30-10-16

Dolce far niente, Robert Frost, Jan Van Loy, Ezra Pound, Paul Valéry, Andrew Solomon

 

Dolce far niente

 

 
October door George Inness, 1886

 

October

O hushed October morning mild,
Thy leaves have ripened to the fall;
Tomorrow's wind, if it be wild,
Should waste them all.
The crows above the forest call;
Tomorrow they may form and go.
O hushed October morning mild,
Begin the hours of this day slow.
Make the day seem to us less brief.
Hearts not averse to being beguiled,
Beguile us in the way you know.
Release one leaf at break of day;
At noon release another leaf;
One from our trees, one far away.
Retard the sun with gentle mist;
Enchant the land with amethyst.
Slow, slow!
For the grapes' sake, if the were all,
Whose elaves already are burnt with frost,
Whose clustered fruit must else be lost—
For the grapes' sake along the all.

 

 
Robert Frost (26 maart 1874 – 29 januari 1963)
Herfst in het Presidio park, San Francisco. Robert Frost werd geboren in San Francisco.

Lees meer...

30-10-15

Jan Van Loy, Fjodor Dostojevski, Ezra Pound, Paul Valéry, Georg Heym

 

De Vlaamse schrijver Jan Van Loy werd op 30 oktober 1964 geboren te Herentals, in de Antwerpse Kempen. Zie ook alle tags voor Jan Van Loy op dit blog.

Uit: Ik, Hollywood

‘Is het ver?’ vroeg hij.
‘Half uur,’ zei Mooney.
De bebouwing dunde spoedig uit en ze snelden over een lange weg van stof en steenslag tussen hoofdzakelijk ‘niets’, zoals Charlie geneigd was om landbouwgronden te noemen. Er reden bijna evenveel auto’s als rijtuigjes. Louie en Charlie hadden hun hoeden afgenomen en lieten de lauwe wind door hun haren spelen. De zon scheen en het was warm genoeg voor hemdsmouwen. Goed dat ze hun overjassen hadden verpand.
‘Is het waar dat het hier nooit regent?’ riep Louie.
‘Nee,’ zei Mooney.
Louie vond dat ze snel reden, tot ze werden ingehaald door een rode tram.
‘Waar gaan we eigenlijk heen?’ riep Charlie. ‘Het huis was toch in de stad?’
Ze zaten in een vallei, aan de horizon begrensd door een mistige heuvelkam. Of het mooi was, kon Louie niet meer zeggen, want hij had tijdens de vijfdaagse treinreis over het continent meer dan zijn portie bergen en dalen gezien.
Het was Charlies affaire met Eleanor Whitfield, enig kind van een rijke vader, die hen hierheen had gebracht. Charlie zag eruit als een heer en gedroeg zich als een heer, meestal, maar in feite was hij een niksnut uit de Bowery en hoe hij op intieme voet was geraakt met een erfgename, was Louie een raadsel.
Vader Whitfield wilde niet minder dan een halve aardbol afstand tussen de geliefden. Hij verscheepte Eleanor naar Londen, Engeland, en wilde dat Charlie minstens een jaar naar de westkust ging. Het huis van Whitfield waar hij in mocht wonen, zou na dat jaar zijn eigendom worden. Charlie tekende een contract. Het sprak vanzelf dat Louie met hem mee zou gaan.
Sinds ze voor de poort van een weeshuis waren gedropt, had Charlie zijn driejarige broer onder zijn hoede genomen. Zelf was hij toen nog maar zeven, maar van meet af aan een man. Stilaan wilde Louie ook wel als een man worden beschouwd. Die bolhoed was misschien een start.
Mooney sloeg een onverharde zijstraat in en stopte aan de kant van de weg, waar normaal een stoep zou zijn geweest. Toen de motor zweeg, waren er plots tjilpende vogels en ruisende bomen te horen. En vervolgens het tikken van afkoelend autometaal.
‘We zijn er,’ zei Mooney.”

]
 
Jan Van Loy (Herentals, 30 oktober 1964)

Lees meer...

30-10-14

Jan Van Loy, Fjodor Dostojevski, Ezra Pound, Paul Valéry, Georg Heym

 

De Vlaamse schrijver Jan Van Loy werd op 30 oktober 1964 geboren te Herentals, in de Antwerpse Kempen. Zie ook alle tags voor Jan Van Loy op dit blog.

Uit: Veertig jaar liefde

“[23 september 1961]
Lieve dochter, In de eerste plaats verontschuldig ik mij voor de aanhef, die u ongetwijfeld heeft doen schrikken. Ik ben uw ‘natuurlijke’ vader. Zo zegt men dat, geloof ik. De manier waarop ik en uw moeder u in het leven riepen, was volkomen ‘natuurlijk’. De mensen die u kent als uw ouders, zijn goede mensen die uw ouders wilden zijn, wat men noemt uw ‘civielrechtelijke’ ouders, geloof ik. Als wij de beschaving erkennen, dan hebben zij meer recht van spreken dan de natuur, maar aangezien u zeventien jaar bent, hebben zij al veel met u gesproken, vermoed ik. Nu zou ik eens iets willen zeggen.
Deze brief dient om u alles uit te leggen. Houdt hem voor uzelf. Er zijn redenen waarom hij getypt is, niet ondertekend, niet gepost waar ik woon of werk. Voorlopig kunt u mij niet terugschrijven, laat staan ontmoeten — als u dat na het lezen van deze brief nog zou willen. Het is niet veilig, in elk geval.
Schaamte heeft mij ervan weerhouden u te schrijven, maar ze is overwonnen door de drang — de plicht, zou een hypocriet zeggen — om u mee te delen waar gij vandaan komt. Hoe dan ook, ik wil u inlichten over uw ‘natuurlijke’ afkomst, die volgens de leer van de erfelijkheid bepaalt wie iemand is. ‘Opvoeding’ heeft steeds meer aanhangers, maar ik geloof niet dat ‘vlees en bloed’ de persoonlijkheid ongerept kan laten.
Als uw natuurlijke vader, ben ik dus trots wanneer ik verneem dat u één jaar vroeger dan op de gewoonlijke leeftijd gaat studeren aan de universiteit van Gent, proficiat. Ik weet ook dat gij zijt opgevoed door ‘twee simpele werkmensen’, zoals ze zichzelf zouden voorstellen en zoals ik ze mij zonder schamperheid eveneens voorstel.
Wees gerust, ik heb uw dagboek niet gelezen. Wat ik over u weet, is niet zo moeilijk te weten te komen. En ofschoon ik u heb moeten achterlaten, ben ik uw spoor altijd blijven volgen. Jawel.”

 

 
Jan Van Loy (Herentals, 30 oktober 1964)

Lees meer...

30-10-13

Jan Van Loy, Fjodor Dostojevski, Ezra Pound, Paul Valéry, Georg Heym

 

De Vlaamse schrijver Jan Van Loy werd op 30 oktober 1964 geboren te Herentals, in de Antwerpse Kempen. Zie ook alle tags voor Jan Van Loy op dit blog.

 

Uit: Bankvlees

 

‘Er is te weinig vlees om het in brokken te snijden. In de ene beker zou een brok terechtkomen, in sommige bekers twee brokken, en in andere dan weer geen enkele.’
‘Dus we geloven in de goedheid van de mens,’ zeg ik, ‘maar ook in zijn onvermijdelijke jaloezie als hij denkt dat een ander een brokje meer in zijn soep heeft.’
Erik kijkt mij aan. Zijn mond is een beetje vertrokken, bijna een glimlach. ‘Die kleine stukjes geven een betere distributie,’ zegt hij.
Tot elke prijs zal vermeden worden dat de een meer geluk heeft dan een ander. Moedeloos word ik van dat soort egalitarisme, want zelf zou ik graag meer geluk hebben dan een ander.
‘Daklozen hebben hun portie pech al gehad,’ zegt de coördinator, zelf nooit dakloos geweest.
‘Het kan ook hun eigen schuld zijn,’ zeg ik, evenmin ooit dakloos geweest.
‘Maar dat is niet onze instelling,’ zegt de glimlachende coördinator, en hij laat me zowaar zijn wijsvingertje zien, terwijl ik en niet hij sta te tranen boven de uien.
Toen ik Anja zag, had ik er geen spijt van dat ik me hier had opgegeven als vrijwilliger.
‘Waarom heb je je hier als vrijwilliger opgegeven?’ was een van haar eerste vragen.
‘Om iets te doen te hebben.”

 

 

 

Jan Van Loy (Herentals, 30 oktober 1964)

Lees meer...

30-10-12

Jan Van Loy, Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound, Paul Valéry

 

De Vlaamse schrijver Jan Van Loy werd op 30 oktober 1964 geboren te Herentals, in de Antwerpse Kempen. Zie ook alle tags voor Jan Van Loy op dit blog.

 

Uit: Ik, Hollywood

 

Anderhalve meter. Vier voet en elf duim om precies te zijn. Zo groot was de zeventienjarige Louie Peters in de eerste dagen van 1909. Hij hoopte, na twee jaar stilstand, nog altijd op een groeispurt.
‘Dag jochie,’ zei de magere man die Louie en zijn broer Charlie begroette toen ze in Los Angeles uit het Santa Fe-station kwamen.
Kabouter, keutel, onderkruipsel: roepnamen die Louie dikwijls had gehoord, maar ‘jochie’ vond hij de ergste.
‘De naam is Peters,’ zei hij. ‘Louie Peters.’
‘Mooney,’ zei de man. Net als Charlie was hij een kop en een hals groter dan Louie, die zich ‘de bediende’ die hen zou komen afhalen had voorgesteld als een hark in een apenpak. Mooney droeg een flaphoed en leunde in hemdsmouwen tegen een open auto met twee banken.
‘Dat alles?’ vroeg hij, met zijn kin wijzend naar het kartonnen koffertje onder Charlies arm.
Het was voldoende voor twee bannelingen die bijna heel hun garderobe aan hun lijf droegen. Louies grijze pak was goed voor alle seizoenen. Zijn bolhoed had hij vlak voor het vertrek bij een handkar gekocht. Hij leek er een beetje groter door, en met een pet kwam je nergens.
De hoogste panden in de omtrek hadden maar vier verdiepingen. Charlie keek om zich heen. ‘Is dit een buitenwijk?’
‘Sorry dat het niet op New York lijkt…’ zei Mooney.
Toch wel een beetje, vond Louie, want de exotische vormen van het stationsgebouw deden hem denken aan Coney Island. Hij ging in de auto naast zijn broer op de hoge achterbank zitten.

