11-09-17

David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova, Merrill Moore, Barbara Bongartz, Adam Asnyk

 

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

 

Zink
in memoriam Lisbé Smuts-Smith

1
Veeg de sneeuw van de daken
vouw de vogels weer dicht
laat de winter nog slapen
doe iets aan het licht

Sluit de tuin en strooi kiezels
in het bord van het kind
pluk messen en wespen
plet van perziken de pit.

(Gordijnen wil men en aceton
en al wat de lente vertraagt.
Slavernij desnoods of spoorwegen
of ergens iets desolaats.)


2
Nu klotst het water zaagt men hout
blaffen honden brutaal

Nu zit ik hier in deze vlei
te roeien naar een taal

Papyrus zingt de ibis vliegt
de stilte hoort men niet

De boot valt stil wij stappen uit
en rillen met het riet

Onder het water zal mijn adem
trager woorden blazen

Dit machteloze schrijven
is een vroege vorm van zwijgen -

 

 
David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

Lees meer...

11-09-16

Dolce far niente, Martinus Nijhoff, David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III

 

Dolce far niente

 

 
Sunday Morning door Asher Brown Durand, 1839

 

 

Zondagmorgen

In 't stille, bleeke water drijven booten:
Zij wachten in de oneindigheid der grijze
Rivier, maar in hun buik zwelt zwaar het groote
Verlangen naar den horizon te reizen.
 
Ver, in een dorp, begon een klok te luiden,
Een carillon-lied uit den toren kwam -
Een warme wind gaat waaien uit het zuiden,
En ginder rijst het parallellogram
Der ophaalbrug - De klokken luiden, luiden.

 

 
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Den Haag. De Turfmarkt en Nieuwe Kerk rond 1900. Nijhoff werd geboren in Den Haag.

Lees meer...

11-09-15

David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova, Merill Moore

 

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

 

Witloof

Zoals witloof,
niet de wortel die men breekt
en keert in de ast, maar de koele
kwetsbaarheid van het tere blad

zoals het donkerte wil om wit te zijn
en kilte zoekt om bitter te worden
en breekbaar blijft en bleek –
een bundel ongebroken verlangen

zoals het roerloos groeit,
een leger van stilte,
en opflakkert bij het licht van een lamp
een korte groet uit hun grot van roest

zoals volmaakte vlammen
van een ondergronds branden

 

 

DE SLAPELOOSHEID VAN FREDDY TSIMBA

1.
Ze zeggen dat ik 's nachts uilen zend,
mijn broers en zussen, dat ik op hun daken
lom zitten en roerloos schreeuw
in hun golfplaten slaap

terwijl ik gewoon waak
en in mijn hoofd al beelden maak.
Ik plooi de dagen als stukjes ijzerdraad
en las de naden van de dageraad.

2.
Ze zeggen dat ik vorken raap.
Hel is waar. Wie inhet slijk grijpt,
gaat niet dood, wie zich bukt,
wordt groot. Ik sprokkel metaal,
ik ben een strandjutter van schroot.

 

 
David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

Lees meer...

11-09-14

David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova

 

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

Uit: Congo

“Het is nog steeds de zee, uiteraard, maar je ziet dat er iets is veranderd, iets aan de kleur. De brede, lage golven deinen nog steeds even vriendelijk, er is nog steeds alleen maar oceaan, maar het blauw raakt gaandeweg bezoedeld met geel. En dat levert geen groen op, zoals je van de kleurentheorie nog weet, maar troebelheid. Het schitterende azuur is verdwenen. De turkooizen rimpeling onder de middagzon is weg. Het peilloze kobalt waaruit de zon opsteeg, het ultramarijn van de schemering, het loodgrijs van de nacht: voorbij.
Vanaf hier is alles sop.
Gelig, oker, roestig sop. Je bent nog honderden zeemijlen van de kust verwijderd, maar je weet: dit is het begin van land. De kracht waarmee de Congo-rivier in de Atlantische Oceaan uitmondt, is zo groot dat het zeewater over vele honderden kilometers anders kleurt.
Wie vroeger voor het eerst met de pakketboot naar Congo voer, dacht bij die verkleuring dat hij er bijna was. Maar bemanning en oudgedienden van de kolonie maakten de nieuweling snel duidelijk dat het vanaf hier nog twee etmalen varen was, etmalen waarop de nieuweling kon zien hoe het water steeds bruiner werd, steeds vuiler. Staande aan de reling van de achtersteven zag hij het groeiende contrast met het blauwe oceaanwater dat de schroef uit diepere lagen bleef ophalen. Na verloop van tijd dreven dikke pollen gras voorbij, zoden, eilandjes die de rivier had uitgespuwd en die nu verdwaasd ronddobberden op de oceaan. Door de patrijspoort van zijn kajuit ontwaarde hij naargeestige vormen in het water, ‘brokken hout en ontwortelde boomen, die lang geleden uit donkere oerwouden waren afgerukt, want de zwarte stammen waren bladloos en de kale stompen van dikke takken wentelden soms even aan het oppervlak en doken dan weer neer’.
Op satellietbeelden zie je het duidelijk: een bruinige vlek die zich tijdens de piek van het moessonseizoen uitstrekt tot achthonderd kilometer westwaarts. Het lijkt wel een lek van het vasteland. Oceanografen spreken van de ‘Congo-waaier’ of de ‘Congo-rookpluim’. Toen ik er voor het eerst luchtfoto’s van zag, moest ik denken aan iemand die zich de polsen had doorgesneden en ze onder water hield – maar dan eeuwig.”

