26-01-14

Bhai, Rudolf Alexander Schröder, François Coppée, Eugène Sue, Jochen Missfeldt

 

De Surinaamse dichter Bhai (eig.James Ramlall) werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname. Zie ook alle tags voor Bhai op dit blog.

 

ma-beta
(Moeder en Zoon)

Blank
is het rijstveld.
Een slanke vrouw
met bibit in d'r hand

Mááaaa............!

De stilte verbroken;
brokstukken vallen uiteen.
De echo weergalmt,
De luchtzee resoneert,
De blanke watermassa rimpelt,
De bladeren aan de bomen ritselen.
Dan richt de vrouw zich op,
kijkt,
legt de jonge plantjes neer
en glimlacht:
Mijn zoon is thuisgekomen!

 

 

chiriya aur naiya
(Vogel en Schip)

Ik ben een kleine, niet'ge koyal,
gezeten op een amrud-twijg.
De baren van de luchtzee
doen deinen mijn tere weke boot....
Schommel maar mijn scheepje,
dein maar op en neer.
Je lading zal nimmer kantelen,
noch zinken zal ze ooit:
Weet dat jouw lading vleugels heeft!

 

 
Bhai (District Suriname, 26 januari 1935)

Lees meer...

26-01-13

Bhai, Rudolf Alexander Schröder, François Coppée, Eugène Sue, Jochen Missfeldt

 

De Surinaamse dichter Bhai (eig.James Ramlall) werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname. Zie ook alle tags voor Bhai op dit blog.

 

 

 

Het gordijn

Van de stilte

Hangt

Tussen ons in

En houdt

De tijd

Van toen en nu

Gescheiden

Onhoorbaar

Is de pijn

Van het heden

En onmerkbaar

Het verdriet

Zo ligt

De tijd

Van toen en nu

Gescheiden

Ook straks

Wordt nu

Dan toen

 

 

 

Bied bloemen

 

Bied bloemen
Aan het open graf
De tijd staat stil
Nu de eeuwigheid begint
Dit leven is niets meer
Dan ritselen
Dwarrelen
En dan voorgoed verdorren

 

 

 

Bhai (District Suriname, 26 januari 1935)

Lees meer...

26-01-12

Bhai, Rudolf Alexander Schröder, François Coppée, Eugène Sue

 

De Surinaamse dichter Bhai (eig.James Ramlall) werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname. Zie ook alle tags voor Bhai op dit blog.

 

 

drirh

(vastberaden)

 

Ik zal geen meter wijken

noch enig woord verspelen,

geen troost aanvaarden

noch smeken om een gunst.

Ik vrees geen God

noch Dood

maar leef

In het AL, dat één is,

trots zijn vormen veel.

 

 

 

pichhar gaya

(achtergelaten)

 

Ik ben te laat,

De wind die mij dragen moet,

nadert reeds de kim.

Nog trilt het water van de oceaan,

Zilte hangt aan mijn lippen.

Mijn tong is droog en stijf.

Ik hijg en snak naar adem.

Mijn bruin gelaat verbleekt

van angst, gemengd met verdriet.

De wind versterft ginds in de verte,

wordt één met kim en water.

Ik sta en staar.... ween....

Ik ben te laat.

 

 

 

Bhai (District Suriname, 26 januari 1935)

Portret van de jonge Bhai door Nora Stroink

 

Lees meer...

26-01-11

François Coppée, Eugène Sue, Jan van Hoogstraten, Delphine Gay, Sabino Arana Goiri

 

De Franse dichter en schrijver François Coppée werd geboren op 26 januari 1842 in Parijs. Zie ook mijn blog van 26 januari 2009 en ook mijn blog van 26 januari 2010.

 

 

Janvier

 

Songes-tu parfois, bien-aimée,
Assise près du foyer clair,
Lorsque sous la porte fermée
Gémit la bise de l'hiver,

Qu'après cette automne clémente,
Les oiseaux, cher peuple étourdi,
Trop tard, par un jour de tourmente,
Ont pris leur vol vers le Midi ;

Que leurs ailes, blanches de givre,
Sont lasses d'avoir voyagé ;
Que sur le long chemin à suivre
Il a neigé, neigé, neigé ;

Et que, perdus dans la rafale,
Ils sont là, transis et sans voix,
Eux dont la chanson triomphale
Charmait nos courses dans les bois ?

Hélas ! comme il faut qu'il en meure
De ces émigrés grelottants !
Y songes-tu ? Moi, je les pleure,
Nos chanteurs du dernier printemps.

Tu parles, ce soir où tu m'aimes,
Des oiseaux du prochain Avril ;
Mais ce ne seront plus les mêmes,
Et ton amour attendra-t-il ?

 

 

 


François Coppée (26 januari 1842 – 23 mei 1908)

 

 

Lees meer...

26-01-10

Rudolf Alexander Schröder, Alfons Paquet, Lode Baekelmans, François Coppée, Eugène Sue, Jan van Hoogstraten, Delphine Gay, Sabino Arana Goiri


De Duitse dichter en schrijver Rudolf Alexander Schröder werd geboren op 26 januari 1878 in Bremen. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007 en ook mijn blog van 26 januari 2008 en ook mijn blog van 26 januari 2009.

 

 

Mild von Honig

Mild von Honig
flogen Bienen   
durchs Gesträuche,
mild von Liedern
flogen Vögel     
auf durchs Grün.


Mild von Düften
blühten Blumen 
im Gesträuche;  
mild von Liebe  
sah ich deine   
Augen blühn.

 

 

 

 

Hohe, feierliche Nacht

 

Hohe, feierliche Nacht,
unbegreifliches Gepränge,
Aug, das über unsrer Enge
fragend in der Fremde wacht.
Hohe, feierliche Nacht!
 
Goldne Schrift am Firmament,
ach, wer deutet uns im Blauen,
was wir nur durch Tränen schauen,
was so fern, so selig brennt.
Goldne Schrift am Firmament!
 
Dunkler Saal voll Sphärenklang.
Taub vom Lärm des eignen Lebens
hört das dumpfe Ohr vergebens
deines Lichtes Lobgesang.
Dunkler Saal voll Sphärenklang!
 
Holde Nacht, von Sternen klar,
spende Trost, dem Trost mag werden
überm Elend aller Erden,
Wunder, ewig wunderbar.
Holde Nacht, von Sternen klar.

 

 

 

 

SCHRoDERRudolfAlexander

Rudolf Alexander Schröder (26 januari 1878 – 22 augustus 1962)

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver en journalist Alfons Paquet werd geboren op 26 januari 1881 in Wiesbaden. Zie ook mijn blog van 26 januari 2009.

 

Uit: Held Namenlos

Auf ihren Ochsen sind mir die Männer entgegengeritten
In roten Mänteln, mit der kosmischen Gastlichkeit ihrer Welt;
Auf alten Grabhügeln saßen wir inmitten,
Und ihre Weiber entkleideten zum Geschenk sich im Zelt.

Im stürmenden Sande grunzte die Karawane,
Die Tiere fielen vor Hunger, erstickten in des Fußbodens grauem Schleim;
In der Sandwüste ein Schädel, nur gehütet von einer kleinen Fahne,
Modert, und rollt den Abhang hinab, als wollte er dennoch heim.

Nicht eine Erbse von Silber gab ich für die Seide der ellenlangen
Köstlichen Fahnen, mit indischen Göttern und Regenbogen bestickt,
Die auf den Steinhaufen der Hochpässe als Opfer hangen,
Mit Pferdehaaren, mit gebleichten Schafsschulterblättern geschmückt.

 

 

 

 

Paquet

Alfons Paquet (26 januari 1881 – 8 februari 1944)

Vliegveld Frankfurt Rebstock met zoon Sebastian ca. 1925

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver Lode Baekelmans werd geboren in Antwerpen op 26 januari 1879. Hij schreef heel wat volkse verhalen met het Antwerpse schippersmilieu als decor. Tot zijn bekendste romans behoren Tille, Mijnheer Snepvangers en Het rad van avontuur. Daarnaast was hij professioneel actief eerst als stadsbediende waar hij doorgroeide tot de functie van Antwerps hoofdbibliothecaris. Hij was medestichter van het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven en de Vlaamse Vereniging voor Bibliotheekwezen en geruime tijd voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen. Verder was hij ook leerkracht en initiatiefnemer en redacteur bij Alvoorder.

 

Uit: Cyriel Buysse

 

„Er zijn schrijvers, wier werk slechts langzaam erkenning vindt. Zij moeten met geduld en zelfvertrouwen gewapend zijn. Zoo iemand was Cyriel Buysse, die in Vlaanderen nog zeer lang meer afwijzing dan waardeering ondervond, toen hij integendeel reeds lang in Holland onder de gevierde auteurs werd gerekend. Bij het aanbreken van zijn levensavond, toen zijn zeventigste verjaardag gevierd werd, was hij verzoend met al de Vlamingen, werd zijn werk gelezen en zijn schrijversfiguur met eerbied begroet.

Buysse, die zijn volk en zijn land hartstochtelijk liefhad, was een waarheidlievend mensch, die enkel de werkelijkheid wou en kon uitbeelden. De spiegel, dien hij voorhield, weerkaatste figuren en toestanden die velen tijdgenooten tegenstonden, maar vooral ontstemming verwekten bij die critici en lezers die het ruwe opzettelijk en beleedigend vonden. De schrijver debuteerde in 1887 en schreef tot aan zijn dood. Wat afstand en welke gebeurtenissen scheiden aanvang en slot van zijn leven! De wereld kon van uitzicht veranderen en het Vlaamsche publiek en de kritiek andere smaak en inzicht vertoonen.

Het werk van Buysse, door Prof. Aug. Vermeylen een openluchtmuseum van levende beelden genoemd, omspant het leven van een halve eeuw, vol afwisseling en groei, is een eenig document van de sociale ontwikkeling en het veelzijdige Vlaamsche leven.

De buitenman, zooals hij zichzelf noemde, verklaarde aan E. d'Oliveira in een gesprek1: ‘Een bedoeling heb ik met mijn werken nooit gehad. Ik geloof werkelijk, dat er bij mij heel weinig achter zit. U moet mijn werk nemen zooals het is, zonder bijbedoeling. Wel getrokken uit dingen die om mij heen gebeurd zijn - ik zit hier midden in mijn onderwerpen - maar zonder de bedoeling om met het schrijven iets te bereiken. Ik geloof dat op mij wel toepasselijk is de formule van ‘l'art pour l'art’. De menschen hebben er wel eens politieke bedoelingen in gezien. Eén ding is waar, ik ben heelemaal niet een vriend van de clericalen. Die hebben telkens veel aan mijn werk af te keuren gehad en van hen heb ik een geweldige tegenkanting ondervonden.’

 

 

 

Baekelmans

Lode Baekelmans (26 januari 1879 - 11 mei 1965)

Lode Baekelmans (l) met Emiel Van Hemeldonck (midden) en Ernest Claes (r) op een receptie.

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver François Coppée werd geboren op 26 januari 1842 in Parijs. Zie ook mijn blog van 26 januari 2009.

 

 

C'est vrai, j'aime Paris d'une amitié malsaine...

 

C'est vrai, j'aime Paris d'une amitié malsaine ;
J'ai partout le regret des vieux bords de la Seine
Devant la vaste mer, devant les pics neigeux,
Je rêve d'un faubourg plein d'enfants et de jeux.
D'un coteau tout pelé d'où ma Muse s'applique
A noter les tons fins d'un ciel mélancolique,
D'un bout de Bièvre, avec quelques chants oubliés,
Où l'on tend une corde aux troncs des peupliers,
Pour y faire sécher la toile et la flanelle,
Ou d'un coin pour pêcher dans l'île de Grenelle.

 

 

 

 

Romance

 

Quand vous me montrez une rose
Qui s'épanouit sous l'azur,
Pourquoi suis-je alors plus morose ?
Quand vous me montrez une rose,
C'est que je pense à son front pur.

Quand vous me montrez une étoile,
Pourquoi les pleurs, comme un brouillard,
Sur mes yeux jettent-ils leur voile ?
Quand vous me montrez une étoile,
C'est que je pense à son regard.

Quand vous me montrez l'hirondelle
Qui part jusqu'au prochain avril,
Pourquoi mon âme se meurt-elle
Quand vous me montrez l'hirondelle,
C'est que je pense à mon exil.

 

 

 

 

coppee01

François Coppée (26 januari 1842 – 23 mei 1908)

 

 

 

 

De Franse schrijver Eugène Sue zou geboren zijn op 26 januari 1804. Zie voor meer informatie en een fragment mijn blog van 10 december 2006 en ook mijn blog van 26 januari 2007 en ook mijn blog van 26 januari 2009.

 

Uit: A Romance of the West Indies (Vertaald door Marian Longfellow)

 

Toward the latter part of May, 1690, the three-masted schooner the Unicorn sailed from Rochelle for the island of Martinique.

A Captain Daniel commanded this vessel, which was armed with a dozen pieces of medium-sized ordnance, a defensive precaution necessary at that period. France was at that time at war with England, and the Spanish pirates would often cross to the windward of the Antilles, in spite of the frequent pursuit of filibusters.

Among the passengers of the Unicorn, few in number, was the Reverend Father Griffen, of the Order of the Preaching Brothers. He was returning to Martinique to resume his parish duties at Macouba, where he had occupied the curacy for some years to the satisfaction of the inhabitants and the slaves of that locality.

