02-11-17

E. du Perron, Désanne van Brederode, Kees van den Heuvel, Charlotte Mutsaers, Odysseas Elytis, Augusta Peaux, Thomas Mallon, Bilal Xhaferri, Leo Perutz

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Charles Edgar (Eddy) du Perron werd geboren op 2 november 1899 in Jatinegara (West Java). Zie ook mijn blog van 2 november 2010 en eveneens alle tags voor E. du Perron op dit blog.

 

Sonnet van burgerdeugd

De trammen tuimlen door de lange straten;
Al 't leven buiten, en de ramen dicht;
Wat thee voor ons en de avond te verpraten.
De lamp streelt rustig ons voornaam gezicht.

Inbrekers, wurgers, rovers en piraten,
En de eerste Zondvloed en het laatst Gericht -
Elke onrust heeft ons deugdzaam hart verlaten.
O thee! o vriendschap! o kalmerend licht!

Straks 't koesterende donker; morgen lopen
Wij opgefleurd te kopen of verkopen:
Tragedie blijft tragedie, klein of groot.

Genoeg vermoeienis om 's nachts te slapen;
Alle overgangen tussen lach en gapen;
En aan het eind, de Liefderijke Dood.

 

 

Een grote stilte

De stilte zwelt uit de ingeslapen nacht
En zuigt ons gans en onweerstaanbaar binnen.
Een hoornstoot gilde alsof een wilde jacht,
losbarstend als een onweer, zou beginnen -

En toen niets meer: de ondragelijke vracht
van tè veel jaren, 't koele en donkre linnen
van de eeuwge stilte op onze wankle wacht.
De vijand zal ons altijd overwinnen!

Wij kruisen de armen op onze enge borst,
zwelgend het duister met de dikke dorst
van wie om water kreunde eer hij verstomde.

En deze vracht, dit groot benauwen wordt
voorsmaak van het gebeente dat verdort
onder het marmer, in de rèchte tombe.

 

 

Een mannetje alleen

'k Sta aan mijn venster. Het is laat.
Ik kijk neer op de stille straat.
In duisternis. Waar niemand gaat.

Van nergens komt meer één geluid.
'k Sta met mijn hoofd tegen een ruit.
Wanneer gaat die lantaren uit?

Eén lichtkring op wat vunzigheid.
Dat goor is met die gloor in strijd.
Daar gaat zelfs geen verloren meid.

In mij is net zo'n stille straat.
Waar niet één lamp te branden staat.
Waar sedert lang geen mens meer gaat.

 

 
E. du Perron (2 november 1899 – 14 mei 1940)
In de jaren 1920 in Parijs

Lees meer...

02-11-16

Dolce far niente, Georg Heym, Charlotte Mutsaers, Désanne van Brederode, E. du Perron

 

Bij Allerzielen

 

 
Allerseelen auf einem rheinischen Friedhof door Alfred Böhm, 1873

 

 

Allerseelen

Wie der Wind an eurem Kleide reißt
Daß er die roten Blätter entführ.
Wie ihr frierend duldet die Ungebühr.
Kahl seid ihr bald, und bald verwaist.

Ein Lichtlein in euer Laub sich schmiegt.
Eins erst. Bald sind es ihrer viel.
Flackert hin, flackert her. Der Winde Spiel,
Wie der Sterbenden geifernder Atem fliegt.

O du Toter, nun grüßen sie dich
Zum letzten Mal. Bald hinab
Mußt du nun wieder in Winters Grab.
Warte noch, bleib, bis der Tag verwich.

Streife du noch in Novemberluft.
Wenn Schnee erst fällt, deckt er zu
Deinen Schlaf zu bitterer Winterrute.
Winters Stürme gehen dann über die Gruft.

Hinter den Bäumen steht ihr.
Ihr wärmt eure Hände.
Rot fällt der Schein auf die weiße Lende.
Bald gehn wir nun. Und einsam bleibt ihr.

Warum lächelt ihr? Euer Lächeln gleicht
Einem Rätsel voll Bosheit und Dunkelheit,
Wie wenn am Mittag in trüber Zeit
Der Wind über Teiche im Moore streicht.

Wie ein Kind an die Ohren sich schlägt,
Den Schall wiederholend, so tönt euer Laut,
Wie das Sausen, wenn dunkel der Abend graut
Und der Wind die zitternden Halme regt.

Ihr, die ihr nun aus Hierseins Schlafe erweckt,
Die ihr nun eins seid mit Busch und Gras,
Die den Tieren ihr gleicht, und dem, der genas
Vom Lebenswahn, in Irrsinns-Stuben versteckt,

Ihr, sagt mir eins, warum schleicht ihr euch her.
Ist es nicht besser, tot sein? Was steigt ihr herauf?
Drängt an die Betten der Schläfer zuhauf,
Mit Gerippen füllend der Träume Meer?

Ach, es muß einsam sein in des Todes Haus.
Wenn die Erde friert bis zum Grunde hart.
Und da kommt ihr nun, hohläugig starrt
Ihr nach uns. Ihr unser, wir euer Graus.

