03-02-16

Georg Trakl, Paul Auster, Jan Willem Holsbergen, Henning Mankell, Richard Yates, Gertrude Stein, Michael Scharang, Ferdinand Schmatz

 

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog.

 

Traumwandler

Wo bist du, die mir zur Seite ging,
Wo bist du, Himmelsangesicht?
Ein rauher Wind höhnt mir ins Ohr: du Narr!
Ein Traum! Ein Traum! Du Tor!
Und doch, und doch! Wie war es einst,
Bevor ich in Nacht und Verlassenheit schritt?
Weißt du es noch, du Narr, du Tor!
Meiner Seele Echo, der rauhe Wind:
O Narr! O Tor!
Stand sie mit bittenden Händen nicht,
Ein trauriges Lächeln um den Mund,
Und rief in Nacht und Verlassenheit!
Was rief sie nur! Weißt du es nicht?
Wie Liebe klang's. Kein Echo trug
Zu ihr zurück, zu ihr dies Wort.
War's Liebe? Weh, daß ich's vergaß!
Nur Nacht um mich und Verlassenheit,
Und meiner Seele Echo – der Wind!
Der höhnt und höhnt: O Narr! O Tor!

 

Sommer

Am Abend schweigt die Klage
Des Kuckucks im Wald.
Tiefer neigt sich das Korn,
Der rote Mohn.

Schwarzes Gewitter droht
Über dem Hügel.
Das alte Lied der Grille
Erstirbt im Feld.

Nimmer regt sich das Laub
Der Kastanie.
Auf der Wendeltreppe
Rauscht dein Kleid.

Stille leuchtet die Kerze
Im dunklen Zimmer;
Eine silberne Hand
Löschte sie aus;

Windstille, sternlose Nacht.

 


De treden van de waanzin…

De treden van de waanzin in zwarte kamers,
De schimmen der ouden onder de open deur,
Wanneer helians ziel in de rozige spiegel zichzelf bekijkt
En sneeuw en melaatsheid van zijn voorhoofd glijden.

Aan de wanden zijn de sterren uitgedoofd
En de witte gestalten van het licht.

Aan het tapijt ontstijgt gebeente der graven,
Het zwijgen van verweerde kruizen op de heuvel,
De zoetheid van wierook in de purperen nachtwind.

O jullie gebroken ogen in zwarte monden,
Wanneer de nakomeling in tere waanzin
Eenzaam het donkerder einde overpeinst,
De stille God de blauwe oogleden over hem neerslaat.

 

Vertaald door Frans Roumen



 
Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
Georg Trakl im Garnisionsspital door Bernhard Brungs, 2007

Lees meer...

03-02-15

Georg Trakl, Paul Auster, Henning Mankell, Richard Yates, Gertrude Stein, Michael Scharang, Ferdinand Schmatz, Ludwig August Frankl-Hochwart

 

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog.

 

In einem alten Garten

Resedaduft entschwebt im braunen Grün,
Geflimmer schauert auf den schönen Weiher,
Die Weiden stehn gehüllt in weiße Schleier
Darinnen Falter irre Kreise ziehn.

Verlassen sonnt sich die Terrasse dort,
Goldfische glitzern tief im Wasserspiegel,
Bisweilen schwimmen Wolken übern Hügel,
Und langsam gehn die Fremden wieder fort.

Die Lauben scheinen hell, da junge Frau'n
Am frühen Morgen hier vorbeigegangen,
Ihr Lachen blieb an kleinen Blättern hangen,
In goldenen Dünsten tanzt ein trunkener Faun.

 

 

Abendmuse

Ans Blumenfenster wieder kehrt des Kirchturms Schatten
Und Goldnes. Die heiße Stirn verglüht in Ruh und Schweigen.
Ein Brunnen fällt im Dunkel von Kastanienzweigen -
Da fühlst du: es ist gut! in schmerzlichem Ermatten.
Der Markt ist leer von Sommerfrüchten und Gewinden.
Einträchtig stimmt der Tore schwärzliches Gepränge.
In einem Garten tönen sanften Spieles Klänge,
Wo Freunde nach dem Mahle sich zusammenfinden.
Des weißen Magiers Märchen lauscht die Seele gerne.
Rund saust das Korn, das Mäher nachmittags geschnitten.
Geduldig schweigt das harte Leben in den Hütten;
Der Kühe linden Schlaf bescheint die Stallaterne.
Von Lüften trunken sinken balde ein die Lider
Und öffnen leise sich zu fremden Sternenzeichen.
Endymion taucht aus dem Dunkel alter Eichen
Und beugt sich über trauervolle Wasser nieder.

 

 

Passie

Wanneer Orpheus zilveren de luit bespeelt,
Beklagend iets doods in de avondtuin,
Wie ben jij rustende onder hoge bomen?
Het herfstige riet ruist de klacht,
De blauwe vijver,
Wegstervend onder groenende bomen
En volgend de schim van de zuster;
Donkere liefde
Van een wild geslacht,
Waar op gouden raderen de dag van wegruist.
Stille nacht.

Onder duistere sparren
Mengden twee wolven hun bloed
In stenen omarming; goudachtig

Verdwaalde de wolk boven het pad,
Geduld en zwijgen van de kindertijd.
Weer verschijnt het tedere lijk
Bij de Tritonsvijver,
Schluimerend in zijn hyacinten haar.
Moge eindelijk breken het koele hoofd!

Want altijd volgt, een blauw wild dier,
Iets spiedends onder schemerende bomen,
Over deze donkere paden
Wakend en bewogen door welluidende nacht,
Zachte waanzin;
Of er klonk van donkere verrukking
Vol, het snarenspel,
Aan de koele voeten van de boetelinge
In de stenen stad.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 
Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
Portret door Farid, 2011

Lees meer...

03-02-14

Georg Trakl, Paul Auster, Henning Mankell, Richard Yates, Gertrude Stein, Michael Scharang, Ferdinand Schmatz

 

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog. Georg Trakl stierf op 4 november 1914. Daarom is dit jaar een Trakl jaar.

 

Kindheit

Voll Früchten der Hollunder; ruhig wohnte die Kindheit
In blauer Höhle. Über vergangenen Pfad,
Wo nun bräunlich das wilde Gras saust,
Sinnt das stille Geäst; das Rauschen des Laubs

Ein gleiches, wenn das blaue Wasser im Felsen tönt.
Sanft ist der Amsel Klage. Ein Hirt
Folgt sprachlos der Sonne, die vom herbstlichen Hügel rollt.

Ein blauer Augenblick ist nur mehr Seele.
Am Waldsaum zeigt sich ein scheues Wild und friedlich
Ruhn im Grund die alten Glocken und finsteren Weiler.

Frömmer kennst du den Sinn der dunklen Jahre,
Kühle und Herbst in einsamen Zimmern;
Und in heiliger Bläue läuten leuchtende Schritte fort.

Leise klirrt ein offenes Fenster; zu Tränen
Rührt der Anblick des verfallenen Friedhofs am Hügel,
Erinnerung an erzählte Legenden; doch manchmal erhellt sich die Seele,
Wenn sie frohe Menschen denkt, dunkelgoldene Frühlingstage.

 

 

An Novalis

In dunkler Erde ruht der heilige Fremdling.
Es nahm von sanftem Munde ihm die Klage der Gott,
Da er in seiner Blüte hinsank.
Eine blaue Blume
Fortlebt sein Lied im nächtlichen Haus der Schmerzen.

 

 

Zang van de afgezonderde
Aan Karl Borromaeus Heinrich

Vol harmonieën is de vlucht der vogels. De groene bossen hebben zich
's Avonds in stillere hutten verzameld;
De kristallen weiden van het ree. Iets donkers kalmeert het gekabbel van de beek, de vochtige schaduwen

En de bloemen van de zomer, welluidend in de wind.
Reeds schemert het voorhoofd van de peinzende mens.

En er schijnt een lampje, het goede, in zijn hart
En de vrede van het maal; want geheiligd is brood en wijn
Door Gods handen, en uit nachtelijke ogen kijkt
De broeder jou stil aan, opdat hij uitrust van doornige reizen.
O het wonen in de bezielde blauwte van de nacht.

Liefhebbend omgeeft het zwijgen in de kamer ook de schimmen der ouden,
De purperen martelingen, klacht van een groot geslacht,
Dat vroom nu uitsterft in de eenzame nakomeling.

Want stralender steeds ontwaakt uit zwarte minuten van waanzin
De verdraagzame bij versteende drempel
En hem omvatten geweldig de koele blauwte en het lichtende eind van de herfst,

Het stille huis en de sagen van het bos,
Norm en wet en de maanachtige paden van de afgezonderden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 
Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
Borstbeeld door Hans Pacher voor het Trakl-Haus in Salzburg

Lees meer...

29-12-13

Dolce far niente (Ein Winterabend, Georg Trakl)

 

Dolce far niente

 

 

 
A Winter Evening door Frederick McCubbin, 1897

 

 

Ein Winterabend

Wenn der Schnee ans Fenster fällt,
Lang die Abendglocke läutet,
Vielen ist der Tisch bereitet
Und das Haus ist wohlbestellt.

Mancher auf der Wanderschaft
Kommt ans Tor auf dunklen Pfaden.
Golden blüht der Baum der Gnaden
Aus der Erde kühlem Saft.

Wanderer tritt still herein;
Schmerz versteinerte die Schwelle.
Da erglänzt in reiner Helle
Auf dem Tische Brot und Wein.

 

 

 
Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)

 

 

De Vlaamse schrijver Stefan Brijs werd geboren op 29 december 1969 in Genk. Zie ook alle tags voor Stefan Brijs op dit blog.

Uit: De engelenmaker

“Tot die nare ontdekking kwam lange Meekers al meteen die eerste middag. Toen de chauffeur van zijn taxi wegliep om Victor Hoppe te helpen bij het openen van het verroeste toegangshek sloop lange Meekers, aangetrokken door het aanhoudende gehuil, naar de auto en wierp een blik door het zijraampje. Van wat hij toen op de achterbank zag, schrok hij zo hevig dat hij ter plekke van zijn stokje ging en daarmee op slag de eerste patiënt werd van Doktor Hoppe, die de magere jongen met enkele klappen op zijn wang weer bij bewustzijn bracht. Lange Meekers opende daarop knipperend de ogen, keek in een flits van de dokter naar de auto, krabbelde snel overeind en spurtte vervolgens zonder eenmaal om te kijken terug naar zijn speelkameraden. Nog enigszins wankel sloeg hij aan de ene kant een arm om de brede schouders van zijn klasgenoot Robert Chevalier — zij zaten allebei in het vierde leerjaar — en legde aan de andere kant een hand op de linkerschouder van Julius Rosenboom, die drie jaar jonger en twee koppen kleiner was dan hij.
‘Wat heb je gezien, lange?’ vroeg Seppe van de bakker, die met de leren voetbal onder de arm schuin tegenover zijn makkers stond en zijn gezicht naar de dove Gunther Weber wendde zodat ook hij kon volgen wat er gezegd werd.
‘Ze...’ begon lange Meekers, maar hij ging niet verder en trok weer bleek weg.
‘Stel je niet aan!’ reageerde Robert Chevalier en hij gaf Meekers een por met zijn schouder. ‘Wat bedoel je met “ze”? Is het meer dan één baby?’
‘Drie. Het zijn er drie,’ antwoordde lange Meekers en hij stak evenveel magere vingers op.
‘Dwie-mweis-jes?’ vroeg Gunther met een vette grijns bij het zien van de opgestoken vingers.
‘Dat heb ik niet kunnen zien,’ zei lange Meekers. ‘Maar wat ik wel heb gezien...’ Hij bukte zich, keek even in de verte, waar Doktor Hoppe en de taxichauffeur op dat ogenblik de twee helften van het toegangshek openden, en wenkte zijn vier makkers dichterbij.”

 

 
Stefan Brijs (Genk, 29 december 1969)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e december ook mijn blog van 29 december 2012 deel 1 en eveneens deel 2.

 

03-02-13

Georg Trakl, Paul Auster, Johannes Kühn, Andrzej Szczypiorski

 

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog.

 

 

De profundis

 

Es ist ein Stoppelfeld, in das ein schwarzer Regen fällt.
Es ist ein brauner Baum, der einsam dasteht.
Es ist ein Zischelwind, der leere Hütten umkreist.
Wie traurig dieser Abend.

 

Am Weiler vorbei
Sammelt die sanfte Waise noch spärliche ähren ein.
Ihre Augen weiden rund und goldig in der Dämmerung
Und ihr Schoß harrt des himmlischen Bräutigams.

 

Bei der Heimkehr
Fanden die Hirten den süßen Leib
Verwest im Dornenbusch.

 

Ein Schatten bin ich ferne finsteren Dörfern.
Gottes Schweigen
Trank ich aus dem Brunnen des Hains.

 

Auf meine Stirne tritt kaltes Metall
Spinnen suchen mein Herz.
Es ist ein Licht, das in meinem Mund erlöscht.

 

Nachts fand ich mich auf einer Heide,
Starrend von Unrat und Staub der Sterne.
Im Haselgebüsch
Klangen wieder kristallne Engel.

 

 

 

Im Winter

 

Der Acker leuchtet weiß und kalt.
Der Himmel ist einsam und ungeheuer.
Dohlen kreisen über dem Weiher
Und Jäger steigen nieder vom Wald.

 

Ein Schweigen in schwarzen Wipfeln wohnt.
Ein Feuerschein huscht aus den Hütten.
Bisweilen schellt sehr fern ein Schlitten
Und langsam steigt der graue Mond.

