10-01-17

Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Dennis Cooper, Saskia Stehouwer, Adrian Kasnitz, Mies Bouhuys, Harrie Geelen, Jared Carter, Yasmina Khadra

 

De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook alle tags voor Antonio Muñoz Molina op dit blog.

Uit: A Manuscript of Ashes (Vertaald door Edith Grossman)

“She closed the door very slowly and went out with the stealth of someone leaving a sick person who has just fallen asleep at midnight. I listened to her slow steps along the hallway, fearing or wishing she would return at the last minute to leave her suitcase at the foot of the bed and sit down on the edge with a gesture of surrender or fatigue, as if she had already returned from the journey she had never been able to take until tonight. When the door closed the room was left in darkness, and now my only illumination is the thread of light that enters from the hall and slides in a tapering line to the legs of the bed, but at the window there is dark blue night and through the open shutters comes the breeze of a night that is almost summer, crossed in the far distance by the whistles of express trains that travel under the moon along the livid valley of the Guadalquivir and climb the slopes of Mágina on their way to the station where he, Minaya, is waiting for her now without even daring to hope that Inés, slim and alone, with her short pink skirt and her hair pulled back into a ponytail, will appear at a corner of the platform. He is alone, sitting on a bench, smoking perhaps as he looks at the red lights and the tracks and the cars stopped at the end of the station and of the night. Now, when she closed the door, I can, if I want, imagine him for myself alone, that is, for no one, I can bury my face beneath the turned-down bedclothes that Inés smoothed with so much secret tenderness before she left, and then, waiting in the darkness and in the heat of my body under the sheets, I can imagine or recount what happened and even direct their steps, those of Inés and his, on the way to their encounter and mutual acknowledgment on the empty platform, as if at this moment I had invented and depicted their presence, their desire, and their guilt.”

 

 
Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

Lees meer...

10-01-16

Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Dennis Cooper, Saskia Stehouwer, Adrian Kasnitz, Mies Bouhuys, Harrie Geelen

 

De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook alle tags voor Antonio Muñoz Molina op dit blog.

Uit: Die Nacht der Erinnerungen (Vertaald doorWilli Zurbrüggen)

„Ich habe ihn immer deutlicher gesehen, wie er aus dem Nichts auftauchte, aus dem Nirgendwo kommend wie aus einem Gedankenblitz heraus, mit dem Koffer in der Hand und ermüdet vom Hinaufeilen der von den schrägen Schatten der Marmorsäulen schraffierten Treppe, benommen von der maßlosen Weite, in die er eintritt und in der rechtzeitig seinen Zug finden zu können er sich nicht ganz sicher ist. Ich habe ihn unter all den anderen erkannt, unter denen er nicht auffällt in seinem dunklen Anzug, dem gleichfalls dunklen Regenmantel und Hut. Seine Kleidung ist europäischen Schnitts und für die Stadt und die Jahreszeit vielleicht etwas zu formell, genau wie der Koffer in seiner Hand, solide und teuer, aus Leder, doch ziemlich abgenutzt schon nach all dem Reisen, mit Aufklebern von Hotels und Reedereien, mit Kreideresten von Zollabfertigungen; ein Koffer, der schwer in seiner vom Umklammern des Tragegriffs schmerzenden Hand hängt und für eine so lange Reise dennoch unzureichend scheint. Mit der Präzision eines Polizeiberichts oder eines Traums nehme ich alle Einzelheiten der Wirklichkeit wahr.
Ich sehe sie in dem Moment vor mir auftauchen und Gestalt annehmen, als Ignacio Abel mitten im Geschiebe der Menge einen Augenblick stehen bleibt und sich umdreht wie einer, der gehört hat, dass man seinen Namen ruft. Vielleicht hat ihn jemand gesehen und sagt oder ruft seinen Namen, um über dem Tumult gehört zu werden, der von Marmorwänden und Eisengewölben widerhallt, über dem tönenden Wirrwarr von Stimmen, Schritten, kreischenden Lokomotiven, vibrierenden Böden, dem blechernen Echo der Lautsprecherdurchsagen und den Rufen der Zeitungsverkäufer, die die Abendblätter feilbieten. Ich erforsche seine Gedanken genauso wie seine Taschen und das Innere seines Koffers. Ignacio Abel betrachtet die Titelseiten der Zeitungen stets in der Erwartung und der Furcht, eine Schlagzeile zu lesen, in der das Wort Spanien, das Wort Krieg oder der Name Madrid auftaucht.“

 

 
Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

Lees meer...

10-01-15

Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Dennis Cooper, Adrian Kasnitz, Mies Bouhuys, Harrie Geelen, Yasmina Khadra

 

De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook alle tags voor Antonio Muñoz Molina op dit blog.

Uit: Alles wat solide was (Vertaald door Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan-van Braam)

“Tenzij je een cynicus bent of een gewetenloze schurk, geneest het hebben van kinderen je van apocalyptische verleidingen, van die obligate woede waarmee sommige ouderen verbitterd door de gebreken van hun leeftijd en het naderen van de dood zouden willen dat de wereld hen niet overleeft. Wat je graag wil is dat de veranderingen die wellicht komen niet catastrofaal zijn en dat je kinderen een behoorlijk leven hebben, zoals de meeste mensen zich voorstellen en wensen, met uitzondering van psychopaten en visionairs.
Camus zegt dat het geruststellende weten dat de volmaakte septembermiddagen zullen blijven bestaan als wij er niet meer zijn je verzoent met de dood. Ik zou willen dat mijn kinderen en de mensen van wie ze houden geen slechter leven hebben dan dat wat ik heb gehad, dat ze niet minder kansen krijgen, geen giftiger lucht hoeven in te ademen, niet hoeven te werken als slaven of meedogenloos moeten wedijveren of zich verdedigen achter geblindeerde deuren en hoge cementen muren, noch dat ze geplaagd worden door angst voor een ongeneeslijke ziekte of medische behandelingen die ze niet kunnen betalen.
Wat zou het fijn zijn als ze door Europa konden blijven reizen zonder bij de grens te worden aangehouden, of bang te hoeven zijn dat ze hun paspoort of visum moeten laten zien; als ze nooit trouw hoeven te zweren aan een dictator of in een menigte een demagoog hoeven toe te juichen, als ze hun gedachten niet hoeven te verbergen of moeten zeggen wat ze niet denken.”

 

 
Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

Lees meer...

10-01-14

Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Dennis Cooper, Adrian Kasnitz, Mies Bouhuys, Harrie Geelen


De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook alle tags voor Antonio Muñoz Molina op dit blog

Uit: Maanstorm (Vertaald door Adri Boon)

“Tijdens het aftellen wacht je vol ongeduld en spanning op een explosie die iets van een ramp zal hebben, maar na de nul gebeurt er niets. Je ligt op je rug, stijf, de knieën in een rechte hoek, de blik recht vooruit, naar boven, in de richting van de hemel, als je die zou kunnen zien door de transparante bolling van de ruimtehelm, die je na bevestiging aan de stijve kraag van het drukpak onderdompelde in net zo'n absolute stilte als op de zeebodem heerst. Opeens bewogen de monden van degenen die het dichtstbij waren zonder dat ze geluid voortbrachten en het was alsof je je al heel ver weg bevond terwijl de reis nog moest beginnen. Je handen op je dijen, je voeten tegen elkaar in de grote witte laarzen met een gele rand en een enorm dikke zool die voor de lancering met titanium klemmen zijn gefixeerd, je ogen wijdopen. Je hoort niets, zelfs niet het suizen van het bloed in je oren of je hartslag, waargenomen en doorgegeven door een paar sensors die vastzitten aan je borst, een diep, regelmatig geluid als van een trommel maar met een puls die veel minder exact is dan het tikken van de chronometers. Alles zal worden geregistreerd, het aantal hartslagen per minuut, van jou, van je twee mede-astronauten, allebei net zo bewegingloos en gespannen als jij, drie harten die kloppen in een verschillend ritme, als drie trommels die dwars door elkaar heen klinken. Je zult je ogen dichtdoen en wachten. Je oogleden zijn praktisch het enige lichaamsdeel dat je willekeurig kunt bewegen en dat doet je je fysieke broosheid beseffen, je naaktheid verhuld door de drie pakken over elkaar, gemaakt van nylon, plastic, katoen en geïmpregneerd met brandwerende materialen. Elk pak is op zichzelf al een ruimtevehikel.
Een paar jaar geleden zweefde je meer dan een uur in de ruimte op tweehonderd kilometer van de aarde, verbonden met het vaartuig door slechts een lange slang waardoor je kon ademen; je herinnert je geen angst of duizeligheid, slechts de gewaarwording van volmaakte stilte terwijl je met uitgestrekte armen en benen gewichtloos bewoog in het niets, onmerkbaar getroffen door deeltjes van de zonnewind.”