 

 
Georg Heym (30 oktober 1887 - 16 januari 1912)
Hirschberg. Georg Heym werd geboren in Hirschberg

Lees meer...

02-11-15

Charlotte Mutsaers, Désanne van Brederode, E. du Perron, Odysseas Elytis, Kees van den Heuvel, Augusta Peaux

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster, essayiste en kunstschilderes Charlotte Jacoba Maria Mutsaers werd geboren in Utrecht op 2 november 1942. Zie ook alle tags van Charlotte Mutsaers op dit blog.

 

Recept voor Sousa's kattegraf
(Ljevka tot troost)
 
Snoes, zit niet in de nesten
maar ga er opuit, ga
snorren naar visafval,
eersteklas muizenvet,
zet dat opzij.
 
Spit grondig je tuintje om,
hol uit de aarde, graaf
minstens een vierkant
wel in het rond
en ook diep.
 
Stort dan met graten vol
van pladijzen, vlij
daarop kilo's van
lippen en keeltjes
en kieuwen.
 
Stofferen dat fundament
tot allerzaligste nest nu:
mussenbont, pluimen van
pauwen en eigenste
viking-haar.
 
Vlug aan het metsen met
smijdig zacht muizenvet.
Drenk het grijs paardekleed
kletsnat in tranen en
stollend bloed.
 
Pak stijve Sousa nu, plak
hem goed vast op de stof.
Doe het keihard dat hij
nooit meer verschuift
uit zijn rust.
 
Ik neem de trompet en speel voor.
Jij knielt en befluistert zijn oor:
Slaap lieve
schattekop kattekop
verkruip jij je maar
in mijn tuin
tot ik kom
als ik kom
reken maar
snor dan zacht.
 
Werp aarde op aarde op aarde.

 

 

When walls come tumbling down

De witte tanden
op
de witte wanden
zo onzichtbaar
nog
behoren Kronos
toe

Pas als die wanden
langzaam
op ons
landen
maakt het blikkeren
van zijn kunstgebit
ons moe

Kronos vrat met smaak
zijn eigen kinders
op
peanuts
naast
de aangevreten
harteklop

 

 
Charlotte Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942)

Lees meer...

02-11-14

Charlotte Mutsaers, Désanne van Brederode, E. du Perron, Odysseas Elytis, Kees van den Heuvel, Thomas Mallon

 

De Nederlandse schrijfster, essayiste en kunstschilderes Charlotte Jacoba Maria Mutsaers werd geboren in Utrecht op 2 november 1942. Zie ook alle tags van Charlotte Mutsaers op dit blog.

Uit: Zeepijn

“Ik wist alles van vogels. In de boekjes stond dat ze alleen maar zongen uit angst of uit baltsaandrift. Dat was niet waar. De meeste vogels, zo had ik ontdekt, zongen puur voor de lol. Ik heb nog meer ontdekt: kippen komen graag bij je op schoot. In Oostende ken ik een man, hij werkt bij de kaartverkoop van het museum, wiens kippen ook altijd op schoot komen. Je moet je er natuurlijk wel voor openstellen maar dat geldt voor alles. In de zomer kwamen de duiven bij ons naar binnen en dan speelden ze boven op de speelgoedkast. En dan de pelikanen. Eén keer per jaar gingen we naar Artis en dan namen we een kilo of vijf wijting voor de pelikanen mee. «Poezenvis» heette dat in de viswinkel maar wij noemden het «pelikanenvis». Reken maar dat al die pelikanen ons na een jaar nog herkenden en meteen hun bek opensperden. Mijn fietsenmaker heeft een papegaai van zestig jaar. Die heeft de oorlog nog meegemaakt en een heel andere visie op het geheel. Hij zegt altijd… Nee, ik zeg niet wat hij zegt. Straks worden zijn woorden nog verkeerd uitgelegd en dan heb ik het gedaan.
Ik vónd ook altijd vogels. Toen ik eenmaal groot was, was dat afgelopen. Je bevindt je dan niet meer zo dicht met je neus bij de grond. Maar daarvoor vond ik er wel vijftig per jaar. Of ze vonden mij. Vooral in de lente kon ik geen voet op straat en in het park zetten of er kroop bij wijze van spreken meteen een vogel onder. Meestal een jonge duif of mus die uit het nest was gevallen — merels en spreeuwen moest je laten zitten — of ternauwernood ontkomen was aan de klauwen van een kat. Ik nam ze dan mee naar huis waar ik ze in een kooi zette en een paar dagen lang goed voedsel gaf. En ziedaar: na vijf dagen vloog het dier van dezelfde hand die hem had vertroeteld en gevoed frank en vrij het luchtruim in. Het frappante was dat ze daarbij altijd even omkeken. Alsof ze zeggen wilden: denk niet dat we voor je op de vlucht zijn gegaan.”

 

 
Charlotte Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942)

Lees meer...