 

Ein Wild verblutet sanft am Rain
Und Raben plätschern in blutigen Gossen.
Das Rohr bebt gelb und aufgeschossen.
Frost, Rauch, ein Schritt im leeren Hain.

 

 

 

 

Kaspar Hauser lied
Voor Bessie Loos

 

Hij had waarlijk de zon lief, die purpur de hemel afdaalde,
De paden van het bos, de zingende lijster
En de vreugde van het groen.

 

Ernstig was zijn wonen in de schaduw van een boom
En zuiver zijn gelaat.
God sprak een tere vlam tot zijn hart:
O mens!

 

Stil vond zijn stap de stad in de avond;
De donkere klacht van zijn mond:
Ik wil een ruiter worden.

 

Hem echter volgden struik en dier,
Huis en schemertuin van witte mensen
En zijn moordenaar zocht naar hem.

 

Voorjaar en zomer en mooi de herfst
Van de rechtvaardige, zijn stille stap
Langs de donkere kamers van dromenden.
's Nachts bleef hij met zijn ster alleen;

 

Zag dat sneeuw viel in kale takken
En in de schemerende hal de schim van de moordenaar.

 

Zilver verzonk het hoofd van de ongeborene.

 

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 

Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)

Een zeer jonge Trakl

Lees meer...

03-02-12

Georg Trakl

 

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog.

 

 

Verfall

 

Am Abend, wenn die Glocken Frieden läuten,

Folg ich der Vögel wundervollen Flügen,

Die lang geschart, gleich frommen Pilgerzügen,

Entschwinden in den herbstlich klaren Weiten.

 

Hinwandelnd durch den dämmervollen Garten

Träum ich nach ihren helleren Geschicken

Und fühl der Stunden Weiser kaum mehr rücken.

So folg ich über Wolken ihren Fahrten.

 

Da macht ein Hauch mich von Verfall erzittern.

Die Amsel klagt in den entlaubten Zweigen.

Es schwankt der rote Wein an rostigen Gittern,

 

Indes wie blasser Kinder Todesreigen

Um dunkle Brunnenränder, die verwittern,

Im Wind sich fröstelnd blaue Astern neigen.

 

 

 

Verklärter Herbst

 

Gewaltig endet so das Jahr

Mit goldnem Wein und Frucht der Gärten.

Rund schweigen Wälder wunderbar

Und sind des Einsamen Gefährten.

 

Da sagt der Landmann:

Es ist gut. Ihr Abendglocken lang und leise

Gebt noch zum Ende frohen Mut.

Ein Vogelzug grüßt auf der Reise.

 

Es ist der Liebe milde Zeit.

Im Kahn den blauen Fluss hinunter

Wie schön sich Bild an Bildchen reiht

Das geht in Ruh und Schweigen unter.

 

 

 

Psalm
Opgedragen aan Karl Kraus

 

Er is een licht dat de wind uitgedoofd heeft.
Er is een kroeg op de hei die een dronkaard 's middags verlaat.
Er is een wijnberg, verbrand en zwart met gaten vol spinnen.
Er is een ruimte die ze met melk hebben gewit.
De waanzinnige is gestorven. Er is een eiland in de Zuidzee,
Om de zonnegod te ontvangen. Men roert de trommels.
De mannen voeren oorlogsdansen uit.
De vrouwen wiegen de heupen in slingerplanten en vuurbloemen,
Als de zee zingt. O ons verloren paradijs.

 

De nimfen hebben de gouden bossen verlaten.
Men begraaft de vreemde. Dan begint een glinsterregen.
De zoon van Pan verschijnt in de gestalte van een grondwerker,
Die de middag op het gloeiende asfalt verslaapt.
Er zijn kleine meisjes op een erf in jurkjes vol hartverscheurende armoede!
Er zijn kamers, vol met akkoorden en sonates.
Er zijn schimmen die elkaar voor een geblindeerde spiegel omarmen.
Achter de ramen van het hospitaal verwarmen zich genezenden.
Een witte stoomboot op het kanaal voert bloedige plagen aan.

 

De vreemde zuster verschijnt weer in iemands kwade dromen.
Rustend in het hazelaarsbosje speelt zij met zijn sterren.
De student, misschien een dubbelganger, kijkt haar door het raam lang na.
Achter hem staat zijn dode broer, of hij loopt de oude wenteltrap af.
In het donker van bruine kastanjes verbleekt de gestalte van de jonge novice.
De tuin ligt in de avond. In de kruisgang fladderen de vleermuizen rond.
De kinderen van de huismeester staken hun spel en zoeken het goud van de hemel.
Slotakkoorden van een kwartet. De kleine blinde loopt bevend door de laan,
En later gaat haar schim op de tast langs koude muren, omgeven door sprookjes en heilige legenden.

 

Er is een lege boot die 's avonds het zwarte kanaal afdrijft.
In het duister van het oude asiel vervallen menselijke ruïnes.
De dode wezen liggen bij de tuinmuur.
Uit grijze kamers stappen engelen met bemodderde vleugels.
Wormen druppen van hun vergeelde oogleden.
Het plein voor de kerk is somber en zwijgzaam, als in de kinderdagen.
Op zilveren zolen glijden vroegere levens voorbij
En de schimmen der verdoemden dalen naar de zuchtende wateren af.
In zijn graf speelt de witte magiër met zijn slangen.

 

Zwijgzaam boven de schedelplaats openen zich Gods gouden ogen.

 

 


Vertaalddoor Frans Roumen

 

 


Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)

Portret door de Deense schilder Knud Odde

 

 

 

In verband met een internetstoring vandaag slechts een kort bericht. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 3 februari 2011.

 

 

Gertrude Stein, Ferdinand Schmatz, Michael Scharang

 

Paul Auster, Johannes Kühn, Andrzej Szczypiorski, Lao She, Henning Mankell

 

Richard Yates, Sarah Kane, James A. Michener, Annette Kolb, Ernst von Wildenbruch

 

03-02-11

Georg Trakl, Gertrude Stein, Ferdinand Schmatz, Michael Scharang

 

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007 en ook mijn blog van 3 februari 2008 en ook mijn blog van 3 februari 2009 en ook mijn blog van 3 februari 2010.

 

 

Ballade

 

Ein schwüler Garten stand die Nacht.
Wir verschwiegen uns, was uns grauend erfaßt.
Davon sind unsre Herzen erwacht
Und erlagen unter des Schweigens Last.

 

Es blühte kein Stern in jener Nacht
Und niemand war, der für uns bat.
Ein Dämon nur hat im Dunkel gelacht.
Seid alle verflucht! Da ward die Tat.

 

 

 
Passion

 

Wenn Orpheus silbern die Laute rührt,

Beklagend ein Totes im Abendgarten,

Wer bist du Ruhendes unter hohen Bäumen?

Es rauscht die Klage das herbstliche Rohr,

Der blaue Teich,

Hinsterbend unter grünenden Bäumen

Und folgend dem Schatten der Schwester;

Dunkle Liebe

Eines wilden Geschlechts,

Dem auf goldenen Rädern der Tag davonrauscht.

Stille Nacht.

 

Unter finsteren Tannen

Mischten zwei Wölfe ihr Blut

In steinerner Umarmung; ein Goldnes

Verlor sich die Wolke über dem Steg,

Geduld und Schweigen der Kindheit.

Wieder begegnet der zarte Leichnam

Am Tritonsteich

Schlummernd in seinem hyazinthenen Haar.

Daß endlich zerbräche das kühle Haupt!

 

Denn immer folgt, ein blaues Wild,

Ein Äugendes unter dämmernden Bäumen,

Dieser dunkleren Pfaden

Wachend und bewegt von nächtigem Wohllaut,

Sanftem Wahnsinn;

Oder es tönte dunkler Verzückung

Voll das Saitenspiel

Zu den kühlen Füßen der Büßerin

In der steinernen Stadt.

 

 

 

Elis

 

1

 

Volmaakt is de stilte van deze gouden dag.

Onder oude eiken

Verschijn jij, Elis, een rustende met ronde ogen.

 

Hun blauwte spiegelt de sluimer der geliefden.

Op je mond

Verstomden hun rozige vruchten.

 

's Avonds haalde de visser de zware netten in.

Een goede herder

Leidt zijn kudde langs de bosrand.

O! hoe rechtvaardig zijn, Elis, al je dagen.

 

Zachtjes zinkt

Tegen kale muren de blauwe stilte van de olijfboom,

Sterft het donkere gezang van een grijsaard weg.

 

Een gouden bootje

Schommelt, Elis, je hart aan de eenzame hemel.

 

 

 

Vertaald door Frans Roumen 

 

 

 


Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)

Aquarel door Christoph M Frisch

 

Lees meer...

03-02-10

Georg Trakl, Gertrude Stein, Ferdinand Schmatz, Michael Scharang


De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007 en ook mijn blog van 3 februari 2008 en ook mijn blog van 3 februari 2009.

 

 

 

Melancholie des Abends

 

- Der Wald, der sich verstorben breitet -
Und Schatten sind um ihn, wie Hecken.
Das Wild kommt zitternd aus Verstecken,
Indes ein Bach ganz leise gleitet

 

Und Farnen folgt aus alten Steinen
Und silbern glänzt aus Laubgewinden.
Man hört ihn bald in schwarzen Schlünden -
Vielleicht, daß auch schon Sterne scheinen.

 

Der dunkle Plan scheint ohne Maßen,
Verstreute Dörfer, Sumpf und Weiher,
Und etwas täuscht dir vor ein Feuer.
Ein kalter Glanz huscht über Straßen.

 

Am Himmel ahnet man Bewegung,
Ein Heer von wilden Vögeln wandern
Nach jenen Ländern, schönen, andern.
Es steigt und sinkt des Rohres Regung.

 

 

 

 

Allerseelen

 

An Karl Hauer

 

Die Männlein, Weiblein, traurige Gesellen,
Sie streuen heute Blumen blau und rot
Auf ihre Grüfte, die sich zag erhellen.
Sie tun wie arme Puppen vor dem Tod.

 

O! wie sie hier voll Angst und Demut scheinen,
Wie Schatten hinter schwarzen Büschen stehn.
Im Herbstwind klagt der Ungebornen Weinen,
Auch sieht man Lichter in die Irre gehn.

 

Das Seufzen Liebender haucht in Gezweigen
Und dort verwest die Mutter mit dem Kind.
Unwirklich scheinet der Lebendigen Reigen
Und wunderlich zerstreut im Abendwind.

 

Ihr Leben ist so wirr, voll trüber Plagen.
Erbarm' dich Gott der Frauen Höll' und Qual,
Und dieser hoffnungslosen Todesklagen.
Einsame wandeln still im Sternensaal.

 

 

 

 

 

 

De herfst van de eenzame

 

De herfst komt donker en vervuld van vruchten,
Vergeelde glans van mooie zomerdagen.
Uit dood omhulsel treden blauwe luchten;
De vlucht der vogels gonst van oude sagen.
Geperst is nu de wijn, het milde zuchten
Vol zachte antwoorden op donkere vragen.

 

En hier en daar een kruis op kale heuvel;
In 't rode bos een kudde die verdwaalde.
De wolk trekt heen over de vijverspiegel;
Nu rust de landman die hier kalm gebaarde.
Heel zachtjes raakt de blauwe avondvleugel
Een dak van stro, verdord, de zwarte aarde.

 

Dra nestelen sterren in vermoeide brauwen;
In koele kamers komt een stil verglijden,
Zacht treden er engelen uit de blauwe
Ogen der geliefden die teerder lijden.
Het ruisend riet; invalt een benig grauwen
Wanneer zwart dauwdruppels van wilgen glijden.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 

 

 

TRAKL
Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein werd geboren op 3 februari 1874 in Allegheny (Pennsylvania). Zie ook mijn blog van 3 februari 2007 en ook mijn blog van 3 februari 2008 en ook mijn blog van 3 februari 2009.

 

Uit: The Autobiography of Alice B. Toklas

 

BEFORE I CAME TO PARIS
I was born in San Francisco, California. I have in consequence always preferred living in a temperate climate but it is difficult, on the continent of Europe or even in America, to find a temperate climate and live in it. My mother's father was a pioneer, he came to California in '49, he married my grandmother who was very fond of music. She was a pupil of Clara Schumann's father. My mother was a quiet charming woman named Emilie.
My father came of polish patriotic stock. His granduncle raised a regiment for Napoleon and was its colonel. His father left his mother just after their marriage, to fight at the barricades in Paris, but his wife having cut off his supplies, he soon returned and led the life of a conservative well to do land owner.
I myself have had no liking for violence and have always enjoyed pleasures of needlework and gardening. I am fond of paintings, furniture, tapestry, houses and flowers and even vegetables and fruit-trees. I like a view but I like to sit with my back turned to it.
I led in my childhood and youth the gently bred existence of my class and kind. I had some intellectual adventures at this period but very quiet ones. When I was about nineteen years of age I was a great admirer of Henry James. I felt that The Awkward Age would make a very remarkable play and I wrote to Henry James suggesting that I dramatise it. I had from him a delightful letter on the subject and then, when I felt my inadequacy, rather blushed for myself and did not keep the letter. Perhaps at that time I did not feel that I was justified in preserving it, at any rate it no longer exists.
Up to my twentieth year I was seriously interested in music. I studied and practised assiduously but shortly then it seemed futile, my mother had died and there was no unconquerable sadness, but there was no real interest that led me on. In the story Ada in Geography and Plays Gertrude Stein has given a very good description of me as I was at that time.“
 

 

 

 

Stein
Gertrude Stein
(3 februari 1874 – 27 juli 1946)

Gefotografeerd door Man Ray. 1922

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ferdinand Schmatz werd geboren op 3 februari 1953 in Korneuburg. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007 en ook mijn blog van 3 februari 2008 en  ook mijn blog van 3 februari 2009.

