15-10-17

A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Riekus Waskowsky, Friedrich Nietzsche, Alfred Neumann

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog en alle tags voor van der Heijden op dt blog.

Uit: Kwaadschiks

“Met de vurige kegel van een half opgerookte Marlboro brandt cliënt zorgvuldig gaatjes in een bijna leeg koffiebekertje. De kleine ruimte vult zich met een scherpe menggeur van tabak, koffie en verschroeid plastic. Hij verwijdt met de peuk een van de ontstane openingen, en opeens ziet Quispel wat het voorstelt: niet zomaar een gezicht, maar een rudimentaire versie van De schreeuw van Edvard Munch. Alles om maar geen kennis te hoeven nemen van de filmbeelden. Langs de overvloedig met grind bestrooide oprijlaan naar de aula staat een rij politieagenten, eerder 'op de plaats rust' dan in de houding. Bij het gebouw heeft zich een kleine menigte verzameld, waaruit bossen bloemen opwolken. `Zo'n teraardebestelling krijgen doorgaans alleen de zogeheten Bekende Nederlanders,' zegt Quispel. 'Of vaderlandse criminelen van aanzien.' `Jouw begrafenis, Ernst,' zegt cliënt, rook uitblazend, 'wordt opgeluisterd door alle misdadigers die jij uit de bak hebt weten te houden. De oude seriemoordenaar Peddemors voorop. Honderden dankbare onschuldigen, die zich alleen in zoverre schuldig voelen dat ze een nagel aan jouw doodskist waren. Ik hoop ook van de partij te zijn.' `Praat wat zachter,' zegt de advocaat, geschrokken van het plotselinge stemgeluid. Hij werpt een waarschuwende blik op het one-way venster in de wand. 'Let op wat je uitkraamt. Het klinkt al bijna als een bekentenis.' 'Ik dacht dat je mij juist van mijn zwijgrecht afwenste te helpen.' `Ik wil gewoon dat je ophoudt met stommetje spelen tijdens de verhoren.' Quispel fluistert nu bijna. 'Je beroepen op het zwijgrecht, akkoord, maar je moet het wel consequent doen. Jou een beetje kennende, Nico... jij houdt dit niet lang vol. Daar neem ik vergif op in.' Voor hem zit een gedrongen man van zevenenveertig, niet buitensporig gezet, maar wel met een puntig embonpoint. Zijn gezicht, al wat minder pafferig na een week 'in volledige beperking', staat dodelijk vermoeid, met onder de ogen wallen van een goor blauw dat aan verkleurde stempelinkt doet denken. Als hij het hoofd over zijn kunstwerk buigt om er met zijn sigaret nog wat aan te veranderen, wordt zijn kalende kruin zichtbaar. De huid daar heeft de tint van bloedsinaasappel, ongeveer zoals Quispel zich een gescalpeerde in de boeken van Karl May voorstelde, die hij rond zijn twaalfde las. De haarkrans rondom is nog donker maar grijst aan de slapen — en ook in de oren, waar vlassige plukken uitsteken. Iemand moet hem in het huis van bewaring kleren gebracht hebben, want hij draagt niet langer de plunje die hij bij zijn arrestatie aanhad. Zijn verder niet versleten, zelfs nog nieuw ogende sweater zit vol schroeigaatjes, als van iemand die regelmatig onder invloed in slaap valt met een brandende peuk. De zwarte merkbroek is vol grijze asvingers gestempeld, alsof een bakker zijn meelhanden aan zijn zondagse kledij heeft afgeklopt. Wat ik zocht,' zegt cliënt, 'was niet het zwijgen, maar de stilte.'

 

 
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

13-04-17

Gethsemane und Golgatha (Friedrich Nietzsche)

 

Bij Witte Donderdag

 

 
Christus in de tuin van Gethsemane door Heinrich Hofmann, 1890

 

 

Gethsemane und Golgatha

Des Mondes Helle zuckt in ungewissen,
Zerstreuten Strahlen durch die Mitternacht;
Die Wolken fliegen wie vom Sturm zerrissen,
Ein aufgelöstes Heer nach wilder Schlacht,
Der Kidron braust in ungestümem Drängen -
Der Ölberg ruht auf stummen Felsenhängen.

Herr, deine Jünger schlafen, hingestreckt
Auf feuchtem Boden, und manch' ängstlich Bild
Scheucht ihrer Seelen Ruhe und erschreckt
Die Stille, die die Schlummernden umhüllt.
Sie sehen dich im Traum zu ihnen treten,
Sie sehn dich seufzen, sehn dich ängstlich beten.

Doch du liegst einsam! Keine Welt erfaßt
Die Qualen, die dein großes Herz umfluten;
Du liegst gebeugt von ungemess'ner Last,
Und alle Wunden brechen auf und bluten.
Das ist dein letztes, schwerstes Todesringen,
Und Erd' und Hölle will dich niederzwingen.

Da steht vor deinem Blick ein Berg der Qual
Darauf ein Kreuz und frecher Spötter Fülle;
Das ist dein Berg, dein Kreuz, dein Marterpfahl.
Das ist dein Los, - nein, 's ist dein eigner Wille.
Und nicht genug - was nie ein Mensch kann sagen -
Die Hölle selber kommt dich anzuklagen.

Du willst die Sünde tragen, und sie naht,
Aus tiefster Finsternis ans Licht gekrochen;
Da naht verstörten Blicks des Zweifels Saat,
Und Greuel, stumm und tief, nie ausgesprochen!
Sie nahen dir mit drohender Gebärde,
Sie wolln dich niederziehn zu Tod und Erde.

Du ringst gewaltig - blutger Tränen Flut
Sie künden deiner Seelen tiefstes Wehe,
"Vorüber geht er nicht, der Kelch voll Blut,
Du mußt ihn trinken, Gott, Dein Will' geschehe."
Und wieder naht mit leisem Flügelschlage
Ein Engel, wie an dem Versuchungstage.

O Stätten heiligster Vergangenheit!
Gethesemane und Golgatha! Ihr tönet
Die frohste Botschaft durch die Ewigkeit,
Ihr kündet, daß der Mensch mit Gott versöhnet,
Versöhnet durch das Herz, das hier gerungen,
Das dort verblutet und den Tod bezwungen!

O Stätten heilig ernster Gegenwart!
Zu denen sich die müde Seele führet
Und still der ewigen Lebensfluten harrt,
Die auch noch jetzt ein Engel Gottes rühret.
Es nah'n die Kranken - und der Himmel schließet
Sich auf, und Lebenswasser fließet!

O Stätten, ihr, der Zukunft Weltgericht,
Der Frommen Hoffnung und der Sünder Grauen!
Vor euch wird eitler Ruhm und Glanz zunicht,
Von euch wird Segen auf die Welten tauen.
So schaut ihr, vorwärts, rückwärts, auf die Zeiten,
Merksteine in dem Strom der Ewigkeiten.

 

 

 
Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900)
Röcken, de geboorteplaats van Friedrich Nietzsche

 

 

Zie voor de schrijvers van de 13e april ook mijn vorige blog van vandaag.

15-10-16

A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog en alle tags voor van der Heijden op dt blog.

