20-07-08

Hans Lodeizen, Francesco Petrarca, Uwe Johnson, Maurice Gilliams, Erik Axel Karlfeldt, Cormac McCarthy, Pavel Kohout, Lotte Ingrisch, Gerard Nolst Trenité


De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook mijn blog van 20 juli 2006 en ook mijn blog van 20 juli 2007.

 

 

er was een feest van balspelers

 

er was een feest van balspelers op het veld in

de zomer. twee vuile kleine jongetjes

gaapten het wonder van de chaos aan

(hun zakken vol broodkruimeltjes)

en liepen toen door over de zon.

 

 

de balspelers aten biefstuk en hun vermoeide

spieren waren in gesprek met elkaar onder

de douche. het veld was in hun ogen, het groene,

de gewiekste komeet (de bal), en de witte

melkweg, in hun lichaam gespaard.

 

 

 

 

Toen de dag was weggelopen

  

Toen de dag was weggelopen in het zachte

gras en de nacht haar jurk wellustig

neerspreidde, een sluier over de bloemen,

toen het donker was en de nachtegaal zong,

heb ik je ogen herkend overal om me heen

 

nu is het avond: donker als altijd

wanneer de zon's handgewuif

vrolijk is ondergegaan of als een waaier

is toegevouwen voor de hemel waar

vogels als een waterval zingen.

 

en zo stil als nooit ben ik langs de

paden van de tuin gegaan, lachend

tegen de nacht; zal ik zeggen hoe

droevig de geuren roken die langzaamaan

deinden op de wind als zeilschepen...?

 

 

 

 

Hij die de wind

 

Hij die de wind
had na willen bootsen in haar
meest intieme bewegingen;
nu ligt hij als een steen
in de beek, zwijgend in het
spelende water.

Hij die zijn hand
wou laten regeren over de
dingen is moe, en een klacht
draagt hij op zijn hoofd als
een doornenkroon, maar hij lacht
in de herfstzon.

 

 

 

 

 

lodeizen
Hans Lodeizen (20 juli 1924 - 26 juli 1950)

 

 

 

 

 

 

De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo op 20 juli 1304. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007.

 

Ga naar de harde zerk

 

Ga naar de harde zerk, o droef sonnet,
waaronder zij die ik liefhad ligt begraven,
en vraag haar vurig of zij mijn gebed
met hemelse goedgunstigheid wil staven.

 

Want nu mijn schip door stormen is ontzet
zodat ik doodmoe uitzie naar de haven,
ga ik haar achterna met trage tred
mij sterkend met de gulheid van haar gaven.

 

En sprekend van haar dood en van haar leven
(dat in de dood pas echt tot leven wordt)
wil ik de wereld kennis van haar geven.

 

En moge ik bij mijn sterven binnenkort
door haar in liefde worden opgeheven
naar oorden waar me een hemels licht omgordt!

 

 

 

Vertaald door Frans van Dooren

 

 

 

 

Ik vind geen vrede en ik kan niet strijden

  

Ik vind geen vrede en ik kan niet strijden,
ik hoop en vrees, ik brand en ben van ijs,
ik zweef omhoog en ik lig verstijfd te lijden,
ik bemin de wereld, die ik misprijs.

Ik ben verlost en kan me niet bevrijden,
ik heb een houvast en raak toch van de wijs,
ik voel me levend en gestorven beide:
ach, liefde is zowel hel als paradijs!

 Ik zie verblind, ik schreeuw en kan niet praten.
ik haat mezelf en houd van iedereen,
ik roep om hulp en wil het leven laten,

ik huil van vreugde, ik lach terwijl ik ween,
leven en dood, wat kan het mij baten:
en dit, lieveling, komt door jou alleen.

 

 

Vertaald door Lepus

 

 

 

 

FrancescoPetrarca

Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Uwe Johnson werd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). Zie ook mijn blog van 20 juli 2007.