 

 
Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

Lees meer...

10-01-13

Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Dennis Cooper, Adrian Kasnitz, Mies Bouhuys, Harrie Geelen

 

De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook alle tags voor Antonio Muñoz Molina op dit blog

 

Uit: Sepharad (Vertaald door Margaret Sayers Peden)

 

“We had been away from our homes and our city for long, long months, but the smell and taste of them offered the same consolation as a letter, the same profound happiness and melancholy we felt after talking on the phone with our mothers or sweethearts. Our children, who spend the whole day glued to the telephone, talking for hours with someone they've seen only a short while before, can't believe that for us, not only in our childhood but our early teens as well, the telephone was still a novelty, at least in ordinary families, and because the system wasn't as yet automated, calling from one city to another-ringing someone up, as we said then-was a rather difficult undertaking that often meant standing in line for hours, waiting your turn in a public telephone office crammed with people. I'm not exactly an old man (although at times my wife says I seem ancient enough), but I remember when I had to call my mother at a neighbor's house and wait until they went to get her, all the while hearing footsteps in the wooden booth at the telephone company on the Gran Vía. Finally I would hear her voice and be overcome by an anguish I have felt only rarely since, a sensation of being far away and of having left my mother to grow old alone. We both would be nearly tongue-tied, because we used that exotic instrument so seldom that it made us very nervous, and we were consumed by the thought of how much we were paying for a conversation in which we barely managed to exchange a few formalities as trite as those in our letters: Are you well? Have you been behaving? Don't forget to wear your overcoat when you go out in the morning, it's getting cold. You had to swallow hard to work up the nerve to ask the person you were talking with to send a food package, or a money order. You hung up the telephone and suddenly all that distance was real again, and with that, besides the desolation of going outside on a Sunday evening, there was the contemptible relief of having put behind you an uncomfortable conversation in which you had nothing to say”.

 

Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

Lees meer...

10-01-12

Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Dennis Cooper, Adrian Kasnitz, Mies Bouhuys, Harrie Geelen

De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook mijn blog van 10 januari 2009 en ook mijn blog van 10 januari 2010 en ook mijn blog van 10 januari 2011.

 

Uit: Die Nacht der Erinnerungen (Vertaald doorWilli Zurbrüggen)

 

„Inmitten des T rubels der Pennsylvania Station ist Ignacio Abel stehen geblieben, als er jemanden seinen Namen rufen hört. Zuerst sehe ich ihn von ferne in der zu den Zügen strömenden Menge, zwergenhaft im Vergleich zur Architektur ringsum, eine männliche Gestalt, die sich nicht von anderen

unterscheidet, wie auf einer Fotografie aus jener Zeit: leichte Übergangsmäntel, Trenchcoats und Hüte; Damenhüte mit schräger Krempe und kleinen Federn an der Seite; rote Schirmmützen von Gepäckträgern und Schaffnern; undeutliche Gesichter in der Ferne; offene Mäntel mit wehenden

Schößen des rasch Dahinschreitenden; sich begegnende Menschenströme, die jedoch nie zusammenstoßen. Jeder Mann und jede Frau eine Gestalt, die den anderen ähnelt und dennoch

eine Identität besitzt, so einzigartig wie der Weg, den sie nimmt, um an ihr Ziel zu gelangen: Richtungspfeile, Tafeln mit Ortsnamen und Abfahrts- und Ankunftszeiten, hallende Eisentreppen, die unter dem Ansturm der Schritte erbeben; Uhren, die von eisernen Bögen hängen oder vertikale Anzeigetafeln mit großen Kalenderblättern krönen, auf denen schon von ferne das Datum abzulesen ist. Man sollte sich alles genau merken: Die Buchstaben und Zahlen, vom gleichen tiefen Rot wie die Mützen der Eisenbahnbediensteten, zeigen einen Tag gegen Ende Oktober 1936. Auf den beleuchteten Zifferblättern der Uhren, die wie Fesselballons hoch über den Köpfen der Menschen hängen, ist es zehn vor vier am Nachmittag. Zu dieser Zeit geht Ignacio Abel durch die Bahnhofshalle, einen luftigen Raum mit Marmor, hohen Eisenkonstruktionen und rußigen Bogenfenstern, durch die ein gelbliches Licht hereinfällt, in dem flirrender Staub und der Klang von Stimmen und Schritten träge dahintreiben.“

 

 

Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

 

Lees meer...

10-01-11

Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Dennis Cooper, Mies Bouhuys, Harrie Geelen

 

De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook mijn blog van 10 januari 2009 en ook mijn blog van 10 januari 2010.

 

Uit: Mondwind (Vertaald door Willi Zurbrüggen) 

 

„Du wartest voll Ungeduld und Angst auf eine Explosion, die etwas von einem Erdbeben haben wird, wenn der Countdown bei null angelangt ist, und dennoch passiert nichts. Du wartest, starr auf dem Rücken liegend, die Beine im rechten Winkel, die Augen geradeaus nach oben gerichtet, zum Himmel, wenn du ihn hinter der durchsichtigen Wölbung des Raumhelms sehen könntest, eingetaucht in eine endgültige Stille wie am Grunde des Meeres, als sie dir den Helm auf dem starren Kragenrund des äußeren Anzugs befestigten. Plötzlich bewegten sich die Münder derer, die dir am nächsten waren, ohne einen Ton hervorzubringen, und es war, als wärest du schon weit fort, ohne dass die Reise

überhaupt begonnen hätte. Die Hände auf den Oberschenkeln, die Füße in den großen weißen Stiefeln mit dem gelben Rand und der dicken Sohle nebeneinander, für den Start mit Titanklammern festgehalten, die Augen weit geöffnet. Du hörst nichts, nicht einmal das Rauschen des Blutes in deinen Ohren, nicht die Schläge deines Herzens, die an der Brust befestigte Sensoren registrieren und übermitteln, tief und regelmäßig, Paukenschlägen ähnlich, doch längst nicht so exakt in ihrem Takt wie der Pulsschlag von Chronometern. Die Zahl deiner Schläge pro Minute wird ebenso registriert wie die der Herzen deiner beiden Kameraden.

Jeder von ihnen so bewegungslos und angespannt wie du selbst. Drei Herzen klopfen in ihrem Brustkorb mit unterschiedlichem Rhythmus, wie drei aus dem Takt geratene Pauken. Wartend schließt du die Augen. Die Augenlider sind so ziemlich das Einzige an dir, was du bewegen kannst, und das erinnert dich an deine verletzliche Körperlichkeit, deine Nacktheit, verborgen im Innern dreier übereinandergetragener Anzüge aus Nylon, Plastik und Baumwolle, behandelt mit feuerfesten Substanzen. Jeder Anzug ist schon für sich ein Raumfahrzeug. Vor einigen Jahren schwebtest du über eine Stunde und zweihundert Kilometer über der Erde im leeren Raum, mit dem Raumschiff nur durch einen langen Schlauch verbunden, der dir das Atmen ermöglichte.“

 

 

 

Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

 

Lees meer...

Yasmina Khadra, Dennis Cooper, Jared Carter, Jutta Treiber, Franz Kain

 

De Algerijnse schrijver Yasmina Khadra (pseudoniem van Mohammed Moulessehoul) werd geboren op 10 januari 1955 in Kenadsa. Zie ook mijn blog van 10 januari 2008 en ook mijn blog van 10 januari 2009 en ook mijn blog van 10 januari 2010.