Mooney zwengelde de auto op gang, stapte in, nam zijn hoed af en gespte een stofbril om. De start verliep zonder horten of hobbelen. Het was niet de eerste keer dat Louie in een auto reed, maar dit was geen wankele motorkoets waarin men voortdurend een houvast moest zoeken. Opeens was hij vol verwachting over het huis.”

 

 

Jan Van Loy (Herentals, 30 oktober 1964)

Lees meer...

30-10-11

Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound, Paul Valéry

 

De Russische schrijver Fjodor Michajlovitsj Dostojevski werd geboren ergens tussen 30 oktober en 11 november 1821 in Sint Petersburg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Fjodor Dostojevski op dit blog.

 

Uit: Witte nachten (Vertaald door Marko Fondse)

 

„Neem hem eens van terzijde op, Nastjenka, en u zult meteen zien dat dit vreugdevolle gevoel reeds een gunstige uitwerking heeft gehad op zijn zwakke zenuwgestel en zijn ziekelijk overspannen fantasie. Kijk, zijn denken is reeds helemaal in de ban van een of ander… Wat denkt u, vertoeft hij in gedachten bij zijn avondmaal, bij de vrije avond die voor hem ligt? Wáár kijkt hij toch naar? Soms naar die deftig uitziende hier die zo’n schilderachtige buiging maakt voor die dame die in een schitterende, met snelvoetige rossen bespannen koets langs hem heen ijlt? Welnee, Nastjenka, wat kunnen dergelijke kleinigheden hem op dat moment eigenlijk schelen! Neen, momenteel is hij rijk omdat hij zijn eigen bijzondere leven leidt; hij heeft als het ware plotseling fortuin gemaakt en de laatste straal waarmee de uitdovende zon afscheid neemt heeft niet tevergeefs zo vrolijk voor hem gefonkeld en uit zijn warmgelopen hart een hele zwerm impressies te voorschijn geroepen. Op dat moment ziet hij amper de weg waarop hij loopt, hoewel er voordien op die weg niet het minste kon voorvallen, of het trof hem. Thans heeft ‘de godin fantasie’ (misschien heeft u Zjoekovski ook gelezen, Nastjenka) reeds met haar grillige hand haar gouden schering gegeven en is zij reeds doende voor zijn ogen de siermotieven van een sprookjesachtig, nog nooit geleefd bestaan aan te brengen – en wie weet, misschien heeft haar in luimen bedreven hand hem reeds opgeheven van het prachtig aangelegde granieten trottoir waarover hij huiswaarts wandelt, naar de kristallijnen zevende hemel. Probeert u hem nu maar eens staande te houden en hem opeens te vragen waar hij zich momenteel bevindt en welke straten hij is doorgekomen – dan zal zeker blijken dat hij daar niets meer van afweet, noch van waar hij geweest is, noch van waar hij momenteel is en blozend van ergernis zal hij een fatsoensleugentje verzinnen om de situatie te redden. Vandaar ook dat hij zo schrikachtig reageerde en bijna een kreet geslaakt had en ontzet om zich heenblikte, toen een allerbraafst oud vrouwtje hem op het trottoir staande hield om hem de weg te vragen. Met een frons van ergernis op zijn gezicht stapt hij verder, nauwelijks merkend dat meer dan één voorbijganger om hem moest glimlachen en hem nakijkt en dat een klein meisje, dat schuchter voor hem op zij gaat, met grote ogen staart naar de brede, contemplatieve glimlach en zijn gesticulerende handen en dat dan in lachen uitbarst.“

 

 

 


Fjodor Dostojevski (30 oktober 1821 - 9 februari 1881)

Standbeeld voor de Nationale Bibliotheek in Moskou

 

Lees meer...

29-04-11

Bjarne Reuter, Alejandra Pizarnik, Humphrey Carpenter, Kurt Pinthus

 

De Deense schrijver Bjarne Reuter werd geboren op 29 april 1950 in Brønshøj. Zie ook mijn blog van 29 april 2008en ook mijn blog van 29 april 2009en ook mijn blog van 29 april 2010.

 

Uit: Der Lügner von Umbrien (Vertaald door Knut Krüger)

 

“Der Sargdeckel glitt zu Seite. Giuseppe trocknete sich die Oberlippe. Am Geruch erkannte er, dass es sich um keine frische Leiche handelte. Das Fleisch war aufgezehrt, sodass sich die Würmer längst anderer Nahrung zugewandt hatten. Allerdings hatten die Hinterbliebenen den Sarg mit duftenden Blumen und getrockneten Kräutern versehen. Ein vielversprechendes Zeichen, welches das Entfernen der Leichenkleider zu einem umso größeren Vergnügen
machen würde.
Es handelte sich um eine Frau mittleren Alters. Klein von Gestalt mit einem wohlgeformten bräunlichen Schädel, der neben den typischen Zeichen der Syphilis eine Deformierung des Stirnbeins sowie Spuren einer gewaltigen Zahnfleischentzündung aufwies, die vermutlich auf eine falsche Quecksilberbehandlung zurückzuführen war. Giuseppe sagte sich, dass sie zu Lebzeiten schön gewesen sein musste. Obwohl nur noch die Knochen übrig waren, strahlte sie immer noch einen Rest Weiblichkeit aus.
"Das ist die einzige Frau, die du noch entkleiden darfst, alter Bock."
"Ein bisschen mehr Achtung vor den Toten, wenn ich bitten darf."
"Ach, jetzt kehrt er den Moralapostel heraus. Was hat der Teufel im Kloster zu suchen?"
"Jede Arbeit hat ihre eigene Ethik. Das solltest du wissen, Rinaldo."
"Das sagt er, der die Totenruhe stört."
"Wenn die Diebe Moral predigen, lauscht selbst der taube Bettler."
"Vorlaut und eingebildet. Du hast die Lüge schon mit der Muttermilch aufgesogen."
"Lass meine Mutter aus dem Spiel."

 

 

 
Bjarne Reuter (Brønshøj, 29 april 1950)

  

Lees meer...

30-10-10

Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound, Paul Valéry, Georg Heym, Kostas Karyotakis, Michal Ajvaz, Richard Sheridan, Phillipe Aubert de Gaspé

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 30e oktober mijn blog bij seniorennet.be

 

Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound, Paul Valéry

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 30e oktober ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.  

 

Georg Heym, Kostas Karyotakis, Michal Ajvaz, Richard Sheridan, Phillipe Aubert de Gaspé

 

30-10-09

Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound, Paul Valéry, Georg Heym, Kostas Karyotakis, Michal Ajvaz, Phillipe Aubert de Gaspé


De Russische schrijver Fjodor Michajlovitsj Dostojevski werd geboren ergens tussen 30 oktober en 11 november 1821 in Sint Petersburg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006  en ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

Uit: Aantekeningen uit het Ondergrondse

 

“Ik ben een ziek mens... Ik ben een boosaardig mens... Ik ben een weerzinwekkend mens. Ik geloof dat mijn lever aangetast is. Overigens begrijp ik niets van mijn ziekte en ik weet niet eens zeker wat ik mankeer. Ik ga daarvoor niet naar de dokter en ik heb dat ook nooit gedaan, hoewel ik de medische wetenschap en de doktoren hoogacht. Bovendien ben ik uitermate bijgelovig, in elk geval voldoende om ontzag voor de medische wetenschap te hebben. (Ik ben ontwikkeld genoeg om niet bijgelovig te zijn, maar ik ben het toch). Nee, ik weiger om uit wrok naar de dokter te gaan. Dat zult u misschien niet begrijpen. Maar ik begrijp het wel. Ik kan u natuurlijk niet duidelijk maken, wie ik in dit geval door mijn kwaadaardigheid wil straffen, ik begrijp best, dat ik de doktoren er niet mee heb als ik ze niet consulteer; ik weet beter dan wie ook, dat ik alleen mezelf, en niemand anders, benadeel. Maar toch, als ik geen dokter consulteer dan is dat alleen uit kwaadaardigheid. Mijn lever deugt niet – nou, laat het maar erger worden!

Ik leef nu al een hele tijd op die manier – twintig jaar. Ik ben nu veertig. Ik was vroeger in rijksbetrekking, maar dat ben ik nu niet meer. Ik was een kwaadaardige ambtenaar. Ik was bars en daar genoot ik van. Ik liet me niet omkopen, weet je, en ik moest me daar op z’n minst dus op een andere manier voor schadeloos stellen. (Een flauwe grap, maar ik laat hem toch staan. Toen ik hem neerschreef dacht ik dat het geestig zou klinken; maar nu ik zelf gezien heb, dat ik me alleen maar op een zielige manier heb willen aanstellen, schrap ik hem expres niet). Wanneer ik aan mijn bureau zat en er mensen met verzoeken bij me kwamen, dan knarsetandde ik tegen hen en voelde een intens genot als het me lukte ze ongelukkig te maken.

En dat lukte me bijna altijd. Het waren merendeels bedeesde mensen – vanzelfsprekend, want ze hadden een verzoek. Maar onder de praatjesmakers was met name een officier, die ik niet kon uitstaan. Hij wilde gewoon niet onderdanig zijn en rinkelde walgelijk met zijn sabel. Om die sabel heb ik anderhalf jaar met hem geruzied. Ten slotte heb ik van hem gewonnen. Hij hield op met rinkelen. Dat is trouwens nog in mijn jonge jaren gebeurd. Maar weet u, heren, wat de voornaamste reden van mijn kwaadaardigheid was? Nou, ’t hele punt, de echte pijn, lag in het feit dat ik me doorlopend, zelfs in de momenten van mijn hevigste ongenoegen, van binnen met schaamte bewust was van het feit dat ik niet alleen geen kwaadaardig, maar zelfs geen verbitterd mens was, maar dat ik de mensen zomaar angst aanjoeg, en dat ik daar plezier in had. Al schuimbek ik, maar als u me een pop brengt, als u me een kop thee met suiker geeft, dan wordt ik waarschijnlijk rustig. Het zou me misschien zelfs echt raken, hoewel ik naderhand waarschijnlijk om mijzelf zou knarsetanden van woede en maandenlang van schaamte wakker zou liggen. Zo ben ik nu eenmaal.

