem warmen Teppich

Ein Pärchen, angeschmiedet, auf und nieder.

Behaglichkeit, das Kätzchen, schnurrt im Zimmer,

Indessen draußen in der Winternacht,

Ein Abglanz von den Schilden Schlachterschlagner,

Die fleißig in Walhall den Humpen schwingen,

Die blassen Strahlenbündel eines Nordlichts

Am strengen Himmel Odins sich ergießen.

Und auf der toten Heide bellt der Fuchs.

 

 

 

 

Liliencron
Detlev von Liliencron (3 juni 1875 – 22 juli 1909)

Portret door  Arthur Illies, 1913

 

 

 

 

De Deense dichteres Friederike Brun werd geboren op 3 juni 1765 in Gräfentonna, Thüringen. Zie ook mijn blog van 3 juni 2007 en ook mijn blog van 3 juni 2009.

 

 

Zuruf an die Gegend von Rom
 
Sey mit stürzenden Thränen der Freude gegrüßt,
Was auch fern vor der Seele mir stand,
Wo sich kühner der Keim der Gedanken erschließt,
O du altes Saturnisches Land,
Wo die heilige Höh' und die wallende Fluth
Mir entzünden und kühlen die sehnende Gluth,
Die nach dir ich im Busen empfand.
 
Wem im Busen das Herz, in dem Herzen der Geist
Sich erhebet zum höheren Seyn;
Wem sich tiefer der Quell der Gedanken ergeußt,
O wie fröhlich kann der hier gedeih'n!
Stürzt die WeIt auch in stäubende Trümmer dahin,
Im Unendlichen schwebet der geistige Sinn,
Und verschmäht den betrüglichen Schein!
 
Was da war, was noch ist, und was werden einst kann.
Das erscheinet dem sinnenden Blick!
Wenn sich löset der vielfach umkreisende Bann,
Und einst Nemesis kehret zurück!
Mit der Rechten schwingt sie die Geißel empor,
Treibt aus finsterer Nacht die Verbrecher hervor,
Und befreit das gefesselte Glück!

 

 

 

 

Brun
Friederike Brun (3 juni 1765 – 25 maart 1835)

 

 

 

 

De Vlaamse arts, dichter en toneelschrijver Eugène Van Oye werd geboren in Torhout op 3 juni 1840. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 3 juni 2007 en ook mijn blog van 3 juni 2009.

 

Vriendenzoen

(Voor Eugène van Oye)

 

Waar zaat gij dan

gestoken, gij,

verduisterd en

verdoken, gij,

o vriendenhert:

dor vriendenhand,

zoo waandet ge, in

uw onverstand,

gekwetst en afgewezen?

‘k En hadde u nooit

vergeten, ik,

geen weêrstand u

verweten, ik;

geen stroo u in

den weg geleid,

geen werk gedaan,

geen woord gezeid,

dat kwetsende u kon wezen.

 

Nog meer als ik,

zijt gij, misschien,

een vriendenherte

en mij, misschien,

spijts al hetgeen,

tot beider leed,

ons beider liefde

in stukken smeet,

een ware vriend gebleven?

Dat vriendschap is

moet sterker zijn,

moet, sterk alzoo

de kerken, zijn

gesteund op vast-

en dieper grond

als vriendenhand

en vriendenmond,

zoo nu, zoo na dit leven.

 

‘t Is dit alleen,

dat scheiden ons

zoo bitterlijk,

dat beiden ons

kon drijven, om,

gij hier, ik daar,

verre af en zoo

nabij malkaar,

te porren en te pogen

aan ‘t gene ik wist,

of waande, dat

het was; en gij

hieldt staande dat

het niet en was:

niet anders als

een ijdel woord,

een vuil en valsch,

eene opgesmukte logen.

 

Zoo ziet men ‘t gene,

op dezen dag,

nog ijzervast

gevezen lag,

verworteld en

verwassen, eer

‘t ooit morgen is,

met éénen keer,

ter stede, in stukken vliegen;

zoo komt men eere

en trouw vaneen,

zoo komt men man

en vrouw vaneen,

zoo vriendenherte

en vriendenhand,

zoo onderdaan

en vaderland

en volk intween te liegen.

 

‘k Herbiede u dan

de vriendenhand,

het vriendenhert,

den vriendenband,

die, spannende en

weêrspannig aan

ons beider bede,

is losgegaan,

nu weêr aaneen te binden.

‘k Herbiede u hulpe

en bijstand, in

den strijde, om weêr

den vijand in

te stormen; en

dat ongekleed,

dat edel wicht,

dat Waarheid heet,

te zoeken en te vinden.

 

 

 

Guido Gezelle

 

 

 

 

VanOye
Eugène Van Oye (3 juni 1840 - 4 juni 1926)

Standbeeld in Gistel

 

 

 

 

 

De Italiaanse dichter, filosoof en schilder Carlo Michelstaedter werd geboren op 3 juni 1887 in Gorizia. Zie ook mijn blog van 3 juni 2009.

 

Uit: Persuasion and Rhetoric (Vertaald dsoor Russell Scott Valentino)

 

„Nor is any life ever satisfied to live in any present, for insofar as it is life it continues, and it continues into the future to the degree that it lacks life. If it were to possess itself completely here and now and be in want of nothing-if it awaited nothing in the future-it would not continue: it would cease to be life.

So many things attract us in the future, but in vain do we want to possess them in the present.

I climb to a mountaintop: its height calls me, I want to have it, and I ascend and dominate it. But how can I possess the mountain? I am truly high above the plain and sea, and I see the wide horizon from the mountain. But none of that is mine: What I see is not within me, nor does seeing more ever mean, "I have seen": the sight, I don't possess it. The sea shines bright in the distance-that will be mine in a different manner. I shall descend to the coast. I'll hear its voice, sail along its back and ... be content. But now on the sea, "the ear cannot be filled with hearing," the boat rides ever new waves, and "an equal thirst takes hold of me." I may plunge into it, feel a wave across my body, but where I am the sea is not. If I want to go where the water is and have it, the waves make way before the swimming man. I may drink in the saltiness, exult like a porpoise, drown myself, but I still won't possess the sea: I am alone and distinct in its midst.

Nor can a man seeking refuge in the persona he loves satisfy his hunger: neither kisses nor embraces nor any other demonstrations invented by love can interpenetrate one with the other: they will always be two, each alone and distinct. Men lament this solitude, but if they find it lamentable it is because being with themselves they feel alone: they feel themselves to be with no one, in want of everything.“

 

 

 

Carlo_Michelstaedter
Carlo Michelstaedter (3 juni 1887  - 17 oktober 1910)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Otto Erich Hartleben werd geboren op 3 juni 1864 in Clausthal. Zie ook mijn blog van 3 juni 2009.

 

 

 

Der Sünder

 

Wenn ich den Wellenschlag des Meeres höre,

eintönig rauschend, Nachts, in dunkler Stunde,

aufblutet des Gewissens alte Wunde,

so stark ich auch mich wider mich empöre.

 

Ich seh ein Weib, gehüllt in Trauerflöre,

das murmelt dumpf mit todesblassem Munde,

was mich vor Graun erbeben macht, die Kunde,

dass sie der Schande Fluch im Grabe störe.

 

Weh meinem fiebergluth-durchlohten Hirne!

Ich seh sie winken mir mit schmalen Händen –

und kalte Tropfen perlen von der Stirne.

 

Der Rache Faust seh ich auf mich sie wenden,

weil sie durch mich erniedrigt ward zur Dirne –

in Qualen fühl ich meine Nächte enden.

 

 

 

 

Wir hattens einst so gut verstanden

 

Wir hattens einst so gut verstanden,

zu küssen uns zu rechter Stund,

eh wir es selber ganz empfanden,

gefunden hatte Mund den Mund.

 

Ein einiger Gedanke schwebte,

war weder mir noch dir bewusst,

und plötzlich Lipp an Lippe bebte

und plötzlich bebte Brust an Brust.

 

Dann haben wirs vergessen müssen,

verleugnet ward die Kinderzeit,

wir trugen, statt uns froh zu küssen,

ehrbar und dumm das Heuchlerkleid.

 

Doch als ich heut nach langen Tagen,

dich still geliebte wiedersah –

wir hattens gar zu schwer getragen –

war Kuss und Kindheit wieder da!

 

 

 

 

hartleben
Otto Erich Hartleben (3 juni 1864 – 11 februari 1905)

 

 

 

 

 

De Franse dichter, schrijver en librettist Philippe Quinault werd geboren in Parijs op 3 juni 1635. Zie ook mijn blog van 3 juni 2009.

 

 

Poème sur l’hérésie (Fragment)

 

TABLEAU DE LA CHUTE DE L'HÉRÉSIE

 

Je n’ai que trop chanté les jeux et les Amours.

Sur un ton plus sublime il faut me faire entendre ;

Je vous dis adieu, Muse tendre,

Je vous dis adieu pour toujours.

C’est à des actions d’éternelle mémoire

Que je dois consacrer mes vers,

Je ne veux désormais célébrer que la gloire

Du plus grand Roy de l’Univers.

Quelle multitude innombrable

D’héroïques vertus et d’étonnants exploits !

Est-ce la valeur indomptable

Ou la sagesse impénétrable

Pour qui je dois d’abord faire éclater ma Voix ?

Chanterai-je la guerre où ce Roy redoutable

De tant de Rois ligués a triomphé cent fois ?

Chanterai-je la paix encore plus mémorable

Dont en Maistre du Monde il imposa les loix ?

Mais un nouveau triomphe à qui tout autre cède

M’engage à l’annoncer sur les tons les plus forts :

Loin de moy, profanes transports,

Un transport divin me possède.

Avec étonnement j’observe un si grand Roy,

J’ay peine à soutenir tout l’éclat de sa gloire

Pour exprimer ce que je voy !

L’avenir pourra-t-il m’en croire ?

 

 

 

Philippe Quinault
Philippe Quinault (3 juni 1635 - 26 november 1688)

Standbeeld in de gevel van het l'Hôtel de ville in Parijs

 

01-05-10

Guido Gezelle, Joseph Heller, Johano Strasser, Yasmina Reza, Yánnis Rítsos, Ignazio Silone, Antal Szerb, Aleksander Wat


De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2006 en ook mijn blog van 1 mei 2008 en ook mijn blog van 1 mei 2009.

 

 

Half april

 

Gij blauwgekaakte wolken daar,
halfwit, omtrent uw boorden,
die gruwzaam in de hemel moêrt,
en grimt in ‘t gramme noorden:
hoe lange speelt gij, koud en kil,
de baas nog hier? ‘t Is half april!

‘t Is onbermhertig koud; en ‘t kan,
de zonne ondanks, gebeuren,
dat, ‘s morgens, al dat gers is, wit
geruwrijmd, staat te treuren!
Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,
des winters? Wij zijn wintermoe!

‘t Moet zomer zijn, geen koude lucht,
die bijt en straalt; ‘t moet open,
dat, wachtende, in de botte zit
of weer in ‘t gers gekropen,
van schuchterheid, voor ‘t nijpen van
de hardgevuiste winterman!

Staat op, gij oosters zonnelicht,
en schiet, bij volle grepen,
uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
het graf, daarin, genepen,
de zomer zat: verrijzenist
des konings kind! Te late al is ‘t!

Hallelu-jah! dan zingen zal,
dat ‘t wederklinkt alomme,
de gorgel los, de vogel en
de luidgekeelde blomme;
de klepel zal de klokke slaan
en kondigen de Koning aan.

 

 

 

De ramen

 

De ramen staan vol heiligen,
gemiterd en gestaafd,
gemartelaard, gemaagdekroond,
gehertoogd en gegraafd;
die 't branden van het ovenvier
geglaasd heeft in de scherf,
die, glinsterend, al de talen spreekt
van 't hemelboogs geverf.

Doch schaars is herontsteken in
de oosten het geweld
der zonnevonke, en valt zij op
de heiligen, zo smelt
't samijtwerk uit de mantelworp,

de goudware uit de kroon,
en alles, even wit nu, blinkt
en bliksemt even schoon.

Verdwenen zijt gij, hertogen
en graven dan, zo zaan;
verdwenen, maagden, martelaars
en bisschoppen: voortaan
geen palmen, staven, stolen meer,
't is alles henen, tot
één helderheid gesmolten, in
één zonnelicht - in God.

 

 

 

 

Daar liep een dichtje

 

Daar liep een dichtje in mijn gebed,
en 'k wilde 't aan de kant gezet,
maar, niet te doen, het wilde en 't zou
mij plagen, als ik bidden wou!
En nu is mijn gebed gedaan,
en 't dichtje is 'k weet niet waar gegaan:
vergeefs gezocht, vergeefs, o wee,
'k en vinde noch rijm noch dichtje meer!

 

 

 

 

Guido-Gezelle

Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

Standbeeld in Brugge

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Joseph Heller werd geboren in New York op 1 mei 1923. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2008 en ook mijn blog van 1 mei 2009.

 

Uit: Closing Time

 

When people our age speak of the war it is not of Vietnam but of the one that broke out more than half a century ago and swept in almost all the world. It was raging more than two years before we even got into it. More than twenty million Russians, they say, had perished by the time we invaded at Normandy. The tide had already been turned at Stalingrad before we set foot on the Continent, and the Battle of Britain had already been won. Yet a million Americans were casualties of battle before it was over -- three hundred thousand of us were killed in combat. Some twenty-three hundred alone died at Pearl Harbor on that single day of infamy almost half a century back -- more than twenty-five hundred others were wounded -- a greater number of military casualties on just that single day than the total in all but the longest, bloodiest engagements in the Pacific, more than on D day in France.
No wonder we finally went in.
Thank God for the atom bomb, I rejoiced with the rest of the civilized Western world, almost half a century ago, when I read the banner newspaper headlines and learned it had exploded. By then I was already back and out, unharmed and, as an ex-GI, much better off than before. I could go to college. I did go and even taught college for two years in Pennsylvania, then returned to New York and in a while found work as an advertising copywriter in the promotion department of Time magazine.
In only twenty years from now, certainly not longer, newspapers across the country will be printing photographs of their oldest local living veterans of that war who are taking part in the sparse parades on the patriotic holidays. Theparades are sparse already. I never marched. I don't think my father did either. Way, way back, when I was still a kid, crazy Henry Markowitz, an old janitor of my father's generation in the apartment house across the street, would, on Armistice Day and Memorial Day, dig out and don his antique World War I army uniform, even down to the ragged leggings of the earlier Great War, and all that day strut on the sidewalk back and forth from the Norton's Point trolley tracks on Railroad Avenue to the candy store and soda fountain at the corner of Surf Avenue, which was nearer the ocean.