 

das grosse babel,n (fragment)

 

das grosse babel,n jetzt

nichts,
dass alles
ringt sich,
achsengebeugt,
im wehdrang klagbar hoch
jammergestockt, ein höchnis -
so
ständig wellts stimmwogen
bänderlos nach unterst,
doch dieses mal,
eingruben sie sich,
in die rammlücken
schalten sie bloss,
nicht nur ab
geblockt stossen
sie nicht nur hochhimmelnd
laut
vielmehr bäumen sie
- am rücken des lamms -
asteinwärts stammsüchtig verkorkst,
im zirkel-wurf
ohne zustich,
durch spatenzunge
aufgeladenen turf,
so in etwa, hoch
dreck hebts,
drängt nach das eingelippte
bröselt in sich auf
bricht es, alles, sonnenwonne
stochert zwischen den brauen
stehen auf, das bringt:
die gesichter - aus dem gleichen
ins wanken, das heisst:
zeichen müssen die blicke decken,
und prasseln auch schon nieder,
einknirsche trotz achselschmalz
und armklatsche lautet nach,
o, name beführ
alles oder nichts wortet,
drallt durch die gänge,
ein hörfang ablass,
also: wo ohr schall dort rahmt,
bleich, die felle und trommelt
der bänder flucht ins gewirksame,
ein mit spiel im auftaumel,
das rutscht, was wog, weg
das heisst im wortgezitter:
begreif es doch,
nimm spur aus atem,
ein er begriff,
nie sie, aber all, also es,
durch noch mal,
durch dieses mal:
so spragelts sich,
was zu erwarten war
hüpft, amselzitterich
von einem ast
zum nächsten wir,rnis hoch
festigt das feste gar und nicht
blitzt auf im farbenwusch, geziert
zwingt es hinter das bein ins geh,irn
und steigt, und steigt, dass es nur fallen muss,
frucht, mensch auch, tier in der falle dazu,
fall gesagt, aber (gedacht)
zu spät

 

 

 

 

schmatz
Ferdinand Schmatz (Korneuburg, 3 februai 1953)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Michael Scharang werd geboren in Kapfenberg in de provincie Steiermark op 3 februari 1943. Zie ook mijn blog van 3 februari 2009.

 

Uit: Komödie des Alterns

 

Es waren zwei Männer, ein Ägypter und ein Österreicher, die verband von Jugend an eine tiefe Freundschaft. Daß ihre Wege sich trennten, so zufällig wie sie sich gekreuzt hatten, blieb ohne Einfluß auf ihre Freundschaft. Selbst wenn das Meer zwischen ihnen lag, gewöhnlich das Mittelmeer, manchmal der Atlantik, hatten sie doch das Empfinden, miteinander verbunden zu sein, spürbar, wie damals in der Jugend, als sie Felswände durchkletterten, der bergkundige Alpenbewohner am oberen, der sternenkundige Wüstenbewohner am unteren Ende des Seils.

Sofern kein Gewitter aufzog – im Sommer fuhren Blitze nieder mit einer Angriffslust, daß man sich, die beiden waren einmal in ein Unwetter geraten, freiwillig hinwarf und das Gesicht ins Geröll drückte – und sofern im Winter der Fels nicht mit Eis überzogen war, unternahmen die beiden jeden Sonntag eine Klettertour auf den Hochschwab, ein Kalkmassiv inmitten der Steiermark, nur zweitausend Meter hoch, aber überreich an zerklüfteten Felstürmen und lotrechten Wänden.

Zu dem Empfinden der beiden, entfernt voneinander zu sein und doch Seite an Seite zu leben, gesellte sich die Gewißheit, daß sie, indem sie einander schrieben, in stetem Austausch standen. Briefe zu schreiben bedeutete für sie nicht, das Sprechen zu ersetzen, denn sie schrieben nicht im Plauderton, sondern wohlüberlegt, und suchten für die Sache, um die es ging, den schönsten Ausdruck, der Sache wegen, aber auch aus Lust am Klang der Wörter, den sie, wenn einmal ein Satz gelungen war, in ihrem Überschwang für die Sache hielten.

Das erforderte Zeit. Einen Brief zu schreiben hieß, sich einen Tag freizuhalten. Und da keine Woche verging, ohne daß sie einander schrieben, verwandten sie in einem Monat vier, manchmal fünf ganze Tage auf nichts anderes als auf ihre Korrespondenz. Entsprechend knapp faßten sie sich im Umgang mit der übrigen Welt.”

 

 

 

m-scharang
Michael Scharang (Kapfenberg, 3 februari 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e februari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

03-02-09

Georg Trakl, Gertrude Stein, Ferdinand Schmatz, Michael Scharang, Johannes Kühn, Paul Auster, Andrzej Szczypiorski, Lao She, Henning Mankell, Annette Kolb, Ernst von Wildenbruch, James A. Michener, Sarah Kane, Richard Yates


De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007 en ook mijn blog van 3 februari 2008.

 

 

Elis

 

1

 

Vollkommen ist die Stille dieses goldenen Tags.
Unter alten Eichen
Erscheinst du, Elis, ein Ruhender mit runden Augen.

 

Ihre Bläue spiegelt den Schlummer der Liebenden.
An deinem Mund
Verstummten ihre rosigen Seufzer.

 

Am Abend zog der Fischer die schweren Netze ein.
Ein guter Hirt
Führt seine Herde am Waldsaum hin.
O! wie gerecht sind, Elis, alle deine Tage.

 

Leise sinkt
An kahlen Mauern des Ölbaums blaue Stille,
Erstirbt eines Greisen dunkler Gesang.

 

Ein goldener Kahn
Schaukelt, Elis, dein Herz am einsamen Himmel.

 

2

 

Ein sanftes Glockenspiel tönt in Elis’ Brust
Am Abend,
Da sein Haupt ins schwarze Kissen sinkt.

 

Ein blaues Wild
Blutet leise im Dornengestrüpp.

 

Ein brauner Baum steht abgeschieden da;
Seine blauen Früchte fielen von ihm.

 

Zeichen und Sterne
Versinken leise im Abendweiher.

 

Hinter dem Hügel ist es Winter geworden.

 

Blaue Tauben
Trinken nachts den eisigen Schweiß,
Der von Elis’ kristallener Stirne rinnt.

 

Immer tönt
An schwarzen Mauern Gottes einsamer Wind.

 

 

 

 

 

 

Aan de knaap Elis

 

Elis, wanneer de merel in het zwarte bos roept,
Dit is je ondergang.
Je lippen drinken de koelte van de blauwe bergbron.

 

Laat, wanneer je voorhoofd zachtjes bloedt
Oeroude legenden
En donkere duiding van de vogelvlucht.

 

Jij echter loopt met tere stappen de nacht in,
Die vol purperen druiven hangt,
En beweegt je armen mooier in het blauw.

 

Een doornstruik klinkt,
Waar jouw maanachtige ogen zijn.
O, hoe lang ben, Elis, jij gestorven.

 

Je lichaam is een hyacint
Waarin een monnik zijn wassen vingers doopt.
Een zwarte holte is ons zwijgen,

 

Waaruit somtijds een teder dier treedt
En langzaam de zware oogleden neerslaat.
Op je slapen drupt een zwarte dauw,

 

Het laatste goud van vervallen sterren.

 

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 

 

 

 

georg_trakl
Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein werd geboren op 3 februari 1874 in Allegheny (Pennsylvania). Zie ook mijn blog van 3 februari 2007 en ook mijn blog van 3 februari 2008.

 

Uit: Three Lives

 

THE TRADESMEN of Bridgepoint learned to dread the sound of “Miss Mathilda”, for with that name the good Anna always conquered.

The strictest of the one price stores found that they could give things for a little less, when the good Anna had fully said that “Miss Mathilda” could not pay so much and that she could buy it cheaper “by Lindheims.”

Lindheims was Anna’s favorite store, for there they had bargain days, when flour and sugar were sold for a quarter of a cent less for a pound, and there the heads of the departments were all her friends and always managed to give her the bargain prices, even on other days.

Anna led an arduous and troubled life.

Anna managed the whole little house for Miss Mathilda. It was a funny little house, one of a whole row of all the same kind that made a close pile like a row of dominoes that a child knocks over, for they were built along a street which at this point came down a steep hill. They were funny little houses, two stories high, with red brick fronts and long white steps.

This one little house was always very full with Miss Mathilda, an under servant, stray dogs and cats and Anna’s voice that scolded, managed, grumbled all day long.

  “Sallie! can’t I leave you alone a minute but you must run to the door to see the butcher boy come down the street and there is Miss Mathilda calling for her shoes. Can I do everything while you go around always thinking about nothing at all? If I ain’t after you every minute you would be forgetting all the time, and I take all this pains, and when you come to me you was as ragged as a buzzard and as dirty as a dog. Go and find Miss Mathilda her shoes where you put them this morning.”

 

 

 

 

gertrude_stein_bryant_park_manhattan
Gertrude Stein
(3 februari 1874 – 27 juli 1946)

Standbeeld in Bryant Park Manhattan

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ferdinand Schmatz werd geboren op 3 februari 1953 in Korneuburg. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007 en ook mijn blog van 3 februari 2008.

 

Uit: Durchleuchtung

 

Wie erschaffen mich die technisch erzeugten Bilder, mich und dich und unsere Körper, was sagen die Röntgenbilder, wo und was strahlen sie uns ein, und wir, strahlen wir mit ihnen raus aus der Diagnose, das sind wir, wir scheinen, oho, und geben das Bildnis ab, das Magnetresonanz-Aufnahmebildnis, du feuerst auf was hin, die Wellen flitzen hin, auf was, auf was, wo bin ich, wer sind sie, immer nur im Bild oder im Wort, es bleibt sich gleich, ob mit Danja vor dem Kohlenladen oder mit Lacans Kindern in Damen und Herren, oder mit Pokisa im Bett, einmal die Wunde geöffnet, auch wenn sie trocken ist, kein Blut, nur Magnetismus oder Spannung, und schon läuten und zittern alle im Aufnahmetakt der Aufzeichnungsgeräte, so schwingen wir und sind Teilchen der Teilchen, dass wir uns brechen und Resonanz abgeben, anbieten, Resonanz sind, alles im Bild also, wir brauchen sie oder sie brauchen uns, den Widerstand, dort wo sich was bricht, dort ändern sie ihre Wellenlänge und breiten die Bilder wie die Computertomografien und die Ultraschallbildsequenzen über den Leib aus, Arten des Wissens, fragte sich Franz, aber welche sind hier im Spiel – damals, heute und:...“

 

 

 

 

Schmatz
Ferdinand Schmatz (Korneuburg, 3 februai 1953)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Michael Scharang werd geboren in Kapfenberg in de provincie Steiermark op 3 februari 1943. In 1960 begon hij aan zijn studie dramatiek, filosofie en geschiedenis aan de Universiteit van Wenen. Hij behaalde zijn doctoraatstitel met een proefschrift over Robert Musil. Tijdens zijn studie schreef hij zijn eerste literaire werken en essays en publiceerde hij in het tijdschrift manuskripte.  Scharang nam het initiatief tot de Arbeitskreis österreichische Literaturproduzenten (1970-73). In 1973 was hij een van de mede-oprichters van de Grazer Autorenversammlung, die hij in 1989 verliet. Hij was gedurende vijf jaar lid van de Oostenrijkse Kommunistische Partij (1973-1978). In deze periode schreef hij ook zijn roman Charly Traktor (1973). Tijdens de ‘steirischer herbst’ van 1974, verdedigde Scharang fel een ‘anti-kapitalistisch concept van literatuur’. In 1976 schonk hij de helft van het prijzengeld van de Oostenrijkse Staatsprijs voor Literatuur weg voor de oprichting van het Weense culturele centrum Rotpunkt.  Scharang schrijft niet alleen romans, essaybundels en scripts, hij regisseert ook en levert regelmatig bijdragen aan Oostenrijkse en Duitse kranten en tijdschriften (o.a. Konkret, manuskripte, Die Presse, Profil, Der Standard, Wespennest).

 

Uit: Kunst, Kampf, Kanzler

 

„Die internationale Arbeiterbewegung stolpert immer dann ins Unglück, wenn sie sich nur auf Theoretiker verläßt und nicht auch auf Dichter. In Österreich wurde dieser Fehler vermieden. Marx galt nie mehr als Nestroy.  Letzterer läßt einen Revolutionär, welcher beobachtet, wie jemand aus Angst vor der Revolution auf seine Haustür schreibt, Eigentum sei heilig, sagen, nicht dieser Trottel sei das Problem, sondern der Umstand, daß die Arbeiter jenen Satz in ihr Herz geschrieben hätten. Die österreichischen Arbeiter, dieserart über sich aufgeklärt, hielten viel von sich, nicht aber hielten sie sich für ein historisches Subjekt, wodurch ihnen nicht jedes, aber manches Unglück erspart blieb.

Das Korrektiv zu Friedrich Engels war in Österreich, insbesondere in der libertären Provinz, Oscar Wilde. Bei allem Respekt vor Engels’ Liebe zur strengen Gesetzmäßigkeit ließ man sich vom ausschweifenden Wilde gern daran erinnern, daß der Sozialismus letztlich ein dienstbares Vehikel ist für den „neuen Individualismus, in dessen Diensten der Sozialismus wirkt, ob er es wahrhaben will oder nicht“. 