 

Uit: Mutmaßungen über Jakob

 

"Ihr Herr Vater meint den Staat", sagte Herr Rohlfs. "Wir waren ausgegangen von der natürlichen Notwendigkeit des menschlichen Zusammenlebens. Ich hatte behauptet dass der Fortschritt eines Gemeinwesens abzulesen ist an dem vernünftigen und gerechten Ausgleich der Einzelinteressen, der Befriedigung der Egoismen. Dass einer den anderen zufrieden am Leben hält: nannte Ihr Herr Vater das. In der Folge muss die Lebensfristung zwangsläufig angenehmer werden durch ständige Verbesserung und Erweiterung der gesellschaftlichen Produktion. Die Grundvoraussetzung für solche Vernunft": sagte Herr Rohlfs.
ist die Beseitigung des Kapitalismus, die Errichtung einer proletarischen Staatsmacht, der Aufbau einer sozialistischen Wirtschaft. Dass einer den anderen zufrieden am Leben hält. Sie hob ihr Gesicht auf und wandte ihr Kinn schräg, ihr Blick ging auf Jakob zu und glitt am Fenster ab.“

 

 

 

 

 

UWE_JOHNSON
Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984
)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Maurice Guillaume Rosalie Gilliams werd geboren in Antwerpen op 20 juli 1900. Zijn jeugd bracht hij grotendeels door op het buitengoed van de familie in de omgeving van Antwerpen. Hier zou hij de inspiratie vinden voor de novellen in "Oefentocht in het luchtledige" (1933) en "Elias of het gevecht met de nachtegalen" (1936). In het bedrijf van zijn vader leerde hij het vak van typograaf. Zijn eerste werken werden dan ook in eigen beheer uitgegeven.
In de jaren '20 debuteerde hij met enkele in geringe oplage gedrukte verzenbundels die later werden gebundeld in "
Het verleden van Columbus" (1933). Gilliams schreef ook essays,  o.m. over Paul van Ostaijen en Henri De Braekeleer. Hij had tevens aanleg voor tekenen en bezat een diepgaande kennis van muziek en de beeldende kunsten. Gilliams was werkzaam als typograaf, kantoorboekhandelaar, leraar. Na wetenschappelijk bibliothecaris van het Konininklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen te zijn geweest, werd hij secretaris van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde te Gent. Deze functie bekleedde hij van 1960 tot 1975. In 1980 ontving hij de Grote Prijs van de Nederlandse Letteren. Maurice Gilliams stierf te Antwerpen op 18 oktober 1982.

 

Uit: Elias of het gevecht met de nachtegalen

 

“Wanneer Aloysius ons hart verontrust, hangen we in de werkelijkheid onderstboven als betooverde apen. Hij is zestien en ruim vier jaar ouder dan ik. 's Avonds in bed plooien wij papieren bootjes, die we de volgende dag op de beek het landgoed laten buiten drijven. Onder de dekens verborgen zit Aloysius, ik vermoed met een potlood, te prutsen. Zonder zich aan mij te laten zien, reikt hij me één voor één de cahierbladen aan, waarin ik regelmatig dezelfde vouwen zet. Ik begrijp natuurlijk de geheime wetten niet van dit curieus spel en ik help hem blindelings in zijn verrichtingen.

Ik snap het niet, waarom hij me 's morgens wil helpen wasschen; hij doet het erg hardhandig en de zeep bijt mijn oogen toe; doch wat is hij voor zichzelf zuinig met water. In zijn handen staan breede schrammen gegrift en op zijn droge, korstig gefronste onderlip heeft de koorts een zwart randje achtergelaten.

- De bootjes! zegt hij ijverig.

Wij laten de handdoek vallen en springen te gelijk naar het bed; van tusschen de lakens, aan het voeteneind, halen wij er vandaan. Een paar zijn onbruikbaar geworden, en één is niet meer te vinden in het overhoop gehaalde beddegoed. Aloysius verbergt ze als geheime documenten onder zijn blouse en we hollen de trap af, tot op de eerste verdieping, waar wij grootmoeder door een kier van de deur goedenmorgen gaan zeggen.

Na het ontbijt zijn we spoedig in het park.

Wij dringen door het kreupelhout en staan een poos te huiveren midden het bedauwde groen. Het is hier een winderige hoek. Nu en dan word ik de vingers van Aloysius gewaar en ik versta de intieme beteekenis van zijn stevige handdruk. Wij sluipen luisterend tusschen de krakende takken. Is er iets? Het was maar een vluchtende wilde duif. Het is regenachtig en de lucht wordt effen grijs betrokken.