 

 

 

joseph_heller
Joseph Heller (1 mei 1923 – 12 december 1999)

Heller in 1961

 

 

 

 

De Duitse schrijver Johano Strasser werd geboren op 1 mei 1939 in Leeuwarden. Zie ook mijn blog van 1 mei 2009.

 

 

"Camping Europa

Wahrlich wir leben
Und leben nicht schlecht
In Deutschlands europäischem Teil
Aber schon Goethe trieb es nach Süden
Winckelmann träumte von Athen
Unterwegs auf den schlammigen Straßen
Zwischen Bückeburg und Berlin
Mal über den Grenzfluß die Wasserscheide
Endlich vor Augen das andere Meer
Das ist das Leben

Heimlich im Schatten der Backsteindome
Brüten wir eine Ferne aus
Nordkap Nordafrika Normandie
Reisende Büßer in Knobelbechern
Unter unserem Sehnsuchtsblick
Wölbt sich der Himmel wogen die Felder
Schreien die Raben bei Stalingrad

Schwer klumpt die Erde
An unseren Füßen
Hemmt unsere Heimkehr
Wärmten uns lieber an euren Feuern
Lauschten den Liedern
Dem Lachen der Frauen
Herder war Deutscher Das Slawenkapitel
Staunend lesen es unsere Nachbarn:
Unsere Seele wuchert nach Osten

Aber nach Süden lichtet der Wald sich
Hier bauten Fremde
Was wir erträumten"

 

 

 

 

johanostrasser
Johano Strasser (Leeuwarden, 1 mei 1939)

 

 

 

 

De Franse schrijfster Yasmina Reza werd geboren op 1 mei 1960 in Parijs. Reza is een Iranese met een Hongaarse moeder die in Parijs woont. Zelf zegt ze dat haar enige nationaliteit de Frans taal is.
Haar carrière begon ze echter op de planken als comédienne.  Haar toneelstuk „Art“ trok volle zalen in de 'Comédie des Champs Elysées'; kreeg twee Molières: beste nieuwe auteur en beste productie in de vrije sector. Het was ook een groot succes in het Londense West-End en op Broadway waar ze in 1998 (zeer opmerkelijk voor een niet-Engelstalig auteur) een Tony-award wegkaapte.
Ander werk van haar hand: Conversations après un enterrement (1987), La traversée de l'hiver, Hammerklavier (autobiografisch relaas 1997), Une désolation (roman 1999)

 

Uit: Le Dieu du carnage

 

„ANNETTE. Nous sommes très touchés par votre générosité, nous sommes sensibles au fait que vous tentiez d'aplanir cette situation au lieu de l'envenimer.
VERONIQUE. Franchement c'est la moindre des choses.
MICHEL. Oui ! ANNETTE. Non, non. Combien de parents prennent fait et cause pour leurs enfants de façon elle-même infantile. Si Bruno avait cassé deux dents à Ferdinand, est-ce qu'on aurait pas eu Alain et moi une réaction plus épidermique ? Je ne suis pas sûre qu'on aurait fait preuve d'un telle largeur de vues.
MICHEL. Mais si ! ALAIN. Elle a raison. Pas sûr.
MICHEL. Si. Parce que nous savons tous très bien que l'inverse aurait pu arriver.
Flottement.

(...)

 

VERONIQUE. Maisj'ignorais tout voyons ! Michel nous a dit aux enfants et à moi que le hamster s'était enfui le lendemain matin. Je suis descendue tout de suite, tout de suite,j'ai fait le tour du pâté, je suis même allée à la cave.
MICHEL. Véronique, je trouve odieux d'être subitement sur la sellette pour cette histoire de hamster que tu as cru bon de raconter. C'est une affaire personnelle qui ne regarde que nous et qui n'a rien à voir avec la situation présente ! Et je trouve inconcevable de me faire traiter d'assassin ! Dans ma maison !“

 

 

 

Reza
Yasmina Reza (Parijs, 1 mei 1960)

 

 

 

 

De Nieuwgriekse dichter Yánnis Rítsos werd geboren op 1 mei 1909 in Monemvasia.

 

 

 

YOU WERE KIND AND SWEET OF TEMPER (ISSOUN KALOS ISSOUN GLYKOS)

 

You were kind and sweet of temper, aIl the good graces were yours,
all the wind's caresses, all the gillyflowers of the garden.

You were light of foot, treading as softly as a gazelle,
when you stepped past our threshold it always glittered like gold

I drew youth from your youth and to boot, I could even smile.
Old age never daunted me and death I could disregard.

But now where can I hold my ground? Where can I find shelter?
I'm stranded like a withered tree in a plain buried in snow

 

Vertaald door Amy Mims

 

 

 

 

Perplexity

 

Closed shops. Flour spilt upon the pavement.

Sandbags heaped by the shelter. Hands folded,

sad, he sits behind the garden's gate. A mob

of swallows flies over, their shadows crossing

his face. He bends over and gathers flowers.

He makes a wreath. Will he put it on?

 

 

 

Vertaald door Scott King

 

 

 

 

ritsos_en_theodorakis
Yánnis Rítsos (1 mei 1909 — 11 november 1990)

Ritsos (hier links) met Mikis Theodorakis

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver Ignazio Silone werd geboren op 1 mei 1900 in Pescina dei Marsi

 

Uit  Fontamara (Vertaald door Hanna Dehio)

 

Auch er wurde als Reaktionär bezeichnet. jeder von uns wartete darauf, an die Reihe zu kommen, und keinem gelang es zu erraten, welche Antwort der Vertreter der Obrigkeit hören wollte. Unsere größte Sorge war natürlich, daß man uns zwingen würde, für jede falsche Antwort zu zahlen, und daß die ganze Prüfung nur ein Vorwand für eine neue Steuer war. Das Wort »Reaktionär«" war uns unbekannt, aber es war mehr als wahrscheinlich, daß es bedeutete »muß bezahlen.
Ich versuchte, mich Baldissera zu nähern und mich von ihm über die richtige Antwort belehren zu lassen, denn er war uns anderen an Wissen und Kenntnis der Gebräuche überlegen. Er sah mich jedoch mit einem mitleidigen Lächeln an wie einer, der ganz gut weiß, worauf es ankommt, aber sein Wissen für sich behalten will.
»Wen läßt du hochleben?,« fragte ihn der Mann des Gesetzes.
Der alte Schuster nahm den Hut ab und rief: »Hoch lebe die Königin Margherita.« Der Erfolg entsprach nicht ganz dem, was Baldissera erwartet hatte. Die Milizsoldaten fingen an zu lachen, und der Anführer bemerkte: »Die ist tot. Die Königin Margherita ist längst gestorben.«
»Was, sie ist gestorben, sagte Baldissera tief betrübt. »Das ist doch nicht möglich.«
Der Dickbäuchige lachte voller Verachtung und sagte zu Filippo:
»Schreib >Konservativer<«.
Baldissera schüttelte noch im Fortgehen den Kopf über diese Häufung unverständlicher Ereignisse. Als nächster wurde Antonio La Zappa aufgerufen. Er war von Berardo entsprechend beraten worden und gab zur Antwort:
»Nieder mit den Spitzbuben.«
Damit rief er heftigen Widerstand bei den schwarzen Männern hervor, die sich persönlich getroffen fühlten.“

 

 

 

IgnazioSilone
Ignazio Silone
(1 mei 1900 – 22 augustus 1978)

 

 

 

 

De Hongaarse schrijver Antal Szerb werd geboren op 1 mei 1901 in Boedapest.

 

Uit: Reise im Mondlicht (Vertaald door Christina Viragh)

 

„Eines Abends, als sie nach dem Theater ins Hotel zurückkehrten, hatte Mihaly das Gefühl, er würde ganz gern noch etwas trinken. Was, das wußte er nicht so genau, am ehesten war ihm nach einem süßen Wein zumute. Er erinnerte sich an den eigenartigen, klassischen Geschmack des Samosweins, den er in Paris, in einer kleinen Weinhandlung in der Rue des Petits Champs 7, oft getrunken hatte, und er überlegte sich, daß Venedig ja schon halbwegs Griechenland war und man bestimmt Wein von Samos oder vielleicht Mavrodaphne bekam, denn mit den italienischen Weinen kannte er sich nicht aus. Er bat Erzsi, allein hinaufzugehen, er komme gleich nach, er wolle nur rasch etwas trinken - wirklich nur ein Glas, sagte er mit gespieltem Ernst, denn Erzsi hatte ihn, ebenfalls scheinernst, zu Mäßigkeit ermahnt, wie es sich für die junge Ehefrau gehört.
Er entfernte sich vom Canal Grande, an dem das Hotel stand, und geriet in die Gassen um die Frezzeria, wo auch jetzt noch viele Leute unterwegs waren, mit der seltsamen Ameisenhaftigkeit, wie sie die Bewohner dieser Stadt charakterisiert. Die Menschen bewegen sich hier immer nur entlang bestimmter Linien, wie die Ameisen, wenn sie den Gartenweg überqueren. Die anderen Gassen bleiben leer. Auch Mihaly hielt sich an eine Ameisenstraße, weil er sich ausrechnete, daß die Bars und Fiaschetterien an den belebten Orten lagen und nicht im unsicheren Halbdunkel der leeren Gassen. Er fand auch zahlreiche Lokale, wo man trinken konnte, aber irgendwie paßte ihm keins. An jedem stimmte etwas mcht. Im einen saßen zu elegante Leute, im anderen zu einfache, und mit keinem konnte er das Getränk, das er suchte, in einen Zusammenhang bringen. Das hatte irgendwie einen heimlicheren Geschmack. Er begann sich einzureden, es gebe in Venedig nur ein einziges Lokal, wo man jenen Wein bekäme, und er müsse den Ort instinktiv finden. So geriet er in die Gäßchen hinein.“

 

 

Szerb
Antal Szerb [1 mei 1901 – 27 januari 1945)

 

 

 

 

De Poolse schrijver en dichter Alexander Wat werd geboren op 1 mei 1900 in Warschau.

 

 

Verdoemd

 

Eerst droomde ik van een koffiemolen.

Een heel gewone. Zo’n ouderwetse. Donker koffiekleurig.

 

(Als kind hield ik ervan het dekseltje open te klappen, te kijken en ogenblikkelijk dicht te slaan. Met angst, trillend! Tot mijn tanden klapperden. Het was alsof ik erin werd fijngemalen! Ik heb altijd geweten dat het slecht moest aflopen.)

 

Eerst was er dus een koffiemolen.

Of misschien leek het maar zo, want even later was het al een molen met wieken geworden.

Die molen stond op zee, op de lijn van de horizon, precies in het midden.

De vier wieken draaiden krakend rond. Ze vermaalden vast iemand.

En boven op elke wiek

draaide een equilibrist in wit

mee op de maat van Die lustige Witwe

met zijn linkerhand leunend op de wiek zweefde hij vloeiend,

met zijn voeten in de ether zilveren vlammen slaand.

Daarna doofde hij. De een na de ander. En zou het donker zijn geweest als de maan niet had gebrand.

Maar waar kwamen die nu vandaan? Voltigeuses?! Mijn beminde voltigeuses!

Licht op zware hoewel snelle molenpaarden

galopperen ze achter elkaar en ik zie er talloze,

sommige in plooiende tule, andere blootjes in zwarte zijden kousen,

weer andere in gitten – goudkleurig, turquoise, zwart, en regenboogkleurig,

de lendenen als suiker zo wit! Als tanden! En sterk, ijzersterk, zo sterk!

 

(Als jongen droomde ik van een voltigeuse – alleen een voltigeuse! Een voltigeuse zadelde de grote liefde van mijn leven! Ach! Ik heb er nooit een gekend. En dat is waarschijnlijk beter, want wat was dat voor een paar geweest: een voltigeuse en een boekhouder in de genationaliseerde begrafenisonderneming.)

 

Tja! niets duurt eeuwig. Want een ogenblik later defileerden in plaats van

de voltigeuses de Sabijnsen, in bruidsuitrusting, hoe dan ook veel trivialer,

 

(elf jaar geleden was ik verliefd op een zekere Sabina, gescheiden, maar maakt het uit: het was niet wederkerig).

 

Derhalve geen

ontvoerde Sabijnsen – vervoerende, dat wel. Waarheen?

Waar heen? Kan ik weten waarheen?

Hoe het ook zij – naar het zelfverlies.

 

Ik werd wakker. Ik wist dat het slecht moest eindigen.

 

(Saint-Mandé, juni 1956)

 

 

 

Vertaald door Gerard Rasch

 

 

 

wat

Aleksander Wat (1 mei 1900 – 29 juli 1967)

 

 

 

Zie voor de vier bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2008 en ook mijn blog van 1 mei 2009.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

01-05-09

Guido Gezelle, Joseph Heller, Johano Strasser, Yánnis Rítsos, Ignazio Silone, Antal Szerb, Aleksander Wat, Viktor Astafiev, Reinier van Genderen Stort, Marcel Prévost, Konrad Weiß, José Martiniano de Alencar


De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2006 en ook mijn blog van 1 mei 2008.

 

 

 

‘k Zat bij nen boom te lezen

 

‘k Zat bij nen boom te lezen,

al in mijnen brevier;

de zunne kwam gerezen,

gelijk een kole vier;

de blijde vogels dronken

de dreupels van den mei,

de morgenperelen blonken

en brandden in de wei,

lijk vier:

'k zat bij nen boom te lezen,

al in mijnen brevier!