02-11-13

Charlotte Mutsaers

 

De Nederlandse schrijfster, essayiste en kunstschilderes Charlotte Jacoba Maria Mutsaers werd geboren in Utrecht op 2 november 1942 als dochter van de kunsthistoricus Barend Mutsaers, die werkzaam was aan de Universiteit Utrecht. Na haar gymnasiumopleiding ging ze eerst Nederlands studeren in Amsterdam, waarna ze docente Nederlands werd aan het Hoger beroepsonderwijs. Ondertussen doorliep ze de avondopleiding tekenen en schilderen aan de Gerrit Rietveld Academie, eveneens in Amsterdam. Kort na haar eindexamen in schilderen en vrije grafiek werd ze vrijwel onmiddellijk als docente schilderen aan deze academie benoemd. Ze heeft er meer dan tien jaar les gegeven. Behalve schilderijen en grafiek heeft Mutsaers ook postzegels ontworpen, illustraties gemaakt voor de Boekenbijlage van Vrij Nederland en talloze boeken van een omslag voorzien.

Haar schilderijen werden onder meer geëxposeerd bij Piet Clement, in het Frans Hals Museum te Haarlem, het Gemeentemuseum van Arnhem, de Nieuwe Kerk te Amsterdam en Museum de Beyerd te Breda. In 2008 kreeg zij een grote overzichtstentoonstelling in de Venetiaanse Galerijen van Oostende. Op de tentoonstelling Paraat met pen en penseel in het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag in 2010 werd Mutsaers' dubbeltalent belicht. Rond haar veertigste begon Mutsaers met schrijven. In 1983 was ze te gast bij de eerste uitzending van Hier is... Adriaan van Dis. Op 7 juni 1992 trad zij op in het VPRO-programma Zomergasten. Op 2 april 2010 heeft de NPS de documentaire De wereld van Charlotte Mutsaers uitgezonden, een film van Suzanne Raes. In mei 2010 kreeg Mutsaers voor haar literaire verdiensten de P.C. Hooftprijs uitgereikt.

 

Uit: Koetsier Herfst

 

“De dag na mijn vijftigste verjaardag droomde ik dat ik gewurgd werd. Ik wou de wurgende handen losmaken van mijn nek maar dat ging niet, het waren de handen van mijzelf. Toen heb ik gedacht: ik leef verkeerd. Als ik zo doorga, verknal ik gegarandeerd mijn hele toekomst.
Nog geen uur later ben ik mijn geluk gaan zoeken in het Vondelpark. En blijkbaar was ik erg gemotiveerd want ik had het in no time gevonden.
Ach, als geluk toch eens iets blijvends was. Maar wacht, laat ik me eerst even voorstellen.
Gegroet lezer. Ik draag geen pacemaker, ik voel overal nattigheid, ik draag altijd pyjama’s in bed, mijn zwarte haar wordt nog nauwelijks grijs, ik zwem in oud geld en ontbeer dus diplomatie en handelsgeest, ik voel me van geen enkel dier de meerdere, ik ben van mening dat Jorma Ollila een van de grootste denkers is van deze tijd, ik heb een vrouw bemind die wegliep met Bin Laden, mijn heftigste angst is bij mijn dood door niemand omringd te zijn, mijn beroep is schrijver en ik heet Maurice Maillot. Aangenaam.
Mijn ouders behoorden tot de eerste prisoners of compassion. Ik hield zielsveel van ze maar heb ze helaas niet anders gekend dan in het gevang. Ze hadden levenslang omdat ze in de zomer van 1953 het Duitse circus Kalthoff hadden opgeblazen. Het ging om een nijlpaard. Zijn naam was Benkali. De circusdirectie wou van hem af omdat hij vanwege zijn vergevorderde leeftijd geen kunstjes meer kon vertonen, en had zijn bassin opgewarmd tot meer dan honderd graden. Zo werd Benkali levend gekookt en kon Kalthoff een forse poet van de verzekering incasseren.
Bij deze aanslag kwamen eenenzestigmensen om. Spijt hebben mijn ouders nooit betuigd. Al hun medeleven is naar het nijlpaard uitgegaan.
Ik was nog maar net geboren. Mijn familie wou toen niets meer van me weten en transporteerde me met wieg en al naar Ruud en Agaath van Zanten-Kolf, een kinderloos patriciërsechtpaar in de Amsterdamse Lomanstraat.
Voor het leven getekend maar wel met een bankrekening”.

 

 

 

Charlotte Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942)

14:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: charlotte mutsaers, romenu |  Facebook |

15-12-09

P. C. Hooftprijs 2010 voor Charlotte Mutsaers

 

De Nederlandse schrijfster en schilderes  Charlotte Mutsaers krijgt de P.C. Hooftprijs 2010 voor proza. De 67-jarige auteur van romans als Koetsier herfst en Rachels Rokje is de eerste vrouw sinds Hella Haasse (1983) die de prijs voor proza krijgt. Zie ook mijn blog van 2 november 2009.