 

Uit: Die Schuld des Tages an die Nacht (Vertaald door Regina Keil-Sagawe)

 

„Río Salado gefiel mir sehr – Flumen Salsum, wie der Ort bei den Römern hieß, heute El Maleh. Und er gefällt mir nach wie vor, ich kann mir kaum vorstellen, unter einem anderen Himmel alt zu werden oder fern der Geister, die ihn bevölkern, zu sterben. Río Salado war ein prachtvolles Kolonialdorf mit stattlichen Häusern und üppig begrünten Straßen. Der Platz, auf dem einst große Bälle stattfanden und wo die renommiertesten Musiker spielten, hatte seinen Steinfliesenteppich in nächster Nähe zum Rathaus entrollt. Hochstrebende Palmen rahmten ihn ein, die ein Band lampiongeschmückter Girlanden verband. Dort traten Aimé Barelli und Xavier Cugat mit seinem berühmten Chihuahua auf, der ihm stets vorwitzig aus der Tasche lugte, Jacques Hélian und Pérez Prado: legendäre Namen und Orchester, die Oran, die Hauptstadt Westalgeriens, sich trotz allem Weltstadtgehabe niemals leisten konnte.

Río Salado trumpfte gerne auf, um die Prognosen Lügen zu strafen, die seinen Untergang auf ganzer Linie vorhergesagt hatten. Die herrschaftlichen Villen, die es mit keckem Eifer längs der Durchgangsstraße aufreihte, sollten dem Reisenden vor Augen führen, dass Angeberei eine Tugend ist, wenn sie Vorurteile entkräftet und die Mühen veranschaulicht, die es zu bewältigen gilt, um den Mond vom Himmel zu holen.

In früheren Zeiten war hier nur trostlose Ödnis gewesen, nichts als Steine und Eidechsen. Nur selten verirrte sich einmal ein Hirte hierher, der gewiss kein zweites Mal seinen Fuß dorthin setzen würde, auf dieses Gelände voll Dornengestrüpp und toter Flussarme, wo Hyänen und Wildschweine den Ton angaben – kurzum, ein Stück Erde, das Menschen wie Engel mieden und das die Pilger so hastig durchquerten, als wäre der Teufel hinter ihrer Seele her …“

 

 

 

Yasmina Khadra (Kenadsa, 10 januari 1955)

 

 

Lees meer...

10-01-10

Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Mies Bouhuys, Harrie Geelen,Yasmina Khadra, Dennis Cooper, Jared Carter, Jutta Treiber, Franz Kain


De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook mijn blog van 10 januari 2009.

 

Uit: In Her Absence (Vertaald door Esther Allen)

 

THE WOMAN WHO was not Blanca came down the hall toward Mario wearing Blanca's green silk blouse, Blanca's jeans, and Blanca's ballet flats, her eyes narrowing into a smile as she reached him-eyes the same color and shape as Blanca's, but not Blanca's eyes. She welcomed him home in a tone so identical to Blanca's that it was almost as if she really were Blanca, and she stooped a little to kiss him because she was slightly taller than he was, just like Blanca. But instead of the daily absentminded brush of her closed lips against his, she opened her mouth to Mario's tongue, and he, startled by this unanticipated ardor, didn't respond in time.

In the warmth of her breath and the brief, carnal softness of her lips he felt as if he'd gone back in time to Blanca's first delicious kisses, now identical, but falsified with a flawless or almost flawless precision that made everything all the more unreal. He was grateful for the touch of those long, soft hands even though they weren't Blanca's hands, the odd way she had of putting her arm around his waist as she led him toward the dining room, as if he, its owner, didn't know his way around the apartment where he'd been living for some time before he met Blanca, or as if the apartment, too, were a precise replica of something that had been lost: the apartment, the pictures in the hallway, the dining room furniture that Blanca objected to, and rightly so-when Mario bought it he'd had pitifully bad taste-the tablecloth embroidered by Mario's mother or grandmother, the dishes, the steaming bowls of a soup just cooked by the impostor or near-double of Blanca who'd taken it off the stove and served it when she looked out from the balcony and saw Mario crossing the street toward the apartment building. (But Blanca, the real Blanca, the one from before, might never have looked out from the balcony to see if he were coming.) The soup smelled better than ever, Mario thought almost remorsefully, noticing for the first time not that he was beginning to give in, but that the possibility of giving in existed, comprehending with melancholy and relief that he wouldn't be able to keep up this suspicious hostility, uncompromising vigilance, and desperate solitude forever.“

 

 

 

 

Molino
Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

 

 

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Annette von Droste-Hülshoff werd op 10 januari 1797 op het slot Hülshoff in Westfalen geboren. Zie ook mijn blog van 10 januari 2007 en mijn blog van 31 december 2007. Zie eveneens mijn blog van 10 januari 2008 en ook mijn blog van 10 januari 2009.

 

 

Die Linde

 

»Ich breite über ihn mein Blätterdach,
So weit ich es vom Ufer strecken mag.
Schau her, wie langaus meine Arme reichen,
Ihm mit den Fächern das Gewürm zu scheuchen,
Das hundertfarbig zittert in der Luft.
Ich hauch' ihm meines Odems besten Duft,
Und auf sein Lager lass' ich niederfallen
Die lieblichste von meinen Blüten allen;
Und eine Bank lehnt sich an meinen Stamm,
Da schaut ein Dichter von dem Uferdamm,
Den hör' ich flüstern wunderliche Weise
Von mir und dir und der Libell' so leise,
Daß er den frommen Schläfer nicht geweckt;
Sonst wahrlich hätt' die Raupe ihn erschreckt,
Die ich geschleudert aus dem Blätterhag.
Wie grell die Sonne blitzt! schwül wird der Tag.
O könnt' ich, könnt' ich meine Wurzeln strecken
Recht mitten in das tief kristall'ne Becken,
Den Fäden gleich, die, grünlicher Asbest,
Schaun so behaglich aus dem Wassernest,
Wie mir zum Hohne, die im Sonnenbrande
Hier einsam niederlechzt vom Uferrande.«

 

 

 

 

Kinder am Ufer

 

»O sieh doch! siehst du nicht die Blumenwolke
Da drüben in dem tiefsten Weiherkolke?
O, das ist schön! hätt' ich nur einen Stecken,
Schmalzweiße Kelch' mit dunkelroten Flecken,
Und jede Glocke ist frisiert so fein,
Wie unser wächsern Engelchen im Schrein.
Was meinst du, schneid' ich einen Haselstab
Und wat' ein wenig in die Furt hinab?
Pah! Frösch' und Hechte können mich nicht schrecken –
Allein, ob nicht vielleicht der Wassermann
Dort in den langen Kräutern hocken kann?

Ich geh', ich gehe schon – ich gehe nicht –
Mich dünkt', ich sah am Grunde ein Gesicht –
Komm, laß uns lieber heim, die Sonne sticht!«

 

 

 

 

Droste-Hülshoff

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Mies Bouhuys werd geboren op 10 januari 1927 in Weesp. Zie ook mijn blog van 10 januari 2008. en ook mijn blog van 30 juni 2008 en ook mijn blog van 10 januari 2009.

 

 

Voorjaar

 

De torenklok slaat zeven keer,

gewoon als iedre dag,

maar’ t is dezelfde klok niet meer,

zo licht klinkt elke slag.

 

De vroege mannen op hun fiets,

op weg naar de fabriek,

groeten elkaar en fluiten iets;

de straat is vol muziek.

 

Een man zet stoeltje voor ‘t café,

daar gaan – hij kijkt er naar –

de meisjes van het aterlier

als duiven langs ‘t trottoir.

 

Heel vroeg al heeft de bloemenvrouw

haar kraampjes ingericht.

De rozen zijn nog nat van dauw,

de tulpen zijn nog dicht.

 

Het is haast of het hardop lacht,

dat orgel dat daar klinkt,

dat aan de zonkant van de gracht

tot in zijn buik toe zingt.

 

Een kring, een kind er midden, –

wie vond het touw zo vlug?

“De bocht gaat uit, de bocht gaat in”.

In en uit en dan terug.

 

O, kind dat mij het touw voorhoudt

ik sta weer aan ‘t begin.

De hele stad wordt enkel goud.

Ik spring er middenin.