The exceptional life of the colonies, then almost continually in a state of open hostility against the English, the Spanish, and the natives of the Antilles, placed the priests of the latter in a peculiar position. They were called upon not only to preach, to hear confessions, to administer the sacraments to their flocks, but also to aid in defending themselves during the frequent inroads of their enemies of all nations and all colors.

The priest's house was, as other habitations, alike isolated and exposed to deadly surprises. More than once had Father Griffen, assisted by his two slaves, intrenched himself securely behind a large gateway of mahogany, after having repulsed their assailants by a lively fire.

Formerly a professor of geometry and mathematics, and possessed of considerable theoretical knowledge of military architecture, Father Griffen had given most excellent advice to the successive governors of Martinique on the construction of works of defense.“

 

 

 

 

EugeneSue
Eugène Sue
(26 januari 1804 – 3 augustus 1857)

In het Musée Carnavalet

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Jan van Hoogstraten werd geboren in Rotterdam op 26 januari 1662. Zie ook mijn blog van 26 januari 2008 en ook mijn blog van 26 januari 2009.

 

 

 

Snelle Tyd. Quid enim velocius aevo.

 

 1.

 Snelle tyden, ô hoe glyden

 Onze dagen met u heen!

 Wat wy jagen, wat wy myden,

 Word door uwen loop vertreen.

 Waar de zorg of schroom,

 Vreugd of weelde toom,

 Ons leven is gelyk een droom.

 

2.

 Ongelukken, hoe ze drukken,

 En bedroeven 't zwaar gemoed,

 Moeten voor 't geluk weer bukken,

 Als de voorspoed ons ontmoet.

 Wat de tyd ons leert,

 't Zy 't ons streeld of deerd:

 Zy heeft het haast in rook verkeert.

 

3.

 Zoo veel jaren, ons ontvaren;

 Waar is onze Lentetyd,

 Nu de zorgen 't hart bezwaren,

 't Leven als een kleed verslyt.

 Wat de Zomer zend,

 Of de Winter schend,

 De tyd dryft alles vlug ten end.

 

 

 

 

Hoogstraten
Jan van Hoogstraten  (26 januari 1662 – 28 juli 1736)

 

 

 

 

De Franse dichteres en schrijfster Delphine Gay werd geboren op 26 januari 1804 in Aken. Zie ook mijn blog van 26 januari 2009.

 

 

Le Bonheur d'être belle

 

Quel bonheur d’etre belle, alors qu’on est aimée !

Autrefois de mes yeux je n’étais pas charmée ;

Je les croyais sans feu, sans douceur, sans regard ;

Je me trouvais jolie un moment par hasard.

Maintenant ma beauté me paraît admirable.

Je m’aime de lui plaire, et je me crois aimable...

Il le dit si souvent ! Je l’aime, et quand je vois

Ses yeux avec plaisir se reposer sur moi,

Au sentiment d’orgueil je ne suis point rebelle,

Je bénis mes parents de m’avoir fait si belle !

Et je rends grâce à Dieu, dont l’insigne bonté

Me fit le cœur aimant pour sentir ma beauté.

Mais... pourquoi dans mon cœur ces subites alarmes ?...

Si notre amour tous deux nous trompait sur mes charmes :

Si j’étais laide enfin ? Non... il s’y connaît mieux !

D’ailleurs pour m’admirer je ne veux que ses yeux !

Ainsi de mon bonheur jouissons sans mélange ;

Oui, je veux lui paraître aussi belle qu’un ange.

Apprêtons mes bijoux, ma guirlande de fleurs,

Mes gazes, mes rubans, et, parmi ces couleurs,

Choisissons avec art celle dont la nuance

Doit avec plus de goût, avec plus d’élégance,

Rehausser de mon front l’éclatante blancheur,

Sans pourtant de mon teint balancer la fraîcheur.

Mais je ne trouve plus la fleur qu’il m’a donnée ;

La voici : hâtons-nous, l’heure est déjà sonnée,

Bientôt il va venir ! bientôt il va me voir !

Comme, en me regardant, il sera beau ce soir !

Le voilà ! je l’entends, c’est sa voix amoureuse !

Quel bonheur d’être belle ! Oh ! que je suis heureuse !

 

 

 

 

Gay

Delphine Gay (26 januari 1804 – 29 juni 1855)

Portret door Louis Hersent

 

 

 

 

De Baskische schrijver en politicus Sabino de Arana y Goiri werd geboren op 26 januari 1865 in Bilbao. Sabino Arana Goiri werd de ideoloog van het Baskische nationalisme en stichter van de Baskische Nationalistische Partij. Hij bestudeerde de Baskische geschiedenis, taal en cultuur. Arana studeerde vijf jaar in Barcelona (1883-1888), om vervolgens naar Biskaje terug te keren om er zijn politieke missie te starten, wat culmineerde in de oprichting van de Eusko Alderdi Jeltzalea, de Baskische Nationalistische Partij in 1895. Hierin pleitte Arana voor herstel van de Fueros, de tot 1874 (Tweede Carlistische Oorlog) genoten privileges. Hij was overtuigd van een degeneratie van het Baskische ras ten gevolge van de aanzienlijke immigratie van Spaanse arbeiders. Arana was anti-socialistisch en antiliberaal. Zijn literaire werk bestaat uit 33 gedichten en liederen, waaronder de baskische nationale hymne Eusko Abendaren Ereserkia, 14 omvangrijkere literaire en politieke werken en meer dan 600 artikelen,

 

 

Eusko Abendaren Ereserkia

 

Lang leve Baskenland

glorie en glorie

voor de goede Heer van boven.

 

Er staat een eik in Biskaje

oud, sterk, gezond

zoals ook uw Wet

 

Op de boom vinden wij

het heilige kruis

ons symbool voor altijd

 

Zing "lang leve Baskenland"

glorie en glorie

voor de goede Heer van boven.

 

 

 

 

Aranay-Goiri-Sabino
Sabino Arana Goiri (26 januari 1865 – 25 november 1903)

 

26-01-09

Menno ter Braak, Achim von Arnim, Jochen Missfeldt, Gerrit Jan Zwier, Bhai, Rudolf Alexander Schröder, Eugène Sue, Jan van Hoogstraten, Alfons Paquet, François Coppée, Delphine Gay


De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007 en ook mijn blog van 26 januari 2008.

 

Uit: Het carnaval der burgers

 

‘Wij’ zijn het slachtoffer van het hulpeloze ‘Ik’; ‘wij’ zijn de koude verstening en de warme illusie van ‘ik’. Daarom is het credo van deze regels geboren tussen de verstening en de illusie, geboren als afkeer van ‘wij’ en als liefde tot ‘wij’.

‘Wij’ is de allerleegste titel van deze eeuw: de pluralis majestatis van de journalist, die niemand kent, en wiens mening niet gevraagd wordt. Maar ‘wij’ is ook de vloot van snelle, gehoorzame zeiljachten, die samen buigen onder dezelfde windvlagen. ‘Wij’ is de angst van een kind, dat des nachts in een ongewoon uur ontwaakt en door de eerste gedachte aan de dood wordt bevangen; dan is de enige troost de aanwezigheid van de velen, de anderen. ‘Wij’ ook verwaarloosden na de vrede van Utrecht onze barrièresteden.

‘Wij’ dansen, allen, op het carnaval, en ‘wij’ hebben, allen, daarna de kater; dan denken ‘wij’, dat met ons ‘de nieuwe mens’ is gekomen of komen zàl. ‘Wij’ is ons eerste en laatste gebaar van tederheid, en ‘wij’ betalen belasting.

‘Wij’ is onze kerker, ‘wij’ bestendigen ons in onze kinderen; ‘wij’ is onze vrijheid en onze vaart naar de horizon. ‘Wij’: duldeloze verenging. ‘Wij’: magische verruiming. ‘Wij’: ieder heeft twee armen, twee ogen, één neus, o eindeloze herhaling. ‘Wij’: géén is verstoken van een verlangen naar de gemeenschap der heiligen.

Wij zijn burgers. Wij zouden dichters willen zijn. ‘Wij’ is de algemeenste formule voor het bijeenwonen der kudden. ‘Wij’ is het diepst en weemoedigst uitzien naar opgaan en versmelten. ‘Wij’ zijn de onverbiddelijke grenzen en het verzet tegen alle grenzen.

Zonder ‘wij’ geen phrasen en geen sonnetten. Zonder ‘wij’ geen oorlogen en geen apostelen. Bij ‘wij’ bestaat de wereld en door ‘wij’ wil zij voortdurend vergaan.

 

 

 

 

TerBraak
Menno ter Braak
(26 januari 1902 -  14 mei 1940)

Portret door Paul Citroen

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Achim von Arnim werd geboren in Berlijn op 26 januari 1781. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007 en ook mijn blog van 26 januari 2008.

 

Uit: Die Majoratsherren

 

Wir durchblätterten eben einen ältern Kalender, dessen Kupferstiche manche Torheiten seiner Zeit abspiegeln. Liegt sie doch jetzt schon wie eine Fabelwelt hinter uns! Wie reich erfüllt war damals die Welt, ehe die allgemeine Revolution, welche von Frankreich den Namen erhielt, alle Formen zusammenstürzte; wie gleichförmig arm ist sie geworden! Jahrhunderte scheinen seit jener Zeit vergangen, und nur mit Mühe erinnern wir uns, daß unsre früheren Jahre ihr zugehörten. Aus der Tiefe dieser Seltsamkeiten, die uns Chodowieckis Meisterhand bewahrt hat, läßt sich die damalige Höhe geistiger Klarheit erraten; diese ermißt sich sogar am leichtesten an den Schattenbildern derer, die ihr im Wege standen und die sie riesenhaft über die Erde hingezeichnet hat. Welche Gliederung und Abstufung, die sich nicht bloß im Äußern der Gesellschaft zeigte! Jeder einzelne war wieder auch in seinem Ansehn, in seiner Kleidung eine eigene Welt, jeder richtete sich gleichsam für die Ewigkeit auf dieser Erde ein, und wie für alle gesorgt war, so befriedigten auch Geisterbeschwörer und Geisterseher, geheime Gesellschaften und geheimnisvolle Abenteurer, Wundärzte und prophetische Kranke die tiefgeheime Sehnsucht des Herzens, aus der verschlossenen Brusthöhle hinausblicken zu können. Beachten wir den Reichtum dieser Erscheinungen, so drängt sich die Vermutung auf, als ob jenes Menschengeschlecht sich zu voreilig einer höheren Welt genahet habe und, geblendet vom Glanze der halbentschleierten, zur dämmernden Zukunft in frevelnder Selbstvernichtung fortgedrängt, durch die Notdurft an die Gegenwart der Erde gebunden werden mußte, die aller Kraft bedarf und uns in ruhiger Folge jede Anstrengung belohnt.”

 

 

 

Arnim
Achim von Arnim  (26 januari 1781 -  21 januari 1831)

Kopergravure door Hans Meyer

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Jochen Missfeldt werd geboren op 26 januari 1941 in Satrup. In 1965 rondde hij een opleiding tot Starfighter piloot bij de Duitse luchtmacht af. Na afloop van zijn militaire loopbaan in 1982 ging hij muziekwetenschappen, filosofie en volkskunde studeren in München en Kiel. Sinds 1985 is hij zelfstandig schrijver.

 

Werk o.a.: Mein Vater war Schneevogt. Gedichte, 1972, Solsbüll. Roman, 1989, Deckname Orpheus. Erzählungen, 1997

 

Uit: Steilküste (2005)

 

“Schiff um Schiff lief seit dem 3. Mai 1945 in die Geltinger Bucht ein. Der Großadmiral hatte gerufen. Auch U-999 war auf dem Weg. Die Elektromotoren hatten es im Mai-Morgengrauen leise in der Elbe Richtung Brunsbüttelkoog vorangetrieben, immer an den Elbdeichen entlang. Hinter den Deichen schliefen die Tommys ahnungslos in ihren Zelten. Stand auf dem Deich etwa einer Wache und spähte

und lauschte? Wollte der Feind morgen schon nach Schleswig- Holstein übersetzen? Unbehelligt passierte U-999 die Schleusen von Brunsbüttelkoog und den Nord-Ostsee-Kanal.

In Kiel wäre es fast einem Fliegerangriff der Royal Air Force zum Opfer gefallen, aber, allem Krieg zum Trotz, kam es heil in der Geltinger Bucht an. Da lagen schon andere: U-Boote, Zerstörer, Schnellboote, Minensucher und Versorgungsschiffe.

Die Nacht, an deren Ende es eintraf, war eine tolle Mondnacht gewesen, Nacht der Zufl ucht, Nacht der Geborgenheit, ein erhebendes Bild. Das sah nicht nach Kriegsende und Niederlage aus, sondern nach Heimkehr von einer großen, gewonnenen Schlacht. Keinem Soldaten war ein Haar gekrümmt

worden. Man wichste schon die Knobelbecher für eine lange Ballnacht. Der Bart war ab. Man besah sich im Spiegel und kämmte sein Haar. Einen Spritzer Tai Tai aufs Kavalierstaschentuch geträufelt, das hat noch nie geschadet.

Einatmen und sich in Form fühlen. Kein Soldat würde beim Durchschreiten der Eichenlaub-Ehrenpforte hinken. Die Brieftasche war voll gestopft mit Sold, und zwischen dem Sold steckte das Foto: Ehefrau mit drei Töchtern. Eine Erinnerung an glückliche Tage.“

 

 

 

missfeldt
Jochen Missfeldt (Satrup, 26 januari 1941 )

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Gerrit Jan Zwier werd geboren in Leeuwarden op 26 januari 1947. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007 en ook mijn blog van 26 januari 2008.