Ik heb dus net over me zelf gelogen toen ik zei, dat ik een kwaadaardige ambtenaar ben geweest. Ik heb uit kwaadaardigheid gelogen. Ik heb me gewoon vermaakt met die rekwestranten en met die officier, maar in werkelijkheid heb ik nooit kwaadaardig kunnen worden. Ik was mij ieder ogenblik van veel, heel veel factoren bewust die daar volstrekt tegengesteld aan waren. Ik voelde ze in me rondwoelen, die tegenstrijdige factoren. Ik wist, dat zij mijn hele leven lang in me rondgewoeld hadden, dat ze smeekten om losgelaten te worden, maar ik liet ze niet gaan, neen ik liet ze niet gaan, ik liet ze expres niet los. Ze kwelden me tot ik me ervoor schaamde: ze dreven me tot stuiptrekkingen – ze maakten me tenslotte ziek, o wat maakten ze me ziek! Denkt u, heren, dat ik op dit moment ergens berouw over heb, dat ik u voor het een of ander om vergeving vraag? Ik ben er vast van overtuigd, dat u dat denkt... Trouwens, ik kan u verzekeren, dat het me echt niets doet, als u dat denkt….”

 

 

 

 

Dostojevski
Fjodor Dostojevski (30 oktober 1821 - 9 februari 1881)

 

 

 

 

De Duitse schrijver, vertaler en literauurwetenschapper Friedhelm Rathjen werd geboren op 30 oktober 1958 in Westerholz. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

Uit: Quadratur des Kreises: wie Finnegans Wake übersetzen?

 

Der ideale Übersetzer - der alles weiß und nichts versteht - dieser ideale Übersetzer also versucht, all das, was er vom Text weiß, in seiner übersetzten Version zu reproduzieren; er schafft es natürlich nicht, aber läßt sich nicht von dem Bemühen abbringen, es zu versuchen, und die einzige Hierarchie, die er kennt und akzeptiert, ist die Hierarchie zwischen übersetzbaren und nichtübersetzbaren Anteilen seines Wissens über den Text. Der Übersetzer im Sinne Arno Schmidts hingegen - jener, der glaubt, etwas zu verstehen, weil er mit einem Lesemodell ausgerüstet ist - dieser Schmidtsche Übersetzer etabliert unvermeidlicherweise eine andere Art von Hierarchie: nämlich die Hierarchie zwischen solchen Informationen, die er versteht, und solchen Informationen, die er nicht versteht; zwischen Informationen, die sein Lesemodell stützen, und Informationen, die dem Lesemodell zuwiderlaufen; zwischen dem, was er im Joyceschen Text für wichtig hält, und dem, was er für unwichtig (oder sogar störend) hält. Es ist offensichtlich, daß ein solcher Übersetzer eben jene Hierarchie übersetzt, die er dem Text übergestülpt hat, und nicht den nichthierarchischen Joyceschen Text, auf den jeder Leser rechtens Anspruch hätte, wenn er Finnegans Wake - oder eine Übersetzung von Finnegans Wake - zum ersten Mal liest.
Die Wake-Übersetzung, um die es mir geht, ist freilich gerade nicht jene Art Lesehilfe, mit der der Übersetzer nach Arno Schmidts Meinung den Leser versorgen sollte - oder, um es noch genauer zu sagen: die mir vorschwebende Übersetzung ist eine Lesehilfe nur für jemanden, der nicht gut genug Englisch kann (bei mir selbst angefangen: ursprünglich übersetzte ich nur deshalb Teile aus dem Wake ins Deutsche, um mir selbst einen Text zu verschaffen, den ich ebenso flüssig lesen konnte wie ein muttersprachlicher englischer Leser das Original); eine Lesehilfe ist die von mir angestrebte Übersetzung aber nicht für jemanden, der etwas über Finnegans Wake erfahren will, ohne Finnegans Wake selbst zu lesen. In den Augen Arno Schmidts sah Finnegans Wake aus wie eine "Zerrgestalt", die das nötig hatte, was Schmidt eine "Entzerrung ins Deutsche" nannte. Was ich im Sinn habe, wenn ich Teile aus Finnegans Wake ins Deutsche zu bringen versuche, ist etwas gänzlich anderes und entgegengesetztes: ich will das leisten, was ich an anderer Stelle einmal "Transzerrung" genannt habe. Das soll heißen: ich will die Joycesche "Zerrgestalt" in eine Version transferieren, die deutsche Sprachbrocken hat, wo im Original englische Sprachbrocken zu finden sind, die aber ansonsten ebenso ‚verzerrt' ist wie das Original.“
 

 

 

 

Rathjen
Friedhelm Rathjen (Westerholz, 30 oktober 1958)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Ezra Pound werd geboren in Hailey, Idaho op 30 oktober 1885. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006 en ook mijn blog van 30 oktober 2007  en ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

 

Canto 1 

 

 And then went down to the ship,

Set keel to breakers, forth on the godly sea, and

We set up mast and sail on that swart ship,

Bore sheep aboard her, and our bodies also

Heavy with weeping, and winds from sternward

Bore us onward with bellying canvas,

Crice's this craft, the trim-coifed goddess.

Then sat we amidships, wind jamming the tiller,

Thus with stretched sail, we went over sea till day's end.

Sun to his slumber, shadows o'er all the ocean,

Came we then to the bounds of deepest water,

To the Kimmerian lands, and peopled cities

Covered with close-webbed mist, unpierced ever

With glitter of sun-rays

Nor with stars stretched, nor looking back from heaven

Swartest night stretched over wreteched men there.

The ocean flowing backward, came we then to the place

Aforesaid by Circe.

Here did they rites, Perimedes and Eurylochus,

And drawing sword from my hip

I dug the ell-square pitkin;

Poured we libations unto each the dead,

First mead and then sweet wine, water mixed with white flour

Then prayed I many a prayer to the sickly death's-heads;

As set in Ithaca, sterile bulls of the best

For sacrifice, heaping the pyre with goods,

A sheep to Tiresias only, black and a bell-sheep.

Dark blood flowed in the fosse,

Souls out of Erebus, cadaverous dead, of brides

Of youths and of the old who had borne much;

Souls stained with recent tears, girls tender,

Men many, mauled with bronze lance heads,

Battle spoil, bearing yet dreory arms,

These many crowded about me; with shouting,

Pallor upon me, cried to my men for more beasts;

Slaughtered the herds, sheep slain of bronze;

Poured ointment, cried to the gods,

To Pluto the strong, and praised Proserpine;

Unsheathed the narrow sword,

I sat to keep off the impetuous impotent dead,

Till I should hear Tiresias.

But first Elpenor came, our friend Elpenor,

Unburied, cast on the wide earth,

Limbs that we left in the house of Circe,

Unwept, unwrapped in the sepulchre, since toils urged other.

Pitiful spirit. And I cried in hurried speech:

"Elpenor, how art thou come to this dark coast?

"Cam'st thou afoot, outstripping seamen?"

And he in heavy speech:

"Ill fate and abundant wine. I slept in Crice's ingle.

"Going down the long ladder unguarded,

"I fell against the buttress,

"Shattered the nape-nerve, the soul sought Avernus.

"But thou, O King, I bid remember me, unwept, unburied,

"Heap up mine arms, be tomb by sea-bord, and inscribed:

"A man of no fortune, and with a name to come.

"And set my oar up, that I swung mid fellows."

 

And Anticlea came, whom I beat off, and then Tiresias Theban,

Holding his golden wand, knew me, and spoke first:

"A second time? why? man of ill star,

"Facing the sunless dead and this joyless region?

"Stand from the fosse, leave me my bloody bever

"For soothsay."

And I stepped back,

And he strong with the blood, said then: "Odysseus

"Shalt return through spiteful Neptune, over dark seas,

"Lose all companions." Then Anticlea came.

Lie quiet Divus. I mean, that is Andreas Divus,

In officina Wecheli, 1538, out of Homer.

And he sailed, by Sirens and thence outwards and away

And unto Crice.

Venerandam,

In the Cretan's phrase, with the golden crown, Aphrodite,

Cypri munimenta sortita est, mirthful, oricalchi, with golden

Girdle and breat bands, thou with dark eyelids

Bearing the golden bough of Argicidia. So that:

 

 

 

 

 

pound
Ezra Pound (30 oktober 1885 - 1 november 1972)

 

 

De Franse dichter en schrijver Paul Valéry werd geboren op 30 oktober 1871 in Sète. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006  en ook mijn blog van 30 oktober 2007  en ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

 

Le Bois amical

 

Nous avons pensé des choses pures

Côte à côte, le long des chemins,

Nous nous sommes tenus par les mains

Sans dire... parmi les fleurs obscures ;

 

Nous marchions comme des fiancés

Seuls, dans la nuit verte des prairies ;

Nous partagions ce fruit de féeries

La lune amicale aux insensés

 

Et puis, nous sommes morts sur la mousse,

Très loin, tout seuls parmi l’ombre douce

De ce bois intime et murmurant ;

 

Et là-haut, dans la lumière immense,

Nous nous sommes trouvés en pleurant

Ô mon cher compagnon de silence !

 

 

 

La Fileuse

 

Assise, la fileuse au bleu de la croisée

Où le jardin mélodieux se dodeline ;

Le rouet ancien qui ronfle l’a grisée.

 

Lasse, ayant bu l’azur, de filer la câline

Chevelure, à ses doigts si faibles évasives,

Elle songe, et sa tête petite s’incline.

 

Un arbuste et l’air pur font une source vive

Qui, suspendue au jour, délicieuse arrose

De ses pertes de fleurs le jardin de l’oisive.

 

Une tige, où le vent vagabond se repose,

Courbe le salut vain de sa grâce étoilée,

Dédiant magnifique, au vieux rouet, sa rose.

 

Mais la dormeuse file une laine isolée ;

Mystérieusement l’ombre frêle se tresse

Au fil de ses doigts longs et qui dorment, filée.

 

Le songe se dévide avec une paresse

Angélique, et sans cesse, au doux fuseau crédule,

La chevelure ondule au gré de la caresse...

 

Derrière tant de fleurs, l’azur se dissimule,

Fileuse de feuillage et de lumière ceinte :

Tout le ciel vert se meurt. Le dernier arbre brûle.

 

Ta sœur, la grande rose où sourit une sainte,

Parfume ton front vague au vent de son haleine

Innocente, et tu crois languir... Tu es éteinte

 

Au bleu de la croisée où tu filais la laine.

 

 

 

 

 

valery
Paul Valéry (30 oktober 1871 – 20 juli 1945)

 

 

 

 

De Duitse dichter Georg Heym werd geboren op 30 oktober 1887 in Hirschberg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006  en ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

 

Allerseelen

 

Wie der Wind an eurem Kleide reißt

Daß er die roten Blätter entführ.

