15-05-17

Albert Verwey, Arthur Schnitzler, Pem Sluijter, W.J.M. Bronzwaer, Frits van Oostrom, Michael Lentz, Max Frisch, Judith Hermann, Peter Shaffer

 

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865. Zie ook alle tags voor Albert Verwey op dit blog.

 

Blauw en rood

Al liepen alle vrouwen nou
Op straat in blauwe japonnen,
Al liepen hun mannen ertussendoor
In rode pantalonnen:

Ik zag ze niet door 't luchteblauw,
Dat hemelse blauwe wonder;
Ik zag ze niet door 't pannenrood,
Waar 't stadsvolk wonet onder.

Met luchteblauw en pannenrood,
Was de wereld schoon beschilderd;
Maar door onze zonden zijn hier en daar
Die kleuren verweerd en verwilderd.

 

 

Van de liefde die vriendschap heet

10
Moeder van Smarten, zie mij aan, ik lijd...
Gij zaagt Hém hangen aan het hout, uw zoon,
Met bleek, bebloed gelaat en doornenkroon,
Die langzaam stierf in ongedeelden strijd.

En stil bleeft gij daar staan, alsof ge áltijd
Weer dacht dat Hij Góds Zoon was, en te schoon
Voor éengen dood, – en Hij hing dáar ten toon:
Uw kind, die Moeder veler smarten zijt.

Moeder van Smarten, zie mij aan, ik lijd...
Hef stil uw ogen op, van waar gij staat:
Ook ik, ik staar op ’t kruis, waar Eén aan sterft!

En ik, Moeder van Smarte! ook ik belijd
Hém als Gods Zoon, en ook mijn ziel vergaat
Van liefde, als de uwe, en lijdt als zij Hem derft.

 

 

De deizende sterren

De deizende sterren, zij tink'len
Hun vesper mij na, waar ik rijs,
Tot die tonen mijn voeten besprink'len
Op de trappen van 't zonnepaleis.

 

 
Albert Verwey (15 mei 1865 - 8 maart 1937)
Portret door Jan Veth (1885) in het Rijksmuseum

Lees meer...

15-05-16

Albert Verwey, Arthur Schnitzler, Pem Sluijter, W.J.M. Bronzwaer, Frits van Oostrom

 

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865. Zie ook alle tags voor Albert Verwey op dit blog.

 

Noach's duif

Ik rustte in 't holle van een golf, ik plooide
Mijn vleugels en ik deinde: ik wist niet meer
Bewoog ik mee omhoog of mee omneer
En of mij links of rechts mijn schomling gooide.

Er was gedroppel dat zich op mij strooide,
Er was een hemel en een hemels weer,
En ik genoot en leefde in iedre veer,
Verheugd omdat zo schoon heelal mij kooide.

Toch wiekte ik traag en wendde en naar mijn ark
Richtte ik de koers: van boom op hoge heuvel
Plukte ik een twijg en gaf me aan 't venster in.

En mensen, beesten, met vervreugden zin,
Haastten weer uit met mij naar 't vorig euvel:
Het godverlaten, schendig aardepark.

 

 

Van de liefde die vriendschap heet

9
Men kàn geen vlammen als een gouden vloed
Uit éen vaas gieten in een andre vaas:
Daarbinnen branden ze en een bevend waas
Gloeit door het hulsel heen met halven gloed.

Open het nooit – het is zoo schoon, en ’t moet
Zó schoon zijn, blijvend in die zelfde plaats:
Die vlam zal niemand zien: zij zal, helaas!
Zichzelf verteren daar haar niemand voedt.

Brand niet zoo luid, mijn ziel! waaróm zoo luid?
Gij weet toch, dat ge alleen en stil moet zijn;
En veel begrijpen, daar me’ ú nièt verstaat;

Gloed bréngt geen gloed voort, ziel! úw gloed vergaat
Weldra, die grote, en zie, een schone schijn
Is om u, maar die ook dooft aanstonds uit.

 

 

Orfeus

Had Orfeus niet Eurydice gedood
Door zelf te hunkren naar haar levende ogen,
Voor eeuwig had hij haar in ’t licht gevoerd.

Nu stond hij wenend waar zich de afgrond sloot
En had voorgoed zich aan zijn arm onttogen
Wie hij zo vast zich dacht aan ’t hart gesnoerd.

Nu bleef zijn hunkren als een open wond
En ’t lied van nederwaarts gericht verlangen
Zwaar en verzadigd als een boom die treurt,

Terwijl die Andre opnieuw de cirkling bond
Waaruit alleen de opvaart van zijn gezangen
Haar – voor hoe kort, helaas! – had losgescheurd.

 

 
Albert Verwey (15 mei 1865 - 8 maart 1937)
Albert Verwey en Stefan George door Jan Toorop, 1901

Lees meer...

15-05-15

Albert Verwey, Arthur Schnitzler, Pem Sluijter, W.J.M. Bronzwaer, Frits van Oostrom, Michael Lentz, Max Frisch

 

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865. Zie ook alle tags voor Albert Verwey op dit blog.

 

De warme zon is boven mij

De warme zon is boven mij,
Ik wandel in de warme lucht,
Mijn voeten op de warme wei
Maken, alleen, haast geen gerucht.

Ik ben een deel van al wat is,
Een warm jong groeisel in de zon;
Maar ik, van al wat om mij is,
Voel dat ik leef en zie de zon.

Dat land, dat weet niet dat het leeft,
Die lucht voelt niet hoe zoel zij is,
Die zon ziet nooit hoe 'n licht zij geeft:
Zij leven 't licht in duisternis.

Zij zijn een glorie, en zoo na
Aan mij, die zeg dat 't glorie heet:
Ik enkel, daar 'k in glorie ga,
Spreek uit mijn glorie wat ik weet.

 

 

Van de liefde die vriendschap heet

6
O gij, mijn lief, die nu door ’t lieven lijdt,
Klaag niet in stilte alleen, – maak poëzie
Van leed, – ach laat geween en melodie
Tussen ons zijn een zoete somberheid.

En ik, die u nu liefheb, begeleid
Uw zang met wederzang, ter harmonie
Van klare koren, kalme profetie
Van vreugde en liefde en innige eindloosheid.

Gelijk wanneer een nachtegaal alleen
Wel tracht te zingen, maar niet kunnend, treurt, –

Tot ze, als een andere ’t lied begint, meteen
Uitklaagt in lange liefde, beurt aan beurt, –

En beî de bosjes vullen met geween
Van tonen, tot de zon de kimmen kleurt.

 

 

Topzieke rups

Topzieke rups, in 't stijgen
Van blad op blad, van steel op stam,
Denkt ge eindlijk te verkrijgen
Het veld van blauw, de witte vlam?

Te hoog! Ge kunt niet keren!
Hangende aan hoogste top,
Geeft ge, in verdwaasd begeren,
Nogeens u op.

 

 
Albert Verwey (15 mei 1865 - 8 maart 1937)
Portret door Jan Veth, 1885

Lees meer...

15-05-14

Albert Verwey, Arthur Schnitzler, Pem Sluijter, W.J.M. Bronzwaer, Frits van Oostrom, Michael Lentz, Max Frisch

 

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865. Zie ook alle tags voor Albert Verwey op dit blog.

 

Met een ruiker

Tussen haar zusters, de verkoren rozen,
Verbergt zij kuis en bang de zaligheid
Die haar verwart en mijmerend doet blozen
Nu zij vermoedt waartoe ze is voorbereid.

De bloemen op haar haastige adem beven.
Waarom die vrees?...want ze is mij teer verwant
En heeft mij daarom argeloos gegeven
Dit warme speelgoed, haar verliefde hand.

 

 

Van de liefde die vriendschap heet

5
Lamp mijner ziel, die me in ’t verborgen gloort,
Zoet wonder van ’t heelal, dat niemand weet,
Brand niet zo duister in dien mist van leed,
Maak niet altoos uw schijnsel droef; – gloed hoort

Bij gloed, wat schoon is brengt wat schoon is voort,
Zoet zoekt zoet, lief! och, dat gij ook zo deedt,
U zelven zoet, uw zoet Zelf minder wreed,
Dat dus mijn bidden eindlijk werd verhoord.

Of als ge in smart dan altijd leven moet,
Laat dan mijn ziel in tot uw ziel en paar
Hen beiden in éen smart en éne klacht; –

Opdat ze als tweeling-vlammen in éen nacht,
Verborgen branden, gloren naast elkaar,
In enen stillen walm en ronden gloed.