 

Uit: Naar de rand van de kaart

 

Het bizarre en spannende verhaal over de landing op Bouvetøya beschouw ik als het hoogtepunt van dit reisverslag. Stelt u zich eens voor: een schip vol eilandgekken, vogelaars en fanatieke globetrotters zet koers naar een beijzelde vulkaan diep in zuidelijke wateren die bekendstaat als het meest afgelegen, onbewoonde eiland ter wereld. De koorts aan boord loopt hoog op als deze trofee, dit hebbedingetje voor verwende toeristen, in zicht komt.

Achteraf bezien vormt de reis door Patagonië het voorspel en de verdere zeereis naar Tristan da Cunha en Sint Helena het naspel van het spektakel rond Bouvet. Wat ik tijdens mijn tocht door Patagonië ook ondernam, ik bleef steeds ergerlijk dicht in de buurt van Bruce Chatwins In Patagonië
, het al haast klassieke reisboek over de staart van Zuid-Amerika. Pas toen ik op Vuurland het zeegat uit voer, kon ik Chatwin op de kade achterlaten. Ook al is de tijd van de ontdekkingsreizen allang voorbij, en zijn we in deze late tijd allemaal pseudoreizigers geworden, toch was het opwindend om afgelegen oorden als de Falklandeilanden, Zuid-Georgië en het tropische Ascensión te verkennen. Maar Bouvet spande de kroon, niet zozeer de plek zelf, als wel de wirwar eromheen.“

 

 

 

Zwier
Gerrit Jan Zwier (Leeuwarden, 26 januari 1947)

 

 

 

 

 

De Surinaamse dichter Bhai (eig.James Ramlall) werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007 en ook mijn blog van 26 januari 2008.

 

 

Kaun jâne

 

Misschien ben ik een zucht

stil in een mens;

een zaad

verborgen in een vrucht;

een beeld in marmer

vuur in steen

kracht in hout

zanger in een kind

dichter in een mens.

Misschien.

 

 

 

tussen de schelpen

 

Ik leef op de bodem

van de zee

ver van den mensen

verscholen

tussen de schelpen

zonder ogen

zonder mond.

Mijn taal is

de duistere stilte

mijn klank

is het eeuwige zwijgen

van de zee.

Zo leef ik

verborgen tussen de schelpen

op de bodem

van de zee.

 

 

 

Bhai
Bhai (District Suriname, 26 januari 1935)

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Rudolf Alexander Schröder werd geboren op 26 januari 1878 in Bremen. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007 en ook mijn blog van 26 januari 2008.

 

 

In die Nacht gesungen

 

Hohe, feierliche Nacht, unbegreifliches Gepränge,

Aug, das über unsrer Enge fragend in der Fremde wacht,

Hohe, feierliche Nacht!

Goldne Schrift am Firmament, ach, wer deutet uns im Blauen,

Daß wir nur durch Tränen schauen, was so fern, so selig brennt,

Goldne Schrift am Firmament?

Dunkler Saal voll Sphärenklang, taub vom Lärm des eignen Lebens

Hört dies dumpfe Ohr vergebens deiner Lichter Lobgesang,

Dunkler Saal voll Sphärenklang!

Holde Nacht, von Sternen klar, spende Trost, wem Trost mag werden,

Überm Elend aller Erden Wunder, ewig wunderbar,

Holde Nacht, von Sternen klar!

 

 

 

 

schroder_rudolf_alexander
Rudolf Alexander Schröder (26 januari 1878 – 22 augustus 1962)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Eugène Sue zou geboren zijn op 26 januari 1804. Zie voor meer informatie en een fragment mijn blog van 10 december 2006 en ook mijn blog van 26 januari 2007 en ook mijn blog van 26 januari 2008.

 

Uit: Le juif errant  (Un service d’ami)

 

Rodin, malgré sa surprise et son inquiétude, ne sourcilla pas ; il commença par fermer sa porte après soi, remarquant le coup d’œil curieux de la jeune fille, puis il lui dit avec bonhomie :

– Qui demandez-vous, ma chère fille ?

– M. Rodin, reprit crânement Rose-Pompon en ouvrant ses jolis yeux bleus de toute leur grandeur, et regardant Rodin bien en face.

– Ce n’est pas ici… dit-il en faisant un pas pour descendre. Je ne connais pas… Voyez plus haut ou plus bas.

– Oh ! que c’est joli ! Voyons… faites donc le gentil, à votre âge ! dit Rose-Pompon en haussant les épaules, comme si on ne savait pas que c’est vous qui vous appelez M. Rodin.

– Charlemagne, dit le socius en s’inclinant, Charlemagne, pour vous servir, si j’en étais capable.

– Vous n’en êtes pas capable, répondit Rose-Pompon d’un ton majestueux, et elle ajouta d’un air narquois :

– Nous avons donc des cachettes à la minon-minette, que nous changeons de nom ?… Nous avons peur que maman Rodin nous espionne ?

– Tenez, ma chère fille, dit le socius en souriant d’un air paternel, vous vous adressez bien : je suis un vieux bonhomme qui aime la jeunesse… la joyeuse jeunesse. Ainsi, amusez-vous, même à mes dépens… mais laissez-moi passer, car l’heure me presse…

Et Rodin fit de nouveau un pas vers l’escalier.

– Monsieur Rodin, dit Rose-Pompon d’une voix solennelle, j’ai des choses très importantes à vous communiquer, des conseils à vous demander sur une affaire de cœur.

– Ah çà ! voyons, petite folle, vous n’avez donc personne à tourmenter dans votre maison que vous venez dans celle-ci ?

 

 

 

 

Sue
Eugène Sue
(26 januari 1804 – 3 augustus 1857)

Portret door Charles Emile Callande de Champ-Martin

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Jan van Hoogstraten werd geboren in Rotterdam op 26 januari 1662. Zie ook mijn blog van 26 januari 2008.

 

De Lente

 

Air: Aimable Vainqueur, &c.

 

1.

DE Winter ten end,

Vertoont ons de Lent,

In niewe sieraden,

Van groene bladen,

Waar 't oog zig ook wend.

De wind in 't Zuiden,

Kust Bloemen, en Kruiden,

In glans ongeschend;

Hoe zoet valt uw lugt,

O Lente! op de zinnen,

Die 't Landvermaak minnen,

Voor al 't Hofgerugt!

ô Zoete Lent!

Gy Poot, en gy Ent.

Uw hand, waard te roemen,

Vlegt kranssen van Bloemen,

Daar elk u aan kendt.

Uw bloemlivrey,

Van niemand te doemen,

Volmaakt ons de Mey.

 

 

 

 

 

VanHoogstraten
Jan van Hoogstraten  (26 januari 1662 – 28 juli 1736)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver en journalist Alfons Paquet werd geboren op 26 januari 1881 in Wiesbaden. In 1900 won hij een prijs voor een verhaal en besloot hij naar Berlijn te verhuizen en journalist te worden. In 1901 verscheen zijn eerste verhalenbundel en een jaar later een bundel gedichten en liederen. Paquet werd een bijzondere getuige van de eerste helft van de 20e eeuw. Al vroeg voerden reizen hem naar de VS, Palestina, China. Hij was de eerste journalist die met de transsiberische trein reisde en hierover verslag deed. Hij was de eerste correspondent in Moskou voor Duitse kranten en maakte de Russische revolutie van nabij mee. Paquet schreef ook dramatisch werk dat tijdens de Weimarer republiek door Erwin Piscator op de planken werd gebracht.

 

Uit: Held Namenlos

 

Auf ihren Ochsen sind mir die Männer entgegengeritten
In roten Mänteln, mit der kosmischen Gastlichkeit ihrer Welt;
Auf alten Grabhügeln saßen wir inmitten,
Und ihre Weiber entkleideten zum Geschenk sich im Zelt.

Im stürmenden Sande grunzte die Karawane,
Die Tiere fielen vor Hunger, erstickten in des Fußbodens grauem Schleim;
In der Sandwüste ein Schädel, nur gehütet von einer kleinen Fahne,
Modert, und rollt den Abhang hinab, als wollte er dennoch heim.

Nicht eine Erbse von Silber gab ich für die Seide der ellenlangen
Köstlichen Fahnen, mit indischen Göttern und Regenbogen bestickt,
Die auf den Steinhaufen der Hochpässe als Opfer hangen,
Mit Pferdehaaren, mit gebleichten Schafsschulterblättern geschmückt
.

 

 

 

 

Paquet
Alfons Paquet (26 januari 1881 – 8 februari 1944)

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver François Coppée werd geboren op 26 januari 1842 in Parijs. Hij werkt op het ministerie van oorlog, maar was tegelijkertijd ook lid van de Parnassiens. Zijn eerste gedichten werden gepubliceerd in 1864. In 1869 werd zijn theaterstuk Le Passant voor het eerst opgevoerd in het Odéon-Theater. In 1878 werd Coppée archivaris van de Comédie-Française. In 1884 werd hij lid van de Académie française.

 

 

A Paris, en été, les soirs sont étouffants

 

A Paris, en été, les soirs sont étouffants.
Et moi, noir promeneur qu'évitent les enfants,
Qui fuis la joie et fais, en flânant, bien des lieues,
Je m'en vais, ces jours-là, vers les tristes banlieues.
Je prends quelque ruelle où pousse le gazon
Et dont un mur tournant est le seul horizon.
Je me plais dans ces lieux déserts où le pied sonne,
Où je suis presque sûr de ne croiser personne.

Au-dessus des enclos les tilleuls sentent bon ;
Et sur le plâtre frais sont écrits au charbon
Les noms entrelacés de Victoire et d'Eugène,
Populaire et naïf monument, que ne gêne
Pas du tout le croquis odieux qu'à côté
A tracé gauchement, d'un fusain effronté,
En passant après eux, la débauche impubère.

Et, quand s'allume au loin le premier réverbère,
Je gagne la grand' rue, où je puis encor voir
Des boutiquiers prenant le frais sur le trottoir,
Tandis que, pour montrer un peu ses formes grasses,
Avec son prétendu leur fille joue aux grâces.

 

 

 

 

Francois-COPPEE
François Coppée (26 januari 1842 – 23 mei 1908)

 

 

 

 

 

De Franse dichteres en schrijfster Delphine Gay werd geboren op 26 januari 1804 in Aken. Al op zeventienjarige leeftijd maakte zij naam als dichteres met de Essais poétiques. Zij schreef ook romans en toneel. Groot succes had zij met haar Lettres parisiennes die zij onder het pseudoniem Vicomte de Launay 1836–1848 publiceerde in La Presse.

 

 

Il m’aime !...

 

Il m’aime !... ô jour de gloire, ô triomphe, ô délire !

Tout mon cœur se réveille, et je reprends ma lyre ;

Je suis poète encore, — et veux que l’univers

Devine mon bonheur à l’éclat de mes vers ;

Je veux pour le chanter, m’enivrant d’harmonie,

Au feu de son amour allumer mon génie ;

Oui, je veux, dans la lice atteignant mes rivaux,

Justifier son choix par des succès nouveaux,

Et, digne de le suivre en sa noble carrière,

Suspendre à ses lauriers ma couronne de lierre.

 

 

 

Delphine_de_Girardin
Delphine Gay (26 januari 1804 – 29 juni 1855)

Portret door Louis Hersent

 

 

 

10-12-08

Pierre Louÿs, Clarice Lispector, Ara Baliozian, Rumer Godden, Christine Brückner, Eugène Sue, Karl Heinrich Waggerl


De 10e december is een zeer vruchtbare geboortedag gebleken voor schrijvers. Vandaar dat er na deze posting nog een tweede volgt. Kom gerust nog eens kijken later vandaag

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Pierre Louÿs werd geboren op 10 december 1870 in Gent als zoon van de Franse advocaat Pierre-Felix Louis. Vrijwel onmiddellijk na zijn geboorte vertrok zijn moeder met hem naar Frankrijk. Hij bracht zijn jeugd door tussen Parijs en Dizzy (Epernay). Bij de dood van zijn moeder (1879) werd hij door zijn vader aan zijn in Parijs wonende oom Georges, man van cultuur en diplomaat, toevertrouwd die voor zijn verdere opvoeding zou zorgen. Hij had ook nog twee oudere broers en met zijn oudste broer Georges had hij tot het einde van zijn leven een heel intens contact.

Op het lyceum Janson-de-Sailly raakt hij bevriend met die andere eenzaat en door literatuur bezetene, André Gide. Tijdens zijn studietijd aan de Sorbonne, periode dat hij intens las en schreef, maakte hij kennis met Régnier, Heredia, Leconte de Lisle, Mallarmé en Paul Valéry. Heel zijn oeuvre steunde op de dubbele tegenstelling: droom-werkelijkheid, vorm-idee. In 1892 verscheen zijn eerste gedichtenbundel Astrarté, in 1894 gevolgd door zijn heel beroemd geworden Chansons de Bilitis. In 1896 werd zijn roman Aphrodite gepubliceerd

 

 

Les Nymphes

 

Oui, des lèvres aussi, des lèvres savoureuses

Mais d'une chair plus tendre et plus fragile encor

Des rêves de chair rose à l'ombre des poils d'or

Qui palpitent légers sous les mains amoureuses.

 

 

Des fleurs aussi, des fleurs molles, des fleurs de nuit,

Pétales délicats alourdis de rosée

Qui fléchissent pliés sous la fleur épuisée

Et pleurent le désir, goutte à goutte, sans bruit.