 

 

 

 

bouwhuys
Mies Bouhuys (10 januari 1927 – 30 juni 2008)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter, tekenaar, illustrator, regisseur, animator, en vertaler Harrie Geelen werd geboren in Heerlen op 10 januari 1939. Geelen kreeg een roomse opvoeding en kwam bij Franciscaner paters op school. Als gymnasiast schreef en tekende hij in de schoolkrant en maakte hij de kleuromslagen. Hij studeerde Nederlands in Amsterdam. In 1962 brak hij deze studie af. Vanaf 1967 werkte hij voor de Toonder Studio's, waar hij later de creative director zou worden. Via een ex-collega kwam Geelen in datzelfde jaar in contact met het VARA-team dat een show ging opzetten rondom het jeugdige talent Rob de Nijs. Geelen leverde - als freelancer - gedurende de hele periode (1964 – 1966) dat de show werd uitgezonden, veel liedjes.  Vanaf eind jaren ’60 ging hij voor bekende televisie programma’s schrijven. KRO-regisseur Bram van Erkel vroeg Geelen in 1968 om mee te werken aan een nieuw kinderprogramma Oebele.

In 1972 produceerde Geelen de serie Avonturen van meneer Prikkebeen, naar het boek van Töpffer.

In de tijd dat Geelen schreef voor “ Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?” (1972-1976) bedacht hij op verzoek van Van Erkel nog een andere jeugdserie, Q&Q.  Q & Q werd net als “Oebele” en “Hamelen” een klassieker in het genre. Geelen was jaren later ook de schrijver van het scenario voor de tekenfilm Als je begrijpt wat ik bedoel met de figuren van Marten Toonder. Geelen schreef o.a ook liedteksten voor Boudewijn de Groot, Liesbeth List, Leen Jongewaard, Lex Goudsmit, Adèle Bloemendaal, Herman van Veen. De vele illustraties die Geelen maakte voor boeken omvatten niet alleen het werk van Imme Dros, maar bijvoorbeeld ook versjes van Annie M. G. Schmidt.

 

Uit: Het Nijlpaard Ellende

 

„Ik heb altijd het gevoel dat spiegels zich vergissen wanneer ik erin kijk. Want ik weet dat ik er eigenlijk anders uitzie. Gewoner. Minder erge flaporen. Ouder. Je kunt aan mijn echte gezicht minder goed zien wat ik denk. Niemand zou bijvoorbeeld ooit om me lachen als ik eruitzag zoals ik werkelijk ben. Spiegels zijn prutsers. Ik hoor een rustig, regelmatig gezicht te hebben dat nooit verandert.

De etalagepoppen uit de steunkousenwinkel hebben zulke gezichten.

Toen ik nul was, was ik van binnen precies zo als toen ik vier was en naast het kabouterhuis op de kleuterschool werd gezet maar evengoed bleef krijsen dat ik naar mijn moeder wou.

Ik dacht dat een spiegel misschien preciezer zou worden als je ouder werd. Ik ben nu bijna dertien en er is nog steeds geen spiegel die klopt.

Op de laatste klassenfoto van de lagere school sta ik naast Joop Sikkema. Hij heeft met zijn vingers achter mijn hoofd om gemeen hard tegen mijn linkerflapoor geknipt, net op het moment dat de foto genomen werd. Ik sta dus op die foto met één bewogen oor. En Joop Sikkema met een valse grijns.

Ik vraag me af hoe Joop Sikkema er eigenlijk uitziet. Ook regelmatig als een etalagepop? Ik denk dat iemand van binnen niet loenst. Maar mooi kan Joop Sikkema nog steeds niet zijn.

 

Ik weet eigenlijk niet waarom ik dit vertel.

Ik heb warempel wel wat anders aan mijn hoofd.

 

Als ik naar mijn vader kijk, bij het ontbijt, krijg ik geen hap door mijn keel. En mijn moeder zegt ook bijna niks.

Dingen als: ‘Waarom neem je niet ook een eitje? Lekker vers uit de tuin...’ Ik kijk in het deksel van de broodrooster en ik zie weer een heel ander gezicht dan ik heb. En mijn moeder ziet me kijken.“

 

 

 

 

Geelen
Harrie Geelen (Heerlen, 10 januari 1939)

 

 

 

 

De Algerijnse schrijver Yasmina Khadra (pseudoniem van Mohammed Moulessehoul) werd geboren op 10 januari 1955 in Kenadsa. Zie ook mijn blog van 10 januari 2008 en ook mijn blog van 10 januari 2009.

 

Uit: The Swallows of Kabul (Vertaald door John Cullen)

 

“Atiq Shaukat flails about him with his whip, trying to force a passage through the ragged crowd swirling around the stalls in the market like a swarm of dead leaves. He's late, but he finds it impossible to proceed any faster. It's like being inside a beehive; the vicious blows he deals out are addressed to no one in particular. On souk day, people act as if in a trance. The throng makes Atiq's head spin. In thicker and thicker waves, beggars arrive from the four corners of the city and compete with carters and onlookers for hypothetically free spaces. The porters' effluvia and the emanations of rotting produce fill the air with an appalling stench, and a burden of relentless heat crushes the esplanade. A few spectral women, segregated inside their grimy burqas, extend imploring hands and clutch at passersby; some receive a coin for their trouble, others just a curse. Often, when the women grow too insistent, an infuriated lashing drives them backward. But their retreat is brief, and soon they return to the assault, chanting their intolerable supplications. Others, encumbered by brats whose faces are covered with flies and snot, cluster desperately around the fruit vendors, interrupting their singsong litanies only to lunge for the occasional rotten tomato or onion that an alert customer may discover at the bottom of his basket.

"You can't stay there!" a vendor shouts at them, furiously brandishing a long stick above their heads. "You're bringing my stall bad luck, not to mention all kinds of bugs."
Atiq Shaukat looks at his watch and clenches his teeth in anger. The executioner must have arrived a good ten minutes ago, and he, Atiq, is still dawdling in the streets. Exasperated, he starts hitting out again, wielding his many-thonged whip in an effort to part the flood of humanity, futilely harrying a group of old men as insensible to his blows as they are to the sobs of a little girl lost in the crowd. Then, taking advantage of the opening caused by the passage of a truck, Atiq manages to squeeze into a less turbulent side street and hastens, despite his limp, toward a building that stands oddly upright amid an expanse of rubble. Formerly a clinic, but fallen into disuse and long since ransacked by phantoms of the night, the building is used by the Taliban as a temporary prison on the occasions when a public execution is to take place in the district.“

 

 

 

 

Yasmina
Yasmina Khadra (Kenadsa, 10 januari 1955)

Collage

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Dennis Cooper werd geboren op 10 januari 1953 in Arcadia, Californië. Zie ook mijn blog van 10 januari 2009.

 

Uit: My Loose Thread

 

I'm at breakfast. It's always something easy to make like a cold cereal. Dad watches taped golf from the weekend, and my mom reads the paper. Something in her is going off about me. I can see it's not the world. Jim's food is already a ruin, which is the only thing wrong.
      "Jim rode his bike," she says. Not hello, or anything. That's news, since I always drive him to school.
      "Yeah?"
      She turns a page fast, and it rips. But I'm tired enough from one or maybe two hour's sleep, that her shit doesn't reach me.
      "Say it, mom."
      "Your dad had a cramp, and I was up, and I saw you," she says.
      "Meaning what?" I'm pretty sure I was naked, and holding my clothes and my shoes in a wad.
      "I called Dr. Thorne," she says.
      "What did Jim say?"
      "He protected you," she says.
      "From what?" I throw my cereal bowl at the wall.

I think Rand is still on the floor of my bedroom. I mean in some way. I know he didn't die there. He got up after a couple of minutes, and left. But I think he'd come there if he could go anywhere. That's the Franks' big idea, or their excuse. The dead don't want to be dead, and they only give a shit about life. When I got back to my bedroom last night, I thought a lot about Rand, then decided. I killed the boy because I can't kill myself. That's why I hit him so hard. I realize he isn't Jim. When I get that upset, it doesn't take much to remind me.

I always hang out with Will. Sometimes Tran is there, too. They're what's left of my friends. Everyone else thinks I'm cold. Will and Tran are so into themselves, they don't notice. We like to watch the other students show up, and talk angrily about them. It's mostly Will. They're still too sleepy to hate us. When they do, I'll definitely feel it. It usually takes until lunch.
      "I didn't sleep." Will's noticed something in me, but that'll probably do it. He used to go out with Jude, which is our mutual thing.
      "Her again?" he says.”