 

 

Geëtste prentjes

[Niets is nu aangenamer dan in 'n koele kamer rode wijn te slurpen bij kleine teugjes en met de pen op 't papier in 'n gearceerde schemering]

Met pennenkratsen op 't papier te teek'nen,
Als met een etsnaald op het harde koper:
Een veenplas op een landschap tegen avond
Of zielenbeeldjes, met een fijner lijn
Dan 't scheren van een strohalmpje over 't water,
Of trilling van een meeuwenvleugel ; — ritmisch
Bewegen van de pen en 't op en neer
Getik van 't rijm, als 't tikken van 'n klok,
Die de seconden aan elkander rijmt ; —
Of ook gelijk het heen- en weergaan van
Een waaier in een nauwbewogen hand —
Daar achter 'n vrouwsgelaat in donker haar. —
Als 'k etsen kon zou 'k van dat vrouwsgelaat
En van die waaier in de slanke hand,
Van rode wijn en van wat zomerwarmte,
Met schaduw van een etsnaald schetsjes maken
Op koper — zo, mijn vriend, wie etsen kan,
Beproev' te vatten wat ik vatten zou.
Maar er is ijver nodig om tot ets
Te maken wat een dichter heeft gedroomd
In luiheid, onder warmte en rode wijn.

 

 

 
Albert Verwey (15 mei 1865 - 8 maart 1937)
Albert Verwey en Kitty van Vloten ca. 1890.

Lees meer...

15-05-12

Pem Sluijter, Max Frisch, W.J.M. Bronzwaer, Frits van Oostrom


De Nederlandse dichteres en schrijfster Pem Sluijter werd geboren in Middelburg op 15 mei 1939. Zie ook alle tags voor Pem Sluijter op dit blog.

 

 

Niet meer dezelfden

 

Drie koningen staan

uit aanbidding op niet meer dezelfden.

De sterreus die hen

de onzekere tocht deed wagen

met weerbarstige kamelen nukkige

drijvers en uitflakkerend vuur

moet teruggekeerd zijn in haar baan,

mogelijk als supernova ingestort;

zwart groeiend gat waar eerst

de hemel openstond --je zag en hoorde.

 

De nacht springt op onveilig.

 

Een Nessushemd is ten paleize uitgelegd

na hun bezoek. Zij, die de Koning

der koningen onder koningen zochten

misleid door eigen logica,

vertrekken omzichtig.

 

De ezel balkt kort naar de os,

in Rama laat een vrouw

haar rouwkreet horen.

 

Deze Geboorte betekent niet minder

dan de Dood, dood voor hen.

Bittere folterende pijn. Nooit meer

dezelfden; geen geruststelling

vinden in het leven dat zij kennen

waaraan zij zijn gewend waarnaar zij

terugkeren in hun koninkrijken.

 

 

 

Pem Sluijter (15 mei 1939 - 18 december 2007)

Middelburg, Abdijplein met de Lange Jan toren

Lees meer...

15-05-11

Judith Hermann, Peter Shaffer, Raymond Federman, W.J.M. Bronzwaer, Frits van Oostrom

 

De Duitse schrijfster Judith Hermann werd geboren op 15 mei 1970 in Berlijn-Tempelhof. Zie ook mijn blog van 15 mei 2007 en ook mijn blog van 15 mei 2008 en ook mijn blog van 15 mei 2009 en ook mijn blog van 15 mei 2010

 

Uit: Nichts als Gespenster

 

„Ruth sagte »Versprich mir, daß du niemals etwas mit ihm anfangen wirst«. Ich erinnere mich, wie sie aussah dabei. Sie saß auf dem Stuhl am Fenster, die nackten Beine hochgezogen, sie hatte geduscht und sich die Haare gewaschen, sie trug nur ihre Unterwäsche, ein Handtuch um den Kopf geschlungen, ihr Gesicht sehr offen, groß, sie sah mich interessiert an, eher belustigt, nicht ängstlich. Sie sagte »Versprich mir das, ja?«, und ich sah an ihr vorbei aus dem Fenster, auf das Parkhaus auf der anderen Straßenseite, es regnete und wurde schon dunkel, die Parkhausreklame leuchtete blau und schön, ich sagte »Also hör mal, warum sollte ich dir das versprechen, natürlich fange ich nichts mit ihm an«. Ruth sagte »Ich weiß. Versprich es mir trotzdem«, und ich sagte »Ich verspreche es dir«, und dann sah ich sie wieder an, sie hätte es nicht sagen sollen.
Ich kenne Ruth schon mein Leben lang.
Sie kannte Raoul seit zwei oder drei Wochen. Er war für ein Gastspiel an das Schauspielhaus gekommen, an dem sie für zwei Jahre engagiert war, er würde nicht lange bleiben, vielleicht hatte sie es deshalb so eilig. Sie rief mich in Berlin an, wir hatten zusammen gewohnt, bis sie wegen des Engagements umziehen mußte, wir konnten nicht gut damit umgehen, voneinander getrennt zu sein, sie rief mich eigentlich jeden Abend an.

Ich vermißte sie. Ich saß in der Küche, die jetzt leer war bis auf einen Tisch und einen Stuhl, ich starrte auf die Wand, während ich mit ihr telefonierte, an der Wand hing ein kleiner Zettel, den sie dort irgendwann aufgehängt hatte, »tonight, tonight its gonna be the night, the night«. Ich dachte ständig darüber nach, ihn abzureißen, aber dann tat ich es nie.“

 

 

 

Judith Hermann (Berlijn-Tempelhof, 15 mei 1970)

 

 

Lees meer...

15-05-10

W.J.M. Bronzwaer, Frits van Oostrom, Paul Zindel, Mikhail Bulgakov, Lyman Frank Baum, Katherine Anne Porter, René Regenass


De Nederlandse letterkundige, essayist en criticus W.J.M. Bronzwaer werd geboren op 15 mei 1936 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 15 mei 2008 en ook mijn blog van 15 mei 2009.

 

Uit: Lessen in lyriek

 

„Men kan Rilkes diepverborgen coïncidenties dus verstaan als semantische relaties die in de secundaire code tot stand worden gebracht of tot leven worden gewekt. Soms sluimeren die semantische relaties al in de primaire code; dat is het geval bij de eerder besproken rijmwoorden oud en woud, of bij de rijmwoorden roes en kroes in deze strofe van Geerten Gossaert (1884-1958), uit De Coma Berenices:

 

 Lang mij nog eens den vollen kroes

 Van liefdes zoeten zwijmelwijn.

 Mij hunkert naar den diepen roes

 Van in U zelfvergeten zijn.

 

Tussen roes en kroes bestaat een semantische relatie in de primaire code: de woorden zijn semantisch verwant en het rijm ligt evenzeer ‘voor de hand’ als dat tussen oud en woud of hart en smart. Maar op andere plaatsen in deze tekst treden verborgen coïncidenties aan het licht, worden semantische relaties tot stand gebracht of geactiveerd waarvan wij ons niet bewust waren. Op posities die zowel syntactisch als metrisch equivalent zijn, staan bijvoorbeeld zwijmelwijn en vergeten zijn en deze equivalentie verrijkt de betekenis van het woord zwijmelen: dat heeft hier meer met bewustzijnsverlies dan met sentimentaliteit te maken. Via een andere positionele equivalentie is met zwijmelwijn het woord liefde verbonden, dat zelf weer positioned te verbinden is met in U. Zelf en U zijn verbonden door hun heffingsequivalentie, die door de antimetrie op U extra wordt benadrukt; daar zelf met vergeten is verbonden ontstaat de betekenis dat de geliefde alleen kan worden bereikt als de minnaar van alle zelfbewustzijn afstand doet. Deze betekenis blijft echter overschaduwd door het besef dat deze ideaaltoestand van de liefde als absoluut altruïsme toch ook een sentimentele dronkemansdroom moet heten.“

 

 

 

Bronzwaer_Gossaert

W.J.M. Bronzwaer (15 mei 1936 – 20 januari 1999)

Portret van Geerten Gossaert door Karel van Veen

(Geen portrtet van W.J.M. Bronzwaer beschikbaar)

 

 

 

 

De Nederlandse historisch letterkundige Frits van Oostrom werd geboren in Utrecht op 15 mei 1953. Zie ook mijn blog van 15 mei 2009.