 

 

 

 

Het Schrijverke

 

O Krinklende winklende waterding

met ‘t zwarte kabotseken aan,

wat zien ik toch geren uw kopke flink

al schrijven op ‘t waterke gaan!

Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,

al zie ‘k u noch arrem noch been;

gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,

al zie ‘k u geen ooge, geen één.

Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?

Verklaar het en zeg het mij, toe!

Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,

dat nimmer van schrijven zijt moe?

Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,

en ‘t water niet meer en verroert

dan of het een gladdige windtje waar,

dat stille over ‘t waterke voert.

o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -

met twintigen zijt gij en meer,

en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: -

Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?

Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,

gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;

geen christen en weet er wat dat bediedt:

och, schrijverke, zeg het mij, zeg!

Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?

Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?

Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,

of ‘t water, waarop dat ge drijft?

Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,

of is ‘et het blauwe gewelf,

dat onder en boven u blinkt, zoo diep,

of is het u, schrijverken zelf?

En t krinklende winklende waterding,

met ‘t zwarte kapoteken aan,

het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,

en ‘t bleef daar een stondeke staan:

"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af

het gene onze Meester, weleer,

ons makend en leerend, te schrijven gaf,

één lesse, niet min nochte meer;

wij schrijven, en kunt gij die lesse toch

niet lezen, en zijt gij zo bot?

Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,

den heiligen Name van God!"

 

 

 

 

 

gezelle
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Joseph Heller werd geboren in New York op 1 mei 1923. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2008.

 

Uit: No Laughing Matter

 

“IN AUGUST OF 1982 a twenty-six-year-old man in New Jersey wrote to tell me he had been on a respirator in the intensive care unit of a hospital for fifty-eight days and had not been able to talk all that time. He was admitted to the hospital on February 1, 1982, and released five months later on June 30. His wife informed me in a separate letter that he was able by August to do just about everything but play softball and run. His rate of recovery from the effects of the ailment from which he had suffered was exceptional. But what struck me more profoundly was the information that he had been deprived of the ability to speak for the fifty-eight days he required the mechanical assistance of a respirator in order to breathe. I was stunned by the knowledge. Although more than eight months had elapsed since the date of my own hospitalization with the identical ailment, and over three since my discharge, the thought had not once occurred to me that I would have been unable to talk if I too had required a tracheostomy.

My attending doctors were twin brothers who maintained their medical practice together. In my instance they had adopted the sensible approach of not giving me any distressing information about my illness unless they had to; and I had adopted the sensible defense of not seeking any. I do not remember their telling me that I would not be able to speak once the tracheostomy they mentioned as all but inevitable had been performed and I had been connected through an incision at the throat to the ventilating machine which I believe, perhaps incorrectly, was already there, built into the wall at the head of my bed. I cannot recall even associating the procedure with the need for an apparatus to breathe for me.”

 

 

 

 

heller
Joseph Heller (1 mei 1923 – 12 december 1999)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Johano Strasser werd geboren op 1 mei 1939 in Leeuwarden. Hij stamt uit een internationale familie. Zijn vader was de zoon van een Franse moeder en een Oostenrijkse vader, zijn moeder was Nederlandse. Sinds 1945 leefde de familie in Duitsland. Strasser studeerde voor tolk en vertaler in Mainz en werkte in dit beroep vanaf 1961 bij Ford in Keulen. Daarna studeerde hij in Mainz filosofie. Vervolgens deed hij onderzoek in het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Duitsland en habiliteerde zich in de politicologie aan de Freie Universität in Berlijn in 1977. Daar werkte hij vervolgens als docent Sinds 1983 is hij zelfstandig schrijver. Zijn succesvolste boek is de roman Stille Jagd uit 1995. Sinds 2002 is Strasser president van de Duitse PEN club.

 

Uit: Als wir noch Götter waren im Mai

 

“Die Landschaft meiner Kindheit hat mich nie losgelassen, auch dann nicht, als ich längst in der Pfalz, in Mainz, in Berlin und schließlich am Starnberger See lebte. Manchmal steigen auch heute noch ohne erkennbaren Anlaß die Bilder aus der Erinnerung auf: taunasse Wiesen, glänzend in der Morgensonne, das schuppige Rot der Föhren, das winterfahle Gras an einer Böschung, wo ich mich

im Schutz einer Schlehdornhecke in der Märzsonne wärme, ein stiller Fluß, das Wasser dunkelgrün unter tiefhängenden Ästen, die schwarzen Scherenschnitte der Eichenkronen gegen den hellen Abendhimmel. Auch die Gerüche und die Laute stellen sich ein, der Duft, der aufsteigt, wenn in der Nachmittagsschwüle der Regen in schweren Tropfen auf den Sandboden fällt, der Schrei der Bekassinen in den Wümmewiesen, das leise Flirren der Pappeln im Sommerwind.

Als Kind bin ich jahrelang jeden Morgen um halb sieben, den Schulranzen auf dem Rücken, zum zwei Kilometer außerhalb unseres Dorfes gelegenen Bahnhof gelaufen. Bei jedem Wetter, und fast immer allein. Die Straße führte am Sägewerk vorbei, durch tiefliegende Wiesen, eine Brücke über einen Bach mit moorigem Wasser, dann nach links einen flachen sandigen Hügel hinauf, Ginsterbüsche gab es hier und dazwischen schüttere Kartoffelfelder. Bis zum Bahnübergang ging es gerade aus, dann rechts ab ein Stück an den Gleisen entlang bis zum Bahnhofsgebäude. Ich glaube, Kinder sind Animisten. Oder Pantheisten.”

 

 

 

 

Strasser
Johano Strasser (Leeuwarden, 1 mei 1939)

 

 

 

 

 

De Nieuwgriekse dichter Yánnis Rítsos werd geboren op 1 mei 1909 in Monemvasia. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2008.

 

 

MY STAR YOU'VE SET (VASSILEPSES ASTERI MOU)

My star, you've set, fading out in the dark, aIl Creation has set,
and the sun, a black ball of twine, has gathered in its bright light

Crowds keep passing by and jostling me, soldiers trample on me,
but my own gaze never swerves ana my eyes never leave you.

The misty aura of your breath I feel against my cheek;
ah, a buoyant great light's a-float at tlie end of the road.

The palm of a hand bathed in light is wiping the tears from my eyes;
ah my son, the words you spoke rush into my innermost core.

And look now; I've risen again, my limbs can still stand firm;
a blithe light, my brave lad; has lifted me up from the ground.

Now you are shrouded in banners. My child, now go to sleep
I'm on my way to your brothers, beanng your voice with me

 

 

 

 

 

MY SWEET LAD YOU HAVE NOT BEEN LOST (GLYKE MOU ESSY DEN CHATHIKES)

 

My son, what Fate has destined you and what Fate was my doom
to kindle such buming grief, such fire inside my breast?

My sweet lad, you have not been lost, you live inside my veins.
My son, flow deep into all our veins and stay for ever alive.

 

 

 

Vertaald door Amy Mims

 

 

 

 

Ritsos
Yánnis Rítsos (1 mei 1909 — 11 november 1990)

 

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver Ignazio Silone werd geboren op 1 mei 1900 in Pescina dei Marsi. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2008.

 

Uit: Das Geheimnis des Luca (Vertaald door Fritz Jaffe)

 

»Da hast du dir aber ein schönes Stück geleistet«, rief Don Serafino mit gespielter Entrüstung. »Darf man fragen, wo du diese Manieren gelernt hast? Bürgermeister, Beisitzer, Pfarrer und Carabinieri haben bis zwei Uhr auf dich gewartet. Was meinst du, wie sich die Ärmsten durch deine Schuld vor der Bevölkerung blamiert haben?«

»Hast du etwa nicht auch auf mich gewartet?« fragte Andrea. »Wäre schade.«

»Selbstverständlich war ich da«, antwortete Don Serafino. »Aber ich war der einzige, der wußte, daß du nicht kommen würdest, der einzige, der die Gründe deiner Abwesenheit kannte, und auch der einzige« jetzt bekannte er sich zum Scherz - »der einzige, der heimlich den Rummel genoß.«

»Du hast doch hoffentlich nicht verraten, wo ich steckte, und mit wem?«

»Nein, ich habe die ganze Litanei hergesagt, ein wahres Vergnügen. Ich habe alle Leute gegen dich aufgehetzt. Wirklich ein Skandal, sagte ich. Kein guter Anfang für das neue Regime. An Stelle des Bürgermeisters würde ich sofort mein Amt niederlegen. Ich muß gestehen, daß Don Franco besonders verbittert war. Er erwartete dich vor dem Durchgang mit ganzen Bündeln von Schriftstücken unter dem Arm. >Die Nachbargemeinden werden vor Neid bersten<<, hatte er gesagt, als er kam Sein religiöses Ideal besteht ja bekanntlich in der Förderung der Bautätigkeit. Du kannst dir also vorstellen, wie sehr du gerade ihn enttäuscht hast. Als der Bürgermeister vom Balkon aus dem Häuflein, das ausgeharrt hatte, verkündete, daß ein kleiner Reiseunfall dein Eintreffen verhindert habe, lachten ihn die Leute einfach aus. Kurz und gut, Andrea, ich muß dir sagen, du gefällst mir, du bist besser, als ich vorausgesehen hatte.«

»Hast du Freude an Skandalen?«

»Manchmal. Wenn sie der bürgerlichen Obrigkeit schaden, weide ich mich geradezu daran. Nun muß ich nur noch herausbekommen, wohin sie gegangen sind, um die Flaschen Wermut und die Torten zu vertilgen, die auf Kosten der Gemeinde für den zu deinen Ehren vorgesehenen Imbiß erstanden worden waren. « Das Stübchen des Priesters mit seiner niedrigen Decke und der dunklen Holztäfelung der Wände empfing aus zwei Fensterluken karges Licht.”

 

 

 

Silone
Ignazio Silone
(1 mei 1900 – 22 augustus 1978)

 

 

 

 

 

De Hongaarse schrijver Antal Szerb werd geboren op 1 mei 1901 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2008.

 

Uit: In der Bibliothek (Vertaald door Timea Tankó)

 

Nachdem man mich wegen meiner als unsittlich empfundenen Art, Krawatten zu tragen, und wegen unmoralischer Umtriebe in Cambridge hinausgeworfen hatte, immatrikulierte ich mich am University College London, zu dessen Besonderheit es zählt, dass der Dekan das Recht hat, Priester, denen es einfallen sollte, das Universitätsgelände zu betreten, von eben diesem zu verweisen. Es wird jedoch geheimgehalten, dass es dieses Recht gibt.

Eines Tages zog ich probeweise den traditionellen und aus Kinofilmen wohlbekannten Talar der anglikanischen Geistlichen an und setzte mich demonstrativ in den Säulengang der Universität, wo sich junge Engländerinnen und junge Perser in der spärlichen englischen Sonne bräunten, als sei dies ihr Lieblingssport. Andächtig schloss ich die Augen, und ein süßer Schauder durchfuhr mich, während ich auf den Festzug des Dekans, der würdigen Alten und der Cellerarii der Universität wartete, denn ich habe eine Schwäche für jede Art von Umzug. Sie kamen jedoch nicht, die Teestunde rückte näher, und ich musste einsehen, dass ich wieder einmal naiv gewesen war. Also versuchte ich mich in der Rolle des Straßenpredigers. Ich breitete die Arme aus, nannte die Anwesenden meine Brüder und Schwestern, so, wie es sich gehört, und begann über gewisse Visionen zu sprechen, die mir angeblich im Schnellzug von London nach Liverpool gekommen seien, in denen ich die Einrichtung des Himmels klar vor Augen gehabt hätte und aufgrund deren ich wüsste, dass das große Tier aus der Apokalypse eigentlich Schottland sei. Die jungen Engländerinnen hörten mir mit andächtiger Langeweile zu, und es gelang mir nicht, auch nur das geringste Aufsehen zu erregen. Sie sind nicht einmal weggegangen. Äußerst gedemütigt machte ich mich auf den Weg, um meinen Tee zu trinken. Ich spürte, dass meine Wesensart an der englischen Wohlerzogenheit abprallte und mein Dasein hier eigentlich gar kein teleologisches war.“

 

 

 

 

szerb
Antal Szerb [1 mei 1901 – 27 januari 1945)

 

 

 

 

 

De Poolse schrijver en dichter Alexander Wat werd geboren op 1 mei 1900 in Warschau. Zie ook  Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2008.

.

Uit: Jenseits von Wahrheit und Lüge (Vertaald door Esther Kinsky)

 

WAT: Die Auflösung der kommunistischen Partei durch Moskau hat mich eigentlich nicht besonders beeindruckt, was mich hingegen unglaublich betroffen hat, war der Tod und die Lagerhaft vieler Freunde und guten Bekannten. All diese Menschen , die liquidiert wurden – das war natürlich ein schrecklicher Eindruck. Man wußte sogleich, sie sind im Gefängnis, es gibt einen Prozeß, sie sind beschuldigt, polnische Geheimdienstler zu sein usw. Das fing schon 1937 an. Zu den ersten Verhaftungen von Polen in Rußland kam es 1936, 1937. Einige wurden erst 1938 nach Moskau beordert, aber die meisten saßen schon lange dort in Haft. Warski saß schon seit Jahren, fast alle Wichtigen saßen seit Jahren. Ein paar waren in Paris und wurden  von dort nach Moskau gerufen. Die Liquidierungsprozeß begann schon von der Auflösung der Partei. Das war während der stalinistischen Welle der großen Säuberungen, der Prozesse usw.“

 

 

 

Wat
Aleksander Wat
(1 mei 1900 – 29 juli 1967)

 

 

 

 

 

De Russische schrijver Viktor Astafiev werd geboren op 1 mei 1924 in Ovsyanka. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007.

