02-09-17

Joseph Roth, Johann Georg Jacobi, Manfred Böckl, Paul Bourget, Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß

 

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren op 2 september 1894 in Brody in Galicië. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 eveneens alle tags voor Joseph Roth op dit blog.

Uit:Die Kapuzinergruft

Wir heißen Trotta. Unser Geschlecht stammt aus Sipolje in Slowenien. Ich sage: Geschlecht; denn wir sind nicht eine Familie. Sipolje besteht nicht mehr, lange nicht mehr. Es bildet heute mit mehreren umliegenden Gemeinden zusammen eine größere Ortschaft. Es ist, wie man weiß, der Wille dieser Zeit. Die Menschen können nicht allein bleiben. Sie schließen sich in sinnlosen Gruppen zusammen, und die Dörfer können auch nicht allein bleiben. Sinnlose Gebilde entstehen also. Die Bauern drängt es zur Stadt, und die Dörfer selbst möchten justament Städte werden.
Ich habe Sipolje noch gekannt, als ich ein Knabe war. Mein Vater hatte mich einmal dorthin mitgenommen, an einem siebzehnten August, dem Vorabend jenes Tages, an dem in allen, auch in den kleinsten Ortschaften der Monarchie der Geburtstag Kaiser Franz Josephs des Ersten gefeiert wurde.
Im heutigen Österreich und in den früheren Kronländern wird es nur noch wenige Menschen geben, in denen der Name unseres Geschlechts irgendeine Erinnerung hervorruft. In den verschollenen Annalen der alten österreichisch-ungarischen Armee aber ist unser Name verzeichnet, und ich gestehe, daß ich stolz darauf bin, gerade deshalb, weil diese Annalen verschollen sind. Ich bin nicht ein Kind dieser Zeit, es fällt mir schwer, mich nicht geradezu ihren Feind zu nennen. Nicht, daß ich sie nicht verstünde, wie ich es so oft behaupte. Dies ist nur eine fromme Ausrede. Ich will einfach, aus Bequemlichkeit, nicht ausfällig oder gehässig werden, und also sage ich, daß ich das nicht verstehe, von dem ich sagen müßte, daß ich es hasse oder verachte. Ich bin feinhörig, aber ich spiele einen Schwerhörigen. Ich halte es für nobler, ein Gebrechen vorzutäuschen als zuzugeben, daß ich vulgäre Geräusche vernommen habe.
Der Bruder meines Großvaters war jener einfache Infanterieleutnant, der dem Kaiser Franz Joseph in der Schlacht bei Solferino das Leben gerettet hat. Der Leutnant wurde geadelt. Eine lange Zeit hieß er in der Armee und in den Lesebüchern der k. u. k. Monarchie: der Held von Solferino, bis sich, seinem eigenen Wunsch gemäß, der Schatten der Vergessenheit über ihn senkte. Er nahm den Abschied. Er liegt in Hietzing begraben. Auf seinem Grabstein stehen die stillen und stolzen Worte: »Hier ruht der Held von Solferino.«

 

 
Joseph Roth (2 september 1894 - 27 mei 1939)
Postzegel ter gelegenheid van zijn 100e geboortedag in 1994

Lees meer...

02-09-11

Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß

 

De Franse dichter, schrijver en politicus Paul Déroulède werd op 2 september 1846 geboren in Parijs. Zie en ook mijn blog van 2 september 2009 en ook mijn blog van 2 september 2010

 

 

Monsieur le Hulan(Fragment)
conte de Noël

 

IV

 

Qu'y trouveront-ils ?... le bon Dieu s'en doute,
Et les chers dormeurs le sauront demain,
Car, lorsque minuit sonnait sous la voûte,
Le petit Jésus s'est mis en chemin,
Ayant décroché pour y voir en route
Une étoile d'or qu'il tient à la main.

 

V

Le petit Jésus marche vite, vite,
Il a tant à faire un jour de Noël,
Il est tant d'enfants qu'il faut qu'il visite...
Mais bientôt chacun a son lot tel quel ;
Le petit Jésus regagne son gîte,
Raccroche l'étoile et retourne au ciel.

 

VI

Or, le lendemain, lorsque vint l'aurore,
Les petits souliers près des gros chenets
Renfermaient chacun un noeud tricolore.
Et tous les bambins d'une voix sonore :
« O chères couleurs, je vous reconnais ! »
Et voilà les noeuds piqués aux bonnets.

 

 

 

Paul Déroulède (2 september 1846 - 30 januari 1914)

In 1913

Lees meer...

02-09-10

Willem de Mérode, Chris Kuzneski, Johann Georg Jacobi, Manfred Böckl, Johan Daisne, Joseph Roth, Paul Bourget, Pierre Huyskens, Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 2e september mijn blog bij seniorennet.be

  

Willem de Mérode, Chris Kuzneski, Johann Georg Jacobi, Manfred Böckl

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 2e september ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag  

 

Johan Daisne, Joseph Roth, Paul Bourget, Pierre Huyskens

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 2e september ook bij seniorennet.be mijn eerste blog van vandaag. 