Uit: Kwaadschiks

“Er is geen geluid bij. Het scherm toont afwisselend een kleine boot met een lijkkist aan boord en een zwarte rouwkoets die zich, getrokken door een vierspan, over het pad langs de rivier beweegt. Het vaartuig wordt gefilmd vanaf de wal, het rijtuig vanaf de scheepsvloer, allebei door een lichte nevel en vervagende rietpluimen heen. Close-up koetsier: hij draagt een zwarte mantel en een driekantige steek omlijst met rafelige franje. Over de paarden zijn lila dekkleden gelegd, die op de ogen en de neusgaten na ook hun hoofden omhullen, als bij een middeleeuws toernooi.
Het camerastandpunt aan boord verandert enigszins, zodat nu de doodskist op de voorgrond in z’n geheel te zien is. Er ligt een Nederlandse vlag overheen, met op de witte baan een bloemstuk van rode rozen en blauwe linten. De lens richt zich weer op, en kijkt dan recht in het binnenste van de lijkkoets: leeg nog.
‘Beetje audio erbij?’ stelt Quispel zijn cliënt voor. ‘Ik mis het klossen van die knollen.’
Over het morsige tafelblad heen reikend steekt de advocaat zijn hand naar de muis uit, maar cliënt, die zich voortdurend al in bochten heeft zitten wringen om niets van het scherm te hoeven zien, schudt heftig het hoofd: ‘Alsjeblieft, Ernst, doe me ’n lol.’
Met zijn onderarmen steunend op de rug van een stoel blijft Quispel het filmverslag volgen. Linksonder in beeld geven witte computercijfers de datum en het tijdstip, tot op rennende tienden van seconden precies, maar hij hoeft zijn Rolex niet te raadplegen om te weten dat de opnames live zijn. Het bootje richt de steven naar de aanlegsteiger, waarbij het een moment dwars op de stroom ligt. Het cameraoog glijdt omhoog langs de open poort, en onthult de naam van de begraafplaats, in gietijzeren krulkapitalen:

commervlugt

Voordat de rechercheurs, De Knegt en Van Baars, de verhoorkamer verlieten, kreeg cliënt na aandringen van zijn advocaat toestemming om een sigaret op te steken. (De Knegt had met heel zijn rossige drift nog geprotesteerd: ‘Sinds begin deze maand geldt er een rookverbod voor de horeca... en dan zullen wij er hier even een doorgepaft hol van laten maken’ – maar de buikige Van Baars, de veronderstelde good cop van de twee, deed het met een sussend gebaar af: ‘Een saffie maakt hem misschien wat spraakzamer.’)”

 

 
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

15-10-15

A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, Italo Calvino

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog en alle tags voor van der Heijden op dt blog.

Uit: De lange mars langs de literaire cafés

‘Als het laatste deel van je trilogie op tijd af is,’ had mijn uitgever met de hem eigen gulheid gezegd, ‘dan maken wij, samen, een triomftournee door heel Nederland en Vlaanderen de komende Boekenweek. Zelfs de Wadden zullen eraan moeten geloven. 's Middags signeren in de plaatselijke boekhandel, en 's avonds voordracht in het literaire café of in de schouwburg. Desnoods twee optredens per avond, wat kan ons het schelen. Ik zorg voor een snelle auto, en ga zelf achter het stuur zitten met een goudgebiesde pet op. Ondertussen laten we het ons aan niets ontbreken ...’
Het najaar liep op z'n eind, het werd december, januari, maar ofschoon het laatste hoofdstuk al was voltooid - het boek kwam niet af. Op het achterbalkon van lijn 3 had al eens een student zijn gezicht vlakbij het mijne gebracht, zeggende: ‘Ah, u heeft dus ook een bruin vlekje in uw linkeroog, net als de hoofdpersoon. Wanneer verschijnt deel drie?’ En in een druk café was mij in dezelfde tijd door de barman een bierviltje toegeschoven met in balpeninkt de tekst: ‘Waar blijft het slotdeel?’ (zonder dat ik kon achterhalen wie de afzender was). Ook het slopen van mijn naamplaatje van de deurpost kon erop wijzen dat ik mighty popular aan het worden was ...
Het kon de voltooiing van nummer drie allemaal niet bespoedigen. Toch zat ik bij het aanbreken van de Boekenweek met al die afspraken, zonder dat me een ‘snelle auto’ met chauffeur ter beschikking stond om ze allemaal af te gaan. Het werd de trein.
Ondanks een in het bad genoten Alka-Seltzer Breakfast had ik in de trein naar Utrecht nog hoofdpijn van het Boekenbal. Ik zat met mijn rug naar de rijrichting, maar toen mijn oudere collega, die tegenover me zat, mij zijn plaats aanbod - ‘Ik kan goed tegen achteruit rijden’ - werd het alleen maar erger.
‘Te veel op, gisteravond?’
‘Het komt door die verdomde circusstallen van Carré. Ik ben de hele avond en de hele nacht in de stallen blijven rondhangen. Het stinkt daar naar kamelevijgen en olifantsdrollen en leeuwestront van het Chinese staatscircus, god nog aan toe. Een verpletterende atmosfeer. Vooral leeuwestront is erg. Van de lucht alleen al slaat een paard op hol, lees maar na in Bericht aan de rattenkoning. In mijn kop zijn de paarden in ieder geval op hol geslagen ... owh!’

 

 
 A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

15-10-14

A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, Italo Calvino

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

Uit: Vallende ouders

“Waar ik het aan verdiend had, wist ik 't, maar juni was schitterend dat jaar. Ik voerde geen bal uit en elke nieuwe dag leek in zijn volmaaktheid zo sprekend op de vorige, dat de dagen vanzelf over elkaar heen schoven en op elkaar bleken te passen en ik me die maand ben gaan herinneren als één perfecte zomerdag. Een dag die zelfs langer dan een maand duurde, want hij strekte zich uit tot diep in juli. Onverstoorbaar sliep de ene maand een gat in de volgende. Zo'n veertig dagen telde juni en elke dag was een Wiederkehr des Gleichen. Zelfs dat de eerste twintig dagen lengden, en het tweede twintigtal kromp, viel niet op. De junimaand was in zijn geheel een ‘langste dag’.
Behalve diep in die dag kijken, deed ik eigenlijk niets. In plaats van snelle indrukken in zich op te nemen hebben mijn zinnen veertig dagen lang als een camera naar die ene junidag opengestaan en het resultaat, zie ik nu, is verbluffend. De schaduwen van de tuin waarin ik zat zijn scherper dan ze in werkelijkheid ooit geweest kunnen zijn. Het zonlicht is onwaarachtig fel en het zand van de bloemperkjes schittert als suiker. Niets beweegt. Geen blaadje, niets. De kleine witte vlinders hangen roerloos als bloesems tussen de struiken. De coniferen zijn massieve rotskegels. Aan de lijn drie of vier vereeuwigde wasknijpers... Een gaaf daguerrotype.
Het lijkt wel of ik mijn eigen bewegingloosheid op die veertigvoudige dag heb overgedragen.
Maar ook akoestisch manifesteert die dag zich als geen andere. Op het aanrecht in de keuken achter me worden kopjes neegezet... in de zachte stem van mijn moeder is haar hele geschiedenis te beluisteren... een hond gromt... en boven dat alles uit is de pneumatische boor van een bij in een bloem hoorbaar... Zo'n dag die zich dertig, veertig keer herhaalt is uit het geheugen niet meer weg te branden.
En schamen deed ik me tegenover al dat moois: de tuin, de dag, de zon, en de zomer die er al was terwijl hij nog moest komen... Schamen voor de dingen die ik gedaan had, maar meer nog voor wat ik verzuimd had te doen.”