Wie ihr frierend duldet die Ungebühr.

Kahl seid ihr bald, und bald verwaist.

 

Ein Lichtlein in euer Laub sich schmiegt.

Eins erst. Bald sind es ihrer viel.

Flackert hin, flackert her. Der Winde Spiel,

Wie der Sterbenden geifernder Atem fliegt.

 

O du Toter, nun grüßen sie dich

Zum letzten Mal. Bald hinab

Mußt du nun wieder in Winters Grab.

Warte noch, bleib, bis der Tag verwich.

 

Streife du noch in Novemberluft.

Wenn Schnee erst fällt, deckt er zu

Deinen Schlaf zu bitterer Winterrute.

Winters Stürme gehen dann über die Gruft.

 

Hinter den Bäumen steht ihr.

Ihr wärmt eure Hände.

Rot fällt der Schein auf die weiße Lende.

Bald gehn wir nun. Und einsam bleibt ihr.

 

Warum lächelt ihr? Euer Lächeln gleicht

Einem Rätsel voll Bosheit und Dunkelheit,

Wie wenn am Mittag in trüber Zeit

Der Wind über Teiche im Moore streicht.

 

Wie ein Kind an die Ohren sich schlägt,

Den Schall wiederholend, so tönt euer Laut,

Wie das Sausen, wenn dunkel der Abend graut

Und der Wind die zitternden Halme regt.

 

Ihr, die ihr nun aus Hierseins Schlafe erweckt,

Die ihr nun eins seid mit Busch und Gras,

Die den Tieren ihr gleicht, und dem, der genas

Vom Lebenswahn, in Irrsinns-Stuben versteckt,

 

Ihr, sagt mir eins, warum schleicht ihr euch her.

Ist es nicht besser, tot sein? Was steigt ihr herauf?

Drängt an die Betten der Schläfer zuhauf,

Mit Gerippen füllend der Träume Meer?

 

Ach, es muß einsam sein in des Todes Haus.

Wenn die Erde friert bis zum Grunde hart.

Und da kommt ihr nun, hohläugig starrt

Ihr nach uns. Ihr unser, wir euer Graus. 

 

 

 

 

Abend am See

 

Leis kommt die Nacht auf Dämmerwegen.

Du fühlst im Waldsee ein heimliches Regen.

Der Abendwind rauscht durch das Rohr so eigen

In des Sternengeflimmers tanzenden Reigen.

 

Still ruhn die Wogen in dem Silberschein

Des Monds, der sich erhebet wolkenrein.

Es öffnen die Seerosen ihren Silberkranz.

Ein nie geahnet Glück sie erfüllet ganz.

 

 

 

 

georg_heym
Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)

 

 

 

 

 

De Griekse dichter en schrijver Kostas Karyotakis werd geboren op 30 oktober 1896 in Tripolis. Zie  ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

 

 

My Verses

 

My verses, children of my blood.
They speak, but I supply the words
like fragments of my heart,
I offer them like tears from my eyes.

 

They go with bitter smiles
when I recount so much of life.
I girdle them with sun and day and sun
for when I'm overtaken by the night.

 

They fix the limits of the sky and earth.
And yet my sons still wonder what is missing
always bored, worn down,
the only mother they have known is Grief.

 

I pour out the laughter of the sweetest tune,
the aimless passion of the flute;
to them I am an unsuspecting king
who's lost his people's love.

 

They waste away, they fade away, yet
never cease their quiet lamentation.
Pass by, Mortal, with averted gaze;
Lethe, carry me in your boat to bathe.

 

 

 

 

Karyotakis
Kostas Karyotakis (30 oktober 1896 – 21 juli 1928)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

De Tsjechische dichter, schrijver, essayist en vertaler Michal Ajvaz werd geboren op 30 oktober 1949 in Praag.

 

De Canadese dichter en schrijver Phillipe Aubert de Gaspé werd geboren op 30 oktober 1786 in Quebec. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006.  

 

30-10-08

Ezra Pound, Fjodor Dostojevski, Georg Heym, Friedhelm Rathjen, Michal Ajvaz, Kostas Karyotakis, Paul Valéry, Phillipe Aubert de Gaspé


De Amerikaanse dichter Ezra Pound werd geboren in Hailey, Idaho op 30 oktober 1885. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006 en ook mijn blog van 30 oktober 2007.

 

 

Dance Figure

  

 

For the Marriage in Cana of Galilee

 

Dark-eyed,

O woman of my dreams,

Ivory sandalled,

There is none like thee among the dancers,

None with swift feet.

I have not found thee in the tents,

In the broken darkness.

I have not found thee at the well-head

Among the women with pitchers.

Thine arms are as a young sapling under the bark;

Thy face as a river with lights.

 

White as an almond are thy shoulders;

As new almonds stripped from the husk.

They guard thee not with eunuchs;

Not with bars of copper.

 

Gilt turquoise and silver are in the place of thy rest.

A brown robe, with threads of gold woven in

patterns, hast thou gathered about thee,

O Nathat-Ikanaie, 'Tree-at-the-river'.

 

As a rillet among the sedge are thy hands upon me;

Thy fingers a frosted stream.

 

Thy maidens are white like pebbles;

Their music about thee!

 

There is none like thee among the dancers;

None with swift feet.

 

 

 

 

 

Taking Leave of a Friend

  

 

Blue mountains to the north of the walls,

White river winding about them;

Here we must make separation

And go out through a thousand miles of dead grass.

 

Mind like a floating wide cloud,

Sunset like the parting of old acquaintances

Who bow over their clasped hands at a distance.

Our horses neigh to each others

as we are departing. 

 

 

 

 

 

These Fought in Any Case

  

 

These fought in any case,

and some believing

pro domo, in any case .....

 

Died some, pro patria,

walked eye-deep in hell

believing in old men's lies, then unbelieving

came home, home to a lie,

home to many deceits,

home to old lies and new infamy;

usury age-old and age-thick

and liars in public places.

 

Daring as never before, wastage as never before.

Young blood and high blood,

fair cheeks, and fine bodies;

 

fortitude as never before

 

frankness as never before,

disillusions as never told in the old days,

hysterias, trench confessions,

laughter out of dead bellies.

 

 

 

 

 

Pound
Ezra Pound (30 oktober 1885 - 1 november 1972)

Geschilderd door Wyndham Lewis

 

 

 

 

 

 

 

De Russische schrijver Fjodor Michajlovitsj Dostojevski werd geboren ergens tussen 30 oktober en 11 november 1821 in Sint Petersburg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006.

 

Uit: The Adolescent  (Vertaald door Richard Pevear and Larissa Volokhonsky)

 

I

 

„Unable to restrain myself, I have sat down to record this history of my first steps on life's career, though I could have done as well without it. One thing I know for certain: never again will I sit down to write my autobiography, even if I live to be a hundred. You have to be all too basely in love with yourself to write about yourself without shame. My only excuse is that I'm not writing for the same reason everyone else writes, that is, for the sake of the reader's praises. If I have suddenly decided to record word for word all that has happened to me since last year, then I have decided it as the result of an inner need: so struck I am by everything that has happened. I am recording only the events, avoiding with all my might everything extraneous, and above all--literary beauties. A literary man writes for thirty years and in the end doesn't know at all why he has written for so many years. I am not a literary man, do not want to be a literary man, and would consider it base and indecent to drag the insides of my soul and a beautiful description of my feelings to their literary marketplace. I anticipate with vexation, however, that it seems impossible to do entirely without the description of feelings and without reflections (maybe even banal ones): so corrupting is the effect of any literary occupation on a man, even if it is undertaken only for oneself. The reflections may even be very banal, because something you value yourself will quite possibly have no value in a stranger's eyes. But this is all an aside. Anyhow, here is my preface; there won't be anything more of its kind. To business; though there's nothing trickier than getting down to some sort of business--maybe even any sort.

 

II

 

I begin, that is, I would like to begin my notes from the nineteenth of September last year, that is, exactly from the day when I first met . . .

 

But to explain whom I met just like that, beforehand, when nobody knows anything, would be banal; I suppose even the tone is banal: having promised myself to avoid literary beauties, I fall into those beauties with the first line. Besides, in order to write sensibly, it seems the wish alone is not enough. I will also observe that it seems no European language is so difficult to write in as Russian. I have now reread what I've just written, and I see that I'm much more intelligent than what I've written. How does it come about that what an intelligent man expresses is much stupider than what remains inside him? I've noticed that about myself more than once in my verbal relations with people during this last fateful year and have suffered much from it.

 

Though I'm starting with the nineteenth of September, I'll still put in a word or two about who I am, where I was before then, and therefore also what might have been in my head, at least partly, on that morning of the nineteenth of September, so that it will be more understandable to the reader, and maybe to me as well.“

 

 

 

 

fyodor-dostoevsky_petersburg
Fjodor Dostojevski (30 oktober? - 9 februari 1881)

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter Georg Heym werd geboren op 30 oktober 1887 in Hirschberg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006.

 

Im kurzen Abend

 

Im kurzen Abend. Voll Wind ist die Stunde,

Und die Röte so tief und so winterlich klein.

Unsere Hand, die sich zagend gefunden,

Bald wird sie frieren und einsam sein.

 

Und die Sterne sind hoch in verblassenden Weiten

Wenige erst, auseinander gerückt.

Unsere Pfade sind dunkel, und Weiden breiten

Ihre Schatten darauf, in Trauer gebückt.

 

Schilf rauschet uns. Und die Irrwische scheinen,

Die wir ein dunkeles Schicksal erlost.

Behüte dein Herz, dann wird es nicht weinen

Unter dem fallenden Jahr ohne Trost.

 

Was dich schmerzet, ich sag es im Bösen.

Und uns quälet ein fremdes Wort.

Unsere Hände werden im Dunkel sich lösen,

Und mein Herz wird sein wie ein kahler Ort.

 

 

 

 

 

Die Messe

 

Mitte Januar 1912

 

Bei dreier Kerzen mildem Lichte

Die Leiche schläft. Und hohe Mönche gehen

Um sie herum, und legen ihre Finger

Manchmal über ihr Angesicht.

 

Froh sind die Toten, die zur Ruhe kehren

Und strecken ihre weißen Hände aus,

Den Engeln zu, die groß und schattig gehen

Mit Flügelschlagen durch das hohe Haus.

