20-08-17

Dolce far niente, Tom van Deel, Anneke Brassinga, Etgar Keret, James Rollins, Clemens Meyer, Arno Surminski

 

Dolce far niente

 

 
Het Rijksmuseum in Amsterdam

 

Uit: De middelmoot is het smakelijkste van de vis. Over beeldgedichten van S. Vestdijk

“Een museum weet niet wat het teweeg brengt. Neem het museum waar we vandaag te gast zijn, het Rijksmuseum te Amsterdam. Het hangt boordevol met de allermooiste beelden en elke dag lopen daar honderden mensen langs. Wat ze erbij denken komen we niet te weten, een enkele keer vangen we wel eens een eenvoudige uitdrukking op, zoals ‘prachtig’ of ‘vreselijk’, maar in het algemeen geeft het museum alles en krijgt het bijna niets terug.
Een enkele keer loopt er tussen de bezoekers een dichter en dan kan het voorkomen dat de indruk die een of ander kunstwerk op hem maakt wordt uitgesproken in een gedicht. Zo was, naar eigen zeggen, de jonge Pierre Kemp niet weg te slaan bij ‘Het Joodse Bruidje’.
(...)

Kemp is niet de enige dichter die in het Rijksmuseum een indruk voor het leven onderging. Hans Faverey kwam geregeld even langs bij het kleine, transparante stilleven met asperges van Adriaan Coorte, waarin hem vooral de lichtval aantrok. J. Bernlef zag zichzelf weer zitten in de Haarlemse St. Bavo toen hij naar het schilderij van Pieter Saenredam keek en zelfs meende hij in de minuscule figuur achter de pilaar, boven op de gaanderij, de gebochelde schilder te herkennen. H.H. ter Balkt moet naar de Hercules Seghers-tentoonstelling in het Rijksprentenkabinet zijn geweest, in 1967, want uit zijn gedichten over leven en werk van Seghers blijkt dat hij de catalogus met vrucht heeft gelezen.
(...)

De schrijver S. Vestdijk, over wie ik het nu in het vervolg wil hebben, is door het Rijksmuseum gevormd. Op tienjarige leeftijd bezocht hij het, samen met zijn tante, geheel tegen de regels die bepaalden dat kinderen beneden de twaalf, zelfs onder geleide, geen toegang hadden.[...] Maar het meest en wel tot in het diepst van zijn ziel werd hij getroffen door een schilderij dat Sint Sebastiaan voorstelde, dat toen nog aan A. Cano werd toegeschreven, maar tegenwoordig aan de Spaanse schilder Juan Carreño de Miranda. Het schilderij had een zelfde ingrijpende werking als, ongeveer in diezelfde tijd, de Apollo-tors uit Milete in het Louvre op Rilke had. Het veranderde zijn leven."

 

 
Tom van Deel (Apeldoorn, 21 februari 1945)
Apeldoorn, Raadhuisplein

Lees meer...

20-08-16

Anneke Brassinga, Etgar Keret, James Rollins, Clemens Meyer, Arno Surminski

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Anneke Brassinga werd geboren in Schaarsbergen op 20 augustus 1948. Zie ook alle tags voor Anneke Brassinga op dit blog en ook mijn blog van 20 augustus 2010.

 

Eik

Stug loof uit kromme takken barstend, querus robur,
wát u zegt! - meer heb ik niet te geef behalve schaduw,
als wolkendek ontbreekt. Dus hou uw mond,

tenzij u eikels vreten wou; ze vallen
straks na eerste kou. Mijn jas? Ik zou beschaamd zijn
u zo ruig doorgroeid te zien, vol mos.

En blijf ook af van al dat tere schemerweefsel
ondergronds, het treurt nog om Dodona
waar ik op rotsen stond en ruisend met mijn

doorwaaid blad uw god het woord gaf.
Licht was daar lavend vuur. Wat komt is duister:
ik voorspel mijzelf een stomme boom in windstille

verstuiving.