 

 
David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

Lees meer...

11-09-13

Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, David van Reybrouck, Barbara Bongartz, Tomas Venclova

 

De Nederlands-Turkse schrijver, columnist en journalist Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Murat Isik op dit blog.

 

Uit: Verloren grond

 

“Mijn moeder ondernam de klim naar het plateau toen ze ongeveer zeven maanden zwanger was van mij. Mijn vader had haar hand vastgepakt en haar eindeloos gesmeekt in het dorp te blijven, omdat het onmogelijk goed kon zijn voor een hoogzwangere vrouw om een zware klim te ondernemen en de ijle lucht op honderden meters hoogte in te ademen. Hij had zelfs toegezegd haar op het warmste moment van de dag, tijdens de verzengende hitte van twee uur ’s middags, koelte toe te wuiven.
‘Lieve Asme, ik zal mijn werk onderbreken en met een waaier naast je bed staan,’ had hij met zachte stem gezegd, ‘tot de zon ondergaat en je rustig in slaap valt.’
Maar mijn vader kon het ook toen niet winnen van haar koppigheid. ‘Waar heb je het over, Selim? Deze hitte wordt nog mijn dood. Mijn kleren plakken aan mijn lijf en ik heb het gevoel dat mijn keel wordt dichtgedrukt. Ik sterf nog liever tijdens de klim dan dat ik een dag langer hier blijf.’
Ik verdenk mijn moeder ervan dat ze niet zozeer de hitte van het dorp ontvluchtte, maar vooral onder geen beding haar jaarlijkse hoogtepunt wilde missen. Ondanks aandringen van mijn vader weigerde ze op de rug van een ezel te gaan zitten en volbracht ze de klim met verrassend gemak. Slechts één keer, halverwege de tocht, nam ze zuchtend plaats op een rots om op adem te komen. Ze dwong door haar volhardendheid zelfs respect af bij de mannen die hen vergezelden en kreunden van de zware spullen en voorraden die ze als pakezels omhoog sjouwden.
De mannen zetten de tenten op, die in sommige gevallen zo groot waren dat er vier gezinnen in pasten en de hoogvlakte het aanzien van een kamp gaven. De vrouwen verbleven tijdens de hete periode zo’n twee maanden in afzondering van de mannen op de yayla en hoefden zich slechts te bekommeren om de kleine kinderen. Het was voor hen de tijd van het jaar waarin ze eindeloos konden roddelen, terwijl ze onafgebroken zonnebloempitten kraakten en bittere thee dronken onder de sterrenhemel.”

 

 

 

Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

Lees meer...

11-09-12

Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, David van Reybrouck, Barbara Bongartz, Tomas Venclova

 

De Nederlands-Turkse schrijver, columnist en journalist Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Murat Isik op dit blog.

 

Uit: Verloren grond

 

De schreeuw veranderde mijn vader voor altijd in een breekbare man.
Ik zat in de wachtkamer van het ziekenhuis in Mus en kromp ineen toen ik het geluid van de zaag hoorde die met moeite doordrong in het bot. Daarna klonk de wanhopige schreeuw van mijn vader die na een paar halen van het stuk staal met de scherpe tanden, overging in een ander geluid dat eerst iets dierlijks en daarna monsterachtigs had. Langzaam veranderde het in een bizar gekrijs, afgewisseld met luguber gegorgel. Het was alsof mijn vader de pijn uit zijn lichaam perste en een deel van zijn ziel een uitweg zocht uit het diepste van zijn wezen.
Ik rende weg om te ontsnappen aan het geluid, maar het bleef me achtervolgen. Zelfs toen ik buiten stond en mijn oren dichtdrukte, hoorde ik het nog.
Soms, als ik mijn ogen sluit en alleen word omringd door stilte, hoor ik het weer: de schreeuw die ons leven voorgoed veranderde.