Der nächste große Dichter, auf den die österreichische Sozialdemokratie hörte, war Karl Kraus, auch wenn die Verständigung mit der im Getöse des Ersten Weltkriegs schwerhörig gewordenen Sozialdemokratie schwer fiel. Kraus allein hielt sein schützendes Wort über die kleine Republik und deren bürgerliche Demokratie, denn nach seiner Ansicht war die Unvollkommenheit des Neuen und Kleinen besser als die Verkommenheit der übergroßen und übermächtigen Monarchie, eine Ansicht, der die Sozialdemokratie sich schon 1945 begeistert anschloß.

 

 

 

 

 

Michael_Scharang_2
Michael Scharang (Kapfenberg, 3 februari 1943)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johannes Kühn werd geboren op 3 februari 1934 in Bergweiler, gemeente Tholey in het Saarland. Zie ook mijn blog van 3 februari 2008.

 

Tanzabend

 

Tanzabend

Selige Paare
seh ich in den Tanzsaal gleiten,
Selige verlassen ihn zur späten Nacht,
und aus den helldurchschienenen Fenstern
klingt Musik.
Walzerweisen
sind im winterlichen Dorf
doppelt wärmend,
fliegen fröhlich über schneebedeckten Platz.
Märsche dröhnen,
Foxtrotts takten,
Tangos weinen liebesherzlich.
Wer will Trauermienen zeigen,
nicht eine,
nicht einer.
Ich steh und blick hinauf die Treppe,
die widerhallt,
ich stehe da als eisig kalter Jungegeselle
ganz ohne Geld,
tret mir die Füße warm
und spür der Nacht
als meiner Braut
spottvollen Kuß.

 

 

 

 

JohannesKuehn-Mundartdichtung_1_1
Johannes Kühn (Bergweiler, 3 februari 1934)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Paul Auster werd geboren op 3 februari 1947 in Newark, New Jersey. Zie ook mijn blog van 3 februari 2008.

 

Uit: Travels in the Scriptorium

 

„The old man sits on the edge of the narrow bed, palms spread out on his knees, head down, staring at the floor. He has no idea that a camera is planted in the ceiling directly above him. The shutter clicks silently once every second, producing eighty-six thousand four hundred still photos with each revolution of the earth. Even if he knew he was being watched, it wouldn’t make any difference. His mind is elsewhere, stranded among the figments in his head as he searches for an answer to the question that haunts him.

Who is he? What is he doing here? When did he arrive and how long will he remain? With any luck, time will tell us all. For the moment, our only task is to study the pictures as attentively as we can and refrain from drawing any premature conclusions.

There are a number of objects in the room, and on each one a strip of white tape has been affixed to the surface, bearing a single word written out in block letters. On the bedside table, for example, the word is table. On the lamp, the word is lamp. Even on the wall, which is not strictly speaking an object, there is a strip of tape that reads wall. The old man looks up for a moment, sees the wall, sees the strip of tape attached to the wall, and pronounces the word wall in a soft voice. What cannot be known at this point is whether he is reading the word on the strip of tape or simply referring to the wall itself. It could be that he has forgotten how to read but still recognizes things for what they are and can call them by their names, or, conversely, that he has lost the ability to recognize things for what they are but still knows how to read.“

 

 

 

 

Paul_Auster
Paul Auster
(Newark, 3 februari 1947)

 

 

 

 

 

De Poolse schrijver Andrzej Szczypiorski werd geboren op 3 februari 1928 in Warschau. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

Uit: Der letzte Gerechte. Andrzej Szczypiorski (Biografie door Marta Kijowska)

 

Selbst als Szczypiorski im Ausland längst den Ruhm eines Schriftstellers von europäischem Rang genoß, brachten sie ihm keineswegs nur Sympathie und Anerkennung entgegen. Er hatte zwar unter ihnen viele Freunde und Bewunderer, doch gleichzeitig rieben sich an ihm immer wieder die Geister. Weshalb nun? Ging es um die literarische Qualität seiner Werke? War es sein internationaler Erfolg, der die Neider auf den Plan rief? Irritierte das hohe Ansehen, das er ausgerechnet im »feindlichen« Deutschland genoß? Trug man ihm immer noch die heiklen Kapitel seiner Biographie nach? Störte man sich an dem höhnisch-moralistischen Ton, den er gern in seiner Publizistik anschlug? Die kürzeste Antwort auf all diese Fragen lautet: Es war alles zugleich.
Was Szczypiorski wohl am meisten schmerzte, war die Hartnäckigkeit, mit der ein Teil der polnischen Kritiker ihm den Anspruch auf einen Platz unter den Größten der polnischen Gegenwartsliteratur verweigerte. Der deutsche Journalist Richard Heimann hatte nämlich recht, als er einmal schrieb: »Es mag für den deutschen Leser kaum möglich erscheinen, aber eine literarische Qualität wollen ihm seine Landsleute nur mit Widerwillen attestieren. Szczypiorskis Literatur ist in Polen bestenfalls zweite Liga. Diese Skepsis der Polen hatte freilich mehrere Gründe, die allesamt in der Vergangenheit lagen. Zum einen hießen die Favoriten der intellektuellen Elite der sechziger und siebziger Jahre Tadeusz Konwicki, Jerzy Andrzejewski oder Kazimierz Brandys - Szczypiorskis Prosa, mit Ausnahme von Eine Messe für die Stadt Arras, war zu konventionell, um ihren Geschmack zu befriedigen“.

 

 

 

Szczypiorski
Andrzej Szczypiorski (3 februari 1928 – 16 mei 2000)

 

 

 

 

 

De Chinese schrijver Lao She (pseudoniem voor Shu Qingchun) werd geboren op 3 februari 1899 in Beijing. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

Uit: Histoire de ma vie (Vertaald door Paul Bady , Li Tche-houa , Alain Peyraube , Martine Vallette-Hémery)

 

Cependant, si j'ai changé subitement de profession, ce ne fut pas seulement pour cette raison. Un homme seul n'a jamais empêché l'histoire de tourner. Vouloir s'opposer au changement, c'est le pot de terre contre le pot de fer. A lutter contre son temps, on épuise ses forces et on ne fait que s'attirer des ennuis. En revanche, un pépin qui vous arrive à vous tout seul est souvent beaucoup plus dur à supporter : il peut vous rendre fou du jour au lendemain. Et quand on en est à trouver normal de se jeter dans la rivière ou qu fond d'un puits, il n'y a, ça va sans dire, rien d'étrange à abandonner son métier pour en prendre un autre. En soi, un événement qui ne touche qu'un individu est peu important, mais lorsqu'il vous tombe sur le dos et que vous êtes seul à le porter, il vous écrase : un grain de riz, c'est minuscule, et pourtant, pour la fourmi qui le transporte, c'est une charge exténuante. Pour vivre, on a besoin de respirer, mais lorsqu'il vous arrive un ennui, on a le souffle coupé et on perd la tête. L'homme est une si petite chose !
Ma guigne à moi aura été d'être astucieux et gentil avec les gens. A première vue, ça peut paraître invraisemblable : c'est pourtant absolument vrai, je le jure. Si ça ne m'était pas arrivé à moi-même, jamais je n'aurais cru la chose possible. Mais voilà, c'est bien sur moi qu'elle était tombée. Sur le coup, j'ai cru vraiment devenir fou. Maintenant que vingt ou trente ans se sont écoulés, quand j'y songe, ça me fait plutôt sourire, comme s'il s'agissait tout bonnement d'une fable. Mais j'ai compris à présent que les qualités qu'on peut avoir ne vous profitent pas nécessairement.

 

 

 

LaoShe
Lao She (3 februari 1899 – 24 augustus 1966)

 

 

 

 

De Zweedse schrijver Henning Mankell werd geboren in Stockholm op 3 februari 1948. Hij woont afwisselend in Mozambique en in zijn vaderland Zweden. Zie ook mijn blog van 3 februari 2008.

 

Uit: Depths

 

They used to say that when there was no wind the cries of the lunatics could be heard on the other side of the lake.
Especially in autumn. The cries belonged to autumn.
Autumn is when this story begins. In a damp fog, with the tempera­ture hovering just above freezing, and a woman who suddenly realises that freedom is at hand. She has found a hole in a fence.
It is the autumn of 1937. The woman is called Kristina Tacker and for many years she has been locked away in the big asylum near Säter. All thoughts of time have lost their meaning for her.
She stares at the hole for ages, as if she does not grasp its significance. The fence has always been a barrier she should not get too close to. It is a boundary with a quite specific significance.
But this sudden change? This gap that has appeared in the fence? A door has been opened by an unknown hand, leading to what was until now forbidden territory. It takes a long time for it to sink in.
Then, cautiously, she crawls through the hole and finds herself on the other side. She stands, motionless, listening, her head hunched down between her tense shoulders, waiting for somebody to come and take hold of her.“

 

 

henning_mankell
Henning Mankell (Stockholm, 3 februari 1948)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Annette Kolb werd geboren op 3 februari 1870 in München.  Zij was de derde dochter van een Duitse vader en een Franse moeder. Haar vader, Max Kolb, was een buitenechtelijk kind van ofwel de latere koning Maximilian II of van de hertog Max Joseph in Bayern. In het eerste geval zou Lodewijk II een halbroer van hem zijn geweest, in het tweede geval was hij een halfbroer van de latere Oostenrijkse koningin Elisabeth (Sissy).  Annette Kolb publiceerde in 1899 uit eigen middelen haar eerste werk, Kurze Aufsätze. Tijdens WO I zette zij zich in voor het pacifisme. Zij ging in 1916 in ballingschap naar Zwitserland. Rainer Maria Rilke was zeer lovend over haar romans en nmet de schrijver René Schickele verbond haar een levenslange vriendschap. In 1933 emigreerde Kolbe naar Parijs, zij werd Frans staatsburger, in 1941 volgde de vlucht naar de VS. Na de oorlog keerde zij naar Europa terug (Parijs, München en Badenweiler). Naast essays en romans publiceerde zij ook portretten en levensbeschrijvingen van Mozart, Schubert, Briand en Lodewijk II en Richard Wagner.

 

Uit: Briefe einer Deutsch-Französin

 

Du weißt: ich hatte mich von meinen deutschen Landsleuten dadurch vielfach unterschieden, daß ich immer so stolz darauf war, ihnen anzugehören, und daß ich im Ausland mit der aufgezogenen Fahne meines Deutschtums so begeistert herumging. Aber du hast auch gehört, wie unermüdlich ich ihnen zurief: Die Verschmelzung Eurer Wesensart mit der Eurer westlichen Brüder ist für das Heil Europas unerläßlich und die Stunde für eine Anleihe ihrer Qualitäten hat geschlagen. Denn nicht eher seid Ihr die Berufenen. Jawohl! Ich weiß es schon, Ihr seid gründlicher, männlicher, Euer Geist ist weiter ausgebuchtet. Aber Ihr seid die politisch Ungeschulten, die Unpolitischen par excellence. Ihr versteht es nicht, mit den Franzosen auszukommen, was noch alle anderen Nationen fertig brachten.“

(...)

 

Die meisten Deutschen sind ja, was die Franzosen anbelangt, von einer Oberflächlichkeit, die sonst gar nicht in ihrem Charakter liegt; dafür wird im gegebenen Fall die Oberflächlichkeit mit entsprechender Gründlichkeit betrieben[…].“

 

 

 

 

kolb
Annette Kolb (3 februari 1870 – 3 december 1967)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst von Wildenbruch werd op 3 februari 1845 geboren in Beiroet. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

Uit:  Das wandernde Licht

An der kleinen Station, die nicht weit hinter Breslau an dem großen Schienenstrange liegt, der, Schlesien durchquerend, Berlin mit Wien verbindet, war zu später Abendstunde der Eisenbahnzug angekommen.

Es war keiner von den Kurierzügen; wenige Fahrgäste nur saßen in den Wagen verteilt; auf der Station stiegen nicht mehr als zwei Reisende aus. Dies waren zwei Männer, von denen der eine, der bejahrter und dicker als der andre war, sogleich von dem Gepäckträger des Bahnhofs in Empfang genommen und begrüßt wurde. Er schien am Orte bekannt zu sein, und das war natürlich genug, denn es war der Arzt, der in der kleinen, etwa zwei Meilen hinter der Station landeinwärts gelegenen Stadt seinen Wohnsitz hatte.

»Ist der Wagen da?« fragte er den Gepäckträger; dem er seine Reisetasche anvertraute; er war offenbar nur zu einem kurzen Ausfluge von Hause fort gewesen.

»Is da, Herr Dukter,« erwiderte jener; »die Frau Dukter hat och den Mantel für'n Herrn mit eingelegt, wird aber nicht nötig sein, is scheenes Wetter heut abend zur Nacht.« Jetzt wandte sich der Arzt an den Mitreisenden.

»Wollen Sie nicht auch nach – fahren?« Und er nannte den Namen des Städtchens.

Der Angeredete bejahte. Er wollte am nächsten Tage noch weiter ins Land hinein; darum hatte er die Absicht gehabt, in der Stadt zu übernachten.“

 

 

 

ernst_von_wildenbruch
Ernst von Wildenbruch
(3 februari 1845 – 15 januari 1909)

 

 

 

De Amerikaanse schrijver James A. Michener werd geboren op 3 februari 1907 in New York. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

Uit: The Source

 

“Just like the Jews,” he said. “Denied religious liberty by all, they extend it to everyone.” He thought that might be a good motto for the new state, but as the freighter approached land he added, “I’d feel more like a traveler to Israel if they’d let me see one good synagogue.” But the Jewish religion was an internal thing, a system for organizing life rather than building edifices, and no Jewish religious structures were visible.