 

Uit: Wasjutka und der Taigasee (Vertaald door Maria Luise Völter)

 

“An Wasjutkas Stiefeln klebten nasse Erdklumpen. Er war müde, durchgeschwitzt, und immer wieder setzte er sich in Trab, um mit dem Vater Schritt zu halten. "Weißt du, ich habe sie im Fliegen getroffen, die Enten ..." Der Vater reagierte nicht. Wasjutka lief wieder eine Weile schweigend neben ihm her. Dann fing er noch einmal an: "Weißt du? Sie im Fliegen zu schießen, ist besser: Man trifft dann gleich mehrere!" "Gib nicht so an!" sagte der Vater streng und schüttelte den Kopf. "Woher du nur deine Prahlsucht hast! Ach du liebe Not!" Wasjutka sagte kleinlaut: "Ich gebe doch nicht an. Wenn es wahr ist, warum sollte ich dann prahlen?" Der Vater antwortete nicht, und Wasjutka wechselte verlegen das Gesprächsthema. "Schon bald, Papa, wird die Fichte zu sehen sein, unter der ich übernachtet habe. Ach, war es damals kalt!" "Mag sein, aber jetzt bist du verschwitzt. Geh hinunter, geh zum Großvater ins Boot und erzähl ihm von den Enten. Er liebt solche Geschichten. Geh jetzt, geh!" Wasjutka blieb zurück und wartete auf das Boot, das die Fischer an einer Leine hinter sich herzogen. Sie waren alle sehr müde, und Wasjutka schämte sich, in das Boot einzusteigen. Er half den Fischern beim Ziehen. Sobald in der Ferne der breite, in der dichten Taiga verborgene See zu sehen war, sagte einer von den Fischern: "Da ist Wasjutkas See." So kam es, daß die Leute den neu entdeckten See "Wasjutkasee" nannten. Der See war tatsächlich reich an Fischen. Die Brigade des Gregorij Schadrin stellte sich auf Taigaseefischfang ein. Im Winter wurde ein Häuschen gebaut. Die Fischer brachten Kisten, Salz und Netze dahin und richteten einen ständigen Stützpunkt für Seefischfang ein. Es gelang ihnen nun ganz einfach, so viele Fische zu fangen, wie es ihnen im Plan vorgeschrieben war, und noch viel mehr ...”

 

 

 

180px-Astafiyev_cropped
Viktor Astafiev (1 mei 1924 – 29 november 2001)

Monument in Krasnoyarsk

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Reinier van Genderen Stort werd geboren op 1 mei 1886 in Buitenzorg, Nederlands Indië. Het gezin Van Genderen Stort woonde tot 1888 in het huis van zijn grootvader die goeverneur-generaal van Nederlands Indië was. In 1888 vertrokken ze naar Nederland. Daar bezocht Van Genderen Stort het gymnasium in Amsterdam en begon hij te schrijven, daarbij gestimuleerd door Frans Mijnssen en Willem Kloos. Hij studeerde enige tijd Frans, hetgeen hem in contact bracht met auteurs als Zola, Flaubert, Montaigne en Guy de Maupassant, schrijvers die zijn werk sterk hebben beïnvloed. Financieel gesteund door zijn moeder legde Van Genderen Stort zich geheel toe op het schrijverschap. Hij publiceerde korte verhalen in De Stem, De Gids, Nederland en De Nieuwe Gids. In 1912 verscheen zijn eerste boekpublicatie: Idealen en ironieën. Als gevolg van een ongeneeslijke ziekte werd Van Genderen Stort in 1917 geheel blind en moest hij zijn werk voortaan dicteren. Niettemin bleef hij op deze manier publiceren en in 1925 verscheen zijn meest bekende roman Kleine Inez, die door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden bekroond werd met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Vanaf 1935 woonde Van Genderen Stort in Wapenveld in Gelderland, in het huis van zijn jeugdvriendin Gon Waterman met wie hij in 1937 in het huwelijk trad. In deze omgeving schreef hij twee dichtbundels: Najaarsvruchten (1936) en Rijmproeven (1937). Het is echter vooral zijn proza waardoor hij bekend gebleven is.

 

Uit: Kleine Inez

 

“Floris Roelof Scanderbergh was geboren in een kleine, oude stad, gelegen aan de Zuiderzee, waar zijn vader koopman was. De veste was vroeger aanzienlijk geweest. In de Middeleeuwen reeds had zij een talrijke vloot met kruisvaarders bemande koggen naar het Heilige Land gezonden en, stemhebbende stad van het machtig Holland der zeventiende eeuw, had zij haar aandeel gehad in de zeevaart, die 's lands rijkdom en grootheid had gevestigd, zoo goed als andere steden, die haar fortuinlijke ontwikkeling hadden mogen vervolgen en wier geschatte mededingster zij oudtijds geweest was. Maar de herinneringen aan dit roemrijk verleden hadden Floris Roelof tot daden meer dan tot droomen geprikkeld. Een praktische en methodische zin onderscheidde hem voor alles; maatschappelijk aanzien en stoffelijke welvaart zou hij, volgens het voorbeeld der vaderen, bestreven. De staatkundige en godsdienstige gedachten, die zijn tijdgenooten bewogen, waren doorgedrongen ook tot hem, ten spijt van zijn gymnasiale onderhoorigheid, ten spijt van de achterlijkheid of veeleer de weerbarstigheid van het stadje, waar de traditiën der regentenpolitiek nog heerschten, waar alle liberalisme werd verdoemd, waar aan weerwolven werd geloofd en waar, des winters, op onwaarschijnlijke wijze getafeld werd.”

 

 

 

GENDEREN
Reinier van Genderen Stort (1 mei 1886 – 7 januari 1942)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 1 mei 2007.

 

De Franse schrijver Marcel Prévost (eig Eugène Marcel) werd geboren op 1 mei 1862 in Parijs.

 

De Duitse dichter Konrad Weiß werd op 1 mei 1889 geboren in Rauhenbretzingen.


De Braziliaanse schrijver José Martiniano de Alencar werd geboren op 1 mei 1829 in Mecejana.

 

 

01-05-08

Guido Gezelle, Joseph Heller, Yánnis Rítsos, Ignazio Silone, Antal Szerb, Aleksander Wat, Marcel Prévost, Konrad Weiß, José Martiniano de Alencar, Viktor Astafiev


De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2006.

 

Boomen

 

    Hoe eigen zijn de boomen al,

    van dracht en groeibaarheid:

de hulst en bloot zijn' takken nooit,

hoe fel de buien berschen;

     de beukenboom zijn' handen naar

     den hemel openspreidt;

en, slaande, schijnt de berkenroe

den wilden wind te derschen!

 

    Op wacht, en achter ‘t water, staan,

    gekroond met immer versch

gewaai, de dikke koppen van

de ontaarde wilgenstompen;

     en de elzenhouten stammen zie ‘k,

     verzopen onder ‘t gers

der natte zompe, allengerhand

ze leêg- en droogepompen.

 

    Den eekenboom bewondere ik,

    die, wortelvast, alleen,

in ‘t slaghout, en van krachten en

van schoonheid heel gebleven,

     de keizer schijnt, het opperhoofd,

     de herder, algemeen,

der machtelooze rijzels, die

beneên zijn' grootheid beven.

 

    Het schaduwvolle lindenloof

    te geren schouwe ik aan,

van geur onovertroffen, als ‘t

aan ‘t bloeien is; en ‘t ronken

     der bezigzijnde bietjes, op

     de blommen en de blaân,

is zoete, alsof er harpen langs

de lindenlanen klonken.

 

    Die de eerste, die de laatste zijt,

    in ‘t warme, in ‘t koude jaar,

hoogstammig, hooggespilde, hoog-

getopte abeelen, binnen

     uw' alderhoogsten gaffel zit

     het schilde vogelpaar

dat schetterbekt, zijn luchtgebouw

zorgvuldiglijk te ontginnen.

 

    En, verre en na, gedoken in

    den essche, en in den iep;

in doorenhagen, dennenhout,

in olmen, in platanen;

     in appel-, pere- en kriekelaar,

     zoo roert er een gepiep

van vogels, die voor vogels, hun'

oorije, de wegen banen.

 

    Terwijl, geschoten hemelwaards,

    als uit nen boge, snel,

den espenboom ik striemen zie

van verre; en teeken geven

     dat hier, in onze lucht en in

     de veie gronden fel,

van ‘t vogelvolle Vlanderland,

nog boomen staan, die leven.

 

 

 

 

Het leven is een' krijgsbanier

 

Het leven is een' krijgsbanier,
     door goede en kwade dagen,
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
     kloekmoedig voorwaards dragen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
     men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
     of hem de dood beliepe!

Het leven is... geen vrede alhier,
     geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
     tot in Gods handen dragen!

 

 

 

 

KERKHOFBLOMMEN

 

Zoo daar ooit een blomke groeide
over ‘t graf waarin gij ligt,
of het nog zoo schoone bloeide:
zuiver als het zonnelicht,
blank gelijk een lelie blank is,
vonklende als een roozenhert,
needrig als de needre ranke is
van de winde daar m' op terdt,
riekend, vol van honing, ende
geren van de bie bezocht,
nog en waar ‘t, voor die u kende,
geen dat u gelijken mocht!

 

 

 

 

 

gezelle
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Joseph Heller werd geboren in New York op 1 mei 1923. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007.

 

Uit: Catch 22

 

The jeep started up again softly. Kid Sampson, Nately and the others wandered apart in a noiseless eddy of motion and were sucked away into the cloying yellow stillness. The jeep vanished with a cough. Yossarian was alone in a ponderous, primeval lull in which everything green looked black and everything else was imbued with the color of pus. The breeze rustled leaves in a dry and diaphanous distance. He was restless, scared and sleepy. The sockets of his eyes felt grimy with exhaustion. Wearily he moved inside the parachute tent with its long table of smoothed wood, a nagging bitch of a doubt burrowing painlessly inside a conscience that felt perfectly clear. He left his flak suit and parachute there and crossed back past the water wagon to the intelligence tent to return his map case to Captain Black, who sat drowsing in his chair with his skinny long legs up on his desk and inquired with indifferent curiosity why Yossarian's plane had turned back. Yossarian ignored him. He set the map down on the counter and walked out.

Back in his own tent, he squirmed out of his parachute harness and then out of his clothes. Orr was in Rome, due back that same afternoon from the rest leave he had won by ditching his plane in the waters off Genoa. Nately would already be packing to replace him, entranced to find himself still alive and undoubtedly impatient to resume his wasted and heartbreaking courtship of his prostitute in Rome. When Yossarian was undressed, he sat down on his cot to rest. He felt much better as soon as he was naked. He never felt comfortable in clothes. In a little while he put fresh undershorts back on and set out for the beach in his moccasins, a khaki-colored bath towel draped over his shoulders.”

 

 

 

heller_jozef
Joseph Heller (1 mei 1923 – 12 december 1999)

 

 

 

 

 

De Nieuwgriekse dichter Yánnis Rítsos werd geboren op 1 mei 1909 in Monemvasia. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007.

 

 

YOUR SWEETLY SCENTED LlPS (CHILI POU MOSCHOMYRISTO)

My fingers would slip through your cnrly hair, aIl through the night,
wliile you were fast asleep and I was keeping watch by your side.

Your eyebrows weIl shaped, as if drawn with a delicate pencil,
seemed to sketch an arch where my gaze could nestle and be at rest.

Your glistening eyes reflected the distances of the sky
at dawn and I tried to keep a single tear from misting them.

Your sweetly scented lips, whenever you spoke, made the boulders
and blighted trees blossom and nightmgales flutter their wings.

 

 

 

 

WHENEVER YOU STOOD NEAR THE WINDOW (STO PARATHYRI STEKOSSOUN)

Whenever you stood near the window, your brawny shoulder-blades
filled up the whole entranceway, the sea and the fishermen's boats

The house overflowed with your shadow, tall as an archangel,
and the bright bud of the evening-star sparkled up there in your ear.

Our window was the gateway for all the world, leading out
towards paradise, my dear hght, where the stars were all in bloom.

As you stood there with your gaze fixed on the glimmering sunset,
you looked like a helmsman steering a ship, which was your own room.

ln the warm blue twilight of evening - ahoy, away -
you sailed me straight into the stillness of ihe milky way
.
But now this ship has foundered, ils rudder has broken down,
and down in the depths of the ocean, I'm drifting all alone.

 

 

Vertaald door Amy Mims

 

 

 

 

ritsos
Yánnis Rítsos (1 mei 1909 — 11 november 1990)

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver Ignazio Silone werd geboren op 1 mei 1900 in Pescina dei Marsi. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007.

 

Uit: Wein und Brot (Vertaald door Hanna Dehio)

 

„Die Lehrerin hatte die neueste Nummer der Zeitung »Nachrichten aus Rom« erhalten, die wie üblich am Eingang der Schule aufgehängt werden sollte. Vorher pflegte sie den im Wirtshaus versammelten Cafoni die wichtigsten Nachrichten vorzuIesen und zu erklären. An diesem Abend hatte sich das Gerücht verbreitet, daß auch der Priester zugegen sein würde, und die Schenke füllte sich daher mehr als gewöhnlich. Es kamen Leute, die der Priester noch nie gesehen hatte. In kurzer Zeit waren etwa dreißig zerlumpte Männer versammelt, die dicht aneinander gedrängt am Boden hockten. Don Paolo saß am Fuß der Treppe, die zum ersten Stock führte, und konnte fast allen ins Gesicht sehen. Ein atemberaubender Gestank nach Stallmist und schmutzigen Kleidern schlug ihm entgegen. Es waren unterdrückte mißtrauische Menschen, ausdruckslose Gesichter auf verkrümmten Körpern, von Hunger und Krankheit gezeichnete Gesichter, und dazwischen ein paar wilde, rauflustige junge Burschen. Die angesehensten Bauern wie Magascià, Sciatàp und Grascia waren in der Nähe der Tür stehengeblieben.