 

 
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

15-10-13

A. F.Th. van der Heijden, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, Italo Calvino, Tessa de Loo

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

 

Uit: De helleveeg

 

“Ze ontving me in een crèmekleurige deux-pièces, die de duurdere kledingwinkel verried, en perfect om haar heen sloot: op haar achtendertigste had ze nog net zo'n mooi figuur als vijftien jaar eerder op haar trouwdag. Hoe kon het dat mijn moeder, die sterk op haar leek, al voor haar dertigste grijs begon te worden, en dat Tiny haar eigen donkerbruine haarkleur had behouden, zonder een enkel zilveren draadje? En dat de oudste van de twee zussen al tien jaar een rimpelig oudevrouwtjesgezicht had, terwijl dat van de jongste nog knap en strak was, met grote bruine ogen, waarvan de leden niet door permanente vermoeidheid waren gaan hangen? Tiny had zich bescheiden opgemaakt, precies genoeg om het bijzondere aan haar trekken te accentueren. Een dame, every inch. Maar pas op.
Misschien moest ik zeggen trois-pièces, want over het mantelpak droeg ze een huishoudschortje in dezelfde crèmekleur, met ruches en een grote strik, waarvan de lussen op haar billen dansten toen ze voor me uit naar de woonkamer liep. In de flat was weinig veranderd sinds ik er als jongen van elf, twaalf een paar keer gelogeerd had. Hetzelfde meubilair, nog als nieuw, de teakhouten leuningen zelfs niet een beetje verschoten. Er stond nu een grote kleurentelevisie op de plaats waar vroeger de kleine, lichtblauwe radio stond, waaraan ik me had gelaafd in die bloeitijd van de rock-'n-roll. Wat meer planten misschien, en nergens asbakken, althans niet zichtbaar - verder alles bij het oude. Ik ging wat ongemakkelijk op de bank zitten, onverminderd (en sinds de ontvangst zelfs in meerdere mate) gehinderd door het priapisme van Guy de Maupassant.
Ik vroeg Tiny of ze nog altijd op dezelfde wijze koffie maakte: heel sterk, met kokende melk aangelengd.
'Koos drinkt hem nu anders,' zei ze weinig vriendelijk, 'maar voor jou kan ik het nog wel een keer op de oude manier doen.' Tiny verdween naar de keuken. Ze hield er nog altijd die aanstellerig schokkerige manier van zich voortbewegen op na, met half opgeheven onderarmen en geknakte polsen - een beetje slofferig ook, zelfs nu ze haar hoogste hakken droeg. Het was in strijd met haar aanvankelijke verschijning als dame, wat misschien ook precies in haar bedoeling lag. Een clown met een schortje voor, dat is wat ze konden krijgen, de mensen.”

 

 

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

15-10-12

A. F.Th. van der Heijden, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

 

Uit: Tonio

 

“Er was die keer dat hii voor me uit de trap afdaalde, terwijl hij lachend iets over zijn schouder zei. Halverwege stond hij opeens stil, zodat ik tegen hem op botste.

'Dat ik dat toch ooit geweest ben.'

Op ooghoogte hing tegen de muur van de overloop zrjn portret als kaalhoofdige zuigeling, in een gestreept rompertje dwars in

zijn ledikant liggend, met boven zich kleurige houten ringen waaraan hij zich nog moest leren optrekken. Hij keek schuins in

de camera, happend in het dons.

Tonio schudde zijn hoofcl, alsof het een onbezonnen keuze betrof 'dat daar ooit te zqn geweest'. Jaren eerder had ik in mijn dagboek

genoteerd dat hij, net zo ongelovig zijn hoofd schuddend, had gezegd: 'Dat ik toch ooit dood zaI gaan.'

(…)

 

Soms wil ik hem heel dicht tegen me aan houden. De gedachte doet zich meestal voor als ik in bed lig te lezen, en zomaar opeens mijn boek ter zijde leg. Kom maar, zeg ik dan geluidloos. Kom maar, Tonio, onder het dek. Ik zal je warm houden.
Zijn lichaam is willoos, slap, maar niet koud. Het is de Tonio die na de aanrijding op het plaveisel heeft gelegen, een half etmaal voor zijn dood. De inzittenden van de rode Suzuki Swift staan buiten de auto, en durven niet naar het verderop neergekwakte lijf te kijken. De sirenes van politie en ambulance zijn nog niet hoorbaar. Het blauwe geflakker van de zwaailichten moet nog komen. Het is dan dat ik hem opraap en naar mijn bed draag, waarvan ik het dek opensla.
Kom maar. Dicht tegen me aan. Dat zal je warm houden. Ze komen zo om je beter te maken.”

 

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

15-10-11

A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

 

Uit: Das Scherbengericht (Vertaald door Helga van Beuningen)

 

1.

Der Bart brannte ihm im Gesicht. Es fühlte sich an, als stäche jedes der harten Haare einzeln. Warum seine Haut so glühte, ob vor Juckreiz oder Scham, wußte er nicht. An einen Bart war er nicht gewöhnt. Wenn die Aufseher mal einen Augenblick nicht auf ihn achteten, wagte er es, sich mit zwei Fingern gleichzeitig zu kratzen, wobei er die Nägel tief zwischen die Haarwurzeln grub. Doch jedesmal, wenn er den Juckreiz geortet zu haben glaubte, sei es am Kinn, sei es an der Wange, hatte sich das Kribbeln rasend schnell woandershin bewegt und tauchte in der Nähe eines Ohrs auf, unter der

Nase oder im Bereich des Adamsapfels. Am liebsten hätte er mit beiden Händen in seinem Gestrüpp gewühlt – hätten Scham und Handschellen es ihm nicht verwehrt.

 

2.

Vor zwei Monaten hatte sein Anwalt, Douglas Dunning von der Kanzlei Dunning & Hendrix, ihm geraten, vorsorglich etwas an seinem Äußeren zu ändern. »Für eine graue Maus, die mein und dein verwechselt hat, ist Choreo schon kein Ferienparadies. Geschweige denn für eine Berühmtheit wie

dich. Und dann noch bei einer solchen Anschuldigung.«

Dunnings Stimme klang noch hohler und trockener als gewöhnlich. Seine langen Hände, sonst immer hackend in Bewegung, um seiner eintönigen Rede Profil zu verleihen, hingen ihm schlaff zwischen den Oberschenkeln. Genauso viele schlechte Zeichen, wie Finger an ihnen saßen.