 

Nur manchmal schallt ein Weinen durch die Wände,

Ein tiefes Schluchzen wälzt sich in der Lust.

Man kreuzet ihre hageren Finger-Hände

Zum Frieden sanft auf die verhaarte Brust.

 

 

 

 

 

heymgpor
Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, vertaler en literauurwetenschapper Friedhelm Rathjen werd geboren op 30 oktober 1958 in Westerholz. Hij studeerde o.a germanistiek en Engels en werkt vanaf 1983 als literatuurcriticus. Daarnaast vertaalde hij sinds 1989 werk van Jonathan Ames, Christopher Buckley, Anthony Burgess, Richard Jefferies, James Joyce, Herman Melville, Tom Murphy, Charles Olson, Gertrude Stein, Robert Louis Stevenson, Edward Thomas en Mark Twain. Bij een groter publiek bekend is hij door zijn levensbeschrijvingen van James Joyce en Samuel Beckett in de serie „rororo-Monografien“. Zijn eigen literaire werk is bij deze productie wat op de achtergrond geraakt. In de herfts van 2007 verscheen een verzameling van zijn proza onder de titel "Vom Glück".

 

Uit: Dritte Wege

 

“JA weil so was doch noch nie jemand gemacht hatte bis dahin einen Text von dieser Länge schreiben und dabei keinen Absatz und kein Satzzeichen verwenden und im Grunde einen einzigen riesig langen Satz schreiben wo er immer so tat wie wenn er die Nachtgedanken einer einzigen Person also die nächtlichen Gedanken einer Person beim Einschlafen einer weiblichen Person wohlgemerkt aufzeichnete und das so getreulich wie man es sich besser kaum vorstellen konnte und ja nun gut da gab es den Schnitzler diesen Österreicher Arthur Schnitzler der schrieb seinen Leutnant Gustl und genau im Jahre 1900 war das ja wie um das neue Jahrhundert mit einer neuen Erzähltechnik einzuläuten der pur dargebotene Bewußtseinsstrom eines Menschen eben des Leutnants aus dem Titel wie lange wird denn das noch dauern fragt sich der Leser zu Beginn und dann immer wieder ja und dann dauert das den ganzen Text hindurch nichts anderes als Gustls innerer Monolog und das immerhin dreißig Seiten lang ja aber eben doch kräftig interpungiert und längst nicht so radikal wie beim Joyce später und außerdem die technischen Schwierigkeiten die Gestelztheiten und Bemühtheiten im Bewußtsein zu bleiben und doch alles mitzuteilen was der Leser wissen muß weil eben viel passiert rundherum und das gleiche Problem ja auch beim Dujardin ich meine diesen Franzosen den Joyce selbst ausbuddelte und später dann zum Erfinder erklärte dem Erfinder des inneren Monologs immerhin schon 1887 also dreizehn Jahre vor Schnitzler ausgerechnet dreizehn na ja und auch hier gleich die Frage nach der Dauer der Zeit die Uhr hat geschlagen sechs Uhr die erwartete Stunde und das gibts ja aber eben die Schwierigkeit wie teile ich mit was in der Außenwelt geschieht ein Hauch von Unechtheit und Joyce ja der wars dann der das Problem löste indem er nicht den Monolog pur gab sondern nur in Sprengseln als eine Art Beiseitesprechen immer zwischendurch in einem Text der ansonsten ordentlich erzählt oder dann auch zeitweise eher unordentlich aber immer schön gegeneinandermontiert innerer Monolog und Außenweltdarstellung in der einen oder anderen Weise und das siebzehn Episoden lang fast den ganzen Roman lang ja aber eben nur fast siebzehn das achtzehnte Kapitel dann als grandioser Schluß der Monolog ohne Unterbrechung und ohne alle Bemühtheiten machbar mit Erfolg Authentizität vorspiegelnd weil kein äußeres Geschehen mehr zu transportieren war denn dieses Geschehen das äußere war ja siebzehn Kapitel lang...

 

 

 

 

friedhelm_rathjen
Friedhelm Rathjen (Westerholz, 30 oktober 1958)

 

 

 

 

 

 

 

De Tsjechische dichter, schrijver, essayist en vertaler Michal Ajvaz werd geboren op 30 oktober 1949 in Praag. Hij studeerde tot 1974 aan de universiteit van Praag Tsjechische studies (taal, literatuur, cultuur en esthetiek). Vanaf 1994 werkte hij o.a. als conciërge en bewaker, vanaf 1996 tot 1999 als redacteur bij Literární noviny. Sinds 1994 is hij zelfstandig schrijver en journalist. Hij debuteerde in 1989 met de roman Vražda v hotelu Intercontinental (Duits: "Mord im Hotel Intercontinental")

 

Uit: Goldenes Zeitalter (Vertaald door Marcela Euler)

 

“Als sich der fünfzehnte Hochzeitstag näherte, kaufte er für seine Frau im Juweliergeschäft ein teures Brilliantencollier. Es war Januar. Zur Zeit war sie mit dem Sohn in Savoyen Skifahren, und in drei Tagen sollten die beiden zurückkommen. An jenem Abend arbeitete er bis spät in die Nacht in seinem Zimmer. Bevor er ins Bett ging, öffnete er das Fenster, um den Zigarettenrauch auszulüften, und betrachtete eine Weile die sich verrückt drehenden und vom Zimmerlicht beleuchteten Schneeflocken sowie den frischen Schnee auf dem schrägen Dach, in dem das Fenster eingesetzt war, dann erlosch er das Licht und ging schlafen.

Er hatte einen leichten Schlaf. In der Nacht weckte ihn ein leises Geräusch, das aus dem Nachbarzimmer kam. Durch die halbgeöffnete Tür sah er im Abglanz des reflektierenden Schnees eine schlanke Frauengestalt in einem schwarzen Arbeitsanzug, dessen Taschen sich an verschiedenen Stellen ausbeulten. Über ihrem Kopf, den sie mit einer schwarzen Maske mit drei Öffnungen für die Augen und den Mund verdeckt hatte, wehte leicht die weiße Gardine in der kalten, durch das geöffnete Fenster strömende Luft. Die schwarze Frau beugte sich über das Schränkchen, in das er am Abend das Collier hineingelegt hatte, sie tastete vorsichtig darin, und im nächsten Augenblick tauchte die Hand im schwarzen Lederhandschuh hervor und Baumgarten sah, wie von den vermummten Fingern ein dünnes, glänzendes Kettchen herunterhing. Das Bild, das er vor Augen hatte, erinnerte ihn an eine Szene aus einem schlechten Krimi. Er zog aus der Nachttischschublade einen Revolver und sprang aus dem Bett. Die schwarze Diebin sah ihn, verstaute das Collier in einer ihren Taschen, sprang auf den Fensterrahmen und verschwand. Baumgarten warf sich schnell über den Schlafanzug seinen Morgenmantel, der auf dem Sessel neben dem Bett lag, schlüpfte mit nackten Füßen in die Schuhe und kletterte aus dem Fenster auf das schräge, verschneite Dach.

Rechts von ihm stieg gelbes Licht unsichtbarer Laternen aus der Schlucht zwischen den Häusern empor wie Schwefeldämpfe aus Vulkankratern, links konnte er in der Dunkelheit und im Schneetreiben den schwarzen Antennenwald auf dem Dachfirst erkennen, vor ihm strömte auf den Schneeteppich das Licht aus dem Fenster des von der Schlaflosigkeit geplagten Nachbarn. Die schwarze Gestalt stapfte schnell durch den hohen, frischen Schnee. Die Frechheit der Diebin machte Baumgarten wütend, und so rannte er los hinter ihr her, auch wenn die Gefahr drohte, daß er in seinen Halbschuhen ausrutschen und in die Tiefe stürzen könnte, auch wenn sich seiner noch ein stärkeres und noch peinlicheres Gefühl ermächtigte, er befinde sich in einem schlechten Film, er ertappte sich sogar bei Bewegungen, welche in jenen Filmen die sich über die Dächer jagende Gestalten zu tun pflegen.”

 

 

 

 

Ajvaz
Michal Ajvaz (Praag, 30 oktober 1949)

 

 

 

 

 

 

 

 

De Griekse dichter en schrijver Kostas Karyotakis werd geboren op 30 oktober 1896 in Tripolis. In 1919 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel Ο Πόνος του Ανθρώπου και των Πραμάτων (De pijn van mensen en van dingen). In hetzelfde jaar startte hij de uitgave van een satirisch tijdschrift, dat echter na zes verschijningen werd verboden. In 1921 verscheen zijn tweede bundel onder de titel Νηπενθή

(Pijnstillers). In 1927 gaf hij zijn laatste dichtbundel uit Ελεγεία και Σάτιρες (Elegieën en satiren). Karyotakis werkte voor verschillende ministeries. In 1928 werd hij secretaris-generaal van de Vereniging van Atheense ambtenaren. Wegens door hem geautoriseerde kritiek op een minister moest hij een paar van standplaats wisselen. Mikis Theodorakis heeft verschillende van zijn gedichten op muziek gezet.

 

 

Ballade

 

to the forgotten poets of the ages

 

Detested by both men and gods,

like nobles who have bitterly decayed,

the Verlaines wither; wealth remains

to them, of rich and silvery rhyme.

With "Les Chatiments" the Hugos are intoxicated

by their terrible Olympian revenge.

But I shall write a sorrowful

ballade to the forgotten poets.

 

Though the Poes have lived in misery,

and though the Baudelaires have suffered living deaths,

they ve all been granted Immortality.

Yet no-one now remembers,

and the deepest darkness has completely buried,

every poetaster who produced limp poetry.

But I make as an offering this reverent

ballade to the forgotten poets.

 

The world's disdain is heaped on them,

but they pass by, unyielding, pallid,

sacrifices to the tragic fraud that

out there somewhere Glory waits for them,

that wise and merry virgin.

But knowing that they re all due for oblivion,

I weep nostalgically this sorrowful

ballade to the forgotten poets.

 

And off in some far future epoch:

"What forgotten poet" I should like it to be asked

"has written such a beggarly

ballade to the forgotten poets?"

 

 

 

 

WAS SOLL ICH DIR ENTGEGNEN, HERBST ...

 

Was soll ich dir entgegnen, Herbst, der aufweht von den Lichtern

der Stadt und bis zum Himmel reicht und seinen Wolkenscharen?

Hymnen, Symbole, schon bekannt, und Regelwerk von Dichtern

streuen kühle Geistesblüten wie aus Laub in deinen Haaren.