Die Lehrerin war durch die Anwesenheit des fremden Priesters etwas erregt und besonders wortreich. Sie ermahnte die Zuhörer, gut aufzupassen und ohne Scheu bei schwierigen Ausdrücken Fragen zu stellen. Dann begann sie mit lauter, schriller Stimme die Nachrichten aus Rom vorzulesen. »An der Spitze unseres Volkes«, las sie, »steht ein Mann, um den alle Völker der Erde uns beneiden. Sie würden wer weiß was dafür geben, um ihn in ihrem Lande zu haben.«
Magascià unterbrach die Vorlesung. Da ihm allgemein gehaltene Ausdrücke nicht gefielen, wollte er die genaue Summe wissen, die die anderen Völker bezahlen würden, um unseren Regierungschef zu erwerben.
»Das ist nur eine Redewendung«, sagte die Lehrerin.
»Wenn es sich um Einkauf und Verkauf handelt, gibt es keine Redewendungen«, widersprach Magascià. »Wollen sie zahlen oder nicht? Und wenn sie zahlen wollen, wieviel bieten sie?«
Die Lehrerin wiederholte ärgerlich, es sei nur eine Redewendung.
»Dann stimmt es also nicht, daß sie ihn kaufen wollen«, sagte Magascià. »Und wenn es nicht stimmt, warum steht denn da, daß sie wer weiß wieviel bezahlen würden.«

 

 

 

silone
Ignazio Silone
(1 mei 1900 – 22 augustus 1978)

 

 

 

De Hongaarse schrijver Antal Szerb werd geboren op 1 mei 1901 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007.

 

Uit: PENDRAGON-LEGENDE (Vertaald door Susanna Großmann-Vendrey)

 

»My way is to begin with the beginning, ich pflege mit dem Anfang zu beginnen«, sagte Lord Byron, und er muß schließlich gewußt haben, was sich ziemt, wenn von vornehmen Engländern die Rede ist.

Eigentlich fangen meine Geschichten immer damit an, daß ich in Budapest auf die Welt gekommen bin und schon nach kurzer Zeit so geheißen habe, wie ich heute auch noch heiße: János Bátky. Aber wie ich heiße, das wußte ich damals noch nicht.

Um mich kurz zu fassen, lasse ich jetzt die Dinge, die sich zwischen meiner Geburt und meiner Bekanntschaft mit dem Earl of Gwynedd abgespielt haben, außer acht, also meine ersten zweiunddreißig Lebensjahre mit dem Weltkrieg mittendrin. Ich darf sie getrost außer acht lassen, da die Hauptrolle in meiner wundersamen Geschichte nicht mir zusteht, sondern dem Earl of Gwynedd.

Ich komme nun zur Geschichte unserer Bekanntschaft. Im Frühsommer, gegen Ende der Saison, war ich zu einer Soiree bei Lady Malmsbury-Croft eingeladen. Die Lady war meine Gönnerin, und sie hatte mich schon damals, als ich noch wissenschaftlicher Sekretär von Donald Campbell war, unter ihre Fittiche genommen. Denn beruflich beschäftige ich mich damit, daß ich älteren Engländern, die von der fixen Idee geplagt sind, einer geistigen Tätigkeit nachgehen zu müssen, als Sekretär zur Verfügung stehe.

Aber ich lebe nicht nur davon. Ich habe mütterlicherseits ein kleines Vermögen geerbt, und daher habe ich in jedem Land, in dem es mir gefällt, mein bescheidenes Auskommen. England ist seit vielen Jahren meine Wahlheimat. Ich liebe die Noblesse der englischen Landschaft.

Im Laufe des Abends bekam mich die Dame des Hauses in der Menge zu fassen und ruderte mit mir zu einem hochgewachsenen Herrn mit prächtigem Kopf und grauen Haaren, der still lächelnd tief in einem Fauteuil saß.

»Mein lieber Earl«, sagte sie, »das ist Herr János Bátky. Ich weiß jetzt nicht so genau, ob er sich mit Insektenfressern des englischen Mittelalters oder mit Dreschmaschinen des italienischen Altertums beschäftigt. Aber auf jeden Fall tut er irgend etwas, das auch Sie sehr interessieren wird.«

Und damit ließ sie uns allein.»

 

 

 

szerb
Antal Szerb [1 mei 1901 – 27 januari 1945)

 

 

 

 

De Poolse schrijver en dichter Alexander Wat werd geboren op 1 mei 1900 in Warschau. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007.

 

Uit: My Century

 

A curse on whoever invented the name... ’ – anger about a name, the meaning of words, semantics. The loss of freedom, tyranny, abuse, hunger would all have been easier to bear if not for the compulsion to call them freedom, justice, the good of the people. Mass exterminations are not an exception in history; cruelty is part of human nature, part of society. But a new, third, dimension had been added that was more deeply and subtly oppressive: a vast enterprise to deform language. Had it been only lies and hypocrisy – lying is part of human nature and all governments are hypocritical. The rulers' hypocrisy can cause rebellion, but here any possible rebellion had been nipped in the bud once and for all. A lie is an infirmity, a disease of language. The natural function of language is to ascertain the truth, or truths. Lies, by their very nature partial and ephemeral, are revealed as lies when confronted with language's striving for truth. But here all the means of disclosure had been permanently confiscated by the police. The customary or even the logical, natural connections between words and things, facts, had been taken from the individual, expropriated everywhere, and nationalized for good, so that now any word could mean whatever suited the whims of the usurper of all words, meanings, things, and souls. The viler the deed, the more grandiloquent the name. But if only this procedure were used to mask criminal means and ignoble ends – that too had happened often enough in history, the history of wars, tyrannies, and annexations; Tacitus knew about all that. But in this case a coherent set of grandiloquent terms and the opposing monstrous reality were kept side by side, ostentatiously and with diabolical thoroughness and perseverance, and under threat of extermination a person was coerced into fully believing that the terms and the facts were identical. Such things had been anticipated and attempted in history's darker hours, but this was the first time the ‘reforging of souls’ was carried out by the police on such a colossal scale, with such speed and such logic. Collective farmers dying of starvation were herded into films in which the tables buckled under the weight of food; under threat of death they had to believe that these banquets, and not their wretched poverty, their collective farms, were true and typical. Young enthusiasts sang rapturously:

I know no other land
Where a man can breathe so free’

 

while their fathers perished in the camps. But for souls that had not been reforged yet, nothing was as hateful as that total corruption of language. It drove them to their wits' end. It suffocated them like a nightmare, like a noose around their necks.

When I was at liberty in Russia, which by then had been pacified until it was like a cemetery, I saw some old people who risked their lives to shout out, if only once, that slavery is slavery and not freedom. That was to be a common thing later on in post-war Poland, even during the blackest years. I was one of that large number, and I paid dearly for it.

So in the prison latrines you could read the plain human truth about Stalin's Russia – there, and only there.”

 

 

 

 

alexander_wat
Aleksander Wat
(1 mei 1900 – 29 juli 1967)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 1 mei 2007.

 

De Franse schrijver Marcel Prévost (eig Eugène Marcel) werd geboren op 1 mei 1862 in Parijs.

 

De Duitse dichter Konrad Weiß werd op 1 mei 1889 geboren in Rauhenbretzingen.

 

De Braziliaanse schrijver José Martiniano de Alencar werd geboren op 1 mei 1829 in Mecejana.

 
De Russische schrijver Viktor Astafiev werd geboren op 1 mei 1924 in Ovsyanka.

 

 

03-06-07

Philippe Djian, Monika Maron, Gerhard Zwerenz, Friederike Brun, Detlev von Liliencron, Allen Ginsberg, Norbert Gstrein, Eugène Van Oye


De Franse schrijver Philippe Djian werd geboren in Parijs op 3 juni 1949.Hij kreeg internationale bekendheid door het boek 37,2° le matin (1985), dat onder de titel Betty Blue door regisseur Jean-Jacques Beineix in 1986 verfilmd werd. Als zoon van een Armeense immigrant groeide Djian in Parijs op. Hij studeerde korte tijd literatuurwetenschap en vervolgens journalistiek, maar brak beide studies snel weer af. Voordat hij doorbrak als schrijver werkte hij onder meer bij een uitgeverij en als boekhandelaar. In 1981 publiceerde hij zijn eerste boek, 50 contre 1, dat hij al enkele jaren daarvoor had geschreven. Na nog enkele boeken brak hij in 1985 internationaal door met 37,2° le matin.

 

Uit: Doggy bag, saison 4

 

« Au cours de tout le repas, il fixa Édith. Y avait-il une chose qu’il eût davantage désirée au monde ? Avait-il engendré un rêve capable de supplanter celui qu’il vivait aujourd’hui ? Avait-il imaginé un monde au-delà de celui-ci durant les vingt dernières années ?
Elle était assise en face de lui. Elle souriait. Elle irradiait. Elle disait nous, et ce nous valait pour elle et lui et personne d’autre. Il aurait pu tendre la main et la toucher. C’était tout ce qu’il eût jamais désiré, le seul but qu’il eût jamais cherché à atteindre. De joie, une larme aurait pu couler sur sa joue. Elle souriait, levait son verre, son haddock au curry avait encore une fois remporté tous les suffrages et ils avaient pu manger dehors en chandail.
Et pourtant, elle n’avait pas compté une seconde. Il avait baisé Martine sans hésiter, sans se soucier le moins du monde de mettre tout ça en péril pour le seul bénéfice de sa queue – pardon pour le langage. Elle lui offrit son profil en se tournant vers Joël qui venait de renverser son verre et bafouillait de vagues excuses. Il adorait tout simplement sa nuque. La nuque d’Édith était la troisième ou la quatrième merveille du monde. Comment était-ce possible ? Comment pouvait-il prendre de tels risques ? Si un doute subsistait quant à l’opportunité de se faire soigner, il y avait-là de quoi être rassuré, se disait-il. »

 

 

Djian
Philippe Djian (Parijs, 3 juni 1949)

 

De Duitse schrijfster Monika Maron werd geboren op 3 juni 1941 in Berlijn.  Karl Maron, minister van Binnenlandse Zaken in de DDR van 1955 tot 1963, was haar stiefvader. Maron werkte eerst een jaar als arbeidster in een fabriek (wat strookt met de vereiste 'proletarische' cultuur van de DDR), alvorens theaterwetenschap te studeren. Aanvankelijk werkte ze als regieassistente; twee jaar later werd ze journaliste voor het damesblad Für Dich, en voor Die Wochenpost. Ze werd in 1976 een zelfstandige schrijfster in Oost-Berlijn.

Maron zou van 1976 tot 1978 meegewerkt hebben aan een samenzwering tegen het Oost-Duitse Ministerie voor Staatsveiligheid. Ze verliet de DDR in 1988, om in Hamburg te gaan wonen. Later keerde ze naar Berlijn terug. Verder is over haar persoonlijke leven weinig bekend. Ze debuteerde in 1981 met Flugasche, een ecologische roman over de milieuvervuiling in de DDR. Stille Zeile Sechs handelt over een oud-minister van de DDR, die door een heftige anticommuniste zijn biografie wil laten schrijven. Pawels Briefe is een zoektocht naar de voorgeschiedenis van haar vervolgde Poolse familie. In 2005 schreef ze Geburtsort Berlin, een reeks essays over haar geboortestad; haar zoon Jonas voegde hieraan foto's toe, gemaakt ten tijde van de omwenteling. Zij won o.a. in 1991 de Gebroeders Grimm-prijs in Hanau, in 1992 de Kleist-prijs en in 2003 de Friedrich Hölderlin-prijs van Bad Homburg.

 

Uit: Endmoränen

 

Der Regen hatte sich über Basekow eingerichtet. Nur hin und wieder ließ er plötzlich nach, so daß man nicht wußte, ob die Tropfen von den Bäumen oder aus den Wolken fielen, aber dann, als hätte er sich nur ein paar Minuten ausruhen müssen, strömte er wieder unbeirrt aus dem gleichförmig grauen Himmel in die schlammige Erde. Nur abends, kurz bevor es endgültig dunkel wurde, zwängte sich manchmal ein Sonnenstrahl durch einen Riß in der Wolkendecke; eine kleine Ermutigung, ein Versprechen für den nächsten Tag, ein Lichtblick eben.
Während der Regenpausen machte ich kurze Spaziergänge an den See. Aber die Zeit, in der die Landschaft mir Gesellschaft leistete wie eine Person, die mich begleitete, mit der ich hin und wieder einen Gedanken austauschte und von der ich mich für die Nacht verabschiedete, war vorbei. An den Abenden, die schon lang waren, sehnte ich mich nach der Stadt. Einmal beschloß ich, am nächsten Morgen abzureisen, und dann blieb ich doch.”

 

 

maron
Monika Maron (Berlijn, 3 juni 1941)

 

De Duitse schrijver en essayist Gerhard Zwerenz werd geboren op 3 juni 1925 in Crimmitschau in Saksen. Vanaf 1956 werk hij als zelfstandig schrijver. In 1957 werd hij uitgesloten uit de SED en een half jaar later vluchtte hij naar West-Berlijn. In 1959 publiceerde hij Die Liebe der toten Männer, een weergave van de opstand van 17 juni 1953 in romanvorm. Met Casanova oder Der Kleine Herr in Krieg und Frieden schreef hij een bestseller. De held Michel Casanova is het type van de de onaangepaste mens, in welk maatschappelijk systeem dan ook.