 

 

Ô lèvres, versez-moi les divines salives

La volupté du sang, la vapeur des gencives

Et les frémissements enflammés du baiser.

 

 

Ô fleurs troublantes, fleurs mystiques, fleurs divines

Balancez vers mon coeur sans jamais l'apaiser

L'encens mystérieux des senteurs féminines.

 

 

 

 

 

Aphrodite

 

Ô Déesse en nos bras si tendre et si petite,

Déesse au coeur de chair, plus faible encor que nous,

Aphrodite par qui toute Ève est Aphrodite

Et se fait adorer d'un homme à ses genoux,

 

 

Toi seule tu survis après le crépuscule

Des grands Olympiens submergés par la nuit.

Tout un monde a croulé sur le tombeau d'Hercule,

Ô Beauté! tu reviens du passé qui s'enfuit.

 

 

Telle que tu naquis dans la lumière hellène

Tu soulèves la mer,tu rougis l'églantier,

L'univers tournoyant s'enivre à ton haleine

Et le sein d'une enfant te recueille en entier.

 

 

Telle que tu naquis des sens de Praxitèle

Toute amante est divine, et je doute,à ses yeux,

Si le Ciel te fait femme ou la fait immortelle,

Si tu descends vers l'homme ou renais pour les Dieux.

 

 

 

 

louys
Pierre Louÿs (10 december 1870 – 6 juni 1925)

 

 

 

 

 

De Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector werd geboren op 10 december 1925 in Podolia (Oekraïne) Zij was van Oekraïens-Joodse afkomst, maar verhuisde naar Brazilië toen ze enkele maanden oud was. Het Portugees werd haar moedertaal. Ze wordt als de belangrijkste Braziliaanse schrijfster van haar tijd beschouwd en tegenwoordig ook gezien als een toonaangevende feministe die vooral over de noden en belangen van de vrouw schreef, en daarbij de menselijke relaties en de (sociale) positie van de vrouw ter discussie stelde.

 

 

Uit: Family Ties

 

When the man reached the highest hill, the bells were ringing in the city below. The uneven rooftops of the houses could barely be seen. Near him was the only tree on the plain. The man was standing with a heavy sack in his hand.

His near-sighted eyes looked down below. Catholics, crawling and minute, were going into church, and he tried to hear the scattered voices of the children playing in the square. But despite the clearness of the morning hardly a sound reached the plateau. He also saw the river which seen from above seemed motionless, and he thought: it is Sunday. In the distance he saw the highest mountain with its dry slopes. It was not cold but he pulled his overcoat tighter for greater protection. Finally he placed the sack carefully on the ground. He took off his spectacles, perhaps in order to breathe more easily, because he found that clutching his spectacles in his hand he could breathe more deeply. The light beat on the lenses, which sent out sharp signals. Without his spectacles, his eyes blinked brightly, appearing almost youthful and unfamiliar. He replaced his spectacles and became once more a middle-aged man and grabbed hold of the sack again: it was as heavy as if it were made of stone, he thought. He strained his sight in order to see the current of the river, and tilted his head trying to hear some sound: the river seemed motionless and only the harshest sound of a voice momentarily reached that height—yes, he felt fine up here. The cool air was inhospitable for one who had lived in a warm city. The only tree on the plain swayed its branches. He watched it. He was gaining time. Until he felt that there was no need to wait any longer.

And meantime he kept watch. His spectacles certainly bothered him because he removed them again, sighed deeply, and put them in his pocket.“

 

 

 

 

Lispector
Clarice Lispector (10 december 1925 – 9 december 1977)

 

 

 

 

 

 

De Armeense schrijver Ara Baliozian werd geboren op 10 december 1936 in Athene. Zie ook mijn blog van 10 december 2006.

 

Uit: Pages From My Diary, 1986-1995

 

„How to explain the irrelevance of our contemporary literature? My guess is, some time in their formative years, our writers and versifiers were exposed to the philistine theory that says, the function of literature is to say profound things about noble subjects. Homer sang of gods and heroes, Shakespeare of kings and princes, Tolstoy and Dostoevsky of mighty passions...Since there is nothing noble, heroic, or mighty about our present condition, it follows that it must be avoided or ignored. One cannot produce great literature by writing about petty problems and pusillanimous characters.

This is the only way to explain why our writers continue to write about sunsets and our cultural organizations continue to sponsor seminars on Khorenatsi and Naregatsi... as the nation slides deeper into the quicksands of decline and degeneration.

 

Chinese saying: "If a man, sitting alone in his room, thinks the right thoughts, he will be heard thousands of miles away."

(...)

 

I ask a friend from Yerevan: "Is any of the help from America reaching the people in Armenia?"

"Yes," he replies, "and it's making a select few very rich."

"What are the chances of this select few being caught and hung?" I ask next.

"None while I am alive. After that, it's hard to say."

"Another friend who has just returned from a visit to Yerevan, tells me: "In seventy years the situation may become normal but not before."

"That's exactly what our crooks and profiteers are counting on too - seventy years of abundance.

People whose experience of poverty is based on hearsay, think of it as the total absence of all luxuries. But the absence of luxuries is the least offensive thing about poverty. Poverty, real poverty, means constant uncertainty and anxiety over the future, also fear, humiliation, degradation, despair...“

 

 

 

ara
Ara Baliozian (Athene, 10 december 1936)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijfster Margaret Rumer Godden werd geboren op 10 december 1907 in Eastbourne, East Sussex. Zij leefde echter de eerste veertig jaar van haar leven overwegend in India. In 1949 keerde zij terug naar het Verenigd Koninkrijk om zich aan het schrijven te wijden. Ze heeft meer dan zestig, deels zeer succesvolle, boeken op haar naam staan, waaronder The Black Narzissus. The River, The Doll’s House, An Episode of Sparrows, Greengage Summer en The Diddakoi. Verschillende van haar romans werden ook verfilmd.

 

Uit: Five for Sorrow, Ten for Joy

 

„The sound of the bell carried far over the orchards and fields of the convent of Belle Source.

It was the first bell for Vespers, not a bell in a bell tower but a handbell, rung outside by the soeur réglementaire, the bell ringer, and, in ones and twos, the nuns came in, those from the farm and garden shedding their heavy boots and dark blue overalls, all taking off their aprons. Each sister washed her hands in the basin at the end of the corridor, straightened her veil or took off her blue work head-­handkerchief and put on her veil, then went to her place in the line where all the community stood. This was the time when each told, before them all, of any fault she had made.

“What—every day?” asked Father Marc, the new aumônier. “That seems a little overscrupulous. What faults could they possibly have?”

“Only faults against charity and I’m sure not many.” The prioress smiled. “But at our Béthanies we need charity as perhaps nowhere else.”

“And, perhaps, as nowhere else,” Marc was to say when he knew them better, “these sisters understand the creeping power of sin, if you allow the least crack . . .”

“I lingered in the garden after recreation and so kept two of my sisters waiting.”

“I answered Soeur Marie Christine back and was rude.” Soeur Marie Christine made a swift movement of reconciliation.

“I spoke sharply . . .” They were those “least cracks”; but, like an echo from far far back, far from the steadfastness of Belle Source:

“She wouldn’t stop crying so I stuffed my handkerchief into her mouth, down and down until . . .”

 

 

 

 

 

RumerGodden
Rumer Godden (10 december 1907 – 8 november 1998)

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Christine Brückner werd geboren op 10 december 1921 in Schmillinghausen bij Bad Arolsen in Hessen. Daar bezocht zij ook het gymnasium. Na WO II werd zij bibliothecaresse in Stuttgart. Van 1946 tot 1950 was zij verbonden aan de universiteit van Marburg. Daarnaast studeerde zij kunstgeschiedenis, germanistiek en psychologie.  In 1954 verscheen haar eerste roman "Ehe die Spuren verwehen". Tot haar grootste successen behoort de romantrilogie "Jauche und Levkojen", "Nirgendwo ist Poenichen" en "Die Quints". Van de eerste twee werd in 1979 en 1980 een televisieserie gemaakt. Eveneens succesvol was het boek "Wenn Du geredet hättest, Desdemona. Ungehaltene Reden ungehaltener Frauen".

 

Uit: Jauche und Levkojen

 
“Der junge Quindt kehrte nach viertägiger Hotel-Ehe zu sei­nem Regiment an die Westfront zurück, und die alten Quindts nahmen seine junge Frau mit nach Poenichen. Schnellzug Berlin-Stettin-Stargard, dann Lokalbahn und schließlich Rie­pe, der die drei mit dem geschlossenen Coupé - nach dem In­nenpolster >Der Karierte< genannt - an der Bahnstation ab­holte. Die junge Frau führte nicht mehr als eine Reihe von Schließkörben und Reisetaschen mit sich. Fürs erste blieb ihre Aussteuer in Berlin, Möbel, Wäsche, Porzellan und Silber für die spätere Berliner Stadtwohnung. Sie würde fürs erste zwei der Gästezimmer im Herrenhaus bewohnen, die sogenannten >grünen Zimmer<. Fürs erste, das hieß: bis der junge Baron heimkehrte, bis der Krieg zu Ende war.
Als die Pferde in die kahle Lindenallee einbogen, dämmerte es bereits. Vera sagte, als sie das Herrenhaus am Ende der Allee auftauchen sah: »Das sieht ja direkt antik aus! War denn mal einer von euch Quindts in Griechenland?« Der alte Quindt bestätigte es. »Ja, aber nicht lange genug. Pommer­sche Antike. «
Wo dieses Poenichen liegt?
Wenn Sie sich die Mühe machen wollen, schlagen Sie im Atlas die Deutschlandkarte auf. Je nach Erscheinungsjahr fin­den Sie das Gebiet von. Hinterpommern rot oder schwarz überdruckt mit >z. Z. poln. Besatzungsgebiet< oder >unter poln. Verwaltung<, die Ortsnamen ausschließlich in deutscher Sprache oder die polnischen Namen in Klammern unter den deutschen oder auch nur polnisch. Daraus sollten Sie kein Po­litikum machen; im Augenblick steht zwar schon fest, daß der Erste Weltkrieg im günstigsten Falle noch durch einen ehren­vollen Waffenstillstand beendet werden kann, aber: Noch ist Pommern nicht verloren!“

 

 

 

 

ChristineBrueckner
Christine Brückner (10 december 1921 – 21 december 1996)

 

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Eugène Sue werd geboren op 10 december 1804 in Parijs. Zie ook mijn blog van 10 december 2006.

 

Uit: Les sept péchés capitaux

 

„Il marchait d'un air solennel, portant sur un plateau un petit réchaud d'argent de la grandeur d'une assiette, surmonté de sa cloche. A côté de ce plat, on voyait un petit flacon de cristal rempli d'une liqueur limpide et couleur de topaze brûlée.
- Paolo, demanda le chanoine, qu'est ce que cette argenterie ?
- Elle appartient à M. Appetit, seigneur ; sous cette cloche est une assiette à double fond, remplie d'eau bouillante car il faut surtout, dit ce grand homme, manger brûlant.
- Et ce flacon, Paolo ?
- Son emploi est indiqué sur ce billet, seigneur, qui vous annonce les mets que vous allez manger.
- Voyons ce billet, dit le chanoine.
Et il lut :
"Oeufs de pintades frits à la graisse de caille, relevés d'un coulis d'écrevisses. N.B. Manger brûlant, ne faire qu'une bouchée de chaque oeuf, après l'avoir bien humecté de coulis.“
"Mastiquer pianissimo.
"Boire, après chaque oeuf, deux doigts de ce vin de Madère de 1807, qui a fait cinq fois la traversée de Rio de Janeiro à Calcutta.“

 

 

 

sue
Eugène Sue (10 december 1804 – 3 augustus 1859)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Karl Heinrich Waggerl werd geboren op 10 december 1897 in Bad Gastein. Zie ook mijn blog van 10 december 2006.

 

Vom Ochsen und vom Esel

 

„Vom Ochsen und vom Esel hat die Schrift durchaus nichts zu melden. Aber meine Mutter hat mir erzählt, wie es war: Der Erzengel, während Joseph mit Maria nach Bethlehem wanderte, rief die Tiere in der Gegend zusammen, um eines oder das andere auszuwählen, das der Heiligen Familie im Stall mit Anstand aufwarten konnte.

Als erster meldete sich natürlich der Löwe. Nur jemand von königlichem Geblüt sei würdig, brüllte er, dem Herrn der Welt zu dienen.  Er werde sich mit all seiner Stärke vor die Tür setzen und jeden zerreißen, der sich in die Nähe des Kindes wagte.

"Du bist mir zu grimmig", sagte der Engel.

Darauf schlich der Fuchs heran und erwies in aller Unschuld eines Gaudiebes seine Reverenz mit der Rute. König hin oder her, meinte er, vor allem sei doch für die leibliche Notdurft zu sorgen. Deshalb mache er sich erbötig, süßesten Honig für das Gotteskind zu stehlen und jeden Morgen auch ein Huhn in den Topf für die Wöchnerin.

"Du bist mir zu liederlich" sagte der Engel.

Nun stelzte der Pfau in den Kreis. Das Sonnenlicht glänzte in seinem Gefieder, rauschend entfaltete er sein Rad. So wolle er es auch hinter der Krippe aufschlagen, erklärte er, und damit den armseligen Schafstall köstlicher schmücken als Salomon seinen Tempel.

"Du bist mir zu eitel" sagte der Engel.