 

Uit:  Koetsier Herfst

 

“De dag na mijn vijftigste verjaardag droomde ik dat ik gewurgd werd. Ik wou de wurgende handen losmaken van mijn nek maar dat ging niet, het waren de handen van mijzelf. Toen heb ik gedacht: ik leef verkeerd. Als ik zo doorga, verknal iik gegarandeerd mijn hele toekomst.
Nog geen uur later ben ik mijn geluk gaan zoeken in het Vondelpark. En blijkbaar was ik erg gemotiveerd want ik had het in no time gevonden.
Ach, als geluk toch eens iets blijvends was. Maar wacht, laat ik me eerst even voorstellen.

Gegroet lezer. Ik draag geen pacemaker, ik voel overal nattigheid, ik draag altijd pyjama’s in bed, mijn zwarte haar wordt nog nauwelijks grijs, ik zwem in oud geld en ontbeer dus diplomatie en handelsgeest, ik voel me van geen enkel dier de meerdere, ik ben van mening dat Jorma Ollila een van de grootste denkers is van deze tijd, ik heb een vrouw bemind die wegliep met Bin Laden, mijn heftigste angst is bij mijn dood door niemand omringd te zijn, mijn beroep is schrijver en ik heet MauriceMaillot. Aangenaam.

Mijn ouders behoorden tot de eerste prisoners of compassion. Ik hield zielsveel van ze maar heb ze helaas niet anders gekend dan in het gevang. Ze hadden levenslang omdat ze in de zomer van 1953 het Duitse circus Kalthoff hadden opgeblazen. Het ging om een nijlpaard. Zijn naam was Benkali. De circusdirectie wou van hem af omdat hij vanwege zijn vergevorderde leeftijd geen kunstjes meer kon vertonen, en had zijn bassin opgewarmd tot meer dan honderd graden. Zo werd Benkali levend gekookt en kon Kalthoff een forse poet van de verzekering incasseren.
Bij deze aanslag kwamen eenenzestigmensen om. Spijt hebben mijn ouders nooit betuigd. Al hun medeleven is naar het nijlpaard uitgegaan.
Ik was nog maar net geboren. Mijn familie wou toen niets meer van me weten en transporteerde me met wieg en al naar Ruud en Agaath van Zanten-Kolf, een kinderloos patriciërsechtpaar in de Amsterdamse Lomanstraat.
Voor het leven getekend maar wel met een bankrekening.

Zodra ik groot genoeg was, mocht ikmee naar de gevangenis. Dan zei ik: ‘Dag Pappa, dag Mamma, hier ben ik. ’Maar zijzelf waren er niet, dat wil zeggen, er was haast niets meer van ze over. Achter het glas troonden twee geslachtloze schimmen met de armen omelkaar heen, een zwijgzaamrotsblok vanmedeplichtigheid. Het enige wat er nog uitkwam was: ocharmen.
Toch is het dit rotsblok geweest dat mij nog kracht en levensmoed heeft geschonken. Omdat ik merkte dat het ommij gaf, dat hetmetmemeeleefde, dat het zich hoe dan ook ommij bekommerde. Een rotsblok blijft niettemin een rotsblok.
Het is hard.“

 



MUTSAERS

Charlotte Mutsaes (Utrecht, 2 november 1942)



02-11-09

E. du Perron, Charlotte Mutsaers, Odysseas Elytis, Leo Perutz, Bilal Xhaferri, Thomas Mallon, Kees van den Heuvel, Augusta Peaux, Jules Barbey d'Aurevilly, Daniil Andreyev


De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Charles Edgar (Eddy) du Perron werd  geboren op 2 november 1899 in Jatinegara (West Java). Zie ook mijn blog van 2 november 2006 en ook mijn blog van 2 november 2007 en ook mijn blog van 2 november 2008.

 

 

Somewhere

 

Misschien zijn wij nu vrienden, en misschien

zal morgen reeds alles vergeten zijn? -

wat goedheid van je: meer dan ik verdien,

een koele bries, een korte medicijn.

Ik zal weer zijn dezelfde die ik was

vóór ik je kende, en toch, in dit moment,

wil ik geloven dat dit smal terras

de Wereld is, en zelfs der Wereld end.

 

Laat heden hierin alles zijn vervat,

dat ik je vriend heet en jij mijn vriendin:

de lucht is grijs - geef het de purpren zin

die zoiets vroeger in Italië had!

Wij zijn vereend maar even wijs en weten:

een woord weegt lichter dan een duiveveer -

als 'k ‘liefde’ zei, zou ik kunnen vergeten

dat je me zei: ‘O, liefde komt één keer’ ....?

 

Wees niet bezorgd voor deze bijna-liefde;

zij gaat voorbij: als alles wat ons griefde -

geneest of sterft, na meer of minder strijd.

'k Zeg ‘liefde’ toch. 't Is niet als de andre keren;

ook niet als de Ene! - dit is geen verwijt.

Het uur is vol van al wat ‘kan verkeren’,

de lucht is vaal en pijnlijk uitgespreid:

ik speel het woord dat eertijds harten kliefde

in vriendschap uit tegen je ledigheid.

 

 

 

De Bierpiraat

 

Hij dreef op alle bieren en ging prat

dat drank hem nooit een beentje had gelicht,

en overdreef niet: meer dan ieder vat

kon hij bevatten; 't was zijn overwicht.