Als we 's middags van de beek huiswaarts keeren, hebben wij niets ongewoons gezien. De bootjes werden op het water gezet; één voor één zagen wij ze wegdobberen, achter de bocht waar een sterke strooming staat. Met een ruk waren ze uit ons gezicht verdwenen.

Niet zoo gauw worden we de nabijheid van het landhuis gewaar, of een vreemde onrust heeft zich van Aloysius meester gemaakt. Hij is midden in de gloeiende dahlia's gesprongen en als 't ware door een drom vijanden omringd, zwaait en slaat hij de armen gelijk sabels om zich heen, zoodat bloemen en bladeren over zijn hoofd vliegen. In het priëeltje staat tante Zénobie van machtelooze woede te jammeren.”

 

 

 

Gilliams
Maurice Gilliams (20 juli 1900 – 18 oktober 1982)

 

 

 

 

De Zweedse dichter Erik Axel Karlfeldt werd geboren op 20 juli 1864 in Folkärna. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007.

 

 

Song After Harvest

 

Here dances Fridolin:

Oh, but he's full of the sweet red wine

And his acres' crops and his orchard's fruit

And the whirl of the waltz divine.

And over his elbows his coat-tail flops

As with each fair damsel in turn he hops,

Till spent on his bosom and blissfully mute,

Like a drooping poppy she drops.

 

And here dances Fridolin:

Nay, but he's full of old memories' wine,

For his sire and his grandsire were cheered of old

By the hum of that scraped violin.

But ye slumber, ye ancients, this festal night,

And numbed is the hand of your fiddler-wight,

And your lives and your times are a tale that is told

In music now sad, now bright.

 

But here dances Fridolin!

Look at your son, how strong, how fine!

He can talk with the yokel in yokel phrase,

With the learned quote line for line.

Thro' the new field swishes his scythe in June,

Like you he is glad for the harvest's boon,

And he lifts up his girl like a man of your race

To the bowl of the simmering moon.

 

 

 Vertaald door C.D. Locock

 

 

 

 

Erik Axel Karlfeldt
Erik Axel Karlfeldt (20 juli 1864 – 8 april 1931)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy werd geboren op 20 juli 1933 in Providence, Rhode Island. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007.

 

Uit: The Road

 

When he woke in the woods in the dark and the cold of the night he'd reach out to touch the child sleeping beside him. Nights dark beyond darkness and the days more gray each one than what had gone before. Like the onset of some cold glaucoma dimming away the world. His hand rose and fell softly with each precious breath. He pushed away the plastic tarpaulin and raised himself in the stinking robes and blankets and looked toward the east for any light but there was none. In the dream from which he'd wakened he had wandered in a cave where the child led him by the hand. Their light playing over the wet flowstone walls. Like pilgrims in a fable swallowed up and lost among the inward parts of some granitic beast. Deep stone flues where the water dripped and sang. Tolling in the silence the minutes of the earth and the hours and the days of it and the years without cease. Until they stood in a great stone room where lay a black and ancient lake. And on the far shore a creature that raised its dripping mouth from the rimstone pool and stared into the light with eyes dead white and sightless as the eggs of spiders. It swung its head low over the water as if to take the scent of what it could not see. Crouching there pale and naked and translucent, its alabaster bones cast up in shadow on the rocks behind it. Its bowels, its beating heart. The brain that pulsed in a dull glass bell. It swung its head from side to side and then gave out a low moan and turned and lurched away and loped soundlessly into the dark.


With the first gray light he rose and left the boy sleeping and walked out to the road and squatted and studied the country to the south. Barren, silent, godless. He thought the month was October but he wasnt sure. He hadn't kept a calendar for years. They were moving south. There'd be no surviving another winter here.”

 

 

 

 

McCarthy
Cormac McCarthy (Providence, 20 juli 1933)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 20 juli 2007.

 

De Oostenrijkse schrijfster Lotte Ingrisch (geb. Charlotte Gruber) werd geboren op 20 juli 1930 in Wenen.

 

De Tsjechische schrijver Pavel Kohout werd geboren op 20 juli 1928 in Praag in wat toen nog Tsjecho-Slowakije werd genoemd.