 

 

Blauw

kleine droefheid roept en raast
als regen in de duinen
kleine droefheid kijkt verdwaasd
naar de bramen neder.

zwarte vrucht van droefheid
in de regen, zoet en koud
roept en raast, verdwaasd en teder.
koude duinen, wolkenblauw

bewaasd, omringen de verdwaalde
droefheid, stervend haast,
die in al haar kleinheid
roept en raast.

 

 

Nachtpost

Alle licht gaat ergens heen -
het lampje boven in mijn pen
gekregen van Kees Hin de kineast,
schrijft in het donker dit gedicht in spiegelschrift
tussen de sterren heb ik gedacht;
en op de kop ook nog? Zodat jij, verhuisd
naar die omgekeerde averechtse onderwereld boven ons
nu lezen kunt een doodgewoon bericht?
En - vertel - heb je daarginder wel
net als hier de gamma-uil en jotavlinder?

 

 
Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) 

Lees meer...

20-08-15

Anneke Brassinga, Etgar Keret, Clemens Meyer, Arno Surminski, Maren Winter, Edgar Guest, Charles de Coster, Tarjei Vesaas

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Anneke Brassinga werd geboren in Schaarsbergen op 20 augustus 1948. Zie ook alle tags voor Anneke Brassinga op dit blog.

 

Tedere nacht

Er komt een nacht
dat je liefhebt

niet wat mooi -
wat lelijk is.

Niet wat stijgt -
maar vallen moet.

Niet waar je helpen kan -
waar je hulpeloos bent.

Het is een tedere nacht
de nacht dat je liefhebt

wat liefde
niet redden kan.

 

 

Jongste dag

aarde is het plafond, vol bleke tastende
ranken. We waren ten slotte onder het gras
beland, om van hartstocht te verteren.

Hoor, hoe in den hogen grote koren blij opeens kwelen!
Stop met ijle vingers me de oren toe: wie
kan er boodschap hebben aan ons, die heimelijk

en traag in humus opgaan, zinnen strelend
van de diepste stof? Wij zullen opstaan
als gesteente, als een zee, een zwerfhond

of een wilde ui. Of als een zon
die bloedig alle zijnsgordijnen scheurend
ondergaat daarboven.

 

 

Verschiet te Rome

Ruïnes? Ik weet ze in mijn leven al.
Een weids terrein vol brokken, zelf gemaakt,
uit eigen grond gestampt. Maar avondgloed
te Rome, zachtvurige zonsravage regenboogbekroond
laat door geen glorieus verwoest bestaan
zich evenaren. Ik aanzie die wondere
ondergang, besef hoe mijne evenmin fataal
en keer op keer als voor het eerst zal zijn.

 

 

 
Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) 

Lees meer...

20-08-14

Clemens Meyer

 

De Duitse schrijver Clemens Meyer werd geboren op 20 augustus 1977 in Halle an der Saale. Meyer groeide op in de volksbuurt van Leipzig Oost. Hij is een kleinzoon van de kunstenaar Otto en Gertraud Möhwald. De zoon van een verpleegkundige en een gezondheidsvoorlichtster kwam door de uitgebreide bibliotheek van zijn vader in aanraking met literatuur. Na het eindexamen gymnasium werkte Meyer o.a. als bouwvakker. 1998-2003 studeerde hij aan het Duitse Literatuur Instituut in Leipzig, onderbroken door een verblijf in de jeugdgevangenis Zeithain. Hij financierde zijn studies als bewaker, verhuizer en vrachtwagenchauffeur, een beurs stelde hem in staat om te werken aan zijn eerste roman. Tijdens het zoeken naar een uitgever leefde hij ook een tijd van de bijstand. Intussen kan van zijn boeken en lezingen leven. Parttime is hij docent aan het Leipziger Literaturinstitut en columnist bij de MDR. Een toneelbewerking van zijn verhalenbundel “Die Nacht, die Lichter” ging in 2010 aan het Leipziger Centraltheater in première. Ook in 2010 verscheen Meyers derde boek „Gewalten“. Een dagboek. In 2013 verscheen de roman “Im Stein” met diepgaande en gedifferentieerd studies van het hedendaagse Red Light milieu. In 2012 draaide de Leipziger filmmaker Thomas Stuber “Von Hunden und Pferden”, met als uitgangspunt een kort verhaal van Meyer. De korte film werd bekroond met een Zilveren Oscar voor studenten (Student Academy Award) voor de beste buitenlandse korte film. Samen met Stuber schreef Clemens Meyer het scenario voor de film “Herbert”, die werd genomineerd voor de Duitse Draaiboekprijs. In 2015 Meyer kreeg samen met Stuber de Duitse Draaiboekprijs voor de film “In den Gängen”. Meyer’s debuutroman “Als wir träumten” werd verfilmd door regisseur Andreas Dresen en ging op het 65e Internationale Filmfestival van Berlijn in première. Samen met Uwe-Karsten Günther werkt Meyer werkt onder het pseudoniem Günther Meyer als beeldend kunstenaar.