»Ach, Doug, diese angebliche Berühmtheit … das empfinde ich überhaupt nicht so. Schauspieler, die auf dem Strip erkannt werden, ja, klar. Meine Tätigkeit habe ich immer als dienenden Beruf betrachtet. Agieren im Off … Im Schatten.«

»Kann man wohl sagen.«

»Nach Choreo werde ich völlig unsichtbar.«

»Ich weiß«, sagte der Anwalt müde. »Das olympische Feuer vor dem Grab des Unbekannten … sag’s noch mal. Aber nicht: Soldaten.«

»Ich bin reif für ein inneres Exil.«

»Verbannt wirst du jetzt erst mal nach Choreo. Äußerst sichtbar. Um nicht zu sagen … ins Auge springend. Du mit deinem tragischen Hintergrund. Dein Leben ist noch viel mehr Allgemeinbesitz als das deiner Kollegen. Und dazu gehört ein Gesicht.«

»Hört das denn nie auf ? Vor acht Jahren hat man mein eigenes Unglück auch schon gegen mich verwandt. Undjetzt …«

 

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

15-10-10

A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse, Italo Calvino, Tessa de Loo, Mario Puzo, Vergilius

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 15e oktober mijn blog bij seniorennet.be

 

A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 15e oktober ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.  

 

Italo Calvino, Tessa de Loo, Mario Puzo, Vergilius

 

15-10-09

A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse, Italo Calvino, Tessa de Loo, Mario Puzo, Vergilius

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2007 en ook mijn blog van 15 oktober 2008.

 

Uit: The Movo Tapes

 

Now that all parties directly involved are dead (only Movo’s daughter Jolente is still alive), I can finally unfold the story in its entirety. For my own entertainment and that of my fellows, all of whom still possess their own name.
Movo died six months ago, just before his fiftieth birthday. Since then, Jolente has been working with two employees of the Constantijn Huygens Institute on a compilation of excerpts from her father’s impossible magnum opus
God’s Poems. The book has been announced for next autumn and will be published by De Spiegel, an imprint of the Hoek Keizersgracht-Spiegelstraat publishing company. It’s been in the papers and even made the TV news. I was moved to see that Hoek had survived all the mergers and reorganisations, as well as rising illiteracy, despite years of having to cope without the free advice of Movo’s grandfather, Olle Tornij. Their offices hadn’t even moved, they were still in the old building on the corner of Keizersgracht and Spiegelstraat. It seemed that they now came under the umbrella of an even larger group: Uitgeverijen Nederland & Vlaanderen BV, soon to be subsumed within European Publishers Ltd. The “highly distinctive character? of De Spiegel’s list would not be compromised, I read. Excellent, that means that Movo’s God’s Poems will reach the public, who for the first time will be able to read a book that cannot humanly be written, it testifies to that and bears the traces of that impossibility. Wonders will never cease.“

 

 

 

Uit: Der Anwalt der Hähne Vertaald door Helga van Beuningen)

 

„Montag, 29. April 1985

Er hätte besser daran getan, allein seinem Geruchs- und seinem Geschmackssinn zu trauen, und auch nur so weit, wie sie ihn seine eigene Verrottung riechen und schmecken ließen: Was sein Ohr auffing, war durch Angst bis zur Unkenntlichkeit verzerrt, unter seiner Berührung erhielten die Dinge auf der Stelle eine andere Haut, während seine Augen, sogar weit geöffnet, kaum mehr etwas anderes sahen als das Schauspiel, das sein vergiftetes Hirn für sich selbst inszenierte.

»Weg da. Weg, sag ich.«

Der erste verschaffte sich Zugang durch das Souterrainfenster, der zweite, indem er die Eingangstür mit einer Brechstange aufstemmte, woraufhin ein Dritter und ein Vierter sich an einem Seil im Lichthof herunterließen, an dem die Schlafzimmerfenster lagen. »Ksstt ... haut ab! Laßt mich in Frieden.«

Nein, es war kein Traum. Er träumte nicht. Er schlief nicht. Er war schmerzhaft wach. Er hörte sie ins Haus eindringen einen nach dem anderen, zum Teil auch zu mehreren zugleich, konnte ihnen aber mit dem Gehör schon bald nicht mehr folgen. Immer wieder verlor er die Spur der Geräusche, und dann war es wieder still - bis erneut irgendwo ein Fenster aufgehebelt wurde. »He, ihr da. Macht, daß ihr wegkommt! «

  

 

afth
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

 

 

 

 

De Duitse dichter, filosoof, filoloog en schrijver Friedrich Nietzsche werd geboren op 15 oktober 1844 in Röcken ten zuidwesten van Leipzig. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008.

 

 

Diesen ungewissen Seelen

 

Diesen ungewissen Seelen

Bin ich grimmig gram.

All ihr Ehren ist ein Quälen,

All ihr Lob ist Selbstverdruß und Scham.

 

Daß ich nicht an ihrem Stricke

Ziehe durch die Zeit,

Dafür grüßt mich ihrer Blicke

Giftig - süßer hoffnungsloser Neid.

 

Möchten sie mir herzhaft fluchen

Und die Nase drehn!

Dieser Augen hilflos Suchen

Soll bei mir auf ewig irregehn.

 

 

 

 

Nach neuen Meeren

 

Dorthin - will ich; und ich traue

Mir fortan und meinem Griff.

Offen liegt das Meer; ins Blaue

Treibt mein Genueser Schiff.

 

Alles glänzt neu und neuer,

Mittag schläft auf Raum und Zeit -

Nur dein Auge - ungeheuer

Blickt mich's an, Unendlichkeit!

 

 

 

 

Das trunkene Lied

 

O Mensch! Gib acht!

Was spricht die tiefe Mitternacht?

"Ich schlief, ich schlief -,

aus tiefem Traum bin ich erwacht: -

Die Welt ist tief,

und tiefer als der Tag gedacht.

Tief ist ihr Weh -,

Lust - tiefer noch als Herzeleid:

Weh spricht: Vergeh!

doch alle Lust will Ewigkeit -,

- will tiefe, tiefe Ewigkeit!"

 

 

 

 

friedrich_nietzsche

Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900)

Portret door Edvard Munch

 

 

 

 

De Russische dichter en schrijver Michail Joerjevitsj Lermontov werd geboren op 15 oktober 1814 in Moskou. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008.

 

 

Der Engel

 

Den Mitternachtshimmel ein Engel durchzog,
Sang leise ein Lied, als er flog,
Der Mond und die Sterne, die Wolken gesamt,
Sie lauschten dem heiligen Liede gebannt.

Er sang von der Seligkeit sündloser Seelen
In den Gebüschen der Gärten von Eden,
Er sang von der göttlichen Größe, sein Lob
Keinesfalls trog.

Er trug eine Seele, die jung war, im Arm
In eine Welt voller Tränen und Harm;
Der Ton seines Lieds in der Seele noch lang
Lebendig auch ganz ohne Worte erklang.

Sie quälte im Weltlauf noch lange sich still
Von herrlicher Sehnsucht erfüllt,
Nie konnte verdrängen den himmlischen Klang
Der irdische, öde Gesang.

 

 

 

Schwarze Augen

 

Sommernacht hat viele Sterne;
Warum du nur ihrer zwei?
Südens Augen! Tiefe Schwärze!
Trafen uns zur schlechten Zeit.

Wer auch fragt, die Sternennächte
Sprechen nur vom Himmelsglück;
Schwarze Augen, eure Sterne
Sind mein höllisches Entzücken.