 
De Nederlandse letterkundige (berijmd proza, toneel), anglist en taalcriticus Gerard Nolst Trenité werd geboren in Utrecht op 20 juli 1870.

 

 

 

20-07-07

Francesco Petrarca, Uwe Johnson, Pavel Kohout, Lotte Ingrisch, Erik Axel Karlfeldt, Hans Lodeizen, Cormac McCarthy, Gerard Nolst Trenité


De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo op 20 juli 1304. Petrarca was een van de grondleggers van het humanisme. Hij was de zoon van een notaris die tegelijk met Dante om zijn lidmaatschap van de Welfen werd verbannen uit Florence.

Petrarca bracht een groot deel van zijn jeugd door in Avignon, waarnaar de familie verhuisde om paus Clemens V te volgen, die daar vanaf 1309 verbleef vanwege het pauselijk schisma. Hij studeerde in Montpellier (1319-1323) en trok vervolgens naar Bologna, waar hij rechten studeerde van 1323 tot 1325. Zijn interesse ging echter meer uit naar het schrijven, een passie die hij deelde met zijn vriend Giovanni Boccaccio. In 1326, na de dood van zijn vader, keerde hij terug naar Avignon. Daar ontving hij de lagere wijdingen en legde zich toe op de studie van de Latijnse klassieken. Op 6 april 1327 (Goede Vrijdag) ontwaarde hij in de kerk St.-Claire een meisje, dat hij als Laura zijn leven lang heeft bezongen in lyrische verzen, die gebundeld zijn in de Canzoniere, in het Italiaans geschreven.

 

 

Die ogen zo vol vuur door mij beschreven

 

Die ogen zo vol vuur door mij beschreven,

die armen, handen, voeten en gezicht,

waardoor mijn hart soms zózeer werd ontwricht

dat ik met niemand meer kon samenleven,

 

die haren met een gouden glans doorweven,

die glimlachjes zo warm op mij gericht,

zijn nu vergaan tot stof, dat ergens ligt

en elk gevoel voorgoed heeft prijsgegeven.

 

En ik, ik leef, maar doodvermoeid en 't leven zat

en zonder 't reddend licht dat op mij wachtte

steeds als de storm mijn schip geteisterd had.

 

Verdwijn, o liefdeslied, uit mijn gedachten !

Want weg is het talent dat ik bezat:

ik schrijf geen verzen meer, maar jammerklachten !

 

 

 

 

Bedroefd zie ik hoe ik mijn welzijn schaadde

 

Bedroefd zie ik hoe ik mijn welzijn schaadde

doordat ik ál mijn liefde op aarde had,

en ondanks het geloof dat ik bezat

mezelf niet los kon maken van het kwade.

 

O eeuwige God, die al mijn slechte daden

onzichtbaar met uw vaderhand omvat,

breng mij, verdoolde, weer op 't rechte pad

en help mij door de kracht van uw genade.

 

Schenk mij na zoveel strijd en zoveel pijn

uw vrede. En stond ik eens voor 't aardse open,

laat mij bij 't afscheid goed en deugdzaam zijn !

 

En maak, nu het weldra is afgelopen.

dat ik gelouterd voor uw troon verschijn !

Ik weet dat ik alleen op u kan hopen !

 

 

Vertaald door Frans van Dooren

 

 

 

petrarca
Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374)

 

De Duitse schrijver Uwe Johnson werd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). In de jaren vijftig studeerde hij germanistiek in Rostock en Leipzig. Vanwege een gereserveerde houding tegenover de DDR werd hij van de universiteit gestuurd, maar na 17 juni 1953 weer toegelaten. Na de vlucht van zijn moeder naar het westen bleef Johnson eerst in de DDR, maar nadat zijn boek Ingrid Babendererde. Reifeprüfung 1953 door meerde uitgeverijen was afgewezen en zijn debuutroman Mutmassungen über Jakob verschene was bij Suhrkamp volgde hij haar toch. In 1970 verscheen het eerste deel van zijn hoofdwerk Jahrestage waaraan hij tot aan zijn dood zou blijven werken. Deel 2 verscheen in 1971 en deel 3 in 1973. Daarna volgde een schrijfblokade van tien jaar. Vanaf 1974 woonde Johnson in Sheerness on Sea in Kent, Engeland.