Uit: Als wir träumten

„Ich kenne einen Kinderreim. Ich summe ihn vor mich hin, wenn alles anfängt in meinem Kopf verrückt zuspielen. Ich glaube, wir haben ihn gesungen, wenn wir auf Kreidevierecken herumsprangen, aber vielleicht habe ich ihn mir selbst ausgedacht oder nur geträumt.
Manchmal bewege ich die Lippen und spreche ihn stumm, manchmal fange ich einfach an zu summen und merke es nicht mal, weil die Erinnerungen in meinem Kopf tanzen, nein, nicht irgendwelche, die an die Zeit nach der groûen Wende, die Jahre, in denen wir - Kontakt aufnahmen?
Kontakt zu den bunten Autos und zu Holsten Pilsener und Jägermeister. Wir waren um die fünfzehn damals, und Holsten Pilsener war zu herb, und so soffen wir meistens nationalbewusst. Leipziger Premium Pils. Das war auch preiswerter, denn wir bezogen es direkt vom Hof der Brauerei. Meistens nachts. Die Leipziger Premium Pilsner Brauerei war der Mittelpunkt unseres Viertels und unseres Lebens. Der Ursprung durchsoffener Nächte auf dem Vorstadtfriedhof, endloser Zerstörungsorgien und Tänze auf Autodächern während der Bockbiersaison.
Die Original Leipziger Brauereiabfüllung war eine Art blonder Flaschengeist für uns, der uns sanft an den Haaren packte und über Mauern hob, Autos in Flugmaschinen verwandelte, uns seinen Teppich lieh, auf dem wir davonflogen und den Bullen auf die Köpfe spuckten.
Doch meistens endeten diese seltsam traumartigen Flugnächte mit einer Landung in der Ausnüchterungszelle oder auf dem Flur des Polizeireviers Südost, mit Handschellen an die Heizung gekettet.
Als wir Kinder waren (ist man mit fünfzehn auch noch Kind? Vielleicht waren wir es nicht mehr, als wir das erste Mal vorm Richter standen, der meistens eine Frauwar, oder als sie uns das erste Mal nachts nach Hause brachten und wir am nächsten Tag zur Schule gingen, oder auch nicht, und die Abdrücke der verfluchten 8 noch an unseren dünnen Handgelenken hatten), als wir liebe Kinder waren, war der Mittelpunkt des Viertels für uns der groûe »Volkseigene Betrieb Duroplastspielwaren und Stempelsortimente«, aus dem uns ein ansonsten unbedeutender Klassenkamerad, über seine Stempelkissen herstellende Mutter, Stempel und kleine Autos besorgte, weshalb er von uns keine Dresche und manchmal ein paar Groschen bekam.“

 

 
Clemens Meyer (Halle an der Saale, 20 augustus 1977)

18:40 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: clemens meyer, romenu |  Facebook |