 

Uit: Heidegger in der Waschmaschine

 

Der im Pariser Intellektuellenmilieu seit einiger Zeit betriebene Höllensturz Heideggers versetzt seine völkisch-deutschen Gesangvereine derart in Aufregung, daß aus der philosophischen Fachzeitschrift FAZ fast allwöchentlich Choräle zur Verteidigung erklingen. War Richard Wagner der omnipotente Musikus, wenn auch leider Antisemit, ist Heidegger der unübertreffliche Geistesriese, wenn auch leider ein privater und professoraler Hitlerianer, der den Führer führen wollte. Unser Vorschlag für die nächste Buchmesse: Genie und Nazi in einer Person.
     Die neue Aufklärungswelle erreicht allerdings in Paris Tsunami-Höhen. Angefangen bei Sartre bis hin zu Derrida lebten alle französischen Denker von Nietzsche und Heidegger, doch jetzt wird der verunglückte Nietzscheaner in frechen Büchern glatt der Dekonstruktion unterzogen, so daß nicht viel mehr übrigbleibt als ein Braunhemd mit Drang zur Waschmaschine.
     Den vorerst letzten Streich gegen den schaumschlagenden Weltdeuter führte Emmanuel Faye in seinem bei Albin Michel in Paris edierten 600 Seiten dicken Wälzer Martin Heidegger. L' Introduction du nazisme dans la philosophie, in dem er die Aufklärung weit übertrifft, die der Heidegger-Biograph Victor Farías 1987 mit Heidegger et le nazisme im seit Sartre heideggerseligen Paris immerhin begonnen hatte.“

 

 

Zwerenz
Gerhard Zwerenz (Crimmitschau, 3 juni 1925)

 

De Deense dichteres Friederike Brun werd geboren op 3 juni 1765 in Gräfentonna, Thüringen. Zij trouwde in 1783 met de Deense consul in Sint Petersburg, Konstantin Brun. Nadat het echtpaar teruggekeerd was naar Denemarken werd Friederike al snel de Madame de Stael van het noorden genemd. In de zeer strenge winter van 1788/89 verloor zij volledig haar gehoor. Naast haar taken als moeder en huisvrouw begon zij met schrijven. In 1790 verschene haar eerste gedichten.

 

Ich denke dein [II]
 
Ich denke dein, wenn sich im Blütenregen
Der Frühling malt;
Und wenn des Sommers mild gereifter Seegen
In Ähren strahlt.
 
Ich denke dein, wenn sich das Weltmeer tönend
Gen Himmel hebt,
Und vor der Wogen Wuth das Ufer stöhnend
Zurücke bebt.
 
Dein denk' ich, wenn der junge Tag sich golden
Der See enthebt,
An neugebornen zarten Blumendolden
Der Frühthau schwebt.
 
Ich denke dein, wenn sich der Abend röthend
Im Hain verliert,
Und Philomelens Klage leise flötend
Die Seele rührt.
 
Dein denk' ich, wenn im bunten Blätterkranze
Der Herbst uns grüßt;
Dein, wenn, in seines Schneegewandes Glanze,
Das Jahr sich schließt.
 
Am Hainquell, ach! im leichten Erlenschatten
Winkt mir dein Bild!
Schnell ist der Wald, schnell sind die Blumenmatten
Mit Glanz erfüllt.
 
Beim trüben Lampenschein, in bittern Leiden,
Gedacht' ich dein!
Die bange Seele flehte nah' am Scheiden:
»Gedenke mein!«
 
Ich denke dein, bis wehende Zypressen
Mein Grab umziehn;
Und selbst in Lethe's Strom soll unvergessen
Dein Name blühn!

 

 

 

ROSSIGOL_Brun
Friederike Brun (3 juni 1765 – 25 maart 1835)

“Rossignol philomèle” oftewel nachtegaal (Geen portret beschikbaar)

 

De Duitse dichter Detlev von Liliencron werd op 3 juni 1875 in Kiel geboren. In 1875 moet hij ontslag nemen uit militaire dienst wegens te hoge schulden. Hij probeerde daarna zonder succes in Amerika een bestaan op te bouwen. In 1881 verschenen de eerste gedichten en novellen. Zijn eerste bundel Adjutantenritte und andere Gedichte uit 1883 maakte hem vooral bij de Naturalisten bekend. Zijn hoofdwerk Poggfred. Kunterbuntes Epos in zwölf Cantussen" (Episoden), opgedragen aan vriend Richard Dehmel, verscheen in 1896.

 

 

Wie? Ein Ghasel?

 

Mein Haus, umschnürt mit Efeuranken,
Wo sich im Herbst die Spatzen zanken.
Mein Haus, wo ich geboren bin,
Vor dem zwei Silberpappeln schwanken.
Mein Haus, wo ich erzogen bin,
Um das die Schwalben ziehn, die schlanken,
Wo sommerheiße Rosen sanft,
Im Südwind schaukelnd, wohlig wanken.
Mein Haus, in dem ich, Herr allein,
Befehlen kann ganz ohne Schranken.
Mein Haus, wo schwere Sorgen mich,
In Wirklichkeit und in Gedanken,
Nachts oft wüstwild umstürmten, bis
Die Sterne in die Sonne sanken.
Mein Haus, wo manche Bowle wir
In kühlen Zimmern fröhlich tranken.
Mein altes Haus, mein altes Haus,
Soll ich zum letzten Mal erkranken,
Sei meinen Lieben Schutz und Schirm,
Schlägt mir der Tod ins Herz die Pranken.

 

 

 

LILIENCRON
Detlev von Liliencron (3 juni 1875 – 22 juli 1909)

 

De Amerikaanse dichter Irwin Allen Ginsberg werd geboren in Newark, New Jersey, op 3 juni 1926. Zie ook mijn blog van 3 juni 2006.

 

An Eastern Ballad

 

I speak of love that comes to mind:
The moon is faithful, although blind;
She moves in thought she cannot speak.
Perfect care has made her bleak.

I never dreamed the sea so deep,
The earth so dark; so long my sleep,
I have become another child.
I wake to see the world go wild.

 

 

A Supermarket In California

 

What thoughts I have of you tonight, Walt Whit-
man, for I walked down the sidestreets under the trees
with a headache self-conscious looking at the full moon.
In my hungry fatigue, and shopping for images,
I went into the neon fruit supermarket, dreaming of
your enumerations!
What peaches and what penumbras! Whole fam-
ilies shopping at night! Aisles full of husbands! Wives
in the avocados, babies in the tomatoes!--and you,
Garc
нa Lorca, what were you doing down by the
watermelons?

I saw you, Walt Whitman, childless, lonely old
grubber, poking among the meats in the refrigerator
and eyeing the grocery boys.
I heard you asking questions of each: Who killed
the pork chops? What price bananas? Are you my
Angel?
I wandered in and out of the brilliant stacks of
cans following you, and followed in my imagination
by the store detective.
We strode down the open corridors together in
our solitary fancy tasting artichokes, possessing every
frozen delicacy, and never passing the cashier.
Where are we going, Walt Whitman? The doors
close in an hour. Which way does your beard point
tonight?
(I touch your book and dream of our odyssey in the
supermarket and feel absurd.)
Will we walk all night through solitary streets?
The trees add shade to shade, lights out in the houses,
we'll both be lonely.
Will we stroll dreaming ofthe lost America of love
past blue automobiles in driveways, home to our silent
cottage?
Ah, dear father, graybeard, lonely old courage-
teacher, what America did you have when Charon quit
poling his ferry and you got out on a smoking bank
and stood watching the boat disappear on the black
waters of Lethe?

 

 

 

 

Ginsberg
Allen Ginsberg (3 juni 1926 - 6 april 1997)

 

De Oostenrijkse schrijver Norbert Gstrein werd geboren op 3 juni 1961 in Mils bei Imst, Tirol. Gstrein studeerde in Innsbruck wiskunde en bezocht daarna werkcolleges taalfilosofie in Stanford (VS) en Erlangen. Hij promoveerde in 1988. In 1988 debuteerde hij met het verhaal Einer. In 1992 verscheen zijn eerste roman Das Register.

 

Werk o.a. : Anderntags (1989), O2 (1993), Die englischen Jahre (1999), Wem gehört eine Geschichte? (2004)

 

Uit: Das Handwerk des Tötens (2003)

 

„Ich dachte schon, sie würde nicht mehr darauf zurückkommen, aber dann sagte sie doch, daß der Krieg für sie zuerst vor allem eines gewesen war, nämlich die Wehmut, etwas unwiederbringlich verschwinden zu sehen, selbst wenn es für sie ohnehin nie existiert hatte, und während sie auf einmal hilflos zu gestikulieren begann, vermochte sie ihren Blick nicht von dem breiter werdenden Wasserstreifen loszureißen, der uns von der Anlegestelle trennte. Es war nur ein Blubbern hinter dem Heck, und doch starrte sie darauf und sprach wie zu sich selbst, geradeso, als wäre sie zum ersten Mal auf diesen Widerspruch gestoßen und erwartete erst gar nicht, daß ich mich dafür interessieren könnte, geschweige etwas davon verstehen.
"Nicht daß es um das Land gegangen wäre", sagte sie, und der Satz hatte ein weit offenes ende. "Es ist etwas anderes gewesen."
Dabei sah sie mich noch immer nicht an, und ich bin mir nicht mehr ganz sicher, aber ich glaube, kurz darauf muß sie die Konserven erwähnt haben, so lächerlich das klingt, die Fischdosen, von denen ihre Großmutter angeblich ein ganzes Vorratslager gehabt hatte, eine Holzkiste voll, die jahre-, wenn nicht jahrzehntelang, unangetastet unter allerlei Gerümpel in ihrem Schuppen gestanden war. Dahinter verbarg sich zunächst nichts Besonderes, nur das übertriebene Horten von jemandem, der einen Krieg mitgemacht hatte und sich von einem Menschenleben gar nichts anderes vorstellen konnte, als daß es früher oder später in eine Katastrophe mündete, und ich erinnere mich, wie ich mich schon gefragt habe, worauf sie hinauswollte.“

 

 

 

GSTREIN
Norbert Gstrein (Mils bei Imst, 3 juni 1961)

 

De Vlaamse arts, dichter en toneelschrijver Eugène Van Oye werd geboren in Torhout op 3 juni 1840. Guido Gezelle droeg verschillende gedichten aan hem op. Met Hugo Verriest, Gustaaf Verriest, Karel de Gheldere en Karel Callebert wordt Van Oye tot de kring van leerlingen van Gezelle gerekend. Vanwege het werk Godelieve van Gistel werd Van Oye in 1924 de Staatsprijs voor Vlaamse toneelletterkunde toegekend.

 

Zie ook mijn blog van 1 mei 2007.

 

 

EEN BONKE KEERZENKIND

Aan Eugene Van Oye

 

Een bonke keerzen kind!
Een bonke keerzen kind,
gegroeid in den glans
en ‘t goudene licht
des zomers!
Vol spannende zap,
vol zoet,
vol zuur,
vol zijpelende zap,
vol zoetheid!
Ze blonken aan den stamme,
ze spraken waar ze stonden:
"Plukt ons, plukt ons,
plukt ons,
plukt en laaft uwen dorst,
rijpe zijn wij en schoone!"
Neigend hongen ze,
zwinkelend
in den wind,
den lauwen wind
des zomers.
"Plukt ons, plukt ons,
plukt ons!"
Riepen ze en ‘k plukte ze
en ze woegen zo zwaar:
de zegen des Heeren woeg op hen.
Neemt en dankt Hem
die ze gemaakt heeft,
die ze deed worden,
dankt Hem, dankt Hem,
dankt Hem!
Kijk naar den Hemel,
daar is Hij,
daar is,
God!
De oogen omhooge,
gelijk den vogel
die drinkt
en ‘t schuldeloos hoofdeke om-
hooge heft,
dankt Hem, dankt Hem...
Dankt Hem!

Trouw als ‘t arreme dier,
trouw als ‘t loof en de vruchten,
trouw als ‘t blommeke,
trouw als
‘t zandeken onder den voet,
bedankt Hem!
o Geniet, ‘t is zo zoet, ‘t is zo zoet
eene vrucht te genieten die
rijpe is,
en vreugd en dank
te voelen rijzen in het herte!
Leert de tale die spreekt
uit monden duizende, en altijd
roept: "Den Heere zij
dank:
dank om het leven,
dank om het licht,
dank om het licht en het leven,
dank om de lucht en het licht
en het zien en het hooren
en al!
Dank zij den Heere!"
Een bonke keerzen kind,
een gloeiende bonke... be-
dankt Hem!

 

Guido Gezelle

 

 

 

VAN_OYE
Eugène Van Oye (3 juni 1840 - 4 juni 1926)

Standbeeld in Gistel

 

 

01-05-07

Guido Gezelle, Joseph Heller, Marcel Prévost, Yánnis Rítsos, Ignazio Silone, Antal Szerb, Alexander Wat, Konrad Weiß, José de Alencar, Viktor Astafiev


De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830 als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle, een Vlaamse hovenier. Guido Gezelle was eveneens de oom van de beroemde Vlaamse schrijver Stijn Streuvels (Frank Lateur). In 1854 werd hij tot priester gewijd. Gezelle werd leraar poëzie aan het Klein Seminarie te Roeselare, waar hij ook het laatste deel van zijn priesteropleiding deed. Hij had zeer dichte vriendschapsrelaties met zijn leerlingen, onder andere met Eugène van Oye, voor wie hij "Dien Avond en die Rooze" schreef. In 1860 werd hij na moeilijkheden ontslagen en naar Brugge overgeplaatst, waar hij onder-rector werd van de Engelse kostschool en na opheffing daarvan leraar aan het Engelse seminarie. In 1865 werd Gezelle benoemd tot onderpastoor van de Walburgakerk te Brugge, later tot onderpastoor in Kortrijk en in zijn laatste jaar tot bestuurder van een Frans nonnenklooster.

 

Zie ook mijn blog van 1 mei 2006.

 

Antwoorde aen een Vriend.

 

Nooit en streelde er myne wangen

      Traen zoo dierbaer en zoo lief

 Als die ik heb opgevangen

      In de plooijen van Uw brief,

 Zoenend hem zoo menigwerven

      Eer dat ik nog t'enden was

 Vreezende eerder hem te derven

      Hoe ik snel - en snelder las.

 Ja, een kind dat blyve Uw herte

      Schoon al 't ander manlyk zy

 Ende, vriend in vreugd en smerte

      Heb ik U, zoo hebt Ge my.

 Hebbe God ons boven allen,

      Hebbe Jesus ons getweên!

 Laet al 't andre, moet het, vallen:

      't Valle! Jesus blyve alleen!