 

1

Ik ben geboren in de zomer van 1953 op een yayla op ruim tweeduizend meter hoogte. Mijn moeder beweerde dat ik niet huilde maar glimlachte toen ze me voor het eerst in haar armen nam, en dat mijn zwarte donshaar wapperde in de bergwind toen ze me omhooghield en riep: ‘Jij zult wel leven! Jij zult oud en sterk worden en ons eeuwige voorspoed brengen!’
Ik kreeg de naam van mijn grootvader: Miran. Met die naam werd ik de eerste tien jaar van mijn leven aangesproken tot ik plotseling een andere naam kreeg. Het was geen toeval dat ik op de yayla op de wereld werd gezet. Iedere zomer, als de hitte in ons dorp Sobyan ondraaglijk werd en de huizen in brand leken te staan, trokken de vrouwen met hun kinderen en het vee naar de hoogvlakte, waar de koele berglucht hen uit hun zomerslaap wekte.“

 

 

 

Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

Lees meer...

11-09-11

D.H. Lawrence, Murat Isik, Eddy van Vliet, David van Reybrouck, Barbara Bongartz, Tomas Venclova

 

De Engelse dichter en schrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor D. H. Lawrence op dit blog.

 

 

Glory

 

Glory is the sun, too, and the sun of suns,

and down the shafts of his splendid pinions

run tiny rivers of peace.

 

Most of his time, the tiger pads and slouches in a burning

peace.

And the small hawk high up turns round on the slow pivot of

peace

Peace comes from behind the sun, with the peregrine falcon,

and the owl.

Yet all of these drink blood.

 

 

 

What would you fight for?

 

I am not sure I would always fight for my life.

Life might not be worth fighting for.

 

I am not sure I would always fight for my wife.

A wife isn't always worth fighting for.

 

Nor my children, nor my country, nor my fellow-men.

It all deprnds whether I found them worth fighting for.

 

The only thing men invariably fight for

Is their money.But I doubt if I'd fight for mine, anyhow

not to shed a lot of blood over it.

 

Yet one thing I do fight for, tooth and nail, all the time.

And that is my bit of inward peace, where I am at one

with myself.

 

And I must say, I am often worsted.

 

 

 

Self Pity

 

I never saw a wild thing

sorry for itself.

A small bird will drop frozen dead from a bough

without ever having felt sorry for itself.

 

 

 

D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)

Hier met Alldous Huxley (links) in Taos, 1929

Lees meer...

11-09-10

D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Barbara Bongartz, Tomas Venclova, O. Henry, Joachim Fernau, Peter Hille, Adam Asnyk, Fitz Hugh Ludlow, James Thomson, Thomas Parnell, Johann Jakob Engel

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 11e september mijn blog bij seniorennet.be 

  

D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Barbara Bongartz, Tomas Venclova, O. Henry, Joachim Fernau

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 11e september ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag. 

 

Peter Hille, Adam Asnyk, Fitz Hugh Ludlow, James Thomson, Thomas Parnell, Johann Jakob Engel

 

11-09-09

Eddy van Vliet, D.H. Lawrence, O. Henry

 

De Vlaamse dichter Eddy van Vliet werd geboren op 11 september 1942 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 11 september 2006 en ook mijn blog van 11 september 2007 en ook mijn blog van 11 september 2008

 

 

 

Beeld in Salamanca

 

Was het uit hout gesneden of uit steen gekapt,
het beeldhouwwerk op het dak?

Als riep het alleen vragen op: In welke eeuw
hadden de bouwers van de stad de ooievaar
een plaats als heilige waard geacht?

Onverwacht, als door een omkering van
de zwaartekracht, bevrijdde de vogel zich
van het kunstwerk waarvoor ik hem gehouden had.

 

 

 

 

Biografie (hij)

 

De slaapwagen was de einder. Een gunst van de nacht.
Tot en met de tekening in het fluweel
had Gropius bedacht. Leder, geslepen spiegels
en de luxe hierin een zinsnede te verbeelden.

Hij hoort zich nog zeggen: Daarna reizen wij af
naar Virginia of Californië. Tijd genoeg. Zolang straten
en pleinen de namen van schilders en schrijvers dragen.

Belachelijk klein was de landkaart in de serre
waarin thee werd gedronken
en het groen van Canada het won van de zon.

Een gunst van de dag. Nooit had hij zulke
mooie muziek op het perron van Treblinka verwacht.

 

 

 

 

Verliefd

 

Zo gaat het, zo ging het en zo zal het altijd gaan.
Afspreken in cafés op de sluitingsdag.
Aan de verkeerde zijde van bruggen staan.
Tussen duim en wijsvinger, als brandende as,
het fout begrepen telefoonnummer.
Parken te nat, hotels te vol, Parijs te ver.
Liefde als een veelvoud van vergissingen.

Onbeholpen woorden als zo-even op zak en
zoveel zin om, los van de wetten
van goede smaak en intellect, te schrijven
dat van de stad waar je elkaar voor het eerst zag,
een plattegrond bestaat, waarop een kus,
die het nauwelijks was, geregistreerd werd.