 

Enorm daarbij: een stier, met een gezicht

zo overdreven opgeblazen, dat

men met plezier erin gespogen had,

indien men spugen kon met de ogen dicht.

 

Ik heb mij vaak aan hem gesterkt. Die man

schonk mensenkennis uit dezelfde kan:

zijn anekdoten waren psychologies.

 

Hij zag van iedereen de platte kant;

ik gloeide in zijn schaduw: mijn verstand

bevond hem bol, maar tot de slokdarm logies.

 

 

 

 

 

malraux_perron
E. du Perron (2 november 1929 – 14 mei 1940)

Du Perron (r) met André Malraux (l)

 

 

 

De Nederlandse schrijfster, essayiste en schilderes Charlotte Mutsaers werd geboren in Utrecht op 2 november 1942. Charlotte Mutsaers was dus een oorlogskind. Toen ze 9 jaar was, overleed haar opa, die op een kasteel in Kapellen woonde, samen met haar oom Felix en diens zuster. Het was de eerste keer dat ze met de dood geconfronteerd werd. Na haar gymnasiumopleiding ging ze eerst studeren en toen ze 29 jaar was ging ze naar de Rietveld Academie in Amsterdam. Op 35-jarige leeftijd begon ze Nederlandse les te geven, en ook te schilderen en schrijven. Tien jaar later ontwierp ze een serie kinderpostzegels, maar ze exposeerde haar werk bijna nooit. In 2000 waren wat werken te zien in de Vleeshal omdat er een tentoonstelling is met de titel "Schilderen en schrijven".

 

Uit: Zeepijn

 

“Als kind had ik twee beroepen : detective en dierenarts. Detective ben ik nog steeds maar dierenarts heb ik laten varen. Dat is de schuld van een oppas geweest. Die wou zich bemoeien met dingen waar ze geen verstand van had. Toen is het misgegaan.
Zodra de lente begon, vertrokken mijn ouders naar Parijs. Mijn moeder om zomertailleurtjes te kopen, Chanel n°5 en lippenstift. En mijn vader om lekker te eten en te genieten van de vele vrouwen in open bloesjes en met hangend haar. Wij kregen dan een oppas, Anna geheten. Ook Anna droeg open bloesjes en hangend haar. Maar van vogels had ze geen verstand. Ze kon nog geen kraai van een meeuw onderscheiden. Goed, dat komt meer voor. Je zou alleen zeggen : als het over vogels gaat, hou dan je mond. Dat deed ze niet. En ik was zo dom naar haar te luisteren.
Ik wist alles van vogels. In de boekjes stond dat ze alleen maar zongen uit angst of uit baltsaandrift. Dat was niet waar. De meeste vogels, zo had ik ontdekt, zongen puur voor de lol. Ik heb nog meer ontdekt : kippen komen graag bij je op schoot. In Oostende ken ik een man, hij werkt bij de kaartverkoop van het museum, wiens kippen ook altijd op schoot komen. Je moet je er natuurlijk wel voor openstellen maar dat geldt voor alles. In de zomer kwamen de duiven bij ons naar binnen en dan speelden ze boven op de speelgoedkast. En dan de pelikanen. Eén keer per jaar gingen we naar Artis en dan namen we een kilo of vijf wijting voor de pelikanen mee. «Poezenvis» heette dat in de viswinkel maar wij noemden het «pelikanenvis». Reken maar dat al die pelikanen ons na een jaar nog herkenden en meteen hun bek opensperden. Mijn fietsenmaker heeft een papegaai van zestig jaar. Die heeft de oorlog nog meegemaakt en een heel andere visie op het geheel. Hij zegt altijd… Nee, ik zeg niet wat hij zegt. Straks worden zijn woorden nog verkeerd uitgelegd en dan heb ik het gedaan.”

 

 

 

 

 

Mutsaers
Charlotte Mutsaers
(Utrecht, 2 november 1942)

 

 

 

De Griekse dichter Odysseas Elytis (pseudoniem voor Odysseas Alepoudhelis) werd op 2 november 1911 te Iraklion op Kreta geboren. Zie ook mijn blog van 2 november 2006 en ook mijn blog van 2 november 2007 en ook mijn blog van 2 november 2008.

 

 

 

Het Lichaam van de zomer


De tijd is lang voorbij, sinds het ophield met regenen
op de mieren en de hagedissen;
nu brandt de eindeloze hemel
en verven de vruchten hun lippen rood.
De aarde opent traag haar poriën
en bij het water,
dat stamelend druppelt
staart een enorme plant de zon recht in de ogen.
Wie ligt daar achterover op het zand,
het zilver der olijfblaren berokend ?
In zijn oren warmen zich de krekels,
de mieren werken op zijn borst,
in het groen van zijn oksel kruipen de hagedissen
en tussen de tenen van zijn voet speelt de golf
die een kleine zingende Sirene zond.