 

Paul Déroulède,  Giovanni Verga, Richard Voß

 

02-09-09

Giovanni Verga, Paul Déroulède, Johan Daisne

 

De Italiaanse schrijver Giovanni Verga werd op 2 september 1840 geboren als oudste zoon in een welgestelde liberale Siciliaanse familie in Catania op Sicilië. Hij studeerde enige tijd rechten in Catania, maar brak die studie al snel af om zich aan de journalistiek en de literatuur te wijden. Zijn eerste roman (I carbonari della montagna) publiceerde hij in 1861 dankzij financiële steun van zijn vader. Eind jaren zestig verhuisde hij naar Florence, in 1872 streek hij neer in Milaan.

Daar publiceerde hij ook zijn belangrijkste boeken: de verhalenbundel Vita dei campi en de romans I Malavoglia en Mastro Don Gesualdo (1889). De boeken waren bedoeld als eerste delen in een cyclus van vijf romans, die Verga echter niet voltooide. In 1894 keerde hij terug naar zijn geboortehuis, dat nu in gebruik is als museum. Verga was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het Verisme, de Italiaanse variant van het naturalisme.

 

Uit: Het huis bij de mispelboom(I Malavoglia, vertaald door André M. Pols)

 

Voor Ntoni was het stellig geen pretje meer wanneer hij elke lieve dag op zee moest en zijn ruggegraat kraakte van het roeien. Maar als de zee woest was en ze allen meteen wou opzwelgen, vissers en Provvidenza en al de rest, dan toonde de jongen toch een groter hart dan de zee.
“Dat is het bloed van de Malavoglia,” zei grootvader Ntoni; en dan had je hem moeten zien aan de zeilboom, met zijn haar in de wind, terwijl de boot over de baren dobberde als een verliefde witvis.
De
Provvidenza, ofschoon oud en gerepareerd, waagde zich dikwijls op hoge zee ter wille van de vis, want uit het dorp waren er nu veel boten, die als het ware de zee met bezems uitveegden. Ook op dagen, wanneer de wolken laag hingen over Agnone en de horizon in het oosten somber was, zag men altijd de Provvidenza
als een klein zakdoekje heel, heel ver op de loodkleurige zee en iedereen zei dat meester Ntoni en zijn jongens hun ongeluk gingen zoeken met een kandelaar.
Maar meester Ntoni antwoordde daarop dat hij zijn brood ging zoeken, die groen zag als gras, en de huisjes van Trezza enkel nog witte vlekjes waren, zo ver lagen ze van de kust, en er rondom hen heen niets anders was dan water, dan begon hij van louter tevredenheid met zijn kleinzoons te praten. Wanneer ’s avonds de
Provvidenza zichtbaar werd achter de rotsen, ijlde la Longa naar het strand om te kijken naar de vis, die in de manden spartelde en de bodem van de boot als met zilver bedekte. En vóórdat iemand een mond had opengedaan, sprak meester Ntoni: “Een kwintaal, of een kwintaal vijfentwintig” – en je kon erop aan dat hij zich niet om één rotolo vergiste. En de hele avond door babbelde hij maar, terwijl de vrouwen het zout met keistenen fijnstampten; en dan telden ze de vaatjes één voor één en oompje Crocifisso kwam kijken en stelde met gesloten ogen zijn prijs en Piedipapera maakte kabaal met handen en voeten, totdat Crocifisso het eens was. Dat lawaai van Piedipapera hoorden ze graag, zo kwamen ze niet in onmin met de anderen; en achteraf bracht Piedipapera hun het geld in een zakdoek en la Longa telde het voor haar schoonvader uit en zei: “Dit is voor het huishouden en dat voor de huur.” –“.

 

 

 Verga

Giovanni Verga 2 september 1840 – 27 januari 1922)

 

 

 

 

 

De Franse dichter, schrijver en politicus Paul Déroulède werd op 2 september 1846 geboren in Parijs. Hij debuteerde als dichter onder het pseudoniem Jean Rebel in de Revue Nationale (Nationaal Tijdschrift). Hij maakte ook carrière als toneelschrijver. In 1869 verscheen het stuk Juan Strenner van zijn hand. Dit stuk werd opgevoerd in de Théâtre Français. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog was hij militair. Hij raakte bij de Slag bij Sedan gewond en werd door de Duitsers gevangen genomen. Hij werd als krijgsgevange naar Breslau (Wrocław) gevoerd, maar wist te ontsnappen. Hij sloot zich weer aan bij het Franse leger en diende onder Antoine Chanzy en Charles Denis Bourbaki. Vervolgens maakte hij de desastreuze aftocht naar Zwitserland (februari 1871) mee. Déroulède nam deel aan de onderdrukking van de Commune van Parijs en nam, als luitenant, ontslag uit het leger.