 

 

 

eddy_van_vliet

Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)

 

 

 

 

 

De Engelse romanschrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook mijn blog van 11 september 2006 en ook mijn blog van 11 september 2007 en ook mijn blog van 11 september 2008

 

Uit: Sons and lovers

 

"The bottoms" succeeded to "Hell Row." Hell Row was a block of thatched, bulging cottages that stood by the brookside on Greenhill Lane. There lived the colliers who worked in the little gin-pits two fields away. The brook ran under the alder trees, scarcely soiled by these small mines, whose coal was drawn to the surface by donkeys that plodded wearily in a circle round a gin. And all over the countryside were these same pits, some of which had been worked in the time of Charles II, the few colliers and the donkeys burrowing down like ants into the earth, making queer mounds and little black places among the corn-fields and the meadows. And the cottages of these coal-miners, in blocks and pairs here and there, together with odd farms and homes of the stockingers, straying over the parish, formed the village of Bestwood.
Then, some sixty years ago, a sudden change took place. The gin-pits were elbowed aside by the large mines of the financiers. The coal and iron field of Nottinghamshire and Derbyshire was discovered. Carston, Waite and Co. appeared. Amid tremendous excitement, Lord Palmerston formally opened the company's first mine at Spinney Park, on the edge of Sherwood Forest.
About this time the notorious Hell Row, which through growing old had acquired an evil reputation, was burned down, and much dirt was cleansed away.
Carston, Waite & Co. found they had struck on a good thing, so, down the valleys of the brooks from Selby and Nuttall, new mines were sunk, until soon there were six pits working. From Nuttall, high up on the sandstone among the woods, the railway ran, past the ruined priory of the Carthusians and past Robin Hood's Well, down to Spinney Park, then on to Minton, a large mine among corn-fields; from Minton across the farmlands of the valleyside to Bunker's Hill, branching off there, and running north to Beggarlee and Selby, that looks over at Crich and the hills of Derbyshire: six mines like black studs on the countryside, linked by a loop of fine chain, the railway.
To accommodate the regiments of miners, Carston, Waite and Co. built the Squares, great quadrangles of dwellings on the hillside of Bestwood, and then, in the brook valley, on the site of Hell Row, they erected the Bottoms.
The Bottoms consisted of six blocks of miners' dwellings, two rows of three, like the dots on a blank-six domino, and twelve houses in a block. This double row of dwellings sat at the foot of the rather sharp slope from Bestwood, and looked out, from the attic windows at least, on the slow climb of the valley towards Selby.”

 

 

 

Lawrence

D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)

Portret door Mike Bolt

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver O.Henry, pseudoniem van William Sydney Porter , werd geboren in Greensboro (North Carolina) op 11 september 1862. Zie ook mijn blog van 11 september 2008

 

Uit: The Gift of the Magi

 

One dollar and eighty-seven cents. That was all. And sixty cents of it was in pennies. Pennies saved one and two at a time by bulldozing the grocer and the vegetable man and the butcher until one’s cheeks burned with the silent imputation of parsimony that such close dealing implied. Three times Della counted it. One dollar and eighty-seven cents. And the next day would be Christmas.
There was clearly nothing to do but flop down on the shabby little couch and howl. So Della did it. Which instigates the moral reflection that life is made up of sobs, sniffles, and smiles, and sniffles predominating.
While the mistress of the home is gradually subsiding from the first stage to the second, take a look at the home. A furnished flat at $8 per week. It did not exactly beggar description, but it certainly had that word on the lookout for the mendicancy squad.
In the vestibule below was a letter-box into which no letter would go, and an electric button from which no mortal finger could coax a ring. Also appertaining there-unto was a card bearing the name “Mr. James Dillingham Young.”
The “Dillingham” had been flung to the breeze during a former period of prosperity when its possessor was being paid $30 per week. Now, when the income was shrunk to $20, the letters of “Dillingham” looked blurred, as though they were thinking seriously of contracting to a modest and unassuming D. But whenever Mr. James Dillingham Young came home and reached his flat above he was called “Jim” and greatly hugged by Mrs. James Dillingham Young, already introduced to you as Della. Which is all very good.
Della finished her cry and attended to her cheeks with the powder rag. She stood by the window and looked out dully at a gray cat walking a gray fence in a gray backyard. Tomorrow would be Christmas Day, and she had only $1.87 with which to buy Jim a present. She had been saving every penny she could for months, with this result. Twenty dollars a week doesn’t go far. Expenses had been greater than she had calculated. They always are. Only $1.87 to buy a present for Jim. Her Jim. Many a happy hour she had spent planning for something nice for him. Something fine and rare and sterling—something just a little bit near to being worthy of the honor of being owned by Jim.”

 

 

O_Henry

O. Henry (11 september 1862 – 5 juni 1910)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e september ook mijn vorige blog van vandaag.