 

 

 

 

cooper
Dennis Cooper  (Arcadia, 10 januari 1953)

 

 

 

De Amerikaanse dichter Jared Carter werd geboren op 10 januari 1939 in Elwood, een dorpje in Indiana, VS. Zie ook mijn blog van 10 januari 2009.

 

 

First Snow

 

To clear the walk before the children start

for school, you rise and dress, and take the broom

beside the door, and go out into darkness

where the snow you sweep from side to side

 

is followed by the snow that falls behind

your progress down the squares.  A dream returns

you half remember having when you woke,

and when you pause to look back toward the porch

 

it seems you’ve been nowhere—the walk you swept

is whiteness now, and as before.  To take

a step from where you stand would be to risk

acknowledging you’ve come this far by losing

 

track of things.  Then someone flicks the porch light

off and on, to say you’re needed there.

You go, leaving a line of prints behind,

and even these are filled by daylight, when

 

the kids have vanished down the walk to catch

the bus, and everything is bright and still.

So for a second time you take the broom

and go to sweep the snow away.  And find,

 

as though recalling now the other half

of what you dreamed, the pattern of your steps

impressed upon the walk and turned to ice—

the children’s, too, going the other way—

 

revealed beneath the snow that flies before

your broom, until you reach the end, and stop

to see the footprints clear this time.  The dream

comes back entire: a line of stones across

 

a stream in summer, when you know not where

to step, and yet in choosing merge with what

is swirling all around you.  And, still searching,

waken to silence, and a first snow falling.

 

 

 

 

Errata Slip

 

By an unfortunate error a number of lines

were somehow left out of the preceding pages.

But the book’s finished now, and the time

for making changes is past.  In other ages

corrections were dropped in loose, on a slip

of paper, but nobody ever read them, or cared

if it should have been “tripe” and not “trip,”

or the heroine been not “speared” but “spared.”

And now that words are processed, we ourselves

no longer need to spell or punctuate;

software provides a group of learnéd elves

to shift our prose from third- to second-rate.

Farewell, then, fluttering slip of old errata!

There are no slips, when everything is data.

 

 

 

 

carter

Jared Carter (Elwood, 10 januari 1939)

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Jutta Treiber werd geboren op 10 januari 1949 in Oberpullendorf. Na het gymnasium studeerde zij in Wenen Duits en Engels. Sinds 1988 is zij zelfstandig schrijfster. De eerste schrijfsels dateren al vanaf dat zij acht jaar oud was. In 1976 won zij haar eerste prijs voor een kort verhaal. Zij schrijft het liefste jeudboeken, waarbij de grens naar literatuur voor volwassenen vloeiend is.  Haar werk omvat echter ook gedichten, theaterstukken, hoorspelen en zelfs korte films.

 

Uit: Der blaue See ist heute grün

 

„Zwischen Schilf ein blauer Himmel. Die Föhren, die das andere Ufer säumten, spiegelten sich im Wasser. Wenn die Sonne schien, lag das Bild eines blauen Seidenhimmels darin. Aber dieser graue Himmel konnte nichts ausrichten. Der blaue See war heute grün. Sie war hierher gekommen, denn sie hatte es zu Hause nicht mehr ausgehalten. Hatte das Gefühl gehabt, dass ihre Haut platzen würde. Weg, nur weg. Gehen. Laufen. Irgendeine Art von Fortbewegung. Sie war mit dem Rad gefahren, schnell. Die wenigen Kilometer aus dem Dorf, das sich Stadt nannte, auf der Landstraße, und dann den Forstweg entlang zum blauen See. Hatte gekeucht, als sie abgestiegen war. War den lehmigen Weg durchs Dickicht gegangen, hatte sich an den Rand des Wassers gesetzt. Beruhigte sich allmählich, keuchte nicht mehr so schwer. Auf dem Wasserspiegel tanzten Schattenbilder. Als sich im Teströrchen ein kleiner roter Ring abgezeichnet hatte, war in ihrem Inneren eine Tür zugefallen und ein schwerer Riegel hatte sich vorgeschoben. Lebenslänglich! Plötzlich hatte sie Mauern um sich wachsen gefühlt, die sie von allem trennten, was ihr Leben bisher ausgemacht hatte. Nie wieder würde irgendetwas so sein wie bisher. Im ersten Moment hatte sie sich einer trügerischen Hoffnung hingegeben. Ein Test war nicht hundertprozentig sicher. Sie machte die Augen zu, löschte alle Bilder im Kopf. Schaute wieder auf das Teströhrchen. Der rote Ring war da. Sie war nicht enttäuscht, weil sie die Täuschung schon vorher als solche erkannt hatte. Noch nie hatte sie sich so einsam gefühlt. Sie saß wie versteinert auf dem Boden. War lange Zeit unfähig sich zu rühren. Kauerte sich zusammen, schlang die Arme um die Beine, wiegte sich hin und her. Ihre Wangen brannten, sie drückte ihr Gesicht gegen die Knie. Und plötzlich war diese Unruhe in ihr aufgestiegen, und Gisela hatte das Gefühl gehabt, ihre Haut müsse platzen. Und war dem Gefühl davongelaufen. Davongefahren. Ein Frosch zappelte im See, das Wasser kreiselte. Wind strich durch das Schilf. Wenn der See blau gewesen wäre, hätte er vielleicht mehr Trost geben können.“

 

 

 

 

juttatreiber
Jutta Treiber (Oberpullendorf, 10 januari 1949)

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver, journalist en politicus Franz Kain werd geboren op 10 januari 1922 in Goisern, het huidige Bad Goisern. Als 14-jarige werd hij voor het eerst gearresteerd wegens het uitdelen van pamfletten van de verboden communistische jeugdorganisatie KJV. Tijdens WO II werd hij Amerikaans krijgsgevangene. Na zijn vrijlating in 1946 begon hij te schrijven en als journalist te werken. Vanaf 1953 was hij enige jaren in de DDR waar hij o.a. Bertolt Brecht en Anna Seghers leerde kennen. Tot aan zijn pensioen in 1982 was hij hoofdredacteur van de Neue Zeit. Zijn romans, verhalen en novellen werden vaak voor het eerst in de DDR gepubliceerd.

 

Uit: Auf dem Taubenmarkt


Der kleine Platz heißt seit altersher Taubenmarkt, obwohl sich kein Mensch mehr daran erinnert, daß hier tatsächlich Tauben feilgeboten worden wären. Aber ältere Menschen und Kinder füttern hier die Stadttauben wie vor hundert Jahren.
Der Platz ist begrenzt von allerlei Geschäftigkeit, einem kleinen Café, einer Buchhandlung, einer Bank, der kräftigsten und vornehmsten des Landes, einem Modegeschäft, einem Blumen- und einem großen Würstelstand. In der kälteren Jahreszeit haben sich auf dem Taubenmarkt auch noch ein Maronibrater und ein Glühmoststand niedergelassen.
Der Platz ist kommunikationsfreudig. Das macht ihn zu einer Art Hyde-Park. Ständig gibt es Informationsstände und wer für irgendetwas auf halbwegs originelle Art zu werben hat,
der meldet bei der Polizeidirektion einen Informationsstand auf dem Taubenmarkt an. Große Parteien verschmähen allerdings diese Möglichkeit. Sie wollen sich mit ihrer Ware »nicht hinstellen«, wie die Seifentandler, wie sie hochmütig sagen. Nur wenn Wahlen vor der Tür stehen, dann kommen auch sie auf den Taubenmarkt geschritten, leutselig mit Most und Schmalzbrot, weil das bodenständig ist. Ihre Anhänger, die sich auch sonst auf dem Platz aufhalten, sind meist kleinere Funktionäre, richtige Räsoneure, aber noch im Raunzen treu und ergeben. Die Altnazi und die Konservativen stehen am Rand, aber sie mengen sich eifrig in die Auseinandersetzungen ein.“
 

 

 

 

f_kain_be
Franz Kain (10 januari 1922 – 27 oktober 1997)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

10-01-09

Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Yasmina Khadra, Dennis Cooper, Vicente Huidobro, Robinson Jeffers, Giselher Werner Hoffmann, Alexei Tolstoy, Mies Bouhuys, Philip Levine, Jared Carter, Jan H. Eekhout


De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Hij studeerde journalistiek in Madrid en kunstgeschiedenis in Granada. Zijn journalistieke werk werd in diverse boeken gebundeld. Zijn debuutroman Beatus Ille (1986) en zijn tweede roman El invierno en Lisboa (1987) werden met belangrijke Spaanse prijzen bekroond. Zijn roman Ruiter in de storm werd in Spanje in een eerste oplage van 300.000 exemplaren gedrukt en won de prestigieuze Premio Planeta.