Hinterher kamen noch viele der Reihe nach, Hund und Katze, die kluge Eule und die süß flötende Nachtigall, jedes pries seine Künste an, aber vergeblich. Zuletzt blickte der strenge Cherub noch einem um sich und sah Ochs und Esel draußen auf dem Felde stehen, beide im Geschirr, denn sie dienten einem Bauern und mußten Tag für Tag am Wassergöpel im Kreise laufen. Der Engel rief auch sie herbei. "Ihr beiden, was habt ihr anzubieten?"

"Nichts, Euer Gnaden" sagte der Esel und klappte traurig seine Ohren herunter. "Wir haben nichts gelernt, außer Demut und Geduld. Denn in unserem Leben hat uns alles andere immer nur noch mehr Prügel eingetragen."

"Aber" warf der Ochse schüchtern ein, "aber vielleicht könnten wir dann und wann ein wenig mit den Schwänzen wedeln und die Fliegen verscheuchen!"

"Dann seid ihr die Rechten!" sagte der Engel.“

 

 

 

Waggerl
Karl Heinrich Waggerl (10 december 1897 – 4 november 1973)

 

 

 

26-01-08

Menno ter Braak, Achim von Arnim, Rudolf Alexander Schröder, Gerrit Jan Zwier, Bhai, Jan van Hoogstraten, Eugène Sue


De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

 

Uit: Politicus zonder partij

 

Een schrijver wordt brutaler, na zijn dertigste jaar, als hij ten minste op die leeftijd nog geen penny-a-liner is geworden, om met de pen het brood te verdienen, dat hij op geen andere manier verdienen kon. Hij heeft langzamerhand geleerd, niet te hoog meer op te zien tegen het handwerk, hij heeft te veel vrienden aan het handwerk verloren, om nog overmatig eerbied te hebben voor een vak, dat mensen verslindt om er ambachtslieden voor terug te geven. De ‘geheimen’ van het vak bespreekt hij niet meer met zoveel ijver als vroeger; de geheimen, waarover men zoveel spreekt, zijn gewoonlijk al lang trucs gebleken, en over de werkelijke geheimen kan men beter zwijgen, zelfs zonder een geheimzinnig gezicht.

Een schrijver wordt brutaler... als genieën, litteratuur en officiële wijsheid hem althans niet voor die tijd zulk een afkeer van het ‘vak’ bezorgden, dat hij verstomde en voorgoed opbrak uit een milieu, waaraan niets hem meer bond....

 

De verleiding om te zwijgen is mij soms te machtig.

Moet er weer een boek ontstaan? Moet er aan de ‘productie’ weer een exemplaar worden toegevoegd? Is het dan niet mogelijk afstand te doen van de schrijfdrang en een eerzaam burger te worden met hen, die brieven schrijven? Wat ‘eerzaam’! men behoeft niet eens eerzaam te worden, wanneer men leeft zonder schriftelijke stofwisseling, men kan dan zelfs royaal en zwijgend het zijne denken van de eerzame auteurs van het vak!... In die stemming heb ik mij dikwijls afgevraagd, waarom ik dit boek zou beginnen. Het kwam mij voor, dat alles, wat ik te zeggen had, zo vanzelf sprak, dat ik het rustig ongeschreven kon laten en er hoogstens over behoefde te spreken met een paar vertrouwde vrienden, die geen litteraire inkleding van node hebben en bij het eerste woord al vermoeden, wat het laatste zal inhouden. In die stemming liep ik onlangs te soezen, zonder enig verlangen naar schriftelijke klaarheid in mijn buitelende begrippen, toen ik bijna door een tram werd overreden.”

 

 

TerBraak
Menno ter Braak
(26 januari 1902 -  14 mei 1940)

 

 

 

De Duitse schrijver Achim von Arnim werd geboren in Berlijn op 26 januari 1781. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

 

Uit: Holländische Liebhabereien

 

Der Adel und die Städte der Provinz wünschten diese Aufopferung zu lohnen und ließen den Bürgern die Wahl zwischen Zollfreiheit und der Errichtung einer Universität, die dem Lande zum Bedürfnis wurde, weil der Krieg und die Glaubensverschiedenheit den Besuch vieler ausländischer Universitäten hinderte. Die Stadt blieb eingedenk des höheren Daseins, dem so viele Bürger geopfert worden, sie wählte die Errichtung einer Universität. So wurde diese jetzt mit großem Ruhme bestehende hohe Schule zu einer Zeit begründet, wo das Dasein Hollands und seines Staatenbundes so ungewiß bei jedem Wurfe der Kriegswürfel schwankte wie sein Boden bei dem Andrange hoher Flut und Flußströmung. Dem höheren gesellte sich bald der niedere Gewinn, so wenig er in voraus berechnet war, denn die Universität zog reiche Schüler des Inlands und Auslands herbei. Neben diesem Ruhme erscholl aber auch der Streit gelehrter Theologen, ergriff die Menge und verbreitete auch auf diesem Wege Einsicht in Geistestiefe, wo sonst die Gewöhnlichkeit den Blick gestumpft hatte, wogegen nicht zu leugnen ist, daß dieser Kampf zwischen Herrmann und Gomar viele ausgezeichnete Männer ins Verderben gestürzt hat. Wir stehen jetzt bei der Gegenwart, ehrenwerter Herr, bei diesem 1635 Jahre nach der Geburt des göttlichen Versöhners, wo Euer Kampf mit dem Kollegen Zahnebreker über griechische Lesarten nicht minder wie jene theologischen Wahrheiten sich aller Köpfe bemächtigt und unsre Universitäten gespalten hat. Dieses Übel zu mehren, hat der Krieg in Deutschland uns eine große Zahl hochdeutscher Studenten zugeführt, die sich nach dem Vorbilde der rauhen nordischen Krieger zu einer Art halber Kriegsknechte ausgebildet haben, welche die wilden Gewohnheiten ihres Landes in unsre wohlgeordnete Stadt übertragen. Diese waren es nun, wie die Untersuchung ergibt, welche Eure Fenster, ehrwürdiger Herr, mit aufgerissenen Pflastersteinen wie mit Belagerungsgeschütz angriffen und zerschmetterten, ja sie schämen sich dessen nicht, sondern rühmen sich, dadurch in geziemender Art die Störung bestraft zu haben, welche Eure Anhänger durch Pfeifen und Trommeln der Aufführung des 'Gysbert' zufügten, welche der große Dichter Vondel unter dem Schutze Zahnebrekers in der großen Dule veranstaltet hatte. Über diese Angabe Eure Aussage zu hören, ist der Gegenstand meines Besuches und meiner Rede, ja ich zweifle nicht, daß Ihr Euch wegen dieses Vorwurfs einer beabsichtigten Störung des öffentlichen Vergnügens am Schauspiele vollkommen rechtfertigen werdet.”

 

 

 

 

AchimvonArnimErzaehlungen
Achim von Arnim  (26 januari 1781 -  21 januari 1831)

 

 

 

De Duitse schrijver Rudolf Alexander Schröder werd geboren op 26 januari 1878 in Bremen. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

 

Bremen

 

Uralte Stadt am grauen Strom,

Verwittert Giebelwerk und Zinnen;

Und blickst doch zum bewölkten Dom

Des Norderhimmels auf voll Minnen,

Als wärest du die junge Braut,

Die sich begibt der spröden Wehre,

Daß sie vom Gott, vor dem ihr graut,

Halbgöttliches Geschlecht gebäre.

 

Wohl bricht der Quell, der dich verjüngt,

Aus Deutschlands mittem Herzensgrunde,

Wo’s unterm Berg dem Alten dünkt,

Ihm schlage bald die neue Stunde,

Wo Eichen über dem Gebein

Erschlagner Überwinder rauschen

Und mit zerbröckelndem Gestein

Verschollenes Geheimnis tauschen.

 

Wohl raunt der Strom ohn Unterlaß

Und redet dir von Hermanns Mute,

Der seiner Welle nüchtern Naß

Wie Wein gefärbt mit welschem Blute,

Und raunt und redet Tag und Nacht

Vom Sachsenherzog und vom Kaiser,

Der ihn am Ende zahm gemacht,

Ein Dränger und ein Unterweiser.

 

Wohl wehn herein mit jeder Flut

Im salzigen Wind Tritonenchöre

Und murrn und murmeln von dem Gut,

Das in der Fremde dir gehöre,

Und singen mehr und sagen wahr

Von dem, das noch die Schriften weisen,

Da sie zu Zeiten dunkel-klar

Des Nordens Leuchte dich geheißen.

 

Oh, wohl verstehst du solche Mär,

Du, die noch stets den Nacken straffte,

Und ob dir auch durch Schild und Wehr

Bis in den Leib die Wunde klaffte.

Ja, ob um deinen alten Ruhm

Manch stolz’re Schwester aufbegehre,

Du stehst, der Freiheit Heiligtum,

Und herbergst Vaterlandes Ehre.

 

Ja, Vaterstadt, ja, sei gegrüßt

Und bleibe deinem Sohn gewogen,

Der keine Flur so selig wüßt,

Daß du ihn doch nicht heimgezogen.

Verging mit Leben und Gedicht

Der Dienst, drin ich dir, Mutter, fröne,

So sprich: er war der beste nicht,

Doch war er einer meiner Söhne.

 

 

 

 

Schroeder
Rudolf Alexander Schröder (26 januari 1878 – 22 augustus 1962)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Gerrit Jan Zwier werd geboren in Leeuwarden op 26 januari 1947. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

 

Uit: Slauerhoff bij kampvuur en traanlamp

 

In zijn eerste dichtbundel Archipel, waarin de zeeën tot aan Paaseiland worden bevaren, kon Slauerhoff nog niet putten uit veel reiservaringen - hij had slechts een paar kustreisjes achter de rug - naar Bretagne en Portugal - en was een paar keer met de postboot naar Vlieland gevaren. Jules Verne en De Aarde en Haar Volken hadden toen nog een groter realiteitsgehalte dan de échte rede van Semarang of de Bond van Sjanghai. Maar ook later zou hij zijn reële reiservaringen blijven aanvullen met documentatie en blijven vermengen met fantasie. Arthur Lehning vroeg hem eens of een bepaald gedicht, dat kort tevoren was gepubliceerd, de neerslag vormde van een exotisch avontuur dat hij had beleefd. Waarop Slauerhoff hem wantrouwig aankeek en kortaf antwoordde met: ‘Nee, het was andersom! Ik schreef eerst het gedicht.’ Zijn geest had het gebied in kwestie dus eerder bezocht dan zijn zeemansbenen. In een kritiek in Greshoffs Nieuwe Arnhemsche Courant merkte hij eens op dat ‘men naar den geest een land kan behooren zonder er lichamelijk ooit geweest te zijn. Maar men kan ook een land vreemd blijven en er driekwart van zijn leven doorbrengen. Zoo gaat het vele Hollanders in Indië.’

Net als de jonge Camoës uit Het verboden rijk, werd Slauerhoffs Fernweh niet gestild door het lezen van de Odyssee. Als de zoon zich bij zijn vader beklaagt dat hij al twintig jaar is en Portugal nog nooit heeft verlaten, vraagt de vader hem waarom hij in godsnaam weg wil: ‘Waarom wil je weg? Wij hebben een groot slot en uitgestrekte bezittingen. De bergen zijn ook niet ver. Waarom blijf je niet hier en ga je niet voort met je gedichten?

Denk je dat overwinningen die toch in nederlagen verkeren, handelsondernemingen die eerst winst, dan verlies afwerpen, roemvoller zijn? En al het reizen doet je alleen zien dat de aarde overal gelijk is. Tracht liever Homeros te evenaren. Portugal zal vergeten zijn en onze naam dan nog voortleven.’ Waarop Camoës antwoordt met: ‘Wat heb ik er aan wat later met mijn naam gebeurt? Ik zelf leef nu en wil de wereld!’ Net als Odysseus, zal Camoës de zeeën bevaren en van alles meemaken; net als de naam van Homerus, zal die van Camoës met een gouden pen in het logboek der letterkunde worden bijgeschreven.”

 

 

 

gerrit_zwier
Gerrit Jan Zwier (Leeuwarden, 26 januari 1947)

 

 

 

 

De Surinaamse dichter Bhai (eig.James Ramlall) werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

 

nivedan
(verzoek)

 

Broeder,

als ik ben gestorven,

wilt ge dan mijn moeder troosten?

 

Broeder,

als ik ben gestorven,

wilt ge dan

mijn lichaam bergen?

 

Weet Broeder weet....

dat ik zonder kreet

heb aanvaard dit bittere leven,

dat ik zonder zucht

ook sterven zal.

 

Broeder,

als ik ben gestorven,

wilt ge dan mijn moeder troosten?

 

 

 

 

jivan-sagar
(levenszee)

 

Het leven is een onzichtb're zee

met vele duistere stromen,

waarop ons leven, als een wrak,

vaak weerloos ligt te drijven.

 

 

 

DichterBhai
Bhai (District Suriname, 26 januari 1935)

 

 

 

De Nederlandse dichter Jan van Hoogstraten werd geboren in Rotterdam op 26 januari 1662. Zijn vader was de uitgever, vertaler en dichter François van Hoogstraten en zijn moeders naam was  Hester de Koning. Van Hoogstraten was aanvankelijk boekverkoper in Dordrecht. Hij verhuisde in 1700 naar Breda en vestigde zich vervolgens in Gouda. In deze stad genoot hij bescherming van de voornaamste regentenfamilies. Zo was hij bevriend met de burgemeesters Govert Cincq en Arent van der Burgh. Hij verbleef dikwijls in het buitenverblijf Burghvliet van Van der Burgh, een trefpunt voor veel schrijvers en dichters. In zijn dichtwerk worden de bevriende Goudse patriciërs dan ook regelmatig genoemd en geprezen.