Südens Augen, schwarze Augen,
Las der Liebe Urteil hier,
Tages- und auch Nachtgestirne
Seid ihr seit dem Zeitpunkt mir! –

 

 

 

 

Herbst

 

Laub im Feld hat angefangen
Gelber kreisend zu entfliehn;
Nur im Nadelwald die Tannen
Hängen voller finstrem Grün.
Unter Felsens Überhange
Liebt's der Schnitter schon nicht mehr,
Zwischen Blumen auszuspannen
Mittags von der Arbeit schwer.
Instinktiv fliehn wilde Tiere
Irgendwo in ihr Versteck.
Blasser Mondschein: nur noch silbern
Glänzt im Nebel schwach das Feld.

 

 

 

Lermontov
Michail Lermontov (15 oktober 1814 - 27 juli 1841)
Portret door A. Chelyshev

 

 

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Grenville Wodehouse werd geboren op 15 oktober 1881 in Guildford. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2008.

 

Uit: Uncle Fred in the Springtime

 

“That pig is too fat.”

“Too fat?”

“Much too fat. Look at her. Bulging.”

“But my dear Alaric, she is supposed to be fat.”

“Not as fat as that.”

“Yes, I assure you. She has already been given two medals for being fat.”

“Don’t be silly, Clarence. What would a pig do with medals? It’s no good trying to shirk the issue. There is only one word for that pig—gross. She reminds me of my aunt Horatia, who died of apoplexy during Christmas dinner. Keeled over halfway through her second helping of plum pudding and never spoke again. This animal might be her double. And what do you expect? You stuff her and stuff her and stuff her, and I don’t supposed she gets a lick of exercise from one week’s end to another. What she wants is a cracking good gallop every morning and no starchy foods. That would get her into shape.”

Lord Emsworth has recovered the pince-nez which emotion had caused, as it always did, to leap from his nose. He replaced them insecurely.

“Are you under the impression,” he said, for when deeply moved he could be terribly sarcastic, “that I want to enter my pig for the Derby?”

The duke has been musing. He had not liked that nonsense about pigs being given medals and he was thinking how sad all this was for poor Connie. But at these words, he looked up sharply. An involuntary shudder shook him and his manner took on a sort of bedside tenderness.

“I wouldn’t, Clarence.”

“Wouldn’t what?”

“Enter this pig for the Derby. She might not win, and then you would have had all your trouble for nothing.”

We jump forward about 70 pages. Here the Duke is now discussing Lord Emsworth and his pig with Lord Ickenham. The Duke again begins the exchange.

“Here are the facts. He’s got a pig, and he’s crazy about it.”

“The good man loves his pig.”

“Yes, but he doesn’t want to run it in the Derby.”

“Does Emsworth?”

“Told me so himself”

Lord Ickenham looked dubious.

“I doubt the stewards would accept a pig. You might starch its ears and enter it as a greyhound for the Waterloo Cup, but not the Derby.”

“Exactly. Well, that shows you.”

“It does, indeed.”

 

  

 

wodehouse
P.G. Wodehouse (15 oktober 1881 – 14 februari 1975)

 

15-10-08

A. F.Th. van der Heijden, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse, Italo Calvino, Tessa de Loo, Mario Puzo, Friedrich Nietzsche, Vergilius

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2007.

 

Uit: Het schervengericht

 

‘Hoe heet jij?’
‘Ik blijf me niet voorstellen.’
‘Je naam.’
‘Scott Maddox.’
‘Hoe heet je echt?’
‘Maddox, Scott. Vraag het Carhartt. Vraag het
De Griek.’
‘Die weten niet beter.’
‘Als jij het beter weet, zeg het dan.’
‘Scott, wie ben jij?’
‘Een heel andere vraag.’
‘Zeg me wie je bent. Ik heb er recht op.’
‘Wil je me leren kennen?’ schreeuwde hij opeens.
Hij begon aan de kram te rukken waarmee het uiteinde van het verband in zijn nek vastzat. Doordat hij van zijn ingezwachtelde handen alleen de ontvelde vingertoppen
kon gebruiken, kwam het stukje metaal met z’n weerhaakjes steeds dieper in het gaas vast te zitten.
‘Doe geen moeite,’ zei Remo. ‘Ik weet wie je bent.’
‘Ik weet wie jij bent. Daarom doe ik die moeite juist.’
‘Jij was het.’
‘Ik was wat?’
‘Jij hebt het gedaan.’
‘Wat?’
‘Mijn vrouw.’
‘Die is in het kraambed gestorven.’
‘Nog voor de kleine er was, ja.’
‘Ik heb niets gedaan. Ik ben geen verloskundige.’
‘Je personeel.’
‘Ik zie het nu,’ zei Maddox.
‘De regisseur.’
‘De regisseur, Scott, dat ben jij.’
‘Twee regisseurs, voor anker aan hun dekzwabber.’
‘Ze hebben allebei hun dromen geregisseerd.’
‘Bij jou was het kunstlicht en namaakbloed. Ik ben je de baas.’
Remo liet de steel van zijn trekker los, en klauwde met tien vingers tegelijk in de verbandkluwen rond Maddox’ hoofd. ‘Jij bent...’ Met zulke hevig trillende handen was het niet gemakkelijk een begin te maken met het afwikkelen van de windsels. En dan waren er
nog de krammen, waarvan er een op het achterhoofd zat. Remo haakte twee vingers achter een strook verband, en trok. Maddox steunde van de pijn, en duwde zijn omzwachtelde handen tegen Remo’s borst, maar zonder veel kracht.
‘Ik ben het,’ klonk het dof uit een mond die nu achter het verschoven verband schuilging. ‘Ik ben die ik ben. Ik ben die ben.’
Remo bleef trekken. De windsels kwamen in lussen los. Er hing een hele wolk van tussen hun hoofden. De onderste laag, die vastgeplakt zat in de brandwonden, moest met nog meer geweld losgetrokken worden.
Maddox hield zijn pijnkreten gedempt, misschien om de bewakers niet te alarmeren.
Naar onderen toe werden de zwachtels smeriger. Groenig van pus en zalf, en bevlekt met bijna zwartgeworden bloed. Remo trok, en Maddox draaide rond zijn as, zichzelf los windend van het verband.
‘Wie ben jij?’
Nog steeds geen gezicht. Het ging schuil achter een samenstel van zachte, bruine wondkorsten, waartussen stippellijnen van opkomend bloed liepen, dat spoedig rijkelijk begon te lekken.
‘Je ziet toch wie ik ben.’

 

 

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

 

 

 

 

 

De Russische dichter en schrijver Michail Joerjevitsj Lermontov werd geboren op 15 oktober 1814 in Moskou. Zie ookmijn blog van 15 oktober 2006.

 

 

Ich möchte leben! Möchte leiden

Ich möchte leben! Möchte leiden,
Als gäb es Liebe nicht noch Glück;
Verzärtelt ward mein Geist von beiden
Und allzu sorglos mein Geschick.

Mag nur der Hohn der Welt verjagen
Der Ruhe trügerischen Wahn;
Was ist ein Dichter ohne Plagen?
Was ohne Sturm der Ozean?