Uit: Sepharad  (Vertaald door Margaret Sayers Peden)

 

„The owner of the Museo is a countryman of ours who, as Godino says, often personally oversees the catering of our feasts, in which there isn't a single ingredient that hasn't come from our city, not even the bread, which is baked in La Trini's oven, the very oven that to this day produces the mouthwatering madeleines and the Holy Week cakes with a hard-boiled egg in the center that we loved so much when we were kids. Now, to tell the truth, we realize that the oily dough sits a little heavy on our stomachs, and though in our conversations we keep praising the savor of those hornazos, which are absolutely unique in the world and no one but us knows the name of, if we start eating one, we quit before we're through, even though it's painful to waste food-something our mothers always taught us. We remember the early days in Madrid, when we used to go to the bus station to pick up a food package sent from home: cardboard boxes carefully sealed with tape and tightly tied with cord, bringing from across all that distance the undiluted aroma of the family kitchen, the delicious abundance of all the things we have missed and yearned for in Madrid: butifarros and chorizos, sausages from the recent butchering, borrachuelos sparkling with sugar, even a glass jar filled with boiled red pepper salad seasoned with olive oil, the greatest delicacy you can ask for in a lifetime. For a while the dim interior of the armoire in our boardinghouse room would take on the succulent and mysterious penumbra of those cupboards where we kept food in the days before the advent of refrigerators. (Now when I tell my children that back when I was their age there was no refrigerator or television in my house, they don't believe it, or worse yet, they look at me as if I were a caveman.)“

 

 

 

 

Molina
Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

 

 

 

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Annette von Droste-Hülshoff werd op 10 januari 1797 op het slot Hülshoff in Westfalen geboren. Zie ook mijn blog van 10 januari 2007 en mijn blog van 31 december 2007. Zie eveneens mijn blog van 10 januari 2008.

 

 

Ein harter Wintertag

 

Daß ich dich so verkümmert seh',

Mein lieb lebend'ges Wasserreich,

Daß ganz versteckt in Eis und Schnee

Du siehst der plumpen Erde gleich;

 

Auch daß voll Reif und Schollen hängt

Dein überglaster Fichtengang:

Das ist es nicht, was mich beengt,

Geh' ich an deinem Bord entlang.

 

Zwar in der immer grünen Zier

Erschienst, o freundlich Element,

Du ähnlich den Oasen mir,

Die des Arabers Sehnsucht kennt;

 

Wenn neben der verdorrten Flur

Erblühten deine Moose noch,

Wenn durch die schweigende Natur

Erklangen deine Wellen doch.

 

Allein auch heute wollt' ich gern

Mich des kristallnen Flimmers freun,

Belauschen jeden Farbenstern

Und keinen Sommertag bereun:

 

Wär' nicht dem Ufer längs, so breit,

Die glatte Schlittenbahn gefegt,

Worauf sich wohl zur Mittagszeit

Gar manche rüst'ge Ferse regt.

 

Bedenk' ich nun, wie manches Jahr

Ich nimmer eine Eisbahn sah:

Wohl wird mir's trüb und wunderbar,

Und tausend Bilder treten nah.

 

Was blieb an Wünschen unerfüllt,

Das nähm' ich noch gelassen mit:

Doch ach, der Frost so manchen hüllt,

Der einst so fröhlich drüber glitt!

 

 

 

 

 

Der Weiher

 

Er liegt so still im Morgenlicht,

So friedlich, wie ein fromm Gewissen;

Wenn Weste seinen Spiegel küssen,

Des Ufers Blume fühlt es nicht;

Libellen zittern über ihn,

Blaugoldne Stäbchen und Karmin,

Und auf des Sonnenbildes Glanz

Die Wasserspinne führt den Tanz;

Schwertlilienkranz am Ufer steht

Und horcht des Schilfes Schlummerliede;

Ein lindes Säuseln kommt und geht,

Als flüstre's: Friede! Friede! Friede! —

 

 

 

 

 

 

Drostebueste
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

In de tuin van Burg Hülshoff

 

 

 

 

 

De Algerijnse schrijver Yasmina Khadra (pseudoniem van Mohammed Moulessehoul) werd geboren op 10 januari 1955 in Kenadsa. Zie ook mijn blog van 10 januari 2008.

 

Uit: Ce que le jour doit à la nuit

 

„Accroupi sur un amas de pierraille, les bras autour des genoux, il regardait la brise enlacer la sveltesse des chaumes, se coucher dessus, y fourrager avec fébrilité. Les champs de blé ondoyaient comme la crinière de milliers de chevaux galopant à travers la plaine. C'était une vision identique à celle qu'offre la mer quand la houle l'engrosse. Et mon père souriait. Je ne me souviens pas de l'avoir vu sourire; il n'était pas dans ses habitudes de laisser transparaître sa satisfaction - en avait-il eu vraiment?... Forgé par les épreuves, le regard sans cesse aux abois, sa vie n'était qu'une interminable enfilade de déconvenues; il se méfiait comme d'une teigne des volte-face d'un lendemain déloyal et insaisissable.…’

Je ne lui connaissais pas d'amis.

Nous vivions reclus sur notre lopin de terre, pareils à des spectres livrés à eux-mêmes, dans le silence sidéral de ceux qui n'ont pas grand-chose à se dire: ma mère à l'ombre de son taudis, ployée sur son chaudron, remuant machinalement un bouillon à base de tubercules aux saveurs discutables; Zahra, ma cadette de trois ans, oubliée au fond d'une encoignure, si discrète que souvent on ne s'apercevait pas de sa présence; et moi, garçonnet malingre et solitaire, à peine éclos que déjà fané, portant mes dix ans comme autant de fardeaux.

Ce n'était pas une vie; on existait, et c'est tout.

Le fait de se réveiller le matin relevait du miracle, et la nuit, lorsqu'on s'apprêtait à dormir, on se demandait s'il n'était pas raisonnable de fermer les yeux pour de bon, convaincus d'avoir fait le tour des choses et qu'elles ne valaient pas la peine que l'on s'attardât dessus. Les jours se ressemblaient désespérément; ils n'apportaient jamais rien, ne faisaient, en partant, que nous déposséder de nos rares illusions qui pendouillaient au bout de notre nez, semblables aux carottes qui font avancer les baudets. »

 

 

 

 

yasmina_khadra
Yasmina Khadra (Kenadsa, 10 januari 1955)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Dennis Cooper werd geboren op 10 januari 1953 in Arcadia, Californië. In zijn jeugd imiteerde hij het werk van Rimbaud, Verlaine, de Sade en Baudelaire. In 1976 reise hij naar Londen en hield zich een tijd op in de punkscene. Hij richtte er ook het tijdschrift Little Caesar Magazin op. Door het succes ervan kon hij in 1978 de uitgeverij Little Caesar Press beginnen, waarin hij werk van o.a. Amy Gerstler, Elaine Equi, Tim Dlugos, Joe Brainard en Eileen Myles publiceerde. In 1987 ging Cooper naar Amsterdam waar hij zijn roman Closer voltooide. Ook schreef hij er voor tijdschriften als Art in America, The Advocate, en Village Voice. Datzelfde  jaar keerde hij terug naar New York en in 1990 verhuisde hij naar Los Angeles. Daar voltooide hij de vijfdelige romancyclus George Miles. Ander werk volgde, zoals: My Loose Thread, The Sluts en God Jr.Sinds 2006 woont Cooper in Parijs.

 

 

 

THE FAINT
for Paul Otchakovsky-Laurens

This is an immaterial poem about a ghost,
name of Dennis. I appear less important
to those few among you who knew me
when I was composed more realistically.