 

 

Op de TYTELPRENT.

DE blyde Zangkunst van een Heylig vuur geraakt,
Om Gode in 't Eewig Ligt haar vaarzen toe te zingen,
Wyst met haar regte hand hoe zelf Gods Liefde blaakt,
Om op dat vreugdefeest ten Hemel in te dringen.
De Lauwer voegt haar hooft als overwinnares,
Van al wat Zang en Spel hanteert, en hier beneden,
Op de ydle klank verlieft der aardse Zangmeestres,
Aan de ontugt hangen blyft en de bedorve zeden.
De Linker, die 't Gordyn voor 't oog houd opgeschoven,
Vertoont de werrelt ver beneen haar spoor gedwaalt;
Waar boven
Liefde Gods, verheven zegepraalt,
En 't Zangziek hart en oor verrukt, en lókt na boven.
Verschove deugd, die in haar Liefde, en lof verdrinkt,
En 't heylig Pinxtervuur ziet op haar voorhooft blaken:
Wenst, om haar byzyn al het aardse te verzaken,
Daar zy in 't Hemels Koor op Davids toonen zingt.
Dus hoog verheven, om de werrelt voor te ligten,
Wil zy geen zang als die vermaken kan, en stigten.

 

 

 

 

Hoogstraten
Jan van Hoogstraten  (26 januari 1662 - ? 1756)

 

 

 

 

De Franse schrijver Eugène Sue zou geboren zijn op 26 januari 1804. Zie voor meer informatie en een fragment mijn blog van 10 december 2006 en ook mijn blog van 26 januari 2007.

 

 

 

10-12-07

Emily Dickinson, Nelly Sachs, Gertrud Kolmar, Karl Heinrich Waggerl, Ara Baliozian, Eugène Sue


De Amerikaanse dichteres Emily Dickinson werd geboren op 10 december 1830 in Amherst, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 10 december 2006.

 

 

Because I could not stop for Death

 

Because I could not stop for Death – 

He kindly stopped for me – 

The Carriage held but just Ourselves – 

And Immortality.

 

We slowly drove – He knew no haste

And I had put away

My labor and my leisure too,

For His Civility – 

 

We passed the School, where Children strove

At Recess – in the Ring – 

We passed the Fields of Gazing Grain – 

We passed the Setting Sun – 

 

Or rather – He passed us – 

The Dews drew quivering and chill – 

For only Gossamer, my Gown – 

My Tippet – only Tulle – 

 

We paused before a House that seemed

A Swelling of the Ground – 

The Roof was scarcely visible – 

The Cornice – in the Ground – 

 

Since then – 'tis Centuries – and yet

Feels shorter than the Day

I first surmised the Horses' Heads

Were toward Eternity – 

 

 

 

The Soul unto itself

 

The Soul unto itself

Is an imperial friend  – 

Or the most agonizing Spy  – 

An Enemy  –  could send  – 

 

Secure against its own  – 

No treason it can fear  – 

Itself  –  its Sovereign  –  of itself

The Soul should stand in Awe  – 

 

 

 

 

There's a certain Slant of light

 

There's a certain Slant of light,

Winter Afternoons – 

That oppresses, like the Heft

Of Cathedral Tunes – 

 

Heavenly Hurt, it gives us – 

We can find no scar,

But internal difference,

Where the Meanings, are – 

 

None may teach it – Any – 

'Tis the Seal Despair – 

An imperial affliction

Sent us of the air – 

 

When it comes, the Landscape listens – 

Shadows – hold their breath – 

When it goes, 'tis like the Distance

On the look of Death – 

 

 

 

 

Dickinson
Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Nelly Sachs werd op 10 december 1891 in Berlijn geboren. Zie ook mijn blog van 10 december 2006.

 

Einer war

Einer war
Der blies den Schofar -
Warf nach hinten das Haupt,
Wie die Rehe tun, wie die Hirsche
Bevor sie trinken an der Quelle.
Bläst:
Tekia
Ausfährt der Tod im Seufzer -
Schewarim
Das Samenkorn fällt -
Terua
Die Luft erzählt von einem Licht!
Die Erde kreist und die Gestirne kreisen
Im Schofar,
Den Einer bläst -
Und um den Schofar brennt der Tempel -
Und Einer bläst -
Und um den Schofar stürzt der Tempel -
Und Einer bläst -
Und um den Schofar ruht die Asche -
Und Einer bläst -

 

 

 

Immer

Immer
dort wo Kinder sterben
werden die leisesten Dinge heimatlos.
Der Schmerzensmantel der Abendröte
darin die dunkle Seele der Amsel
die Nacht heranklagt -
kleine Winde über zitternde Gräser hinwehend
die Trümmer des Lichtes verlöschend
und Sterben säend -

Immer
dort wo Kinder sterben
verbrennen die Feuergesichter
der Nacht, einsam in ihrem Geheimnis -
Und wer weiß von den Wegweisern
die der Tod ausschickt:
Geruch des Lebensbaumes,
Hahnenschrei der den Tag verkürzt
Zauberuhr vom Grauen des Herbstes
in die Kinderstuben hinein verwunschen -
Spülen der Wasser an die Ufer des Dunkels
rauschender, ziehender Schlaf der Zeit -

Immer
dort wo Kinder sterben
verhängen sich die Spiegel der Puppenhäuser
mit einem Hauch,
sehen nicht mehr den Tanz der Fingerliliputaner
in Kinderblutatlas gekleidet;
Tanz der stille steht
wie eine im Fernglas
mondentrückte Welt.

Immer
dort wo Kinder sterben
werden Stein und Stern
und so viele Träume heimatlos.

 

 

 

Sachs
Nelly Sachs (10 december 1891 – 12 mei 1970)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 10 december 2006.

 

De Duitse dichteres en schrijfster Gertrud Kolmar (pseudoniem van Gertrud Käthe Chodziesner) werd op 10 december 1894 in Berlijn geboren.

 

De Oostenrijkse schrijver Karl Heinrich Waggerl werd geboren op 10 december 1897 in Bad Gastein.

 

De Armeense schrijver Ara Baliozian werd geboren op 10 december 1936 in Athene.

 


De Franse schrijver Eugène Sue werd geboren op 10 december 1804 in Parijs.

 

 

26-01-07

Menno ter Braak, Achim von Arnim, Rudolf Alexander Schröder, Gerrit Jan Zwier, Bhai, Eugène Sue


De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Hij kwam tijdens zijn studie Nederlands en Geschiedenis in Amsterdam in contact met Joris Ivens, met wie hij "De Nederlandsche Filmliga" oprichtte. Met deze organisatie probeerden zij ervoor te zorgen dat experimentele films het grote publiek konden bereiken. Nadat Ter Braak leraar aan het Rotterdamsch Lyceum was geworden, schreef hij in 1930 Het Carnaval der Burgers. Hierin beschrijft hij de tegenstelling tussen de uitdrukking van gevoelens in de kunst en de maatschappij die deze gevoelens onderdrukt. In 1933 werd Ter Braak aangenomen als letterkundig redacteur van het dagblad Het Vaderland waardoor hij zijn baan als leraar kon opgeven. Zijn leraarschap zou hij later nog verwerken in het sterk autobiografische Dr. Dumay Verliest. Gedurende zijn loopbaan als redacteur maakte Ter Braak naam met kritieken waarin hij zich, behalve over de boeken die hij recenseerde, ook regelmatig uitliet over de actualiteit en de maatschappelijke problemen van zijn tijd. In deze wekelijkse 'Kronieken' vergeleek hij gewoonlijk diverse boeken met elkaar, zowel nieuwe uitgaven als herdrukken, waardoor zijn kritisch werk een spiegel is geworden van de Nederlandse literatuur tussen 1900 en 1940. Eind 1930 raakte Ter Braak bevriend met de uit Nederlands-Indië afkomstige schrijver Edgar du Perron. Uit die vriendschap is, behalve een omvangrijke briefwisseling, ook het vernieuwende literaire tijdschrift Forum voortgekomen. Ter Braak publiceerde daarin regelmatig essays, waaronder zijn Démasqué der Schoonheid, waaruit de discussie voortkwam die bekend werd als 'Vorm of vent': namelijk de vraag, inhoeverre in een kunstwerk de vorm (schoonheid of l'art pour l'art) of de persoonlijkheid van de kunstenaar de leidende kracht of het leidende principe is.

 

Ter Braak was naar het schijnt al jaren vastbesloten, in geval van een Nazi-bezetting van Nederland uit het leven te stappen. Na het binnenvallen van het Duitse leger op 10 mei 1940 deed hij ee (mislukte) poging om via Scheveningen naar Engeland te vluchten. Op 14 mei 1940, toen het Nederlandse leger had gecapituleerd, pleegde Ter Braak in de woning van zijn broer, huisarts te Den Haag, zelfmoord door een combinatie van een slaapmiddel en een injectie, toegediend door zijn broer.

 

Uit: Démasqé der Schoonheid

 

“Er is nog een derde mogelijkheid in den strijd met den vorm; maar over die mogelijkheid kan men pas spreken, wanneer men aan den lijve de smadelijke nederlaag van het aesthetisme gevoeld heeft, wanneer men persoonlijk ervaren heeft, hoe de schoonheid, die u van de natuurlijkheid der natuur verloste, die u bevrijdde van de beklemming der gemeenplaatsen, een nieuw net van gemeenplaatsen over u heeft uitgespreid. Het is pas mogelijk, het démasqué der schoonheid onder oogen te zien, als men zoo lang de waarheden der aestheten heeft nagepraat, dat men van hun onweerlegbaarheid wee is geworden. Maar wie de schoonheid wil demaskeeren, zonder ooit geweten te hebben, wat schoonheid was, verschilt niet van dat bekende type vrouwenhaters, die door hun haat moeten verbergen, dat zij te linksch waren om met vrouwen om te gaan. De derde mogelijkheid, het démasqué der schoonheid, veronderstelt, dat men de schoonheid gekend heeft en liefgehad, toen zij bevrijding en verlies beteekende, en dat men haar daarom is gaan verachten, toen zij het devies eener côterie ging worden. Want heeft er ooit een démasqué plaats vóór het bal?”

 

 

 

TerBraak
Menno ter Braak
(26 januari 1902 -  14 mei 1940)

 

De Duitse schrijver Achim von Arnim (eig. Ludwig Joachim von Arnim) werd geboren in Berlijn op 26 januari 1781. Arnim, uit een adellijke familie van diplomaten, studeerde in Halle an der Saale natuurwetenschappen, maar raakte in 1798 geïnteresseerd in de rechtenstudie. Hij had Ludwig Tieck leren kennen, en begon zelf schrijfselen uit te proberen, aanvankelijk geïnspireerd door Goethes Leiden des jungen Werthers, waaronder de roman Hollins Liebesleben. Toen hij in Göttingen verder ging studeren in 1801, ontmoette hij Clemens Brentano: met hem zou hij levenslang bevriend blijven. Arnim maakte tijdens zijn leven ontelbare reizen, schreef in Zwitserland nog een roman, en begon vanaf 1806, tezamen met Brentano, Des Knaben Wunderhorn uit te geven, de belangrijkste verzameling volksliederen uit de Romantiek. De Wunderhorn kreeg nog ruim een eeuw een grote belangstelling als een collectie opgetekende Duitse volkspoëzie, ofschoon men hem tegenwoordig vooral als romantische herbewerking van dit soort materiaal beschouwt. Goethe erkende de waarde van dit werk eveneens. Zijn belangrijkste novelle schreef Arnim in 1812, Isabella von Ägypten, over Keizer Karel die verliefd wordt op een zigeunerin. Dit verhaal zit vol mysterieuze en onheilspellende wendingen en illustreert hoezeer Arnim in de romantische beweging was ingebed. In 1813 en 1814 nam Arnim deel aan de veldtochten tegen Frankrijk. Nadat Napoleon verslagen was, kreeg hij de leiding over een politieke krant; hij kwam echter in aanvaring met de censuur. Noodgedwongen bracht hij zijn latere jaren in isolatie op zijn landgoed door: in 1817 schreef hij de eerste historische roman, Die Kronenwächter, over het middeleeuwse Duitsland.

 

Uit: Des Knaben Wunderhorn

 

Der traurige Garten

 

Ach Gott, wie weh thut Scheiden,
Hat mir mein Herz verwundt,
So trab ich über Helden,
Und traure zu aller Stund,
Der Stunden der sind alsoviel,
Mein Herz trägt heimlich Leiden,
Wiewohl ich oft fröhlich bin.

Hät mir ein Gärtlein bauet,
Von Veil und grünem Klee,
Ist mir zu früh erfroren,
Thut meinem Herzen weh;
Ist mir erfrorn bei Sonnenschein
Ein Kraut je länger je lieber,
Ein Blümlein Vergiß nicht mein.

Das Blümlein, das ich meine,
Das ist von edler Art,
Ist aller Tugend reine,
Ihr Mündlein das ist zart,
Ihr Aeuglein die sind hübsch und fein,
Wann ich an sie gedenke,
So wollt ich gern bei ihr seyn.

Mich dünkt in all mein Sinnen,
Und wann ich bei ihr bin,
Sie sey ein Kaiserinne,
Kein lieber ich nimmer gewinn,
Hat mir mein junges Herz erfreut,
Wann ich an sie gedenke,
Verschwunden ist mir mein Leid
.