 

Er lebt nur um den Preis von Qualen,
Den Preis von Kummer ganz allein,
Und Ruhm möcht ehrlich er bezahlen,
Des Himmels Töne kauft er ein.

 

 

 

Wir trennten uns, doch dein Porträt

 

Wir trennten uns, doch dein Porträt
Bewahr am Busen ich bis heut.
Erfreut's mir doch das Herz wie eh
Als blasses Abbild schönrer Zeit.

 

Da schon in andrer Liebe Joch
Ich ging, vergessen konnt ich's nicht.
Verlaßner Dom bleibt Kirche noch,
Gott bleibt, wenn auch sein Bild zerbricht.

 

 

 

Vertaald door Barbara Heitkam

 

 

 

Das Blatt

 

Es ward einst ein Blatt von der heimischen Eiche geschlagen
Und ward von dem Sturme zur baumleeren Steppe getragen;
Es welkte vor Gram und vor Hitze und Kälte geschwind,
Da trug es endlich zum Schwarzen Meere der Wind.

 

Hier sieht es am Meer eine junge Platane aufsteigen -
Sanft säuselt der Wind durch die Blätter und spielt mit den Zweigen;
Es wiegen Paradiesvögel sich auf den Ästen und singen,
Der Meeresprinzessin zum Ruhm ihre Lieder erklingen.

 

Schüchtern naht sich das wandernde Blättchen
dem blühenden Baume
Und fleht um Obdach und Schutz in dem schattigen Raume,
So spricht es: »Ich bin das verwaiste Blatt einer Eiche,
Vom Sturme entrissen der Heimat rauhem Bereiche;

 

Ganz einsam und ziellos, so flog ich im endlosen Kummer,
Nicht Obdach konnte ich finden, nicht Nahrung noch
Schlummer -
In deinen smaragdenen Blättern erlös mich der Plagen,
Ich will dir's vergelten; kenn viele Geschichten und Sagen...«

 

»Du, heb dich hinweg!« sprach der Baum - »du bist
von den Wettern
Vergilbt und verdorrt und gleichst nicht meinen
übrigen Blättern.
Hast vieles gesehn, doch was soll ich mit deinem Erzählen?
Ich muß mich genug mit dem Singsang der Vögel schon quälen.

 

Nein, geh deinen Weg - bei mir wirst du umsonst dich bemühen!
Mich liebt die Sonne - und ihr nur gehört mein Blühen;
Stolz sind meine Zweige empor zum Himmel gebogen,
Die Wurzeln mir waschen des Meeres dienstbare Wogen.«

 

 

 

Vertaald door Friedrich Bodenstedt

 

 

Michail Lermontov (15 oktober 1814 -  27 juli 1841)

Portret door Pyotr Zabolotsky,1837

 

 

 De Brits-Amerikaanse schrijver Grenville Wodehouse werd geboren op 15 oktober 1881 in Guildford. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006.

Uit: The Code of the Woosters

„I reached out a hand from under the blankets, and rang the bell for Jeeves.
'Good evening, Jeeves.'
'Good morning, sir.'
This surprised me.
'Is it morning?'
'Yes, sir.'
'Are you sure? It seems very dark outside.'
'There is a fog, sir. If you will recollect, we are now in Autumn -- season of mists and mellow fruitfulness.'
'Season of what?'
'Mists, sir, and mellow fruitfulness.'
'Oh? Yes. Yes, I see. Well, be that as it may, get me one of those bracers of yours, will you?'
'I have one in readiness, sir, in the ice-box.'
He shimmered out, and I sat up in bed with that rather unpleasant feeling you get sometimes that you're going to die in about five minutes. On the previous night, I had given a little dinner at the Drones to Gussie Fink-Nottle as a friendly send-off before his approaching nuptials with Madeline, only daughter of Sir Watkyn Bassett, CBE, and these things take their toll. Indeed, just before Jeeves came in, I had been dreaming that some bounder was driving spikes through my head -- not just ordinary spikes, as used by Jael the wife of Heber, but red-hot ones.
He returned with the tissue-restorer. I loosed it down the hatch, and after undergoing the passing discomfort, unavoidable when you drink Jeeves's patent morning revivers, of having the top of the skull fly up to the ceiling and the eyes shoot out of their sockets and rebound from the opposite wall like racquet balls, felt better. It would have been overstating it to say that even now Bertram was back again in mid-season form, but I had at least slid into the convalescent class and was equal to a spot of conversation.
'Ha!' I said, retrieving the eyeballs and replacing them in position. 'Well, Jeeves, what goes on in the great world? Is that the paper you have there?'
'No, sir. It is some literature from the Travel Bureau. I thought that you might care to glance at it.'
'Oh?' I said. 'You did, did you?'
And there was a brief and -- if that's the word I want -- pregnant silence.
I suppose that when two men of iron will live in close association with one another, there are bound to be occasional clashes, and one of these had recently popped up in the Wooster home. Jeeves was trying to get me to go on a Round-The-World cruise, and I would have none of it. But in spite of my firm statements to this effect, scarcely a day passed without him bringing me a sheaf or nosegay of those illustrated folders which the Ho-for-the-open-spaces birds send out in the hope of drumming up custom. His whole attitude recalled irresistibly to the mind that of some assiduous hound who will persist in laying a dead rat on the drawing-room carpet, though repeatedly apprised by word and gesture that the market for same is sluggish or even non-existent.“

 


P.G. Wodehouse (15 oktober 1881 – 14 februari 1975)

 

 

De Italiaanse schrijver Italo Calvino werd geboren in Santiago de las Vegas op Cuba op 15 oktober 1923. In 1925 keert de familie terug naar Italië, San Remo, de geboorteplaats van zijn vader, die landbouwkundig ingenieur was. Zijn moeder was biologe en afkomstig uit Sardinië. Na zijn gymnasiumopleiding, schreef hij zich in aan de universiteit van Turijn om, in de voetsporen van zijn vader, landbouwkunde te gaan studeren. In 1943 gaf hij zijn studie op om zich bij de partizanen aan te sluiten tijdens het verzet in de Alpes Maritimes. In 1945 keerde hij terug naar de universiteit van Turijn maar dan als student aan de Letterenfaculteit, waar hij in 1947 afstudeerde met een scriptie over Joseph Conrad. Na de bevrijding werd hij actief lid van de Communistische Partij van Italië (PCI) en werkte hij mee aan communistische dagbladen en tijdschriften. In Turijn kwam hij al snel in contact met de intellectuelen die verbonden waren aan de uitgeverij Einaudi, zoals Cesare Pavese en Elio Vittorini en wordt hij medewerker van het tijdschrift 'Il Politecnico'. In 1947 werd, door Einaudi, de korte roman Il sentiero dei nidi di ragno gepubliceerd en bleek Calvino een veelbelovend schrijver van de nieuwe neorealistische literatuur te zijn. Vanaf 1950 is hij werkzaam op de redactie van Einaudi, de uitgeverij waarvan hij van 1955 tot 1961 directeur werd. Gedurende deze periode publiceerde hij een verhalenbundel Racconti (1958) en drie romans gebundeld in I nostri antenati (1960). Na onenigheid over de te volgen politieke lijn zegde hij in 1957 zijn lidmaatschap van de PCI op en samen met Elio Vittorini richtte hij in 1959 het tijdschrift ‘Il Menabò’ op. In 1960 verbleef hij zes maanden in de Verenigde Staten en daarna woonde hij een tijd in Rome terwijl hij, door een steeds groeiende interesse voor de Franse cultuur, lange periodes in Parijs doorbracht. Hij had aandacht voor de ontwikkelingen die zich begin jaren zestig voordeden, zowel aan het nieuw linkse front als aan het front van de neo avant-garde (Gruppo ’63) maar hield er afstand van. In La giornata di uno scrutatore (1963) geeft hij zijn visie op de crisis van links. Hij volgde de eerste uitingen van de studentenopstand in Italië en in Frankrijk aandachtig en ook al was hij het eens met de kritische en anti- autoritaire houding van de studenten, dit kwam niet tot uiting in zijn werk, zoals blijkt uit Le città invisibili (1972) en Il castello dei destini incrociati (1973). Zijn internationale faam breidde zich snel uit door de vertalingen van zijn werken.