 

Uit: Sofort einsetzendes Geselliges Beisammensein

 

„Die Hindernisse wurden fortgesetzt durch die Kennzeichnung eines der Doppelstockwagen, im hinteren Zugteil, als Nummer 4. Davor und dahinter hatten solche Schilder gefehlt. Im Inneren des Zuges, im Teil der konventionellen Wagen, kam die 4 noch einmal vor. In einem Durchgang lagen zwei Nummernschilder am Boden, jeweils die 2. Durch anhaltendes Suchen nach der uns vorgeschriebenen 3 gelangten wir bequem an die Spitze des Zuges und wollten uns wenigstens auf die Kopf-Qualität des Bahnhofs Leipzig freuen, wenn wir schon falsch sitzen mussten.

Die Freude zu unterstützen, unternahm ich eine Reise zur Getränke-Ausgabe, auf den Eintrag im Fahrplan vertrauend. Das Buffet befand sich im Doppelstockteil, von uns getrennt durch eine verschlossene Tür und blanke Puffer. Diese Aufgabe wurde gelöst durch einen Dauerlauf in Jüterbog, von der Spitze des Zuges zum hinteren Teil, unter anfeuernden Rufen des Begleitpersonals: Junger Mann, steijn Se ein, mr wolln abfahrn! Der Buffetraum bestand aus zwei unteren Teilen des Wagens, gegen die hinteren mit Segeltuch verhängt. Vor der Theke und auf der angrenzenden Bühne fand eine Kundenversammlung statt. Mann aus Aue erklärte sawjetski offizer: Maja schenzina natschalnik; me budet porusski. Ein Junge aus den frühen Erzählungen Hemingways schnitt den Erwachsenen mit Blicken die Augen aus.“

 

 

Johnson
Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984)

 

De Tsjechische schrijver Pavel Kohout werd geboren op 20 juli 1928 in Praag in wat toen nog Tsjecho-Slowakije werd genoemd. Hij werkte vanaf 1949 twee jaar op de Tsjechoslowaakse ambassade in Moskou. Na zijn terugkeer naar eigen land was hij in zijn geboortestad Praag onder meer actief als publicist, theater en filmregisseur en radioreporter. Zijn doorbraak als toneelschrijver beleefde hij in 1955 met het stuk “Septembernachte”. Ook zijn volgende werk  “ So Ein Liebe” (1958) kende veel succes. Tot aan ´de Praagse lente´ gold Kohout als de meest gespeelde Tsjechische auteur.

Oorspronkelijk was hij een militant Stalinist, maar groeide in de loop der tijd uit tot één der meest opmerkelijke critici van het communisme. Hoewel hij nauwelijks of niet reageerde op de invasie van het Warschau-Pact in 1968 was hij samen met de latere president Vaclav Havel één der opstellers van het mensenrechtenmanifest Charta 77. Dit was zonder enige twijfel een van de belangrijkste redenen dat hij een jaar later uit de communistische partij werd gestoten. Tevens kreeg hij een publicatieverbod. In de ommekeer in zijn denken over het communisme speelde zijn echtgenote Jelena overigens een belangrijke rol.

 

Uit: Sternstunde der Mörder

 

“Als unmittelbar nach dem Jaulen der Sirene die Türklingel schrillte, war Elisabeth Baronin von Pommeren überzeugt, der tschechische Hausmeister sei da, um sie mit dem Fahrstuhl in den Keller hinunterzubringen; sie warf sich den schwarzen Pelz wieder über, den sie eben erst hinhängte, nahm ihr Luftschutzköfferchen, hakte die Sicherheitskette auf und wußte, daß sie
ihrem Mörder geöffnet hatte.
Sie hatte den Mann mit der prallen Schultertasche flüchtig auf dem Vysehrader Friedhof wahrgenommen, es war ihr nichts Ungewöhnliches mehr, daß die Tschechen bereits in aller Öffentlichkeit die Gräber ihrer Nationalheiligen schmückten, den deutschen Okkupanten zum Trotz. Er hatte den Eindruck eines Handwerkers gemacht, der dort auf einen Sprung bei seiner Runde vorbeikam, und sie bemerkte ihn deshalb nur flüchtig, weil sein Gesicht gegen die scharfe Sonne wie das eines Negers wirkte. Jetzt blickte sie in Augen wie aus Glas, farblos und ausdruckslos. Ohne jede Hast keilte er seinen abgewetzten Schuh mit der dicken Gummisohle
zwischen Türflügel und Schwelle und schob ebenso langsam seinen in eine wattierte Bundjacke gezwängten Körper hintendrein. Und schließlich sah sie die lange und seltsam schmale Klinge. Ein Tranchiermesser! erinnerte sie sich.”