 

Uit: Floris ende Blancefloer (Diederic van Assenede, ca. 1255, Vlaanderen)

 

Doe rechte hem Floris van den grave,

Niet verre bleef hi staende daer ave;

Tenen griffie voedersele hi vinc

Daer ene guldine griffie in hinc,

Die hem hadde gegeven Blancefloer

Op minne, doe hi van haer voer.

Alse Floris die griffie uut trac,

Hi hiltse vor hem ende sprac:

‘Dese griffie, Blancefloer, daeddi maken

Ende gaefse mi bi derre saken,

Als icse dan saghe, dat si woude

Dat ic haers gedinken soude.

Nu leget mijn troest an di allene,

Du salt mi lossen uten wene,

Daer ic in ben, ende nemen mi dat leven,

Al ne waerstu mi niet daer toe gegeven.

 

 

Vertaling:

 

Floris stond op van het graf en

bleef niet ver van daar stilstaan.

Hij pakte een griffelkoker,

met daarin een gouden schrijfstift,

die Blancefloer hem als teken van haar liefde

had gegeven toen hij van haar wegging.

Hij trok de griffel uit de koker,

hield hem voor zich en sprak:

‘Blancefloer, deze griffel heb je

laten maken en aan mij gegeven,

omdat je wilde dat ik aan je

zou denken als ik hem zag.

Nu ben jij, griffel, mijn enige toevlucht,

jij moet me verlossen uit mijn ellende

en me doden, ook al ben je

me niet voor dat doel gegeven.

 

 

 

vmOostrom
Frits van Oostrom (Utrecht, 15 mei 1953)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Paul Zindel werd geboren op 15 mei 1936 in New York. Zie en ook mijn blog van 15 mei 2009.

 

Uit: The Undertaker's Gone Bananas

 

Then the rest of the afternoon they hardly spoke about Mr. Hulka at all. There were too many other important possibilities for the summer coming up. And before long they were into their favorite pastime - which was looking off the terrace and over the terrain of their past exploits. The things they had done on the Palisade Cliffs and the George Washington Bridge - and then across the way on the New York side of the river where The Cloisters was set on top of th ehills above the Henry Hudson Parkway. At least a couple of times a week they looked off the terrace and reminisced about the time they borrowed choir robes from Grace Methodist Church and got dressed as a monk and a nun. Lauri had spent three days making the hat which looked a little bit like a giant dove sitting on her head. And they had gone up to the grounds of The Cloisters which was a religious museum that housed the intricate Unicorn tapestries. Bobby h ad added a hood to his robe so he really looked monastic. And Lauri had also fashioned a stiff white bib, and they strolled The Cloisters grounds all day sipping Coca-Cola and speaking loudly so the tourists could hear them. They kept saying that they were appointed by the archdiocese to guard the Unicorn because of their chosen spiritual identification with all things mystical and magical. Another time, right on the edge of the Cliffs, they had held a marshmellow roast which the Fort Lee police had raided and made them extinguish. Bobby had told them he was the son of the Rockefellers who owned all the land but they had chased them away anyway. It seemed like Fort Lee had only about three or four policement who worked the Cliff areas and in less than a year Bobby and Lauri had gotten to know all of them through their high jinx. The one who usually caught them was Patrolman Petrie. Patrolman Petrie was also the one who came after them on the middle of the George Washington Bridge the day Lauri and Bobby decided to walk across wearing ape masks.“

 

 

 

Zindel2
Paul Zindel (15 mei 1936 – 27 maart 2003)

 

 

 

 

De Russische schrijver Mikhail Afanasjevitsj Bulgakov werd geboren op 15 mei 1891 in Kiev. Zie ook mijn blog van 15 mei 2007 en ook mijn blog van 15 mei 2009.

 

Uit: The Master and Margarita (Vertaald door Michael Glenny)

 

„At the sunset  hour of one warm spring day two  men were  to be seen at Patriarch's Ponds. The first of them--aged about forty, dressed in a greyish summer  suit--was  short,  dark-haired,  well-fed  and bald.  He carried his decorous pork-pie hat by the brim and his neatly shaven face was embellished

by  black hornrimmed spectacles of  preternatural  dimensions. The other,  a broad-shouldered young  man with  curly reddish hair  and a check cap pushed back  to the nape of  his neck,  was  wearing a tartan  shirt,  chewed white trousers and black sneakers.

     The first was none other than Mikhail Alexandrovich  Berlioz, editor of a  highbrow literary magazine  and chairman of the management cofnmittee  of one of the  biggest Moscow  literary  clubs, known by  its  abbreviation  as massolit; his  young companion  was  the  poet Ivan  Nikolayich Poniryov who wrote under the pseudonym of Bezdomny.

     Reaching  the shade  of the budding lime  trees,  the two writers  went straight to a gaily-painted kiosk labelled'Beer and Minerals'.

     There was an oddness about  that  terrible day in  May  which  is worth recording  : not  only at  the  kiosk but along the whole avenue parallel to Malaya Bronnaya Street there was not a person to be seen. It was the hour of the  day  when people  feel too exhausted to breathe, when Moscow glows in a dry haze as the sun disappears behind the Sadovaya Boulevard--yet no one had come  out for a walk under the limes,  no one  was  sitting  on a bench, the avenue was empty.“

 

 

 

Bulgakov
Mikhail Bulgakov (15 mei 1891 - 10 mei 1940)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Lyman Frank Baum werd geboren in Chittenango op 15 mei 1856. Zie ook mijn blog van 15 mei 2007 en ook mijn blog van 15 mei 2009.

 

Uit: The Wonderful Wizard of Oz

 

„When Dorothy stood in the doorway and looked around, she could see nothing but the great gray prairie on every side. Not a tree nor a house broke the broad sweep of flat country that reached the edge of the sky in all directions. The sun had baked the plowed land into a gray mass, with little cracks running through it. Even the grass was not green, for the sun had burned the tops of the long blades until they were the same gray color to be seen everywhere. Once the house had been painted, but the sun blistered the paint and the rains washed it away, and now the house was as dull and gray as everything else.
When Aunt Em came there to live she was a young, pretty wife. The sun and wind had changed her, too. They had taken the sparkle from her eyes and left them a sober gray; they had taken the red from her cheeks and lips, and they were gray also. She was thin and gaunt, and never smiled, now. When Dorothy, who was an orphan, first came to her, Aunt Em had been so startled by the child's laughter that she would scream and press her hand upon her heart whenever Dorothy's merry voice reached her ears; and she still looked at the little girl with wonder that she could find anything to laugh at.
Uncle Henry never laughed. He worked hard from morning till night and did not know what joy was. He was gray also, from his long beard to his rough boots, and he looked stern and solemn, and rarely spoke.“

 

 

 

L-Frank-Baum
Lyman Frank Baum
(15 mei 1856 - 6 mei 1919)

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Katherine Anne Porter werd geboren op 15 mei 1890 in Indian Creek, Texas. Zie ook mijn blog van 15 mei 2009.

 

Uit: Collected Stories and Other Writings

 

„My stories are fragments, each one touching some phase of a versatile national temperament, which is a complication of simplicities: but I like best the quality of aesthetic magnificence, and, above all, the passion for individual expression without hypocrisy, which is the true genius of the race.

I have been accused by Americans of a taste for the exotic, for foreign flavors. Maybe so, for New York is the most foreign place I know, and I like it very much. But in my childhood I knew the French-Spanish people in New Orleans and the strange "Cajans" in small Louisiana towns, with their curious songs and customs and blurred patois; the German colonists in Texas and the Mexicans of the San Antonio country, until it seemed to me that all my life I had lived among people who spoke broken, laboring tongues, who put on with terrible difficulty, yet with such good faith, the ways of the dominant race about them. This is true here in New York also, I know: but I have never thought of these people as any other than American. Literally speaking, I have never been out of America; but my America has been a borderland of strange tongues and commingled races, and if they are not American, I am fearfully mistaken. The artist can do no more than deal with familiar and beloved things, from which he could not, and, above all, would not escape. So I claim that I write of things native to me, that part of America to which I belong by birth and association and temperament, which is as much the province of our native literature as Chicago or New York or San Francisco. All the things I write of I have first known, and they are real to me.“

 

 

 

porter
Katherine Anne Porter (15 mei 1890 – 18 september 1980)

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 15 mei 2009.

 

De Zwitserse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar René Regenass werd geboren op 15 mei 1935 in Basel.