Dit is haar lied:
o, naakte lichaam
van de zomer.
Uitgevreten en verbrand door zout en olie van olijven.
O lichaam van rots en huiver van het hart,
machtige bries door de haren van de treurwilg,
en geur van bazielkruid op de getaande jongeling,
bedekt met schelpjes en sparrenaalden.
O lichaam van de dag, drijvend in de diepte!
Traag komen de regens nader, de felle hagelstormen,
de droogten gaan voorbij, door de kille nagels van de sneeuw
bekrast.
Hij slaat als een bezetene de verten blauw.
De heuvels zinken weg in de zware uiers van de wolken.
Maar achter dat alles glimlach jij weer zorgeloos
en vind je weer de onvergankelijke tijd,
zoals de zon jou weervindt op het zand,
zoals ook de hemel jou weervindt in jouw groene naaktheid.

 

 

 

Vertaald door Henri Thijs

 

 

 

 

They came


dressed up as “friends,”
came countless times, my enemies,
trampling the primeval soil.
And the soil never blended with their heel.
They brought
The Wise One, the Founder, and the Geometer,
Bibles of letters and numbers,
every kind of Submission and Power,
to sway over the primeval light.
And the light never blended with their roof.
Not even a bee was fooled into beginning the golden game,
not even a Zephyr into swelling the white aprons.
On the peaks, in the valleys, in the ports
they raised and founded
mighty towers and villas,
floating timbers and other vessels;
and the Laws decreeing the pursuit of profit
they applied to the primeval measure.
And the measure never blended with their thinking.
Not even a footprint of a god left a man on their soul,
not even a fairy’s glance tried to rob them of their speech.
They came
dressed up as “friends,”
came countless times, my enemies,
bearing the primeval gifts.
And their gifts were nothing else
but iron and fire only.
To the open expecting fingers
only weapons and iron and fire.
Only weapons and iron and fire.



Vertaald door Edmund Keeley en George Savidis

 

 

 

 

ElytisNobel
Odysseas Elytis (2 november 1911 – 18 maart 1996)

Tijdens de uitreiking van de Nobelprijs in 1979

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Leo Perutz werd geboren op 2 november 1882 in Praag. Zie ook mijn blog van 2 november 2006   en ook mijn blog van 2 november 2008.

 

 

Uit: Die dritte Kugel

 

„Mich fröstelt’s, und das Feuer ist am Erlöschen. Der Herbstwind bläht mir den Mantel auf, daß die geflickten Löcher nach allen Seiten starren wie die Teufelsfratzen. Der Regen schlägt einen Trommelwirbel um mich her und dröhnt und prasselt, als wär’ die Welt mit Kalbfell überzogen. Eine

Nacht, dazu geschaffen, sich am Lagerfeuer zu erwärmen und im Kreise grauhaariger Kriegsgefährten bestandner Abenteuer zu gedenken. Aber ach, heute steht mir der Sinn wahrlich nicht danach, denn in fünfzehn währenden Stunden bin ich vom Rücken meines lahmen Gauls nicht zur Erd’ gekommen. Den sächsischen Kurfürsten, den großen Papstfeind und Lutheraner, der die Einung der evangelischen Fürsten gegen den Kaiser zustand gebracht und auch die Böhmen zu einem Aufruhr angestiftet hat, den haben wir gefangen und hieher in des Kaisers Feldlager geführt, daß er morgen einen Fußfall tun muß vor dem Carolus Quint und ihn demütig seinen allergnädigsten Kaiser nennen.

Jetzt führen sie seine Kanzler und Ratsherren in Fesseln vorbei. Der alte Mann ist auch dabei, den ich bei Mühlberg mit dem Säbel über den Kopf geschlagen hab’. Er trägt eine blutige Binde um die Stirn, läßt den Kopf hängen, ist fast traurig und verzagt, weiß es wohl, daß er ihn nicht lange mehr zwischen den Schultern wird tragen dürfen. Ja, Brüder, jetzt seid ihr fast verzagt, aber wer hieß euch dem Kaiser aus Ingolstadt solch einen trotzigen Absagebrief schreiben? »Wir geben dem Karl, der sich den fünften römischen Kaiser nennt, kund und zu wissen, daß er pflichtvergessen gegen Gott und an der Nation eidbrüchig gehandelt hat.« Ja, jetzt wird euch der Kaiser schon die rechte Antwort geben. Wer

riet euch, ihr armen Schelme, die Finger in solch einen Handel zu stecken? Seht mich an, Brüder! Ich bin auch lutherisch. Reit’ dennoch mit des Kaisers Haufen, schlag’ zu, stech’ und schieß’, wen er mich stechen und schießen heißt, es gilt mir gleich. Treib’ nicht viel Lärmens mit meinem Glauben, halt’ Frieden mit allen schwarzen Kutten, grüß’ eine jede von den spanischen Gecksnasen zuerst, die jetzt allenthalben durchs Lager stolzieren und sich an des Kaisers Seite blähen in ihrer Narrenlivrei. Ihr aber, liebe Brüder, habt alleweil euren Glauben stolz im Mund geführt wie ein Feldgeschrei, dafür tragt ihr jetzt eure Köpfe dem Henker hin!“

 

 

 

 

Perutz
Leo Perutz (2 november 1882 – 25 augustus 1957)

 

 

 

 

De Albanese dichter en schrijver Bilal Xhaferri werd geboren op 2 november 1935 in Ninat bij Konispol. Zie ook mijn blog van 2 november 2008.