Indem du schreitest, kaiserliches Spektrum und Gigant,

Auf dem Pfad der Bitterkeit und der sammelnden Gestalt,

kehrst du mit deiner Stirn die Sterne, und gleich mit dem Rand

deines Umhangs aus Gold die Blätter rings auf dem Asphalt.

Du bist der Engel des Verfalls, der Herr in Todestagen,

der Schatten, der phantastische und weite Schritte treibt,

der langsam mit den Flügeln schlägt, die aus den Schultern ragen,

und gegen alle Horizonte Fragezeichen schreibt ...

Ich sehnte mich, zitternder Herbst, nach diesen Stundenläufen,

den Bäumen dieses Waldes, nach der Büste Einsamkeit.

Und da sich Zweige, Früchte, auf den nassen Boden häufen,

kam ich und hab mich deinem heilig Ungestüm geweiht.

 

 

 

Vertaal door Maria Oikonomou-Meurer en Ulrich Meurer

 

 

 

 

 

kariotakis
Kostas Karyotakis (30 oktober 1896 – 21 juli 1928)

 

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Paul Valéry werd geboren op 30 oktober 1871 in Sète. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006  en ook mijn blog van 30 oktober 2007.

 

 

Le cimetière marin

 

Ce toit tranquille, où marchent des colombes,

Entre les pins palpite, entre les tombes;

Midi le juste y compose de feux

La mer, la mer, toujours recommencée

O récompense après une pensée

Qu'un long regard sur le calme des dieux!

 

 

Quel pur travail de fins éclairs consume

Maint diamant d'imperceptible écume,

Et quelle paix semble se concevoir!

Quand sur l'abîme un soleil se repose,

Ouvrages purs d'une éternelle cause,

Le temps scintille et le songe est savoir.

 

Stable trésor, temple simple à Minerve,

Masse de calme, et visible réserve,

Eau sourcilleuse, Oeil qui gardes en toi

Tant de sommeil sous une voile de flamme,

O mon silence! . . . Édifice dans l'âme,

Mais comble d'or aux mille tuiles, Toit!

 

Temple du Temps, qu'un seul soupir résume,

À ce point pur je monte et m'accoutume,

Tout entouré de mon regard marin;

Et comme aux dieux mon offrande suprême,

La scintillation sereine sème

Sur l'altitude un dédain souverain.

 

Comme le fruit se fond en jouissance,

Comme en délice il change son absence

Dans une bouche où sa forme se meurt,

Je hume ici ma future fumée,

Et le ciel chante à l'âme consumée

Le changement des rives en rumeur.

 

Beau ciel, vrai ciel, regarde-moi qui change!

Après tant d'orgueil, après tant d'étrange

Oisiveté, mais pleine de pouvoir,

Je m'abandonne à ce brillant espace,

Sur les maisons des morts mon ombre passe

Qui m'apprivoise à son frêle mouvoir.

 

L'âme exposée aux torches du solstice,

Je te soutiens, admirable justice

De la lumière aux armes sans pitié!

Je te tends pure à ta place première,

Regarde-toi! . . . Mais rendre la lumière

Suppose d'ombre une morne moitié.

 

O pour moi seul, à moi seul, en moi-même,

Auprès d'un coeur, aux sources du poème,

Entre le vide et l'événement pur,

J'attends l'écho de ma grandeur interne,

Amère, sombre, et sonore citerne,

Sonnant dans l'âme un creux toujours futur!

 

Sais-tu, fausse captive des feuillages,

Golfe mangeur de ces maigres grillages,

Sur mes yeux clos, secrets éblouissants,

Quel corps me traîne à sa fin paresseuse,

Quel front l'attire à cette terre osseuse?

Une étincelle y pense à mes absents.

 

Fermé, sacré, plein d'un feu sans matière,

Fragment terrestre offert à la lumière,

Ce lieu me plaît, dominé de flambeaux,

Composé d'or, de pierre et d'arbres sombres,

Où tant de marbre est tremblant sur tant d'ombres;

La mer fidèle y dort sur mes tombeaux!

 

Chienne splendide, écarte l'idolâtre!

Quand solitaire au sourire de pâtre,

Je pais longtemps, moutons mystérieux,

Le blanc troupeau de mes tranquilles tombes,

Éloignes-en les prudentes colombes,

Les songes vains, les anges curieux!

 

Ici venu, l'avenir est paresse.

L'insecte net gratte la sécheresse;

Tout est brûlé, défait, reçu dans l'air

A je ne sais quelle sévère essence . . .

La vie est vaste, étant ivre d'absence,

Et l'amertume est douce, et l'esprit clair.

 

Les morts cachés sont bien dans cette terre

Qui les réchauffe et sèche leur mystère.

Midi là-haut, Midi sans mouvement

En soi se pense et convient à soi-même

Tête complète et parfait diadème,

Je suis en toi le secret changement.

 

Tu n'as que moi pour contenir tes craintes!

Mes repentirs, mes doutes, mes contraintes

Sont le défaut de ton grand diamant! . . .

Mais dans leur nuit toute lourde de marbres,

Un peuple vague aux racines des arbres

A pris déjà ton parti lentement.

 

Ils ont fondu dans une absence épaisse,

L'argile rouge a bu la blanche espèce,

Le don de vivre a passé dans les fleurs!

Où sont des morts les phrases familières,

L'art personnel, les âmes singulières?

La larve file où se formaient les pleurs.

 

Les cris aigus des filles chatouillées,

Les yeux, les dents, les paupières mouillées,

Le sein charmant qui joue avec le feu,

Le sang qui brille aux lèvres qui se rendent,

Les derniers dons, les doigts qui les défendent,

Tout va sous terre et rentre dans le jeu!

 

Et vous, grande âme, espérez-vous un songe

Qui n'aura plus ces couleurs de mensonge

Qu'aux yeux de chair l'onde et l'or font ici?

Chanterez-vous quand serez vaporeuse?

Allez! Tout fuit! Ma présence est poreuse,

La sainte impatience meurt aussi!

 

Maigre immortalité noire et dorée,

Consolatrice affreusement laurée,

Qui de la mort fais un sein maternel,

Le beau mensonge et la pieuse ruse!

Qui ne connaît, et qui ne les refuse,

Ce crâne vide et ce rire éternel!

 

Pères profonds, têtes inhabitées,

Qui sous le poids de tant de pelletées,

Êtes la terre et confondez nos pas,

Le vrai rongeur, le ver irréfutable

N'est point pour vous qui dormez sous la table,

Il vit de vie, il ne me quitte pas!

 

Amour, peut-être, ou de moi-même haine?

Sa dent secrète est de moi si prochaine

Que tous les noms lui peuvent convenir!

Qu'importe! Il voit, il veut, il songe, il touche!

Ma chair lui plaît, et jusque sur ma couche,

À ce vivant je vis d'appartenir!

 

Zénon! Cruel Zénon! Zénon d'Êlée!

M'as-tu percé de cette flèche ailée

Qui vibre, vole, et qui ne vole pas!

Le son m'enfante et la flèche me tue!

Ah! le soleil . . . Quelle ombre de tortue

Pour l'âme, Achille immobile à grands pas!

 

Non, non! . . . Debout! Dans l'ère successive!

Brisez, mon corps, cette forme pensive!

Buvez, mon sein, la naissance du vent!

Une fraîcheur, de la mer exhalée,

Me rend mon âme . . . O puissance salée!

Courons à l'onde en rejaillir vivant.

 

Oui! grande mer de délires douée,

Peau de panthère et chlamyde trouée,

De mille et mille idoles du soleil,

Hydre absolue, ivre de ta chair bleue,

Qui te remords l'étincelante queue

Dans un tumulte au silence pareil

 

Le vent se lève! . . . il faut tenter de vivre!

L'air immense ouvre et referme mon livre,

La vague en poudre ose jaillir des rocs!

Envolez-vous, pages tout éblouies!

Rompez, vagues! Rompez d'eaux réjouies

Ce toit tranquille où picoraient des focs!

 

 

 

 

 

paul_valery
Paul Valéry (30 oktober 1871 – 20 juli 1945)

 

 

 

 

 

De Canadese dichter en schrijver Phillipe Aubert de Gaspé werd geboren op 30 oktober 1786 in Quebec. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006.   

 

Uit: Les Anciens Canadiens

 

Ce chapitre peut, sans inconvénient, servir en partie de préface; car je n’ai nullement l’intention de composer un ouvrage secundum artem, encore moins de me poser en auteur classique. Ceux qui me connaissent seront sans doute surpris de me voir commencer le métier d’auteur à soixante et seize ans; je leur dois une explication. Quoique fatigué de toujours lire, à mon âge, sans grand profit ni pour moi ni pour autrui, je n’osais cependant passer le Rubicon; un incident assez trivial m’a décidé.

Un de mes amis, homme de beaucoup d’esprit, que je rencontrai, l’année dernière, dans la rue Saint-Louis de cette bonne ville de Québec, me saisit la main d’un air empressé, en me disant: « Heureux de vous voir; j’ai conversé ce matin avec onze personnes; eh bien, mon cher, tous êtres insignifiants! pas une idée dans la caboche! » Et il me secouait le bras à me le disloquer.

– Savez-vous, lui dis-je, que vous me rendez tout fier; car je vois, à votre accueil chaleureux, que je suis l’exception, l’homme que vous attendiez pour...

 

– Eh oui! mon cher, fit-il sans me permettre d’achever ma phrase, ce sont les seules paroles spirituelles que j’aie entendues ce matin.

Et il traversa la rue pour parler à un client qui se rendait à la cour, son douzième imbécile, sans doute.

– Diable! pensais-je, il paraît que les hommes d’esprit ne sont pas difficiles, si c’est de l’esprit que je viens de faire: j’en ai alors une bonne provision; je ne m’en étais pourtant

jamais douté. Tout fier de cette découverte, et en me disant à moi-même que j’avais plus d’esprit que les onze imbéciles dont m’avait parlé mon ami, je vole chez mon libraire, j’achète une rame de papier foolscap (C’est-à-dire, peut-être, papier-bonnet ou tête de fou, comme il plaira au traducteur), et je me mets à l’oeuvre.