 

 

 

DIEN AVOND EN DIE ROOZE

 

Heb menig uur bij u
      gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
      me een enklen stond verdroten.
‘k Heb menig menig blom voor u
      gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
      er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
      zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om u,
      wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
      dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
      wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
      gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
      en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
      - wie zal dit kwaad genezen? -
een uur bij mij, een uur bij u
      niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
      zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ‘t een roos van u,
      niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
      ‘t en ware ik ‘t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: U
      DIEN AVOND - en - DIE ROOZE!

 

De zonne zit

De zonne zit
zoo snel en blinkt,
en bloeit alin
     het westen,
dat wolkenloos
heur stralen drinkt,
in Lentemaand,
     den lesten.

‘t Wil zomer zijn,
van nu voort aan:
vroeg morgen zal
     ik meugen
- ‘t wil zomer zijn! -
vermeien gaan
mij, morgen, en
     verheugen!

 

 

 

Gezelle
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

 

De Amerikaanse schrijver Joseph Heller werd geboren in New York op 1 mei 1923, als zoon van arme Joodse ouders. Na afloop van zijn opleiding aan de Abraham Lincoln High School in 1941 ging hij bij de luchtmacht. Hij werd gestationeerd in Corsica en voerde daar 60 bombardementsvluchten uit op een B-25. In 1949 Heller verwierf hij zijn Master of Arts aan de universiteit van Columbia. He vervolgde zijn studie aan de Oxford University in 1949-1950. Van 1950 tot 1952 was hij docent aan de Pennsylvania State University, hij schreef teksten voor TIME Magazine (1952-1956) en Look (1956-1958) en gaf les in fictie- en dramaschrijven aan Yale University en de universiteit van Pennsylvania. Hij verwief bekendheid met zijn debuutroman Catch-22. Op dit boek, waarin de waanzin van de oorlog wordt verbeeld, werd Robert Altmans satirische oorlogsfilm M*A*S*H (1970) gebaseerd. De film leidde ook tot een langlopende televisieserie onder dezelfde naam.

 

Uit: Catch 22

 

"And don't tell me God works in mysterious ways", Yossarian continued "There's nothing mysterious about it, He's not working at all. He's playing. Or else He's forgotten all about us. That's the kind of God you people talk about, a country bumpkin, a clumsy, bungling, brainless, conceited, uncouth hayseed. Good God, how much reverence can you have for a Supreme Being who finds it necessary to include such phenomena as phlegm and tooth decay in His divine system of Creation? What in the world was running through that warped, evil, scatalogical mind of His when He robbed old people of the power to control their bowel movements? Why in the world did He ever create pain?"

 

 

heller
Joseph Heller (1 mei 1923 – 12 december 1999)

 

De Franse schrijver Marcel Prévost (eig Eugène Marcel) werd geboren op 1 mei 1862 in Parijs. Zijn succes kwam in 1894 met het verschijnen van de roman Les Demi-vierges, zijn beroemdste roman. Hij beschrijft de uitwerkingen die het grotestadsleven van Parijs, de moderne opvoeding en de maatschappij op jonge vrouwen kan hebben. Het begrip « demi-vierge » werd in de spreektaal opgenomen.

Uit :  Les demi-vierges

 

PRÉFACE (extrait)

Pendant que cette étude paraissait dans un magazine parisien, quelques-unes des personnes qui voulaient bien en suivre la lecture me présentèrent deux objections « sur le fond », comme on dit au Palais, qui me touchèrent vivement. Les voici, aussi nettement formulées qu’il m’est possible :
1° Vous peignez, sous ce nom de Demi-Vierges, une certaine catégorie de jeunes filles, une minorité, évidemment. Le danger d’une observation pratiquée sur une minorité, c’est que la distraction ou la misanthropie du lecteur l’étende imprudemment à la majorité. Vous avez pu tomber sur un lambeau phylloxéré d’une vigne saine.
2° Même si cette contamination est réelle, même si elle a quelque étendue, doit-on la publier ? Elle n’atteint, dites-vous, qu’une minorité. Le respect de la jeune fille, parmi tant de respects abolis, nous reste à peu près intact. Pourquoi s’acharner à le détruire, accroître le gâchis social où nous vivons ? De ces deux objections, la première, surtout a quelque force. Mais il me semble que c’est aussi y répondre que de prévenir le lecteur, de le mettre en garde contre une généralisation téméraire, - de circonscrire, de définir aussi exactement qu’il se peut le coin de monde auquel l’observation s’est appliquée. Ce n’est pas, en effet, du monde tout court que j’ai parlé, mais seulement du monde oisif et jouisseur, plus spécialement Parisien, ou du moins ayant une part importance de sa vie à Paris : monde aux vagues limites, contigu par quelques points au pays de Cosmopolis, ailleurs baigné par les eaux cythéréennes, mais touchant aussi, par de longues frontières, sans cesse franchies, à la bourgeoisie riche, à l’aristocratie qui s’amuse. Les caractéristiques de ce monde ? C’est que les idées religieuses et morales n’y sont jamais des idées directrices. On n’y approuve, on n’y condamne point au nom d’un principe supérieur, infaillible, mais au nom des convenances, de l’opinion des contemporains. Autre signe : il y est admis qu’une jeune fille se divertisse dans la société des hommes. (...)

 

 

 

PREVOST
Marcel Prévost (1 mei 1862 – 8 april 1941)

 

De Nieuwgriekse dichter Yánnis Rítsos werd geboren op 1 mei 1909 in Monemvasia. Hij debuteerde in 1934 met de bundel Traktoren en trad nog datzelfde jaar toe tot de communistische beweging. Deze keuze leidde voor hem herhaaldelijk tot grote politieke tegenkanting, o.a. van het rechtse Metaxás-regime en later onder de Kolonelsdictatuur (1967–1974). Hij zat een gevangenisstraf uit op het beruchte eiland Jaros, maar kwam vrij in 1972 onder druk van de gemobiliseerde wereldopinie. In 1975 ontving hij een eredoctoraat van de Universiteit van Thessaloníki, in 1977 van de Universiteit van Birmingham. Rítsos overleed te Athene op 81-jarige leeftijd. Ritsos’ inspiratiebron lag in de vele vormen van onderdrukking en verdriet in de wereld; hij verklankte zijn gedachten meestal in een rijk geschakeerde lyriek, met een directe en geïnspireerde zeggingskracht. Veel van zijn werk werd vertaald en raakte in West-Europa bekend door de toonzettingen van Mikis Theodorákis, o.a. Epitáphios (= Dodenklacht), Romiosýni (= Griekendom).

 

 

ON A DAY IN MAY YOU LEFT ME (MERA MAYIOU MOU MISEPSES)

 

On a day in May you left me, on that May day I lost you,
in springtime you loved so weIl, my son, when you went upstairs,

To the sun-drenched roof and looked out and your eyes never had
their lill of drinking in the light of the whole wide world at large.

With your manly voice so sweet and so warm, you recounted
as many things as all the pebbles strewn along the seashore.

My son, you told me that all these wonderful things will be ours,
but now your light has died out, our brightness and fire are gone.

 

 

 

 

WHERE DID MY BOY FLY AWAY (POU PETAXE T'AGORI MOU)

Son, my flesh and blood. marrow of my bones, heart of my own heart,
sparrow of my tiny courtyard, flower of my loneliness.

Where did my boy fly away? Where's he gone? Where's he leaving me?
The bird-cage is empty now, not a drop of water in the fonnt.

What ever made your dear eyes close and you are blind to my tears?
How are yon frozen in yonr tracks and deàf to my bitter words?

 

 

Vertaald door Amy Mims

 

 

 

Ritsos
Yánnis Rítsos (1 mei 1909 — 11 november 1990)

 

De Italiaanse schrijver Ignazio Silone werd geboren op 1 mei 1900 in Pescina dei Marsi. Zijn echte naam was Secondo Tranquilli. Wegens zijn verzetsactiviteiten gedurende het fascisme nam hij het pseudoniem Ignazio Silone aan. Hij verliet Italië in 1927 op een missie naar de Sovjet Unie en verbleef daarna in ballingschap in Zwitserland. Wegens de kritiek die hij op de Komintern en op Stalin uitte werd hij uit de PCI gezet. Silone kreeg te lijden onder tbc en depressies. Terwijl hij herstelde begon hij met het schrijven van zijn eerste roman, Fontamara, gepubliceerd in Duitse vertaling in 1933.

 

Uit  Fontamara

“In dem Viereck wurde eine Lücke von einem Meter Breite gebildet, und an die beiden Seiten dieser Öffnung stellten sich der Dickbäuchige und Filippo il Bello, genau so wie es die Schäfer machen, wenn sie ihre Schafe melken wollen.
Nun begann die Prüfung. Als erster wurde der Küster Teofilo aufgerufen.
"Wen läßt du hochleben?" fragte ihn der Mann mit der Schärpe in barschem Ton.
Teofilo fiel aus allen Wolken.
"Wen läßt du hochleben?" wiederholte der Vertreter der Obrigkeit gereizt.
Teofilo sah uns verängstigt an, als hoffte er auf einen Rat, aber wir waren alle nicht klüger als er. Da der Ärmste keine Anstalten machte zu antworten, wandte sich der Anführer zu Filippo il Bello, der eine große Liste in der Hand hatte, und befahl ihm:
"Schreib neben seinen Namen: ´Reaktionär´." Teofilo verließ bestürzt den Schauplatz.
Als zweiter wurde der Schneider Anacleto aufgerufen. "Wen läßt du hochleben?" fragte der Dickbäuchige.
Anacleto hatte Zeit gehabt nachzudenken und antwortete: "Maria soll hochleben."
"Welche Maria?" fragte Filippo il Bello.
Anacleto zögerte etwas und entschied dann: "Die von Loreto." "Schreib ´Reaktionär´", befahl der Anführer voller Verachtung. Anacleto gab sich noch nicht geschlagen und war bereit, anstatt der Madonna von Loreto die von Pompeji hochleben zu lassen, aber er wurde unsanft weggestoßen. Als dritter wurde der alte Braciola aufgerufen. Auch er hatte eine Antwort bereit und rief: "Hoch lebe St. Rochus." Aber selbst diese Antwort befriedigte den Anführer nicht.
"Schreib ´Reaktionär´", befahl er.
Als vierter kam Cipolla an die Reihe. "Wen läßt du hochleben?"
"Entschuldigen Sie, was bedeutet das" wagte er sich zu erkundigen.
"Sag ehrlich, was du denkst", befahl der Dickbäuchige.
"Brot und Wein sollen hochleben" lautete Cipollas ehrliche Antwort.” 

 

 

silone
Ignazio Silone
(1 mei 1900 – 22 augustus 1978)

 

De Hongaarse schrijver Antal Szerb werd geboren op 1 mei 1901 in Boedapest. De zoon van tot het katholicisme bekeerde joden studeerde germanistiek, Hongaarse taal en cultuur en Engels. Van 1924 tot 1929 leefde hij in Italie en Frankrijk, 1930 in Londen. Vanaf 1937 was hij hoogleraar literatuur aan de universiteit van Szeged in Hongarije. In 1941 werd zijn literatuurgeschiedenis van de wereld gepubliceerd. Szerb is in Hongarije een van de meest gelezen schrijvers van de 20e eeuw.

 

Uit: Reise im Mondlicht

 

„In der Eisenbahn ging noch alles gut. Es begann in Venedig, mit den Gäßchen.

Schon als sie mit dem Motoscafo vom Bahnhof stadteinwärts fuhren und vom Canal Grande in einen Seitenkanal abbogen, fielen Mihaly an beiden Ufern die Gäßchen auf. Er achtete zwar noch nicht besonders auf sie, völlig eingenommen, wie er war, von der Venedighaftigheit Venedigs. Vom Wasser zwischen den Häusern, von den Gondeln, der Lagune, der rostrot-rosa Heiterkeit der Stadt. Mihaly war nämlich zum ersten Mal in Italien, mit sechsunddreißig Jahren, auf der Hochzeitsreise.

Im Lauf seiner lang geratenen Wanderjahre war er weit herumgekommen, hatte in England und Frankreich gelebt, doch um Italien hatte er immer einen Bogen gemacht, im Gefühl, daß die Zeit dafür noch nicht reif, er noch nicht so weit sei. Italien gehörte für ihn zu den Erwachsenendingen, wie das Zeugen von Nachkommen, und heimlich hatte er Angst davor, so wie er auch vor starkem Sonnenschein, Blumenduft und sehr schönen Frauen Angst hatte.

Wenn er nicht geheiratet und beschlossen hätte, ein regelrechtes, mit einer italienischen Hochzeitsreise beginnendes Eheleben zu führen, dann hätte er diese Reise vielleicht bis zu seinem Lebensende aufgeschoben. Auch jetzt war es keine Italienreise, sondern eine Hochzeitsreise, also etwas ganz anderes. So, als Ehemann, durfte er herkommen. So war er von der Gefahr, die Italien darstellte, nicht bedroht. Dachte er.

Die ersten Tage verliefen friedlich, zwischen ehelichen Freuden und gemäßigter Stadtbesichtigung. Nach der Art kolossal intelligenter und selbstkritischer Menschen bemühten sich Mihaly und Erzsi, den richtigen Mittelweg zwischen Snobismus und Anti-Snobismus zu finden. Sie rissen sich kein Bein aus, um alles zu tun, was der Baedeker vorschreibt, aber noch weniger gehörten sie zu den Leuten, die nach Hause fahren und einander stolz ansehen, während sie lässig bemerken: Ach, die Museen... na, da waren wir natürlich nicht.“

 

 

 

Szerb
Antal Szerb [1 mei 1901 – 27 januari 1945)

 

De Poolse schrijver en dichter Alexander Wat werd geboren op 1 mei 1900 in Warschau. Hij behoorde tot degenen die in 1919 het eerste optreden van de Futuristen in Polen mee organiseerden. Van 1921 tot 1922 was hij redacteur van het tijdschrift Nowa Kultura, van 1924 tot 1925 van Almanach Nowej Sztuki en van 1929 tot 1931 van Miesięcznik Literacki. Vanaf het eind van de jaren twintig begon hij – ook onder invloed van zijn vriend Wladimir Majakowski met het communisme te sympathiseren. Hij zou er zich na WO II weer van af keren.