11-09-08

Eddy van Vliet, D.H. Lawrence, O. Henry, Joachim Fernau, Peter Hille

 

De Vlaamse dichter Eddy van Vliet werd geboren op 11 september 1942 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 11 september 2006 en ook mijn blog van 11 september 2007.

 

 

De straat

 

Voor het eerst in zesenveertig jaar

zie ik een straat zonder tekort.

Het einde van een verborgen bestaan.

Als van as en lava ontdaan.

 

Vele eeuwen liggen verzameld in de winkelramen.

Tussen manshoge adelaars en een borstbeeld,

anoniemer dan het marmer waaruit het gekapt

werd, ligt het geheim van de Japanse kast.

 

Gehurkt, geknield en reikhalzend

wordt zij afgetast. Een legering

van strelingen uit een vorige nacht.

 

Alvorens terug te keren naar zijn ets

gaf een luchtballon zijn kleuren weg.

De kat die ons volgt, verklaart de lege schoot

van de geportretteerde dame met...

 

Als dorpelingen leunen de balkons

met hun rug tegen de gevels

en kijken toe hoe de straat waarin

wij afdalen mijn blik moeiteloos uitvindt.

 

 

 

 

De kastanjeboom

 

Er viel veel groen onder onze ogen te verdelen,

als wij niet uitsluitend naar hem hadden gekeken.

Aan de rand van de weide. Een valkuil voor dichters

die graag bloemen met brandende kaarsen vergelijken.

 

Het was zijn schaduw die ons aantrok.

De onderzijde van zijn omsloten gebied dat wij

als kinderen met stokken en stenen teisterden.

Boven het gras dat hij van koelte voorzag,

 

vormden zijn bladeren een tafelblad,

gepolitoerd door de ruggen van runderen

waaraan hij bescherming bood en telkens als

bliksem donder aankondigde, een mogelijke dood.

 

 

 

Voor Remco Campert

 

Je kwam toen ik de reis niet aankon.

Niet wegens een gebroken been of

een huis dat op instorten stond.

Geen tijdelijk ongemak bracht je hier.

 

Het was om wat je aan liefde zag in

de stad die ik niet meer bezoeken kon.

Toen mijn jeugd, nu de resten

die jenever uit het geheugen perst.

 

Eens wat alles toekomst. Eens was er

garen dat droomde dat weefgetouw bestond.

 

 

 

Vliet_Campert

Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)

Eddy van Vliet en Remco Campert op een Amsterdams terras, juni 1992.

 

 

 

 

 

De Engelse romanschrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook mijn blog van 11 september 2006 en ook mijn blog van 11 september 2007.

 

Uit: Women in Love

 

“Ursula and Gudrun Brangwen sat one morning in the window-bay of their father's house in Beldover, working and talking. Ursula was stitching a piece of brightly-coloured embroidery, and Gudrun was drawing upon a board which she held on her knee. They were mostly silent, talking as their thoughts strayed through their minds.
'Ursula,' said Gudrun, 'don't you really want to get married?' Ursula laid her embroidery in her lap and looked up. Her face was calm and considerate.
'I don't know,' she replied. 'It depends how you mean.'
Gudrun was slightly taken aback. She watched her sister for some moments.
'Well,' she said, ironically, 'it usually means one thing! But don't you think anyhow, you'd be--' she darkened slightly-- 'in a better position than you are in now?'
A shadow came over Ursula's face.
'I might,' she said. 'But I'm not sure.'
Again Gudrun paused, slightly irritated. She wanted to be quite definite.
'You don't think one needs the experience of having been married?' she asked.
'Do you think it need be an experience?' replied Ursula.
'Bound to be, in some way or other,' said Gudrun, coolly. 'Possibly undesirable, but bound to be an experience of some sort.'
'Not really,' said Ursula. 'More likely to be the end of experience.'
Gudrun sat very still, to attend to this.
'Of course,' she said, 'there's that to consider.' This brought the conversation to a close. Gudrun, almost angrily, took up her rubber and began to rub out part of her drawing. Ursula stitched absorbedly.
'You wouldn't consider a good offer?' asked Gudrun.
'I think I've rejected several,' said Ursula.
'Really!' Gudrun flushed dark--'But anything really worth while? Have you really?'
'A thousand a year, and an awfully nice man. I liked him awfully,' said Ursula.
'Really! But weren't you fearfully tempted?'
'In the abstract but not in the concrete,' said Ursula. 'When it comes to the point, one isn't even tempted--oh, if I were tempted, I'd marry like a shot. I'm only tempted not to.' The faces of both sisters suddenly lit up with amusement.
'Isn't it an amazing thing,' cried Gudrun, 'how strong the temptation is, not to!' They both laughed, looking at each other. In their hearts they were frightened.
There was a long pause, whilst Ursula stitched and Gudrun went on with her sketch. The sisters were women. Ursula twenty-six, and Gudrun twenty-five. But both had the remote, virgin look of modern girls, sisters of Artemis rather than of Hebe. Gudrun was very beautiful, passive, soft-skinned, soft-limbed. She wore a dress of dark-blue silky stuff, with ruches of blue and green linen lace in the neck and sleeves and she had emerald-green stockings. Her look of confidence and diffidence contrasted with Ursula's sensitive expectancy. The provincial people, intimidated by Gudrun's perfect sang-froid and exclusive bareness of manner, said of her: 'She is a smart woman.' She had just come back from London, where she had spent several years, working at an art-school, as a student, and living a studio life.”