 

 

Arnim
Achim von Arnim  (26 januari 1781 -  21 januari 1831)

 

De Duitse schrijver Rudolf Alexander Schröder werd geboren op 26 januari 1878 in Bremen. Schröder was een veelzijdig man, actief als dichter en vertaler, essayist, bibliofiel uitgever, binnenhuisarchitect en schilder. In zijn vaderland groeide hij uit tot een nationale persoonlijkheid. Dat bleek vooral in 1953, toen hem ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag een grootse hulde werd gebracht. In het voorgaande jaar waren voor deze gelegenheid zijn Gesammelte Werke begonnen te verschijnen. Het eerste deel bevat Schröders gedichten, het tweede en derde zijn vele opstellen en redevoeringen. In de volgende zijn (metrische) vertalingen van klassieke dichters opgenomen, respectievelijk van Homerus, van Vergilius en Horatius, van Corneille, Racine en Molière en van Shakespeare. In 1965 werd de reeks afgesloten met de achtste band, Predigten zum Kirchenjahr: vanaf 1941 was Schröder namelijk ook actief als Laienprediger.

 

Die Klage

 

Nun geht der Jammer
Die Not, die Schande
Durch Haus und Kammer,   
Durch Markt und Lande;
 
Zerbricht die Städte,
Die klugerbauten,
Ruhm, Ränk und Räte,
Darauf, wir trauten.
 
In Graus und Aschen,
Vom Strahl getroffen,
Das frevle Haschen,
Das dreiste Hoffen.
 
Nun müsst ihr tragen,
Was andre litten,
Verlorne Klagen,
Verworfne Bitten,
 
Verfehltes Lieben,
Verwirkte Treue,
Der nichts geblieben
Als Schmach und Reue
 
Vergebnen Grämens,
Das keiner segnet,
Voll stummen Schämens,
Dem Zorn begegnet.
 
Wir wurden Meister
Und blieben Toren,
Die Höllengeister
Ans Licht beschworen;   

 

Der Trotz wollt's wenden
Mit Lug und Truge
Und muss doch enden
Nach Recht und Fuge.
 
Das freche Prahlen
Des Übermutes,
Geseufz und Qualen
Vergossnen Blutes,
 
Geschrei und Zähren,
Ihr müsst sie gelten;
Da frommt kein Wehren,
Da hilft kein Schelten.
 
Wo wollt ihr hausen?
Wo wollt ihr hinnen?
Habt Hasser draussen
Und Henker drinnen,
 
Da Burg und Bürger
Sich nichts mehr bürget,
Der Mord den Würger
Im Nacken würget.
 
Verstrickt im Knäuel
Der Schadenfrone,
Dir selbst zum Greuel,
Der Welt zum Hohne,
 
Sieh all das Deine
Ins Elend wandern.
Ja, Deutschland, weine,
Ja, lacht, ihr andern!

 

 

 

 

SCHROEDER
Rudolf Alexander Schröder (26 januari 1878 – 22 augustus 1962)

 

De Nederlandse schrijver Gerrit Jan Zwier werd geboren in Leeuwarden op 26 januari 1947. Zwier studeerde antropologie en geografie in Groningen. Hij heeft veel gereisd, onder anderen door Scandinavië, en heeft een speciale band met Terschelling. De ervaringen die hij bij zijn reizen heeft opgedaan verwerkte hij in zijn verhalen en romans. In zijn proza refereert hij vaak aan de wereld van de wetenschap; hij beschrijft de individuele drang om te verkennen.

 

Uit: Zilverig Licht

 

“Hoewel er een frisse wind opsteekt, die de geuren van de zee en de omringende bergen met zich meedraagt, heeft niemand zin om naar binnen te gaan. Het is tegen twaalven. Verspreid over bankjes en stoelen zitten we voor het Gemeenschapshuis, af en toe pratend en geregeld omhoogkijkend naar de met bleke sterren bezaaide hemelkoepel. Een vlaag noorderlicht zou een mooie afsluiting zijn van onze wandelreis door IJsland.
Twee weken zijn we nu op pad, een eindeloze tijd. Weliswaar vliegen de dagen voorbij, maar al na een week had ik het gevoel een maand van huis te zijn. De tijd verloopt zowel traag als snel; ik zou daar morgen in mijn tafelspeech aan het slotdiner een paar regeltjes aan kunnen wijden. En aan het feit dat de mens weliswaar een groepsdier is, maar dat hij ook graag op zichzelf is. Hoe knellender het sociale kader, hoe sterker het verlangen naar eenzaamheid.
'Wil je een slokje?' vraagt Agaath, een roodharige Brabantse, en ze houdt me een fles calvados voor. Onderweg heeft ze daar een klein vermogen voor neergeteld, alcohol wordt op IJsland duur betaald. De scherpe appeljenever bijt in mijn tong.
'Jammer dat je niet verliefd op me bent,' zegt ze met trage stem.”

 

 

Zwier
Gerrit Jan Zwier (Leeuwarden, 26 januari 1947)

 

Bhai (Hindi en Sarnami voor: Broeder) is het pseudoniem van de Surinaamse dichter James Ramlall. Hij werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname, studeerde in Nederland (Nederlandse taal- en letterkunde en pedagogiek) en India (wijsbegeerte en religie), en promoveerde op het proefschrift The problem of Being in Sankara and Heidegger.

Hij werd onderdirecteur Cultuur en later directeur Cultuur van het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Cultuur, en betoonde zich zeer actief in de culturele wereld, onder andere als oprichter van het conferentiecentrum "Caribbean Centre" te Lelydorp.

Hij schreef poëzie in het Hindi en Nederlands in het tijdschrift Soela, filosofisch en meditatief. Het Nederlandstalige werk werd gebundeld in Vindu (Hindi voor: Geheim, 1982) waaruit het concreet-afbeeldende van zijn vroegere poëzie geheel is verdwenen. Voor deze bundel ontving Bhai de Literatuurprijs van Suriname 1980-1982.

 

dhan ka dukhra
(Rijste-Smart)

 

Slechts zij, die uit rijst geboren zijn

Slechts zij, die in rijst zijn opgegroeid

Slechts zij, die door rijst gestorven zijn

Kennen alleen de jammerklacht der halmen.

Want weet, dat iedere groei

in wezen sterven is

en iedere bloei vergaan.

Zo weet dan ook, dat iedere oogst

zeer smart'lijk is.

 

 

 

khali pyala
(een leeg glas)

 

Ik ben een glas - leeg -

dat staat te wachten

op een tafel,

in een onbewoond vertrek.

Ik heb geen verlangen,

maar ben tevreden,

als ik ooit

iemand laven mag.

 

 

Bhai
Bhai (Suriname, 26 januari 1935)

 

Er bestaat onzekerheid over de geboortedatum van de Franse schrijver Eugène Sue. Verscheidene biografen geven meerdere data aan. Maurice Lachâtre noemt 17 januari 1804, Alexandre Dumas vernoemt 1 januari 1803, Eugène de Mirecourt 1 januari 1801, Paul Ginisty haalt 10 december 1804 aan en François Lacassin 8 februari 1804. De verwarring is ontstaan doordat Sue is geboren onder de Franse Republikeinse Kalender. Volgens Jean-Louis Bory is Sue geboren op V pluviôse van het jaar XII van de Republiek. Dit komt volgens Bory overeen met 26 januari 1804.

 

Zie voor meer informatie  en een fragment ook mijn blog van 10 december 2005.

 

 

 

 

Sue
(26 januari 1804 – 3 augustus 1857)

 

 

10-12-06

Emily Dickinson, Nelly Sachs, Gertrud Kolmar, Karl Heinrich Waggerl, Ara Baliozian, Eugène Sue


Emily Dickinson werd geboren op 10 december 1830 in een welgestelde familie in het Amerikaanse Amherst, Massachusetts. Dickinson bleef ongehuwd en zou het grootste gedeelte van haar leven binnen de muren van het familiehuis doorbrengen. Jarenlang is aangenomen dat deze keuze voortvloeide uit xenofobie, maar uit recent onderzoek van haar correspondentie blijkt dat dit kluizenaarschap uit vrije wil was gekozen, zodat ze dichter bij haar eigen kern kon komen. Ofschoon ze zichzelf afsloot van de wereld, bleef ze toch op de hoogte van de literaire ontwikkelingen door het lezen van John Ruskin, John Keats en Thomas Browne. Door velen is het opgemerkt dat haar wijze van schrijven opvallend veel overeenkomsten vertoont met het werk van de Amerikaanse dichter Walt Whitman (1819-1892), wiens werk gekenmerkt wordt door het gebruik van 'Amerikaans Engels' en vrij vers.

Ondanks de uitzonderlijke originaliteit van Dickinsons werk werden er tijdens haar leven slechts zeven van de bijna achtienhonderd gedichten gepubliceerd. Algemene erkenning van haar werk vond pas plaats in de twintigste eeuw. In Nederland geldt Simon Vestdijk als haar "ontdekker": zijn essaydebuut in Forum,  begin 1933, betreft een verdediging en behandeling van Dickinsons poëzie.

 

A Thunderstorm

 

The wind begun to rock the grass
With threatening tunes and low, -
He flung a menace at the earth,
A menace at the sky.

The leaves unhooked themselves from trees
And started all abroad;
The dust did scoop itself like hands
And throw away the road.

The wagons quickened on the streets,
The thunder hurried slow;
The lightning showed a yellow beak,
And then a livid claw.

The birds put up the bars to nests,
The cattle fled to barns;
There came one drop of giant rain,
And then, as if the hands

That held the dams had parted hold,
The waters wrecked the sky,
But overlooked my father's house,
Just quartering a tree.

 

 

Summer Shower

 

A drop fell on the apple tree,
Another on the roof;
A half a dozen kissed the eaves,
And made the gables laugh.

A few went out to help the brook,
That went to help the sea.
Myself conjectured, Were they pearls,
What necklaces could be!

The dust replaced in hoisted roads,
The birds jocoser sung;
The sunshine threw his hat away,
The orchards spangles hung.

The breezes brought dejected lutes,
And bathed them in the glee;
The East put out a single flag,
And signed the fete away.

 

 

DICKINSON
Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)

 

Nelly Sachs werd als Leonie Sachs op 10 december 1891 in Berlijn geboren uit joodse ouders. In haar jeugd schreef ze hoofdzakelijk romantische poëzie, en in 1921 bracht ze een verhalenbundel uit. Ze werd hoofdzakelijk als dichteres bekend, wier werk één grote evocatie van dood en vervolgingsangst is. Door toedoen van het antisemitisme in de jaren 1930, kreeg ze publicatieverbod opgelegd; dit zorgde voor een ommezwaai in haar stijl, die tegelijk hypergevoelig en ietwat retorisch werd.

Sachs kreeg aan het begin van de Tweede Wereldoorlog de kans te ontsnappen aan een potentiële dood dankzij bemiddeling van de Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf. In 1940 vluchtte ze naar Zweden, en schreef tussen 1940 en 1944 een verzameling gedichten die hoofdzakelijk over ballingschap en de Holocaust handelen; deze collectie werd onder de titel In den Wohnungen des Todes gepubliceerd. In 1966 werd Nelly Sachs, tezamen met de Israëlische schrijver Agnon, de Nobelprijs voor de literatuur toegekend, bij wijze van erkenning van haar bijdrage aan de naoorlogse joodse literatuur. Zij bleef in Zweden wonen en overleed er in 1970.

Vielleicht aber braucht Gott die Sehnsucht

Vielleicht aber braucht Gott die Sehnsucht, wo sollte sonst
sie auch bleiben,
Sie, die mit Küssen und Tränen und Seufzern füllt die
geheimnisvollen Räume der Luft -
Vielleicht ist sie das unsichtbare Erdreich, daraus die glühenden
Wurzeln der Sterne treiben -
Und die Strahlenstimme über die Felder der Trennung, die zum
Wiedersehn ruft?
O mein Geliebter, vielleicht hat unsere Liebe in den Himmel
der Sehnsucht schon Welten geboren -
Wie unser Atemzug, ein - und aus, baut eine Wiege für Leben
und Tod?
Sandkörner wir beide, dunkel vor Abschied, und in das goldene
Geheimnis der Geburten verloren,
Und vielleicht schon von kommenden Sternen, Monden und
Sonnen umloht.

 

Immer dort wo Kinder sterben

Immer
dort wo Kinder sterben
werden die leisesten Dinge heimatlos.
Der Schmerzensmantel der Abendröte
darin die dunkle Seele der Amsel
die Nacht heranklagt –
kleine Winde über zitternde Gräser hinwehend
die Trümmer ihres Lichtes verlöschend
und Sterben säend –

Immer
dort wo Kinder sterben
verbrennen die Feuergesichter
der Nacht, einsam in ihrem Geheimnis –
Und wer weiß von den Wegweisern
die der Tod ausschickt:
Geruch des Lebensbaumes,
Hahnenschrei der den Tag verkürzt
Zauberuhr vom Grauen des Herbstes
in die Kinderstuben hinein verwunschen –
Spülen der Wasser an die Ufer des Dunkels
rauschender, ziehender Schlaf der Zeit –

Immer
dort wo Kinder sterben
verhängen sich die Spiegel der Puppenhäuser
mit einem Hauch,
sehen nicht mehr den Tanz der Fingerliliputaner
in Kinderblutatlas gekleidet;
Tanz der stille steht
wie eine im Fernglas
mondentrückte Welt.

Immer
dort wo Kinder sterben
werden Stein und Stern
und so viele Träume heimatlos.