 

 

kohout
Pavel Kohout (Praag, 20 juli 1928)

 

De Oostenrijkse schrijfster Lotte Ingrisch (geb. Charlotte Gruber) werd geboren op 20 juli 1930 in Wenen. Zij was getrouwd met de componist Gottfried von Einem voor wie ze diverse libretti en liederen/gedichten schreef. Het bekendst is wel de opera Jesu Hochzeit die bij de eerste opvoering in 1980 een schandaal veroorzaakte omdat hij blasfemisch zou zijn.

 

Uit: REISEFÜHRER INS JENSEITS

 

„Was haben wir alles in der Schule gelernt! Von den Bodenschätzen Australiens angefangen bis zurTrigonometrie. Aber wer von uns berechnet im Lauf seines Lebens jemals die Schenkel eines Dreiecks,schöpft aus der Kenntnis australischer Bodenschätze Lust und Gewinn?

Niemand lehrt uns, zu sterben. Dabei sterben wir alle. Und nur wenige können es, weil sie dafür begabt sind, von selbst. Die meisten halten den Tod für ein Ende mit Schrecken, dem ein Schrecken ohne Ende folgt.

Das stimmt nicht! Der Tod ist ein Märchen.

Haben Sie keine Angst! Der Tod ist ganz anders, als wir immer glaubten. Wir können das Schreckgespenst, das weiter nichts ist als ein Produkt unserer Erziehung und Phantasie, ruhig begraben. Es gibt nämlich keinen Sensenmann, keinen Schlächter. Dramatisiert man den Tod nicht, ist er einfach und leicht. So leicht, dass Sie ihn womöglich gar nicht spüren.

Ärzte und Forscher - allen voran Georges Barbarin - haben die letzten Augenblicke des Menschen genau untersucht. Das Sterben, so lautet die überraschende Botschaft, tut nicht einmal weh. Denn der so gefürchtete Todeskampf ist ja nur ein Kampf ums Leben, in das der Sterbende sich, statt es loszulassen, verkrallt. Wer nicht kämpft, wird auch nicht leiden. Empfangen Sie den Tod wie' einen Liebhaber, und er vergewaltigt Sie nicht.

Uns verstört der Krampf der Muskeln und Nerven, mit dem der Sterbende sich gegen den Tod wehrt. Doch sind dies rein mechanische Vorgänge, die außerhalb des Bewusstseins stattfinden. Reflexe des Organismus, ein Aufruhr in der Mikrowelt der Zellen, die schon nicht mehr die unsere ist. Der Sterbende selbst bemerkt nichts davon.’

 

 

 

ingrisch

Lotte Ingrisch (Wenen, 20 juli 1930)

 

De Zweedse dichter Erik Axel Karlfeldt werd geboren op 20 juli 1864 in Folkärna. Hij studeerde pedagogie in Uppsala en was van 1892 tot 1912 leraar en bibliothecaris. Hij stond onder invloed van de neoromantiek en vond de thema’s en motieven voor zijn gedichten in streekgeschiedenis, in sagen, het volksgeloof en de bijbel.

 

In der Elchzeit

 

Er kommt jede Nacht auf den Acker am Fluß,
man hat ihn dort äsen gesehen,
den Elch; ich such ihn mit Schweiß und Verdruß
am Tage umsonst zu erspähen.

Jetzt schläft die Aue im Mondscheinflor.
Doch in atemberaubendem Schweigen
wach' ich, verborgen in Schilf und Rohr:
Wird der mächtige Elchhirsch sich zeigen?

Da tritt er heraus aus dem herbstlichen Schloß
zum abendlich flammenden Feste,
der Könige des Waldes gehörnter Sproß.
Seine Krone streift rauschend die Äste.