Uit: If  on a winter's night a traveller (Se una notte d’inverno un viaggiatore)

“... I'm speaking to you two, a fairly unrecognisable tangle under the rumpled sheet. Maybe afterward you will go your separate ways and the story will again have to shift gears painfully, to alternate between the feminine tu and the masculine; but now, since your bodies are trying to find, skin to skin, the adhesion most generous in sensations, to transmit and receive vibrations and waves, to compenetrate the fullnesses and the voids, since in mental activity you have also agreed on teh maximum agreement, you can be addressed with an articulated speech that includes you both in a sole, two-headed person. First of all the field of action, or of existence, must be established for this double entity you form. Where is the reciprocal indentification leading? What is the central theme that recurs in your variations and modulations? A tension concentrated on not losing anything of its own potential, on prolonging a state of reactivity, on exploiting the accumullation of the other's desire in order to multiply one's own charge? Or is it the most submissive abandonment, the exploration of the immensity of strokable and reciprocally stroking spaces, the dissolving of one's being in a lake whose surface is infinitely tactile? In both situations you certainly do not exist except in relation to each other, but, to make those situations possible, your respective egos have not so much to erase themselves as to occupy, without reserve, all the void of the mental space, invest in itself at the maximum interest or spend itself to the last penny. In short, what you are doing is very beautiful but grammatically it doesn't change a thing. At the moment when you most appear to be a united voi, a second person plural, you are two tus, more separate and circumscribed than before.

(This is already true now, when you are still occupied, each with the other's presence, in an exclusive fashion. Imagine how it will be in a little while, when ghosts that do not meet will frequent your minds, accompanying the encounters of your bodies tested by habit.)

Ludmilla, now you are being read. Your body is being subjected to a systematic reading, through channels of tactile information, visual, olfactory, and not without some intervention of the taste buds. Hearing also has its role, alert to your gasps and your trills. It is not only the body that is, in you, the object of raeding: the body matters insofar as it is part of a complex of elaborate elements, not all visible and not all present, but manifested in visible and present events: the clouding of your eyes, your laughing, the words you speak, your way of gathering and spreading your hair, your initiatives and your reticences, and all the signs that are on the frontier between you and usage and habits and memory and prehistory and fashion, all codes, all the poor alphabets by which one human being believes at certain moments that he is reading another human being.”



Italo Calvino (15 oktober 1923 - 19 november 1985)

 

 

De Nederlandse schrijfster Tessa de Loo (pseudoniem van Tineke Duyvené de Wit) werd op 15 oktober 1946 in Bussum geboren als oudste van het gezin. Ze bracht haar jeugd door in Amsterdam en Oss. Op de MSS ontdekte ze haar liefde voor literatuur en ontwikkelde ze haar passie voor het schrijven. Na de middelbare school wilde ze het liefst naar de kunstacademie, maar op advies van haar ouders ging ze de MO-opleiding Nederlands in Utrecht volgen. Ze trouwde op twintigjarige leeftijd en vier jaar later werd zoon Joris geboren. Ze brak toen haar studie af en staakte ook haar schrijfpogingen. Ze is een paar jaar lerares in de Achterhoek, waar het gezin intussen heen is verhuisd. Begin 1973 verhuisden ze opnieuw, dit maal naar Texel, waar De Loo ook les gaf. Op Texel ontdekte ze dat ze nog steeds de ambitie had om schrijver te worden. In 1975 stuurde ze voor een wedstrijd in Vrij Nederland een verhaal in dat enthousiast werd ontvangen. Na de scheiding van haar man ontstonden de verhalen 'De muziekles' en 'De meisjes van de suikerwerkfabriek', die in 1983 gepubliceerd werden in het tijdschrift Maatstaf. Ze gebruikte toen voor het eerst haar pseudoniem. Nog in 1983 verscheen de verhalenbundel De meisjes van de suikerwerkfabriek. Ze ontving daarvoor het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte debuut en het werd ook bekroond met de Anton Wachterprijs voor het beste debuut.

 

Uit: De Tweeling

 

„Vanuit een veenturfbad staarde Anna haar met glazen ogen aan – het leek of ze onthoofd was, of haar lichaam voor altijd diep in het bruine moeras was gezonken terwijl haar hoofd op de turfmassa was blijven drijven. Ze staarde Lotte aan met een blik waarin alle emoties ontbraken: opwinding, ergernis, spot, woede, verdriet… een totale afwezigheid van al die stemmingen die elkaar twee weken lang caleidoscopisch hadden afgewisseld en samen de complexiteit die Anna heette hadden gevormd. Het beklemmendste was dat ze zo overduidelijk zweeg…dat ze niet gewoontegetrouw druk pratend en gebarend uitlegde wat haar was overkomen. Lotte keek verweesd om zich heen. Het was een badkamer zoals alle andere, warm en vochtig, had ze het benauwd gekregen? De lichtblauwe tegels eindigden aan de bovenkant in een rand met schelpmotieven – dit was het laatste dat Anna had gezien, had het haar doen denken aan de Oostzee waarin ze bijna verdronken was, samen met haar man... waarin ze, achteraf, liever verdronken was geweest… Dit was het laatste wat Anna had gezien – daarnet leefde ze nog en was ze vitaal als altijd in bad gestapt.“


Tessa de Loo (Bussum, 15 oktober 1946)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Mario Puzo werd geboren in New York op 15 oktober 1920. Hij is de schrijver van de beroemde Godfather-serie en andere boeken over de maffia. Puzo studeerde, na zijn diensttijd in de Tweede Wereldoorlog in New York. In 1969 publiceerde Puzo The Godfather (De peetvader). Later werd dit boek uitgebreid (nadat het zeer succesvol was verfilmd door Francis Ford Coppola) tot The Godfather filmtrilogie.

 

Uit: Omerta

 

„Don Zeno was the last of the true Mafia chiefs, having all his life observed the old traditions. He extracted a tariff on all business, but never on drugs, prostitution, or other crime of any kind. And never did a poor man come to his house for money and go away empty-handed. He corrected the injustices of the law-the highest judge in Sicily could make his ruling, but if you had right on your side, Don Zeno would veto that judgment with his own force of will, and arms.