 

 

NELLYS_SACHS
Nelly Sachs (10 december 1891 – 12 mei 1970)

 

Gertrud Kolmar werd op 10 december 1894 in Berlijn geboren als Gertrud Käthe Chodziesner. Zij was de dochter van de joodse advocaat Ludwig Chodziesner en zijn vrouw Elise (Schoenflies). In 1917 verscheen haar eerste dichtbundel onder haar pseudoniem. Aan het eind van de jaren 1920 verschenen afzonderlijke gedichten in literaire tijdschriften en bloemlezingen. Haar derde bundel "Die Frau und die Tiere", die in augustus 1938 was verschenen  werd tijdens de Reichspogromnacht van 9 november 1938 vernietigd. Haar familie werd gedongen hun huis te verkopen en te verhuizen naar een zogenaamd „jodenhuis“in Berlijn- Schöneberg. Gertrud Kolmar werd op 27 februari 1943 gearresteerd en op 3 maart getransporteerd naar Auschwitz. Datum en omstandigheden van haar dood zijn niet bekend. Hoewel Kolmaar tijdens haar leven niet veel gepubliceerd had, geldt zij tegenwoordig toch als een van de belangrijke Duitse dichteressen van de 20e eeuw.

 

Die Sinnende

 

Wenn ich tot bin, wird mein Name schweben
Eine kleine Weile ob der Welt.
Wenn ich tot bin, mag es mich noch geben
Irgendwo an Zäunen hinterm Feld.
Doch ich werde bald verlorengehn,
Wie das Wasser fließt aus narbigem Krug,
Wie geheim verwirkte Gabe der Feen
Und ein Wölkchen Rauch am rasenden Zug.

 

Wenn ich tot bin, sinken Herz und Lende,
Weicht, was mich gehalten und bewegt,
Und allein die offnen, stillen Hände
Sind, ein Fremdes, neben mich gelegt.
Und um meine Stirn wirds sein
Wie vor Tag, wenn ein Höhlenmund Sterne fängt
Und aus des Lichtgewölbs Schattenstein
Graues Tuch die riesigen Falten hängt.

 

Wenn ich sterbe, will ich einmal rasten,
Mein Gesicht nach innen drehn
Und es schließen wie den Bilderkasten,
Wenn das Kind zuviel gesehn,
Und dann schlafen gut und dicht,
Da ich zittrig noch hingestellt,
Was ich war: ein wächsernes Licht
Für das Wachen zur zweiten Welt.

 

 

 

kolmar
Gertrud Kolmar (10 december 1894 – (?) maart 1943)

 

De Oostenrijkse schrijver Karl Heinrich Waggerl werd geboren op 10 december 1897 in Bad Gastein. Hij bezocht het lerarenseminarie in Salzburg en diende als officier in WO I, waarin hij Italiaans krijgsgevangene werd. Na zijn vrijlating in 1920 werd hij leraar in Wagrain, maar moest het werk al in 1923 om gezondheidsredenen opgeven. Zijn eerste roman Brot verscheen in 1930. In zijn verhalen en romans beschrijft Waggerl – steeds meer idealiserend – het landelijke leven. Sinds 1938 was hij lid van de NSDAP en vanaf 1940 burgemeester van Wagrain, waar hij 50 jaar lang woonde. Na WO II bleef met zijn idylliserende korte verhalen waarderen. Hermann Hesse schreef over hem: "Die eigentlich dichterischen Bücher in unserer Literatur werden immer seltener, aber die von Waggerl gehören zu ihnen."  Vooral in de kersttijd las hij tot aan zijn dood vaak voor uit zijn verhalen en legenden. Er werden ook plaatopnamen van gemaakt. In Wagrain staat een Waggerl-Museum.

Uit: Advent in Österreich

Advent, sagt man, sei die stillste Zeit im Jahr. Aber in meinem Bubenalter war er keineswegs die stillste Zeit.

Zu Anfang Dezember, in den unheimlichen Tagen, während Sankt Nikolaus mit dem Klaubauf unterwegs war, wurde ich in den Wald geschickt, um den Christbaum zu holen. Mit Axt und Säge zog ich aus, von der Mutter bis zum Hals in Wolle gewickelt und mit einem geweihten Pfennig versehen, damit mich ein heiliger Nothelfer finden konnte, wenn ich mich etwa verirrte. Ein Wunder von einem Baum stand mir vor Augen, mannshoch und sehr dicht beastet, denn er sollte nachher auch etwas tragen können. Stundenlang kroch ich im Unterholz herum, aber ein Baum im Wald sieht sich ganz anders an als einer in der Stube. Wenn ich meine Beute endlich daheim in die Waschküche schleppte, hatte sich das schlanke pfeilgerade Stämmchen doch wieder in ein krummes und kümmerliches Gewächs verwandelt, auch der Vater betrachtete ihn mit Sorge. Er mußte seine ganze Zimmermannskunst aufwenden, um das Ärgste zurechtzubiegen, ehe die Mutter kam.

Ach, die Mutter! In diesen Wochen lief sie mit hochroten Wangen herum, wie mit Sprengpulver geladen, und die Luft in der Küche war sozusagen geschwängert mit Ohrfeigen. Dabei roch die Mutter so unbeschreiblich gut, überhaupt ist ja der Advent die Zeit der köstlichen Gerüche. Es duftet nach Wachs, nach angesengtem Reisig, nach Weihrauch und Bratäpfel. Ich sage ja nichts gegen Lavendel und Rosenwasser, aber Vanille riecht doch viel besser, oder Zimt und Mandeln.

Mich ereilten dann die qualvollen Stunden des Teigrührens. Vier Vaterunser das Fett, drei die Eier, ein ganzer Rosenkranz für Zucker und Mehl. Die Mutter hatte die Gewohnheit, alles Zeitliche in ihrer Kochkunst in Vaterunser zu bemessen, aber die mußten laut und sorgfältig gebetet werden, damit ich keine Gelegenheit fände, den Finger in den Teig zu tauchen. Wenn ich nur erst den Bubenstrümpfen entwachsen wäre, schwor ich mir damals, dann wollt ich eine ganze Schüssel voll Kuchenteig aufessen, und die Köchin sollte beim Ofen stehen und mir zusehen müssen! Aber leider, das ist einer von den Träumen geblieben, die sich nie erfüllt haben. 

Am Abend nach dem Essen wurde der Christbaumschmuck erzeugt. Auch das war ein unheilschwangeres Geschäft. Damals konnte man noch ein Buch echten Blattgoldes für ein paar Kreuzer beim Krämer kaufen. Aber nun galt es, Nüsse in Leimwasser zu tauchen und ein hauchdünnes Goldhäutchen herumblasen. Das schwierige dabei war, daß man vorher nirgendwo Luft von sich geben durfte. Wir saßen alle in der Runde und liefen blaurot an vor Atemnot, und dann geschah es doch, daß einer niesen musste. Im gleichen Augenblick segelte eine Wolke von glänzenden Schmetterlingen durch die Stube. Einerlei, wer den Zauber verschuldet hatte, das Kopfstück bekam ich, obwohl es nur bewirkte, dass sich der goldene Unsegen von neuem in die Lüfte hob. Ich wurde dann in die Schlafkammer verbannt und mußte Silberpapier um Lebkuchen wickeln - ungezählte Lebkuchen, versteht sich.

Und wir Heutigen?

Leben wir nicht auch in einer Weltzeit des Advents? Scheint uns nicht alles von der Finsternis bedroht zu werden, das karge Glück unseres Daseins? Wir warten bang auf den Engel mit der Botschaft des Friedens und überhören so leicht, daß diese Botschaft nur denen gilt, die guten Willens sind. Es ist keine Hilfe und keine Zuflucht bei der Weisheit der Weisen und bei der Macht der Mächtigen. Denn der Herr kam nicht zur Welt, damit die Menschen weise, sondern damit sie gütiger würden. Und darum sind es allein die Kräfte des Herzens, die uns vielleicht noch werden retten können.“

 

Wagerl
Karl Heinrich Waggerl (10 december 1897 – 4 november 1973)

 

De Armeense schrijver Ara Baliozian werd geboren op 10 december 1936 in Athene. Hij bezocht het Mechitaristencollege Murat-Raphael in Venetie. Daar studeerde hij ook economie en politicologie aan de Ca' Foscari universiteit. Tegenwoordig woont en werkt hij in Ontario, Canada. Zijn werk wordt zowel in het Engels als in het Armeens gepubliceerd. Hij is tevens vertaler uit het Armeens, Het Frans en het Italiaans.

 

Werk o.a.: Voices of Fear (1989), Intimate Talk (1992), Undiplomatic Observations (1995), Pages From My Diary (1996)

 

 

Uit: Let’s talk Turkey

“The Armenians were punished because they sided with the enemy,” a gentle Turkish reader reminds me. By “punished” he probably means deported and not massacred. Which is it? Since both of my grandmothers survived and both my grandfathers perished, I must conclude some were deported, others “terminated.” As for siding with the enemy, this may indeed be true of Armenians on the Russo-Turkish border, but definitely not of Armenians on the mainland, except for the very few agitators and revolutionaries who may have acted in the name of the people but who represented no one but themselves, very much like the Talaat, Jemal, Enver troika. The overwhelming majority of Armenians in the ghetto of refugees where I grew up were both illiterate and devoid of political awareness. To accuse them of harboring secret territorial ambitions and betraying the Empire is not just wrong but absurd. I don’t remember my father saying anything remotely kind about our political parties or remotely unkind about Turks. I write these lines not as an Armenian but as a human being, and my intention is not to assert moral superiority but to understand why two people who lived side by side for six centuries prefer to believe their political leaders and to ignore the testimony of witnesses who value honesty and objectivity above prejudice and nationalist propaganda.
*
How can any tribe, nation, or race assert moral superiority and believe in it? Even worse: How can it also believe that in doing so it will not arouse the contempt and hatred of all men? The ancient Greeks knew better. They believed that pride or arrogance (hubris) is punished by the gods (Nemesis). And yet, in their eyes, all non-Greeks were barbarians. What happened next we know. They were defeated and colonized by Macedonians, Romans, and last but far from least, Turks. And unbelievable as this may see, even after centuries of enslavement, even in their present bastardized condition, they continue to cling to the notion that they are the real Chosen People. Figure that one out if you can.

 

 

 

Baliozian
Ara Baliozian (Athene, 10 december 1936)

 

Eugène Sue werd geboren op 10 december 1804 in Parijs. Deze nu nauwelijks nog bekende schrijver was in de jaren 1840 in van de meest gelezen en invloedrijkste schrijvers van Frankrijk. Hij is de literatuurgeschiedenis in gegaan als de grondlegger van de vervolgroman in kranten en als auteur van misschien wel de succesvolste krantenroman ooit: Les mystères de Paris. In 1841 bekeerde hij zich als het ware van een onpolitieke dandy tot een geengageerde socialist, die zich voor de problemen met de industrialisering van het snel groeiende Parijse proletariaat begon te interesseren en die dit interesse literair probeerde te verwerken. Op slag beroemd werd hij in 1843 met het genoemde Mystères de Paris, die van juli tot oktober bijna dagelijks in de eerder conservatieve krant Le Journal des Débats verschenen en die tot een lieteraire en sociale gebeurtenis van de eerste rang uitgroeiden. Op dit succes volgde Le Juif errant dat van juni 1844 tot oktober 1845 verscheen in het meer linkse blad Le Constitutionnel, en waarin hij zijn sociaal en politiek engagement nog versterkte en wel in de zijn van een radikaal anti-clericalisme. Ook deze roman werd in heel Parijs gelezen en bediscussieerd. Gezien de tendens ervan belandde hij al snel op de Index.

 

 

Uit : Les mystères de Paris

 

« Le lecteur, prévenu de l'excursion que nous lui proposons d'entreprendre parmi les naturels de cette race infernale qui peuple les prisons, les bagnes, et dont le sang rougit les échafauds... le lecteur voudra peut-être bien nous suivre. Sans doute cette investigation sera nouvelle pour lui; hâtons-nous de l'avertir d'abord que, s'il pose d'abord le pied sur le dernier échelon de l'échelle sociale, à mesure que le récit marchera, l'atmosphère s'épurera de plus en plus.

Le 13 décembre 1838, par une soirée pluvieuse et froide, un homme d'une taille athlétique, vêtu d'une mauvaise blouse, traversa le pont au Change et s'enfonça dans la Cité, dédale de rues obscures, étroites, tortueuses, qui s'étend depuis le Palais de Justice jusqu'à Notre-Dame.

Le quartier du Palais de Justice, très-circonscrit, très-surveillé, sert pourtant d'asile ou de rendez-vous aux malfaiteurs de Paris. N'est-il pas étrange, ou plutôt fatal, qu'une irrésistible attraction fasse toujours graviter ces criminels autour du formidable tribunal qui les condamne à la prison, au bagne, à l'échafaud!

Cette nuit-là, donc, le vent s'engouffrait violemment dans les espèces de ruelles de ce lugubre quartier; la lueur blafarde, vacillante, des réverbères agités par la bise, se reflétait dans le ruisseau d'eau noirâtre qui coulait au milieu des pavés fangeux.

Les maisons, couleur de boue, étaient percées de quelques rares fenêtres aux châssis vermoulus et presque sans carreaux. De noires, d'infectes allées conduisaient à des escaliers plus noirs, plus infects encore, et si perpendiculaires, que l'on pouvait à peine les gravir à l'aide d'une corde à puits fixée aux murailles humides par des crampons de fer. »

 

 

 

Sue
Eugène Sue (10 december 1804 – 3 augustus 1859)