Once my empty sockets seemed like evil
eyes to you, and you had no idea their
trick wasn’t great art. Now I barely exist,
but train your sights on this nevertheless.

It’s past your bedtime. I’ve painted myself
into a corner. A ghost has been sketched
here haphazardly. I’m still myself but inspire
no illusions no matter how I’m executed.

To believe in a ghost was small potatoes.
next to the fear in your eyes. I scared you.
All I was is this marked up white sheet, so
I ask you again. Read into my black holes.

 

 

 

 

FRIENDSHIP

Like Craig L., journalist, hopelessly in love with the fourteen year old bassist of Red Kross but prevented by law from confessing his feelings or getting said rock star drunk enough to grope or blow him unbeknownst. So Craig raves about Red Kross in the Los Angeles Times and gets to be the kid’s best friend and watch him skinny dip one night in his parents’ backyard pool, and that’s enough. Or Steve O., med student, who bought some unrequited sex with a fourteen year old Mexican who’d snuck into the States from Tijuana. Jorge looked staggering in clothes but just poignantly poor and addicted to heroin without them, though Steve is too consumed these days with getting him off dope to remember how that felt. Steve can’t begin to taste or smell what made their life together worth it. So he works the lack of love into his usual feelings and calls it friendship

 

 

 

 

dennis-cooper
Dennis Cooper  (Arcadia, 10 januari 1953)

 

 

 

 

 

De Chileense dichter Vicente García-Huidobro Fernández werd op 10 januari 1893 geboren in Santiago. Als zoon van Vicente García-Huidobro en María Luisa Fernández Bascuñán behoorde hij tot een rijke aristocratische familie van katholieke gezindte. Huidobro was de oudste van zes broers en de toekomstige beheerder van het familievermogen.Zijn eerste gedicht "El Cristo del monte" (Christus op de berg) verscheen op 15 oktober 1910 in La Estrella de Andacollo. Huidobro studeerde Letteren aan de Universidad de Chile, in Santiago. In het Atheneum in Santiago sprak hij in 1914 de rede "Non serviam" uit, de fundamentele stellingname van zijn esthetische credo. Hij publiceerde Pasando y Pasando (Voorbijgaan en Voorbijgaan), waarin hij duchtig van leer trok tegen maatschappij en religie, en daarbij vooral de jezuïeten niet spaarde. In 1916, na de succesvolle publicatie van verscheidene
dichtbundels in Chili en bekendheid en na erkenning te hebben genoten met  literaire manifesten zoals Nonserviam vertrok hij naar  Parijs.  Daar werkte hij samen met de avant-gardistische Franse dichters zoals  Guillaume Appolinaire en Pierre Réverdy aan het invloedrijke literair blad Nord-
Sud.  Hij ging vervolgens naar Madrid in 1918, waar hij enthousiast werd  ontvangen in de plaatselijke literaire avant-gardistische kringen en werd in 1921  een van de oprichters van Ultraísmo, de Spaanse versie van Creacionismo .(Avantgarde)  Hij reisde veel van Europa naar Chili en omgekeerd en stond grotendeels aan de  basis van een klimaat van literaire experimenten gebaseerd op de Franse voorbeelden. Zijn  werk heeft een grote invloed uitgeoefend op de latere generaties van Latijns-
Amerikaanse dichters.  


 

Stunden

 

Eine kleine Stadt
Ein auf der Ebene haltender Zug

Taube Sterne schlafen
                              in jeder Pfütze
Und das Wasser zittert
Vorhänge im Wind

                   Die Nacht hängt in den Bäumen der Allee

Im blumenbewachsenen Turm
Blutet ein beständiges Tröpfeln
                          Die Sterne aus

         Dann und wann
         Fallen die reifen Stunden

                   Auf das Leben

 

 

 

 

 

Nacht

 

Die Nacht gleitet hörbar über den Schnee

Das Lied fiel aus den Bäumen
Und durch den Nebel klangen Stimmen

Ich zündete meine Zigarre an einem Blick an

Mit jedem Öffnen der Lippen
Überflute ich die Leere mit Wolken

                                    Im Hafen
Sind die Masten voller Nester

Und der Wind
                       seufzt in den Flügeln der Vögel

   DIE WELLEN WIEGEN DAS TOTE SCHIFF

Ich pfeifend am Ufer
       Betrachte den zwischen meinen Fingern glimmenden Stern

 

 

 

 

Vertaald door Johannes Beilharz 

 

 

 

HuidobroFernandez,Vicente
Vicente Huidobro (10 januari 1893 – 2 januari 1948)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver John Robinson Jeffers werd geboren op 10 januari 1887 in Allegheny, nu Pittsburgh, Pennsylvania. Zijn familie stimuleerde hem in zijn literaire ambities. Hij kreeg les in Hebreeuws, Latijn en Grieks en werd naar privéscholen gestuurd in Duitsland en Zwitserland, waar hij Duits en Frans leerde en onder de invloed kwam van de geschriften van Freud en Nietzsche. Vanaf zijn vijftiende jaar studeerde hij aan verschillende universiteiten astronomie, geologie, filologie, filosofie, theologie en medicijnen. Zijn eerste dichtbundel Flagons and Apples verscheen in 1912, maar pas in 1924 kreeg hij grotere bekendheid met zijn vertellende gedicht Tamar. Het boek werd een verkoopsucces en betekende voor Jeffers het begin van een productieve tijd. In de jaren erna ontstonden de gedichten Roan Stallion (1925), The Tower Beyond Tragedy (1926), The Woman at Point Sur (1927), Cawdor (1928) en Dear Judas (1929). Vanaf midden jaren twintig was Jeffers een gevestigd schrijver.

 

 

Be Angry At The Sun

  

That public men publish falsehoods

Is nothing new. That America must accept

Like the historical republics corruption and empire

Has been known for years.

 

Be angry at the sun for setting

If these things anger you. Watch the wheel slope and turn,

They are all bound on the wheel, these people, those warriors.

This republic, Europe, Asia.

 

Observe them gesticulating,

Observe them going down. The gang serves lies, the passionate

Man plays his part; the cold passion for truth

Hunts in no pack.

 

You are not Catullus, you know,

To lampoon these crude sketches of Caesar. You are far

From Dante's feet, but even farther from his dirty

Political hatreds.

 

Let boys want pleasure, and men

Struggle for power, and women perhaps for fame,

And the servile to serve a Leader and the dupes to be duped.

Yours is not theirs.

 

 

 

 

 

Time Of Disturbance

  

 The best is, in war or faction or ordinary vindictive

life, not to take sides.

Leave it for children, and the emotional rabble of the

streets, to back their horse or support a brawler.

 

But if you are forced into it: remember that good and

evil are as common as air, and like air shared

By the panting belligerents; the moral indignation that

hoarsens orators is mostly a fool.

 

Hold your nose and compromise; keep a cold mind. Fight,

if needs must; hate no one. Do as God does,

Or the tragic poets: they crush their man without hating

him, their Lear or Hitler, and often save without

love.

 

As for these quarrels, they are like the moon, recurrent

and fantastic. They have their beauty but night's

is better.

It is better to be silent than make a noise. It is better

to strike dead than strike often. It is better not

to strike.

 

 

 

 

Robinson-Jeffers
Robinson Jeffers (10 januari 1887 – 20 januari 1962)

 

 

 

 

 

De Duitstalige, uit Namibië stammende, schrijver Giselher Werner Hoffmann werd geboren op 10 januari 1958 in Windhoek. Hoffmann is de kleinzoon van emigranten naar de toenmalige kolonie Duits-Zuidwest-Afrika. Hij werkte jarenlang als jager in de Kalahari woestijn. In 1989 verscheen zijn roman Land der wasserlosen Flüsse“, waarin hij een ontmoeting beschrijft tussen twee blanke boeren en de bosjesmannen. Het boek maakte hem internationaal bekend. In 1991 verscheen Die verlorenen Jahre“. Daarin gaat het over de internering van de Duitse bevolking tijdens WO II. Hoffmann verblijft per jaar enkele weken in Duitsland, zoekt ook het contact met Duitse schrijvers, maar woont verder als zelfstandig schrijver in Swakopmund aan de atlantische kust.