 

 

 

DH_Lawrence_1906

D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver O.Henry, pseudoniem van William Sydney Porter , werd geboren in Greensboro (North Carolina) op 11 september 1862. Op driejarige leeftijd verloor hij reeds zijn moeder en werd daarna opgevoed door zijn oma en een tante. Al was hij een fervent lezer, met vijftien jaren stopte hij met school. Hij vestigde zich in Texas en had allerlei banen zoals verkoper, cowboy en bankmedewerker. Hij leerde Spaans en trouwde. In 1884 begon hij aan zijn schrijverscarrière door voor het weekblad Rolling Stone te schrijven, maar dit werd geen succes. Daarna ging hij werken als journalist en columnist.

In 1897 werd hij veroordeeld tot een gevangenis straf. Hij werd schuldig bevonden aan verduistering bij de bank in Ohio waar hij werkte. Daarom nam hij later zijn pseudoniem aan. Hij schreef honderden verhalen, vaak over gewone mensen die bijzonder dingen meemaken. De bevolking van het New York aan het begin van de 20e eeuw gaf hem vaak de inspiratie voor zijn verhalen.

 

Uit: Babes In The Jungle

 

“Montague Silver, the finest street man and art grafter in the West, says to me once in Little Rock: "If you ever lose your mind, Billy, and get too old to do honest swindling among grown men, go to New York. In the West a sucker is born every minute; but in New York they appear in chunks of roe - you can't count 'em!"

Two years afterward I found that I couldn't remember the names of the Russian admirals, and I noticed some gray hairs over my left ear; so I knew the time had arrived for me to take Silver's advice.

I struck New York about noon one day, and took a walk up Broadway. And I run against Silver himself, all encompassed up in a spacious kind of haberdashery, leaning against a hotel and rubbing the half-moons on his nails with a silk handkerchief.

"Paresis or superannuated?" I asks him.

"Hello, Billy," says Silver; "I'm glad to see you. Yes, it seemed to me that the West was accumulating a little too much wiseness. I've been saving New York for dessert. I know it's a low-down trick to take things from these people. They only know this and that and pass to and fro and think ever and anon. I'd hate for my mother to know I was skinning these weak-minded ones. She raised me better."

"Is there a crush already in the waiting rooms of the old doctor that does skin grafting?" I asks.

"Well, no," says Silver; "you needn't back Epidermis to win today. I've only been here a month. But I'm ready to begin; and the members of Willie Manhattan's Sunday School class, each of whom has volunteered to contribute a portion of cuticle toward this rehabilitation, may as well send their photos to the Evening Daily.

"I've been studying the town," says Silver, "and reading the papers every day, and I know it as well as the cat in the City Hall knows an O'Sullivan. People here lie down on the floor and scream and kick when you are the least bit slow about taking money from them. Come up in my room and I'll tell you. We'll work the town together, Billy, for the sake of old times."

 

 

O_henry

O. Henry (11 september 1862 – 5 juni 1910)

 

 

 

 

De Duitse schrijver, kunstenaar en kunstverzamelaar Joachim Fernau werd geboren in Bromberg op 11 september 1909. Fernau publiceerde een groot aantal artikelen, essays en romans. In veel van zijn naoorlogse werk worden historische thema's behandeld. Zo schreef hij over de geschiedenis van Duitsland en over die van de Verenigde Staten, en wijdde hij boeken aan de door hem bewonderde oude Grieken en Romeinen. Fernau stond bekend om zijn toegankelijke en vaak humoristische schrijfstijl.

 

Uit: Cäsar lässt grüßen

 

Carpe diem. Tagtäglich strömten die Massen in die Circusse, Arenen und Theater. Schon Titus hatte das von seinem Vater gestiftete Colosseum mit hunderttägigen Spielen eingeweiht, bei denen fünfzigtausend exotische Tiere ihr Leben lassen mussten. Jetzt, zur Spätzeit, herrschte dort fast pausenlos Betrieb. Es fasste über fünfzigtausend Zuschauer. Aber die anderen Arenen kamen hinzu. Der Circus Maximus fasste nach dem letzten Umbau hundertfünfundachzigtausend Menschen. Sicher waren ständig dreihundert- bis vierhunderttausend unterwegs auf der Jagd nach dem „bisschen, was unsereins hat”, dem Vergnügen. Zehntausende von Gladiatoren ließen ihr Leben, Hunderttausende von Tieren wurden abgeschlachtet. Im Colosseum fanden riesige Jagden zwischen aufgebauten Felskulissen statt. Den Circus setzte man unter Wasser und trug Seeschlachten aus, bei denen sich die Gegner zu Hunderten echt töteten. Das Wasser war rot von Blut. Die Menge tobte und schrie, fraß und stank. Der Blutgeruch zog in Schwaden durch die Straßen. Eine neue Note kam in „das bisschen, was unsereins hat”, als die Christen- und Judenverfolgungen begannen. Die meisten der Opfer wurden im Circus Maximus den wilden Tieren vorgeworfen.