 

Uit: songs of a wanderer (fragment)

So beautiful the lungs
are breathless. The hand remembers;
I was a wing.
Blue. The peaks in ruddy
gold. Women of that land --
small olives. On a spacious saucer
wisps of smoke, houses, pastures, roads.
Interlacing of roads, o holy diligence
of man. How hot it is! The miracle
of shade returns. A shepherd, sheep, a dog, a ram
all in gilded bells. Olive trees
in twisted benevolence. A cypress -- their lone shepherd. A village
on a Cabris cliff, protected
by its tiled roofs. And a church its cypress and shepherd.
Young day, young times, young world.
Birds listen, intently silent. Only a rooster crowing
from below in the hamlet of Speracedes. How
hot it is. It's bitter to die on foreign soil.
It's sweet to live in France.

 

 

 

Wat
Aleksander Wat
(1 mei 1900 – 29 juli 1967)

 

De Duitse dichter Konrad Weiß werd op 1 mei 1889 geboren in Rauhenbretzingen. Hij was voorstander van een moderne katholieke literatuur. Hij maakte deel uit van de lieteraire kringen in Münchnen, maar kan niet tot een stroming of groep gerekend worden. De grote doorbraak bleef weliswaar uit, maar hij had zijn vaste kring van lezers. Hij was bevriend met dichters en schrijvers als Schriftstellern Hugo von Hofmannsthal, Rudolf Borchardt en Theodor Haecker en had contact met uitgevers als Peter Suhrkamp en Anton Kippenberg. Rudolf Borchardt betitelde Weiß al in 1926 als miskende dichter. Hoewel hij tegenwoordig bijna vergeten is geldt hij bij vakgenoten als "großer Dichter und Sprachkünstler" (Botho Strauß).

 

 

Anima Reclusa

 

Daß in mir aufersteht, der ich begrabe,

was in mir west, und ich bin nur sein Neid,

in mir entsteht schon knospengleich befreit,

und ich bin schmacklos nur die Honigwabe,

ich auferstanden voller Kummerhabe,

ich wachse nicht, bin Zelle nur der Zeit,

die Honig gießt, und der Erbarmen schreit,

Mutter aller Dinge sieh dein Knabe,

dein Kelch ich im Genuß dem Menschensohn.

Wie darf dies Wort sein eignes Wesen dulden

und schrickt nicht in mich voll von Erdenhohn.

Es schrickt und wird im Schrecknis selber rein,

da trägt der Kelch nun eines Menschen Schulden,

wie ist der letzte Kern so arm und klein.”

 

 

 

Weiss
Konrad Weiß (1 mei 1880 – 4 januari 1940)

 

De Braziliaanse schrijver José Martiniano de Alencar werd geboren op 1 mei 1829 in Mecejana. Van 1840 tot 1850 studeerde hij rechten en toen verstigde hij zich in Rio de Janeiro, waar hij voor diverse tijdschriften begon te schrijven. In 1856 publiceerde hij zijn eerste roman Cinco Minutos . In 1857 verscheen O Guarani, het eerste deel van een trilogie over de oorspronkelijke bevolking van Brazilië. De Alencar heeft zich altijd voor de onafhankelijkheid van zijn land ingezet. Hij was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Braziliaanse Romantiek.

Uit: Senhora, Profile of a Woman (vertaald door Catarina Feldmann Edinger)

Some years ago, a new star appeared in the skies of Rio.

From the moment she rose, no one challenged her scepter; she was proclaimed queen of the ballrooms.

She became the goddess of the balls, the muse of poets, and the idol of eligible suitors.

She was rich and beautiful.

Two opulences that enhance each other like flowers in an alabaster vase; two splendors that reflect each other, like a ray of sun on the facet of a diamond.

Who can forget Aurélia Camargo, who crossed the heavens of the court like a shining meteor, suddenly to vanish amidst the wonder that produced her fire?

She was eighteen when she first appeared in society. No one knew her; and all searched immediately, avidly, for information about the great novelty of the day.

They said many things I shall not repeat here, for in due course we shall learn the truth, stripped of the petty comments in which telltales are wont to dress it.

Aurélia was an orphan; she lived in the company of an elderly relative, a widow, Dona Firmina Mascarenhas, her constant companion in society.

But this relative was merely a mother of convenience to comply with the scruples of Brazilian society, which at that time had yet to accept a certain emancipation of women.

Maintaining toward the widow a respectful deference due her age, the young lady never wavered for a moment from the firm purpose of running her household and acting in the manner she pleased.

Aurélia was also said to have a guardian; but this unknown entity, to judge by the character of his ward, must have exerted as little influence over her will as did the elderly relative.

It was generally believed that the girl's future depended exclusively on her own inclinations and whims; and therefore all types of veneration were laid directly at the feet of the idol.

Besieged by a mob of suitors who vied for her like a spoil of victory, Aurélia, wondrously shrewd for her age, assessed the dangers that threatened her and the difficult situation in which she found herself.

Hence, perhaps, the rather disdainful attitude and a certain air of coquettishness that ruffled her beauty, otherwise so proper and sculpted for the sweet and serene expansion of her soul.”

 

 

Alencar
José Alencar (1 mei 1829 – 12 december 1877)

 

De Russische schrijver Viktor Astafiev werd geboren op 1 mei 1924 in Ovsyanka en verbracht het grootste deel van zijn jonge jaren door in een weeshuis. Hij ging in het leger en werd gewond tijdens WO II. Na de demobilisatie in 1945 leefde hij in verschillende delen van Rusland en had hij diverse baantjes. In 1953 publiceerde Astafiev zijn eerste verhalenbundel over de ervaringen van Russische burgers en soldaten gedurende de oorlog. Na 1962 werd hij professioneel schrijver en werden zijn romans tamelijk populair.

Uit: THE CURSED AND THE SLAIN

“The train crunched icily, contracting, squealing, and as though exhausted by a long run with no let up, scraping and spitting, began to relax its great iron bulk. Frozen clinker snapped beneath wheels, a white dust settled on rails; its metal parts and its carriages were spangled right up to the windows with grey beads of ice. The train, come from some unimaginably remote place, shrank in on itself, exhausted and cold.

To either side, in front and behind, all was bleakness. The place where it had stopped was wreathed in motionless fog, the sky barely distinguishable from the earth, both of them merged and fused by the freezing murk. There was something desperately alien about what was or might be there, something unearthly and desolate, and some nameless creature on the point of death could be heard scratching a failing paw with blunted claws, and piercing the frosty mist with a snapping and a decrepit wheezing like a last tuberculous cough modulating into the barely audible rustle of a soul taking flight.

It was the sound of a forest in winter, frost-bound, shallow breathing, terrified of any rash move or deep breath which might rend the trees which were its flesh to their very heartwood. Pine branches and needles, evergreen boughs, sharp from the cold, brittle, dying of their own accord, drifted down ceaselessly, cluttering the forest snow, catching on their downward flight at their fellow branches and turning into so much useless debris, a wooden detritus fit only for the building of anthills and nests for black, heavy birds.

The forest, however, was nowhere to be seen, not even its silhouette visible. It could only be imagined where the curtain of frost seemed especially dense and impenetrable. Yet a barely detectable wave was rolling in from over there, a calm insistent breath of life at odds with the deadness of the calm fettering God's earth. From the direction where the forest had to be imagined and where something could be heard breathing, from grey wilderness came what sounded like the last howl of some creature in its agony. It spread and grew louder until it filled the distant land and the invisible sky, turning ever more unmistakably into a melody to pierce the heart. That howling, coming from so far away in the fog-bound world, from the very heavens, barely penetrated the stifling, muggy carriages, but the bellowing, chortling, snorting, singing recruits gradually fell silent and strained to hear it, ever more audible, unceasing, and coming closer”

 

 

 

Astafiev
Viktor Astafiev (1 mei 1924 – 29 november 2001)

 

 

24-12-06

Kerstnacht (Guido Gezelle)


Alle trouwe bezoekers en mede-bloggers: Prettige Kerstdagen!

 

Kerstnacht

't Is nacht, staat op, wie kan der nu nog slapen,
als 't eeuwig Licht de duisternis omstraalt,
en als het Woord, dat alles heeft geschapen,
is uit de troon des Hemels neergedaald?
Van Oost en West, uit al de hemelstreken,
staat op en komt! niet langer meer gedraald;
een schamel Kind komt onze banden breken!
Kerstnacht,Kerstnacht, Messias zegepraalt.

Verleid, verdoold, langs ongebaande sporen,
zoekt iedereen de weg die niemand vindt,
Ach, komt alhier, en in de stal geboren,
aanschouwt de Weg,de Waarheid, in dit Kind!
Van Oost en West uit alle hemelstreken,
staat op en komt! niet langer meer gedraald;
Een schamel Kind komt onze banden breken!
Kerstnacht, Kerstnacht, Messias zegepraalt.

Aanschouwt de Weg, de Waarheid en het Leven,
die ballingschap en slavenjuk verkoor,
om ons genade en vrijheid weer te geven,
die onze schuld en eigenwaan verloor,
Van Oost en West, uit alle hemelstreken,
staat op en komt! niet langer meer gedraald;
Een schamel Kind komt onze banden breken!
Kerstnacht, Kerstnacht, Messias zegepraalt.

Kerstnacht, Kerstnacht, veel schoner dan de dagen
o, Hemelzon, die Betlehem verlicht,
verblijd ook ons, die Uw genade vragen,
o, liefde Gods, die in de kribbe ligt!
Van Oost en West, uit al de hemelstreken
staat op en komt! niet langer meer gedraald;
Een schamel Kind komt onze banden breken!
Kerstnacht, Kerstnacht, Messias zegepraalt.


Guido Gezelle, Uit de bundel: Voordragen

 

 

 

BRUGGEMuseum
Guido
Gezelle (1 mei 1830 -  27 november 1899)

Gezelle museum

 

 

 

 

Zie het vorige bericht voor de schrijvers van 24 december.

20:40 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: guido gezelle, kertnacht, kerstavond, romenu, kerstmis |  Facebook |

01-05-06

1 Mei Dichters


Niet het gebruikelijke programma op de Duitse televisie vandaag want het is daar een echte feestdag. Vergeleken met de oosterburen doet men er In Nederland nauwelijks iets aan. Het poldersocialisme kent echter wel twee grote dichtersnamen: Herman Gorter en Henriette Roland Holst (24 december 1869 – 21 november 1952).

 

Herman Gorter (26 november 1864 – 15 september 1927) studeerde klassieke talen. Onder invloed van Willem Kloos schreef hij Mei, waarmee hij pas echt onsterfelijk is geworden. De eerste zang van Mei verscheen in 1889 in een nummer van De Nieuwe Gids. In het voorjaar van datzelfde jaar verscheen het gedicht in boekvorm. Hier echter een gedicht dat beter past bij de eerste dag van mei.

 

 

De arbeidersklasse danst een groote reidans

De arbeidersklasse danst een groote reidans
aan de oceaan der wereld, zooals kindren
die men 's avonds op strandmuur bij de zee,
bij het geel der lantarens en 't licht
der zon, ziet huppelen op muziek. Hun lichte
dunne gestaltetjes dragen al dansend
hoop en gedachten gaand op de oceaan,
gaand in den hemel, gaand diep in de aarde --
zoo danst de arbeidersklasse aan de zee.
Hoop en verwachting stroomt hun van de zee, hoop en verwachting straalt van uit de lucht,
hoop en verwachting rijst van uit de aard.
Hoe klinkt nu alles helder, 't aard-metaal
klinkt, en de lucht is sonoor, 't handgeklap
van mannen en vrouwen volgt op breeden zwaai
van armen door de zachte helle lucht.
Jongens en meisjes stuiven om hen heen.
Deze zullen 't beleven dat de lichte
lichamen der menschen overal dansen
in vrijheid.
De arbeidersklasse danst een groote reidans
aan de oceaan.

 

Herman Gorter   

 

 

 

 
Herman Gorter
   

 
 
Henriette Roland Holst  groeide op in het welgestelde, liberaal-christelijke gezin van een notaris. Ze trouwt in 1896 met de beeldende kunstenaar Richard Roland Holst (Rik) en raakt bevriend met Gorter, die haar aanzet tot het lezen van Das Kapital van Karl Marx. In diezelfde tijd wordt ze politiek actief en begint haar carrière als schrijfster op politiek, historisch en filosofisch gebied. Ze schreef onder andere de Nederlandse tekst voor het strijdlied De Internationale. 
 
 

“....

De staat verdrukt, de wet is gelogen,

De rijkaard leeft zelfzuchtig voort;

Tot merg en been wordt de arme uitgezogen

En zijn recht is een ijdel woord

...... “

 

Hier toch maar een ander gedicht:

 

De zachte krachten zullen zeker winnen   

De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind -- dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen,
dan kan de groote zaligheid beginnen
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle teederheden ruischen hooren
als in kleine schelpen de groote zee.
Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten:
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

 

 

Henriette Roland Holst

 

 

 

Henriette Roland Holst

 

 

En dan nog, speciaal voor onze Vlaamse vrienden, want Guido Gezelle is geboren op 1 mei 1830.

 

 

MEIZANG

 

Herhaalt mij nu weêrom dat
schoone lied,
'n laat geen lieve leise ervan
verloren,
want op en af uw' lippen
loopt er iet,
dat in of om den biekorve is
geboren !

't Is honing dat gij zingt, en
al te zoet,
om nóg eenmaal mij niet te zijn
geschonken;
mij lust hoe meer ik drinke, en
drinken moet
ik meer, hoe meer ik drinke en heb
gedronken.  

 

 

Guido Gezelle

 

 

 

Guido Gezelle