 

Uit: Die verlorenen Jahre

 

"Dr. Gallant aß für sein Leben gern Fisch, am liebsten in Butter gebratenen und mit einer Remouladensoße garnierten Kabeljau. Und so erschien er an jenem Freitag, trotz seiner ungezählten Pflichten als Rechtsanwalt, Sprecher des Deutsch Südwest Bundesund Mitglied des Landesrates, pünktlich zum Mittagessen. Er entkorkte eine Flasche Tafelwein, setzte sich gut gelaunt zu seiner Frau an den Tisch und wollte sich gerade eine halbierte Salzkartoffel in den Mund schieben, als hinter ihm die Stimme des Nachrichtensprechers, verzerrt vom Rauschen und Summen der Statik, den Zweiten Weltkrieg ankündigte."

 

 

 

 

windhoek_1
Giselher Werner Hoffmann
(Windhoek, 10 januari 1958)

Windhoek (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

 

De Russische schrijver Alexei Tolstoy werd geboren op 10 januari 1883 in Sosnovka. In 1901 ging hij naar Sint Petersburg om wiskunde te studeren. Daar begon hij gedichten te schrijven in de stijl van Nekrasov. In 1907, kort voor het afstuderen, gaf hij de studie op om zich aan de literatuur te wijden.  Zijn eerste gedichtenbundel verscheen in 1908. Tijdens WO I was hij oorlogsverslaggever in Engeland en Frankrijk. Hij stond afwijzend tegenover de oktoberrevolutie en in 1921 vestigde hij zich in Berlijn. In 1923 accepteerde hij het nieuwe regime en keerde naar Rusland terug. Wel hield hij afstand van

de autoriteiten en richtte hij zich op het schrijven van science-fiction. Zijn romantrilogie The Road to Calvary (1922-41) tendeerde al naar de socialistische literatuur. Zijn onvoltooide roman Peter de Grote wordt als zijn belangrijkste werk beschouwd.

 

Uit: Ordeal

 

„She had no pass, but the old watchman at the gate only winked at her, saying: "You've come for the meeting, lass, have you? It's in the main building."
She picked her way over rotting planks, past heaps of rusty scrap iron and slag, past huge broken windows. There was nobody about, and the chimney stacks smoked peacefully against the cloudless sky.
Somebody pointed to a grimy door in the wall. Entering, she found herself in a long hall with walls of bare brick. The murky light filtered through a smoke-blackened glass roof. Everything was naked and exposed. Chains hung from the platforms of over-head cranes. Lower down were transmission shafts, their driving belts hanging motionless from the pulleys. Her unaccustomed eye turned in astonishment from dark lathes to the squat, lanky or straddling forms of all sorts of planing, milling and mortising machinery, and the iron discs of friction clutches. She discerned the outlines of a giant steam hammer, hanging lopsided in the semidarkness of a wide arch.
Here were made the machinery and mechanisms which supplied the life beyond the sombre walls of the factory with light, warmth, movement, significance and luxury. There was a smell of iron filings, machine oil, earth, and home-grown tobacco. A vast crowd of men and women were standing in front of a wooden platform, and many others perched on the side plates of machines and on the high window-sills.“

 

 

 

ANTolstoy
Alexei Tolstoy (10 januari 1883 – 23 februari 1945)

 

 

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Mies Bouhuys werd geboren op 10 januari 1927 in Weesp. Zie ook mijn blog van 10 januari 2008.

 

 

De schapen

 

In hun wollen winterjas

staan de schapen in het gras

dag en nacht te dromen.

Dromen... dromen... dromen maar:

katjes in de hazelaar,

blaadjes aan de bomen,

boterbloemen langs de weg,

vogelnestjes in de heg.

 

's Morgens kom ik er voorbij

en dan kijken ze naar mij.

Ik zeg: wat een winter hè.

Bè, roepen de schapen, bè.

 

 

Maar vanmorgen...

 

Enkel oog en enkel oor

waren ze. Waarvoor? Waarvoor?

Toen ik goeie morgen zei,

keek niet eentje op naar mij.

Midden in de schapenkring

stond een klein wit wollen ding,

zonder mutsje, zonder jasje,

zonder sokjes, zonder dasje

huppelde het in het rond

op de hardbevroren grond.

 

Lammetje bè, lammetje mè,

dat was een verrassing, hè.

 

 

 

 

bouhuys
Mies Bouhuys (10 januari 1927 -  30 juni 2008)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Philip Levine werd geboren op 10 januari 1928 in Detroit, Michigan. Hij begon met het schrijven van gedichten in de tijd dat hij ’s avonds studeerde en overdag werkte in een van Detroits autofabrieken. Het familieleve, het sociale en economische leven in het Detroit van de 20e eeuw is een terugkerend thema in zijn werk. In 1995 ontving hij de Pulitzer Prize for Poetry voor The Simple Truth.

 

 

A Sleepless Night

  

April, and the last of the plum blossoms

scatters on the black grass

before dawn. The sycamore, the lime,

the struck pine inhale

the first pale hints of sky.

An iron day,

I think, yet it will come

dazzling, the light

rise from the belly of leaves and pour

burning from the cups

of poppies.

The mockingbird squawks

from his perch, fidgets,

and settles back. The snail, awake

for good, trembles from his shell

and sets sail for China. My hand dances

in the memory of a million vanished stars.

 

A man has every place to lay his head.

 

 

 

 

 

The Distant Winter

  

from an officer's diary during the last war

 

I

 

The sour daylight cracks through my sleep-caked lids.

"Stephan! Stephan!" The rattling orderly

Comes on a trot, the cold tray in his hands:

Toast whitening with oleo, brown tea,

 

Yesterday's napkins, and an opened letter.

"Your asthma's bad, old man." He doesn't answer,

And turns to the grey windows and the weather.

"Don't worry, Stephan, the lungs will go to cancer."

 

 

 

 

 

Phil-Levine
Philip Levine (Detroit, 10 januari 1928)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Jared Carter werd geboren op 10 januari 1939 in Elwood, een dorpje in Indiana, VS. Na enkele jaren rondgezworven te hebben in Europa keerde hij in 1965 terug naar zijn geboortegrond, waar hij onder meer als redacteur werk vond. Zijn eerste poëziebundel, Work, for the Night is Coming, won in 1980 de Walt Whitman Award. Hierna zijn nog twee bundels verschenen, After the Rain (1993 - winnaar van de Poets' Prize) en Les Barricades Mystérieuses (1999).

 

 

Laodamia to Protesilaus

 

If you were lost, how would I find you,

what path take along dark streets, through

damp vaults, how untangle those choices

far underground, those myriad voices?

 

If I were gone, you could no longer follow

through great spillways, or deep hollows.

In that world, my footsteps would fade,

there would be no echo, no light or shade.

 

Still, somewhere your presence ahead

would call, through realms of the dead,

through time imploded and turned back,

platform deserted, abandoned track.

 

No pause in this long pursuit, this seeking

that has no end.  Neither of us speaking,

or able to break the spell—neither chase

nor surrender.  Only the lost, familiar face.

 

 

 

 

jaredcarter
Jared Carter
(Elwood, 10 januari 1939)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Eekhout werd geboren op 10 januari 1900 in Sluis. Zie ook mijn blog van 10 januari 2007.

 

 

Sonnet der rijke roekeloosheid

 

Vergeef die zich zoo roekloos tot U richt.

Onzichtbaar, ondoordringbaar rijst een muur,

Doods koude waasmend, tusschen hart en vuur,

En ik weet: Mijn daden loochnen mijn gedicht.

 

Slechts met de tong, Heer, is 't, dat ik U prijs.

Ach, dat Gij naar dit hart geen doortocht vindt.

Het bloeiloos donk're, dat Gij toch bemint,

Gij, Eenig God, naar goddelijke wijs.

 

O God, Gìj kùnt, Die zijt der machten Macht,

Verbrijzel 't scheidsel tusschen U en mij,

Dat over mij Uws Wezens Zonne zij.

 

Verlos Uw bruid door de eeuwige helle kracht

Van Uw genade -, ziet hoe zij U wacht

En staamlen wil: Niets is, mijn God, dan Gij.

 

 

 

 

eekhout
Jan H. Eekhout (10 januari 1900 – 6 maart 1978)