J’écris pour m’amuser, au risque de bien ennuyer le lecteur qui aura la patience de lire ce volume; mais comme je suis d’une nature compatissante, j’ai un excellent conseil à donner à ce cher lecteur: c’est de jeter promptement le malencontreux livre, sans se donner la peine de le critiquer: ce serait lui accorder trop d’importance, et, en outre, ce serait un labeur inutile pour le critiquer de bonne foi car, à

l’encontre de ce vieil archevêque de Grenade dont parle Gil Blas, si chatouilleux à l’endroit des homélies, je suis, moi, de bonne composition et, au lieu de dire à ce cher critique: « Je vous souhaite toutes sortes de prospérités avec plus de goût », j’admettrai franchement qu’il y a mille défauts dans ce livre, et que je les connais.“

 

 

 

 

PhilippeAubert
Phillipe Aubert de Gaspé (30 october 1786 – 29 januari 1871)

 

 

 

30-10-07

Ezra Pound, Paul Valéry, Fjodor Dostojevski, Georg Heym, Phillipe Aubert de Gaspé


De Amerikaanse dichter Ezra Pound werd geboren in Hailey, Idaho op

30 oktober 1885. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006.

 

Canto 49

 

For the seven lakes, and by no man these verses:
Rain; empty river; a voyage,
Fire from frozen cloud, heavy rain in the twilight
Under the cabin roof was one lantern.
The reeds are heavy; bent;
and the bamboos speak as if weeping.

Autumn moon; hills rise about lakes
against sunset
Evening is like a curtain of cloud,
a blurr above ripples; and through it
sharp long spikes of the cinnamon,
a cold tune amid reeds.
Behind hill the monk's bell
borne on the wind.
Sail passed here in April; may return in October
Boat fades in silver; slowly;
Sun blaze alone on the river.

Where wine flag catches the sunset
Sparse chimneys smoke in the cross light

Comes then snow scur on the river
And a world is covered with jade
Small boat floats like a lanthorn,
The flowing water closts as with cold. And at San Yin
they are a people of leisure.

Wild geese swoop to the sand-bar,
Clouds gather about the hole of the window
Broad water; geese line out with the autumn
Rooks clatter over the fishermen's lanthorns,

A light moves on the north sky line;
where the young boys prod stones for shrimp.
In seventeen hundred came Tsing to these hill lakes.
A light moves on the South sky line.

State by creating riches shd. thereby get into debt?
Thsi is infamy; this is Geryon.
This canal goes still to TenShi
Though the old king built it for pleasure

K E I M E N R A N K E I
K I U M A N M A N K E I
JITSU GETSU K O K W A
T A N FUKU T A N K A I

Sun up; work
sundown; to rest
dig well and drink of the water
dig field; eat of the grain
Imperial power is? and to us what is it?

The fourth; the dimension of stillness.
And the power over wild beasts.

 

 

 

 

 

 

Ezra
Ezra Pound (30 oktober 1885 - 1 november 1972)

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Paul Valéry werd geboren op 30 oktober

1871 in Sète. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006.

 

 

Anne

 

Anne qui se mélange au drap pale et délaisse

Des cheveux endormis sur ses yeux mal ouverts

Mire ses bras lointains tournés avec mollesse

Sur la peau sans couleur du ventre découvert.

 

Elle vide, elle enfle d'ombre sa gorge lente,

Et comme un souvenir pressant ses propres chairs,

Une bouche brisée et pleine d'eau brûlante

Roule le goût immense et le reflet des mers.

 

Enfin désemparée et libre d'être fraîche,

La dormeuse déserte aux touffes de couleur

Flotte sur son lit blême, et d'une lèvre sèche,

Tête dans la ténebre un souffle amer de fleur.

 

Et sur le linge où l'aube insensible se plisse,

Tombe, d'un bras de glace effleuré de carmin,

Toute une main défaite et perdant le délice

A travers ses doigts nus dénoués de l'humain.

 

Au hasard! A jamais, dans le sommeil sans hommes

Pur des tristes éclairs de leurs embrassements,

Elle laisse rouler les grappes et les pommes

Puissantes, qui pendaient aux treilles d'ossements,

 

Qui riaient, dans leur ambre appelant les vendanges,

Et dont le nombre d'or de riches mouvements

Invoquait la vigueur et les gestes étranges

Que pour tuer l'amour inventent les amants...

 

 

 
vale008_p01
Paul Valéry (30 oktober 1871 – 20 juli 1945)
 

Voor onderstaande schrijvers zie ook mijn blog van 30 oktober 2006.

 

De Russische schrijver Fjodor Michajlovitsj Dostojevski werd geboren

ergens tussen 30 oktober en 11 november 1821 in Sint Petersburg

 

De Duitse dichter Georg Heym werd geboren op 30 oktober 1887 in

Hirschberg.

 

De Canadese schrijver Phillipe Aubert de Gaspé werd geboren op 30

oktober 1786 in Quebec.

 

 

30-10-06

Ezra Pound, Paul Valéry, Fjodor Dostojevski, Georg Heym, Aubert de Gaspé


Ezra Pound werd geboren in Hailey, Idaho op 30 oktober 1885, maar groeide op in Wyncote, Philadelphia. Op de universiteit van Pennsylvania koos hij als hoofdvak Romaanse talen en verslond Homeros, Ovidius, Dante en Italiaanse Renaissancedichters. Na de voltooing van zijn studies gaf hij een tijdje les aan het college van Wabash in Crawfordsville (Indiana), maar stopte na een jaar en vertrok naar Europa, waar hij rondreisde en werkte als freelance journalist voor verschillende kranten. Na de publicatie van zijn eerste gedichtenbundel, “A Lume Spento” (1908), vestigde Pound zich in Londen, een stad die hij beschouwde als de meest passende stad voor een dichter. In snelle opeenvolging verschenen nieuwe bundels en Pound raakte ook bevriend met andere dichters en schrijvers. Samen met collega-dichters T. E. Hulme en Richard Aldington stichtte hij het “Imagisme”, een beweging waarin het directe, concrete beeld centraal stond.

Na een meningverschil met de Amerikaanse dichteres Amy Lowell, waarna Pound aan de beweging refereerde als “Amygism”, verloor de dichter zijn interesse in de imagistische poëtica en stampte, samen met Wyndham Lewis, een nieuwe beweging uit de grond. Het Vorticisme was gebaseerd op de idee dat het gedicht een wervelstorm van beelden, stemmen en geschiedenissen was. Pound en Lewis gaven ook een bijhorend tijdschrift uit (“Blast”), maar dat zou vanwege het losbarsten van WO I slechts twee keer verschijnen.

 

In the Old Age of the Soul

 

I do not choose to dream; there cometh on me
Some strange old lust for deeds.
As to the nerveless hand of some old warrior
The sword-hilt or the war-worn wonted helmet
Brings momentary life and long-fled cunning,
So to my soul grown old -
Grown old with many a jousting, many a foray,
Grown old with namy a hither-coming and hence-going -
Till now they send him dreams and no more deed;
So doth he flame again with might for action,
Forgetful of the council of elders,
Forgetful that who rules doth no more battle,
Forgetful that such might no more cleaves to him
So doth he flame again toward valiant doing.

 

 

Sub mare

 

It is, and is not, I am sane enough,
Since you have come this place has hovered round me,
This fabrication built of autumn roses,
Then there's a goldish colour, different.

And one gropes in these things as delicate
Algæ reach up and out, beneath
Pale slow green surgings of the underwave,
'Mid these things older than the names they have,
These things that are familiears of the god.

 

 

 

Pound
Ezra Pound (30 oktober 1885 - 1 november 1972)

 

Paul Valéry werd geboren op 30 oktober 1871 in Sète. Hij studeerde rechten in Montpellier. In 1894 (hij schreef toen al lang gedichten) ging hij naar Parijs waar hij Gide en Mallarmé leerde kennen. De laatste werd zijn grote voorbeeld. In 1897 kreeg hij een aanstelling als redacteur bij het ministerie van oorlog. In 1900 werd hij privésecretaris van een rijke industrieel tot hij korte tijd later van zijn pen kon leven. Hij schreef vooral essays over culturele, filosofische en literatuurtheoretische thema’s, maar steeds ook weer poëzie. Na een symbolistisch begin ontwikkelde zijn werk zich steeds meer richting de "poésie pure". Rond 1920 gold hij als de grootste Franse dichter en stond hij ook in hoog aanzien bij het overige intellectuele Europa. In 1925 werd hij opgenomen in de Académie Francaise. Valérys belangrijkste werken zijn La jeune Parque (1917) en Charmes (1922).

Les Pas

Tes pas, enfants de mon silence,
Saintement, lentement placés,
Vers le lit de ma vigilance
Procèdent muets et glacés.
 
Personne pure, ombre divine,
Qu’ils sont doux, tes pas retenus
 !
Dieux
 !... tous les dons que je devine
Viennent à moi sur ces pieds nus
 !
 
Si, de tes lèvres avancées,
Tu prépares pour l’apaiser,
À l’habitant de mes pensées
La nourriture d’un baiser,
 
Ne hâte pas cet acte tendre,
Douceur d’être et de n’être pas,
Car j’ai vécu de vous attendre,
Et mon cœur n’était que vos pas.

 

Les Grenades

 

Dures grenades entrouvertes
Cédant à l’excès de vos grains,
Je crois voir des fronts souverains
Éclatés de leurs découvertes
 !
 
Si les soleils par vous subis,
Ô grenades entre-bâillées,
Vous ont fait d’orgueil travaillées
Craquer les cloisons de rubis,
 
Et que si l’or sec de l’écorce
À la demande d’une force
Crève en gemmes rouges de jus,
 
Cette lumineuse rupture
Fait rêver une âme que j’eus
De sa secrète architecture.

 

 

 

 

valery
Paul Valéry (30 oktober 1871 – 20 juli 1945)

 

Fjodor Michajlovitsj Dostojevski werd geboren ergens tussen 30 oktober en 11 november 1821 in Sint Petersburg. In 1821 verhuisde het gezin Dostojevski sr. naar het Marinski-Ziekenhuis voor de Armen, een filantropische instelling waar ze gingen wonen, en waar Fjodor, een van de zeven kinderen, werd geboren. Hij groeide op in een gezin met privé-personeel. In 1831 kocht dokter Dostojevski een vervallen dorpje, met honderd mannelijke lijfeigenen, niet alleen om te kunnen overheersen, maar ook om zijn gezin 's zomers frisse lucht en vrijheid te bieden. Terug thuis moest er hard worden gestudeerd. Vader Dostojevski gaf zelf Latijn, met de 'ijzeren drill'. In 1837 vertrok het gezin naar Sint Petersburg.