15-05-09

Arthur Schnitzler, Albert Verwey, Judith Hermann, Michael Lentz, Pem Sluijter, Max Frisch, Peter Shaffer, Raymond Federman, Paul Zindel, W.J.M. Bronzwaer, Mikhail Bulgakov, Lyman Frank Baum, Frits van Oostrom, René Regenass, Katherine Anne Porter


De Oostenrijkse schrijver en arts Arthur Schnitzler werd geboren in Wenen op 15 mei. Zie ook mijn blog van 15 mei 2007 en ook mijn blog van 15 mei 2008.

 

Uit: Reigen

 

Morgen, gegen sechs Uhr.

Ein ärmliches Zimmer; einfenstrig, die gelblich-schmutzigen Rouletten sind heruntergelassen. Verschlissene grünliche Vorhänge. Eine Kommode, auf der ein paar Photographien stehen und ein auffallend geschmackloser, billiger Damenhut liegt. Hinter dem Spiegel billige japanische Fächer. Auf dem Tisch, der mit einem rötlichen Schutztuch überzogen ist, steht eine Petroleumlampe, die schwach brenzlich brennt; papierener, gelber Lampenschirm, daneben ein Krug, in dem ein Rest von Bier ist, und ein halb geleertes Glas. Auf dem Boden neben dem Bett liegen unordentlich Frauenkleider, als wenn sie eben rasch abgeworfen worden wären. Im Bett liegt schlafend die Dirne; sie atmet ruhig. – Auf dem Diwan, völlig angekleidet, liegt der Graf, im Drapp-Überzieher; der Hut liegt zu Häupten des Diwans auf dem Boden.

 

Graf bewegt sich, reibt die Augen, erhebt sich rasch, bleibt sitzen, schaut um sich Ja, wie bin ich denn... Ah so... Also bin ich richtig mit dem Frauenzimmer nach Haus... Er steht rasch auf, sieht ihr Bett Da liegt s' ja... Was einem noch alles in meinem Alter passieren kann. Ich hab' keine Idee, haben s' mich da heraufgetragen? Nein... ich hab' ja gesehn – ich komm in das Zimmer... ja... da bin ich noch wach gewesen oder wach 'worden... oder... oder ist vielleicht nur, dass mich das Zimmer an was erinnert?... Meiner Seel', na ja... gestern hab' ich's halt g'sehn... Sieht auf die Uhr was! gestern, vor ein paar Stunden – Aber ich hab's g'wusst, dass was passieren muss... ich hab's g'spürt... wie ich ang'fangen hab' zu trinken gestern, hab' ich's g'spürt, dass... Und was ist denn passiert?... Also nichts... Oder ist was...? Meiner Seel... seit... also seit zehn Jahren ist mir so was nicht vorkommen, dass ich nicht weiss... Also kurz und gut, ich war halt b'soffen. Wenn ich nur wüsst', von wann an... Also, das weiss ich noch ganz genau, wie ich in das Hurenkaffeehaus hinein bin mit dem Lulu und... nein, nein... vom Sacher sind wir ja noch weg'gangen... und dann auf dem Weg ist schon... ja richtig, ich bin ja in meinem Wagen g'fahren mit'm Lulu... Was zerbrich ich mir denn viel den Kopf. Ist ja egal. Schaun wir, dass wir weiterkommen. Steht auf. Die Lampe wackelt Oh! Sieht auf die Schlafende Die hat halt einen g'sunden Schlaf. Ich weiss zwar von gar nix – aber ich werd' ihr 's Geld aufs Nachtkastel legen... und Servus... Er steht vor ihr, sieht sie lange an Wenn man nicht wüsst', was sie ist! Betrachtet sie lang Ich hab' viel 'kennt, die haben nicht einmal im Schlafen so tugendhaft ausg'sehn. Meiner Seel'... also der Lulu möcht' wieder sagen, ich philosophier', aber es ist wahr, der Schlaf macht auch schon gleich, kommt mir vor; – wie der Herr Bruder, also der Tod... Hm, ich möcht' nur wissen, ob... Nein, daran müsst' ich mich ja erinnern... Nein, nein, ich bin gleich da auf den Diwan herg'fallen und nichts is g'schehn... Es ist unglaublich, wie sich manchmal alle Weiber ähnlich schauen... Na gehn wir. Er will gehen Ja richtig. Er nimmt die Brieftasche und ist eben daran eine Banknote herauszunehmen.

 

 

 

 

Arthur-Schnitzler
Arthur Schnitzler (15 mei 1862 - 21 oktober 1931)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865.Zie ook mijn blog van 15 mei 2006 en ook mijn blog van 15 mei 2007 en ook mijn blog van 15 mei 2008.

 

 

Het Witte Zeil

 

De rots schoof dicht. Als een spalier vol rozen

Rezen de bergen, hoog en eindloos ver,

Het land lag in een net van zonnevonken.

 

Hij die uit donker kwam bleef aarzlend poozen.

Van stroom en vogels schalde 't her en der.

Geluid en licht maakten hem stil en dronken.

 

Hij was geworden uit het ondergrondsche

Tot de bewoner van dit tuin-heelal

En wist niet hoe; noch waar zijn schred te richten.

 

Toen zag hij waar de stroom de horizontsche

Bergen doorsneed, ankrend voor havenwal,

Een klein schip dat zijn witte zeil deed lichten.

 

 

 

 

 

Juist daarom

 

In de wereld van de tijd zich storten

Om aan sterflijkheid gekruist te zijn,

Kon ooit één het? want niet op te schorten

Is verganklijk levens eeuwge lijn.

 

Uit en in voorbijgaand vleesch geboren

Leven alle wezens en in hen

De eeuwigheid van 't worden en vergloren

Die ik enkel tijdlijk ken en ben.

 

En juist daarom hoogste droom: een Heiland;

Geest, vrijwillig in het vleesch gekruist;

Hoogste zaligheid: een hemelsch eiland

Waar geen golf van tijd om breekt of bruist.

 

 

 

 

 

 

Ebbe en Vloed

 

Schomlend door de ruimte wendt zich

Onder de invloed van de maan

De aarde zóó, en de ebbe erkent zich,

Anders, en de vloed rolt aan.

 

Vloedgolf die ik op zag bruisen,

Hoe ik worstelde en genoot!

Zoetst is, Ebbe, uw zuigend ruischen

Uit mìjn leven naar ùw dood.

 

 

 

 

 

 

Verwey
Albert Verwey
(15 mei 1865 -  8 maart 1937)

Beeld in Noordwijk

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Judith Hermann werd geboren op 15 mei 1970 in Berlijn-Tempelhof. Zie ook mijn blog van 15 mei 2007 en ook mijn blog van 15 mei 2008.

 

Uit: Alice

 

Nach fünfzig Metern, hatte Conrad geschrieben, treffen sich fünf Wege. Ihr nehmt den Weg durch das

schmiedeeiserne Tor hindurch, den »Fünften«. Auf das gelbe Haus zu.

Der fünfte Weg war ein Sandweg. Links ein kleiner Wasserlauf, ein Olivenhain, zwischen den Bäumen

Ziegen, die gelangweilt die Köpfe hoben. Das Auto schaukelte. In der Kurve oben am Hang ein alter großer Stall, ausgebaut, hohe Fenster zum See hin, die Läden zugezogen. Vor ihnen, am Ende des Weges, das gelbe Haus. Italienischer Palazzo. Geschlossene Läden. Efeu. Zwei Balkone, einer zum Berg hin, der andere zum See. Eine Terrasse, Feigenbäume, Agaven, Bougainvillea. Man kann ja Tatsache die Zikaden hören, sagte Anna von der Rückbank aus, andächtiges Staunen in der Stimme. Sie stiegen aus dem Auto, ließen die Türen offenstehen, gingen sofort auseinander.

Alice lief den Sandweg zurück und rauf zu Conrads und Lottes Haus. Steinchen in den Sandalen. Sie sah zu dem schwarzen Berg hinter dem Haus hoch und duckte sich. Stieg über breite Stufen zwischen riesigen, tropischen Lavendelbüschen hindurch. Feuerkäfer, leuchtend rot, die Leibchen aneinandergekettet. Hatten es eilig. Und Rauschen in den Bäumen, leichter Wind. Auf derTerrasse saß Lotte. DieTerrasse war, bis auf eine Kugel aus grauem Stein und dem Stuhl, auf dem sie saß, leer. Im unteren Teil des Hauses drei Türen, zwei geschlossen, die mittlere einen Spalt offen. Lotte stand auf, als Alice die Terrasse betrat, kam ihr entgegen, und sie begrüßten sich mit einer tastenden Umarmung, so vorsichtig, als könnte die andere sich bei einer Berührung in Luft auflösen.