 

 

ALBANIA 1976

 

Small nation
Little time
Tiny ration
Enormous shadow
Great fear
Great want

 

And throughout the land
Shrieks and cries
Like owls in the night

 

 

 

 

COME, SADNESS

 

Come, sadness

 

Come slowly
Like leaves drifting from branches

 

Come slowly
Like rain dripping from leaves

 

Come, sadness

 

Come like nearing thunder in the night
Come like the thumping of an anguished heart

 

Come, sadness

 

O you my beloved who has never abandoned me
My only shelter
Hope
And dream

 

Come, sadness

 

Sadness, come.

 

 

 

 

BilalXhaferri
Bilal Xhaferri (2 n
ovember 1935 – 14 oktober 1986)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver en criticus Thomas Mallon werd geboren op 2 november 1951 in Glen Cove, New York. Zie ook mijn blog van 2 november 2008.

 

Uit: Mrs Paines Garage

 

There would be bad news from Dallas tomorrow. But as 5:30 approached on this warm Thursday afternoon, Ruth Paine had little time to think about her pending divorce. As usual, she was in the midst of errands, driving her station wagon back from the supermarket with groceries for her own small, sundered family as well as the other oddly intact one that had been grafted onto it these last several months.
A copy of the divorce petition, which Ruth had filed eight days ago, was right now being postmarked near the offices of her lawyer in the Rio Grande National Building downtown. The dated facts in it -- that she and Michael had been married on December 28, 1957, in Pennsylvania, and produced two children, Lynn (b. 1959) and Christopher (b. 1961), before separating "on or about September 1, 1962" -- were more accurate than the supposed crux of the document, its declaration that her husband, now "the defendant," had "about six months before their said separation, commenced a course of unkind, harsh, cruel and tyrannical treatment... of such a nature as to render their further living together insupportable."
The legal boilerplate hardly described the painfully civilized breach between Ruth and Michael, or the temperate good will he showed whenever he now visited from his own apartment over in Grand Prairie. The two of them probably still saw more movies together than the average couple living under one roof. But the law was the law, and it required stern lies in the matter of divorce, even one arrived at as quietly as this.
Driving down Fifth Street, crossing Westbrook Drive, Ruth was surprised by a picture of domesticity that suddenly came into view. There, up ahead, under the oak tree on her own front lawn, stood Lee and Marina, playing with Junie in apparent contentment. The Oswalds, in contrast to the Paines, might bitch and bicker with each other much of the time -- Lee had bawled out Marina over the phone just three nights ago -- but their own separation was partial, temporary, and economic. Most nights Lee lived in a rooming house downtown, on North Beckley, closer to the book-warehouse job that Ruth had helped him get last month; Marina and Junie, and now four-week-old Rachel, stayed here with her in Irving, joined by their "Papa" on weekends, when the population of the four-room house would swell to seven. Ruth expected the situation to last until Christmas, perhaps a little longer, after which she would have to deal with missing Marina as she still dealt with missing Michael.“

 

 

 

mallon2
Thomas Mallon (Glen Cove, 2 november 1951)

 

 

De Nederlandse dichter en vertaler Kees van den Heuvel werd geboren op 2 november 1960 in Mill. Hij behoort bij de top van de light-versedichters van Nederland, maar is de laatste jaren weinig in de belangstelling wegens ziekte. Van den Heuvel publiceerde werk in diverse bloemlezingen, en in literaire bladen als De Tweede Ronde en Randschrift / Parmentier.

 

Jaarwisseling

 

Waarom begroet men steevast alle jaren

Die middernacht als magisch fenomeen?

Al is het nieuwe jaartal even wennen

De dagen zijn niet anders dan voorheen

 

We kunnen wel met veel tamtam verklaren

‘Ik kuis mijn taal’ ‘Ik drink niet meer alleen’

Maar hoe we ook gaan lijnen, sparen, rennen

De dagen zijn niet anders dan voorheen

 

We blijven wie we gister ook al waren

En rijgen stil een levensloop aaneen

We dromen, vrezen, hopen, wachten, plannen

De dagen zijn niet anders dan voorheen

 

We krijgen meer (of minder) grijze haren

Al zullen velen liefst ook dat ontkennen

De dagen zijn niet anders dan voorheen

 

 

 

 

ansichtkaartmill1

Kees van den Heuvel (Mill, 2 november 1960)

Mill, ansichtkaart (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

De Nederlandse dichteres Augusta Guerdina Peaux werd geboren in Simonshaven op 2 november 1859. Zie ook mijn blog van 2 november 2008.

 

 

Oorlogszomer

 

In diepe nis van donker lover staat
bloedige zomer met zijn licht gelaat,
gelijk in diepe zieleduisternis
een brandend leed lichtend geborgen is.

Een brandend leed zal deze zomer zijn,
in 't hart der mensheid een verholen pijn,
een alsemdronk zijn vroege-morgendauw
en al zijn lommer als een floers van rouw.