Even at the dockside his introduction to the Jewish state was postponed, for the firs man who recognized him was a genial, good-looking Arab in his late thirties, dressed nattily inwestern clothes, who called from the shore in English, “Welcome! Welcome! Everything’s ready.” Two generations of British and American archaeologists had been greeted with this heartening call, either by the present Jemail Tabari or by his famous uncle, Mahmoud, who had worked on most of the historic digs in the area. Dr. Cullinane, from the Biblical Museum in Chicago, was reassured.

For many years he had dreamed of excavating one of the silent mounds in the Holy Land, perhaps even to uncover additional clues to the history of man and his gods as they interacted in this ancient land; and as he waited for the freighter to tie up he looked across the bay to Akko, that jewel of a seaport, where so much of the history he was about to probe had started. Phoenicians, Greeks, Romans, Arabs, and finally Richard the Lion Heart and his Crusaders had all come to that harbor in glorious panoply, and to follow in their footsteps was for an archaeologist like Cullinane a privilege.” I hope I do a good job,” he whispered.

 

 

 

 

Michener
James A.  Michener (3 februari 1907 - 16 oktober 1997)

 

 

 

 

De Britse toneelschrijftster Sarah Kane werd geboren op 3 februari 1971 in Essex. De opvoering van haar eerste stuk, Blasted (Opgeblazen), leidde in 1995 tot een groot schandaal in de Britse pers en het gevolg was dat de zalen zich vulden als nooit tevoren. Blasted, een stuk dat barst van de wanhoop en het geweld (verkrachting, moord, kannibalisme, oorlog) werd door Kane zelf omschreven als 'quite a peaceful little play'. Haar tweede stuk, Phaedra's Love (De liefde van Phaedra), opgevoerd in 1996, is een navertelling van de Griekse mythe, die bij Kane toch nog een stuk bloederiger eindigt dan in het origineel van Seneca. Cleansed (Genezen), haar stuk uit 1998, speelt in een ziekenhuis waar een psychiater zich als een beul gedraagt tegenover zijn patiënten. Ook in 1998 verscheen het stuk Crave (Hunkeren), ditmaal onder een pseudoniem om het stuk niet te belasten met haar naam. Hierin vertellen vier mensen, A, B, M en C, elkaar verhalen die zich zo met elkaar vervlechten dat ze uiteindelijk één schreeuw om liefde worden, liefde die niet wordt gegeven, niet wordt beantwoord. In 4.48. Psychosis (Psychose om 4.48 uur), een stuk dat postuum werd opgevoerd in 2000, is de vrouwelijke hoofdpersoon opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis Sarah Kane pleegdezelfmoord op 20 februari 1999, toen ze net achtentwintig was geworden, door zich aan haar schoenveters op te hangen in de wc van het ziekenhuis waar ze was opgenomen na een eerdere zelfmoordpoging. Zij leed aan zware depressies.

 

Uit: Crave

 

„...and sit on the steps smoking till your neighbour comes home and sit on the steps smoking till you come home and worry when you're late and be amazed when you're early and give you sunflowers and go to your party and dance till I'm black and be sorry when I'm wrong and happy when you forgive me and look at your photos and wish I'd known you forever and hear your voice in my ear and feel your skin on my skin and get scared when you're angry and your eye has gone red and the other eye blue and your hair to the left and your face oriental and tell you you're gorgeous and hug you when you're anxious and hold you when you hurt and want you when I smell you and offend you when I touch you and whimper when I'm next to you and whimper when I'm not and dribble on your breast and smother you in the night and get cold when you take the blanket and hot when you don't and melt when you smile and dissolve when you laugh and not understand why you think I'm rejecting you when I'm not rejecting you and wonder how you could think I'd ever reject you and wonder who you are but accept you anyway and tell you about the tree angel enchanted forest boy who flew across the ocean because he loved you and write poems for you and wonder why you don't believe me...“

 

 

 

sarah_kane
Sarah Kane (3 februari 1971 – 20 februari 1999)

 

 

De Amerikaanse schrijver Richard Yates werd geboren op 3 februari 1926 in Yonkers, New York. Yates groeide op in een onstabiel gezin. Na de scheiding van zijn ouders hopte hij tijdens de Depressiejaren met zijn moeder en zusje van appartement naar appartement. Hij nam dienst, en werd naar Frankrijk gestuurd aan het eind van de oorlog. Nadat voor korte periode had gediend in de occupatie van Duitsland keerde hij terug naar Amerika, waar hij trouwde. Tijdens zijn diensttijd had hij TB opgelopen, en dankzij de uitkering die hij hiervoor kreeg, kon hij voor korte tijd terug naar Europa. Hier begon hij met het schrijven van verhalen. Eenmaal terug in de VS nam hij verschillende schrijftaken op zich, zoals redactiewerk voor de United Press en Remington Rand, en gaf hij les aan de New School. In 1959 scheidde hij van zijn vrouw, die de voogdij van zijn twee dochters kreeg. In 1961 werd zijn eerste roman gepubliceerd 'Revolutionary Road'. In totaal schreef hij elf romans.

 

Uit: Revolutionary Road

 

„The final dying sounds of their dress rehearsal left the Laurel Players with nothing to do but stand there, silent and helpless, blinking out over the footlights of an empty auditorium. They hardly dared to breathe as the short, solemn figure of their director emerged from the naked seats to join them on stage, as he pulled a stepladder raspingly from the wings and climbed halfway up its rungs to turn and tell them, with several clearings of his throat, that they were a damned talented group of people and a wonderful group of people to work with.

"It hasn't been an easy job," he said, his glasses glinting soberly around the stage. "We've had a lot of problems here, and quite frankly I'd more or less resigned myself not to expect too much. Well, listen. Maybe this sounds corny, but something happened up here tonight. Sitting out there tonight I suddenly knew, deep down, that you were all putting your hearts into your work for the first time." He let the fingers of one hand splay out across the pocket of his shirt to show what a simple, physical thing the heart was; then he made the same hand into a fist, which he shook slowly and wordlessly in a long dramatic pause, closing one eye and allowing his moist lower lip to curl out in a grimace of triumph and pride. "Do that again tomorrow night," he said, "and we'll have one hell of a show."

They could have wept with relief. Instead, trembling, they cheered and laughed and shook hands and kissed one another, and somebody when out for a case of beer and they all sang unanimously, that they'd better knock it off and get a good night's sleep.“

 

 

 

richardyates
Richard Yates (3 februari 1926 – 7 november 1992)

 

 

03-02-08

Georg Trakl, Ferdinand Schmatz, Gertrude Stein, Johannes Kühn, Henning Mankell, Paul Auster, Andrzei Szczypiorski, Lao She, Ernst von Wildenbruch, James A. Michener


De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

Kaspar Hauser Lied
Für Bessie Loos

 

Er wahrlich liebte die Sonne, die purpurn den Hügel hinabstieg,
Die Wege des Walds, den singenden Schwarzvogel
Und die Freude des Grüns.

 

Ernsthaft war sein Wohnen im Schatten des Baums
Und rein sein Antlitz.
Gott sprach eine sanfte Flamme zu seinem Herzen:
O Mensch!

 

Stille fand sein Schritt die Stadt am Abend;
Die dunkle Klage seines Munds:
Ich will ein Reiter werden.

 

Ihm aber folgte Busch und Tier,
Haus und Dämmergarten weißer Menschen
Und sein Mörder suchte nach ihm.

 

Frühling und Sommer und schön der Herbst
Des Gerechten, sein leiser Schritt
An den dunklen Zimmern Träumender hin.
Nachts blieb er mit seinem Stern allein;

 

Sah, daß Schnee fiel in kahles Gezweig
Und im dämmernden Hausflur den Schatten des Mörders.

 

Silbern sank des Ungeborenen Haupt hin.

 

 

 

 

An einen Frühverstorbenen

 

O, der schwarze Engel, der leise aus dem Innern des Baums trat,
Da wir sanfte Gespielen am Abend waren,
Am Rand des bläulichen Brunnens.
Ruhig war unser Schritt, die runden Augen in der braunen Kühle des Herbstes,
O, die purpurne Süße der Sterne.

 

Jener aber ging die steinernen Stufen des Mönchsbergs hinab,
Ein blaues Lächeln im Antlitz und seltsam verpuppt
In seine stillere Kindheit und starb;
Und im Garten blieb das silberne Antlitz des Freundes zurück,
Lauschend im Laub oder im alten Gestein.

 

Seele sang den Tod, die grüne Verwesung des Fleisches
Und es war das Rauschen des Walds,
Die inbrünstige Klage des Wildes.
Immer klangen von dämmernden Türmen die blauen Glocken des Abends.

 

Stunde kam, da jener die Schatten in purpurner Sonne sah,
Die Schatten der Fäulnis in kahlem Geäst;
Abend, da an dämmernder Mauer die Amsel sang,
Der Geist des Frühverstorbenen stille im Zimmer erschien.

 

O, das Blut, das aus der Kehle des Tönenden rinnt,
Blaue Blume; o die feurige Träne
Geweint in die Nacht.

 

Goldene Wolke und Zeit. In einsamer Kammer
Lädst du öfter den Toten zu Gast,
Wandelst in trautem Gespräch unter Ulmen den grünen Fluß hinab
.

 

 

 

Klacht

 

Slaap en dood, de duistere adelaars
Omruisen nachtlang dit hoofd:
De gouden beeltenis van de mens
Worde verslonden door de kille golf
Van de eeuwigheid. Op ijzige klippen
Slaat het purperen lichaam te pletter
En de donkere stem klaagt
Boven de zee.
Zuster van stormachtige melancholie
Zie een angstig bootje verzinkt
Onder sterren,
In het zwijgend gelaat van de nacht.

 

 

 

 

Vertaald door  Frans Roumen

 

 

 

 

trakl1908
Georg Trakl  (3 februari 1887 – 4 november 1914)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ferdinand Schmatz werd geboren op 3 februari 1953 in Korneuburg. Zie ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

 

Uit: Tokyo, Echo oder wir bauen den Schacht zu Babel, weiter

 

in dieser stadt schieben sich zeichen und bilder ineinander und in das wahrnehmende dort wie auseinander und
formen auf der eigenen ebene bereits das niveau der nächsten (ebene platte figur) und hallen hier empfindend miteinander nach jetzt

 

tokyo, echo
platte (stets)

 

das auge zeichnet
immer nur sich selbst
an blick, der zieht,
was blieb im trieb,
und schiebt nach vor,

 

was hinten stobt zugleich,
sich löst wie bindet
ohne an zu greifen trägt
– was schwebt
(und noch nicht bebt)
auf riss – es naht,
und hebt sich ohne schweiss

 

– ist es die stadt
auf ihre weise glatt
das andere:
spagat aus holz,
papier als haut,
scharnier das licht

 

für das, was ton
(als tun getönt),
für das, was graph
(als zeichen ungerad),
leimt sie im auge
nichts als ein
an sicht
(es lebt ja wie gesagt im span
– seis frau seis mann)

 

bricht aus so scheu,
was rund ist kopfend

im gesicht verzicht –

 

der laut, des mundes hand
greift sich im auge,
wendet sich zum blatt

 

 

– ein wink, ein schub –
in vieler wege zug
bahnt an, was fachen wird
die glut auf schwielen
(reis der brut),

 

es schwankt im flug,
der ruht
da zwischen –
aber türmen sie,
zuunterst,
jeden grund

 

(der trägt auch uns,
wir wanken –
aus gestellt ins auggedröhn
ungewohnt ins ohrgesehn
zu atmen
– etwas flach –
ins selbst, hochstossend
halt ins bildgetön)

 

 

 

schmatz
Ferdinand Schmatz (
Korneuburg, 3 februai 1953)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein werd geboren op 3 februari 1874 in Allegheny (Pennsylvania). Zie ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

 

Uit: Before the Flowers of Friendship Faded Faded

 

I love my love with a v
Because it is like that
I love my love with a b
Because I am beside that
A king.
I love my love with an a
Because she is a queen
I love my love and a a is the best of them
Think well and be a king,
Think more and think again
I love my love with a dress and a hat
I love my love and not with this or with that
I love my love with a y because she is my bride
I love her with a d because she is my love beside
Thank you for being there
Nobody has to care
Thank you for being here
Because you are not there.

 

And with and without me which is and without she she can be late

and then and how and all around we think and found that it is time to cry

she and I.

 

 

 

stein
Gertrude Stein
(3 februari 1874 – 27 juli 1946)

Geschilderd door Picasso

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johannes Kühn werd geboren op 3 februari 1934 in Bergweiler, gemeente Tholey in het Saarland. Vanaf 1948 bezocht hij de school van de missionarissen van Steyl in St. Wendel, maar hij kon door ziekte geen eindexamen doen. Wegens geldgebrek kon hij daarna slecht hoorcolleges germanistiek volgen aan de universiteiten van Saarbrücken en Freiburg im Breisgau. Van 1963 tot 1973 werkte hij als hulparbeider in de firma van zijn broer. Daarnaast schreef hij gedichten, toneelstukken en sprookjes. In de volgende jaren trok hij door zijn geboortestreek en legde hij zijn indrukken vast in arbeiders – en natuurgedachten waarvoor hij langzamerhand meer erkenning kreeg. Toch stopte hij begin jaren tachtig met schrijven. De uitgaven van zijn gedichten eind jaren tachtig leverden hem waardering op bij een breder publiek. Vanaf 1992 schrijft hij weer regelmatig gedichten.