Der moralische Verfall ging natürlich auch mit einem beispiellosen sittlichen Verfall einher. Rom war voller Dirnen, es wimmelte von Bordellen. Die Aufstachelung und Befriedigung begann bereits bei den Kindern, stürmisch begrüßt als Befreiung von Frustration.

Unerwünschte Neugeborene wurden von den Müttern erstickt oder irgendwo weggeworfen. Man fand sie vor den Toren auf Schritt und Tritt. Eine Ehe, die in Ordnung war, galt als sicheres Zeichen dafür, dass der Mann ein Tölpel und die Frau ein Blaustrumpf war. Es existierten zwar Ehegesetze, irgendwo lagen sie, aber es ist unwahrscheinlich, dass ein Richter sie noch kannte. Die neue Zeit hatte sich ein neues Gewohnheitsrecht geschaffen: die „Konsens-Ehe”, die den Personenstand der Frau nicht veränderte und nicht mehr berührte. Man pflegte die Ehefrau eines anderen abzuklopfen wie eine Partnerin beim Tanz. Niemand oder kaum jemand aus der fortschrittlichen Gesellschaft verdarb das Spiel. Man bildete sexuelle Supermärkte zu dritt, zu viert, ein Gedicht spricht von einer „Kette von fünf”. Wenn das nicht mehr zog, nahm man Haschisch aus dem Orient zu Hilfe.

Das wär’s.
Rom ging sang und klanglos unter. Es wurde nicht wie Hellas besiegt, zerfetzt, verschlungen; es verunglückte nicht in der Kurve, es prallte mit niemand zusammen, es stürzte nicht ab und bekam keinen Herzschlag.
Es verfaulte.
Man hätte es retten können. Aber man gab ihm Opium, statt zu schneiden.
Hören Sie, was die Ruinen, was die Säulenstümpfe auf dem Forum romanum rufen?
Schönen Gruß an die Enkel.“

 

 

 

joachimfernau

Joachim Fernau (11 september 1909 - 24 november 1988) 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 11 september 2007.

 
De Duitse schrijver Peter Hille werd geboren in Erwitzen bij Nieheim op 11 september 1854.

 

 

11-09-07

Peter Hille, Eddy van Vliet, D.H. Lawrence

 

De Duitse schrijver Peter Hille werd geboren in Erwitzen bij Nieheim op 11 september 1854. Hille groeide op in Westfalen. Hij bezocht in Holzhausen de lagere school. Achtereenvolgens stroomde hij door naar het "Marianum" in Warburg en het gymnasium "Paulinum" in Münster. Hier was hij lid van een scholierengroep, waarin een reeks "verboden" auteurs werd gelezen: Marx, Bebel, Darwin, Proudhon etc. Uit deze periode stamt de jarenlange vriendschap van Hille met de gebroeders Heinrich en Julius Hart. Door zijn literaire belangstelling verwaarloosde Hille zijn verplichtingen op school, totdat hij in 1874 van school werd gewezen.

In 1874 begon Peter Hille als klerk bij de officier van Justitie in Höxter bij Nieheim, maar hij was volgens de officier geen succesnummer. Hille besloot daarop naar Leipzigte gaan, werkte er als corrector in een drukkerij en volgde college literatuur, filosofie en kunstgeschiedenis. In 1878 keerde Hille terug naar de oude woonplaats van zijn ouders, Holzhausen. Hij hield het er niet lang uit. In de winter van 1878/1879 verbleef Hille in Bremen bij de gebroeders Hart; hij kon er meewerken aan de "Deutsche Monatsblätter". In Bremen was hij eveneens werkzaam bij de sociaal-democratische krant "Bremer Tageblatt". Door het overlijden van zijn moeder in 1879 beschikte Hille over een erfenis. Onmiddellijk vertrok hij voor een lange tijd op reis. Hij belandde in Londen, waar hij - onder andere in de sloppenwijken van Whitechapel - kennis maakte met socialisten en anarchisten. Twee jaar zou hij er blijven. In ongeveer 1882 brak Hille op voor een verblijf in Nederland. Hier leerde hij een rondreizend theater kennen, waar Hille zijn laatste geld in zou stoppen. Nadat de erfenis op was, keerde Hille terug naar Duitsland. Hij vond er wederom aansluiting bij de broers Hart en raakte betrokken bij de Friedrichshagener Kreis. Detlev von Liliencron en Erich Mühsam behoorden tot zijn vriendenkring.