En als een floers van rouw, dat wijder spreidt,
zijn wolkenschaduw over verre tijd,
tranen zijn regen en zijn avondrood:
dovende fakkel van de jonge dood.

 

 

 

 

Najaarswandeling

 

Er was een woord in de wind, bij `t gaan
over de duinen – wij hadden `t gezwegen –
`t woei kil elk bloeiend leven aan,
`t was allerwegen.

En wij gingen als blinden en waren doof,
gingen als doven en waren blind,
en de dood van de zomer was in het loof
en ging ons voorbij in de wind.

En `t popelblad trilde op het wolkengrauw,
als maanlicht op dodenzerken,
en ver in het schaarhout schimden flauw
de witte geraamten der berken.

 

 

 

 

simonshaven+ring

Augusta Peaux (2 november 1859 -  23 februari 1944)

Simonshaven, de Ring (Oude postkaart. geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

De Franse schrijver en moralist Jules Amédée Barbey d'Aurevilly werd geboren op 2 november 1808 in Saint-Sauveur-le-Vicomte (Manche). Zie ook mijn blog van 2 november 2008.

 

Uit: Les Diaboliques

 

“Un des avantages de la causerie en voiture, c’est qu’elle peut cesser quand on n’a plus rien à se dire, et cela sans embarras pour personne. Dans un salon, on n’a point cette liberté. La politesse vous fait un devoir de parler quand même, et on est souvent puni de cette hypocrisie innocente par le vide et l’ennui des conversations où les sots, même nés silencieux (il y en a), se travaillent et se détirent pour dire quelque chose et être aimables. En voiture publique, tout le monde est chez soi autant que chez les autres, — et on peut sans inconvenance rentrer dans le silence qui plaît et faire succéder à la conversation la rêverie... Malheureusement, les hasards de la vie sont affreusement plats, et jadis (car c’est jadis déjà) on montait vingt fois en voiture publique, — comme aujourd’hui vingt fois en wagon —, sans rencontrer un causeur animé et intéressant... Le vicomte de Brassard échangea d’abord avec moi quelques idées que les accidents de la route, les détails du paysage et quelques souvenirs du monde où nous nous étions rencontrés autrefois avaient fait naître, — puis, le jour déclinant nous versa son silence dans son crépuscule. La nuit, qui, en automne, semble tomber à pic du ciel, tant elle vient vite ! nous saisit de sa fraîcheur, et nous nous roulâmes dans nos manteaux, cherchant de la tempe le dur coin qui est l’oreiller de ceux qui voyagent. Je ne sais si mon compagnon s’endormit dans son angle de coupé ; mais moi, je restai éveillé dans le mien. J’étais si blasé sur la route que nous faisions là et que j’avais tant de fois faite, que je prenais à peine garde aux objets extérieurs, qui disparaissaient dans le mouvement de la voiture, et qui semblaient courir dans la nuit, en sens opposé à celui dans lequel nous courions. Nous traversâmes plusieurs petites villes, semées, çà et là, sur cette longue route que les postillons appelaient encore : un fier « ruban de queue », en souvenir de la leur, pourtant coupée depuis longtemps. La nuit devint noire comme un four éteint, — et, dans cette obscurité, ces villes inconnues par lesquelles nous passions avaient d’étranges physionomies et donnaient l’illusion que nous étions au bout du monde... Ces sortes de sensations que je note ici, comme le souvenir des impressions dernières d’un état de choses disparu, n’existent plus et ne reviendront jamais pour personne. À présent, les chemins de fer, avec leurs gares à l’entrée des villes, ne permettent plus au voyageur d’embrasser, en un rapide coup d’œil, le panorama fuyant de leurs rues, au galop des chevaux d’une diligence qui va, tout à l’heure, relayer pour repartir. « 

 

 

 

 

 

Aurevilly
Jules Barbey d'Aurevilly (2 november 1808 – 23 april 1889)

 

 

 

 

De Russische dichter, schrijver en Christelijk mysticus Daniil Leonidovich Andreyev werd geboren op 2 november 1906 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 2 november 2008.

 

 

Uit: Ancient Memory

 

India! -The mysterious name,

Ancient as my way in the universe!

The rainbow of the yearning heart.

Images persistent like memory . . .

 

Shall I talk about it? -People won't believe me.

Shall I hint? -They won't understand a single word.

They'll rebuke me for the dark predilection,

For the invincible vision.

 

Shall I ever touch with my beggarly hand

The light dust of the holy roads.

Shall I bend my knees where for the first time

I was born out of darkness by Mother-Earth?

 

 

                               *

 

But I died. I changed images.

The days of being, not being itself.

And, like the quiet snow of the North.

My face has paled.

 

Ages were passing. In thc lone shabby mist

I was born and faded away

On the mute snow of Russia,

On the Finnish granite of the rocks.

 

But the image of my f~rs! native land

1 cannot burn out from my heart

Here, to the accompaniment of the sad chimes

In this twilight country.

 

 

 

 

Andreyev
Daniil Andreyev (2 november 1906 – 30 maart 1959)