Da bist du, sagte Lotte. Sie lächelte und hörte wieder auf zu lächeln, wenn sie nicht lächelte, waren die Falten um ihre Augen herum weiß. Lotte war siebzig Jahre alt. Conrad auch. Über ein Vierteljahrhundert älter als Alice. Ist alles gutgegangen, sagte Lotte. Hattet ihr eine gute Reise. Sie stellte Fragen im Ton von Feststellungen, erwartete aber trotzdem eine Antwort.“

 

 

 

 

Hermann
Judith Hermann (Berlijn-Tempelhof, 15 mei 1970)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver, literatuurwetenschapper en musicus Michael Lentz werd geboren in Düren op 15 mei 1964. Hij studeerde germanistiek, geschiedenis en filosofie in Aken, München en Siegen. In 1985 debuteerde hij met een bundel proza en poëzie. Hij won de Ingeborg-Bachmann-Preises 2001 met zijn tekst Muttersterben. Bij een groter publiek werd hij bekend met zijn roman Pazifik Exil uit 2007.

 

Uit: Liebeserklärung

 

Diese deutsche Regenlandschaft. Eine heruntergekommene, eine Deutsche Bahn. Grenzenlose Verspätung. Zwei Stunden Sinnlosigkeit an Frankfurter Gleisen. Erfurt enthauptet, Weimar wie nie gewesen. »Gibst du mir noch einen Kuss?«, und warum der Kuss plötzlich so feucht ist, warum deine Zunge so zügellos in meinen Mund drängt, du reckst mir deinen Schoß entgegen, deinen warmen, geliebten Schoß. Und warum die Küsse plötzlich so ununterbrochen sind, dein Schoß so fordernd. Und du mir in die Hose langst, undsoweiter. Unsere Schöße, die füreinander gemacht sind. Ganz einfach. Gab es eine Zeit, da wir nicht zusammen waren, fragst du. Und unsere Schöße klüger sind als unser wildgewordener, fassungsloser Mund, der eine Dummheit an die andere reiht, der sich erbricht, entbindet. Unser Mund liegt zwischen uns, und wir schauen ihm zu. Fragend. Dass du seit längerem nicht mehr von Liebe sprichst, fiel mir auf, sagte ich dir. Eine fast diskrete Zurückhaltung ist deine Hinwendung. Ich habe dich also so erschreckt, drohte, zu packen und abzuhauen hier, wo ich doch nicht mal alles ausgepackt habe, seit Monaten steht das Zeugs im Keller rum, geschichtet, gestapelt, anfallsartig kündigte ich meine Flucht an, das passt nicht, sagte ich, deine Freunde passen auch nicht, nichts passt, ich passe hier nicht hin, habe ich gesagt, so erschrocken, dass du selbst schmale Abwandlungen, Andeutungen nicht über die Lippen bringst. Großheringen. Stell man sich mal vor. Güldengossa, Großpösna. Stell man sich auch mal vor. Liebe ist doch nicht das Zusammenklappen von Faltplänen. Was aber eine Posse ist, sagt der alte Däne, und die Liebe ist auch eine Posse. »Gute Nacht, und erhole dich gut«, sagst du schroff, »du stehst eine Stunde früher auf, terrorisiere mich nicht«, fügst du an. Was ist denn da passiert? Meinst du, morgen früh bumsen wir mal nicht, wolltest du das sagen? Wer bist du? Irgendwann fängt halt alles wieder von vorne an. »Da habe ich gedacht, es geht nicht mit uns«, fängst du an. »Warum hast du das gedacht?« »Als du sagtest, du wollest mal mit ihm reden, ob er uns nicht seinen Stellplatz im Hof geben könne, schließlich habe er eine Erlaubnis und könne auch auf der Straße parken.« »Und da hast du gedacht, es geht doch nicht mit uns.«

 

 

 

 

Lentz
Michael Lentz (Düren, 15 mei 1964)

 

 

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Pem Sluijter (eig. Petronella Eduard Maria Rutgers-Sluijter werd geboren in Middelburg op 15 mei 1939. Pem Sluijter studeerde wijsbegeerte, vrouwenstudies en perswetenschappen en was daarnaast werkzaam als journaliste bij Het Parool. Ze debuteerde in 1997 op 58-jarige leeftijd met de bundel Roos is een bloem. Ze kreeg hiervoor de C. Buddingh'-prijs voor debutanten. In 2004 verscheen haar tweede bundel, Het licht van Attica. Zij overleed vrij plotseling op 18 december 2007.

 

 

 

Tuin

 

Het blad, de bloemen

van de stengelogen,

is van natuur .

 

Dit is het uur van tuin

dat onder bloemen kruipt

en in de bedding

ruikt het nat.

 

De voordeurbel slaat aan.

 

De glazenwasser vraagt

om water.

Die in dit uur wou zijn,

wijst hem de kraan.

 

 

 

 

Roos

 

Toen ik nog leefde

Zonder kennen

beleefde ik het woord

als woord bijvoorbeeld, roos.

Niet: 'roos is een bloem'.

 

Het stond op zich,

het woord.

Alleen en onverbonden.

Geen roos die al onteigend was.

 

 

 

 

 

Sluijter
Pem Sluijter (15 mei 1939 - 18 december 2007)

 

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver en architect Max Frisch werd geboren in Zürich op 15 mei 1911. Zie ook mijn blog van 15 mei 2007 en ook mijn blog van 15 mei 2008.

 

Uit: Bin oder Die Reise nach Peking

 

So steht es denn da, unser Werk, so steinern und fremd, so eigenmächtig, so ein für allemal. Es sieht dich an, ohne zu nicken, ohne zu lächeln, so, als hätte man sich nie gekannt; ohne zu danken und ohne zu verzeihen. Nachdem man es lange betrachtet und auch die ersten Schrecken überwunden hat, sagt man sogar: Es ist nicht schlecht, man kann nicht sagen, es ist schlecht! Es erinnert an dieses und jenes, was uns im Entwerfen, da es noch ein Einfall war, erfreut und beglückt hat. Und dennoch ist es trostlos ...“

 

 

 

 

Frisch
Max Frisch (15 mei 1911 - 4 april 1991)

 

 

 

 

De Britse toneelschrijver Peter Shaffer werd geboren op 15 mei 1926 in Liverpool.  Zie ook mijn blog van 15 mei 2007 en ook mijn blog van 15 mei 2008.

 

Uit: Equus

 

Darkness.

Silence.

Dim light up on the square. In a spotlight stands Alan Strang, a lean boy of seventeen, in sweater and jeans. In front of him, the horse nugget. Alan's pose represents a contour of great tenderness: his head is pressed against the shoulder of the horse, his hands stretching up to fondle its head.

The horse in turn nuzzles his neck.

The flame of a cigarette lighter jumps in the dark. Lights come up slowly on the circle. On the left bench, downstage, Martin Dysart, smoking. A man in his mid-forties.

Dysart: With one particular horse, called Nugget, he embraces. The animal digs its sweaty brow into his cheek, and they stand in the dark for an hour -- like a necking couple. And of all nonsensical things -- I keep thinking about the horse! Not the boy: the horse, and what it may be trying to do. I keep seeing that huge head kissing him with its chained mouth. Nudging through the metal some desire absolutely irrelevant to filling its belly or propagating its own kind. What desire could that be? Not to stay a horse any longer? Not to remain reined up for ever in those particular genetic strings? Is it possible, at certain moments we cannot imagine, a horse can add its sufferings together -- the non-stop jerks and jabs that are its daily life -- and turn them into grief? What use is grief to a horse?

[Alan leads Nugget out of the square and they disappear together up the tunnel, the horse's hooves scraping delicately on the wood.“

 

 

 

 

shaffer
Peter Shaffer (Liverpool 15, mei 1926)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver, essayist, criticus, vertaler en literatuurwetenschapper Raymond Federman werd geboren in het Franse Montrouge op 15 mei 1928. Zie ook mijn blog van 15 mei 2007.