 

Uit: Ein fideler Abend

 

“Heute war mal wieder das dauernde Versatzstück, die goldene Uhr, die in der Regel vierzig Mark trug, in ihres Eigentümers Händen. So gab er sie mir, da ich solche Gänge aus alter Gewohnheit am wenigsten scheute, sie zu verpfänden. »Vierzig Mark hat's das vorige Mal gegeben. Kannst sie aber auch für dreißig lassen!«

Glücklicherweise gab's vierzig.

So zogen wir denn, Stacho-Stanislaus Prczybiczewski, den man meist als den deutschpolnischen Sataniker auffaßt, seine norwegische Gemahlin Dagno, meist nach Stachos Kosewort von uns allen »Ducha« – Seele – genannt, Richard Dehmel, der Kunstschriftsteller Willy Pastor und Paul Scheerbart, den wir erst eben zum geölten König von Polen gewählt hatten, von Stachos Bude, wo wir durch einige Dutzend Flaschen Bier und Aufschnitt seine Monatsrechnung vermehrt und den Zigarettenvorrat entsprechend vermindert hatten, die paar Schritte vom Zirkus-Renz-Platz bis zum neuen Theater-Restaurant.

Hier entschieden wir uns nach eingehender Beratung für eine Platte Roastbeef und Burgunder. Das Übrigbleibende stand ad libitum: nur ward Vorsicht empfohlen, es seien nur einige Mark. Da zog denn der eine auf des Burgunders schwere Glut ein Löwenbräu vor, ein zweiter wählte Zigaretten, der dritte Aquavit. Später mußte man bei jedem einzelnen Wunsche fragen. Zögernd ward die letzte Einwilligung gegeben.“

 

 

Peter_Hille_1900

Peter Hille (11 september 1854 - 7 mei 1904)

 

 

 

De Vlaamse dichter Eddy van Vliet werd geboren op 11 september 1942 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 11 september 2006.

 

 

De val

 

Ik ben heel goed in het vinden van de stoep

die struikelen doet. Een leeftijdloos moment.

De oude man die zich terugvindt in het wankelend kind.

 

Tussen vliegen en de onontkoombaarheid

van de zwaartekracht. Ik verwacht mijn schaterlach

op andermans gezicht: de slapstick. De bananeschil

en de ober die zijn borden redden wil.

 

Wat niets van dit alles verschilt: het strelen

van vrouwenarmen, als steeds bereid

te beweren dat zij mij ontvangen.

 

 

 

Nacht

 

Het is nacht. De dwingelanden

wisselen de wacht.

 

De aarde wordt bewaakt door de maan.

De dood verleent de merel uitstel.

De blinde is de steun van wie zich

op het bergpad waagt.

Wat onzichtbaar was hijst de vlag.

 

De afwezige grijpt de macht.

Hoe lang nog voor de eerste tram

door de straten snijdt?

 

 

 

VanVliet

Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)

 

 

 

 

De Engelse romanschrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook mijn blog van 11 september 2006.

 

Uit: Lady Chatterley’s Lover

 

Mrs Bolton also kept a cherishing eye on Connie, feeling she must extend to her her female and professional protection. She was always urging her ladyship to walk out, to drive to Uthwaite, to be in the air. For Connie had got into the habit of sitting still by the fire, pretending to read; or to sew feebly, and hardly going out at all.

It was a blowy day soon after Hilda had gone, that Mrs Bolton said: ‘Now why don’t you go for a walk through the wood, and look at the daffs behind the keeper’s cottage? They’re the prettiest sight you’d see in a day’s march. And you could put some in your room; wild daffs are always so cheerful-looking, aren’t they?’

Connie took it in good part, even daffs for daffodils. Wild daffodils! After all, one could not stew in one’s own juice. The spring came back . . . ‘Seasons return, but not to me returns Day, or the sweet approach of Ev’n or Morn.’

And the keeper, his thin, white body, like a lonely pistil of an invisible flower! She had forgotten him in her unspeakable depression. But now something roused . . . ‘Pale beyond porch and portal’ . . . the thing to do was to pass the porches and the portals.

She was stronger, she could walk better, and in the wood the wind would not be so tiring as it was across the bark, flatten against her. She wanted to forget, to forget the world, and all the dreadful, carrion-bodied people. ‘Ye must be born again! I believe in the resurrection of the body! Except a grain of wheat fall into the earth and die, it shall by no means bring forth. When the crocus cometh forth I too will emerge and see the sun!’ In the wind of March endless phrases swept through her consciousness.”

 

Lawrence

D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)