Friedlich in des Mondnebels wallendem Strom
ragt er aus Acker und Wiese,
phantastisch, bizarr, wie ein Phantom,
ein Schemen, ein Vorzeitriese.

Und hier, wo er herrscht in Hain und Flur,
scheint er mehr selbst als meinesgleichen,
ein stolzerer Sohn der stolzen Natur,
erstgeboren in ihren Bereichen.

Da legt sich bezähmt mein Jägerblut,
ich spüre Weichheit, anstelle von Lust
auf den tödlichen Schuß, und zielt' ich auch gut
in diese mondhelle Brust.

Einen solchen Preis zu gewinnen mit Trug,
wär Verrat. Drum entfern' ich mich leise.
Doch morgen sind wir wieder am Zug,
du Hoher, auf alte Weise.

Dann spielen wir rein. Deine Läufe sind stark,
hast ehrlichen Vorsprung gewonnen,
wenn ich dich erreiche über Heide und Mark,
ist die Mondscheinstimmung zerronnen.

Dann geht es ums Ganze und nicht um Betrug,
dann bring' ich das schwirrende Korn
zur Ruhe in deinem festen Bug
und stoße gewaltig ins Horn.

Dann will ich rechnen der Enden Zahl,
die stolz du getragen bis heute,
und heim geleiten ins bergende Tal
am Abend die fürstliche Beute.

 

Vertaald door Hilda von Born-Pilsach

 

 

 

karlfeldt
Erik Axel Karlfeldt (20 juli 1864 – 8 april 1931)

 

De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook mijn blog van 20 juli 2006.

 

 

allemaal steden

 

de stad weifelt over de huizen

de morgen vaart over de daken

de stad binnen

de zon staat op tussen de huizen

onder carillonmuziek

de mensen wandelen in het donker;

 

aan het strand van de verten,

ligt de stille zee der lucht,

waarin het schip van een kerktoren,

flikkert

in de buik van de stad

drinken wij koffie

 

en de stad zeilt verder

 

 

 

 

ik ben het zuiverste dier op aarde

 

ik ben het zuiverste dier op aarde

ik slaap met de nacht als met mijn lichaam

en de nacht wordt groter in mijn hart


in het donkere weefgetouw van je vingers

borduur ik een nacht van eenzaamheid

veelkleurig veeleisend veranderlijk


ik ken alle tranen van de eenzaamheid

sla mij maak mij open

ik ben een roos van vrolijkheid


kom hier vertrouw mij

ik gooi de wind vol sterren


als een boot van overvloed

in de spaarzaamheid van de zee


nu ben je niet gekomen

en zachtjes ga ik dicht

 

 

 

 

toen ik de middagen in zijn kamer

 

toen ik de middagen in zijn kamer
doorbracht en in zijn lichaam
rondliep of neerzat, een boek las
of sliep, toen ik de weg van zijn oor
kende en de rivier van zijn ogen
binnenvoer toen ik met zijn handen
speelde en over zijn lippen liep
toen ben ik mezelf vaak tegengekomen,
lachend en huilend of dingen zeggend.

 

 

 

Lodeizen
Hans Lodeizen
(20 juli 1924 - 26 juli 1950)

 

De Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy werd geboren op 20 juli 1933 in Providence, Rhode Island. Vóór zijn schrijversloopbaan werkte hij als advocaat en diende hij vier jaar in de US Air Force. Momenteel woont de schrijver in El Paso, Texas. In 1959 en 1960 publiceerde hij twee korte verhalen en in 1965 een eerste roman, The Orchard Keeper. Van 1965 tot 1967 reisde McCarthy naar Ierland, op zoek naar zijn roots. Daarna bezocht hij diverse andere Europese landen. In 1967 keerde hij terug naar de VS. In 1968 publiceerde hij zijn tweede roman, Outer Dark. In 1973 schreef hij het filmscript voor de film The Gardeners Son. In 1977 volgde de roman Suttree, volgens vele kritieken zijn beste roman ooit.

Zijn bekendste roman, Blood meridian, or the evening redness in the West, verscheen in 1985. Eind 2006 verscheen de apocalyptische roman The Road.