Paul Déroulède legde zich na de Frans-Duitse oorlog aanvankelijk toe op het schrijven van patriottische gedichten. In 1872 verscheen de nationalistische dichtbundel Chants du Soldat. Deze dichtbundel genoot een enorme populariteit en Déroulède werd een beroemdheid. In 1875 verscheen het vervolg, Nouveaux Chants du Soldat. In 1877 legde Déroulède de laatste hand aan zijn toneelstuk L'Hetman. Ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1878, die in Parijs werd gehouden, de hymne Vive la France, die op muziek werd gezet door Charles Gounod. Zijn drama La Moabite, werd om religieuze grond gecensureerd. Paul Déroulède richtte in 1882 met historici Henri Martin en Félix Faure de Ligue des Patriotes ("Patriottische Liga") op. Deze buitenparlementaire organisatie was voorstander van een nieuwe oorlog met Duitsland om de smadelijke nederlaag van 1871 te wreken. De Ligue des Patriotes, die al snel 182.000 leden telde, voedde de revanchegedachte. Aanvankelijk was Déroulède vicevoorzitter, en Faure voorzitter van de Ligue, maar in maart 1885 volgde Déroulède Faure op als voorzitter.

 

 

Monsieur le Hulan  (Fragment)
conte de Noël

 

I


Ceci, mes enfants, n'est pas une fable.
Ou le rossignol qui me l'a conté
Est bien le menteur le plus effroyable
Qui du ciel sur terre ait jamais chanté.
D'ailleurs, lorsque vous m'aurez écouté,
Vous verrez que rien n'est moins incroyable.

II

Voici donc, sauf l'air et sauf le refrain,
Ce que l'oiselet dit en son langage :
Ceci se passait dans un bon village
Peut-être alsacien, peut-être lorrain,
Tous les deux peut-être, en tout cas je gage,
Près de la Moselle et non loin du Rhin.

III

La nuit de Noël brillait radieuse,
Et sous tous les toits, dans tous les foyers,
Les petits enfants bénis et choyés
Dormaient le sommeil de l'enfance heureuse,
Non sans avoir mis d'une main pieuse
Près des gros chenets leurs petits souliers.

 

 

 

 deroulede_paul

Paul Déroulède (2 september 1846 - 30 januari 1914)

 

 

 

 

 

De Belgische schrijver Johan Daisne werd op 2 september 1912 in Gent geboren als Hermanus Thiery. Zie ook mijn blog van 2 september 2006 en ook mijn blog van 2 september 2007.en ook mijn blog van 2 september 2008.

 

Uit: De trap van steen en wolken

 

“Groote houtblokken brandden in den open haard. Er kropen lange, gele, gretig likkende vlammen over. Af en toe sloeg de wind in en dan veranderden ze van kleur, werden rood, en gingen even liggen. Het gebeurde ook dat wat regendruppels of zelfs wat sneeuw of een franje ijs van de boomen door den schoorsteen vielen; dan kregen de vlammen een blauwen en groenen schijn, sisten en verdwenen voor een langer tijdje tusschen de blokken. Daarna laaiden ze weer geel op, zoemden en knalden soms even en vulden de kamer met een zacht, beweeglijk schijnsel en een sterken harsgeur.

Gun Sedgwick lag in een zetel bij het vuur, met zijn laarzen op den rooster en het hoofd achterover tegen de leuning. Zijn oogleden waren dichtgevallen; een sigarettepeuk smeulde los tusschen zijn lippen. Ze waren naar hier gekomen uit beschavingsmoeheid, verveeld door de Oude Wereld, door een leven zonder horizon, door een werk zonder uitkomst; moede van de menschen en hun ideologieën, moede van zichzelf en hun vergeefsche pogingen om zich een leven mét zin in het warrelbedrijf van ginder op te bouwen. Een dag, voor het te laat was, had hij het besluit genomen. Hij had de gluiperige neurasthenie weggetrapt en met de nonchalance van den zieke, die zich tot elken prijs wil helpen, zonder gewetensstrubbeling het geld uit de hem toevertrouwde kas geleend. Hij kon het later nog teruggeven, dacht hij, en wat er ook mocht gebeuren: de maatschappij was hem dat wel verschuldigd, ze had hem ziek gemaakt, ze mocht hem nu ook genezen. Maar hij had niet alleen dat genomen. Hij was naar de vrouw toegegaan die hij in zijn jeugd had verafgood, die hij juist daardoor - doordat hij niet tijdig een compromis had weten te sluiten tusschen hemel en aarde - had verloren, maar die hij, ook juist daardoor - vanwege dat verlies - later, bij alle andere, nooit had kunnen vergeten. Hij wist dat ook zij hem nog liefhad, en eveneens in haar kring verkwijnde, verschrompelde met al haar schitterende ideeën van eertijds. En hij nam haar met dezelfde nonchalance als hij het geld uit de safe had gelicht. En samen waren ze naar de Nieuwe Wereld gevlucht, zonder iets van de Oude mede te nemen, zelfs hun oude kleeren niet, en zelfs het geld niet. In een filiaal van een overzeeschen outfitter hadden ze een paar gloednieuwe pakken gekocht, op een bank hadden ze al het geld voor vreemde munt gewisseld, deze in hun zakken laten glijden, en zoo waren ze scheep gegaan.”

 

 

 Daisne

Johan Daisne (2 september 1912 – 9 augustus 1978)