 

Uit: The Carcasses

 

„I am sitting in my study -- that's how the story I recorded begins -- I am sitting in my study in California - in San Diego California -- close to the sun -- where I moved four years ago to be with myself and finish my work -- I am sitting in my study looking out the window at the splendid view before me -- incredible the valley the mountains the trees the sky -- beautiful -- I had a good day - I feel great -- good round of golf this morning -- shot an 81 -- yes 81 -- 38 on the front - I hit seven greens on regulation - had two birdies -- back nine a 43 -- two lousy double bogies -- dumb mistakes -- the mind wanders sometimes -- but a solid 81 -- then home to work on my body in nine parts with 3 supplements -- the English transaction -- worked on my scars today -- and I look up and there before me the view -- incredible - and I think -- when you die all this gets extinguished -- nothing more to see -- it's like plunging into a big black hole -- everything becomes dark -- but then it occurs to me that to say that -- to think that - implies the possibility of an after -- of some kind of existence after you die -- could I have been wrong all my life -- no -- I'm not going to fall into the meta-pata-physical stuff -- no magic trick -- not divine power or intervention -- I am human -- I am conscious of being human and alive -- but now you are dead -- so here you are among all the dead carcasses -- yes that's what this story is called -- the carcasses -- here they are -- the old ones that have been around for a long time -- the new ones that just arrived -- all pile up on top of one another waiting for their turn to be transmuted -- transmutation does not happen all at once -- does not happen instantly the moment you become a carcass -- carcasses are not reincarnated the moment they become carcasses -- theirs is a waiting period -- a kind of incubation -- so here you are waiting your turn -- no magic trick as I said -- just that you have to wait for the authorities to decide -- yes let's call them that -- authorities -- (...)"

 

 

 

Ferderman
Raymond Federman (Montrouge, 15 mei 1928)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Paul Zindel werd geboren op 15 mei 1936 in New York. Op zoek naar werk verhuisde zijn alleenstaande moeder vaak, zodat Zindel als kind maar weinig vriendschappen kon sluiten en een einzelgänger werd. Hij werkte eerst als leraar scheikunde in New York. Later trok hij naar Texas waar hij schreef voor het Nina Vance's Alley Theater in Houston. Voor The Effect of Gamma Rays on Man-In-The-Moon Marigolds (1971) ontving hij de Pulitzer prijs. Zijn grootste succes kwam echter met de novelle The Pigman.

                       

Uit: The Pigman

 

„Now, I don't like school, which you might say is one of the factors that got-us involved with this old guy we nicknamed the Pigman. Actually, I hate school, but then again most of the time I hate everything.

I used to really hate school when I first started at Franklin High. I hated it so much the first year they called me the Bathroom Bomber. Other kids got elected G.O. President and class secretary and lab-squad captain, but I got elected the Bathroom Bomber. They called me that because I used to set off bombs in the bathroom. I set off twenty-three bombs before I didn't feel like doing it anymore.

The reason I never got caught was because I used to take a tin can (that's a firecracker, as if you didn't know) and mold a piece of clay around it so it'd hold a candle attached to the fuse. One of those skinny little birthday candles. Then I'd light the thing, and it'd take about eight minutes before the fuse got lit. I always put the bombs in the first-floor boys' john right behind one of the porcelain unmentionables where nobody could see it. Then I'd go off to my next class. No matter where I was in the building I could hear the blast.

If I got all involved, I'd forget I had lit the bomb, and then even I'd be surprised when it went off. Of course, I was never as surprised as the poor guys who were in the boys' john on the first floor sneaking a cigarette, because the boys' john is right next to the Dean's office and a whole flock of

gestapo would race in there and blame them. Sure they didn't do it, but it's pretty hard to say you're innocent when you're caught with a lungful of rich, mellow tobacco smoke. When the Dean catches you smoking, it really may be hazardous to your health. I smoke one with a recessed filter myself.“

 

 

 

zindel
Paul Zindel (15 mei 1936 – 27 maart 2003)

 

 

 

 

 

De Nederlandse letterkundige, essayist en criticus W.J.M. Bronzwaer werd geboren op 15 mei 1936 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 15 mei 2008.

 

Uit: Tussen muziek en literatuur.Een hoofdstuk uit Simon Vestdijks poëtica

 

De vierde lezing uit De glanzende kiemcel, gewijd aan de klank van het gedicht, herhaalt de reeds ingenomen standpunten en brengt wat meer orde in de terminologie. Bovendien gebruikt Vestdijk hier een veelzeggende metafoor: de muzikale poëzie wordt vergeleken met een ‘parvenu’. Zij streeft er immers naar, tot muziek te worden. Geheel binnen het kader van deze vergelijking blijvend, geeft Vestdijk nu ook psychologische diepte aan een visie die hij bij herhaling te berde heeft gebracht: de aanbidders van de muzikale poëzie huldigen een esthetisch ideaal dat eigenlijk verouderd is. Onder muzikaliteit verstaan zij welluidendheid en zoetvloeiendheid, idealen die wij met de achttiende eeuw vereenzelvigen. Waarom zou muzikale poëzie niet ook dissonerend, stroef, hortend kunnen zijn? De psychologie van de parvenu houdt in, dat hij nooit streeft naar het hoogste dat het geambieerde milieu te bieden heeft, maar genoegen neemt met het middelmatige. Het ideaal van de welluidendheid is getrivialiseerd. Gezien als parvenu, streeft de muzikale poëzie eigenlijk naar een ideaal dat bij de echte muzikaliteit ten achter blijft, zoals wij haar als ‘modernen’ opvatten.

Het beeld van de parvenu brengt nog andere en verderreikende implicaties mee, die het strikt poëtologische kader te buiten gaan. De typische parvenu (denk aan Balzacs Eugène de Rastignac of aan Dickens' Pip uit Great Expectations) heeft altijd verraad gepleegd aan het eigen milieu, de eigen ouders of de eigenlijke geliefde. Daartegenover zal het milieu waar hij poogt binnen te dringen hem nooit helemaal accepteren, zodat de parvenu bij slechte afloop geïsoleerd raakt of, bij goede, terugdrijft in de armen van de echte geliefde, maar daarvoor de maatschappelijke ladder ook weer een eind moet afdalen. Past men deze implicaties toe op Vestdijks gebruik van het beeld van de parvenu voor de muzikale poëzie (en verraden zich niet juist in de beelden die een schrijver gebruikt zijn geheime drijfveren?), dan ontstaat de volgende situatie: de muziek is het hogere ‘milieu’; om daarin door te dringen pleegt de muzikale poëzie verraad aan haar eigen stand (het significatieve) en wordt daarvoor gestraft door de minachting van de muziek zelf.“

 

 

 

 

 

vestdijk_bronzwaer
W.J.M. Bronzwaer (15 mei 1936 – 20 januari 1999)

Vestdijk aan de piano (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

 

De Russische schrijver Mikhail Afanasjevitsj Bulgakov werd geboren op 15 mei 1891 in Kiev. Zie ook mijn blog van 15 mei 2007.

 

Uit: Remembering Gudok

 

“From that night on I sat down to work at one in the morning and wrote until three or four. It was easy to work at night. In the morning I was called to account by old Semyonovna:

"What's this? Your light on all night again?"

"That's right. My light was on."

"You're not supposed to burn electricity at night."

"That is precisely what electricity is for."

"We got only one meter and I can't pay that much."

"I don't burn any electricity from five to twelve."

"Very funny... what's a person up to all night like that? This ain't tsarist times."

"I'm printing notes."

"Notes?"

"Banknotes. Counterfeit money."

"Think it's funny, do you? We got a House Committee to take care of slick-haired has-beens. You'd ought to get shipped off to where the rest of the intellectuals are; us workers don't need your scribbling."

"An old crone who makes fudge and takes it to market is more like a private merchant than a working woman."

"You shut up about that fudge! We never lived in mansions. High time we was putting you out of this house."

"As for putting people out, if I catch you smashing Shura's head again and hear him screaming, I'll report you to the People's Court, and you'll get put in the jug for three months at least, and if I had my way you'd be kept there a darn sight longer."

In order to write at night one has to have a means of subsisting in the daytime. I will not tell you how I subsisted from 1921 to 1923; it is nobody's business. In the first place you would not believe me, and in the second—it has nothing to do with this story.”

 

 

 

 

 

bulgakov
Mikhail Bulgakov (15 mei 1891 - 10 mei 1940)

 



 

 

De Amerikaanse schrijver Lyman Frank Baum werd geboren in Chittenango op 15 mei 1856. Zie ook mijn blog van 15 mei 2007.