No philandering youth could leave the daughter of a poor peasant without Don Zeno persuading him into holy matrimony. No bank could foreclose on a helpless farmer without Don Zeno interfering to put things right. No young lad who hungered for a university education could be denied it for lack of money or qualification. If they were related to his cosca, his clan, their dreams were fulfilled. The laws from Rome could never justify the traditions of Sicily and had no authority; Don Zeno would overrule them, no matter what the cost.

But the Don was now in his eighties, and over the last few years his power had begun to wane. He'd had the weakness to marry a very beautiful young girl, who had produced a fine male child. She had died in childbirth, and the boy was now two years old. The old man, knowing that the end was near and that without him his cosca would be pulverized by the more powerful coscas of Corleone and Clericuzio, pondered the future of his son.“

 

 

 

Mario Puzo 15 oktober 1920 – 2 juli 1999)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter, filosoof, filoloog en schrijver Friedrich Nietzsche werd geboren op 15 oktober 1844 in Röcken ten zuidwesten van Leipzig. Hij was de zoon van Karl Ludwig Nietzsche, een dominee die op 30 juli1849 overleed. In 1850 verhuisde de familie naar Naumburg. Nietzsches zus Elisabeth, die na zijn dood een belangrijke rol speelde bij de receptie van zijn werk, was twee jaar jonger. Hij bracht het grootste deel van zijn vroege jeugd door tussen vijf vrouwen: zijn moeder Franziska, zijn jongere zus Elisabeth, zijn grootmoeder langs moeders kant, en twee ongetrouwde tantes.

Nietzsche studeerde korte tijd theologie aan de universiteit van Bonn, maar stapte over op filologie en raakte vertrouwd met de klassieke literatuur en filosofie. Hij vervolgde die studie aan de universiteit van Leipzig. In 1869 werd hij hoogleraar te Bazel.

De meeste deskundigen gingen er tot voor kort van uit dat de geestelijke aftakeling die hem de laatste tien jaar van zijn leven onproductief maakte, het gevolg was van syfilis. Recente wetenschappelijke inzichten hebben hieraan evenwel twijfel gezaaid, aangezien bij syfilitische dementie de dood doorgaans intreedt tussen de 3 en 4 jaar nadat de bacterie de hersenen heeft aangetast, terwijl Nietzsche vanaf de eerste symptomen van zijn waanzin nog elf jaar te leven had. Na een jarenlang ziekbed overleed Friedrich Nietzsche op 55-jarige leeftijd.

 

Uit: Der Fall Wagner

 

„Was mich am tiefsten beschäftigt hat, das ist in der That das Problem der décadence, - ich habe Gründe dazu gehabt. "Gut und Böse" ist nur eine Spielart jenes Problems. Hat man sich für die Abzeichen des Niedergangs ein Auge gemacht, so versteht man auch die Moral, - man versteht, was sich unter ihren heiligsten Namen und Werthformeln versteckt: das verarmte Leben, der Wille zum Ende, die grosse Müdigkeit. Moral verneint das Leben ... Zu einer solchen Aufgabe war mir eine Selbstdisciplin von Nöthen: - Partei zu nehmen gegen alles Kranke an mir, eingerechnet Wagner, eingerechnet Schopenhauer, eingerechnet die ganze moderne "Menschlichkeit". - Eine tiefe Entfremdung, Erkältung, Ernüchterung gegen alles Zeitliche, Zeitgemässe: und als höchsten Wunsch das Auge Zarathustra's, ein Auge, das die ganze Thatsache Mensch aus ungeheurer Ferne übersieht, - unter sich sieht ... Einem solchen Ziele - welches Opfer wäre ihm nicht gemäss? welche "Selbst-Überwindung"! welche "Selbst-Verleugnung"!

Mein grösstes Erlebniss war eine Genesung. Wagner gehört bloss zu meinen Krankheiten.

Nicht dass ich gegen diese Krankheit undankbar sein möchte. Wenn ich mit dieser Schrift den Satz aufrecht halte, dass Wagner schädlich ist, so will ich nicht weniger aufrecht halten, wem er trotzdem unentbehrlich ist - dem Philosophen. Sonst kann man vielleicht ohne Wagner auskommen: dem Philosophen aber steht es nicht frei, Wagner's zu entrathen. Er hat das schlechte Gewissen seiner Zeit zu sein, - dazu muss er deren bestes Wissen haben. Aber wo fände er für das Labyrinth der modernen Seele einen eingeweihteren Führer, einen beredteren Seelenkündiger als Wagner? Durch Wagner redet die Modernität ihre intimste Sprache: sie verbirgt weder ihr Gutes, noch ihr Böses, sie hat alle Scham vor sich verlernt. Und umgekehrt: man hat beinahe eine Abrechnung über den Werth des Modernen gemacht, wenn man über Gut und Böse bei Wagner mit sich im Klaren ist. - Ich verstehe es vollkommen, wenn heut ein Musiker sagt "ich hasse Wagner, aber ich halte keine andre Musik mehr aus". Ich würde aber auch einen Philosophen verstehn, der erklärte: "Wagner resümirt die Modernität. Es hilft nichts, man muss erst Wagnerianer sein ... "

 

 

 

 Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900)

 

 

 

 

 

De biografische data zijn onzeker en berusten op verhalen en legenden, maar de internationale internet encyclopedie Wikipedia geeft 15 oktober 70 v. Chr. als geboortedatum van Publius Vergilius Maro. Zie ookmijn blog van 15 oktober 2006.

 

De vierde Ecloga (fragment)

 

Sicilische Muzen, laten wij nu een wat grootser gebeuren bezingen!
Niet valt bij ieder struweel in de smaak en simpele tamarisk;
als we bossen bezingen, laten die dan een consul waardig zijn.
- Nu breekt de slot-eeuw aan uit de voorspelling van Cumae:
de grote reeks tijdperken gaat opnieuw van start.

Nu keert ook de Maagd terug, en het rijk van Saturnus:
nu daalt een nieuw nageslacht neer uit de hoge hemel.
Gij, kuise Lucina, als het kind geboren wordt, waardoor eerst
het ijzeren geslacht van de aarde verdwijnt en overal een gouden volk komt,
begunstig dat dan: nu heerst al uw broeder Apollo.

- Onder uw, ja uw consulaat zal dit prachtige tijdperk beginnen,
Pollio, en zullen die grootse maanden verstrijken;
als bij zijn geboorte nog sporen resten van ons stuitend gedrag:
onder uw leiding wordt de aarde bevrijd van voortdurende vrees.
Dat kind zal het leven van goden ontvangen en helden zien omgaan

met goden, ook zelf onder hen geteld worden en heersen
over een aarde, die tot vrede gebracht is door de prestatie van zijn vader.
- Als eerste geschenken, mijn kind, zal de aarde, zonder bewerking,
overal wilde klimop, met valeriaan eromheen, laten groeien
en Indische waterroos gemengd met acanthus.

 

 

 

Vergilius (15 oktober 70 v. Chr. - 21 september 19 voor Chr.)

Vergilius tussen Clio en Melpomene. Tunis, Nationaal Museum Bardo