Op zestienjarige leeftijd verloor Fjodor zijn moeder aan TBC, en moest hij naar de militaire academie, die hij drie jaar lang verafschuwde. Dostojevski's vader werd twee jaar nadat hij uit dienst trad op een klein landgoed van Moskou door een groep lijfeigenen vermoord, uit wraak voor de slechte behandeling. Na de militaire ingenieursschool in Sint Petersburg nam Dostojevski actieve dienst als tekenaar bij het Petersburgse ingenieurscommando of corps van de genie. Een jaar later werd hij ontslagen, maar ondertussen was hij begonnen met het vertalen van werken van Honoré de Balzac en George Sand. Hij kreeg een aanstelling als officier, maar in 1844 nam hij ontslag om zich geheel aan het schrijven te wijden. Met zijn eerste roman, Arme mensen, verschenen in 1845, oogstte hij al meteen succes. Kort daarop schreef hij een tweede roman, De dubbelganger, die in 1846 verscheen.

De beide delen van de roman De gebroeders Karamazov  werden in 1879 en 1880 gepubliceerd. Een van de meest aansprekende onderdelen van de roman is De groot-inquisiteur, grotendeels een uiterst scherpe (schijnbare) dialoog tussen de groot-inquisiteur van Sevilla en Jezus Christus.

 

Uit: De groot-inquisiteur (De gebroeders Karamazov)

 

„... Nein, es verlangte Ihn, wenn auch nur für sehr kurze Zeit, seine Kinder zu besuchen, und zwar vor allem dort, wo gerade die Scheiterhaufen der Ketzer prasselten. Nun wandelt Er in seiner unermeßlichen Barmherzigkeit noch einmal unter den Menschen in eben jener Menschengestalt, in der Er fünfzehn Jahrhunderte früher dreiunddreißig Jahre unter ihnen geweilt hat. Er steigt hinab auf die heißen Straßen und Plätze der südlichen Stadt, wo erst tags zuvor in Gegewart des Königs, des Hofes, der Ritter, der Kardinäle und der reizenden Damen des Hofes sowie der ganzen zahlreichen Einwohnerschaft von Sevilla auf Geheiß des Kardianal-Großinquisitors in einem Zug fast hundert Ketzer ad majorem gloriam Dei verbrannt worden sind. Er erscheint still und unauffällig, und siehe da, es geschieht etwas Seltsames. Alle erkennen Ihn. Die Volksmenge strebt mit unwiderstehlicher Gewalt zu Ihm hin, umringt Ihn, folgt Ihm. Schweigend, mit einem stillem Lächeln unendlichen Mitleids, wandelt Er unter Ihnen. Die Sonne der Liebe brennt in seinem Herzen, Strahlen von Licht, Aufklärung und Kraft gehen von seinen Augen aus, ergießen sich auf die Menschen und erschütern ihre Herzen in Gegenliebe. Er streckt die Hände nach ihnen aus und segnet sie, und von seiner Berührung, ja sogar von der Berührung seines Gewandes geht eine heilende Kraft aus. Da ruft aus der Menge eine Greis, der von seiner Kindheit an blind ist: ,Herr, heile mich, damit auch ich dich schaue!` Und siehe da, es fällt ihm wie Schuppen von den Augen, und der Blinde sieht Ihn. Das Volk weint und küßt die Erde, über die Er dahinschreitet. Die Kinder streuen vor Ihm Blumen auf den Weg, singen und rufen ,Hosianna! Das ist Er, das ist Er selbst! Das muß Er sein niemand anders!` Er bleibt am Portal des Domes von Sevilla stehen, gerade in dem Augenblick, wo ein offener weißer Kindersarg unter Weinen und Wehklagen hineingetragen wird; darin liegt ein siebejähriges Mädchen, die einzige Tochter eines angesehenen Bürgers. Das tote Kind ist ganz in Blumen gebettet. ,Er wird dein Kind auferwecken`, ruft man der weinenden Mutter aus der Menge zu. Ein Pater des Doms, der herauskommt, um den Sarg in Empfang zu nehmen, macht ein erstauntes Gesicht und zieht die Augenbrauen zusammen.“  (Vertaling: Udo Schwarz)

 

 

DOSTOEVSKY
Fjodor Dostojevski (30 oktober? - 9 februari 1881)

 

Georg Heyms leven was kort. Hij werd geboren op 30 oktober 1887 in Hirschberg als zoon van een Pruisisch advocaat en leefde op gespannen voet met zijn vader, de kerk en de school. Zijn vader verplichtte hem in 1907 recht te studeren, wat hij eerst in Würzburg, vervolgens in Berlijn en dan in Jena deed. Hij had al verschillende gedichten geschreven, telkens in imitatie van de grote dichters uit de Klassik en de Romantiek. In 1908 ondernam hij een paar pogingen tot het schrijven van toneel, geïnspireerd door Grabbe en Kleist, wat zijn drang naar het excentrieke typeert. In Berlijn kwam hij in contact met de Neuer Club, een collectief dat aan vernieuwend cabaret deed en waartoe ook Lasker-Schüler en van Hoddis behoorden. In 1910 werd hij lid. De gedichten die hij in deze club schreef, staan aan de wieg van het expressionisme.

Heym haatte de burgerlijke staat waarin hij leefde en de kunst (of het gebrek daaraan) die ze voortbracht; nadat hij in 1911 zijn studies had beëindigd, wilde hij tolk voor Oosterse talen aan het hof worden, maar hij stelde zich kandidaat voor een officierspost, in de hoop het land te kunnen verlaten. Hij kreeg begin januari 1912 bevestiging dat er een post in Metz vrij was. Op de 16de januari ging hij met zijn vriend Ernst Balcke schaatsen op de Havel, waarbij deze door het ijs zakte. Toen Heym hem poogde te redden, verdronken ze allebei.

Berlin II

 

Der hohe Straßenrand, auf dem wir lagen,
War weiß von Staub. Wir sahen in der Enge
Unzählig: Menschenströme und Gedränge,
Und sahn die Weltstadt fern im Abend ragen.

Die vollen Kremser fuhren durch die Menge,
Papierne Fähnchen waren drangeschlagen.
Die Omnibusse, voll Verdeck und Wagen.
Automobile, Rauch und Huppenklänge.

Dem Riesensteinmeer zu. Doch westlich sahn
Wir an der langen Straße Baum an Baum,
Der blätterlosen Kronen Filigran.

Der Sonnenball hing groß am Himmelssaum.
Und rote Strahlen schoß des Abends Bahn.
Auf allen Köpfen lag des Lichtes Traum.

 

 

Der herbstliche Garten

Der Ströme Seelen, der Winde Wesen
Gehet rein in den Abend hinunter,
In den schilfigen Buchten, wo herber und bunter
Die brennenden Wälder im Herbste verwesen.

Die Schiffe fahren im blanken Scheine,
Und die Sonne scheidet unten im Westen,
Aber die langen Weiden mit traurigen Ästen
Hängen über die Wasser und Weine.

In der sterbenden Gärten Schweigen,
In der goldenen Bäume Verderben
Gehen die Stimmen, die leise steigen
In dem fahlen Laube und fallenden Sterben.

Aus gestorbener Liebe in dämmrigen Stegen
Winket und wehet ein flatterndes Tuch,
Und es ist in den einsamen Wegen
Abendlich kühl, und ein welker Geruch.

Aber die freien Felder sind reiner
Da sie der herbstliche Regen gefegt.
Und die Birken sind in der Dämmerung kleiner,
Die ein Wind in leiser Sehnsucht bewegt.

Und die wenigen Sterne stehen
Über den Weiten in ruhigem Bilde.
Laßt uns noch einmal vorübergehen,
Denn der Abend ist rosig und milde.

 

 

 

 

GEORGHEYM
Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)

 

De Canadese schrijver Phillipe Aubert de Gaspé werd geboren op 30 oktober 1786 in Quebec. Zijn familie was in 1693 door Lodewijk XIV in de adelstand verheven. de Gaspé studeerde rechten en in 1811 werd hij advocaat. Hij maakte ook als militair carrière en werd uiteindelijk zelfs sherrif van het district Quebec. Malversaties en schulden leverden hem echter een gevangenisstraf van drie jaar op. Hij trok zich daarna terug in Saint-Jean-Port-Joli, waar zijn familie vandaan kwam en voltooide er op 57-jarige leeftijd een roman, Les Anciens Canadiens. Het boek is bijna geheel op feiten gebaseerd en illustreert de Canadese nationale tradities. De schrijver vervlechtte zijn autobiografie met de ontwikkelingen en moeilijkheden van het Franstalige Canada, waar hij zelf ooggetuige van geweest is. Het maakte hem tot de eerste romancier van Quebec.

Uit: Les Anciens Canadiens.

 

– Eh oui! mon cher, fit-il sans me permettre d’achever ma

phrase, ce sont les seules paroles spirituelles que j’aie

entendues ce matin.

Et il traversa la rue pour parler à un client qui se rendait à

la cour, son douzième imbécile, sans doute.

– Diable! pensais-je, il paraît que les hommes d’esprit ne

sont pas difficiles, si c’est de l’esprit que je viens de faire:

j’en ai alors une bonne provision; je ne m’en étais pourtant

jamais douté.

Tout fier de cette découverte, et en me disant à moi-même

que j’avais plus d’esprit que les onze imbéciles dont m’avait

parlé mon ami, je vole chez mon libraire, j’achète une rame

de papier foolscap (C’est-à-dire, peut-être, papier-bonnet ou

tête de fou, comme il plaira au traducteur), et je me mets à

l’oeuvre.

J’écris pour m’amuser, au risque de bien ennuyer le

lecteur qui aura la patience de lire ce volume; mais comme je

suis d’une nature compatissante, j’ai un excellent conseil à

donner à ce cher lecteur: c’est de jeter promptement le

malencontreux livre, sans se donner la peine de le critiquer:

ce serait lui accorder trop d’importance, et, en outre, ce serait

un labeur inutile pour le critiquer de bonne foi car, à

l’encontre de ce vieil archevêque de Grenade dont parle Gil

Blas, si chatouilleux à l’endroit des homélies, je suis, moi, de

bonne composition et, au lieu de dire à ce cher critique: « Je

vous souhaite toutes sortes de prospérités avec plus de goût »,

j’admettrai franchement qu’il y a mille défauts dans ce livre,

et que je les connais.

 

 

 

 

Gaspe
Phillipe Aubert de Gaspé
(30 october 1786 – 29 januari 1871)