 

 

Altes Kaffeehaus

Die müden Beine stellte ich oft hier unter einen Tisch,
als ich noch jung war und des Landes Gegenden
von allen Seiten als ein unersättlich Wandernder beging.
Mal kam ich aus den Wäldern,
mal von den blonden Hügeln,
mal vom Bachknie her.
Ich trank Kaffee
und schrieb von meinem Weg.
Ich ernannte mich zum Dichter
und sonst niemand auf der weiten Welt.
Neugierige genoß ich mit den Blicken,
sie wollten dennoch gar nicht wissen, was ich treibe
mit Stiften und den weißen und zerknautschten Blättern.

Zigarrenkraut
rauch ich so im Garten!
Das alte Kaffeehaus
steht heute leer,
wohl weil ich darin gedichtet

 

 

 

Worüber sollt ich klagen

 

Tanzabend

Selige Paare
seh ich in den Tanzsaal gleiten,
Selige verlassen ihn zur späten Nacht,
und aus den helldurchschienenen Fenstern
klingt Musik.
Walzerweisen
sind im winterlichen Dorf
doppelt wärmend,
fliegen fröhlich über schneebedeckten Platz.
Märsche dröhnen,
Foxtrotts takten,
Tangos weinen liebesherzlich.
Wer will Trauermienen zeigen,
nicht eine,
nicht einer.
Ich steh und blick hinauf die Treppe,
die widerhallt,
ich stehe da als eisig kalter Jungegeselle
ganz ohne Geld,
tret mir die Füße warm
und spür der Nacht
als meiner Braut
spottvollen Kuß.

 

 

 

 

 

 

kuehn
Johannes Kühn (Bergweiler 3 februari 1934)

 

 

 

 

De Zweedse schrijver Henning Mankell werd geboren in Stockholm op 3 februari 1948. Hij woont afwisselend in Mozambique en in zijn vaderland Zweden. Mankell schrijft literaire romans, misdaadromans, jeugdboeken en toneelstukken. Zijn boeken worden in meer dan dertig landen uitgegeven. In Nederland en België heeft Mankell zijn bekendheid vooral te danken aan de Wallander-serie: een reeks over de eigenwijze inspecteur Kurt Wallander uit Ystad. In 2002 kreeg deze boekenreeks een vervolg met het eerste boek over Kurt Wallanders dochter Linda die eveneens politie-inspecteur werd.

 

Uit: Tea-bag

 

‘Ik zou je moeten aangeven omdat je liegt’, zei hij.
‘Ik lieg niet.’
Ze meende opeens een glimp van interesse in Fernando's ogen te zien.
‘Je spreekt dus de waarheid?’
‘Koerden liegen niet.’
De interesse in Fernando's ogen doofde.
‘Ga’, zei hij. ‘Dat is het beste wat je kunt doen. Hoe heet je?’
Op dat moment besloot ze zichzelf een andere naam te geven. Ze keek vlug de kamer rond en zag het theekopje op Fernando's bureau.
‘Tea-Bag’, antwoordde ze.
‘Tea-Bag?’
‘Tea-Bag.’
‘Is dat echt een Koerdische naam?’
‘Mijn moeder hield van Engelse namen.’
‘Is Tea-Bag echt een naam?’
‘Hoe kan ik anders zo heten?’
Fernando zuchtte en stuurde haar met een vermoeid handgebaar weg.”

 

 

 

 

mankell
Henning Mankell (Stockholm op 3 februari 1948)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Paul Auster werd geboren op 3 februari 1947 in Newark, New Jersey. Na het behalen van een diploma aan de Columbia University in 1970 verhuisde hij naar Frankrijk. Sinds zijn terugkeer in Amerika in 1974 heeft hij zijn eigen gedichten, essays, romans en vertalingen van Franse schrijvers zoals Stéphane Mallarmé en Joseph Joubert gepubliceerd. Zijn eerste roman was een detectiveroman genaamd Squeeze Play en werd geschreven onder het pseudoniem Paul Benjamin (Benjamin is zijn tweede naam).

Auster bereikte bekendheid met een reeks van drie experimentele detectiveverhalen (City of Glass (1985), Ghosts (1986) en The Locked Room (1986)) die collectief als The New York Trilogy werd gepubliceerd (1987). Deze boeken zijn geen conventionele detectiveverhalen die rond een geheim en een reeks aanwijzingen worden georganiseerd. Eerder gebruikt hij de detectivevorm om existentiële kwesties en kwesties van identiteit te behandelen. Het onderzoek naar identiteit en persoonlijke betekenis is een rode draad in elk van de recentere publicaties van Auster geweest.

In de recentere werken van Auster is de rol van toeval en willekeurige gebeurtenissen erg belangrijk (The Music of Chance) en ook het verband tussen mensen en hun gezaghebbers en milieu (The Book Of Illusions, Leviathan). Door zijn rijke en onverwacht droomachtige proza, wordt Paul Auster beschouwd als één van de grootste levende schrijvers uit de V.S. Hij is getrouwd met schrijfster Siri Hustvedt.

 

Uit: The Brooklyn Follies

 

I was looking for a quiet place to die. Someone recommended Brooklyn, and so the next morning I traveled down there from Westchester to scope out the terrain. I hadn't been back in fifty-six years, and I remembered nothing. My parents had moved out of the city when I was three, but I instinctively found myself returning to the neighborhood where we had lived, crawling home like some wounded dog to the place of my birth. A local real estate agent ushered me around to six or seven brownstone flats, and by the end of the afternoon I had rented a two-bedroom garden apartment on First Street, just half a block away from Prospect Park. I had no idea who my neighbors were, and I didn't care. They all worked at nine-to-five jobs, none of them had any children, and therefore the building would be relatively silent. More than anything else, that was what I craved. A silent end to my sad and ridiculous life.

The house in Bronxville was already under contract, and once the closing took place at the end of the month, money wasn't going to be a problem. My ex-wife and I were planning to split the proceeds from the sale, and with four hundred thousand dollars in the bank, there would be more than enough to sustain me until I stopped breathing.

At first, I didn't know what to do with myself. I had spent thirty-one years commuting back and forth between the suburbs and the Manhattan offices of Mid-Atlantic Accident and Life, but now that I didn't have a job anymore, there were too many hours in the day. About a week after I moved into the apartment, my married daughter, Rachel, drove in from New Jersey to pay me a visit. She said that I needed to get involved in something, to invent a project for myself. Rachel is not a stupid person. She has a doctorate in biochemistry from the University of Chicago and works as a researcher for a large drug company outside Princeton, but much like her mother before her, it's a rare day when she speaks in anything but platitudes—all those exhausted phrases and hand-me-down ideas that cram the dump sites of contemporary wisdom.

 

I explained that I was probably going to be dead before the year was out, and I didn't give a flying fuck about projects. For a moment, it looked as if Rachel was about to cry, but she blinked back the tears and called me a cruel and selfish person instead. No wonder "Mom" had finally divorced me, she added, no wonder she hadn't been able to take it anymore. Being married to a man like me must have been an unending torture, a living hell. A living hell. Alas, poor Rachel—she simply can't help herself. My only child has inhabited this earth for twenty-nine years, and not once has she come up with an original remark, with something absolutely and irreducibly her own.“

 

 

 

paul_auster
Paul Auster
(Newark, 3 februari 1947)

 

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

De Poolse schrijver Andrzej Szczypiorski werd geboren op 3 februari 1928 in Warschau.

 

De Chinese schrijver Lao She (pseudoniem voor Shu Qingchun werd geboren op 3 februari 1899 in Beijing.

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst von Wildenbruch werd op 3 februari 1845 geboren in Beiroet.

 
De Amerikaanse schrijver James A. Michener werd geboren op 3 februari 1907 in New York.

 

 

05-05-07

Petra Else Jekel, Henryk Sienkiewicz, Christopher Morley, Benno Barnard, Georg Trakl


De Nederlandse dichteres Petra Else Jekel werd in Arnhem geboren op 5 mei 1980. Op haar twaalfde werd haar interesse voor de dichtkunst gewekt door de bundel Voor wie ik liefheb wil ik heten van Neeltje Maria Min. Al gauw begon ze zelf te schrijven en al in haar middelbare schooltijd won ze enkele poëzieprijzen. Na haar middelbare school is ze kunstgeschiedenis gaan studeren aan de Rijksuniversiteit Groningen. Samen met Daniël Dee was ze voor het jaar 2000-2001 huisdichter van de universiteit. Begin 2006 heeft zij haar studie naar kunstenaarschap getiteld Kunstenaar zonder evenbeeld, in het kader van haar afstuderen als kunsthistoricus aan de Rijksuniversiteit Groningen afgerond. Onderwerp was de vormgeving van het hedendaagse kunstenaarschap en de invloed van gender hierop.

 

 

vanochtend stond er een andere vrouw

op uit mijn droom, het was half zeven en

het was van haar gestommel bij de kleren

 

kast dat ik ontwaakte. het kraantje in

de hoek stond luidkeels open, bezong

de ochtend door haar zwanenhals, bochten

 

soepel nemend. mijn dikste badlakens

lagen over tafel uitgespreid, het rook naar

zeep en de scherpe citrusgeur van haar

 

ontbijt. ik zag haar op de rug, mijn ogen

stokten op haar achterhoofd toen zweet

mij brak heel even voor de wekker zou.

 

 

 

hij praat als een gekapseisd schip

 

dat over zijn eigen railing hangt
golven hoest, in water ver is

 

hij tekent als die goede boom
die nors en nat om dalweg
kraagt, zijn hand drukt zwaar

 

secuur het blad, koel grijze kool
krijgt diepte, wortelt mij, zijn
hand garandeert contour, hij

 

komt steeds nader tot hij weer
verdwijnt, de omtrekslijn bewegend
sluit en schavend tot het mes valt

 

zijn voelen behelst mijn rug, gezicht, voetzolen
zijn voelen strekt zich uit over mijn veelheid
hij heeft me al betast voor hij me aanraakt
hij heeft mijn nek gebroken voor hij boog

 

 

 

 

jekel
Petra Else Jekel (Arnhem, 5 mei 1980)

 

De Poolse schrijver en journalist Henryk Adam Aleksander Pius Oszyk-Sienkiewicz werd geboren in Wola Okrzejska op 5 mei 1846. Henryk Sienkiewicz is vooral bekend van de historische roman Quo vadis uit 1895, dat verhaalt over het christendom tijdens de periode van de Romeinse keizer Nero (54 - 68). Een ander bekend werk is de trilogie over de strijd van de Polen voor een eigen land. De verhalen vertellen vooral over de dappere daden van de Polen. Het eerste deel van de trilogie verscheen in 1883 onder de naam Met Vuur en Zwaard. Drie jaar later verscheen De Stortvloed en het laatste boek verscheen in 1887 onder de naam Pan Wołodyjowski. Deze boeken waren behoorlijk populair toen ze uitkwamen, ook buiten Polen. In 1905 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur, en was daarmee ook de eerste Pool die de Nobelprijs kreeg. Verder reisde Sienkiewicz in zijn leven onder meer door de VS. Van zijn reis door Amerika verscheen in 1959 het boek Portret van Amerika, samengesteld uit brieven die hij had geschreven ten tijde van de reis. Sienkiewicz week bij het uitbreken van de WO I uit naar Zwitserland. Daar stierf hij ook aan het eind van 1916.

 

Uit: Der Leuchtturmwärter

“Der Leuchtturmwärter ist nahezu ein Gefangener. Außer an Sonntagen darf er sein Felseneiland nicht verlassen. Ein Boot aus Aspinwall bringt ihm einmal täglich Lebensmittel und frisches Wasser und fährt gleich wieder fort; auf der ganzen Insel aber, die kaum einen Morgen groß ist, lebt keine Menschenseele. Der Leuchtturmwärter wohnt im Turm und hält ihn in Ordnung; tagsüber gibt er Zeichen, indem er, je nach Barometeranzeige, verschiedenfarbige Flaggen aushängt, abends dagegen entzündet er das Licht. Das wäre keine große Sache, wenn er nicht, um zu den Feuerstellen hoch oben auf dem Turm zu gelangen, über vierhundert Stufen einer ganz steilen Wendeltreppe bewältigen müßte, und ein Leuchtturmwärter unternimmt solche Ausflüge nicht selten mehrmals am Tag. Überhaupt ist dies ein Klosterleben, ja, es ist das Leben eines Einsiedlers. So kann es nicht verwundern, daß Mr. Isaac Falconbridge in arger Verlegenheit war, einen Nachfolger für den Verstorbenen zu finden, und seine Freude, als sich unerwartet noch am selben Tage ein Bewerber meldete, war nur zu verständlich. Es war ein alter Mann, bestimmt schon in den Siebzigern, dabei rüstig und ungebeugt. Bewegungen und Haltung verrieten den ehemaligen Soldaten. Sein Haar war weiß wie Schnee, das Gesicht sonnenverbrannt wie das eines Kreolen, aber den blauen Augen nach zu urteilen, kam er nicht aus dem Süden. Er sah bedrückt und traurig aus, machte jedoch einen ehrlichen Eindruck.“

 

 

 

SIENKIEWICZ
Henryk Sienkiewicz (5 mei 1846 - 15 november 1916)

 

De Amerikaanse journalist, schrijver en dichter Christopher Morley werd geboren op 5 mei1890 in Haverford, Pennsylvania. Hij studeerde aan Haverford College, en van 1910 tot 1913 aan het New College in Oxford. Terug in de VS werkte hij als uitgever en columnist van diverse tijdschriften en kranten. Bovendien publiceerde hij talrijke populaire verhalen en romans zoals Parnassus on Wheels (1917), The Haunted Bookshop (1919), Thunder on the Left (1925) en Kitty Foil (1939) (verfilmd in 1940). Ook organiseerde hij in New York de 'Three-Hours for Lunch Club', waaruit de Baker Street Irregulars, een Sherlock Holmes

 

 

Who Ever Loved That Loved Not at First Sight?