 

Uit: The Wonderful Wizard of Oz

 

„Dorothy lived in the midst of the great Kansas prairies, with Uncle Henry, who was a farmer, and Aunt Em, who was the farmer's wife. Their house was small, for the lumber to build it had to be carried by wagon many miles. There were four walls, a floor and a roof, which made one room; and this room contained a rusty looking cooking stove, a cupboard for the dishes, a table, three or four chairs, and the beds. Uncle Henry and Aunt Em had a big bed in one corner, and Dorothy a little bed in another corner. There was no garret at all, and no cellar-except a small hole, dug in the ground, called a cyclone cellar, where the family could go in case one of those great whirlwinds arose, mighty enough to crush any building in its path. It was reached by a trap-door in the middle of the floor, from which a ladder led down into the small, dark hole.“

 

 

 

p_baum
Lyman Frank Baum
(15 mei 1856 - 6 mei 1919)

 

 

 

 

 

De Nederlandse historisch letterkundige Frits van Oostrom werd geboren in Utrecht op 15 mei 1953. Hij promoveerde in 1981 bij prof.dr. W.P. Gerritsen. Van 1982 tot 2002 was hij hoogleraar Nederlandse letterkunde tot de Romantiek aan de Universiteit Leiden en in 1999 gasthoogleraar te Harvard. Sinds 2002 is hij als universiteitshoogleraar verbonden aan de Universiteit Utrecht. Van 2005 tot 2008 was hij president van de KNAW, de Koninklijke Nederlandse Akademie der Wetenschappen.

Van Oostrom won diverse prijzen, waaronder de Dr. Wijnaendts Francken-prijs voor Het woord van eer. Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400 (1987), de AKO Literatuurprijs voor zijn boek Maerlants wereld (1996) over Jacob van Maerlant en de Spinozapremie van NWO (1995). In 2006 publiceerde hij Stemmen op schrift, het eerste deel van de door de Nederlandse Taalunie gefinancierde reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, waarin hij de Oudnederlandse en Middelnederlandse literatuur tot 1300 bespreekt.

 

Uit: Maerlants wereld

 

"Op een totaal van de tenminste vijfentwintigduizend verzen die Maerlant aan concrete feitenkennis over de natuur gewijd heeft, gaat het bij deze eigen waarnemingen hooguit om één procent -maar toch voldoende om te zien dat hij zich niet blindstaarde op boeken, maar ook buiten het studeervertrek weetgierig bleef"

 

 

Fragment uit Der naturen bloeme

 

Als ons sente Jeronimus leert,

So esser erehande volc gevonden

Gehovet gelijc den honden,

Met crommen clauwen ende met langhen,

Ende met beesten vellen behanghen,

Ende voer haer spreken bassen.

Ander volc es daer gewassen:

So clene monde hebben die liede,

Dat si met enen clenen riede

Insuken moeten daer si bi leven.

 

 

 

 

 

Oostrom
Frits van Oostrom (Utrecht, 15 mei 1953)

 

 

 

 

 

De Zwitserse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar René Regenass werd geboren op 15 mei 1935 in Basel. Hij studeerde romanistiek, germanistiek en geschiedenis in Basel. Hij brak zijn studies af om op de fiets door heel Europa te reizen. Vervolgens werkte hij o.a. als tekstschrijver en redacteur. Vanaf 1969 publiceerde hij korte prozateksten in tijdschriften en bloemlezingen. Sinds 1979 woont hij als zelfstandig schrijver in Basel. Regenass is ook medewerker van het satirische blad Nebelspalter.

 

For ever

 

Einst waren es die Vögel

über der Stadt

die Bomben aus dem Himmel

sind der Fortschritt

des Menschen

es den Vögeln gleich zu tun

nur nicht in der Absicht

der Zweck heiligt die Mittel

 in der Zukunft liegt die

Grösse

der Vernichtung

das Elend lässt sich

ohne weiteres potenzieren

die Argumente sterben nicht aus

tröstlich für den

der sich reinen Gewissens

auf das Gute beruft

und das Böse kennt

mit Gott im Mund

die Schreie der Opfer

sie dringen nicht in sein Ohr

die Sterne im Banner

 sie fallen vom Himmel

wie Meteoriten

 bringen den Tod –

er kommt von weither.

 

 

 

 

 

regenass
René Regenass (Basel, 15 mei 1935)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Katherine Anne Porter werd geboren op 15 mei 1890 in Indian Creek, Texas. Van 1948 tot 1958 doceerde zij aan verschillende universiteiten. In 1962 verscheen haar enige roman Ship of Fools. De roman werd in 1965 door Stanley Kramer verfilmd en leverde de schrijfster $ 400.000 aan filmrechten op. Porter was echter vooral bekend als schrijfster van short stories. In 1966 kreeg zij voor The Collected Stories de Pulitzer prijs.

 

Uit: Portrait: Old South

 

„I am the grandchild of a lost War, and I have blood-knowledge of what life can be in a defeated country on the bare bones of privation. The older people in my family used to tell such amusing little stories about it. One time, several years after the War ended, two small brothers (one of them was my father) set out by themselves on foot from their new home in south Texas, and when neighbors picked them up three miles from home, hundreds of miles from their goal, and asked them where they thought they were going, they answered confidently, “To Louisiana, to eat sugar cane,” for they hadn’t tasted sugar for months and remembered the happy times in my grandmother’s cane fields there.

Does anyone remember the excitement when for a few months we had rationed coffee? In my grandmother’s day, in Texas, everybody seemed to remember that man who had a way of showing up with a dozen grains of real coffee in his hand, which he exchanged for a month’s supply of corn meal.

My grandmother parched a mixture of sweet potato and dried corn until it was black, ground it up and boiled it, because her family couldn’t get over its yearning for a dark hot drink in the mornings. But she would never allow them to call it coffee. It was known as That Brew. Bread was a question, too. Wheat flour, during the period euphemistically described as Reconstruction, ran about $100 a barrel. Naturally my family ate corn bread, day in, day out, for years. Finally Hard Times eased up a little, and they had hot biscuits, nearly all they could eat, once a week for Sunday breakfast. My father never forgot the taste of those biscuits, the big, crusty tender kind made with buttermilk and soda, with melted butter and honey, every blessed Sunday that came. “They almost made a Christian of me,” he said.“

 

 

 

Porter
Katherine Anne Porter (15 mei 1890 – 18 september 1980)

 

 

25-10-06

Frits van Oostrom, Hélène Swarth, Peter Rühmkorf, Benjamin Constant


Op vrijdag 10 november maakt juryvoorzitter H.K.H. Prinses Laurentien bekend welk boek bekroond is met de AKO Literatuurprijs 2006. Hier schenk ik de komende tijd al wat aandacht aan de kandidaten op de shortlist. De zesde en laatste is Frits van Oostrom.

 

Frits van Oostrom werd geboren in Utrecht op 15 mei 1953. Hij kreeg landelijke bekendheid doordat hij in 1996 de AKO-literatuurprijs won voor zijn meeslepende studie over de middeleeuwse dichter Jacob van Maerlant: Maerlants wereld. In 1987 publiceerde hij Het woord van eer. Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400 , dat bekroond werd met de Wijnaendts Francken Prijs. Deze studie verscheen in vertaling als Court and Culture 1350-1450. Van Oostrom is sinds 1982 als hoogleraar in de Nederlandse letterkunde tot de romantiek verbonden aan de Universiteit Leiden. Sinds 1989 geeft hij leiding aan het onderzoeksprogramma 'Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen' (NLCM). Een van de resultaten van dit project was het kleurrijke lees- en kijkboek Handgeschreven wereld. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen, dat Van Oostrom samen met Dini Hogenelst samenstelde. Hierin wordt het literaire leven in de Middeleeuwen voor een breder publiek gepresenteerd volgens de meest recente wetenschappelijke inzichten.