 

Uit: The Crossing

 

“He finished his supper and went to bed. Boyd was already asleep. He lay awake a long time thinking about the wolf. He tried to see the world the wolf saw. He tried to think about it running in the mountains at night. He wondered if the wolf were so unknowable as the old man said. He wondered at the world it smelled or what it tasted. He wondered had the living blood with which it slaked its throat a different taste to the thick iron tincture of his own. Or to the blood of God. In the morning he was out before daylight saddling the horse in the cold dark of the barn. He rode out the gate before his father was even up and he never saw him again.

Riding along the road south he could smell the cattle out in the fields in the dark beyond the bar ditch and the running fence. When he rode through Cloverdale it was just gray light. He turned up the Cloverdale Creek road and rode on. Behind him the sun was rising in the San Luis Pass and his new shadow riding before him lay long and thin upon the road. He rode past the old dance platform in the woods and two hours later when he left the road and crossed the pasture to the vaqueros' noon fire the wolf stood up to meet him.” 

 

 

 

McCarthy
Cormac McCarthy (Providence, 20 juli 1933)

 

De Nederlandse letterkundige (berijmd proza, toneel), anglist en taalcriticus Gerard Nolst Trenité werd geboren in Utrecht op 20 juli 1870.  Nolst Trenité was de zoon van een Utrechtse predikant. Na het gymnasium studeerde hij van 1890 tot 1894 aan de Universiteit van Utrecht klassieke letteren, rechten en staatswetenschappen, zonder echter een van deze studierichtingen te voltooien. Avontuurlijk aangelegd, begon hij in 1894 een zichzelf beloofde reis om de wereld, die voortijdig strandde in San Francisco, waar hij huisonderwijzer werd van de kinderen van de Nederlandse consul. Maar twee jaar later was hij terug in Nederland en hervatte zijn studie staatswetenschap, zich tegelijkertijd voorbereidend op de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs Engels; de betrokken acte behaalde hij in 1898. Van 1901 tot 1918 werkte hij als leraar in Haarlem en bracht hij diverse schoolboeken op de markt voor Frans en Engels. Het lange gedicht The Chaos (bedoeld om de uitspaak te oefenen) verscheen als appendix in de vierde editie van Drop Your Foreign Accent: engelsche uitspraakoefeningen in 1920. Vanaf 1909 tot aan zijn dood in 1946 schreef Trenité in De (Groene) Amsterdammer een taalkundige column onder de naam Charivarius.

 

Uit The Chaos (Fragment)

 

 

Dearest creature in creation
Studying English pronunciation,
   I will teach you in my verse
   Sounds like corpse, corps, horse and worse.

 

I will keep you, Susy, busy,
Make your head with heat grow dizzy;
   Tear in eye, your dress you'll tear;
   Queer, fair seer, hear my prayer.

 

Pray, console your loving poet,
Make my coat look new, dear, sew it!
   Just compare heart, hear and heard,
   Dies and diet, lord and word.

 

Sword and sward, retain and Britain
(Mind the latter how it's written).
   Made has not the sound of bade,
   Say-said, pay-paid, laid but plaid.

 

Now I surely will not plague you
With such words as vague and ague,
   But be careful how you speak,
   Say: gush, bush, steak, streak, break, bleak ,

 

Previous, precious, fuchsia, via
Recipe, pipe, studding-sail, choir;
   Woven, oven, how and low,
   Script, receipt, shoe, poem, toe.

 

Say, expecting fraud and trickery:
Daughter, laughter and Terpsichore,
   Branch, ranch, measles, topsails, aisles,
   Missiles, similes, reviles.

 

Wholly, holly, signal, signing,
Same, examining, but mining,
   Scholar, vicar, and cigar,
   Solar, mica, war and far.

 

From "desire": desirable-admirable from "admire",
Lumber, plumber, bier, but brier,
   Topsham, brougham, renown, but known,
   Knowledge, done, lone, gone, none, tone,

 

One, anemone, Balmoral,
Kitchen, lichen, laundry, laurel.
   Gertrude, German, wind and wind,
   Beau, kind, kindred, queue, mankind,

 

Tortoise, turquoise, chamois-leather,
Reading, Reading, heathen, heather.
   This phonetic labyrinth
   Gives moss, gross, brook, brooch, ninth, plinth.

 

 

 

Trenite
Gerard Nolst Trenité (20 juli 1870 – 9 oktober 1946)