 

It lies not in our power to love or hate,
For will in us is overruled by fate.
When two are stripped, long ere the course begin,
We wish that one should love, the other win;

And one especially do we affect
Of two gold ingots, like in each respect:
The reason no man knows; let it suffice
What we behold is censured by our eyes.
Where both deliberate, the love is slight:
Who ever loved, that loved not at first sight?

 

 

 

The face that launch'd a thousand ships

 

Was this the face that launch'd a thousand ships,
And burnt the topless towers of Ilium?
Sweet Helen, make me immortal with a kiss.
Her lips suck forth my soul: see where it flies!
Come, Helen, come, give me my soul again.
Here will I dwell, for heaven is in these lips,
And all is dross that is not Helena.
I will be Paris, and for love of thee,
Instead of Troy, shall Wittenberg be sack'd;
And I will combat with weak Menelaus,
And wear thy colours on my plumed crest;
Yea, I will wound Achilles in the heel,
And then return to Helen for a kiss.
O, thou art fairer than the evening air
Clad in the beauty of a thousand stars;
Brighter art thou than flaming Jupiter
When he appear'd to hapless Semele;
More lovely than the monarch of the sky
In wanton Arethusa's azur'd arms;
And none but thou shalt be my paramour!

 

 

 

MORLEY
Christopher Morley (5 mei 1890 – 28 maart 1957)

 

 

Vandaag wat extra ruimte voor een “vergelijkend vertaalonderzoek”. Ik lees momenteel de essays van Benno Barnard die eerder in de NRC verschenen en die in 2006 werden gebundeld in Dichters van het Avondland (Atlas, Amsterdam) Daarbij, schrijft Barnard, kon hij de verleiding niet weerstaan enkele favorieten opnieuw te vertalen.

 

 

Grodek

 

's Avonds klinken de herfstige bossen
Van dodelijke wapens, de gouden vlakten
En blauwe meren, waarboven de zon
Donkerder wegrolt; omsluit de nacht
Stervende soldaten, de wilde klacht
Van hun gebroken monden.
Maar stil vloeit in het weidedal
Het vergoten bloed bijeen, rode bewolking,
Waarin een toornende God woont, maanachtige koelte;
Alle straten monden uit in zwarte ontbinding.
Onder gouden takken der nacht en sterren
Wankelt de schim van de zuster door het zwijgende woud,
Om de geesten der helden te groeten, de bloedende hoofden;
En zachtjes klinken in het riet de donkere fluiten van de herfst.
O trotsere droefheid! jullie ijzeren altaren
De hete vlam van de geest voedt vandaag een geweldige smart,
De ongeboren nakomelingen.

 

 

Vertaling door Frans Roumen

 

 

 

 

Grodek

 

's Avonds weerklinken de herfstige bossen
Van dodelijke wapens, de gouden vlakten
En de blauwe meren, waarboven de zon
Duisterder wegrolt; omsluit de nacht
Stervende krijgers, het wilde klagen
Van hun gesneuvelde monden.
Maar stil verzamelt het weidedal
Wolken van rood, waarin een toornende god woont,
Het vergoten bloed, maanachtige koelte;
Alle wegen monden uit in zwarte ontbinding.
Onder gouden takwerk van nacht en sterren
Zwalkt de ziel van de zuster door het zwijgende woud,
Ze groet hen, de geesten der helden, de bloedende hoofden;
En zacht weerklinkt in het riet de donkere fluit van het herfsttij,
O trots van het rouwen! gij ijzeren altaren
De hete vlam van de geest voedt vandaag een geweldige smart,
De ongeboren telgen..

 

 

Vertaald door Benno Barnard

 

 

 

Grodek

 

Am Abend tönen die herbstlichen Wälder
Von tödlichen Waffen, die goldnen Ebenen
Und blauen Seen, darüber die Sonne
Düstrer hinrollt; umfängt die Nacht
Sterbende Krieger, die wilde Klage
Ihrer zerbrochenen Münder.
Doch stille sammelt im Weidengrund
Rotes Gewölk, darin ein zürnender Gott wohnt
Das vergoßne Blut sich, mondne Kühle;
Alle Straßen münden in schwarze Verwesung.
Unter goldnem Gezweig der Nacht und Sternen
Es schwankt der Schwester Schatten durch den schweigenden Hain,
Zu grüßen die Geister der Helden, die blutenden Häupter;
Und leise tönen im Rohr die dunkeln Flöten des Herbstes.
O stolzere Trauer! ihr ehernen Altäre
Die heiße Flamme des Geistes nährt heute ein gewaltiger Schmerz,
Die ungebornen Enkel.

 

 

Georg Trakl

 

 

 

Commentaar: Hier en daar is Barnards vertaling zeker mooier, zoals de passage

 

“Maar stil verzamelt het weidedal
Wolken van rood, waarin een toornende god woont,”

 

en “telgen” in plaats van “nakomelingen” is een aardige vondst (die echter wel de betekenis van een directe bloedband suggereert die Trakl wilde vermijden)

 

Elders zijn wel vraagtekens te plaatsen: “gesneuveld” is veel explicieter dan “gebroken” (zerbrochenen Münder), „Flöten“ is toch echt meervoud,  de vergrotende trap van „stolzere“ valt weg en ook „ de ziel van de zuster“  is naar mijn gevoel teveel een interpretatie. Trakl had heus wel „Seele“ geschreven als hij dat bedoeld had.

 

Het is wel sympathiek dat hij in zijn essay Frans Roumen ruimhartig citeert. Die essays (o.a. ook over Emile Verhaeren, T.S. Eliot, Hendrik Marsman, W. H. Auden en Paul Celan) zijn trouwens onderhoudend, leerzaam en niet zonder zelfironie geschreven.

 

Uit: Een junkie uit de dubbelmonarchie

 

„ Hij was achttien toen hij zonder diploma van school werd verwijderd. De enige studierichting die voor hem openstond was farmacie. Het daaraan voorafgaande practicum van drie jaar bracht hij in een Salzburgse apotheek door, Zum Weissen Engel geheten, een nog steeds bestaande kelder vol bruine stopflessen. Zelden is een kat bij zoveel spek tegelijk gezet als de volontair Trakl: hij had evengoed in een opiumkit kunnen gaan werken.

Bij de narcotica kwam de wijn en bij beide de drang om de bourgeoisie te epateren. Hij pommadeerde zijn haar, liet koteletten staan en bezocht samen met de beter gesitueerde bohème van zijn leeftijd demonstratief de bordelen in de Judengasse – in die tijd was het in Trakls milieu vrijwel onmogelijk om op een ‚natuurlijke’ manier met het fleuwvallende geslacht om te gaan. Dubbele monarchie, dubbele moraal: hoerenlopen was ook een bevredigende methode om Karl Kraus te eren, die in Die Fackel het hele keizerlijke –en koninklijke filisterdom tegen zich in het harnas joeg – een Komrij, maar dan met een tegenstander.“

 

 

Zie ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

 

 

Barnard
Benno Barnard (Amsterdam, 21 november 1954)

 

 

03-02-07

Georg Trakl, Andrzej Szczypiorski, Ferdinand Schmatz, Gertrude Stein, Lao She, Ernst von Wildenbruch, James A. Michener


Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden.

Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Daar bezocht hij een protestantse lagere school, hoewel zijn ouders katholiek waren. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Hij stond te boek als een slecht scholier met onvoldoendes voor Wiskunde, Latijn en Grieks. Zijn interessen gingen veeleer uit naar drank, roken, opium en frequent prostitueebezoek en beëindigde zijn schoolperiode zonder eindexamen.

Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen.

Na zijn tijd bij de apotheker verhuisde hij in 1908 naar Wenen om een tweejarige apothekersopleiding te volgen. Tevens kwam hij in deze tijd in contact met een groep bohémiens en kunstenaars die hem hielpen enkele van zijn gedichten te publiceren. Deze opleiding rondde hij, kort nadat zijn vader was overleden, in 1910 met de graad ‘Magister Pharmaciae’ af. Vervolgens trad hij voor de periode van één jaar in dienst van het leger.

Zijn terugkeer in het burgerlijk leven was niet succesvol. Hij kon geen werk vinden als apotheker en trad weer in dienst van het leger. Hij werd in een ziekenhuis in Innsbruck geplaatst. Aldaar ontmoette hij ook de lokale kring van kunstenaars, die zijn ontkiemende talent herkenden. Ludwig von Ficker, de redacteur van het tijdschrift “Die Brenner” fungeerde als zijn patroon. Ficker bracht hem ook onder de aandacht van Ludwig Wittgenstein, die hem een genereuze beurs gaf, zodat hij zich aan zijn schrijven kon wijden.

Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. Tijdens een van de voorvallen in Gródek, leidde hij het herstel van zo’n negentig soldaten, die in de felle strijd tegen Russen gewond waren geraakt. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd. Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne. Het is niet geheel duidelijk of dit zelfmoord (gezien zijn gedichten niet onwaarschijnlijk) of een ongeluk was. Hij werd, op aansporing van Ludwig von Ficker, in Innsbruck begraven. Bij het ziekenhuis is een gedenksteen opgericht.

 

Grodek

Am Abend tönen die herbstlichen Wälder
Von tödlichen Waffen, die goldnen Ebenen
Und blauen Seen, darüber die Sonne
Düstrer hinrollt; umfängt die Nacht
Sterbende Krieger, die wilde Klage
Ihrer zerbrochenen Münder.
Doch stille sammelt im Weidengrund
Rotes Gewölk, darin ein zürnender Gott wohnt
Das vergoßne Blut sich, mondne Kühle;
Alle Straßen münden in schwarze Verwesung.
Unter goldnem Gezweig der Nacht und Sternen
Es schwankt der Schwester Schatten durch den schweigenden Hain,
Zu grüßen die Geister der Helden, die blutenden Häupter;
Und leise tönen im Rohr die dunkeln Flöten des Herbstes.
O stolzere Trauer! ihr ehernen Altäre
Die heiße Flamme des Geistes nährt heute ein gewaltiger Schmerz,
Die ungebornen Enkel.

 

Menschheit

Menschheit vor Feuerschlünden aufgestellt,
Ein Trommelwirbel, dunkler Krieger Stirnen,
Schritte durch Blutnebel; schwarzes Eisen schellt,
Verzweiflung, Nacht in traurigen Gehirnen:
Hier Evas Schatten, Jagd und rotes Geld.
Gewölk, das Licht durchbricht, das Abendmahl.
Es wohnt in Brot und Wein ein sanftes Schweigen
Und jene sind versammelt zwölf an Zahl.
Nachts schrein im Schlaf sie unter Ölbaumzweigen;
Sankt Thomas taucht die Hand ins Wundenmal.

 

Verval

Wanneer de klokken 's avonds vrede luiden,
volg ik de wondermooie vogelscharen,
die, lang als pelgrimsstoeten vroeger waren,
verdwijnen in het helder herfstgetijde.

Ik wandel door de tuin vol schemerkleuren,
volg dromend er hun schitterender wegen,
voel haast de urenwijzer niet bewegen,
kan boven wolken nog hun tocht bespeuren.

Dan adem ik verval, begin te beven.
De merel klaagt in de ontloofde twijgen.
De wijn, om roestig traliewerk geweven,

zwaait heen en weer. Als dans vol ijzig zwijgen
lijkt kinderdood rondom de put te zweven,
waar blauwe asters in de vrieswind nijgen.

Vertaling: Frans Roumen

 

trakl
Georg Trakl  (3 februari 1887 – 4 november 1914)

 

De Poolse schrijver Andrzej Szczypiorski werd geboren op 3 februari 1928 in Warschau. Hij was 15 jaar toen hij meemaakte dat de Duitsers zijn land bezetten. In deze tijd studeerde hij aan de ondergrondse universiteit die zijn vader, een socialistische historicus en wiskundige had mee georganiseerd. In 1944 deed hij mee aan de opstand van Warschau. Hij werd gearresteerd en vastgezet in KZ Sachsenhausen. Szczypiorski zette zich al vroeg in voor een verzoening tussen Duitsland en Polen. In 1995 kreeg hij daar voor het Bundesverdienstkreuz.

Andrzej Szczypiorskis bekendste werk is de in 1986 onder de titel Poczatek gepubliceerde roman „De mooir mevrouw Seidenmann“. Het boek verscheen niet in het socialistische Polen.

Het beschrijft de verschillende lotgevallen – van slachtoffers en daders – in de jaren 1941 – 1943 in Warschau in kleine, onafhankelijk van elkaar plaatsvindende, episoden.

 

Uit: "Die schöne Frau Seidenman"

 

„Die Welt log. Jeder Blick tückisch, jede Geste niederträchtig, jeder Schritt gemein. Gott hatte die schwerste Prüfung zurückgehalten, das Joch der Sprache. Noch hatte er die Meute der unermüdlichen, mit dem Schaum der Heuchelei bedeckten Wörter nicht von der Kette gelassen. Die Wörter kläfften hier und da, kraftlos an der Leine. Nicht die Wörter töteten damals, erst später sollte aus ihnen eine Mörderbande erwachsen. Das Joch der Wörter war noch nicht gekommen, als sich Bronek Blutman vor dem Angesicht Stucklers befand. Stuckler stand im hellen Fensterrechteck. Draußen vor dem Fenster bewegte sich ein frisch begrünter Zweig im Wind.