 

 

Uit:  Frits van Oostrom en Ingrid Biesheuvel:  Jakob van Maerlant

 

Na die eerste kruistocht volgden er meer, acht in totaal, waarbij de heerschappij over Jeruzalem afwisselend in handen van christenen en moslims terechtkwam. Geleidelijk aan verloren de christenen veld en raakten ze hun veroveringen kwijt. Het laatste bolwerk in christelijke handen was Akko, een havenstad aan de Middellandse Zee, even ten noorden van het huidige Haïfa. Op 18 mei 1291 viel de stad na een beleg van zes weken. De verslagenheid in de christelijke wereld was groot. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en het moet Jacob van Maerlant in de Vlaamse havenstad Damme, waar hij toen woonde, snel bereikt hebben. Maerlant schreef naar aanleiding hiervan Vanden lande van oversee. Maerlant begint zijn gedicht met een vurige aansporing aan alle christenen: weet je wel wat jullie is overkomen? Hebben jullie zitten slapen? Ook in de volgende strofen stelt de dichter keer op keer de vraag: ‘Laat het je werkelijk koud wat daar in het Heilige Land gebeurt? Is je hart dan echt van steen?’ Misschien hebben ooggetuigen, teruggekeerd uit het Oosten, het hem wel verteld: ‘De muren van de stad zijn omver gehaald, de "Saracenen" stromen naar binnen! Ontschuldige maagden worden verkracht! Er wordt onthoofd, gemarteld en verbrand!’ In elk geval is dat wat hij zijn toehoorders in geselende strofen inprent.

 

Kersten man, wats di ghesciet?
Slaepstu? Hoe ne dienstu niet
Jhesum Christum dinen Here?
Peins, doghedehi dordi enich verdriet
Doe Hi Hem vanghen ende crucen liet,
Int herte steken metten spere?
Tlant daer Hi Zijn bloet in sciet
Gaet al tequiste alsmen siet.
Lacy, daer en is ghene were!
Daer houdt dat Sarracijnsche diet
Die keirke onder zinen spiet
Daerneder, ende doet haer groet onnere.
Ende di en dunkets min no mere?

 

 

(Christenmens, wat is jou overkomen?
Slaap je? Waarom dien je
Jezus Christus, je Heer niet?
Bedenk eens, leed Hij soms geen pijn
omwille van jou, toen Hij zich gevangen liet
nemen

en kruisigen, en in het hart steken met een speer?
Het land waar Hij Zijn bloed heeft vergoten,
gaat geheel te gronde, zoals men ziet;
helaas, het wordt niet verdedigd!
Daar onderdrukt het Saraceense volk
de kerk met het mes op de keel
en doet haar groot oneer aan.
En jij bekommert je er totaal niet om?)

 

 

 

FRITSVANOOSTROM
Frits van Oostrom (Utrecht, 15 mei 1953)

 

Hélène Swarth werd geboren op 25 oktober 1859 in Amsterdam.Hélène bracht haar leven afwisselend in België en in Nederland door. In 1865 kwam ze in Brussel terecht waar zij werd opgevoed door een Franse gouvernante. Van 1870 tot 1872 ging ze naar school in Amsterdam, waarna ze opnieuw in Brussel terechtkwam op een kloosterschool. Van 1884 tot 1894 woonde ze in Mechelen; na haar huwelijk met Frits Lapidothin verhuisde zij naar Den Haag. Hélène schreef eerst Franse gedichten, maar op advies van Pol de Mont schakelde ze over naar het schrijven van Nederlandse poëzie.

 

NAJAARSNACHT

 

 O nevelnacht, waarin geen sterren stralen!

 O diepe, doffe stilte dezer stonde!

 Geen klokketoon, die plechtig 't uur verkonde,

 Niets hoor ik, dan mijn eigen ademhalen.

  

 't Waar zoet voor mij, de in 's levens strijd gewonde,

 In 't rustig rijk der droomen rond te dwalen.

 Dan, ach! ik voel de Fantasie mij falen,

 Die vaak mij leidde, opdat ik vreugde vonde.

  

 Doodsbleek en roerloos, lig ik op mijn leger.

 Zijn 't klamme vingers, die mijn keel omknellen?

 Zwaar hijgt mijn borst, angst verft mijn wangen veeger.

  

 God!… help mij, God, den Booze nêer te vellen!

 - Geen antwoord… Niets dan 't kloppen mijner slapen! -

 God! menschen lijden, en uwe englen slapen!

 

 

 

 

HELENESWARTH
Hélène Swarth (25 oktober 1859 - 20 juni 1941)

 

De Duitse schrijver Peter Rühmkorf werd geboren op 25 oktober 1929 in Dortmund. Hij is een petekind van Karl Barth. Van 1951 tot 1958 studeerde hij psychologie, germanistiek en kunstgeschiedenis in Hamburg. Samen met de dichter en essayist Werner Riegel gaf hij tot aan diens dood in 1956 het tijdschrift Zwischen den Kriegen uit, als een tegelijk dichterlijk en politiek platform van het Finisme, terugblikkend een van de belangrijkste serie publicaties uit die jaren. Hij was ook een van de hoofdauteurs in – voor de rebelse intelligentia van de jaren vijftig zeer belangrijke – Studentenkurier en in de opvolger daarvan, het tijdschrift konkret. Van 1958 tot 1964 werkt Rühmkorf als lector bij de uitgeverij Rowohlt. Sindsdien werkt hij als onafhankelijk schrijver en dichter in Hamburg.

 

Naturlyrik

 

Kalmusduft kommt wild und würzig
Kraut und Rüben gleich Gedicht,
Wenn die Gruppe Siebenundvierzig
Spargel sticht und Kränze flicht.

Abendland hat eingeladen
Suppengrün und Fieberklee -
Auf die Quendelbarrikaden,
Engagée, engagée!

Wenn die Abendglocken läuten,
Wenn die grüne Heide blüht, -
Lattich den Geworfenheiten,
Pfefferminze fürs Gemüt.

Weyrauch duftet süß und Bender,
und es dämmern Laich und Eich.
Sachte rutscht der Abendländer
In den sanften Ententeich.

 

 

Lied der Benn-Epigonen

Die schönsten Verse der Menschen
- nun finden Sie schon einen Reim! -
sind die Gottfried Bennschen:
Hirn, lernäischer Leim -
Selbst in der Sowjetzone
Rosen, Rinde und Stamm.
Gleite, Epigone,
ins süße Benn-Engramm.

Wenn es einst der Sänger
mit dem Cro-Magnon trieb,
heute ist er Verdränger
mittels Lustprinzip.
Wieder in Schattenreichen
den Moiren unter den Rock;
nicht mehr mit Rattenscheichen
zum völkischen Doppelbock.

Tränen und Flieder-Möven -
Die Muschel zu, das Tor!
Schwer aus dem Achtersteven
spielt sich die Tiefe vor.
Philosophia per anum,
in die Reseden zum Schluß -:
So gefällt dein Arcanum
Restauratoribus.

 

 

Ruemkorf
Peter Rühmkorf (Dortmund, 25 oktober 1929)

 

Benjamin Henri Constant de Rebecque werd geboren op 25 oktober 1767 in Lausanne. Constant kreeg een zeer cosmopolitische opvoeding: hij studeerde in het Engelse Oxford en in het Duitse Erlangen. In 1787 kwam hij aan in Parijs en vertoefde hij in het intellectuele milieu van de filosofische en literaire salons, onder andere dat van de Neckers, een belangrijke bankiersfamilie. Hij ontmoette de beroemde dochter van de bankier, Germaine de Staël, echter pas enkele jaren later, in 1794. Madame de Staël zou op Constant een grote invloed hebben gedurende hun lange, ietwat stormachtige, liefdesrelatie. De passie die Constant voelde tijdens deze relatie diende als inspiratie voor zijn roman Adolphe, een psychologische roman met scherpe ontledingen en soms cynische bedenkingen. De relatie met Mme de Staël duurde tot 1811, ondanks het feit dat Constant in 1808 in het geheim was getrouwd met Charlotte de Hardenberg.

 

Uit : Adolphe

 

Je ne me trouvais à mon aise que tout seul, et tel est même à présent l'effet de cette disposition d'âme que, dans les circonstances les moins importantes, quand je dois choisir entre deux partis, la figure humaine me trouble, et mon mouvement naturel est de la fuir pour délibérer en paix. Je n'avais point cependant la profondeur d'égoïsme qu'un tel caractère paraît annoncer : tout en ne m'intéressant qu'à moi, je m'intéressais faiblement à moi-même. Je portais au fond de mon cœur un besoin de sensibilité dont je ne m'apercevais pas, mais qui, ne trouvant point à se satisfaire, me détachait successivement de tous les objets qui tour à tour attiraient ma curiosité. Cette indifférence sur tout s'était encore fortifiée par l'idée de la mort, idée qui m'avait frappé très jeune, et sur laquelle je n'ai jamais conçu que les hommes s'étourdissent si facilement. 

 

 

 

 

constant
Benjamin Constant (25 oktober 1767 – 8 december 1830)