"Sie hat gelogen", sagte Blutman. "Ich kenne sie aus der Zeit vor dem Krieg."

Stuckler schüttelte den Kopf.

"Ein Jude darf die Worte eines Deutschen nicht in Zweifel ziehen", sagte er ruhig. "Es geht nicht um den Irrtum, obwohl keiner passieren darf, sondern um den Trotz und die Selbstsicherheit."
"Herr Sturmführer, mein Gedächtnis trügt nicht. Bevor wir hierher kamen, hat sie überhaupt nicht so getan, als ob..."
Stuckler schlug ihm ins Gesicht. Bronek Blutman trat zurück, ließ den Kopf sinken und verstummte. Die Welt log. Ihre Fundamente waren von Lüge, Hinterlist und Gemeinheit zerfressen. Die Doppeldeutigkeit der Lüge, ihre Vieldeutigkeit und Vielfalt machten ihn schwindlig. Eine Unmenge Verräterreien und Erniedrigungen. Die Unterschiedlichkeit der Verfahren, Methoden und Verkörperungen des Verrats. Ich habe diese Jüdin verraten, aber auch sie mich. Das hat nicht einmal Christus voraus- gesehen. Er war gradlinig. Zu Judas sagte er: "Mein Freund" und Petrus rief er zu "Hebe dich, Satan, von mir!" Vielleicht war das seine Art von Humor?“

 

 

SCCZYPIORSKI
Andrzej Szczypiorski (3 februari 1928 – 16 mei 2000)

 

De Oostenrijkse schrijver Ferdinand Schmatz werd geboren op 3 februari 1953 in Korneuburg. Hij studeerde geschiedenis, filosofie en germanistiek in Wenen. Van 1983 tot 1985 was hij lector voor Duitse taal en literatuur aan de Nihon universiteit in Tokio. Van 1985 tot 1987 docent moderne literatuur aan de universwiteit in Linz. Sinds 1988 had hij een leeropdracht kunst en poëtica aan de Universität für angewandte Kunst in Wenen. In 1999 ontving hij de Christine-Lavant-Preis, in 2001 de Förderungspreis zum Grossen Österreichischen Staatspreis für Literatur, in 2004 de Georg-Trakl-Preis, in 2004 de .C. Artmann-Preis.

 

Uit: Portierisch

 

„- ah!, riecht das stark, entfährt es mir auf dem Hügel darüber, als ich auf ein Stück Baumrinder trete im Ohrwaschlgraben, wie gut doch geschnittenes Holz schmeckt, es tanzt mir auf der Zunge und treibt meine Empfindungen aus, dass sie weiterblühen - vom gut riechenden Holz zum knusprigen Braten und zum überschäumenden Bier, zu den sich zuprostenden Holzfällern, Jägern und Förstern an den sich biegenden, aus handwarmem Holz zusammengenagelten Tischen, in ihren Händen die übervollen Biergläser, vor denen die gar nicht so schamhaften Frauen aus dem ganzen Tal warteten, warteten auf das, was zu erwarten war, die hatten noch was zu tragen,
- aber zu ertragen auch, wirft Courier ein, als ich ein wenig zu euphorisch das Hohelied der guten alten Zeit anstimme, in mein Innenohr, dennoch, noch einmal bitte, fordert er die Mutter der Friseuse von Rotten auf, im grösseren Einkaufsdorf einige Kilometer weiter unten im Tal Richtung Süden, wie war das früher, als es die Waldbahn noch gab, - ja, da war was los, viele Feste gab es damals bei denen im Graben drinnen, jede Woche wurde getanzt und getrunken, wir sind immer wieder hineingefahren mit der Waldbahn oder zu Fuss hingewandert, Kirtag für Kirtag, Lohntag für Lohntag, aufgeregt waren wir, schön hergemacht und so überhaupt“

 

schmatz
Ferdinand Schmatz (
Korneuburg, 3 februai 1953)

 

De Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein werd geboren op 3 februari 1874 in Allegheny (Pennsylvania) als jongste van de vijf kinderen van Daniel Stein en Amelia Keyser. Haar ouders zijn beiden van Duits-Joodse afkomst. Haar moeder, een 'achtergrondfiguur' die alleen bezig was met de huishouding, stierf aan kanker wanneer Gertrude veertien jaar oud is. Haar vader, altijd al een rusteloze natuur, was met de jaren dominanter en excentrieker geworden. Gertrude zal later schrijven dat ze vaders deprimerend vindt, maar zelf leek ze qua karakter meer op hem dan op haar moeder. In 1903 schreef ze een roman over haar romance met May Bookstaver, die maar na Gertrudes dood wordt uitgegeven onder de titel Things As They Are.
Samen met haar broer Leo vestigde ze zich in Parijs in de de Rue de Fleurus 27 waar de bijeenkomsten op zaterdagavond al snel zeer bekend waren bij kunstenaars, zowel Franse als Amerikaanse. Leo en Gertrude kochten ook schilderijen en hun appartement leek weldra op een museum voor moderne kunst met schilderijen van Picasso, Césanne, Matisse en anderen. In 1907 maakte Gertrude kennis met de drie jaar jongere Alice Babette Toklas, afkomstig uit eenzelfde soort milieu in Californië, en het werd liefde op het eerste zicht. Vanaf 1909 kreeg Gertrude stilaan een zekere bekendheid als schrijfster, tot groot ongenoegen van Leo. Dit leidde in 1914 tot een definitieve breuk tussen hen. Gertrude schreef niet alleen werken die werden uitgegeven in Engeland en de Verenigde Staten, maar ze gaf ook lezingen. Haar manier van schrijven hield niet altijd rekening met de geldende grammaticaregels, maar zij beweerde dat er behoefte was aan een shockeffect en onsamenhangendheid. De bekendheid van Gertrude als letterkundige was zo groot dat aankomende schrijvers haar vroegen om hun werk te lezen en haar oordeel te geven, zoals o.a.Ernest Hemingway in 1922.

 

Uit : Tender buttons

Rooms

 

“Act so that there is no use in a centre. A wide action is not a width. A preparation is given to the ones preparing. They do not eat who mention silver and sweet. There was an occupation.

A whole centre and a border make hanging a way of dressing. This which is not why there is a voice is the remains of an offering. There was no rental.

 

So the tune which is there has a little piece to play, and the exercise is all there is of a fast. The tender and true that makes no width to hew is the time that there is question to adopt.

To begin the placing there is no wagon. There is no change lighter. It was done. And then the spreading, that was not accomplishing that needed standing and yet the time was not so difficult as they were not all in place. They had no change. They were not respected. They were that, they did it so much in the matter and this showed that that settlement was not condensed. It was spread there. Any change was in the ends of the centre. A heap was heavy. There was no change.

 

Burnt and behind and lifting a temporary stone and lifting more than a drawer.

The instance of there being more is an instance of more. The shadow is not shining in the way there is a black line. The truth has come. There is a disturbance. Trusting to a baker's boy meant that there would be very much exchanging and anyway what is the use of a covering to a door. There is a use, they are double.”

 

 

stein
Gertrude Stein
(3 februari 1874 – 27 juli 1946)

 

Lao She (pseudoniem voor Shu Qingchun werd geboren op 3 februari 1899. Hij was een van China's meest prominente moderne schrijvers. Geboren in Beijing als zoon van een arme paleiswacht, die tijdens de bokseropstand in 1900 om het leven was gekomen. Van oorsprong was Lao She onderwijzer en leraar Engels, later universitair docent. Hij leefde in Engeland van 1924 tot 1929. Hij schreef een aantal korte verhalen, komische romans en toneelwerken. Tot zijn meest bekende werken behoort de roman "De riksjarenner" uit 1937 (Chinese titel: "Luotuo Xiangzi" ="Kameel Xiangzi"). Dit boek werd ook verfilmd. Lao She had linkse sympathieën, maar heeft zich nooit tot het marxisme bekeerd. Zoals vele linkse intellectuelen vestigde hij zich na 1949 in de Volksrepubliek.Lao She werd een van China's eerste prominente slachtoffers van de uitwassen van de Culturele Revolutie. Naar verluid - de feiten staan nog niet vast - moest Lao She zich in 1966 verantwoorden tegenover Rode Gardisten tijdens een massabijeenkomst in Beijing. Thuisgekomen van deze vernedering vond hij zijn huisraad alsmede al zijn manuscripten vernield. Hierop pleegde Lao She zelfmoord door zich in een vijver van het park bij de Verboden Stad te verdrinken.

 

Uit Vier Generationen unter einem Dach

 

»Wenn der alte Herr sein Haus, seine Söhne und Enkel sowie die selbstgezüchteten Blumen und Gewächse betrachtete, hatte er das Gefühl, daß sich die Anstrengungen seines Lebens gelohnt hatten. Peking war eine unverwüstliche Stadt, und sein Haus war es ebenso. Er war wie ein alter Baum, der seine Äste über den ganzen Hof ausgebreitet und alle Blüten an den Zweigen selbst hervorgebracht hatte.«

 

 

LaoShe
Lao She (
3 februari 1899 – 24 augustus 1966)

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst von Wildenbruch werd op 3 februari 1845 geboren in Beiroet, waar zijn vader consul was. Deze vader, Louis von Wildenbruch, was een buitenechtelijk kind van prins Louis Ferdinand van Pruisen uit diens langdurige liaison met de Magdeburger ambtenaarsdochter Henriette Fromme. De kinderen uit deze liaison werden door koning Willen Frederik III in 1810 in de Pruisische adelstand verheven. Tot von Wildenbruchs oeuvre behoren talrijke balladen, toneelstukken, romans en verhalen. Hij is een vertegenwoordiger van het grote drama uit de Gründerzeit (jaren 1880) en van de nationalistische „Bismarcklyrik“ rond 1900.

 

 

Christkind im Walde

 

Christkind kam in den Winterwald,
der Schnee war weiß, der Schnee war kalt.
Doch als das heil'ge Kind erschien,
fing's an, im Winterwald zu blühn.

 

Christkindlein trat zum Apfelbaum,
erweckt ihn aus dem Wintertraum.
"Schenk Äpfel süß, schenk Äpfel zart,
schenk Äpfel mir von aller Art!"

 

Der Apfelbaum, er rüttelt sich,
der Apfelbaum, er schüttelt sich.
Da regnet's Äpfel ringsumher;
Christkindlein's Taschen wurden schwer.

 

Die süßen Früchte alle nahm's,
und so zu den Menschen kam's.
Nun, holde Mäulchen, kommt, verzehrt,
was euch Christkindlein hat beschert!

 

 

wildenbruch-00
Ernst von Wildenbruch
(3 februari 1845 – 15 januari 1909)

 

De Amerikaanse schrijver James A. Michener werd geboren op 3 februari 1907 in New York. Zijn bekendste boek is waarschijnlijk Centennial, dat zich afspeelt in een fictief dorpje in Colorado. Het boek begint in ver-prehistorische tijden (ten tijde van het ontstaan van de aarde en dinosaurussen) en loopt tot 1973. Van dit boek - dat ruim 900 bladzijden telt - werd een bekroonde televisieserie gemaakt van 26 afleveringen. Hij ontving in 1948 de Pulitzer-prijs voor zijn roman Tales of the south Pacific (Verhalen van de Stille Zuidzee)in de categorie "Fictie.

 

Uit: This Noble Land

 

“Of all forms of goverment operating today, ours is the longest-lived.  We are an outstanding success.  In the next half century we can light new candles of excellence, we can protect the ones we already have, we can gain an extension.  The next years are ones of decision as we face one crucial choice after another.  I hope our genius for doing the right thing will guide us." 

 

 

michener_j
James A.  Michener (3 februari 1907 - 16 oktober 1997)

 

 

11-04-06

Gródek, Georg Trakl


Vandaag vond ik een bijzonder expressieve internetweergave van het gedicht Gródek van Georg Trakl. In de herfst van 1914 had de dichter in Gródek (in het oosten van Polen) de leiding over de verzorging van zo’n negentig ernstig verwonde soldaten. Hij bezweek onder de druk en deed een poging tot zelfmoord die echter werd verhinderd. Nadat hij was opgenomen in een ziekenhuis in Krakau, zwaar depressief, overleed hij op 4 november aan een overdosis cocaïne. Het is niet geheel duidelijk of dit zelfmoord of een ongeluk was.

 

 

Gródek

 

Am Abend tönen die herbstlichen Wälder
Von tödlichen Waffen, die goldnen Ebenen
Und blauen Seen, darüber die Sonne
Düstrer hinrollt; umfängt die Nacht
Sterbende Krieger, die wilde Klage
Ihrer zerbrochenen Münder.
Doch stille sammelt im Weidengrund
Rotes Gewölk, darin ein zürnender Gott wohnt
Das vergoßne Blut sich, mondne Kühle;
Alle Straßen münden in schwarze Verwesung.
Unter goldnem Gezweig der Nacht und Sternen
Es schwankt der Schwester Schatten durch den schweigenden Hain,
Zu grüßen die Geister der Helden, die blutenden Häupter;
Und leise tönen im Rohr die dunkeln Flöten des Herbstes.
O stolzere Trauer! ihr ehernen Altäre
Die heiße Flamme des Geistes nährt heute ein gewaltiger Schmerz,
Die ungebornen Enkel.


Vertaling 

 

Verder nog twee afbeeldingen van de dichter die je niet vaak ziet. De dichter op een postzegel én op het strand.

 


 

 

 

20:42 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: georg trakl, romenu |  Facebook |